Crisis, soberheid en steriele vakbondsacties

See also :

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail
Tot voor kort stelde de bourgeoisie de economische toestand in België nog voor als een uitzondering in Europa. Vandaag ontkent niemand nog de impact van de crisis op het land. Becijferde rapporten en verklaringen van “verantwoordelijken” stapelen zich op om de bevolking op te roepen zich bewust te worden van de rampzalige toestand en de buikriem aan te halen uit solidariteit met het bestaande systeem. Ook hier kondigt de toekomst die de machthebbers ons voorhouden zich alsmaar somberder aan.


Een economisch systeem zonder perspectieven


Midden februari 2012, werden 114 banken bedreigd met een degradatie van hun ‘rating’ door de ratingbureaus en het merendeel van de Belgische banken beantwoordt niet aan de nieuwe solvabiliteitsnormen die opgelegd worden door Europa tegen 2019. Anderzijds zien de Staten overal in Europa en in de wereld dat hun solvabiliteitsquotering verlaagd wordt door diezelfde agentschappen. De bourgeoisie is zich in alle landen bewust van de impasse, maar de voorstellen die zij opdist brengen helemaal geen verlichting, zoals blijkt uit de recente topontmoeting van Davos.

Geldbiljetten bijdrukken brengt nog meer geld in omloop en veroorzaakt een oplaaien van de inflatie. Nieuwe leningen stimuleren en deficits aanwakkeren om zo nieuwe kunstmatige afzetmarkten te scheppen biedt evenmin een uitweg in deze wereld die tot over de oren in de schulden zit. Sinds tientallen jaren leeft, of overleeft, het kapitalisme op krediet. De staatsinkomsten vermeerderen door het verhogen van de belastingen, wat neerkomt op een beperking van de koopkracht en een verhoging van de productiekosten, kan de duik in de recessie alleen maar versnellen. Blijft dus over de vermindering van de staatsuitgaven en die van de bedrijven. Voor de staat komt dat neer op het snijden in de begrotingen, om de schuldenlast te verlichten en de manoeuvreerruimte te verbreden voor operaties om banken en industrieën in moeilijkheden te redden. Voor de bedrijven is het ordewoord een daling van de productiekosten van de goederen, in de hoop zo goedkoper te worden dan de concurrenten en toch nog voldoende winsten over te houden na verkoop. In de praktijk komt dat neer op het nog meer delokaliseren van de productie naar streken met een lagere loonkost, de productiviteit nog verder opvoeren, het onbenut deel van het productieapparaat schrappen, de (directe en indirecte) loonlasten verminderen. In alle gevallen betalen de loontrekkenden, die de goederen produceren in de hele wereld, het gelag. Zelfs indien economisten, zoals P. De Grauwe er voor waarschuwen dat deze politiek op haar beurt een inkrimping van de koopkracht tot gevolg heeft en dus ook van de werkelijke markt.

De Belgische bourgeoisie en haar regering die eindelijk uit de couveuse is gekomen, worden met net dezelfde dilemma’s geconfronteerd:

- zij moet een staatsschuld beheren die in 2012 100% van het PIB zal overschrijden, en België in hetzelfde wespennest doet terechtkomen als Griekenland, Portugal of Italië;

- zij ziet aan tegen een groeiende inflatie van2,7% in vergelijking met 2011;

- zij moet de kwetsbaarheid van de overheidsfinanciën verminderen, die sterk blootgesteld zijn aan de financiële sector in moeilijkheden, een toestand die te vergelijken valt met die van Ierland. Na de ineenstorting van de Fortis-bank, is het opnieuw Dexia die onlangs een verlies aankondigt van 12 miljard Euro’s in 2011. Daarbij komt nog dat haar onvermogen om de staatswaarborgen terug te betalen, een gat slaat van honderden miljoenen Euro’s in de federale begroting;

- zij wil een relance-politiek voeren, maar zit in de kopgroep van de 9 landen in de Europese Unie, met een negatieve groei, terwijl de recessie meer en meer herstructureringen van bedrijven teweeg brengt;

- zij is verplicht om het gat in de begroting te dichten, dat steeds maar groter wordt, wat alsmaar meer bijkomende soberheidsmaatregelen vereist.

En haar antwoorden staan op één lijn met wat elders in Europa gebeurd: verminderen van het aantal ambtenaren, verlenging van de loopbanen en vermindering van de pensioenuitkeringen, verhoging van de flexibiliteit (precaire jobs, beperkte contracten) en de productiviteit (minder absenteïsme, minder betaalde loopbaanonderbrekingen, meer ziektes, depressies, stress...), opgevoerde druk op de werklozen en vermindering van hun uitkeringen, loondalingen en verhoging van de indirecte belastingen. Tegelijkertijd nemen de herstructureringen, delokaliseringen en ontslagen in alle industriële sectoren toe : de Antwerpse haven, de waalse staalnijverheid, Beckaert, Van Hool, Protor&Gamble, Crown Cork, Nokia-Siemens, Alcatel-Lucent....
Dit is het beeld van een systeem dat geen ander perspectief te bieden heeft dan het opdringen van een ellende en een geweld dat steeds brutaler en onmenselijker wordt.


Het systeem mag niet in vraag gesteld worden


Bij de aankondiging door de regering Di Rupo  van de maatregelen inzake de pensioenen kondigde het eenheidsfront van de vakbonden meteen “een ambitieus programma van betogingen en stakingen” aan, dat zijn toppunt zou bereiken met een algemene staking van één dag in januari. De voorzitter van de Vlaamse socialistische partij, Bruno Tobback, haastte zich om deze algemene staking van één dag te bestempelen als een “atoombom” tegenover maatregelen die al bij al vrij gematigd overkwamen in vergelijking met de soberheid die opgelegd werd in andere landen van Europa. 

Vanaf dit ogenblik werd de ganse campagne rond deze algemene staking gericht op het verdelen van de arbeiders: debat tussen voor- en tegenstanders van de staking, discussie over de manier om de staking te voeren (en zo de werkwilligen en de economie te gijzelen). De arbeiders worden verdeeld per sector, per bedrijf m.b.t. de specifieke gevolgen van de crisis: ambtenaren van de openbare sector tegenover arbeiders uit de privé sector, de stakers uit de vervoersector die de werknemers van niet-stakende bedrijven verhinderen te werken, stakingsbereide grote ondernemingen tegenover niet stakingsbereide kleine ondernemingen. Ook de verdeling tussen de generaties wordt aangewakkerd: de algemene staking zou de staking van de oudere werknemers zijn die hun privileges op het vlak van de werkloosheidsuitkeringen en pensioenen willen veilig stellen ten koste van de jongeren.

Achter de schijneenheid en radicale acties organiseren de vakbonden op die manier de algemene verdeeldheid. Zij vermijden zorgvuldig alle mogelijkheden van werkelijke mobilisering en discussies ten gronde over de toestand en breken zo elk perspectief op de ontwikkeling van de strijd. De verschillende maatregelen en de aanvallen worden gezien als specifieke feiten die niets met elkaar te maken hebben. Er verschijnt geen enkele teken van solidariteit tussen de sociale conflicten (tussen Van Hool, Beckaert, Crown Cork of de ambtenaren bijvoorbeeld). Deze campagne sluit in feite de arbeidersklasse op in een verrot alternatief: ofwel instemmen met de machteloze acties van de vakbonden, namelijk een nationale betoging in december en vervolgens eind januari een ‘algemene’ staking’ van één dag, ofwel de maatregelen gelaten ondergaan: er zijn de problemen met de daklozen, ja, maar wat valt er aan te doen? Ontslagen zijn erg, maar wat te doen? De benadering sector per sector en bedrijf per bedrijf leidt er toe dat men gaat aanvaarden dat bepaalde sectoren niet voldoende meer presteren, dat hun producten niet meer verkoopbaar zijn en dat ze inderdaad moeten gerationaliseerd worden.

Maar het meest perverse effect van de mislukking van de ‘atoombom’ van de algemene eendagsstaking, is het voordeel dat de Belgische regering er uit kon puren om elke vorm van nadenken over een alternatief voor dit systeem in crisis af te blokken. Als de ‘atoombom’ de maatregelen niet kan tegenhouden, “laten wij dan ophouden met dromen en laat ons proberen om samen de crisis van het systeem op de beste manier te beheren”: dat is in het kort de boodschap die de bourgeoisie, met behulp van de vakbonden, wil doen ingang vinden. Haar grootste zorg is om ten koste van alles een in vraagstelling van het systeem als dusdanig te vermijden en het op zoek gaan naar een ander om het te vervangen. De verontwaardiging en de woede van de uitgebuitenen zullen steeds maar toenemen tegenover de opeenvolgende soberheidsplannen, in België, en elders, maar er moet voor gezorgd worden dat dit niet uitloopt op een in vraagstelling van het systeem. Het misleidende discours van de beheerders van het systeem doet bijgevolg beroep op de collectieve verantwoordelijkheid en de nationale solidariteit om de problemen ‘samen te beheren’. De strijd tegen de fiscale fraude wordt voorop geschoven alsof het een miraculeuze oplossing was, een bestraffing van de kapitalisten (die natuurlijk de sommen gaan recupereren die overgemaakt worden aan de staat op de rug van de arbeiders en de consumenten). 

Die zal het trouwens ook mogelijk maken om de sociale ‘fraudeurs’ aan te pakken, hen uit te sluiten van elke vergoeding om hen in de ellende te storten. Men onderstreept ook de ‘ecologische en demografische’ noodzaak om minder te consumeren om het ‘vrijelijk’ instemmen met de soberheid beter achter een ideologisch masker te verbergen. Men schimpt op de slechte bankiers, die onderworpen moeten worden aan een staatsregulering. Men verspreidt de illusie over een ‘sociaal Europa’ tegen een ‘Europa van de bankiers’. Men roemt de weldaden van een ‘echte’ democratie, met een grotere deelname van de bevolking aan de beslissingen van de kapitalistische staat, om de maatregelen er door te rammen die de inspanning op een ‘evenredige’ manier verdelen : “Laten wij vertrouwen hebben in de de burgerlijke democratie, laten wij strijden voor een democratisering van het kapitalisme, in het kader van de marges die ons geboden worden door het huidige systeem, laten wij een humaan beeld ophangen van de onmenselijke maatregelen die vastgeklonken zitten aan dit economisch systeem”. Alsof het ‘democratisch’ beheren van een uitbuitingsmaatschappij neerkomt op het afschaffen van  deze uitbuiting, alsof het ‘evenredig’ verdelen van de ellende haar draaglijker maakt!


Wat te doen?


De verandering van regeerders verandert niets aan de aanvallen. Ondanks haar verdeeldheid is de bourgeoisie unaniem als het gaat over de noodzaak aan drastische soberheidsplannen. Enkel de weg van de strijd, voornamelijk op straat, klasse tegen klasse, kan leiden tot een daadwerkelijk verweer tegen de aanvallen op onze levensomstandigheden. Wij, proletariërs die werken of werkloos zijn, op pensioen of in opleiding of nog aan het studeren, moeten overal dezelfde belangen verdedigen. 

Om dat te bereiken moeten wij onze strijd in eigen handen nemen onder de controle van algemene vergaderingen en vooral niet de weg vrij laten aan de vakbonden om de de strijd op te delen en af te leiden naar doodlopende straatjes, en ons niet laten demoraliseren en tot onmacht leiden. De bourgeoisie verscheurt zich onder elkaar ten gevolge van de crisis, omdat zij voortgedreven wordt door concurrentie en winstbejag. Deze toestand dwingt ons, uitgebuitenen, daarentegen om ons te verzetten op een steeds meer massale, eensgezinde en solidaire wijze.

Lac / 27.02.2012