Rapport over de situatie in België (Territoriale conferentie – december 2011)

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Sinds de federale verkiezingen van juni 2010, ofwel bijna 540 dagen lang, zijn de schijnwerpers van de burgerlijke media gericht op het eindeloze afspringen van het communautaire feuilleton: onderhandelingen, compromis, breuken, verraad; de ‘burger’ werd permanent meegevoerd tussen de hoop van een nationaal compromis en de wanhoop van een uiteenvallen van het land. Momenteel, nu er een hachelijk akkoord is gesloten over een communautaire hervorming en een meerjarig begrotingsplan, heeft een nieuwe regering de teugels overgenomen. In deze context en om de situatie uiteen te zetten, waar de arbeidersklasse de komende maanden mee geconfronteerd zal worden, wil het rapport een antwoord geven op de volgende kwesties:

- Waar staat België op het economisch vlak in de wereldwijde crisis?

- Hoe moeten we de 18 maanden durende politieke communautaire crisis begrijpen?

- Wat zijn de gevolgen voor de bevolking en meer in het bijzonder voor de arbeidersklasse?

- Wat zijn de perspectieven voor de klassenstrijd?

1. België in het centrum van de wervelwind

Sedert 2008 slaagt de bourgeoisie er niet in om de tendens tot een wereldwijde recessie in te dammen. Meer precies, sinds de zomer van 2011, zijn we getuige van een versnelling van een helse spiraal van de crisis van de schulden van de nationale staten en van de druk op de staatsobligaties in Europa, van de crisis van de euro, de druk op de banken en de beurs, van een wereldeconomie die steeds duidelijker afglijdt naar een diepe wereldwijde recessie, van nieuwe faillissementen van financiële instellingen, enzovoort.

België is een van de meest open economische landen ter wereld, gemeten in termen van het deel van de buitenlandse handel in het BIP. België is heel erg afhankelijk van de situatie die zich voordoet bij haar belangrijkste handelspartners, in het bijzonder Duitsland, Frankrijk en Nederland. De productiesector (21% van het BIP) dat gespecialiseerd is in halfproducten (chemie en metaal) stelt het land heel erg bloot aan de internationale economische schommelingen.

1.1. In de eerste fase van de open crisis (in het bijzonder van 2008 tot 2010) heeft de bourgeoisie de Belgische economische situatie gepresenteerd als een uitzondering in Europa:

- een land dat relatief gespaard is gebleven door de crisis en de bezuinigingen;

 

- een staat waar de essentiële problemen niet van economische of sociaal van aard waren, maar bepaald werden door communautaire spanningen tussen Waalse ‘profiteurs’ en ‘arrogante’ Vlamingen.

Deze misleiding over de goede gezondheid van de Belgische economie is overeind gehouden door het geheel van de politieke partijen en door de ‘ontslagnemende’ regering Leterme, die bevestigde dat ‘de regering alles onder controle had:’ Wat heeft er dan een schijn van geloofwaardigheid gegeven aan de illusie van een ‘België dat aan crisis ontsnapt’.In feite zijn er drie factoren die dat begunstigd hebben:

- Tussen 2008 en 2011 heeft de Belgische economie enkele jaren kunnen parasiteren op de groei van de Duitsland en de relanceplannen van Frankrijk, waarvan het voor 65% afhankelijk is;

- De federale regering is doorgegaan om de ‘lopende zaken’ af te handelen, en heeft aldus de druk op de begroting kunnen vermijden van de klassieke ‘partijgebonden’ uitgaven, die de regeringspartijen doorgaans opleggen om hun traditionele electoraat tevreden te stellen. Aan de andere kant hebben de regionale, niet-demissionaire regeringen, die verantwoordelijk zijn voor een groot deel van beheer van de staat, zoals het onderwijs, de gezondheidszorg, het milieu en de cultuur, volop bezuinigingsmaatregelen kunnen nemen, die zich op deze terreinen stelden.

- Een hele reeks van kadermaatregelen om de bezuinigingen door te voeren waren reeds in 2009 door de regering Van Rompuy genomen met als doel het begrotingstekort terug te brengen van 6% in 2009 tot 0% in 2015, oftewel 22 miljard euro aan bezuinigen en 2011. Deze worden verder stelselmatig toegepast

1.2. Sinds de herfst van 2011 wordt België hard wakker geschud en de feiten maken duidelijk dat de economische situatie erg precair is, veel moeilijker dan die van haar directe buren:

 

- De Belgische banken (Fortis, KBC, Dexia) hebben zwaar te lijden gehad onder de bankencrisis en zijn nog steeds instabiel door de twijfelachtige leningen, in het bijzonder naar bepaalde landen in het oosten en zuiden van Europa, iets dat onlangs geleid heeft tot het failliet van de Frans-Belgische bank Dexia.

- Als het BIP van België op dit moment minder hard daalt dan die in de belangrijkste buurlanden, dan is echter het begrotingstekort in 2010 5%, in plaats van de één jaar geleden voorziene 4,8% (+1,3 miljard euro) en de massale steun aan de banken heeft de schuld vandaag doen toenemen tot 96% van het BIP;

- België voelt steeds meer de druk van de markten en de rentevoeten, die door de Belgische staat betaald moeten worden op internationale markt, dreigen het niveau van de PIGGS-landen te benaderen;

- Het ratingbureau Standard en Poor’s (S&P) heeft op 25 november de rating van België van AA+ verlaagd naar AA, met een negatief vooruitzicht.

Ondanks de samenstelling van een nieuwe regering, die de ‘politieke onzekerheid’, zo aangeklaagd door de internationale instellingen van de bourgeoisie, zou moeten laten verdwijnen, onderschat de Belgische bourgeoisie nog steeds de catastrofale situatie, waarin de interne tegenstellingen haar gebracht hebben. Als je het gewicht van de opgelegde bezuinigingen dus met elkaar vergelijkt, dan blijven de maatregelen die sinds 2008 genomen zijn, samen met degene die opgenomen zijn in het nieuwe regeerakkoord, ruim achter bij de bezuinigingsoperatie van het begin van de jaren 1980 (devaluatie van de frank) of die vooraf ging aan de deelname aan de euro aan het eind van de jaren 1990. De wervelwind van de staatsschuld en de wereldwijde depressie zullen de druk verhogen om nog grotere en bredere maatregelen op te leggen op het gebied van de berekening van het salarissysteem, de werkloosheidsuitkeringen en de pensioenen: “België wordt afgeschilderd als het belangrijkste voorbeeld van een bevroren Bismarckse welvaartsstraat. De meeste bronnen vinden dat de hervormingen in België (als ze doorgevoerd worden) marginaal blijven en onvoldoende om effectief te zijn om de uitdagingen van de herstructurering en het ouder worden van de bevolking aan te gaan”. (8th ESPA-net Conference 2010, Social Policy and the Global Crisis: Consequences and Responses).

 

2. De druk van de ontbinding maakt de zwakheden van de Belgische bourgeoisie duidelijk

Hoe kan het dat de bourgeoisie in België 18 maanden lang gefocust was op de spanningen op communautair vlak en op het vlak van de taaltegenstellingen? De verdeling binnen de verschillende nationale fracties van de bourgeoisie drukt voor alles de druk uit van de historische crisis van het kapitalisme op de samenhang van alle burgerijen van de planeet. De botsing tussen de republikeinen en de democraten in de VS over de te volgen politiek ten opzichte van de economische depressie, net zoals de spanningen tussen de rijke regio’s in Italië (Noord Italië) en Spanje (Catatonie) en de arme regio’s van deze langen of de opkomst in een land als Nederland van de openlijk anti-Europese fracties: overal zijn dit soort toenemende spanningen vast te stellen. In dit kader zou het verkeerd zijn om de (sub-)nationalistische spanningen tussen Vlaanderen en Wallonië te zien als een ‘Belgische uitzondering’.

Dit gesteld zijnde, is het eveneens onmiskenbaar dat de Belgische bourgeoisie gekenmerkt wordt door een evident gebrek aan homogeniteit; sinds de kunstmatige schepping van de Belgische staat in 1830, bestaan er al spanningen in haar midden. Deze spanningen tussen de regionale fracties zijn vooral toegenomen sinds de WOI en verergerd sinds het begin van de historische crisis aan het einde van de jaren 1960. De laatste uitdrukking van deze spanningen was de toegenomen invloed, bij de laatste verkiezingen, van de autonomistische Vlaamse partij NVA (Nieuwe Vlaamse Alliantie), wat 18 maanden lang het politieke leven van de bourgeoisie geblokkeerd heeft. In deze maanden zijn de verschillende fracties elkaar als hongerige wolven te lijf gegaan om zich zo goed mogelijk een positie te verwerven teneinde hun overleving te verzekeren in de genadeloze strijd op de wereldmarkt, waarbij ze op sommige momenten zelfs het zicht verloren dat deze fractiestrijd het risico met zich meebracht alles te verliezen.

Ook al is de Belgische bourgeoisie echt verdeeld in diverse nationale en regionale fracties, die elkaar verscheuren als hun vitale belangen worden bedreigd, dan drukken ze deze conflicten naar de achtergrond en sluiten ze zich wel aaneen om hun gemeenschappelijke belangen te verdedigen. Het zou naïef zijn om te denken dat, als het gaat om hun fundamentele gemeenschappelijke belangen - het handhaven van hun winsten, van hun deel van de markt dat bedreigd wordt door de verscherpte concurrentie –, deze burgerlijke fractie geen coalities aangaan om hun wet op te leggen aan de uitgebuitenen.

3. De bourgeoisie buit haar zwakheden uit in een intensieve nationalistische tamtam tegen de arbeidersklasse

De geschiedenis van de laatste 50 jaar heeft ons geleerd dat de Belgische bourgeoisie op zeer handige wijze haar interne verdelingen gebruikt tegen de arbeidersklasse met een tweeledig doel:

3.1. De bewustwording afremmen met betrekking tot de omvang van de aanvallen en de centrale rol die de Staat hierin speelt

Geconfronteerd met het risico dat ze bij afbetaling in gebreke blijven, hebben alle Europese landen gigantische besparingsplannen op stapel gezet om te trachten hun financiële sector en de overheidsfinanciën te saneren. Anderzijds echter, maken deze maatregelen ook steeds meer de rol van de Staat duidelijk, de zogenaamde ‘sociale staat’, in het opleggen van de kapitalistische inleveringen, waardoor de woede van de arbeiders zich steeds vaker tegen hem dreigt te keren. Inderdaad, de ‘democratische Staat’ is helemaal geen scheidsrechter die boven het gewoel staat en borg staat voor sociale rechtvaardigheid; vandaag blijkt steeds duidelijker wat hij in werkelijkheid is: een instrument van de uitbuitende klasse om haar steeds meedogenlozere voorwaarden aan de arbeiders op te leggen.

Maar de verschillende nationale bourgeoisieën zetten alle beschikbare misleidingmiddelen in om deze realiteit zolang mogelijk te verbergen voor de ogen van de arbeiders, om hen integendeel te bedwelmen met de democratische illusies. Het aanwakkeren door de Belgische bourgeoisie en haar fracties van de tegenstellingen tussen de gemeenschappen en de gewesten moet dan ook precies in deze context gezien worden. De bedoeling is de aanvallen en de fundamentele rol van de ‘democratische staat’ hierin te doen verdwijnen in een doolhof van instituten.

Het is geen toeval dat de jaren 1970, de jaren waarin de eerste uitdrukkingen van de historische crisis van het kapitalisme tot uiting kwamen, in België ook het begin inluidden van een omvangrijke reeks van institutionele hervormingen, die leidden tot het regionaliseren van de Staat, tot het opsplitsen van de beslissingsverantwoordelijkheid over de verschillende communautaire, regionale en gemeentelijke niveaus. Er ontstond een hele reeks van federale, communautaire en regionale regeringen (zeven in totaal), er werden samensmeltingen doorgevoerd van gemeenten en stedelijke agglomeraties, samen met de volledige of gedeeltelijke privatisering van een aantal overheidsbedrijven (Post, NMBS, telefoon, gas, elektriciteit, bepaalde gezondheidsdiensten, ...). Deze ‘hervorming’ leidde tot de meest waanzinnige verdeling van verantwoordelijkheden, een herverdeling van de ambtenaren over de verschillende bestuurslagen en het in het leven roepen van een hele reeks gemengde personeelsstatuten. Concreet gesproken, kan de doelstelling van deze ‘Staatshervorming’ als volgt samengevat worden:

- het opdrijven van de doeltreffendheid van de uitbuiting: de ‘responsabilisering’ van autonome eenheden schept in de praktijk een kader voor de interne concurrentie tussen regio’s. Vlaamse arbeiders worden opgeroepen om ‘performanter’ te werken dan hun Waalse ‘concurrenten’ en omgekeerd; de gewesten, de gemeenten worden als concurrenten tegen elkaar uitgespeeld om op de meest doeltreffende wijze de sociale budgetten te beheren, de flexibiliteit onder hun ambtenaren in te voeren, enzovoort;

- het versnellen van de herstructureringen, van de aanvallen op de personeelsstatuten, de lonen en de werkvoorwaarden van de ambtenaren onder de mom van de reorganisatie van de Staatsstructuur;

- het verdoezelen van de omvang van de aanvallen door ze te spreiden over de verschillende bestuursniveaus of door elk niveau te belasten met verschillende soorten maatregelen.

3.2 Elke eendrachtige reactie van de arbeiders en elke uitbreiding van hun strijd verhinderen

 

Als de arbeiders zich verzetten tegen de aanvallen, waarvan zij het slachtoffer zijn, maakt de bourgeoisie, vooral door middel van haar vakbonden, eens te meer gebruik van de verheviging van een (sub)nationalistische en regionalistische tamtam om elke vorm van ééngemaakt arbeidersverzet tegen de aanval op hun levensvoorwaarden, om elke uitbreiding van de strijd te beletten. Ook dit is een constant element in de verhouding tussen de klassen in België.

Sedert de jaren 1960  vooral, gebruikt de bourgeoisie de regionalistische misleiding om het bewustzijn binnen de arbeidersklasse af te remmen met betrekking tot de noodzaak van een eendrachtig verzet en van de uitbreiding van de strijd als antwoord op de aanvallen. Tijdens de algemene staking van 1960 reeds leidt het radicale syndicalisme, onder leiding van André Renard, de strijdbaarheid van de arbeiders uit de grote industriële bekkens van Luik en van Henegouwen af naar het Waalse subnationalisme, met de bewering dat een Waalse regionale staat, onder leiding van de PS, weerwerk zou kunnen bieden aan het nationale kapitaal en de industriële sectoren uit de regio van het verval zou kunnen redden. De arbeiders zouden zwaar betalen voor deze illusie, want het waren juist de regionale regeringen, die in de jaren 1970 en 1980, geleidelijk aan de Waalse mijnen en staalfabrieken zouden sluiten. Sinds het einde van de jaren 1980 kent Vlaanderen op haar beurt dezelfde problemen met de Limburgse mijnen, de scheepswerven (Boel Temse) en de automobielsector (Renault en onlangs nog Opel). Eens te meer wordt dezelfde misleiding gebruikt: ‘Wat we zelf doen, doen we beter’ luidt de leuze van de Vlaamse nationalisten. En inderdaad, de sluiting van de mijnen en van de scheepswerven werd met bekwame spoed afgehandeld. Ook de arbeiders van Opel werden zoet gehouden met allerlei beloftes van de Vlaamse regering  over de ‘strijd van Vlaanderen om Opel te redden’.

Ook vandaag, nu de arbeiders weerstand beginnen te bieden aan de aanvallen, wordt de regionalisering van een hele reeks beslissingsniveaus en de (sub)nationalistische propaganda door de bourgeoisie en haar vakorganisaties gebruikt, eerst en vooral om de strijdbewegingen te verdelen, te isoleren en op te sluiten in oriëntaties die geen enkel perspectief bieden voor de arbeidersklasse. Als de ambtenaren dus worden aangevallen op hun lonen en hun werkvoorwaarden, wordt elke groep opgeroepen om te betogen voor het gebouw van hun eigen overheidsinstituut (federale, communautaire, gewestelijke, provinciale, gemeentelijke, ...). Vervolgens aarzelen de bonden niet om de arbeiders mee te slepen op het verrotte terrein van de regionale verdeling, ja zelfs van de nationalistische belangen. Zo worden Vlaamse en Waalse leerkrachten opgeroepen om te strijden voor aparte eisen, elk in hun regio. En onlangs riepen de vakbondsorganisaties de arbeiders op om te betogen voor een Belgische gemeenschappelijke sociale zekerheid, tegen de pogingen van de Vlaamse nationalisten om deze te regionaliseren.redden’.

4. Naast het bezuinigingsplan van de nieuwe regering worden er nog hardere aanvallen voorbereid

4.1. Het plan van de nieuwe regering Di Ruppo bevat aanvallen op de arbeidersklasse op twee vlakken.

Het meerjarige begrotingsplan omvat globale aanvallen op de arbeidersklasse, bovenop de maatregelen die al genomen zijn in het kader van het meerjarenplan 2010-2015 van Van Rompuy. Een en ander wordt gerechtvaardigd door noodzaak van de kredietwaardigheid van de Belgische Staat te verdedigen ten opzichte van de markten:

-De verlaging van de uitkeringen voor de langdurige werklozen, het gezinshoofd inbegrepen, vanaf het tweede jaar in de werkloosheid;

-De beperking van de toegang tot het vervroegde pensioen, die verhoogd wordt van 60 naar 62 jaar;

-Het niet langer meetellen van de periodes van werkloosheid, het vervroegde pensioen en de kredieturen voor de berekening van het pensioen;

-De beperking van het recht op kredieturen en loopbaanonderbreking;

-De vermindering van de uitgaven voor de gezondheidszorg, hetgeen een bedreiging vormt voor de kwaliteit van de patiëntenzorg.

De maatregelen in het kader van de Staatshervorming  leiden tot een verscherping van de concurrentie tussen regio’s. De communautaire spanningen worden op economisch vlak uitgebuit door de organisatie van een onderlinge concurrentie tussen de regio’s: een gedifferentieerde fiscaliteit tussen de regio’s ‘om bedrijven te lokken’, een financiering van de regio’s die gedeeltelijk verbonden is aan het behalen van criteria van rentabiliteit en van efficiëntie. Zo zal de begroting voor werkloosheidsuitkeringen bijvoorbeeld verbonden worden met de efficiëntie van de politiek van het ‘aan het werk krijgen’ van werklozen. De concurrentie en de prestatie-wedloop tussen de regio’s zullen leiden tot een verhoogde druk op de levens- en arbeidsomstandigheden van de arbeidersklasse.

4.2. Wat zijn de besparingsmaatregelen die door de andere landen van Europa worden genomen? Duitsland 82 miljard euro, Groot-Brittannië 7,2 euro in 2010; Italië 13 miljard euro in 2011 en daarbovenop twee aanvullende bezuinigingsplannen; Spanje 15 miljard euro extra. Deze indrukwekkende aanvallen impliceren massale opheffingen van werk in de openbare sector, de verlaging van de lonen (bijvoorbeeld 5% voor de ambtenaren in Spanje), de verhoging van de pensioenleeftijd en de verlaging van de pensioenen (bij bepaalde pensioenfondsen in Holland bijvoorbeeld) of van de ziekte-uitkeringen. Kortom, ze vormen een consequente verlaging van het levensniveau van de arbeidersklasse, vergelijkbaar met die men heeft gekend in de jaren 1930.

In de context van Europa en in die van de toenemende druk op de banken op de staatsschulden, dringen er zich aanvullende maatregelen op om de ‘kredietwaardigheid van België’ te herstellen. Achter de coulissen, schetsen de economische ‘think tanks’ van de bourgeoisie reeds de grote lijnen van een geduchtig bezuinigingsplan, gebaseerd op een dubbele oriëntatie: een drastische verlaging van de begrotingsuitgaven van de staat om de schuld te doen afnemen en een belangrijke verlaging van de lonen (globaal geschat op 10%) om de concurrentiepositie van de België ten opzichte van Duitsland (door een verhoging in tien jaar van +23% in België tegen +8,8%  in Duitsland) te herstellen en delen van de markt te heroveren of de afname van buitenlandse investeringen tegen te gaan (-70%,) waardoor België van de tweede naar de tiende plaats is weggezakt op het vlak van het aantrekken van buitenlandse investeringen (De Morgen, 23.07.10).

 

5. Context en perspectieven voor de klassestrijd

De intensieve communautaire tamtam van de bourgeoisie, die eigenlijk quasi ononderbroken ontwikkeld werd sinds de zomer van 2008, heeft de werkers het zicht op de realiteit van de crisis en van de inzet ervan ontnomen en heeft moeilijke omstandigheden geschapen voor hun mobilisatie, voor hun strijd en voor de uitbreiding ervan. Dit verklaart waarom de arbeidersreacties tot nu toe minder markant zijn geweest dan die in Frankrijk en Duitsland. Het zou bovendien een illusie zijn te denken, dat de bourgeoisie haar best zal doen om de mist in de huidige periode op te doen lossen. Integendeel, ze probeert van bepaalde opluchting in de klasse, omdat de spanningen op het vlak van het beheer van de staat geregeld schijnen te zijn, gebruik te maken om nu de kaart uit te spelen van de noodzakelijke ‘nationale eenheid’ ten opzichte van de markten. Zij roept op tot ‘nationale solidariteit’ om ‘ons land te verdedigen’ tegen de aanvallen van een ‘agressieve buitenwereld’ en om de ‘fouten van het verleden goed te maken’. Voor de arbeidersklasse in België was de situatie deze afgelopen jaren moeilijk en die zal nog wel enige tijd moeilijk blijven.

De intensiteit van de misleiding en de uiterste voorzichtigheid, waarmee de bourgeoisie tegelijkertijd haar maatregelen naar voren brengt, is ook kenmerkend voor de angst van de bourgeoisie voor een arbeidersklasse, die in de jaren 1970 en 1980 haar strijdbaarheid al getoond heeft. Bovendien, sinds de aankondiging van de maatregelen van de nieuwe regering, heeft het gezamenlijke front van vakbonden een indrukwekkend programma van mobilisaties, manifestaties en stakingen aangekondigd om het sociale terrein stevig te bezetten. Alle elementen, ontwikkeld in dit rapport, laten zien dat het verschil met de sociale situatie in de andere Europese landen meer een kwestie van perceptie en van bewustwording is dan een objectieve realiteit: de economische en sociale werkelijkheid in België loopt geheel parallel met die in landen als Frankrijk en Nederland.

Bijgevolg kan de situatie snel evolueren, zoals de ‘Arabische lente’ heeft laten zien en de gebeurtenissen in Spanje en Groot-Brittannië. Zelfs als er in een eerste periode een periode van aarzeling en ontkrachting van de strijdbaarheid, in een veelvoud van syndicale acties, waarschijnlijk is, is er nu toch al een dynamiek van rijping van de strijdbaarheid en van overdenking in de minderheden van de klasse merkbaar:

 

- talloze momenten van actie: de staalarbeiders in Luik, de verplegers in Antwerpen en Brussel, de staking in de werkplaatsen van de SNCB in Brussel, de werkonderbrekingen in het openbaar vervoer; enzovoort.

- op verschillende plaatsen verschijnen er van minderheden, die discussiëren over de situatie en de perspectieven die naar voren moeten worden gebracht in de verschillende manifestaties of vergaderingen om het kader van de bewegingen van de ‘Indignados’ of ‘Occupy’s.

Deze laatste bewegingen, die zich de laatste maanden ontwikkelen, laten een oprechte wil zien samen collectief te leven en te strijden, de rug toe te keren aan het individualisme van het kapitalisme om samen een plaats te bezetten en er te discussiëren; deze bewegingen, hoe beperkt ze ook nog zijn, openbaren de wil collectief te discussiëren en collectief na te denken. Het feit dat deze bewegingen zich ontwikkelen op internationaal niveau geeft hun een besslissende betekenis. Ze geven aan dat de arbeidersklasse in België zeer snel de weg van de strijd terug kan vinden. En als de beweging eenmaal op gang is kan ze met meer strijdbaarheid en vastberadenheid dan elders reageren. Ook op dat vlak vormt België, in tegenstelling tot de wat de campagnes van de bourgeoisie beweren, geen uitzondering.

 

Internationalisme / 18.12.2011