Rapport over de situatie in Nederland (conferentie december 2011)

Printvriendelijke versieSend by email
De storm woedt in alle hevigheid. Sinds maanden is de economische catastrofe onafwendbaar. Binnen een paar weken was het plan ter redding van de Griekse economie volledig achterhaald en de schuldencrisis breidde zich uit om belangrijke landen in Europa te treffen zoals Spanje of Italië. Dit was het resultaat van de zomer 2011 en de herfst deed in er niets aan onder wat betreft de ravage die werd aangericht. Het spook van een algemeen bankroet doemt op. Wat er zich vandaag in de VS of in de Eurozone afspeelt, drijft de hele wereld in een recessie, waarbij het ene bankroet steeds sneller het andere veroorzaakt. De depressie gaat voort en de bourgeoisie slaagt er niet in deze te stoppen.
Voor de arbeidersklasse gaat het hierbij niet langer om de kwestie van massale ontslagen of een reële loondaling. Het gaat om een afglijden naar een algemene situatie van armoede, naar een groeiende onmogelijkheid voor de arbeiders om de meest essentiële noden te voldoen. Het groeiende faillissement van de kapitalistische wereldeconomie (Europa inbegrepen) verplicht alle uitgebuitenen van de wereld om verder te gaan dan de noodzaak zich te verzetten tegen de dagelijkse gevolgen van deze fundamentele crisis. De trage ontwikkeling van de strijdbaarheid gaat echter gepaard met een grote moeilijkheid binnen de arbeidersklasse om haar identiteit als klasse terug te vinden.
Hoe situeert Nederland zich in deze algemene context? Onder de Europese landen wordt Nederland meestal aangeduid als een van de ‘beste leerlingen van de klas’: “Nederland heeft vaak lofuitingen gekregen voor ‘haar’ wonderlijke transformatie van een welvarend land zonder werk naar een model met hoge (flexibele) werkgelegenheid”. (Social Policy and the Global Crisis: Consequences and Responses, 8th ESPA-net Conference 2010, Budapest 2-4 September 2010). Nederland zou erin slagen een pragmatische en doeltreffende economische politiek te combineren met een grote sociale en democratische gevoeligheid.

1. Ondanks sterke economische positie doet de crisis doet zich hard gevoelen in Nederland
Nederland is een van de weinige landen in Europa die nog steeds een AAA-rating heeft. Toch doet de economische crisis zich ook hier op allerlei vlakken hard gevoelen: lage economische groei, werkloosheid, enz.

1.1. De Nederlandse financiële sector, die sterk verbonden is met het Anglo-Amerikaans financiële kapitaal, werd in 2008 hard getroffen door de subprime- en de bankencrisis. Minister Bos moest in 2009 82 miljard dollar uitgeven om de banken overeind te houden. Minister Donner moest bedrijven te hulp schieten om het aantal de ontslagen binnen de perken te houden. Als gevolg hiervan kampen in Nederland op dit moment zo'n 250 pensioenfondsen met een tekort, waarvan er 100 meer dan zwak voorstaan.
Ruim honderd pensioenfondsen dreigen per april 2013 het mes te moeten zetten in de pensioenen. Gerard Riemen, directeur van koepelorganisatie ‘De Pensioenfederatie’ zegt in het Financiële Dagblad dat de pensioenen van zo'n miljoen Nederlanders naar verwachting omlaag zullen gaan. Voor de leden van minimaal 14 Nederlandse pensioenfondsen is de pensioenuitkering in 2011met maximaal 14% omlaag gegaan.

1.2. Daarenboven is Duitsland sinds jaar en dag de belangrijkste handelspartner van Nederland. De afgelopen tien jaar (1998-2008) is de goederenhandel met onze oosterburen vrijwel onafgebroken toegenomen. De invoer uit Duitsland is bijna verdubbeld tot 65 miljard euro. De uitvoer is met 86 procent iets minder hard toegenomen tot 89 miljard euro. Nu de situatie in Duitsland stagneert, zien we dat die in Nederland ook hard terugloopt.
- In Nederland kwam de groei in het tweede kartaal van 2011 nog wat lager uit: 0,1%; een groei die minder is dan het gemiddelde in de EU. De ING verwacht dat de Nederlandse economie in de tweede helft van dit jaar op de rand van een recessie terechtkomt en dat de economische groei dit jaar uitkomt op 1,6 procent. Volgens het ING Economisch Bureau heeft Nederland vooral last van de afnemende wereldhandel, met name naar Duitland, die 24% voor haar rekening neemt.
- Er vallen massale ontslagen bij de grootste Nederlandse bedrijven zoals Phillips, ABN-AMRO en Unilever;
- De werkeloosheid loopt in de tweede helft van 2011 opnieuw snel op “De stijging van de werkloosheid in de afgelopen maanden is ronduit extreem te noemen. Van 5% in juni naar 5,6% in september is een krankzinnig snelle stijging. (…) We stevenen regelrecht af op het record (5,8%) dat in februari 2010 werd bereikt als gevolg van de financiële crisis. Geen goed teken…”(CBS: werkloosheid stijgt naar 5,6%; MarcDrees; 20-10-2011)
1.3. Nederland is altijd een van de weinige landen geweest met een aanvaardbaar begrotingstekort. Toch wordt het door de eurocrisis op het vlak van de sociale uitgaven ook gedwongen om verdere drastische besparingen door te voeren:
- Gesubsidieerde banen verdwijnen massaal. Er wordt gesnoeid in de reïntegratiebudgetten van gemeenten door er in 2012 al 190 miljoen euro op te bezuinigen. In Amsterdam alleen al dreigen in één klap zo’n 70% van de 1.400 gesubsidieerde banen te verdwijnen en in Rotterdam staan er zo’n
2.200 banen op de tocht;
- Het kabinet Rutte bezuinigt de komende jaren tot 1 miljard euro op de kinderopvang. Dat betekent dat ouders soms tot duizend euro meer moeten betalen voor de kinderopvang, wat voor velen onbetaalbaar is;
Resultaat van deze economische politiek: het CBS gaat uit van een daling van de inkomensontwikkeling van de gehele bevolking. Hoewel ze de verwachte verzwaringen van de zorglasten nog niet in deze berekeningen heeft meegenomen, gaat ze nu al uit van een flinke achteruitgang van de inkomens in de komende jaren. Bij een geschatte inflatie van 2%, die inmiddels al hoger is, zouden de inkomens in de loop van 2011-2012 gemiddeld met 3,5 % achteruitgaan. Volgens hetzelfde uitgangspunt bedragen de inkomens in 2015, voorzichtig geraamd, tussen de 5 en 6% minder dan in 2010.

2. Politiek van de bourgeoisie: haar zwakheden op kundige wijze uitspelen tegen de arbeiders
De politiek van de bourgeoisie wordt in Nederland, zoals elders, gekenmerkt door het gewicht van de ontbinding op het politieke apparaat van de bourgeoisie. Dit komt tot uiting in de grote spanningen die er bestaan tussen de politieke partijen en de sterke opkomst van het (voornamelijk rechtse) populisme (de PVV van Wilders). Toch is de Nederlandse bourgeoisie bekwaam genoeg om dit, zoals in andere industriële landen, vooralsnog tegen de arbeiders uit te spelen in intensieve democratische en nationalistische misleidingcampagnes.

2.1. Naar aanleiding van de voortzetting van de bijdrage aan de militaire interventie in Uruzgan zegde de sociaal-democratie (de PvdA) haar medewerking aan de regering op. Dit was de rechtstreekse aanleiding voor de val van de regering van Balkenende IV in het voorjaar van 2010. De sociaal-democratie dacht daarmee, met deze ‘pacifistische’ houding, ideologisch te kunnen scoren tegen een onpopulaire oorlog en haar geloofwaardigheid voor een stuk te herstellen. Uruzgan was uiteraard niet de werkelijke reden van de ‘linkse’ ommekeer van de PvdA. De sociaal-democratie dacht haar vel te kunnen redden door uit een regering te stappen, die bezuinigingen van ca. 30 miljard moest doorvoeren. Zij had in het laatste jaar al teveel van haar geloofwaardigheid verloren.
De sociaal-democratie, met de nieuwe voorman Job Cohen, ging inderdaad bij de verkiezingen minder achteruit dan ze vreesde, maar kon niet werkelijk profijt trekken uit haar pseudo-‘pacifistische’ houding. De VVD met in haar kielzorg de PVV, kwamen als de grote overwinnaars uit de bus. In die zin moet datgene wat er in de lente van 2010 in Nederland gebeurd is, niet beschouwd worden als de toepassing door de Nederlandse bourgeoisie van een bewuste politiek van ‘links in de oppositie’ (de huidige leiding van de PvdA is allesbehalve ‘links’ en de partij verleent, vanuit de oppositie, regelmatig haar steun aan de regering Rutte), maar als de uitdrukking van een verdere afbrokkeling van haar politieke apparaat. Dit komt tot uiting in het voortdurend verschrompelen (tot een historisch dieptepunt voor het CDA) van de twee partijen die, in de voorbije decennia, de basis vormden in het bestuur van haar Staat, de CDA en de PvdA.

2.2. Na de verkiezingen werd een rechtse minderheidsregering VVD-CDA gevormd onder leiding van rechtsliberale minister-president premier Rutte en met de externe steun van de rechtspopulistische PVV, die mee onderhandeld heeft over het regeerprogramma. De beide regeringspartijen, de rechtsliberalen (VVD) en de Centrum Christenpartij (CDA), hebben samen niet genoeg zetels. Om toch een meerderheid te komen, hebben ze de rechtspopulisten (PVV) gevraagd hen te gedogen. Deze laatste heeft zich gelieerd aan het regeerakkoord, waarbij ze wel op alle punten kan tegenstemmen, maar beloofd heeft nooit een motie van wantrouwen tegen de regering te zullen steunen.
Het bestaan van deze ‘gedoogregering’ maakt de politieke constellatie van de bourgeoisie in Nederland wankel. De minderheidsregering van de Rutte danst voortdurend op het slappe koord. Er worden veel maatregelen genomen, maar vaak moeten die beslist worden met toestemming van partijen in de oppositie. Anderzijds is deze situatie ook een uitstekende voedingsbodem voor antifascistische campagnes over het gevaar van een ‘bruine’ regering.

2.3. Centraal in de situatie in Nederland staat vandaag de eurocrisis. Alles wat daarvoor en over besloten wordt, is de inzet van een hevige strijd binnen het parlement, waardoor de anti-Europese en nationalistische campagne vanuit het parlement in volle hevigheid aangewakkerd wordt. Het is een groot deel van het parlement dat zich tegen Europa opstelt en het vuurtje steeds weer opstookt als zouden ‘wij, die een goed beleid voerden, moeten opdraaien voor hen die jarenlang een onverantwoord beleid gevoerd hebben’. Dit is een belangrijke thematiek om de nationalistische campagnes aan te wakkeren.

3. De werkelijke oppositie bevindt zich buiten het parlement
Ook binnen de vakbondstructuur van het FNV groeit er een kloof tussen de centrale leiding, die de politiek ter vrijwaring van de concurrentiepositie van het nationale kapitaal ‘kritisch’ steunt, en een aantal afzonderlijke bonden die de controle proberen te behouden op het sociale terrein.

3.1. Naar aanleiding van het pensioenakkoord staan “Bondgenoten” en “AbvaKabo” aan de ene kant tegenover de rest van de FNV aan de ander kant. Een ‘commissie van goede diensten’ is aangesteld om ‘advies’ uit te brengen over ‘de manier waarop de vakbond in elkaar zit’. Bestuurder van Bondgenoten Ron Meyer, een van de drijvende krachten achter de schoonmakerstaking van vorig jaar, benadrukt dat dit conflict in de kern om een richtingenstrijd gaat: “Het pensioendrama is het decor waartegen zich iets veel groters afspeelt, namelijk een clash tussen de staat en de straat. Tussen de gezichtsloze institutie die de FNV is geworden, een sociale ANWB, die consumenten van haar leden heeft gemaakt, en een veroverende vakbeweging die weer brutaliteit en lef durft te hebben”. Dit conflict draait met andere woorden om de geloofwaardigheid van de vakbond. Hoe kan deze weer genoeg krediet opbouwen om de toenemende onrust in de klasse in kapitalistische banen te leiden. Dit probeerde ze eerst met ‘organising’: het ‘droppen’ van militanten in rumoerige delen van de arbeidersklasse om de strijd te ‘organiseren’ Deze strategie wordt, naast de sector van de schoonmakers, ook nog gepraktiseerd in vooral in de Verpleeg- en VerzorgingsTehuizen en in de Thuiszorg. Verder is ze overgeschakeld op een tactiek van samenwerking met instellingen, met politieke partijen (de SP) en cliëntenorganisaties. Ze presenteert zich dan niet langer als vakbond, maar als comité, als platform, als alliantie, enzovoort.

3.2. De organisatie van de ‘buitenparlementaire’ oppositie tegen de regering komt voor een groot deel van allerlei ‘samenwerkingscomités’. Er bestaan vooral twee vormen van allianties die de bourgeoisie inzet om de arbeiders te misleiden en de ontevredenheid en strijdwil onder de
bevolking in Nederland in voor het systeem ongevaarlijke banen te leiden.

3.2.1 De eerste en belangrijkste vorm van buitenparlementaire oppositie bestaat in solidariteitscomités, platforms, steuncomités e.a., die vooral ontstaan op initiatief van linkse parlementaire partijen (GroenLinks, Socialistische Partij), buitenparlementaire partijen (Internationale Socialisten), instellingen en instanties uit de diverse sectoren, de vakbonden, cliëntenorganisaties, enzovoort. Ze schieten als paddenstoelen uit de grond onder allerlei namen (‘Steuncomité sociale strijd’, ‘Rekening Retour’; ‘Platform Red het OV’, ‘Change the world’;‘Maak je sterk voor het publieke werk’, ‘Platform Groningen Sociaal en Leefbaar’ (PGSL), ‘Wij zijn de Thuizorg’, ‘De Alliantie voor Solidariteit’ in Rotterdam, enz.) en zijn terug te vinden op alle vlakken en in alle sectoren in de maatschappij: bij de schoonmakers, de ambtenaren, de sociale werkplaatsen, de gesubsidieerde banen, de gezondheidszorg, de huursector, enzovoort.
Zij wekken de indruk dat ze de arbeiders en de niet-uitbuitende bevolking vertegenwoordigen en verenigen. Ze komen echter op geen enkele wijze werkelijk op voor de belangen van de arbeiders en de niet-uitbuitende bevolking. Hun politiek bestaat erin ieder klasseverzet tegen de gevolgen van de crisis voor onze levensomstandigheden in te kaderen. Ze raken op geen enkele wijze de wortels van het kapitalistische systeem. Hun belangrijkste taak bestaat er in om de toenemende vormen van strijdwil, onder de diverse lagen van de maatschappij, te leiden in het reformistische politieke vaarwater of te laten verworden in machteloze woede, die dan weer door de tweede vorm van oppositie kan worden gebruikt.

3.2.2. De tweede vorm van oppositie tegen de maatregelen van de regering, die een aanvulling vormt op de eerste, is die van de ‘valse’ radicaliteit. Het betreft groepen, organisaties en actiecomités die de regering systematisch als Bruin 1 bestempelen. Door de regering Rutte deze button op te spelden heeft ze geen andere bedoeling dan haar gelijk te stellen met de Bruinhemden (de SA van Hitler) en haar in de hoek te zetten als een halffascistisch regime. Deze ‘valse’ radicaliteit vindt men terug in de toon zoals die bijvoorbeeld gezet wordt door een groep als ‘Doorbraak’: “De toon van Bruin I is meedogenloos. Men gebruikt steeds dezelfde one-liners: “Migranten zijn een probleem”, en: “Meer repressie is nodig om onze welvaart en vrijheid te beschermen”. (...). Je kunt het woord “illegalen” niet horen zonder “overlastgevend” en “crimineel”, en het woord “moslim” niet zonder “fundamentalisme” (De racistische en uitsluitende kern van het beleid van Bruin I; Mariët van Bommel, Doorbraak, 12-01-2011)
Door de regering systematisch de titel toe te dichten van Bruin 1 en haar in de hoek te zetten als een soort fascistisch regime, dichten deze groepen en organisaties zich tegelijkertijd het recht toe om alle delen van de bevolking, die zich door Rutte en Co gediscrimineerd en uitgesloten voelen, op te roepen om deze laatste met de middelen van de straat te bestrijden. Dit is wat men ook wel ‘directe actie’ noemt. ‘Directe actie’ is niets anders dan een ‘opkomen’ voor de democratische rechten van de ‘minderbedeelden’, die volgens de verdedigers van die strategie trouwens geen deel uitmaken van de arbeidersklasse, over de hoofden van diezelfde ‘minstbedeelden’ heen. ‘Directe actie’ is geen strijd van de arbeidersklasse, noch die van de niet-uitbuitende lagen van de maatschappij. Het is ook geen vorm van solidariteit (oprechte militanten daargelaten) met de ‘precairen’, enzovoort, maar een actie van, vaak door rancune gedreven, minderheden om hun democratische rechten alsnog op te eisen.

4. Perspectieven voor de heropleving van de strijd in Nederland
De arbeidersklasse in Nederland staat voor dezelfde keuze als die in de andere landen van de wereld: zich te laten meeslepen naar de afgrond of actief te verzet bieden: de strijd als klasse aangaan en uitbreiden Tot nu toe bleven de reacties van arbeidersklasse achter ten opzichte van de omvang en de brutaliteit van aanvallen die bourgeoisie onderneemt. De bourgeoisie drukt maatregelen door en de arbeidersklasse heeft moeite om de campagnes door te prikken en haar identiteit als klasse tegenover de bourgeoisie te herwinnen. Dat is een voorwaarde om de strijd op eigen terrein te voeren, met eigen eisen en een voorbeeld te vormen voor alle overige protesten, die alom plaatsvinden. Toch hebben de arbeiders sinds de afgelopen winter in een aantal, weliswaar beperkte, bewegingen laten zien dat ze ook op eigen terrein kunnen en durven strijden:
- de strijd van de studenten van de afgelopen winter, met als hoogtepunt 21 januari in Den Haag, waarvan de groep KSU het product is;
- de acties van de arbeiders van Viva! Zorggroep in de maanden mei tot juli (WijZijnDe Thuiszorg), die begroet werd door een gemeenschappelijke stellingname van KSU, OSB en Wereldrevolutie (IKS);
- de gelijktijdige demonstraties van arbeiders van het openbaar vervoer van de grote steden, gehandicapten en de geestelijke gezondheidszorg in de laatste twee weken van juni op het Malieveld in Den Haag.
Deze bewegingen vormden een uiting van groeiende strijdbaarheid; maar kenmerkten zich tegelijkertijd nog door een grote versplintering, door een moeilijkheid om de strijd uit te breiden en te verenigen over de sectoren heen. Toch drukten deze bewegingen een stap vooruit op het vlak van de vastberadenheid en de solidariteit: vooral de strijd van de arbeiders van Viva! Zorggroep heeft aangetoond dat er nagenoeg geen angst meer bestaat om de strijd aan te gaan en dat de bereidheid bestaat om zelf de solidariteit te gaan zoeken bij andere delen van de klasse. Al is hun strijd, net als die van de studenten, in een nederlaag uitgelopen, toch was hij niet nutteloos. De lessen hieruit zullen door andere delen van de arbeidersklasse overgenomen worden.
Driekwart van de arbeidersklasse in Nederland wordt direct of indirect geconfronteerd met aanvallen van de staat. We zitten wat dat betreft allemaal in het zelfde schuitje: werkenden, werklozen, mannen, vrouwen, enz. Elke strijd vandaag is in wezen een in-vraag-stelling van het hele systeem. Hij stelt fundamenteel de kwestie van een andere wereld. Om vandaag in staking te gaan moet men moed hebben om op te boksen tegen de dreigingen met ontslag en chantage door de ondernemers. Tevens moet men er ook en vooral van overtuigd zijn dat de arbeidersklasse een kracht vormt, die in staat is om iets anders te bieden. Het volstaat niet om in te zien dat het kapitalisme in het slop zit opdat de arbeidersklasse de weg zou inslaan van een revolutionair perspectief. Zij moet er ook nog van overtuigd zijn dat een dergelijk perspectief wel degelijk mogelijk is.

Wat we vaststelen is dat, ondanks ongekende harde maatregelen, massale gedwongen ontslagen, de reacties in de klasse, enkele uitzonderingen daargelaten, in het algemeen van een bescheiden niveau blijven. Er vinden bijna geen massale bewegingen plaats en als ze plaatsvinden dan zijn ze redelijk ingekaderd door links en de vakbonden, door middel van allerlei bijzondere zelfbenoemde comités. Het ontbeert de arbeidersklasse voorlopig nog aan inzicht en vertrouwen in haar eigen identiteit. De aarzeling om op eigen terrein de aanvallen op een adequate manier te beantwoorden, vormt ook de voornaamste verklaring voor het tegenstrijdige, complexe karakter van de strijd. Er is verontwaardiging, er is ontevredenheid, er is zelfs strijd, en soms ook eigen terrein, maar over het algemeen heeft de arbeidersklasse de grootste moeite om de kluwen van protestbewegingen, acties, bezettingen en manifestaties te ontwarren en daar haar eigen weg in te vinden, haar eigen terrein te bezetten en haar eigen eisen naar voren te brengen. Momenteel blijft de strijd enigszins achter op het niveau van de aanvallen. Toch kan de situatie weer snel omslaan. De onderhuidse rijping van het bewustzijn gaat langzaam, maar onverminderd, door in de klasse. Dat uit zich aan de ene kant in een toenemende overdenking onder minderheden binnen de klasse, aan de andere kant aan beperkte vormen van klasseprotest, die geen angst meer tonen en er niet mee voor terugschrikken de strijd radicaal aan te gaan.

Wereldrevolutie / 2011.12.18

Geografisch: 

Aktiviteiten van de IKS: 

Territoriale situatie: