De arbeidersklasse is een klasse van migranten

Printvriendelijke versieSend by email

Tegenover de dreiging van destabilisatie en de uitbreiding van de chaos in het oude geïndustrialiseerde Europa, door de massale toestroom van vluchtelingen uit alle delen van de wereld (1), probeert de bourgeoisie nu uit alle macht om de arbeidersklasse te binden aan haar sinistere politiek van de verdediging van het nationale kapitaal. Door de ontketening van een tegen de immigranten gerichte gigantische campagne, die de ergste burgerlijke ideologieën voedt zoals racisme, vreemdelingenhaat, nationalisme, ‘ieder voor zich’, heeft de heersende klasse slechts één doel voor ogen. Ze probeert een verdeling te scheppen tussen immigrantenarbeiders en autochtone arbeiders en de arbeidersklasse zo te verhinderen haar solidariteit te betuigen en haar eenheid te bevestigen als internationale klasse. Door de illusie te verspreiden dat de autochtone arbeiders tegen de, van overal komende, miserabelen iets te winnen, iets te verdedigen zouden hebben, probeert deze ideologische campagne hen te doen vergeten dat de toestand van de migranten deel uitmaakt van de bestaanswijze van de arbeidersklasse, van de ellende van haar eigen omstandigheden als uitgebuite klasse.

De massale uittocht van honderdduizenden mensen uit hun geboorteland vanwege honger en armoede is geen nieuw verschijnsel. Het beperkt zich ook niet tot de onderontwikkelde landen. Migratie maakt deel uit van het kapitalistische systeem zelf. Het maakt sinds het ontstaan ervan onderdeel uit van deze produktiewijze, dat gebaseerd is op de uitbuiting van de loonarbeid.

Het kapitalisme heeft zich dankzij de migratie kunnen ontwikkelen

Vanaf het begin van het kapitalisme vormde de nieuwe producerende klasse, het proletariaat, een klasse van migranten. Dankzij de migratie kon de bourgeoisie haar systeem van uitbuiting ontwikkelen door de vernietiging van de achterhaalde feodale productieverhoudingen. Zo vond vanaf het einde van de 15e eeuw, met name in Groot-Brittannië, ‘primitieve kapitaalaccumulatie’ plaats door de onteigening van de boeren, die gewelddadig van hun land verjaagd werden om gedwongen te gaan werken in de manufacturen. Onteigend door het opkomende kapitalisme werden ze met geweld gedwongen naar de stad te emigreren om daar hun arbeidskracht te verkopen aan de kapitalisten. Daarmee vormden de geproletariseerde boeren en ambachtslieden vanaf dat moment de eerste gemigreerde arbeiders. Deze door de opkomst van het kapitalisme veroorzaakte massale uittocht van het platteland ging in heel Europa vergezeld van ongekende repressiemaatregelen tegen al diegenen die door het opkomende kapitalisme moedwillig uitgehongerd en tot de bedelstaf veroordeeld werden en zo gedwongen waren zich te onderwerpen aan de loonslavernij. Zo beschreef Marx de terreur die het kapitalisme tegen alle vluchtelingen ontketende, nadat ze tot ronddolende zwervers waren gemaakt, gebrandmerkt, verminkt, in werkkampen opgesloten of opgehangen werden, omdat ze zich niet wilden schikken naar de regels van de kapitalistische dictatuur:“De door het verbreken van de feodale banden en de door de schoksgewijze gewelddadige onteigening van de grond verjaagde personen, dit vogelvrije proletariaat kon onmogelijk even snel door de opkomende manufactuur worden geabsorbeerd als het ter wereld was gebracht. Evenmin konden de plotseling uit hun vertrouwde omgeving verjaagde personen zich even plotseling schikken naar de discipline van de nieuwe situatie. In grote getale werden zij bedelaars, rovers en vagebonden, gedeeltelijk omdat ze daartoe aanleg hadden, in de meeste gevallen echter door de dwang der omstandigheden. Vandaar dat tegen het einde van de vijftiende eeuw en gedurende de gehele zestiende eeuw in geheel West-Europa een wrede wetgeving tegen landloperij werd ingevoerd. De vaders van de huidige arbeidersklasse werden aanvankelijk getuchtigd omdat zij vagebonden en paupers waren geworden, waartoe men hen echter had gedwongen. De wetgeving behandelde hen als ‘vrijwillige’ misdadigers en men nam aan dat het van hun goede wil afhankelijk was of zij bleven werken onder de niet langer bestaande, oude verhoudingen.” (Karl Marx, Het Kapitaal, De primitieve accumulatie en haar geheim)

Door deze wrede uitbuiting van de boeren en hun verandering in loonslaven verschafte het kapitalisme zich een eerste bron van arbeidskrachten. Gedurende de hele periode van opkomst, tot zijn hoogtepunt, aan het eind 19e eeuw, ontwikkelde het kapitalisme zich dankzij een voortdurende toevloed van migranten. In Groot-Brittannië, het oudste kapitalistische land, heeft de nieuwe heersende klasse haar opmars kunnen voortzetten dankzij de wrede uitbuiting van de massa’s havelozen die, met name in Ierland, uit de landbouwgebieden weggepest werden. “De snelle uitbreiding van de Engelse industrie zou niet mogelijk geweest zijn als Engeland niet had kunnen beschikken over een reserve in de vorm van de talrijke en arme bevolking van Ierland.” (Friedrich Engels, De toestand van de arbeidersklasse in Engeland) Dit ‘reserveleger’, dat gevormd werd door de Ierse immigranten, maakte het voor het Engelse kapitaal mogelijk om de concurrentie binnen de arbeidersklasse aan te wakkeren, waardoor het kapitaal de lonen kon drukken en de toch al ondragelijke uitbuitingsomstandigheden verder verslechteren.

Zo maakte het fenomeen migratie in het kader van de ontwikkeling van ieder nationaal kapitaal, vanaf het begin van het kapitalisme, al een integraal deel uit van de bestaanswijze van de arbeidersklasse. De arbeidersklasse is in haar wezen een klasse van migranten, van verdrevenen, die zijn voortgekomen uit de bloedige vernietiging van de feodale productieverhoudingen.

In het midden van de 18e eeuw overstijgt deze migratie de nationale grenzen. In de grote industriële concentraties van West-Europa begon het kapitalisme aan te lopen tegen het probleem van de overproductie van waren. Zoals Marx het in 1857 verwoordde: “ontstaat met de ontwikkeling van de meerarbeid, die de basis vormt voor de kapitalistische uitbuiting, ook de overbevolking, met ander woorden: een massa van proletariërs die niet meer kunnen leven op dezelfde plaats bij een bepaald stadium van de ontwikkeling van de productiekrachten”. (K. Marx, Bijdrage tot de politieke economie)

De cyclische overproductiecrises, die kapitalistisch Europa vanaf het midden van de 19e eeuw teisteren, dwingen miljoenen proletariërs om aan de werkeloosheid en de honger te ontvluchten en naar de ‘Nieuwe Wereld’ te emigreren. Tussen 1848 en 1914 verlieten zo’n 50 miljoen arbeiders het oude continent om hun arbeidskracht elders te verkopen en vooral in Amerika.

Op dezelfde manier waarop in Engeland in de 16e eeuw de ontplooiing van het kapitalisme mogelijk gemaakt werd door de binnenlandse migratie, zo ook vormde de eerste kapitalistische wereldmacht, de VS, zich door de toestroom van tientallen miljoenen immigranten uit Europa (met name uit Ierland, Groot-Brittannië, Duitsland en de Noord-Europese landen).

Tot 1890 kon het Noord-Amerikaanse kapitaal zich, ten koste van een wrede uitbuiting van de immigranten en de rationalisatie van het werk in de fabrieken met behulp van het taylor-systeem in de fabrieken, stapsgewijs op de wereldmarkt waarmaken. Na 1890 werden grond en werk schaars en niet-gekwalificeerde immigranten uit het Middellandse-Zeegebied en Oost-Europa belanden in de getto’s van de grote steden en waren gedwongen om steeds lagere lonen te aanvaarden om te overleven. Toen het kapitalisme zijn hoogtepunt bereikte, was het gedaan met de mythe dat Amerika alle migranten kon opnemen. Vanaf het moment dat Amerikaanse kapitaal niet langer massale hoeveelheden arbeidskrachten nodig had voor de ontwikkeling van haar industrie, begon de bourgeoisie van dat land discriminerende maatregelen te nemen om asielzoekers te selecteren. Na de grote toevloed van proletarische immigranten uit Italië en Oost-Europese landen, die de VS aan het einde van de 19e eeuw binnenstroomden, begon de Amerikaanse bourgeoisie, vanaf 1898, haar grenzen te sluiten, vooral voor Aziatische immigranten. Niet langer kon iedere onbemiddelde migrant in de VS terecht. De nieuwe immigranten moesten bij kunnen dragen aan de winstgevendheid van het kapitaal. Iedere ongewenste immigrant werd meedogenloos afgewezen, naar het land van herkomst terugverwezen om daar te ‘creperen’. Een citaat uit een artikel van Le Figaro van 1903 vermeldt het volgende: “Iedere immigrant laat de 4 euro zien, die als minimum is vastgesteld en als hij 2 dollar belasting kan betalen, die de Amerikaanse regering vereist, wordt hij toegelaten … Degene die geen geld of relaties hebben in Amerika …, jong of oud, worden teruggestuurd naar waar ze gekomen waren. Maar een jongeman, met een goed voorkomen, wordt nooit geweigerd, zelfs als hij geen middelen op zak heeft (…) Deze uitzwermende menigte van ellendige arbeiders, arbeidsters, boeren,veroordeelden…deze vervloekten, verbannen door de tegenspoed van hun ondankbare vaderland, dat is Amerika (…) Het zijn hun broers die, zoals zij, in alle ellende geëmigreerd 60 jaar eerder uit dezelfde landen zijn, Amerika gemaakt hebben zoals het nu is”.

Zo heeft het kapitalisme, dankzij de migratie naar de andere continenten van het overschot aan arbeidskrachten als gevolg van de overproductiecrises in West-Europa, zijn heerschappij over de hele planeet kunnen uitbreiden.

De immigratie in het tijdperk van het verval van het kapitalisme

De afname van de stroom migranten vormde de hele 20e eeuw een steeds opvallender kenmerk voor het kapitalisme in verval, dat gemarkeerd werd door het uitbreken van de Ie Wereldoorlog. Met het uitbreken van de eerste imperialistische slachting van 1914-1918 kwam aan de massale migratie van arbeiders, die de bloei van het kapitalisme vergezeld en mogelijk gemaakt had, een einde. Deze teruggang van de immigratie is niet het gevolg van de capaciteit van het kapitalisme de arbeiders stabiliteit te bieden, maar integendeel, de uitdrukking van een steeds groeiende afname van de productiekrachten. In de jaren voor en tijdens de Ie Wereldoorlog legde het kapitaal de arbeiders grote offers op, die voldoende waren om de oorlogseconomieën van ieder van de oorlogsvoerend landen te kunnen laten functioneren. Na de oorlog heeft de bourgeoisie van de West-Europese landen (vooral die van Duitsland) door de verschrikkelijke uitbuiting van een doodgebloed en verslagen proletariaat in de eerste revolutionaire golf van 1917-1923 haar economie weer op kunnen bouwen zonder een massaal beroep te hoeven doen op de arbeidskracht van immigranten.

Toen in de jaren 1930 de algemene overproductiecrisis in alle industriestaten, van West-Europa tot de VS, wreed uitbrak, en zich een nieuwe wereldoorlog onafwendbaar aftekende, kon een massale uitbarsting van werkloosheid alleen nog worden tegengegaan door de ontwikkeling van de wapenproductie.

Met de wederopbouw na de IIe Wereldoorlog, vooral vanaf de jaren 1950, ontstond er een nieuwe immigratiegolf, essentieel naar de West-Europese landen, een gebeuren dat door de dekolonisatie nog versterkt werd. Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Zwitserland en de Benelux openden al hun grenzen voor arbeiders uit minder onderontwikkelde landen. Spanjaarden, Turken, Joegoslaven en immigranten uit de Maghreb werden voor deze landen goedkope arbeidskrachten, die in dienst gesteld konden worden van de wederopbouw. Zo kon ook de aderlating, die de IIe Wereldslachting in de rijen van de arbeidersklasse van de oorlogvoerende landen had aangericht, gecompenseerd worden. De grote democratieën van West-Europa wierven miljoenen immigranten aan om hen extreem uit te buiten en hen voor karige lonen het vuilste en moeilijkste werk te laten verrichten.

Deze immigratiegolf, die in de jaren 1950 opnieuw opkwam in de centrale landen van het kapitalisme, bereikte echter nooit de omvang van de golf die een eeuw eerder de VS had bereikt, toen het kapitalisme nog een progressief systeem was dat op duurzame wijze de bestaansvoorwaarden van het proletariaat kon verbeteren. De arbeidersmigranten in de 19e eeuw verlieten met hun familie hun geboorteland in de hoop, dankzij de kapitalistische expansie, in de nieuwe wereld asiel en een zekere vorm van stabiliteit te vinden. Maar na de IIe Wereldoorlog betekende de opening van de grenzen van West-Europa voor arbeidersimmigranten nooit meer dan een tijdelijke mogelijkheid voor miljoenen arbeiders uit de onderontwikkelde landen om te overleven. De meesten van hen (vooral de arbeiders uit de Maghreb of uit Azië, die na de dekolonisatie vooral naar Frankrijk en Engeland trokken) waren gedwongen hun families achter te laten om slecht betaalde en ‘precaire’ arbeid te verrichten in de ‘landen van opvang’. Zonder enig toekomstperspectief en alleen met de bedoeling om hun ‘thuis achtergebleven’ vrouwen en kinderen te kunnen voeden, waren zij gedwongen om de slechtste arbeids- en levensomstandigheden te accepteren. Zonder eigen woning, als vee samengedreven in de ongezonde voorsteden, waren zij overgeleverd aan geldzucht van de ‘huisjesmelkers’, de politiecontroles en aan de treiterijen die met de oorlog in Algerije gepaard gingen. De levensomstandigheden van deze ‘goedkope arbeidskrachten’die het Westerse kapitalisme ten behoeve van haar wederopbouw na de oorlog uit de onderontwikkelde landen had geïmporteerd, deden denken aan het verschrikkelijke barbarendom van de primitieve accumulatie. Want de ellende van de immigranten omvat de totale ellende van het proletariaat als klasse, die niets anders bezit dan haar arbeidskracht. De onmenselijke voorwaarden, waaronder de immigranten moeten leven, tonen aan dat haar arbeidskracht slechts een koopwaar is die de burgerlijke slavenhandelaar altijd voor de laagste prijs probeert te kopen om haar kapitaal winstgevend te maken.

Toen aan het einde van de jaren 1960 de wederopbouw van na de IIe Wereldoorlog afgerond was, verklaarden de gastvrije’ West-Europese landen dat ze‘vol waren’ en begonnen ze overal hun grenzen te sluiten. In 1963 was het Zwitserland dat beperkende maatregelen nam, daarna volgden Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland, die na de terugkeer van de economische wereldcrisis en de toename van de werkloosheid begin jaren 1970 besloten de immigratie in haar geheel te blokkeren. Maar het bleef niet bij deze maatregelen. Hoe meer het kapitalisme in crisis raakte, hoe meer het proletariaat als geheel voor de kosten moest opdraaien. Op het moment dat de eerste ontslagrondes plaatsvonden en tienduizenden arbeiders op straat werden gesmeten, werden de eerste immigranten uitgezet en de grenzen van West-Europa overgejaagd. Nadat ‘zachte middelen’ zoals de ‘hulp bij terugkeer’ niet effectief bleken, werd de ‘jacht op illegalen’ geopend en werden ze met duizenden gedeporteerd. Met behulp van speciale chartervluchten of eenvoudigweg door ze met militair geweld de grens over te zetten. Nadat ze meer dan twee decennia als lastdieren zijn gebruikt, worden ze, nu ze niet meer broodnodig zijn, in naam van het ‘recht op terugkeer naar het geboorteland’ door de democratische regeringen, zowel van links als van rechts, teruggestuurd om ‘thuis’ te creperen. En om de arbeidersklasse te verdelen laat de heersende klasse deze lasterlijke praktijken, met een ongekend cynisme, vergezeld gaan van campagnes tegen de migranten. Was het niet zo dat het rapport Dalle, in 1984, de immigratie de schuld gaf van de vertraging van de ontwikkeling in de automobielsector? Anders gezegd: de arbeidersmigranten zouden niet alleen tevreden zijn geweest met het ‘Franse brood, de fransen hun baan af te pikken, maar ze zouden ook nog verantwoordelijk zijn geweest voor het verlies aan concurrentiekracht van het nationale kapitaal, voor de verergering van de crisis en de werkloosheid dus!

Tegen de algemene ellende van het kapitalisme, klassesolidariteit van het wereldproletariaat

In werkelijkheid dienen de campagnes tegen de immigranten, die tegenwoordig overal ontketend worden, er niet alleen toe de arbeidersklasse te verdelen in autochtoon en allochtoon. Ze vormen een frontale aanval op het klassenbewustzijn van het proletariaat. Met behulp van deze smerige propaganda probeert de heersende klasse de alsmaar toenemende ellende van het proletariaat te verbergen achter een ideologische sluier, die door de toenemende ellende van het proletariaat steeds meer blootgelegd wordt: het onafwendbare historische bankroet van de kapitalistische productiewijze. De heersende klasse probeert te verbergen dat zij tegenwoordig niet in staat is om de hele arbeidersklasse ook maar het geringste perspectief te bieden. De uitsluiting van arbeidersmigranten, die door het kapitalisme veroordeeld wordt om ‘elders’ van honger om te komen, is het lot dat dit zieltogende systeem ook in petto heeft voor de miljoenen autochtone arbeiders, die definitief overgeleverd zijn aan de werkloosheid. Want geen enkele anti-vreemdelingenwet zal de onoverkomelijke crisis, die dit stervende systeem teistert, kunnen oplossen. De massaontslagen zullen de arbeiders onverbiddelijk blijven treffen, waar ze ook vandaan mogen komen. Het ‘recht op de eigen grond’, waarmee ze ons om de oren slaan, betekent voor de arbeiders niets anders dan het ‘recht’ om ‘thuis’ van honger of van kou om te komen, zoals al te zien is aan de groeiende massa ‘daklozen’, die door de grote steden zwerven.

Het is niet de immigratie die schuldig is aan de crisis en de werkeloosheid. Crisis en werkeloosheid zijn het gevolg van de onomkeerbare ineenstorting van de wereldeconomie, die ertoe neigt om de leefomstandigheden van de arbeidersklasse steeds te verslechteren en van de uitgebuite klasse steeds meer een klasse van uitgeslotenen, werk- en dakloze migranten zal maken.

Door zijn overheersing over de hele planeet heeft het kapitalisme een wereldarbeidersklasse geschapen. Voorzover hij ze nodig had, heeft hij ruimschoots een beroep gedaan op de arbeidskracht van de immigranten. Nu hij ze op een wrede manier over de grenzen jaagt, nu hij de planeet verandert in ‘no-mans-land’ voor de groeiende massa arbeiders, markeert hij het totale failliet van het systeem.

Als de dreiging van ‘de invasie’ van massa’s vreemdelingen, die op de vlucht gaan voor de ontketening van de chaos in de wereld om samen te stromen aan de grenzen van West-Europa de bourgeoisie van de meest geïndustrialiseerde landen een echte nachtmerrie bezorgt, dan komt dat omdat het kapitalisme aan het einde van zijn Latijn is, en het ter plekke aan ’t verrotten is.

Zoals de immigratiekwestie in het verleden een fenomeen was dat kunstmatig opgezet was, die door het kapitalisme in zijn bloeiperiode volledig beheerst werd, vormt de paniek die de onstuitbare toestroom van gigantische immigratiegolven, nu onder de heersende klasse veroorzaakt wordt slechts één van de vele manifestaties van het ter plekke wegrotten van dit systeem, van de onmogelijkheid van de decadente bourgeoisie om de maatschappij te sturen.

Als de immigratie zich nu, met de intrede van het kapitalisme in haar laatste fase, die van de ontbinding, voordoet als een koudvuur voor de heersende klasse, dan komt dat omdat het kapitalisme zelf is dat een plaag geworden is voor de hele mensheid.

Tegenover de ellende en het barbarendom van deze wereld in volle ontbinding bestaat er voor de arbeidersklasse slechts één perspectief: de logica van de concurrentie, van het ‘ieder voor zich’ van zijn eigen uitbuiters radicaal af te wijzen. Wat ook zijn afstamming, huidskleur of taal is, de arbeidersklasse heeft geen enkel gemeenschappelijk belang met het nationale kapitaal. Haar belangen kan zij slechts werkelijk verdedigen als ze overal haar internationale klassesolidariteit ontwikkelt en weigert zich te laten verdelen in geïmmigreerde en autochtone arbeiders. Deze solidariteit, moet ze laten zien door zich overal te weigeren aan te sluiten bij de burgerlijke campagnes, of die nu racistisch of anti-racistisch zijn, door massaal haar strijd te ontwikkelen op haar eigen klasseterrein, tegen alle aanvallen in die zij dagelijks ondergaat.

Enkel de bevestiging van haar gemeenschappelijke belangen, in haar strijd, zal het proletariaat in staat stellen al haar krachten te bundelen, zich op te stellen als één solidaire internationale klasse, om de kapitalistische moloch verslaan, vooraleer hij de hele planeet vernietigt.

Avril / 20.02.2002

(1) Bijna iedere dag zien we beelden van gestrande, gezonken of door de kustwacht geënterde schepen. Schepen die ontelbare hoeveelheden vluchtelingen naar een buitenpost van Europa hadden moeten brengen. Deze beelden van de Middellandse Zee horen allang bij het leven van alledag. Uitgeputte, uitgehongerde en aan de verdrinkingsdood ontsnapte vluchtelingen worden door de politie opgepakt en meestal gelijk in streng bewaakte kampen opgesloten. Nadien wacht hun uitzetting zonodig met geweld.

Theoretische vraagstukken: