De salmonellabacterie, de vogelgriep, de Q-koorts … De crisis van het kapitalisme in de intensieve veehouderij

Printvriendelijke versieSend by email

De Q-koorts is een verschijnsel, dat de bevolking in Nederland al enige tijd in haar greep houdt. Er bestaat een algemene ongerustheid, die ieders aandacht trekt: van televisie tot kranten, van wetenschappers tot boerenbelangenorganisaties, van de van politieke rechter- tot linkerfracties van de bourgeoisie. De reeks van reacties in de media is te lang om op te noemen. Het eerste bericht over de Q-koorts verscheen in juni 2007 in het Brabants Dagblad. Enkele maanden later berichtten ook landelijke media zoals de NRC en de NOS over de uitbraak. De Q-koorts is een verschijnsel, dat de bevolking in Nederland al enige tijd in haar greep houdt. Er bestaat een algemene ongerustheid, die ieders aandacht trekt: van televisie tot kranten, van wetenschappers tot boerenbelangenorganisaties, van de van politieke rechter- tot linkerfracties van de bourgeoisie.

De reeks van reacties in de media is te lang om op te noemen. Het eerste bericht over de Q-koorts verscheen in juni 2007 in het Brabants Dagblad. Enkele maanden later berichtten ook landelijke media zoals de NRC en de NOS over de uitbraak. Het zou echter nog tot eind 2009 duren voordat de ernst van de problemen tot het grote publiek doordrong. Een tv-uitzending van Zembla van 6 december 2009 vormde het keerpunt. “De week na de Zembla-uitzending was het opeens dikke paniek in politiek Den Haag”, aldus Van den Bosch, medewerker van de VPRO. In haar lentenummer van 2010 heeft ook Buiten de Orde, de publicatie van De Vrije Bond, er ruimte voor vrijgemaakt. Uiteindelijk ontstond er zelfs ongerustheid bij de kinderboerderijen: “De Coxiella burnetii, oftewel, de inmiddels beroemde of beruchte veroorzaker van Q-koorts houdt de gemoederen flink bezig”. (‘Kinderboerderijen en Q-koorts: Op naar 2011’; 1-12-2010)

Het gevaar van de Q-koorts werd nog het duidelijkst verwoord door Dorien Pessers, op het Symposium Brabant Buitengewoon van 9 september 2009: de ziekte “kan bovendien chronisch worden en onder meer tot ontstoken hartkleppen leiden. (….) De bacterie die Q-koorts veroorzaakt is zo hardnekkig dat het door Amerikaanse deskundigen als een middel voor biologische/bacteriële oorlogsvoering of terreur wordt beschouwd”. Het gevaar van de Q-koorts werd nog eens bevestigd in het ‘Eindrapport van de Evaluatiecommissie Q-koorts’, dat 22 november 2010 in Den Haag werd gepresenteerd, “De uitbraak van Q-koorts, die van geiten en schapen op mensen wordt overgebracht, begon in 2006 (…) en liep op tot meer dan tweeduizend ziektegevallen in 2009. De uitbraak was daarmee de grootste ooit ter wereld.” Nu de ziekte al 17 mensen het leven heeft gekost, verwijt dezelfde Evaluatiecommissie de ‘overheid’te laat te hebben ingegrepen.

Van regeringswege heeft men de ernst van de situatie niet zozeer onderschat als wel geprobeerd te bagatelliseren. Men wilde niet onnodig voedsel geven aan de groeiende ongerustheid onder de bevolking. Zogenaamd had “de Minister (Verburg) destijds te maken met een grote kennislacune rondom de verspreiding van Q-koorts. Om geen paniek te veroorzaken, was ze terughoudend met de berichtgeving”. (Trouw, 12-12-2009). Maar na meer dan een jaar van toenemende ongerustheid werd op de aanpak van de Q-koorts 12 januari, op basis van het ‘Rapport van de Evaluatiecommissie Q-koorts’, dan eindelijk toch in De Tweede Kamer besproken.

Toch is de bezorgdheid er daarna niet minder op geworden. En niet omdat het vertrouwen in de overheid om de kwestie tot een goed einde te brengen nu plotseling drastisch is afgenomen, maar omdat de realiteit steeds meer in schril contrast komt te staan met de verklaringen, die door de officiële instanties, natuurlijk onderbouwd met ‘bewijzen’van de haar ten dienste staande wetenschappers, worden afgelegd.

Vandaar dat collega’s van de hierboven genoemde wetenschappers zich vorige jaar al geroepen voelden een ander geluid te laten horen. Oprecht betrokken bij maatschappelijke problemen besloten ze openlijk een standpunt ingenomen in een debat, dat de laatste jaren aan intensiteit heeft toegenomen door een groeiend besef van bedreiging voor de volksgezondheid. Eind april 2010 schreven een honderdtal hoogleraren dat we "in de afgelopen jaren zijn geconfronteerd met Q-koorts, vee-gerelateerde MRSA, ESBL, dreiging van een H5N1-pandemie, en zijn de effecten van de veeindustrie op de uitstoot van broeikasgassen nog duidelijker geworden.” (…) “De intensieve veehouderij moet worden gesaneerd en omgevormd tot een dier-, mens- en milieuvriendelijk systeem dat tegemoetkomt aan de natuur en behoeftes van alle levende wezens”. (NRC 28-04-2010)

Dit laatste is wel leuk bedacht en komt zo ongeveer overeen met wat heel links en de groenen propageren. Maar of dit werkelijk mogelijk is en de oplossing dichterbij brengt, is de vraag. Want intensieve veehouderij is daarvoor teveel verankerd in de industriële productie voor de winst, een fenomeen dat heel het kapitalistisch systeem doortrekt. Want “landbouw gewoon een andere kapitalistische industrie. In reactie op de crisis van de overproduktie moet het de kosten drukken, en goedkoper verkopen.” (….) En “mensen, dieren, vissen, bomen, planten, mineralen, water, lucht; niets van dit alles telt dan nog.” (WorldRevolution, British agriculture, a history of decline, juli 2001).

De noodzaak en de gevolgen van de industrialisering van de veehouderij

De economische heropbouw na de Tweede Wereldoorlog, met de toename van de welvaart in het Westen, deed een steeds grotere vraag naar landbouwprodukten ontstaan. En om voldoende voedsel voor de eigen markt te produceren en haar concurrentiekracht te behouden ten opzichte van de omringende landen van West-Europa, was de landbouw in Nederland genoodzaakt meer en goedkoper te produceren. Het gemengd bedrijf voldeed bij lange na niet meer aan deze behoefte. Zo schakelden de boeren in groten getale over naar zowel grotere gemechaniseerde landbouw- als veeteeltbedrijven. Vooral de jaren 1960 kenmerkten zich (na de ratificatie van het Plan-Mansholt, in 1965) door een drastische herstructurering (ruilverkaveling) in de landbouw. De produktie nam met sprongen toe en de Nederlandse landbouw en veeteelt ging zelfs voor de wereldmarkt produceren.

Daar werd ze niet alleen geconfronteerd met bedrijven in Europa, maar vooral met een hevige concurrentie uit Amerika, met de VS voorop, waar men in de Tweede Wereldoorlog al was begonnen met het opzetten van megastallen. Langzamerhand bleek een totale omslag ook voor Nederland een bittere noodzaak. Alleen op een vernieuwd, grootschalig bedrijf, gebaseerd op een totaal andere grondslag, kon nog voldoende inkomen verworven worden. Hierdoor nam het aantal boeren en tuinders drastisch af. Ten eerste konden zich op hetzelfde landbouwareaal minder bedrijven vestigen van grote omvang en ten tweede gingen de bedrijven, die de groei niet konden bijhouden, ten onder aan de moordende concurrentie. Tegelijkertijd ontstond er door de schaalvergroting en mechanisatie inmiddels ook een overproduktie aan melkprodukten (een zogeheten boterberg) en was het voor vele boeren niet meer lonend om op die weg door te gaan.

Met de toename van de welvaart ontstond er ook een grotere behoefte aan vleesprodukten. In een groot deel van de westerse landen werd het eten van vlees door de mensen van een luxe een gewoonte. Dit deed ook een steeds grotere vraag ontstaan naar dierlijke eiwitten. Vanaf de jaren ‘70 schakelden steeds meer bedrijven in Nederland daarom over op intensieve veehouderijen, vooral gericht op varkens, kippen, kalveren. De werkgelegenheid in de landbouw daalde door die intensivering naar 3,5% van de beroepsbevolking. En op dit moment zijn er nog maar krap 100.000 boeren. En die tendens tot concentratie kan zich niet anders dan onverminderd doorzetten: zo is het aantal megastallen in Nederland tussen 2005 en 2010 nog eens verdubbeld. Deze concentratie bracht echter niet alleen een toename van de export met zich mee, maar vereiste ook een toename van de import van grondstoffen. Zo werd de veehouderij nog meer afhankelijk van de situatie op de wereldmarkt.

In de afgelopen jaren kwam de internationale concurrentie op het vlak van de vleeshouderij niet alleen meer van bovengenoemde landen. Deze kwam ook steeds meer uit de Zuid-Oost-Aziatische hoek: vooral in een land als China (dat de meeste mestvarkens en kippen ter wereld heeft), waar de lonen 6x zo laag liggen als in Nederland, en waarmee de concurrentie zo moordend is, dat deze tak van veehouderij hier alleen uitgeoefend kan worden als hij super-intensief en grootschalig is, en zwaar gesubsidieerd wordt.

Op dit moment is het gemiddelde veeteeltbedrijf qua eigen vermogen miljonair. De prijzen voor gras- en bouwland zijn de laatste 10 jaar verdubbeld. Maar toch zijn 70% van de landbouwbedrijven noodlijdend.

Zonder een direct toegekende vorm van een staatssteun van jaarlijks bijna een miljard euro, kan deze landbouwsector niet overleven. En dan hebben we het nog niet eens over de “grote maatschappelijke kosten in de vorm van natuur- en milieuschade. Deze kosten worden niet doorberekend in de prijs van vlees en zuivel; ze worden deels via de algemene middelen in rekening gebracht bij alle burgers en voor een groter deel doorgeschoven naar toekomstige generaties...” (100 Hoogleraren in NRC 28-04-2010)

Ondanks alle directe en indirecte steun van de overheid is die moordende concurrentie op wereldschaal er toch de oorzaak van dat de intensieve veeteelt, net als in vele andere westerse landen, niet alleen grote schade toebrengt aan de ekonomie, maar ook op een zodanig onverantwoorde en ongezonde manier uitgeoefend wordt, dat er ook groot gevaar ontstaat voor mens en dier:

  • Te hoge concentraties aan klein- en grootvee in relatief kleine stallen in een “dierdichtbevolkte” regio.
  • Het massale gebruik in veevoeder van hormonen, clenbuterol en andere chemische preparaten.
  • Onhygiënische toestanden met te weinig ventilatie, de verstopte afvoerkanalen, vervuild drinkwater.
  • Veevoer dat, om het goedkoper te maken, vermengd wordt met allerlei vormen van dierlijk afval.
  • De massale transporten over te grote afstanden, waarbij dieren als haringen in een tonnetje zitten.

Het gevolg is een reeks aan ziekten, waarbij de Q-koorts de laatste is in een lange rij, die de veehouderij in de afgelopen tien jaar in Nederland heeft geteisterd. Het is niet toevallig dat Nederland in de afgelopen 10 jaar door zoveel dierziekten werd getroffen: “Nederland is het meest veedichte land ter wereld (in ieder geval voor varkens, kippen en kalveren) en het tweede exportland ter wereld van dierlijke eiwitten”, aldus dezelfde hoogleraren in de NRC 28-04-2010.

Noodzaak van de opvoering van de productiviteit door de crisis van het kapitalisme

De kapitalistische logica van de moordende concurrentie dwingt de veehouderij al jaren om niet alleen de kosten voor het veevoer steeds meer drukken, maar er ook steeds meer extra preparaten aan toe te voegen. Nadat in de vorige eeuw vooral hormoonpreparaten (anabolen, clenbuterol testosteron, insuline, enzovoort) aan het veevoer werd toegevoegd, zijn het de laatste 10 jaar vooral de antibiotica in zwang geraakt.

‘Krachtvoer’, vermengd met antibiotica, verkleint niet alleen de kans op het uitbreken van ziektes tussen de opeengepakte dieren. Daarnaast versnelt het de groei van de dieren. De hoeveelheid antibiotica vermengd in het veevoer is momenteel immens: een kwart miljoen kilo per jaar. (in 2005). Bij de vleesvarkens steeg het antibioticagebruik in 2005 het meest (met 10,1 procent) ten opzichte van 2004. Ook de zeugen kregen 6,3 procent meer antibiotica. Het antibioticagebruik bij deze dieren stijgt naarmate het aantal grootgebrachte biggen per dier stijgt. Vleeskuikens kregen in 2005 3,7 procent meer antibiotica. Geschat wordt dat er op dit moment in de Nederlandse veesector jaarlijks 400.000 kilogram antibiotica wordt gebruikt. Dat is extreem veel. Een land als Denemarken verbruikt naar schatting vier maal minder.

Met deze stijging neemt het gevaar van de resistente MRSA-bacterie in de ingewanden van het dier toe. Er wordt nu al vanuit gegaan dat er aan het eind van 2010 geen enkel varkensbedrijf in Nederland zal bestaan dat niet besmet zal zijn met het MRSA-bacterie. Tussen allerlei soorten bacteriën wordt deze resistentie uitgewisseld. Uitwisseling vindt ook plaats tussen dier en mens. Nu de varkensstallen er vol mee zitten, dreigen boeren en hun families ook te worden besmet. “Een derde van de varkens- en kalvenhouders is zelf besmet met het MRSA-bacterie”, aldus dezelfde Dorien Pessers op Syposium Brabant Buitengewoon, 9 september 2009. Ook artsen vrezen dat deze varkenshouders de bacterie zullen verspreiden onder de hele Nederlandse bevolking.

Normaal gesproken vormt deze bacterie geen gevaar, maar wanneer de mens verzwakt is (bijvoorbeeld door een operatie) dan zal het toedienen van antibiotica in het ziekenhuis tot gevolg hebben dat de resistente bacterie in het zieke en kwetsbare lichaam ongestoord groeit. Omdat het aantal soorten bacteriën, dat resistent is, toeneemt, vermindert het aantal soorten nog werkzame antibiotica en nadert dit aantal de nul. Op die manier wordt het uiterst moeilijk deze uiterst besmettelijke bacteriën te bestrijden en worden ze levensbedreigend voor mensen, omdat bestaande antibiotica niet meer helpen. De kans is levensgroot dat de patiënten vervolgens overlijden.

Het gebruik van antibiotica is een van de grootste bijkomende gevaren die de intensieve veeteelt op dit moment voor dier en mens met zich meebrengt. De epidemieën die de afgelopen tien jaar in ons land hebben voorgedaan, zijn, zo mag duidelijk zijn, “mede veroorzaakt door het feit dat wegens de overmatige hoeveelheid antibiotica die preventief wordt toegediend, de resistentie van de dieren tegen ziektes sterk afneemt”, aldus dezelfde hoogleraren (NRC 28-04-2010).

Daadwerkelijke problemen vereisen reële oplossingen

De ‘groenen’zijn het er in het algemeen over eens dat al deze misstanden in de intensieve veehouderij het gevolg zijn van een op winststreven gericht systeem. Maar wat stellen ze daar dan voor uitweg tegenover? De ‘groenen’hebben geen eenduidige oplossing voor de misstanden in de dierenindustrie. De invalshoek van de meer ‘radicale’groenen variëren van de door het anarchisme geïnspireerde ’individuele daad’ om het eten van aan dieren gerelateerd voedsel systematisch te weigeren (veganisme) tot aan de ‘directe actie’ van groepen als het Dierenbevrijdingsfront, waarbij ‘alle hokken (zoals grenzen bij vluchtelingen) van gefokte dieren opengezet worden’. Daarnaast probeert de meer respectabele vleugel van de groenen mensen te bewegen om vastgeroeste ideeën over onethisch diergebruik los te laten. Zo gaat de keuze van Greenpeace, volgens hun artikel Duurzame landbouw, uit naar producten uit de biologische gezins- en boerenlandbouw.

“Duurzame landbouw is immers een echt veelbelovend alternatief dat de mogelijkheid biedt om de hele planeet te voeden zonder een bedreiging te vormen voor het milieu.” Animal Freedom op haar beurt, tracht voor wat betreft “de intensieve veehouderij een radicaal doel (afschaffen) na te streven”. (…) Volgens deze organisatie “is de meeste effectieve manier om een rechtvaardige en duurzame landbouw op te zetten de export van vlees en zuivel af te schaffen (…) Zouden we in Nederland de eis stellen dat de bedrijfsvoering in de veehouderij beperkt blijft tot de landelijke markt …. dan pas is een duurzame oplossing voor de problemen in zicht”. (Radicaal zijn of compromissen sluiten, een prisoners dilemma?)

Maar zowel bovengenoemde daden als voorstellen zetten geen zoden aan de dijk omdat ze zich beperken tot het bestrijden en tegengaan van de uitwassen het kapitalistisch systeem, en op geen enkele manier raken aan de grondslag aan de kapitalistische verhoudingen: de jacht op winst en de permanente uitbreiding van de produktie. Ook al droomt de ‘groene anarchistische’en ‘meest primitivistische’vleugel van een terugkeer naar het verleden, die zijn meest logische uitdrukking vindt in de ultieme oplossing van de ‘terugkeer naar de natuur’, het enige gevolg van hun wens om de bestaansmiddelen voort te brengen met de meest primitieve werktuigen is dat er meer mensen van de honger om zullen komen dan nu onder het kapitalisme.

De andere meer ‘verantwoordelijke’ vleugel van de groenen moet op haar beurt toegeven dat kleinschalige hervormingen en haar streven naar louter gedeeltelijke oplossingen, ook in het geval van de intensieve veehouderij …. “een enorme reductie van de productie zou zijn”. (Animal Freedom, ‘Wat zou ideaal zijn voor het lot van dieren in de veeteelt in Nederland?’). Op de website van ‘Kritische Massa’ schrijft Nora Scheer (‘De overheid moet het gebruik van biologische producten stimuleren’): “Biologische landbouwmethoden hebben inderdaad een duidelijk lagere opbrengst dan de intensieve landbouw. Dat betekent dat de producten duurder zijn …”.

De tegenmacht die ze willen zijn, of die nu parlementair of buitenparlementair opereert, is niet in staat om de toenemende wantoestanden in de intensieve veehouderij, als bijzondere uitdrukking van crisis van het kapitalisme, werkelijk een halt toe te roepen. Een maatschappij scheppen waar de mensheid opnieuw controle krijgt over haar eigen productieve activiteit en een omgeving creëren die beantwoord aan haar behoeften, blijft voor hen een niet te verwezenlijken droom.

Alleen de arbeidersklasse kan de voorwaarden scheppen welke de boerenklasse kan losmaken uit de kapitalistische logica, uit de niet te onstuitbare dynamiek van "Accumulatie om de accumulatie, productie om de productie …”, zoals Marx het in Het Kapitaal verwoordde. Alleen de proletarische klasse heeft de bekwaamheid de logica van het onbegrensde cynisme van het kapitaal, dat op steeds groter schaal genoodzaakt is tot de vernietiging van de natuur, inclusief de menselijke, aan de kaak te stellen. Het is de arbeidersklasse, die als enige de grondslag kan leggen en de voor een maatschappij te scheppen waar de boeren inderdaad bij kunnen dragen tot de produktie de behoeften en niet langer voor de winst van hun bedrijf.

Dixoff /15.02.2011