Frankrijk: Algemene vergaderingen en zelfgekozen stakingscomité's bieden uitzicht op uitbreiding

Printvriendelijke versieSend by email

Op dit ogenblik is de strijdbeweging in Frankrijk egen de pensioenhervorming al acht maanden aan de gang. Regelmatig zijn de arbeiders en de bedienden van alle sectoren met miljoenen tegelijk de straat opgegaan. Tegelijkertijd daarmee zijn er sinds de hervatting van de werkzaamheden in september min of minder radicale stakingsbewegingen ontstaan, die de uitdrukking waren van een diepgaande en groeiende ontevredenheid. Deze mobilisatie vormt de eerste strijd van omvang in Frankrijk sinds de crisis, die het financiële wereldsysteem in 2007-2008 heeft door elkaar geschud. Op dit ogenblik is de strijdbeweging in Frankrijk egen de pensioenhervorming al acht maanden aan de gang. Regelmatig zijn de arbeiders en de bedienden van alle sectoren met miljoenen tegelijk de straat opgegaan.

Tegelijkertijd daarmee zijn er sinds de hervatting van de werkzaamheden in september min of minder radicale stakingsbewegingen ontstaan, die de uitdrukking waren van een diepgaande en groeiende ontevredenheid. Deze mobilisatie vormt de eerste strijd van omvang in Frankrijk sinds de crisis, die het financiële wereldsysteem in 2007-2008 heeft door elkaar geschud. Ze is niet alleen een antwoord op de hervorming van de pensioenen zelf, maar door haar omvang en diepgang ook een duidelijk antwoord op het geweld van de aanvallen die men de laatste jaren moest ondergaan.

Achter deze hervorming en de andere gelijktijdige of op handen zijnde aanvallen, verbergt zich het feit dat alle proletariërs en andere lagen van de bevolking steeds dieper wegzinken in de verarming, de precariteit en de meest sombere ellende. En het ziet er niet naar uit dat deze aanvallen, met de onafwendbare verdieping van de economische crisis in het vooruitzicht, gaan ophouden. Het is duidelijk dat deze strijd de voorbode is van andere aanvallen en dat ze één lijn staat met de bewegingen die zich in Griekenland en in Spanje, tegen de drastische bezuini-gingsmaatregelen daar, hebben ontwikkeld

Ondanks het indrukwekkende massale verzet heeft de regering niet toegegeven. Integendeel, zij is onwrikbaar gebleven en heeft, zonder te verslappen en ondanks de druk van de straat, haar vastberaden wil getoond om deze aanval erdoor te drukken. Hierbij herhaalde zij cynisch dat hij ‘noodzakelijk’ was in naam van de ‘solidariteit’ tussen de generaties. Iedereen weet dat dit een grove leugen is, op het randje van een provocatie.

Bij het schrijven van  dit artikel, loopt de mobilisatie terug en is het zeker dat de bourgeoisie erin zal slagen haar hervorming binnen te halen. Hoe komt het dat deze maatregel, die al onze levensomstandigheden in het hart treft en waartegen de hele bevolking haar verontwaardiging en oppositie heeft breedvoerig tot uitdrukking gebracht, er ondanks alles toch doorgevoerd gaat worden?

Waarom is deze massale mobilisatie er niet in geslaagd om de regering doen wijken?

Omdat de regering verzekerd was van de controle van de vakbonden over de situatie. Die hadden het beginsel van een‘noodzakelijke hervorming’ van de pensioenen immers aanvaard. (1)
Wij kunnen een vergelijking maken met de beweging van 2006 tegen de startersbanen (CPE). Deze beweging, die door de media in het begin met veel misprijzen werd behandeld als een ‘studentenrevolte’ zonder vooruitzicht, heeft toch bereikt dat de regering niet anders kon dan het CPE-voorstel terugtrekken. Vanwaar dit succes?

Eerst en vooral omdat de studenten georganiseerd waren in algemene vergaderingen die openstonden voor iedereen, zonder onderscheid van categorie of sector, van de openbare en privé-sector, werkend of werkloos, enzovoort. Deze geest van vertrouwen in de arbeidersklasse en in de eigen kracht, de diepgaande solidariteit in de strijd, hadden een dynamiek op gang gebracht van uitbreiding van de beweging en verschafte haar een massaal karakter, waarin alle generaties betrokken werden. Want terwijl er zich enerzijds in de algemene vergaderingen heel ruime debatten en discussies ontwikkelden, die niet louter beperkt bleven tot de studentenproblematiek, zag men anderzijds in de loop van de betogingen dat steeds meer arbeiders zich aansloten bij de studenten en bij de talrijke scholieren.

Maar ook de vastberadenheid en de open geest van de studenten zelf, die delen van de arbeidersklasse meetrokken in een open strijd, maakte dat ze niet werden uiteengeslagen door de manoeuvres van de vakbonden. Integendeel, met name toen de CGT (stalinistische vakbond, nvdv) pogingen deed om de kop te nemen bij de betogingen om er de controle over te verkrijgen, hebben de studenten en de scholieren verschillende keren de leuzen van de vakbonden opzij geduwd om te duidelijk te maken dat zij niet naar de achtergrond geduwd wensten te worden van een beweging, die zij zelf op gang hadden gebracht. Daarmee bevestigden zij vooral hun wil om zelf, met de arbeiders, de controle te behouden over de strijd en zich niet in de luren te laten leggen door de vakbondscentrales.

De organisatievorm die de studenten gegeven hadden aan hun strijd, was inderdaad een van de aspecten die de bourgeoisie het meest verontrustte. Deze zelfstandige algemene vergaderingen verkozen hun coördinatiecomités en stonden open voor allen. Daarin hielden de studentenvakbonden zich dikwijls gedeisd, in de hoop dat ze zich niet als een olievlek zou uitbreiden naar de arbeiders toe, en deze ook in staking zouden gaan. Het was trouwens geen toeval dat Thibault (de vakbondsleider, nvdv) verschillende keren beweerde dat de loonarbeiders niets konden leren van de studenten over hoe zij zich moesten organiseren. Als deze laatsten hun algemene vergaderingen hadden, dan hadden de arbeiders hun vakbonden, waarin zij vertrouwen hadden.

Tegen een dergelijke achtergrond van vastberadenheid, die alsmaar toenam en het gevaar dat de vakbonden voorbijgestreefd zouden worden, moest De Villipin wel toegeven. Want de vakbond, die de laatste borstwering is van de bourgeoisie, dreigde stukgeslagen te worden door de uitbarsting van een massale strijd.
In de huidige beweging tegen de pensioenhervorming echter, hebben de vakbonden, daarbij actief gesteund door de politie en de media, al het mogelijke gedaan om de overhand te houden. Zij hadden de wind voelen aankomen en hebben daarop ingespeeld door zich overeenkomstig te organiseren.

De Intersyndicale in dienst van de regering

Vanaf het begin hebben we kunnen aanschouwen hoe de verdeling werd uitgespeeld, met aan ene kant de FO (Force Ouvrière, nvdv), die in haar eentje betogingen opzette, en aan de andere kant de intersyndicale die, na de kuiperijen met de regering, op 23 maart een actiedag organiseerde waarmee ze het ‘getouwtrek’ rond de hervorming voorbereidde. Ze organiseerde daarvoor nog twee andere actiedagen: op 26 mei en vooral op 24 juni, aan de vooravond van de zomervakantie. Het is een algemeen gegeven dat, als men een grote aanval wil doordrukken, een actiedag in deze periode van het jaar voor de arbeidersklasse eigenlijk de genadeslag betekent. Helaas voor de bourgeoisie en de vakbonden liet deze actiedag een onverwachte opkomst zien, met het dubbele aantal arbeiders, werklozen, precairen, en anderen, die de straat opgingen. En terwijl de eerste twee actiedagen zich kenmerkten door een malaise, iets wat uitdrukkelijk werd onderstreept door de pers, trad er op 24 juni een duidelijke onvrede en woede naar voren.

De vakbonden zagen zich daardoor genoodzaakt om, onder druk van deze openlijke ontevredenheid en als gevolg van de groeiende bewustwording van de gevolgen van de hervorming op onze leefomstandigheden, vanaf 7september nog een actiedag te organiseren, dit keer onder het motto van de syndicale eenheid. Sindsdien heeft er niet één vakbond ontbroken op het appèl van de actiedagen die in de betogingen verschillende keren zo’n drie miljoen mensen op de been brachten.

Maar deze eenheid van de ‘Intersyndicale’ was een valstrik voor de arbeidersklasse, bedoeld om haar te doen geloven dat de vakbonden vastbesloten waren om een offensief van brede omvang te organiseren tegen de hervorming en dat zij zich, door middel van deze terugkerende actiedagen, daartoe de middelen verschaften. Op hun actiedagen kon men tot vervelens toe horen hoe hun leiders met veel poeha hun redevoeringen afstaken over het ‘vervolg’ van de beweging en andere leugens. Waar zij het meest voor beducht waren, was dat de arbeiders uit het keurslijf van de vakbonden zouden breken en dat zij zichzelf zouden organiseren. Dit is wat de secretaris-generaal van de CGT, Thibault, in een interview met de krant Le Monde van 10 september zei, als een manier om ‘een boodschap over te seinen’ aan de regering:

“Met kan afsteven op een blokkade, op een omvangrijke sociale crisis. Het is mogelijk. Maar wij zijn niet diegenen die dat risico hebben genomen”, om beter te bevestigen wat er volgens de vakbonden op het spel stond: “Wij hebben zelfs een KMO (een kleine onderneming, nvdr) gevonden zonder vakbond, waar 40 van de 44 arbeiders in staking gegaan zijn. Dat is een signaal. Hoe meer de onverzettelijkheid overheerst, hoe meer de geesten gewonnen worden voor de verlenging van de stakingen”.

Dat is duidelijke taal: als de vakbonden er niet zijn, dan gaan de arbeiders zichzelf organiseren en dan gaan ze niet alleen werkelijk beslissen over wat zij willen doen, maar dreigen dat op een massale wijze te gaan doen. Om die reden hebben de vakbondscentrales, en in het bijzonder de CGT, zich met voorbeeldige ijver ingespannen het terrein te bezetten zowel op sociaal vlak als in de media en met dezelfde vastberadenheid elke werkelijke uiting van arbeiderssolidariteit op het arbeidsterrein te verhinderen. Kortom: enerzijds een tamtam van jewelste en anderzijds een activiteit die er op gericht is om de beweging te ontkrachten en mee te voeren in valse alternatieven, om tweedracht en verwarring te zaaien en haar beter naar de nederlaag te kunnen voeren.

De blokkade van de raffinaderijen is er een van de meest duidelijke voorbeelden van. De arbeiders van deze sector, wier strijdbaarheid zeer levendig was, wilden steeds duidelijker hun solidariteit betuigen met de hele arbeidersklasse in haar strijd tegen de hervorming van de pensioenen. Bovendien waren ze zelf geconfronteerd met drastische maatregelen op het vlak van vermindering van personeel. De CGT slaagde er echter in om onder deze arbeiders deze geest van solidariteit om te vormen tot een verwerpelijke staking. Zo werd de blokkade van de raffinaderijen nooit beslist op echte algemene vergaderingen, waar de arbeiders hun werkelijke standpunt tot uiting konden brengen. Er werd echter toe besloten na manoeuvres, waarin de vakbondsleiders specialisten zijn, die de arbeiders door middel van ‘verrotte’ discussies, steriele acties deden aanvaarden. Ondanks deze totale opsluiting hebben bepaalde arbeiders van deze sector toch geprobeerd om contacten te leggen en banden te smeden met arbeiders van andere sectoren. Maar globaal genomen zaten zij gevangen in de fuik van de ‘blokkade tot het bittere einde’.

De meerderheid van de arbeiders van de raffinaderijen zaten in de valstrik van de vakbondslogica van opsluiting in de fabriek, een werkelijk gif dat werd ingezet tegen de uitbreiding van de strijd. Inderdaad, ook al was het de bedoeling van de arbeiders van de raffinaderijen om de beweging te versterken en er een van de sterke armen van te worden om de regering te doen toegeven, de blokkade van de olieopslagplaatsen, zoals ze zich afspeelde onder de vakbondsvlag, werd vooral een wapen van de bourgeoisie en van de vakbonden tegen de arbeiders.

Ze wist niet alleen de arbeiders van de raffinaderijen te isoleren, maar hun staking ook onpopulair te maken door te dreigen met een algemene benzineschaarste teneinde een paniekstemming te scheppen. De pers heeft zich trouw van haar taak gekweten door stemming te maken tegen deze ‘gijzelnemers die de mensen beletten om naar het werk te gaan of om verlof op te nemen’. Maar de arbeiders van deze sector werden daarnaast ook fysiek geïsoleerd. Terwijl zij door hun solidaire strijd hun steentje wilden bijdragen tot het opbouwen van een krachtsverhouding ten gunste van intrekking van de hervorming, heeft vooral de blokkade zich tegen hen gekeerd en tegen hetgeen zij oorspronkelijk voor ogen hadden.

Er hebben talloze gelijkaardige vakbondsacties plaatsgevonden in verschillende transportsectoren, en vooral in streken met weinig arbeiders, want het ging de vakbonden erom tot iedere prijs zo weinig mogelijk risico’s te nemen wat betreft de uitbreiding en het actief in de praktijk brengen van de solidariteit. Voor de schijn moest het erop lijken dat ze in de betogingen de meest radicale strijd orkestreerden en een partituur van vakbondseenheid speelden, maar in werkelijkheid lieten ze de toestand verrotten.

Zoals in een pamflet van de 'AG Interpro' (Algemene Interprofessionele Vergaderingen, nvdv) van het Station-Oost (Parijs), gedateerd op 6 november staat: “De kracht van de arbeiders schuilt niet alleen in de blokkade van een olieopslagplaats hier en daar of zelfs van een bedrijf. De kracht van de arbeiders berust in het samenkomen op de werkplaats, over de grenzen van de beroepen, de ondernemingen, de categorieën en de vestigingen heen en samen te beslissen...” .

Overal heeft men kunnen zien hoe de vakbonden, verenigd in de 'Intersyndicale' om beter de schijn van eenheid hoog te houden, algemene schijnvergaderingen georganiseerd hebben, waar geen werkelijk debat was, en die opgesloten zaten in de meest extreme corporatistische bekommernissen. Toch beweerden ze openlijk dat ze zogenaamd wilden strijden 'voor allen' en 'allen tezamen' ... maar ieder in zijn eigen hoekje georganiseerd, achter zijn eigen kleine vakbondsleider. Daarbij deden zij er alles aan om te beletten dat er massale delegaties zouden worden gevormd, om op zoek te gaan naar solidariteit bij de andere bedrijven, die het dichtste in de buurt lagen. Een beweging die rijk is aan perspectieven

In de media zijn helemaal geen berichten verschenen over de talrijke comités of ‘Interpro’s' (2), die tijdens deze periode werden gevormd: comités en algemene vergaderingen die tot doel hadden om zich te organiseren buiten de vakbonden en discussies te ontwikkelen, die werkelijk open stonden voor alle proletariërs. Er waren ook zelfstandige acties waarin heel de arbeidersklasse zich niet alleen kon herkennen, maar zich ook en vooral massaal kon inzetten.

De vakbonden zijn trouwens niet de enigen geweest om de mogelijkheid van een dergelijke mobilisering te belemmeren, want de politie van Sarkozy, die berucht is voor haar zogenaamde stompzinnigheid en haar anti-linkse instelling, is door haar provocaties verschillende keren een onmisbare hulp geweest voor de vakbonden. Een voorbeeld? De incidenten op het Belcourplein in Lyon, waar de aanwezigheid van een enkele 'relschoppers' (mogelijk gemanipuleerd door de politie) als voorwendsel heeft gediend om een gewelddadige politierepressie uit te voeren tegen honderden jonge scholieren, waarvan het merendeel trachtte, om op het einde van een betoging, met de arbeiders in discussie te komen.

Hier zien wij wat de bourgeoisie bijzonder erg vreest: dat er contacten aangeknoopt worden en dat deze zich in de rijen van de arbeidersklasse zo ruim verveelvoudigen, tussen jongeren en ouderen, tussen werkenden en werklozen.
Vandaag staat deze beweging op het punt om stil te vallen en moeten er lessen getrokken worden uit deze mislukking.

De eerste les die moet worden getrokken is dat het de vakbondsapparaten zijn geweest die het mogelijk hebben gemaakt dat de aanval op de proletariërs is doorgevoerd en dat zoiets helemaal niet iets ongewoons is. Zij hebben hun vuile werk gedaan en zijn daarvoor door alle specialisten en sociologen, net zoals door de regering, en Sarkozy in hoogsteigen persoon, begroet vanwege van hun 'gevoel voor verantwoordelijkheid'. Ja, de bourgeoisie kan zichzelf zonder aarzelen gelukkig prijzen 'verantwoordelijke' vakbonden te hebben, die in staat zijn om een beweging van dergelijke omvang te breken en tegelijkertijd toch nog te doen geloven dat zij al het mogelijke in het werk gesteld hebben om deze te vooruit te helpen. Het zijn bovendien diezelfde vakbonden die er in geslaagd zijn om de werkelijke uitingen van zelfstandige strijd van de arbeidersklasse en van alle werkenden te verstikken en te marginaliseren.

Niettegenstaande kunnen uit deze mislukking ook talrijke vruchten geplukt worden: want ondanks de inspanningen, die gedaan werden door de gezamenlijke krachten van de bourgeoisie om de bressen te dichten waar de arbeiderswoede door ontsnapte, zijn zij er niet in geslaagd om een hele sector mee te slepen een algemene nederlaag, zoals dat het geval was in 2003 (3). Toen had de strijd tegen de pensioenen van de openbare diensten, na meerdere stakingsweken, geresulteerd een vernietigende nederlaag voor de werkers binnen het nationaal onderwijs.

De beweging loopt nu op haar eind. Maar de “De aanval is pas ingezet. Wij hebben een veldslag verloren, maar niet de oorlog. De bourgeoisie heeft ons een klassenoorlog verklaard en wij hebben nog de middelen om die te voeren” (pamflet getiteld 'Niemand kan strijden, beslissen en winnen in onze plaats', getekend door arbeiders en precairen van de 'AG Interpro' van Station-Oost en van Ile-de-France, welke hierboven ook al werd geciteerd). Wij hebben geen andere keuze om ons te verdedigen, dan door onze strijd massaal uit te breiden en te ontwikkelen en daarom moeten wij hem in eigen handen nemen.
'Vertrouwen op eigen kracht' zal de leuze van morgen moeten worden.

WW / 06.11.2010

 

Voetnoten

(1) Alle linkse partijen, die zich kwamen aansluiten bij de beweging om niet totaal ongeloofwaardig te worden, waren het nochtans zelf ook eens over de dwingende noodzaak om de arbeidersklasse op dit punt aan te vallen, want zij hadden er voor gestemd.

(2) Wij beschouwen deze laatsten als werkelijke uitdrukkingen van de behoeften van de arbeidersstrijd. Zij hebben niets te maken met de, door de vakbonden en door ultralinkse organisaties, onderhands en met kunst- en vliegwerk opgezette en georkestreerde coördinaties, die wij zowel tijdens de beweging van de spoorwegarbeiders in 1986 als tijdens de beweging in de gezondheidssector in 1988, verschillende keren hebben aangeklaagd

(3) Zie de nummers van Révolution Internationale 335, 336 en 337.