De arbeidersklasse komt steeds meer in de kringloop van de armoede terecht

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

 

De voorbije koude wintermaanden trokken alle caritatieve verenigingen aan de alarmbel want door de groeiende armoede werden velen het slachtoffer van de kou.  De sneeuw en de bitterste kou zijn intussen verdwenen. Maar meteen smolt ook de aandacht voor de armoede. Maar de thuis- en daklozen en de armoede in het algemeen zijn niet weg. Zo werden sinds 1 april de daklozen terug op straat gezet. De winterbeelden lieten trouwens maar het topje van de ijsberg zien. Het ontgaat inderdaad niemand meer: de armoede neemt wereldwijd toe. De tijd dat we armoede in verband brachten met gebieden als Sub-Saharaans Afrika, Azië of Latijns-Amerika is lang vervlogen. Vandaag worden ook in Europa miljoenen mensen ermee geconfronteerd. Een Europeaan op de vijf wordt met armoede bedreigd. Dat blijkt uit allerlei recente cijfers zoals die van Eurostat en EU-SILC (Europese Unie/Study on Income and Living Conditions). Volgens de gehanteerde definitie kent ieder die onder de 60% grens valt van het inkomen van een mediaan gezin een verhoogd risico op armoede. In Spanje en Griekenland leeft reeds 20 % van de bevolking onder de relatieve armoedegrens en 4,5 % van de bevolking leeft in extreme armoede. In het Verenigd Koninkrijk groeit een derde van de kinderen op in armoede. Voor België gaat het over een goede 15% (1 op 7 gezinnen) en dit aantal gaat in stijgende lijn (of meer dan 1.500.000 personen). Dit cijfer ligt trouwens hoger dan in de andere ‘rijkere’ West Europese landen.

 

 

Bestaansonzekerheid wordt de regel voor een steeds groeiend deel van de arbeidersklasse. En als die bestaansonzekerheid blijft duren hebben ze ook geen middelen meer om voor zichzelf en voor hun kinderen een toekomst uit te bouwen in dit maatschappelijk systeem.  Armoede in onze samenleving is niet enkel een financieel drama maar het strekt zich uit naar alle domeinen van de levenssfeer. Huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs, maar ook sociale uitsluiting, isolement, perspectiefloosheid en extreme druk treffen daarom een steeds breder gamma van de bevolking. Dit alles vormt als het ware een kringloop waardoor ganse gezinnen de armoede niet meer uitgeraken. Individuele drama’s en uitzichtloze revoltes als gevolg van deze situatie zijn dan ook bijna dagelijkse rubrieken in de media.

 

 

Deel I

 

De krimpende arbeidsmarkt leidt tot armoede

 

 

Inkomen door werk is uiteraard de hoeksteen in het kapitalistisch systeem. Wegens een slinkende afzetmarkt worden alle problemen met beschikbaar kapitaal en dalende winsten vertaald in een aanval op de loon- en werkvoorwaarden. Winsten en kapitaal zijn immers onbetaald werk. Ofwel wordt het werk productiever ofwel moet het aandeel loon zakken: minder arbeiders per product of minder loon. Deze absolute verarming blijkt reeds duidelijk uit de daling van het aandeel loon in het nationale inkomen in België dat zakt van 60 naar 50% volgens de nationale bank.

 

De tewerkstel­lingskansen verslechteren dus en het feit werk te hebben op zich is geen garantie meer om niet in de armoedekring­loop terecht te komen.

 

-         Een groeiende proportie van de werkenden (4,4%) loopt een armoederisico. Door een precaire werksituatie of een ontoereikend loon komen vooral alleenstaande ouders (van 32 % in 2005 naar 40% in 2008 volgens EU-SILC), huishoudens met meerdere kinderen en personen met een niet-EU25 nationaliteit eerst in de armoedezone terecht. Ook de vele deeltijdse- en tijdelijke contracten leiden tot een verhoogd armoederisico. In 2006 had 14% van de personen onder de armoedegrens werk als voornaamste activiteit.

 

-         Het armoederisico van niet werkenden bedroeg (24,6%): werklozen (34,2%), gepensioneerden (19,6%) en andere niet-actieven (25,5%). Voor gepensioneerden ligt het Belgische armoederisico hoger dan het Europese gemiddelde (19,6% tegenover 17%). In het algemeen is het gemiddeld risico genoteerd bij bejaarden (65+) hoger: 23%. België scoort daarmee slechter dan het gemiddelde van de 25 Europese lidstaten!(bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren, en EU-SILC cijfers over 2008)

 

De impact van de huidige economische crisis op de ar­beidsmarkt is groot.

 

-         Vorig jaar groeide het totale ‘klantenbestand' van de RVA met ruim 10 % tot 1,3 miljoen. Nooit eerder in de RVA-geschiedenis waren er dat zoveel. In Vlaanderen was er een recordstijging op jaarbasis van 23,8 %.

 

-         In landen als Ierland of Denemarken was er sprake in 2009 van een verdubbeling. In Nederland ging de werkloos­heid met de helft omhoog, in Frankrijk met een kwart. De relatief lagere score van België heeft alles te maken met het bestaan van het systeem van tijdelijke werkloosheid. Belgi­sche bedrijven kunnen hun overtollige arbei­ders – en sinds kort (onder voorwaarden) ook bedienden – een tijdlang bij de RVA ‘parkeren', zonder ze te moeten ontslaan. In de maanden maart en april 2009 bereikten we ongeziene toppen van 25% van de totale arbeidersbevolking die tijdelijk economisch werkloos waren!

 

-         In de formules van loopbaanonderbreking of tijdskrediet blijft het aantal toenemen, van 25.000 twintig jaar geleden tot meer dan 250.000 nu. Wie als niet-behoorlijk-verdienen­de tweeverdiener hiervan gebruikt maakt zogenaamd om ‘werk en gezin te verzoenen’ wordt arm.

 

-         Maar 2010 kan nog erger worden. De werkloosheidsgraad in de eurozone bereikte in februari 2010 met 10 % het hoogste peil sinds augustus 1998. Volgens Eurostat waren eind februari ongeveer 15,7 miljoen mensen werkloos in de eurozone. (belga, bloomberg) Ook de RVA sprak in maart al over meer dan 1,4 miljoen uitkeringstrekkers. Eind januari was er in Vlaanderen al een stij­ging op jaarbasis met 15 %. Met progno­ses van +40.000 werklozen, volgens de RVA tot +60.000 werklozen  volgens het federaal planbureau. Uit berekeningen door het hr-dienstenbedrijf SD Worx blijkt ook dat er sinds de zomer van 2009 sprake is van een nieuwe, gestage toename van het aantal economisch werklozen. Met als (voorlopige?) piek 16 % voor de maand februari. Dat percentage ligt dubbel zo hoog als in de periode vóór de economische crisis.

 

-         Ook krijgen werklozen met een hoger diploma het moeilijk om een baan te vinden. Eind maart telde de arbeidsdienst VDAB 16 % meer dan een jaar geleden midden de ergste crisismanden.  Jongeren in het algemeen en 55+(+19,8% op jaarbasis)hebben het steedss moeilijker om een baan te vinden. Dit is een sterke indicatie voor de armoede van morgen!

 

-         Veel statuten vertekenen trouwens de statistieken, precaire jobs en dienstencheques (goed voor 103.000 jobs die de staat geen cent meer kosten dan de werkloosheidsvergoeding) nog daar gelaten.

 

Ook die andere conjunctuurindicator, over het aantal faillissementen, staat steeds verder in het rood.

 

-         Nooit eerder gingen er in een eerste kwartaal zoveel bedrijven failliet in België. In vergelijking met het eerste kwartaal van 2009, toen al het zwaarste eerste trimester ooit, is dat opnieuw een stijging met 2 % (handelsinformatiekantoor Graydon) en 6.685 banen gingen hierbij verloren (+7%).

 

-         In 2009 werden in de Eurozone ongeveer 2,7 miljoen banen geschrapt. 1,8 % van het totaal en een recordaantal. In de 27 landen van de Europese Unie loopt dit op tot 4 miljoen. In 2008 was dit nog een stijging met 0,7 % voor de EU. (Bron: Eurostat)

 

De driemaandelijkse arbeidsenquête door de federale overheidsdienst Economie over de werkgelegenheidsgraad maakt nog een globalere analyse mogelijk.

 

-         In het derde kwartaal van 2009 telde België 4.415.000 werkende inwoners. Dat waren er 50.000 minder dan in dezelfde periode van 2008, toen de financieel-economische crisis nog niet doorwoog. Sindsdien heeft die crisis het totale aantal werkende Belgen met 1,1 % doen dalen. Daarmee haalde België in het derde kwartaal van 2009 een werkgelegenheidsgraad van 61,4 %. Tussen de eerste drie kwartalen van 2008 en de eerste drie kwartalen van 2009 zakte de werkge­legenheidsgraad met 0,9 procentpunten.

 

Maar ondanks die slechte prognoses en de schokkende cijfers heeft de regering geen plannen om het schorsingsbeleid van werklozen aan te passen om de armoedeval te vermijden.

 

-          Sinds 2004 werden al 625.000 werkzoekenden uitgenodigd voor een controlegesprek, wat leidde tot  90.000 (tijde­lijke) schorsingen van de RVA-uitkering. (Bron: Belga; woensdag 10 maart 2010)

 

Uitkeringen in vrije val

 

Maar zal de maatschappij ons niet behoeden voor de armoede door de behoeftigen op te vangen met sociale uitkeringen of tranfers?  “De sociale minima zijn ruim onvoldoende. Zelfs als gezinnen met een laag inkomen geen gezondheidsproblemen hebben en zij hun inkomen op de ideale wijze budgetteren, kunnen zij de materiële voorwaarden voor goede gezondheid en autonomie niet realiseren.”,””Wie enkel van een uitkering leeft, zit in ons land bijna automatisch rond of onder de armoedegrens” (Bron: Bea Cantillon hoofd van het Centrum voor Sociaal Beleid, Universiteit Antwerpen, De Standaard 16 mei 2009 en 24 maart 2010)

 

Zelfs de Vlaamse minister van Armoedebestrij­ding, Ingrid Lieten (SP.A), zei onlangs aan de armenorganisaties dat ze vindt dat de (fede­rale) minimumuitkeringen, zoals het leefloon en de mi­nimumuitkering bij langdurige ziekte, ‘niet meer fat­soenlijk zijn'. Ze wil dat ze met 150 euro per maand op­getrokken worden. Vlaams Mi­nister Lieten voegt er wel cynisch aan toe: ‘Natuurlijk is die verhoging moeilijk te realiseren in crisistijd. Dat weten wij ook wel.'. Nochtans hebben de beleidsmakers met het Generatiepact (2005) en de Programmawet (2006) met groot vertoon een structureel welvaartsaanpassingsmechanisme voor de sociale uitkeringen ingevoerd. Op papier oogt het mooi, maar in realiteit wordt er nog niks ‘ingevoerd’. Het cynisme waarmee de zwakste bevolkingsgroepen door de regering in het ootje werden genomen blijft stuitend. De paarse excellenties wisten eind 2006 dat een verhoging van de sociale minima budgettair onhaalbaar was. Ze wisten dat een begrotingsoverschot in 2007 onmogelijk zou zijn en dat de federale geldkist leeg was. Bovendien engageerden ze zich tot niets, want het werk en de verplichte begrotingsoverschotten werden naar de volgende regering doorgeschoven. Het leek wel een spelletje ‘Lach eens met de armen’.

 

-         De minimumuitkeringen – het leef­loon, de minima in de pensioenen, in de invaliditeitsuit­keringen, enzovoort – liggen in België meer dan 100 euro lager dan de Europese armoedegrens!

 

-         Vergeleken met de minieme stijging van de (laagste) lonen verloren de bijstandsuitkeringen in de loop van de jaren negentig terrein, met 10 % (België) tot 20 % (Zweden) en meer (Nederland).

 

-         In België staan de mi­nimumwerkloosheidsuitkeringen in verhouding tot de gemiddelde lonen zowat 40 procentpunten lager dan in het midden van de jaren zeventig.

 

De bourgeoisie noemt dit enerzijds de zweepfunctie: lagere sociale uitkeringen dan de ar­beidsvergoedingen. Want om de lonen te verlagen mogen ze niet te dicht in de buurt van de uitkeringen komen. En dus houdt dit in dat het streven naar sociale in­clusie de uitsluiting betekent van al diegenen die niet geacti­veerd (kunnen) worden. En anderzijds wil ze de onproductieve kosten afbouwen: alle kosten die niet rechtstreeks tot haar productieproces behoren.

 

Sinds '75 steeg het aantal bestaansminimumtrekkenden (of leefloners) constant. Dat zijn mensen met onvoldoende inkomen of bezittingen.

 

-         In 2007 zijn er 89.990, een stijging van ongeveer 10% sinds 2003. In vergelijking met 2008 steeg het aantal leefloners in 2009 met 9 tot 10 %. Intussen is de kaap van 100.000 gerond in maart 2010.

 

-         De stijging laat zich het sterkst voelen bij jongeren tussen 20 en 29 jaar wat de vooruitzichten voor armoede morgen nog vergroot!

 

Maar ook de leefloners ontsnappen niet aan de neer­waartse spiraal die hen steeds verder in de armoede duwt.

 

-         Ruim negen op de tien langdurig werklozen en zeven op de tien leefloners kampen met één of meerdere medische, psychische of sociale problemen die hun zoektocht naar werk belemmeren.(onderzoek Hiva-instituut, op basis gegevens VDAB en OCMW in Antwerpen).

 

-         Leefloners werden vroeger op dezelfde manier behandeld als langdurige en laaggeschoolde werklozen. Maar het budget om hen (via ‘art. 60') werk te geven, stijgt niet meer.

 

-         Ze kwa­men vroeger ook in aanmerking voor alle tewerkstel­lingsprogramma's en lastenverlagingen. Maar in het groot plan van minister Joëlle Milquet (CDH) voor de tewerkstellingspremies van 1.000 euro en meer per maand, komen de leefloners niet meer voor. En ook mi­nister van Defensie, Pieter De Crem (CD&V) trekt geen leefloners aan voor zijn ‘tewerkstellingsplan'.

 

Mensen die niet in aanmerking komen kunnen beroep doen op het Recht op Maatschappelijke Hulp (RMH). Het gaat dan in hoofdzaak om vreemdelingen die niet ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, onder wie een grote groep kandidaat-vluchtelingen.

 

-         Het aantal dossiers RMH steeg tussen 1999 en 2002 met 61% tot 51.202 dossiers. (bron: Vranken Jan, Campaert Geert, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2008, Leuven: Acco,)

 

Het Belgisch pensioenstelsel tenslotte is al enige tijd aan het aftakelen en totaal ontoereikend. De forfaitaire tussen­komsten van de zorgverzekering zijn ontoereikend voor wie een laag pensioen heeft en een rusthuis betalen zit er voor de meesten niet in.

 

-         Het gemid­deld brutopensioen per werknemer is 925 euro (studie van Assuralia 10/02/2010). België heeft daarmee zowat de laagste pensioenen van West-Europa.

 

-         De aanvullende pensioensystemen verbreden die kloof tussen rijk en arm nog.  De tweede en derde pijler creëren niet alleen meer ongelijkheid, maar zijn ook mechanismen van structurele uitsluiting.  Honderdduizenden niet-actieve mensen hebben geen toegang tot deze pijlers. Voor werklozen, meer dan 200.000 invaliden, arbeidsgehandicapte mensen of leefloners is er geen tweede pijler, want daarvoor heb je werk nodig. Van welke pijler zouden interimwerknemers dromen? Wat is de bijdrage van het kaderlid-met-alle-pijlers aan de pensioenopbouw van zijn dienstencheque-poetsvrouw?

 

Nagenoeg alle Europese landen hebben de voorbije jaren hun pen­sioenstelsel al twee keer hervormd. In de jaren negentig werden ze 'in evenwicht gebracht' en werd het ver­vroegde pensioen afgeschaft. De hervormingen van de jaren 2000 waren gericht op het inbouwen van de zgn stijgende levensverwachting en het feit dat er te weinig werkenden zijn die afdragen en te veel uitkeringstrekkers. Zoals hoger reeds aangetoond wordt een steeds groter deel van de arbeidersklasse uitgeslo­ten en slaagt de bourgeoisie er niet in wereldwijd de nieuwe generaties in het arbeidscircuit in te schakelen, het inkomen uit loon zakt en dus komen de pensioen­kassen in moeilijkheden. Door de pensioenleeftijd op te trekken verlaagt men in feite nogmaals de uitkering. Dit kondigt nog meer armoede aan! In oktober 2008 kondigde de regering-Leterme I ook een Pensioenhervorming aan. Aan de pensioenleeftijd van 65 wordt voorlopig niet getornd. Men vertrekt van het behoud van de erg lage Belgische pensioenen. In de praktijk gaan Belgen gemiddeld op hun zestigste met pensioen. De pensioenminister Daerden wil dat nu op­schuiven naar 63. De werknemers zullen ook zelf meer moeten betalen voor hun pensioen. Maar na de komende verkiezingen zal de bourgeoisie nog een stap verder gaan in de aftakeling van de pensioenuitkering. ‘Kleine ingreepjes volstaan niet meer', klinkt het. ‘Niet de pensioenleeftijd maar de loopbaan is van belang’. Cynisch voegen ze er aan toe:‘Ons plan gaat niet over harde inleveringen, wel over de noodzaak om enkele jaren langer te werken.'. Volgens CD&V. ‘volledig pensioen krijg je pas als je 45 jaar hebt gewerkt. Korter werken moet minder pensioen opleveren; Wie langer studeert en later begint te werken, heeft pas op latere leeftijd volledig pensioen dan wie vroeger begon te werken.’ en ‘Een beperkt aantal periodes van niet-werken moet gelijkgesteld blijven met werken’. Oppositiepartij SP.A zijn pen­sioenplan is in schijn anders maar gaat uiteindelijk de werknemers gegarandeerd evenveel geld kosten.  Een nieuw stelsel ‘dat rekening houdt met de manier waarop mensen een loopbaan opbouwen’. Nog niet zo lang geleden stelden zij een gelijkaardig plan als dat van CD&V voor. Werkgevers staan met volle gewicht achter de hervormingen: ‘De solidariteit met wie niet beroepsactief is, gaat veel te ver’. Het stelsel van de brugpensioenen moet eruit. Gelijkgestelde periodes moeten beperkt worden tot ‘werkgerichte en thematische' verloven. Ambtenaren moeten gewone werknemers worden en dus een gewoon wettelijk pensioen krijgen.

 

De strijd tegen armoede door de bourgeoisie leidt tot…nog meer armoede!

 

Onderwijs en armoede

 

 

Gedreven door de armoede en gedemotiveerd door voortdurende sociale uitsluiting hebben steeds meer jongeren moeilijkhe­den in het onderwijs en verlaten ze vroeg de school om te gaan werken. In Brussel verlaat reeds 1/5 van de jongeren vroegtijdig de school. Door hun lage scholing kunnen zij slechts zwaar en laag betaald werk vinden. Nooit eerder in de geschiedenis lagen scholing en levenskansen immers zo dicht bij elkaar als nu. Om sociale redenen en om eco­nomische redenen in de sterk gewijzigde kennisecono­mie vooral in Europa moet zoveel mogelijk talent ont­wikkeld worden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Niet alleen laaggeschoolden komen in de armoede te­recht. Mar het risico van mensen zonder diploma of met een diploma lager onderwijs hebben dubbel zoveel kans in de armoede te verzeilen als personen met een diploma secundair en zelfs driemaal zoveel kans als een persoon met een diploma hoger onderwijs.

 

Dalend beschikbaar inkomen leidt tot Schuldenlast

 

Steeds meer Belgen leven op krediet en hebben problemen om hun schuldenlast tijdig af te betalen.

 

-         De kredietcentrale van de Nationale Bank van België noteerde eind 2009  4,9 miljoen mensen (op populatie van ±10,5 miljoen) die minstens één krediet hadden lopen.

 

-         Welgeteld 356.611 van hen hadden een betalingsachterstand, een stijging van 3,6 %. Het totale achterstallige bedrag steeg in 2009 met liefst 16,1 % tot 2,16 miljard euro. In 2007 waren er 338.933 personen geregistreerd (schuldoverlast). Dit cijfer heeft enkel betrekking op consumentenkredieten en hypothecaire leningen. Schulden die verband houden met huur, gezondheidszorgen, telecommunicatie, energie... zijn hierin niet opgenomen.

 

-         De contracten voor hypothecair krediet stegen met 38,6 %.

 

-         In 2006 had de afbetaling van consumptieschulden tot gevolg dat het inkomen van 5% van de bevolking (verder) onder de armoederisicogrens daalde.

 

-         Uit een onderzoek van september 2008 van Intrum Justitia bij ruim duizend wanbetalers blijkt dat 6 op de 10 mensen met een openstaande schuld meer dan één factuur niet betaald hebben en dus structureel in financiële moeilijkheden zitten. Bovendien zijn de verschuldigde bedragen sterk gestegen. (intrum/persberichten/20080904/)

 

-         In 2006 leefde 6% van de bevolking reeds in een huishouden met 2 of meer betalingsachterstallen voor basisbehoeften zoals huisvesting, energie, lopende uitgaven of gezondheidszorg.

 

-         Een EU-SILC studie tenslote berekende voor 2008 dat 33,5% hun schulden moeilijk kon afbetalen.

 

De wachtlijsten voor schuldbemiddelingsdiensten nemen snel toe.

 

-         De vraag tot collectieve schuldregeling steeg met 15.904 in 2009 (11 %) tot 78.147 procedures (vooral huur, telecommunicatie, energiefactuur).

 

-         Het laatste kwartaal van 2009 namen de contracten voor afbetalingsleningen met 10,6 % toe in vergelijking met dezelfde periode van 2008.

 

-         Deze trend wordt bevestigd door het stijgend aantal beroepen op de schuldbemiddelings-dienst van het OCMW.   Door de stijgende vraag kan het OCMW niet langer alle vragen verwerken.

 

Dalend beschikbaar inkomen leidt tot slechtere Huisvesting

 

Een groeiend deel van de arbeidersbevolking heeft weinig geld, daardoor gaan ze op zoek naar een goedkopere woning, moet men huren in het laagste seg­ment van de privé huurmarkt (want het aantal sociale woningen is ontoereikend). Ze komen daardoor terecht in vochtige, kleine, onveilige huizen met onvoldoende sanitaire voorzieningen. Of ze worden helemaal dakloos. In de spiraal van armoede en sociale uitsluiting vormt betaalbare en kwaliteitsvolle huisvesting inderdaad een centraal gegeven.

 

-         Ongeveer 3 miljoen Europeanen zouden dakloos zijn, waarvan volgens officiële tellingen zo'n 20.000 in België volgens een eerste grote studie over dak- en thuisloosheid. (federale dienst Maatschappelijke Integratie en de federale staatssecretaris voor Armoede, Philippe Courard (PS)).

 

-          Uit de ramingen in een studie die het OASeS-centrum van de Universiteit Antwerpen maakte samen met het Institut Sciences Humaines et Sociales van de Luikse universiteit valt af te leiden dat er in Vlaanderen 12 dak- en thuislozen per 10.000 inwoners per jaar zijn (7.000), in Wallonië 25 per 10.000 inwoners (8.000) en in Brussel 30 per 10.000 inwoners (3.000).

 

Wellicht ontsnappen nog groepen aan de tellingen. Velen zijn maar even dakloos, anderen zijn ‘chronisch dakloos', nog anderen willen helemaal niet in het vizier komen, niet zelden omdat ze illegaal hier zijn. De groep thuis- en daklozen groeit en wordt ook jonger en vrouwelijker. Een snel groeiende groep zijn de uit hun woning gezette huurders. Deze tendens wordt totaal bevestigd door de bevindingen van Dokters van de Wereld dat zich samen met SAMU Social de voorbije winter heeft ingezet voor daklozen in Brussel. Zij deden 2.500 medische en paramedische interventies, een absoluut record. “Dat is een stijging met 100 %” En nog nooit zagen ze zoveel jonge mensen. Ruim 30 % van de mensen waren tussen 20 en 29 jaar. Weeral een hypotheek op de toekomst! Ook het aantal dakloze jonge vrouwen met kinderen neemt toe. Ook benadrukken zij de grote nood bij de asielcrisis, die weegt op de daklozenproblematiek.

 

De recente studie van EU-SILC onderlijnt dat armoede leidt tot sociaal isolement. Het statuut van vluchteling of dakloze maakt dat een groot deel van hen geen familie of geen contact meer met de familie heeft. Velen verliezen hun sociale vaardigheden en in het algemeen hun werkvaardigheden. Dit houdt hen in het spiraal van de armoede.

 

 

-         Huurders kennen een armoederisico dat ongeveer driemaal zo hoog is als dat van eigenaars, nl. 28,4% versus 10,2%. Het Belgische percentage voor huurders met armoerisico ligt boven het EU-gemiddelde (23%) en dat voor eigenaars eronder (EU-25: 13%)( NAPincl 2008-2010: indicatoren  en Eurostat).

 

-         De ½ van de mensen die beneden de armoegrens leven vandaag heeft nog een huis door erfenis of verworven toen ze nog voldoende inkomen hadden. Maar 1 op 6 kan het niet verwarmen of onderhouden. (EU-SILC studie). Ook dit is een zoveelste indicatie voor de toekomst!

 

-         Zelfs de eigendomsondersteunende maatregelen (vooral fiscale aftrekken van intresten en/of kapitaal van hypothecaire leningen, allerlei subsidies...) komen vooral terecht bij de hogere inkomens: 40% komt terecht bij de 20% hoogste inkomens, 10% gaat naar de 20% laagste inkomens. Solidariteit op zijn kop dus.

 

-         Het aantal sociale huurwoningen is duidelijk onvoldoende. Veel mensen met een laag inkomen oriënteren zich dan ook noodge­dwongen naar het secundaire segment van de private huurmarkt, waar de prijs – kwaliteitsverhouding one­venwichtig is (NAPincl 2003-2005).

 

-         De verhouding tussen het aantal erkende sociale woningen en het aantal private huishoudens beliep in 2004 6,3%.  Het Europese gemiddelde bedraagt echter 17,3%  (Nederland 34%, Verenigd Koninkrijk 20%, Denemarken 19%, Zweden 18%, Frankrijk 17%) (Housing Statistics in the European Union 2005/2006 en Vranken Jan, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2006), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2006, Leuven: Acco).

 

-         Deze alarmerende, stijgende tendens wordt ook bevestigd door de recente atlas van buurten in moeilijkheden (Vandermotten Christian, Kesteloot Christian, Ippersiel Bertrand e.a. (2006), Dynamische analyse van de buurten in moeilijkheden in de Belgische stadsgewesten, ULB, KUL, ICEDD).

 

-         Onderzoek van het Steunpunt Ruimte en Wonen heeft aangetoond dat midden 2007 in Vlaanderen 317.500 gezinnen recht hebben op een sociale woning. 180.500 onder hen krijgen er echter geen. Tot nu toe stond vast dat er 58.000 gezinnen op de wachtlijsten staan. Dit is minder dan een derde van wie er recht op heeft. De 180.500 gezinnen die geen beroep doen op een sociale woning, betalen gemiddeld 431 € per maand voor een woning op de particuliere markt. In een sociale woning bedraagt de gemiddelde huurprijs 258 € per maand (bron: Belga, 25/06/2007). Het Vlaamse Gewest verhuurde op 31 december 2006 ongeveer 132.000 sociale woningen. ( Cijfers sociale huisvesting en VMSW (2008), Statistische inlichtingen kandidaat-huurders, toestand midden 2007). Op 1 januari 2007 telde het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest 36.106 verhuurde sociale woningen. In januari 2007 stonden 25.029 huishoudens op de wachtlijst. (Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij en Observatorium voor Gezondheid en Welzijn van Brussel-Hoofdstad, Welzijnsbarometer 2007).Op 31 december 2006 telde het Waalse Gewest 102.462 sociale woningen die effectief werden verhuurd. Er stonden 47.336 kandidaat-huurders op de wachtlijst.(Société wallonne du logement (2008), Rapport d'activités 2007).

 

-         Van alle Vlamingen die een huis, appartement of bouwgrond  willen kopen(13 % van de bevolking) heeft één op de twee zijn zoektocht uitgesteld door de crisis in 2009. In 2008 was dat ‘nog maar' één op de drie.

 

-         Huizen staan vandaag zowat vijf maanden te koop op de markt, appartementen bijna zeven maanden. In beide gevallen is dat dubbel zo lang als twee jaar geleden. (Enquête van Het Nieuwsblad uitgevoerd door iVox; 26 februari 2010).

 

-         Een studie van het Centrum voor Sociaal Beleid (UA) toont aan dat tussen 1973 en 2008 een bouwgrond in Vlaanderen viermaal duurder is geworden; de laatste tien jaar alleen al driemaal. In Wallonië werd bouwgrond in 35 jaar 2,5 maal duurder. “Die stijging van de grondprijzen heeft gevolgen op de verdeling van geld en vermogen”, zegt het Centrum. “De dure grond is vooral in handen van ouderen (nvdr hoewel die groep ook steeds kleiner wordt) en wordt gekocht door jongeren. Dat zorgt voor geldstromen van jong naar oud. Ondanks hun welvaart is het voor veel jongeren haast onmogelijk geworden op eigen kracht een woning te verwerven.” Deze tendens kondigt nog maar eens grotere problemen aan voor de nabije toekomst.

 

Een andere indicatie voor de erbarmelijke toestand waarin mensen moeten wonen is het groeiende aantal geheel of gedeeltelijk afsluitingen van de energievoorzieningen. Recent werden nieuwe cijfers bekend die aantonen hoe erbarmelijk de toestand verslechterd.

 

-         Aardgas is tussen begin 2003 en december 2009 50% tot 70% duurder geworden voor wie klant is bij Electrabel en Luminus. Dus voor de grote meerderheid van de gezinnen. Dat blijkt uit een studie van de Creg, de Belgische energieregulator. Het resultaat is dat voor een gezin met een gemiddeld verbruik dat zich met aardgas verwarmt, de eindprijs in december 2009 uiteindelijk tussen de 35 en 40% hoger lag dan zes jaar geleden.Wat elektriciteit betreft toont de studie aan dat gezinnen met een klein verbruik bijna 40 % meer betaalden dan zes jaar geleden.  Een gemiddeld erbruiker als klant bij marktleider Electrabel, betaalde eind vorig jaar gemiddeld 20 % meer dan in 2003. (De Standaard, 09 februari 2010)

 

-         Bijna 80.000 gezinnen betaalden in 2009 systematisch hun elektriciteits- en gas- facturen niet of een toename van 11 % op jaarbais aan niet-betaalde energiefacturen. (De Standaard, 10 maart 2010)

 

-         Deze tendens wordt ook bevestigd door de betalingsproblemen met de watervoorziening, De Antwerpse lokale adviescommissie (LAC), die normaal samenkomt voor de behandeling van wanbetalingen van gas- en elektriciteitsrekeningen, buigt zich voor het eerst over de waterfacturen. In totaal zullen 6.000 dossiers worden bekeken. Het gaat om een totale achterstal van 1miljoen euro.

 

-         Het Waalse Gewest telde in 2008 ongeveer 55.000 aanvragen voor plaatsing van budgetmeters electriciteit. In totaal genoten 37.991 afnemers van het sociaal tarief  voor gas en 81.677 voor elektriciteit. (Commission Wallonne pour l’Energie – CwaPE, 2009) De budgetmeters worden geplaatst om een volledige afsluiting van het distributienet te voorkomen. Het perverse van de budgetmeters is dat bij een oplading van de betaalkaart, tegelijkertijd een minimumbedrag aan schuldaflossing moet opgeladen - en dus betaald - worden. Het resultaat hiervan is dikwijls dat deze betrokkenen zichzelf de facto afsluiten.

 

-         In 2008 werden in het Vlaamse Gewest, 60.026 gezinnen door hun energieleverancier aan de deur gezet omwille van wanbetaling van de elektriciteitsrekening en 41.521 voor aardgas. Op 31 december 2008 werden voor elektriciteit uiteindelijk 756 gezinnen  afgesloten en voor aardgas 2.845 toegangspunten/gezinnen. Eind 2008 verbruikten  36.059 gezinnen elektriciteit via een budgetmeter.

 

-         Er waren ook 2.728 stroombegrenzers actief, die niet gekoppeld zijn aan een budgetmeter. 143.124 afnemers hadden recht op de sociale maximumtarieven. (Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt – VREG, 2009).

 

-         In oktober 2009 zou Eandis, de grootste netbeheerder in Vlaanderen, meer dan 88.000 toegangspunten (elektriciteit en aardgas samen) op het distributienet hebben als sociale leverancier. De zoveelste stijging op rij. Deze klanten werden dus allemaal gedropt door een commerciële leverancier zoals Electrabel, SPE/Luminus of Nuon, wegens het niet (kunnen) betalen van energiefacturen. De netbeheerders hebben in 2009 79.474 dossiers doorgestuurd naar de Vlaamse OCMW's. Het gaat om gezinnen die maandenlang hun elektriciteits- of aardgasfactuur niet betaalden.

 

Dalend beschikbaar inkomen leidt tot gebrekkige Gezondheidszorg

 

Deze ongezonde woonsituatie, opgedreven werkomstandigheden en een goedkope onevenwichtige voeding zal in vele gevallen gezondheidsproblemen met zich meebrengen. Omwille van de financiële situatie worden de gezondheidszorgen uitgesteld. De gezondheid wordt slechter en bemoeilijkt de tewerkstellingskansen.

 

Uit cijfers blijkt dat mensen met een lager inkomensniveau vaak in slechtere gezondheid verkeren, een verminderde toegang tot de gezondheidszorg hebben en vroeger sterven dan mensen met een hogere positie op de sociale ladder.

 

De levensverwachting van de Belgen blijft stijgen en de kindersterfte blijft dalen. Maar de gezondheidsindicatoren bevestigen het bestaan van belangrijke ongelijkheden op het vlak van de gezondheidstoestand en de toegang tot de gezondheidszorg. Zowel op het vlak van kindersterfte, subjectieve inschatting van de gezondheid, de mate van belemmeringen in de dagelijkse bezigheden ten gevolge van ziekte, depressie, overgewicht, alcohol en rookgedrag, participatie in screening van baarmoederhals- en borstkanker.

 

De eerste bekommernis van de overheid is immers: wie betaalt de gezondheidszorg? Niet: hoe zorgen we dat iedereen aan zijn trekken komt?  In België worden de kosten hetzij doorgerekend naar de patiënt, hetzij naar de overheid (dwz de belastingbetaler), die dan moet besparen op andere uitgaven op de kap van de arbeidersklasse. Met als risico dat de gezondheidssector zodanig veel middelen uit de sociale zekerheid wegkaapt dat bijvoorbeeld de pensioenen niet meer kunnen betaald worden (en vice versa!).

 

-         In 8 % van de gezinnen zette afgelopen jaar ie­mand een medische behandeling stop wegens geldpro­blemen, in 26 % werd een behandeling uitgesteld en in 9 % zag iemand helemaal af van een behan­deling om die reden. In één gezin op de negen (11 %) werd de behandeling niet eens opgestart om die reden. (enquête van Test–Gezondheid/Test–Aankoop).

 

-         30% van de gezinnen zegt het ‘moeilijk' te hebben met de betaling van de gezondheidszorg. Bij gezinnen met een chronisch zieke loopt dat op tot 47 %, bij eenoudergezinnen tot 61 %.

 

-          6% van de gezinnen moest geld lenen om de verzorging te kunnen betalen; bij eenoudergezin­nen liep dat op tot 33 %.  Zelfs van de mensen waarvan officieel gezegd wordt dat ze bijna niets moe­ten betalen voor hun gezondheidszorg — de mensen met ‘verhoogde tegemoetkoming'  — moest nog 20 % gaan lenen.

 

-         Hospitalisatieverzekering wordt trouwens onbetaalbaar voor senioren. 8,3 miljoen Belgen hebben een  Hospitalisatieverzekering. Maar 1 op de 3 heeft problemen met het betalen van de premie, en 6 % moet lenen voor de ziekenhuiskosten.

 

Wie het zich niet kan permitteren (lagere sociale klasse = risicogroep = hogere premie) heeft ook geen hospitalisatieverzekering en moet naar een goedkoper (meestal openbaar) ziekenhuis en heeft dus geen toegang tot de volledige markt. Een hospitalisatieverzekering dekt de kosten die de pa­tiënt moet betalen na de tussenkomst van het zieken­fonds. Ziekenhuisopnames en chirurgische interventies kosten almaar meer, waardoor de verzekeraars de pre­mies fors verhogen. ‘DKV, de marktleider van de hos­pitalisatieverzekeringen, kondigde recent een premie­verhoging met 7,84 % aan voor een verblijf in een eenpersoonskamer, terwijl de prijs van een kamer in 2009 gemiddeld met 3 % is gestegen', zegt Test-Aankoop. “Dat zijn onverteerbare verhogingen. Som­mige maatschappijen lokken klanten met een redelijke startpremie. Maar ze trekken die premie buitensporig op wanneer de verzekerde te oud is om nog van verze­keraar te veranderen. Sommige mensen kunnen die premies niet langer betalen en moeten zelfs gaan lenen”.

 

 

Inzake  goedkope voeding stellen we vooral ook vast dat voor het 14e jaar op rij het klantenbestand voor de voedselbedeling groeit.

 

-         In 1994 klopten 59.461 personen aan en in 2007 deden 108.100 personen een beroep op één van de negen voedselbanken, die verenigd zijn in de Belgische Federatie van Voedselbanken.

 

-         In 2006 werden er in de 16 'Restos du Cœur' een derde meer maaltijden uitgedeeld dan in 2005. Ongeveer 230.000 maaltijden in 2004 en meer dan 380.000 in 2006.

 

-         Ook de OCMW's krijgen almaar meer vraag naar voedselpakketten. Maar als de OCMW's de huidige Europese regelgeving respecteren, moeten ze zowat de helft van de aanvragers onverrichter zake wegsturen. “We mogen enkel nog mensen bedienen met bestaansmiddelen die lager liggen dan het leefloon”, zegt het VVSG, de koepelorganisatie van de Vlaamse gemeentebesturen en OCMW's. “Er wordt helemaal geen rekening gehouden met het huidige profiel van wie in armoede leeft. Daar zitten heel wat mensen bij die een inkomen hebben, maar toch met financiële problemen kampen.” (De Standaard; 26 februari 2010)

 

Het zijn hoe langer hoe meer mensen uit verschillende milieus: werklozen, leefloontrekkenden, mensen die failliet zijn gegaan, arbeiders en bedienden met een laag loon. Wat nogmaals de tendens bevestigd dat de armoede steeds groter delen van de arbeidersklasse raakt.

 

 

Deel II

 

De bourgeoisie probeert het kapitalisme buiten schot te houden

 

 

Ook de bourgeoisie kan er niet meer naast zien. 2010 zou het Europese jaar van de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting moeten worden. Edele bedoeling of  wil zij enkel de indruk wekken bij de arbeidersklasse dat ze het probleem aanpakt om de aandacht van de werkelijke oorzaak van hun ellende af te leiden?

 

Op hun traditionele lentetop hebben de premiers en presidenten van de Europese Unie eerder laten zien dat hun ambitie om het aantal mensen in armoede tegen 2020 met 20 miljoen te verminderen louter bluf is. Deze optie werd niet behouden. Verschillende lidstaten vinden dat armoedereductie geen doel op zich moet zijn, maar het gevolg van economische groei (sic!). Met juttemis dus.

 

Als we de realiteit achter de cijfers analyseren kunnen we niet anders dan besluiten dat alles in het werk wordt gesteld om de ganse arbeidersklasse te misleiden en voor te liegen. De juiste tendensen, de ware dynamiek die vervat zit in de sociale realiteit toont de onomkeerbaarheid aan van de armoedespiraal binnen de grenzen van het huidig systeem. Door de verdieping van de economische crisis wordt de ganse arbeidersklasse hard getroffen en een steeds ruimer deel van haar leden zal nog verder in de armoede terecht komen.

 

 

Eén van de meest algemene vooroordelen over armoede die door de burgerlijke media wordt onderhouden is dat de armen zich in die situatie bevinden door hun eigen fout of omdat ze niet hard genoeg werken – wat inhoudt dat ze lui en onverantwoordelijk zijn. Dat is een manier om een steeds groter deel van de arbeidersklasse een schuldgevoel aan te praten en volledig met de verantwoordelijkheid voor hun ellendige situatie op te zadelen. Het laat vermoeden dat de kapitalistische maatschappij geen verantwoordelijkheid draagt en dat er dus niets fundamenteel hoeft gewijzigd te worden. De onvermijdelijke gevolgen van armoede in deze kapitalistische maatschappij geïndividualiseerd en geïsoleerd op zich gelijkstellen met de kringloop waarin deze mensen terecht komen laten de basisoorzaken buiten schot. Om de armoede uit te roeien moeten we haar wortels aanpakken verstrengeld in de winstlogica van de kapitalistische marktwetten, en drooggelegd door de historische crisis waarin het systeem terecht kwam. De campagnes die de bourgesoie opzet zijn inderdaad vooral gericht om de schuldvraag van zich af te schuiven.

 

 

 In een discussie naar aanleiding van de aanhoudende opstootjes in Anderlecht dit voorjaar verwoorde een groep wetenschappers duidelijk de vraag, enkel vergeten ze dat de beleidsmakers van de bourgeoisie daar geen antwoord op kunnen geven:“Sociale problemen (werkloosheid, armoede, enzovoort) worden als individuele problemen gezien die met een strenger repressief beleid moet worden aangepakt. Dit leidt tot simplistische beleidsmaatregelen, die zich vooral richten op symptoombestrijding: daklozen worden uit de metrostations verjaagd, en spijbelende jongeren (en hun ouders) worden harder aangepakt. En de maatschappij blijft netjes buiten schot.”( Nadia Fadil (KULeuven), Sarah Bracke (KULeuven), Pascal Debruyne (UGent) en Ico Maly (KifKif)). De maatschappij waarover ze spreken die buiten schot blijft heeft een naam: het kapitalisme. Een systeem dat al decennia lang de grenzen van zijn kunnen heeft bereikt en in zijn historisch verval terecht gekomen is.

 

 

De toekomst behoort toe aan de arbeidersklasse

 

Het inzicht in de juiste maatschappelijke- en klasse verhoudingen verdoezelen is de bewustwording van de arbeidersklasse willen belemmeren en haar enige perspectief op een uitweg uit de armoede ontnemen. In de dertiger jaren van vorige eeuw riepen de revolutionairen de arbeidersklasse reeds op zich niet te laten vangen:

 

“ Een kapitalisme, dat gedwongen is de arbeiders te voeden in plaats van door hen gevoed te worden, heeft geen toekomst. (…) Als het kapitaal werk te geven had, wees maar niet bang, dan kregen we dit meer dan ons lief was. (…) Vraag niet om werk; vecht éénvoudig voor voedsel, kleding, onderdak! Verenig je stem met andere! Daar zijn de stempellokalen, daar zijn de straten en daar zijn ook de fabriekspoorten!” (Living Marxisme, USA)

 

La bourgeoisie essaie bien sûr de se servir de ce "malaise social" pour démoraliser la classe ouvrière : elle veut nous faire croire que le désespoir et la concurrence font partie de la "nature humaine" et que la classe ouvrière ne peut qu'accepter cette situation comme une fatalité. Les révolutionnaires, quant à eux, doivent mettre en avant que c'est la barbarie du capitalisme qui est responsable de la misère et la spirale suicidaire. Les conditions d'exploitation et la concurrence que connaît aujourd'hui le prolétariat dans le monde n'ont pas comme seule perspective le désespoir individuel, les suicides ou les dépressions. Car la dégradation vertigineuse des conditions de vie des prolétaires porte avec elle la révolte collective et le développement de la solidarité au sein de la classe exploitée. L'avenir n'est pas à la concurrence entre les travailleurs mais à leur union grandissante contre la misère et l'exploitation. L'avenir est à des luttes ouvrières de plus en plus ouvertes, massives et solidaires.

 

 In het kielzog van Marx herhalen we echter dat de realiteit van de kapitalistische crisis en de armoedespiraal meer onthuld dan enkel de armoede: “Zoals de economen de wetenschappelijke vertegenwoordigers van de bourgeoisklasse zijn, zo zijn de socialisten en communisten de theoretici van de proletarische klasse. Zolang het proletariaat nog niet voldoende ontwikkeld is om werkelijk een klasse te vormen en daardoor de strijd met de bourgeoisie nog geen politiek karakter draagt, zolang de productiekrachten in de schoot van de bourgeoisie zelf nog niet genoeg ontwikkeld zijn om de materiële voorwaarden vaag zichtbaar te laten worden die nodig zijn voor de bevrijding van het proletariaat en het vormen van een nieuwe maatschappij, zolang zijn deze theoretici slechts utopisten die, om aan de behoeften van de onderdrukte klasse tegemoet te komen, stelsels bedenken en op zoek zijn naar een regenererende wetenschap.

 

Maar naarmate de geschiedenis voortschrijdt en zich tegelijk de strijd van het proletariaat scherper aftekent, hoeven ze de wetenschap niet meer in hun eigen hoofd te zoeken. Ze hoeven zich alleen maar rekenschap te geven van wat zich voor hun eigen ogen afspeelt om zichzelf tot orgaan daarvan te maken. Zolang ze wetenschap zoeken en alleen stelsels creëren, zolang ze aan het begin van de strijd staan, zien ze in de armoede alleen maar armoede, zonder de revolutionaire, tot een omwenteling leidende kant daarin te ontwaren die de oude maatschappij omver zal gooien. Vanaf dit ogenblik wordt de wetenschap een bewust product van de historische beweging en heeft ze opgehouden doctrinair te zijn. Ze is revolutionair geworden.” (Karl Marx, De armoede van de filosofie, Tweede hoofdstuk: De metafysica van de politieke economie)

 

Lac / 06.04.2010