Het kommunisme is geen mooi ideaal, maar staat op de dagorde van de geschiedenis - Samenvatting van Boek II, deel 1

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

De tweede Band van de serie focust op verdere preciseringen van dit programma afgeleid van de praktische ervaringen en de theoretische overdenkingen van de proletarische beweging tijdens de revolutionaire golf die waaide over de kapitalistische wereld gedurende de jaren na 1917. We delen de inhoud van deze reeks op in twee delen: het eerste onderzoekt de heldhaftige fase van de revolutionaire golf, wanneer het perspectief van een wereldrevolutie zeer reëel was en het kommunistisch programma heel concreet leek; het tweede zal gecentreerd zijn op de neergaande fase van de revolutionaire golf, en van de inspanningen van de revolutionaire minderheden om de ongenadige opmars van de contrarevolutie te begrijpen.

 

Het kommunisme: het begin van de werkelijke geschiedenis van de mensheid

 

Samenvatting van Boek II, deel 1: Het kommunisme is geen mooi ideaal, maar staat op de dagorde van de geschiedenis

 

 

Het tweede Boek van de serie focust op verdere preciseringen van dit programma afgeleid van de praktische ervaringen en de theoretische overdenkingen van de proletarische beweging tijdens de revolutionaire golf die waaide over de kapitalistische wereld gedurende de jaren na 1917. We delen de inhoud van deze reeks op in twee delen: het eerste onderzoekt de heldhaftige fase van de revolutionaire golf, wanneer het perspectief van een wereldrevolutie zeer reëel was en het kommunistisch programma heel concreet leek; het tweede zal gecentreerd zijn op de neergaande fase van de revolutionaire golf, en van de inspanningen van de revolutionaire minderheden om de ongenadige opmars van de contrarevolutie te begrijpen.

 

1. 1905: de massastaking opent de deur na de proletarische revolutie

(International Review nr.90) (er wordt steeds verwezen naar het nummer van het revue waarin het artikel oorspronkelijk in extenso gepubliceerd werd)

 

Het doel van de tweede Band van de serie over het kommunisme is om te tonen hoe het kommunistisch programma ontwikkeld werd doorheen de directe ervaring van de proletarische revolutie. Op de achtergrond speelde zich de nieuwe periode van oorlogen en revoluties af die ingeluid werd door de eerste imperialistische wereldoorlog, en nog specifieker, de opkomst en het verval van de eerste revolutionaire golf van de internationale arbeidersklasse tussen 1917 en het einde van de jaren 1920. Daarom veranderden we de hoofdtitel van deze reeks: het kommunisme was niet langer een voorspelling van wat er nodig zou zijn nadat het kapitalisme zijn progressieve taak had volbracht. Het was op de agenda van de geschiedenis geplaatst door de nieuwe voorwaarden van het kapitalisme in verval, een tijdperk waarin het kapitalisme niet alleen een hindernis zou worden voor verdere vooruitgang, maar een bedreiging werd voor het werkelijk overleven van de mensheid.

Desondanks begint deze Band in 1905, een overgangsmoment wanneer de nieuwe voorwaarden al konden ontwaard worden zonder dat ze al definitief werden - een periode van tweeslachtigheid die weerspiegeld werd in de dikwijls tweeslachtige perspectieven die door de revolutionairen zelf werden uitgestippeld.

Toch lichtte de plotse uitbarsting van de massastaking en de opstand in Rusland in 1905 een discussie op die al begonnen was in de rangen van de marxistische beweging, en die draaide om één zaak die wezenlijk te maken heeft met de zorg van deze reeks: hoe zou de arbeidersklasse eigenlijk aan de macht komen, wanneer het uur van de revolutie geslagen had. Dit was de werkelijke inhoud van het debat ontrent de massastaking, dat in het bijzonder leefde in de Duitse Sociaal Democratische Partij.

Dit was in wezen een strijd op drie vlakken: enerzijds, werd de strijd geleid door de revolutionaire linkerzijde rond figuren als Luxemburg en Pannekoek, eerst tegen de revisionistische stellingen van Bernstein en anderen die expliciet alle verwijzingen naar een revolutionaire omverwerping van het kapitalisme wilden laten vallen, en tegen de vakbondsbureaucratie die zich geen arbeidersstrijd kon indenken die niet strikt gecontroleerd werd door henzelf, en die wensten dat om het even welke algemene stakingsbeweging strikt beperkt zou worden in zijn eisen en zijn duur. Maar eens te meer zag het 'orthodoxe' centrum van de partij, ook al steunde ze woordelijk het idee van de massastaking, hem toch zagen als een beperkte tactiek die moest ondergeschikt worden een fundamentele parlementaire strategie. De linkerzijde echter, zag in de massastaking de aanwijzing dat het kapitalisme het eindpunt naderde van zijn bloeiperiode, en dus als voorbode van de revolutie. Hoewel dit wijdverspreid verworpen werd als 'anarchistisch' door alle conservatieve krachten in de partij, was de analyse die ontwikkeld werd door Luxemburg en Pannekoek geen samenraapsel van de oude anarchistische abstractie van de algemene staking, maar probeerde het de werkelijke kenmerken uit te zoeken van de massabeweging in dit nieuwe tijdperk:

 

• zijn tendens om spontaan op te duiken, om 'van onderuit' uit te barsten, dikwijls rond partiële en voorbijgaande zaken. Maar deze spontaniteit stond niet in tegenstelling tot organisatie; in tegendeel, in het nieuwe tijdperk, werd de organisatie van de strijd door de strijd zelf geschapen en deze werd als resultaat daarvan op een hoger peil gebracht;

• de tendens om zich snel te uit te breiden naar bredere en bredere lagen van de klasse, in wezen op geografische basis, en gegrondvest op het zoeken naar solidariteit;

• de interactie van de economische en politieke dimensie van de strijd, op weg naar en tijdens het stadium van de gewapende opstand;

• het belang van de partij in dit proces werd niet verminderd maar toegespitst. Haar taak lag niet meer in de technische organisatie van de strijd, maar juist haar wezenlijke rol van politiek leiderschap kwam nu op de voorgrond.

Terwijl Luxemburg de algemene kenmerken van de massastaking uittekende, werd het inzicht in de nieuwe organisaties van de strijd – de sovjets – breed uitgewerkt door de revolutionairen in Rusland. Trotsky en Lenin waren in staat om heel snel de betekenis te vatten van de sovjet als het organiserend instrument van de massastaking, als de flexibele vorm die de massa's in staat stelde om te debatteren, te beslissen en hun bewustzijn te ontwikkelen, en als het orgaan van de proletarische opstand en politieke macht. Tegen die 'superleninisten' in de Bolsjewistische partij wier eerste reactie er een was van de sovjets op te roepen om zich op te lossen in de partij, drong Lenin er op aan dat de partij, als de organisatie van de revolutionaire voorhoede, en de sovjet, als de organisatie voor de eenmaking van de klasse als geheel, geen rivalen waren maar elkaar perfect aanvulden. Hij bracht dus aan het licht dat de Bolsjewistische opvatting van de partij een werkelijke breuk betekende met het oude sociaal-democratische begrip van de massapartij en was een organisch product van het nieuwe tijdperk van revolutionaire strijd.

De gebeurtenissen van 1905 deden ook scherpe debatten oprijzen ontrent de perspectieven voor de revolutie in Rusland. Dit was een debat dat zich afspeelde op drie vlakken:

De Mensjewieken beweerden dat Rusland gedoemd was om de fase van de burgerlijke revolutie door te maken, en dat het daarom de belangrijkste taak van de arbeidersbeweging was de liberale bourgeoisie te steunen in haar strijd tegen de tsaristische autocratie. De antirevolutionaire inhoud van deze theorie werd volop onthuld in 1917;

Lenin en de Bolsjewieken begrepen dat de liberale bourgeoisie in Rusland te zwak was om de strijd tegen het tsarisme te leiden. De taak van de burgerlijke revolutie moest uitgevoerd worden door een 'democratische dictatuur', geïnstalleerd door de volksopstand waarbij de arbeidersklasse de leidende rol moest spelen;

Trotsky, die zichzelf baseerde op het begrip dat Marx had ontwikkeld in 1848, 'de revolutie in haar bestendigheid', redeneerde eerst en vooral vanuit het internationale gezichtspunt: hij argumenteerde dat de revolutie in Rusland waarschijnlijk de arbeidersklasse naar de macht zou stuwen, en dat de beweging snel kon overslaan naar een socialistische fase door zich te verbinden met de revolutie in West-Europa. Deze benadering was een schakel tussen de geschriften van de rijpere Marx over Rusland en de concrete ervaring van de revolutie van 1917; en het werd voor het grootste deel overgenomen door Lenin in 1917 wanneer hij het begrip 'democratische dictatuur' uitdiepte, alweer in oppositie tegen de 'orthodoxe' Bolsjewieken.

Ondertussen versterkte de nederlaag van 1905 in de Duitse SPD de argumenten van Kautsky en anderen die beweerden dat de massastaking enkel kon gezien worden als een defensieve tactiek, en dat de beste strategie voor de arbeidersklasse er een was van graduele, wezenlijk wettelijke 'uitputtingsoorlog' was, met het parlement en de verkiezingen als de sleutelinstrumenten voor de overdracht van de macht aan het proletariaat. Het antwoord van de linkerzijde zat vervat in het werk van Pannekoek, die argumenteerde dat het proletariaat nieuwe strijdorganen aan het ontwikkelen was die overeenstemden met het nieuwe tijdperk van het kapitaal; en tegen het begrip van de 'uitputtingsoorlog' herbevestigde hij het marxistische begrip dat de revolutie niet de verovering van de staat beoogt maar zijn vernietiging en zijn vervanging door nieuwe organen van de politieke macht.

 

2. Lenin's Staat en Revolutie: een markante bekrachtiging van het marxisme

 

(International Review nr.91)

 

Volgens de filosofen van het burgerlijk empirisme, is het Marxisme slechts een schijnwetenschap, aangezien het geen mogelijkheid biedt voor het vervalsen van zijn hypothesen. In feite kan de aanspraak van het Marxisme op het gebruik van de wetenschappelijke methode niet uitgetest worden binnen de muren van een laboratorium, maar enkel in het ruimere laboratorium van de sociale geschiedenis. En de onheilspellende gebeurtenissen van 1914 bewezen een markante bevestiging te zijn van het basisperspectief dat was uitgestippeld in het 'Kommunistisch Manifest' van 1848 – dat het algemene perspectief schetste van socialisme of barbarij - en door Engels' buitengewoon accurate voorspelling van een vernietigende Europese oorlog, gepubliceerd in 1887. En op dezelfde manier bevestigden de stormen van 1917-19 de andere zijde van de voorspelling: de capaciteit van de arbeidersklasse om een alternatief te bieden aan het barbarendom van het kapitalisme in verval.

Deze bewegingen stelden het probleem van de dictatuur van het proletariaat op een dwingend praktische wijze. Maar voor de arbeidersbeweging kan er geen strikte scheiding bestaan tussen theorie en praktijk. Lenin's ‘Staat en Revolutie’, geschreven tijdens de cruciale periode tussen Februari en Oktober 1917 in Rusland, beantwoordde aan de noodzaak voor het proletariaat om een helder theoretisch begrip uit te werken van zijn beweging in de praktijk. Dit was speciaal nodig omdat het overheersende opportunisme in de partijen van de 2e Internationale de vloer had aangeveegd met het begrip van proletarische dictatuur, en deze meer en meer vervangen had door een vertheoretisering van een geleidelijke parlementaire weg naar de arbeidersmacht. Tegen de reformistische verdraaiingen – en ook tegen de valse antwoorden op het probleem die voorgesteld werden door het anarchisme – zette Lenin zich in voor het herstel van de fundamentele leer van het Marxisme ontrent het probleem van de staat en de overgangsperiode naar het kommunisme.

Lenin's eerste taak was bijgevolg het afbreken van het begrip van de staat als een neutraal instrument dat goedschiks of kwaadschiks zou kunnen gebruikt worden door diegenen die hem in hanteerden. Het was een elementaire noodzaak om het Marxistische oogpunt te herbevestigen dat de staat alleen een instrument is voor de onderdrukking van de ene klasse door de andere – een realiteit die niet alleen was verdoezeld door de gebruikelijke argumenten van Kautsky en zijn apologeten, maar meer concreet in Rusland zelf, door de Mensjewieken en haar bondgenoten die grote woordenkramerij gebruikten over 'revolutionaire democratie' als een vijgenblad voor de Voorlopige Regering die aan de macht kwam na de Februariopstand.

Aangezien het een orgaan is dat aangepast is aan de klassenheerschappij van de bourgeoisie, kon de bestaande burgerlijke staat niet 'omgevormd' worden in het belang van het proletariaat Lenin hertekende de ontwikkeling van het Marxistische gezichtspunt van het 'Kommunistisch Manifest' tot op heden en toonde aan hoe de opeenvolgende ervaringen van de proletarische strijd – de revoluties van 1848 en vooral de Commune van Parijs van 1871 – voor de arbeidersklasse de noodzaak hadden opgehelderd om de bestaande staat te vernietigen en te vervangen door een nieuw soort van politieke macht. Deze macht zou gebaseerd zijn op een reeks van wezenlijke maatregelen die de werkende klasse zouden veroorloven om haar politiek gezag te handhaven over alle instellingen tijdens de overgangsperiode: de ontbinding van het staande leger en de algemene bewapening van de arbeiders; verkiezing en herroepbaarheid van alle openbare ambtenaren, die hetzelfde loon zouden krijgen als de gemiddelde arbeider; versmelting van de uitvoerende en wetgevende macht in één enkel lichaam.

Dit waren de beginselen van de nieuwe Sovjetmacht waarvoor Lenin opkwam in oppositie tegen het burgerlijke regime van de Voorlopige Regering. De noodzaak om van theorie naar actie over te gaan in September-Oktober 1917 verhinderde Lenin om verder uit te diepen in welke mate de sovjets een hogere vorm van proletarische dictatuur vormden dan de Commune van Parijs. Maar ‘Staat en Revolutie’ had de aanzienlijke verdienste om bepaalde dubbelzinnigheden te overstijgen die vervat zaten in de geschriften van Marx en Engels. Die hadden gespeculeerd dat de werkende klasse eventueel vreedzaam aan de macht zou kunnen komen in sommige van de meer democratische landen, als Groot-Brittannië, Nederland of de VS. Lenin maakte duidelijk dat onder de voorwaarden van het nieuwe tijdperk van het imperialisme, waarbij een militaristische staat zich overal hulde in een despotische macht, er geen plaats zou zijn voor uitzonderingen. Zowel in de 'democratische' landen als dusdanig als in de autoritaire regimes, was het proletarische programma hetzelfde: vernietiging van het bestaande staatsapparaat en de vorming van een 'Communestaat'.

Tegen het anarchisme in erkende ‘Staat en Revolutie’ dat de staat als dusdanig niet van de ene op de andere dag kan afgeschaft worden. Na het omverwerpen van de burgerlijke staat, zullen de klassen blijven bestaan en daaronder de werkelijkheid van de materiële schaarste. Deze objectieve voorwaarden maken een half-staat van de overgangsperiode noodzakelijk. Maar Lenin maakte het duidelijk dat het doel van het proletariaat niet het voortdurend versterken van de staat is, maar de geleidelijke vermindering van zijn rol in het sociale leven om uiteindelijk helemaal op te verdwijnen. Dit vereiste een voortdurende deelname van de arbeidende massa's in het politieke leven en hun waakzame controle over alle staatsfuncties. Tezelfdertijd, vereiste het een economische omvorming in kommunistische richting: hierbij maakt Lenin gebruik van de aanwijzingen die vervat zaten in Marx' `Kritiek op het Programma van Gotha’, dat stond voor een systeem van arbeidsbonnen als een tijdelijk alternatief voor de loonarbeid.

Lenin schreef dit werk aan de dageraad van een reusachtige revolutionaire ervaring. Het was voor hem onmogelijk meer te doen dan de algemene parameters uit te zetten van de problemen van de overgangsperiode. ‘Staat en Revolutie’ bevat dus onvermijdelijk leemtes en onvolkomenheden die aanzienlijk zouden opgehelderd worden doorheen de ervaring van de volgende jaren van overwinningen en nederlagen:

• in zijn beschrijving van de economische maatregelen die leiden tot kommunisme, is er een ernstige verwarring ontrent e mogelijkheid voor het proletariaat om simpelweg het economische apparaat van de staat over te nemen eens dat het zijn gelaagde vorm had bereikt. Dit gebrek aan inzicht over de gevaren die vertegenwoordigd werden door het staatskapitalisme werd versterkt door de verkeerde idee van 'socialisme' als een tussenliggende productiewijze tussen het kapitalisme en kommunisme. Tezelfdertijd is er een gebrek aan nadruk op het feit dat de overgangsperiode naar het kommunisme enkel kan aangevat worden op internationale schaal;

• het boek zegt heel weinig over de verhouding tussen partij en de nieuwe staatsmachine en liet ruimte voor verwarringen van parlementaire aard over de machtsovername door de partij en verwarring ervan met de staat;

• Er is een tendens om de armslag van het staatsapparaat te onderschatten, door het wezenlijk te herleiden tot een 'lichaam van gewapende mannen', eerder dan volledig de visie van Engels te assimileren dat de staat een uitvloeisel is van de klassenmaatschappij en – aangezien het een repressieorgaan bij uitstek blijft - het tot taak heeft de maatschappij bijeen te houden, een taak die de conservatieve aard van de staat benadrukt, zelfs die van de half-staat in de overgangsperiode. Eens te meer was het de ervaring die Engels' argument diepgaander zou bevestigen, doordat het gevaar aangetoond werd van een nieuwe staat die het brandpunt zou worden voor de bureaucratisering en de eventuele burgerlijke contrarevolutie.

Maar zelfs dan bevat ‘Staat en Revolutie’ veel inzichten ontrent de negatieve zijde van de staat. Door te erkennen dat de nieuwe staat een toestand van materiële schaarste zou moeten beheren en dus van het 'burgerlijk recht' van de verdeling van de sociale welvaart, verwees Lenin naar de nieuwe staat als 'burgerlijk zonder de bourgeoisie', een uitdagende zinsnede, die hoewel ze niet volkomen nauwkeurig was, toch een glimp bevat van de mogelijke gevaren die konden voortspruiten uit de overgangsstaat.

 

3. 1918: Het programma van de Kommunistische Partij van Duitsland

 

(International Review nr.93)

 

Het uitbreken van de revolutie in Duitsland in 1918 was de bevestiging van het perspectief dat de Bolsjewieken naar de Oktoberopstand had geleid: het perspectief van de wereldrevolutie. Gezien de historische tradities van de Duitse arbeidersklasse en Duitslands plaats als een centrum van het wereldkapitalisme, was de Duitse revolutie de sleutel tot het revolutionair proces over de hele wereld. Het was de hefboom om de wereldoorlog tot een einde te brengen en bood hoop aan de belegerde proletarische macht in Rusland. Evenzeer was het haar definitieve nederlaag die in de daaropvolgend jaren het lot zou bezegelen van de revolutie in Rusland, die zwichtte voor een verschrikkelijke interne contrarevolutie; en terwijl de overwinning van de revolutie de deur zou geopend hebben naar een nieuwe hogere stap van de menselijke maatschappij, ontketende haar nederlaag een eeuw van barbarij die de mensheid voordien nog nooit had meegemaakt.

In December 1918 – één maand na de Novemberopstand en twee weken voor de tragische nederlaag van de Berlijnse opstand waarin Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht hun leven verloren – hield de Kommunistische Partij van Duitsland (KPD) zijn stichtingscongres. Het nieuwe partijprogramma (ook gekend als 'Wat wil Spartacus?’) werd ingeleid door Rosa Luxemburg zelf, die het programma in zin historische context plaatste. Hoewel het zijn inspiratie putte uit het ‘Kommunistisch Manifest’ van 1848, moest het nieuwe programma op een heel verschillende leest geschoeid worden. Dat was ook het geval geweest voor het programma van Erfurt van de Duitse Sociaal-democratie, met zijn scheiding tussen minimum- en maximumeisen, dat geschikt was voor en periode waarin de proletarische revolutie nog niet op de onmiddellijke agenda stond. De wereldoorlog had voor de mensheid een nieuwe periode ingeluid – het tijdperk van het verval van het kapitalisme, het tijdperk van de proletarische revolutie – en het nieuwe programma moest dus de directe strijd voor de proletarische dictatuur en de opbouw van het socialisme samenvatten. Het vereiste niet alleen een breuk met het formele programma van de sociaal-democratie, maar ook met de reformistische illusies die de partij zo diep hadden aangetast in het laatste gedeelte van de 19e en het begin van de 20e eeuw – illusies in een graduele en parlementaire verovering van de macht die zelfs een dergelijk heldere revolutionair als Engels zelf hadden aangetast.

Maar beweren dat de proletarische revolutie op de agenda van de geschiedenis stond hield niet in dat het proletariaat onmiddellijk in staat was om dat uit te voeren. Inderdaad de gebeurtenissen van de Novemberrevolutie (van 1918) hadden bewezen dat de Duitse arbeidersklasse nog een lange weg had af te leggen om het dode gewicht van het verleden van zich af te schudden, zoals duidelijk tot uiting kwam bij de buitensporige invloed van de sociaal-democratische verraders in de arbeidersraden. Luxemburg drong er op aan dat de Duitse arbeidersklasse zichzelf moest opvoeden via een proces van strijdervaringen, zowel economisch als politiek, defensief en offensief, die haar kon voorzien van het vertrouwen en het besef dat ze nodig had om de maatschappij totaal te veranderen. Het was een van de grote tragedies van de Duitse revolutie dat de bourgeoisie er in slaagde het proletariaat uit te dagen tot een voortijdige opstand die het hele proces zou kortsluiten en haar beroven van haar meest vooruitziende politieke leiders.

Het document van de KPD begint met het bevestigen van zijn algemene doelstellingen en beginselen. Het maakt geen punt van over opnieuw erkennen van de noodzaak voor een gewelddadige onderdrukking van de burgerlijke macht, terwijl het de idee verwerpt als zou het proletarische geweld en nieuwe vorm van terreur zijn. Het stipt aan dat het socialisme een kwalitatieve stap vooruit is in de ontwikkeling van de menselijke maatschappij en dat het onmogelijk is om een reeks van decreten af te kondigen van bovenaf; dit zou enkel de vrucht kunnen zijn van het creatieve en collectieve werk van onnoemelijke miljoenen van proletariërs.

Tezelfdertijd is dit document een werkelijk programma in de zin dat het een reeks praktische maatregelen voorstelt met het doel de heerschappij van de arbeidersklasse te vestigen en de eerste stappen te nemen naar de socialisatie van de productie, bijvoorbeeld:

• de ontwapening van de politie en de legerofficieren, het in beslag nemen van alle wapens en munitie door de arbeidersraden, en de vorming van een arbeidersmilitie;

• de ontbinding van de commandostructuur van het leger en de veralgemening van de soldatenraden;

• de invoering van revolutionaire rechtbanken:

• het oprichten van een centraal congres van arbeiders- en soldatenraden over het gehele land, en de gelijktijdige ontbinding van de oude gemeenteraden en de parlementen;

• vermindering van de werkdag tot zes uur;

• inbeslagneming van alle middelen om de bevolking te voeden, te huisvesten en te kleden;

• onteigening van alle landgoederen, banken, mijnen en de grote industriebedrijven en handelsondernemingen;

• de oprichting van bedrijfsraden om de wezenlijke taken te vervullen van het beheer van de fabrieken en andere arbeidsplaatsen.

De meerderheid van de maatregelen aangekondigd door het KPD-programma blijft tot op heden geldig, en hoewel het uiteraard opgemaakt is als een document bij het begin van een immense revolutionaire ervaring, toch kon het niet op alle punten helder zijn. Het spreekt dus over de nationalisatie van de economie als een stap voorwaarts en kon niet weten hoe gemakkelijk deze vorm kon gecoöpteerd worden door het kapitaal. Hoewel het elke vorm van putchisme verwerpt, behoudt het toch het begrip dat de partij zichzelf voorstelt als kandidaat voor de politieke macht. Het blijft erg vaag over de internationale taken van de revolutie. Maar dit zijn zwakheden die overstegen hadden kunnen worden als de Duitse revolutie niet in de kiem gesmoord was voor ze werkelijk had kunnen opbloeien.

 

4. Het Platform van de Kommunistische Internationale

(International Review nr.94)

 

Het platform van de Kommunistische Internationale werd opgesteld tijdens het Eerste Congres van de KI in 1919, slechts een paar maand na de tragische afloop van de Berlijnse opstand. Maar de internationale revolutionaire golf was nog steeds op haar hoogste punt: op het moment zelf dat de KI haar congres hield, kwam het nieuws binnen van het uitroepen van de Radenrepubliek in Hongarije. De helderheid van de politieke standpunten die aangenomen werden op het Eerste Congres van de KI weerspiegelden de opgaande beweging van de klasse, net zoals de KI's afglijden naar het opportunisme verband hield met de neergaande fase van de beweging.

Boekarin gaf de inleiding bij het voorstel tot platform, en zijn aanmerkingen werden op hun beurt versterkt door de aan zienlijke theoretische vooruitgang die de revolutionairen aan het maken waren in deze periode. Boekarin drong er op aan dat het beginpunt van het platform het erkennen zou bevatten van het failliet van het kapitalistische systeem op globaal vlak. Vanaf het begin begreep de KI dat de 'globalisering' van het kapitaal al een uitgekomen werkelijkheid was, en inderdaad een fundamentele factor was in het verval en de ineenstorting van het systeem.

Boekarins toespraak haalt ook een kenmerk van het Eerste Congres naar voor – zijn openheid ten overstaan van nieuwe ontwikkelingen die doorgebroken waren bij de dageraad van het tijdperk dat werd ingeluid door de oorlog. Het erkent dus dat, tenminste in Duitsland, de bestaande vakbonden geen enkele positieve rol meer te spelen hebben en vervangen worden door nieuw klasse-organen die voortgebracht worden door de massabeweging, in het bijzonder de fabriekscomités. Dit contrasteert met latere congressen waarbij de deelname aan de officiële vakbewegingen verplicht werd voor alle partijen van de Internationale. Maar het komt overeen met de inzichten in het vraagstuk van het staatskapitalisme die vervat zitten in het platform, aangezien de integratie van de vakbonden in het kapitalistische systeem juist een functie was van het staatskapitalisme, zoals Boekarin elders zou argumenteren.

Het platform zelf is een kort overzicht van het nieuwe tijdperk en de taken van het proletariaat. Het zoekt geen gedetailleerd programma met maatregelen voor de proletarische revolutie te geven. Eens te meer bevestigt het heel duidelijk dat er met de wereldoorlog een nieuw tijdperk is ontstaan. Het tijdperk van de neergang van het kapitalisme, zijn interne desintegratie, het tijdperk van de proletarische kommunistische revolutie. Het dringt aan op het feit dat de machtsovername van het proletariaat het enige alternatief is tegenover de kapitalistische barbarij, het roept op tot de revolutionaire vernietiging van al de instellingen van de burgerlijke staat (parlementen, politie, rechtbanken, enz.) en hun vervanging door organen van de proletarische macht, gegrondvest op de gewapende macht van de arbeidersraden; het legt de holheid bloot van de burgerlijke democratie en vaardigt uit dat alleen het radensysteem de massa's in staat stelt om werkelijke autoriteit uit te stralen; en het voorziet in grote krachtlijnen voor de onteigening van de bourgeoisie en de socialisatie van de productie. Dit houdt in de onmiddellijke socialisatie van de hoofdcentra van de kapitalistische industrie en landbouw, de graduele integratie vaan kleine producenten in de gesocialiseerde sector, en radicale maatregelen gericht op het vervangen van de markt door gelijkwaardige distributie van de producten.

In de strijd voor de overwinning, dringt het platform aan op de noodzaak voor een complete breuk met de rechtervleugel van de Sociaal-democraten, "regelrechte lakeien van het kapitaal en beulen van de kommunistische revolutie" maar ook van het Kautskistische centrum. Dit standpunt – diametraal tegengesteld aan de politiek van de Frontvorming die slechts twee jaar later al zou worden aangenomen – had niets te maken met sektarisme, aangezien het gepaard ging met een oproep tot eenheid van de echte proletarische krachten, zoals de elementen in de anarcho-syndicalistische beweging. Geconfronteerd met het verenigd front van de kapitalistische contrarevolutie, dat Luxemburg en Liebknecht al van het leven had beroofd, roept het platform op tot de ontwikkeling van massastrijd in alle landen, die moest leiden tot een directe confrontatie met de burgerlijke staat.

 

5. 1919: Het programma van de dictatuur van het proletariaat

(International Review nr.95)

 

Het bestaan van een aantal verschillende nationale programma's, zowel als het platform van de Kommunistische Internationale, getuigt van het voortbestaan van een zeker federalisme, zelfs in de nieuwe Internationale die streefde naar het overstijgen van de nationale autonomie, die had bijgedragen tot de neergang van de oude. Maar het programma van de Russische partij, dat was opgesteld op haar 9e Congres in 1919, is van bijzonder belang: terwijl het programma van de KPD een product was van een partij die geconfronteerd was met de taak om de arbeidersklasse naar een in de lucht hangende revolutie te leiden, was het nieuwe programma van de Bolsjewistische partij een stellingname over de doelen en methodes van de eerste radenmacht, van een werkelijke proletarische dictatuur. Het ging dus vergezeld op het meer concrete vlak van een reeks decreten die uitdrukkingen waren van de politiek van de Sovjetrepubliek over verschillende bijzondere kwesties, ook al waren vele van deze decreten, zoals Trotsky toegaf, meer stellingnames van propagandistische aard dan van onmiddellijk realiseerbare politiek.

Zoals het platform van de KI, begint het programma met het bevestigen van de aanvang van de het nieuwe tijdperk van de kapitalistische neergang en de noodzaak voor de proletarische wereldrevolutie. Het stelt eveneens de noodzaak voor een complete breuk met de officiële sociaal-democratische partijen.

Het programma is dan in de volgende secties opgedeeld:

Algemene politiek: De superioriteit van het radensysteem over de burgerlijke democratie wordt aangetoond door diens capaciteit om de immense meerderheid van de uitgebuitenen en onderdrukten te betrekken bij het beheer van de staat. Het programma stipt aan dat de arbeidersraden, doordat zij georganiseerd zijn op basis van de arbeidsplaats eerder dan woonplaats, een directe uitdrukking zijn van het proletariaat als klasse; terwijl de noodzaak voor het proletariaat om het revolutionaire proces te leiden weerspiegeld wordt in het onevenredig gewicht dat toegekend wordt aan de stedelijke raden over de landelijke. Er staat geen theoretisering in ontrent het idee van het overwicht van de partij die de macht uitoefent via de raden. In feite was de overwegende bezorgdheid van het programma, geschreven tijdens de ontberingen van de burgeroorlog, de middelen te vinden om een tegengewicht te bieden aan de groeiende druk van de bureaucratie binnen het nieuwe staatsapparaat, doordat een toenemend aantal arbeiders betrokken werd bij de taken van het beheer van de staat. Onder de verschrikkelijke voorwaarden die het Russische proletariaat het hoofd moest bieden, bleken deze maatregelen onaangepast, want ze neigden er toe de militante arbeiders eerder om te vormen tot staatsbureaucraten dan dat de wil van de militante arbeidersklasse de bureaucratie werd opgedrongen. Desondanks brengt deze sectie een vroeg besef aan het licht van de gevaren die voortkwamen uit de staatsmachinerie.

Het nationaliteitenprobleem: Vertrekkend vanuit een correct startpunt – de noodzaak om de nationale verdelingen binnen het proletariaat en de onderdrukte massa's te overstijgen en een gemeenschappelijke strijd tegen het kapitaal te ontwikkelen – laat het programma hier een van zijn zwakkere kanten zien door het idee van het nationaal zelfbeschikkingsrecht aan te nemen.

Militaire zaken: de noodzaak erkennend van een Rood Leger om het nieuwe Sovjetregime te verdedigen in een toestand van burgeroorlog, stelt het programma een aantal maatregelen voor die er op gericht zijn om te waarborgen dat het nieuwe leger werkelijk een instrument zou blijven van het proletariaat: de rangen moeten opgevuld worden door het proletariaat en het half-proletariaat; zijn trainingsmethodes moeten doortrokken zijn van de socialistische beginselen; politieke commissarissen, aangewezen onder de beste kommunisten, moeten naast de militaire staf werken om te verzekeren dat de voormalige tsaristische militaire experts zich helemaal zouden inzetten voor de belangen van de Sovjetmacht; tezelfdertijd zouden er meer en meer officieren gerekruteerd worden uit de rangen van de klassebewuste arbeiders. Maar de praktijk van de verkiezing van de officieren, die een eis geweest was van de oorspronkelijke soldatenraden, werd niet beschouwd als een principe en er vond een debat plaats op het 9e Congres, dat werd geanimeerd door de groep 'Democratisch Centralisme', over de noodzaak van het vasthouden aan de beginselen van de Commune zelfs in het leger, en zich verzette tegen de tendens binnen het leger om terug te keren naar de oude hiërarchische methodes van organisatie. Een andere zwakte, en misschien wel de belangrijkste, was dat de vorming van het Rode leger gepaard ging met het ontbinden van de Rode Gardes, waardoor de arbeidersraden beroofd werden van hun specifieke gewapende macht ten gunste van een soort staatsorgaan dat veel minder open stond voor de noden van de klassenstrijd.

Proletarische Rechtspraak: De burgerlijke rechtbanken werden vervangen door volksrechtbanken waarbij de rechters gekozen werden onder de arbeidersklasse; de doodstraf werd afgeschaft en het rechtssysteem werd bevrijd van elke houding van wraak. In de brutaliserende voorwaarden van de burgeroorlog echter, werd de doodstraf vlug hersteld en de revolutionaire tribunalen, die werden opgericht om op te treden bij de noodtoestand, begingen dikwijls misbruiken, en dan zwijgen we nog van de Speciale Commissies tegen de Contrarevolutie, de Tsjeka, die steeds meer ontglipte aan de controle van de Sovjets.

Opvoeding: Gezien het verschrikkelijke gewicht van de Russische achterstand, mikten vele hervormingen van de Sovjetstaat eenvoudigweg op laten aansluiten van de USSR bij de meer verlichte opvoedingspraktijken die al in zwang waren in de burgerlijke democratieën (zoals een vrije en gemengde opvoeding voor alle kinderen tot de leeftijd van 17). Tezelfdertijd was er echter ook een lange termijn doelstelling om de school om te vormen van een orgaan van burgerlijke indoctrinatie tot een instrument voor de kommunistische omvorming van de maatschappij. Dit zou vereisen dat de dwang- en hiërarchische methodes overstegen werden, dat de strikte scheiding tussen hand- en hoofdarbeid werd opgeruimd, en in het algemeen de opvoeding van de nieuwe generaties in een wereld waarin leren en werken eerder een plezier zouden worden dan een vloek.

Godsdienst: Terwijl men vasthield aan de noodzaak voor de Sovjetmacht om een verstandige en gevoelige propaganda te voeren om de archaïsche godsdienstige vooroordelen van de massa's te bestrijden, verwierp men compleet elke poging om de godsdienst dwangmatig af te schaffen, dat zoals het experiment van het Stalinisme zou bewezen, enkel tot gevolg had dat het de greep van de godsdienst nog versterkte.

Economische Zaken: Erkennend dat het kommunisme alleen kon gevestigd worden op wereldschaal, zette het programma de algemene krachtlijnen uit voor een proletarisch economische politiek in het gebied dat onder zijn controle viel: onteigening van de oude heersende klasse, centralisatie van de productiekrachten onder controle van de sovjets; mobilisatie van alle beschikbare arbeidskracht, gebruik makend van een nieuwe arbeidsdiscipline gegrondvest op de beginselen van de klassensolidariteit; de geleidelijke integratie van de zelfstandige producenten in de collectieve productie. Het programma erkent ook de noodzaak voor de arbeidersklasse om haar collectieve beheer uit te oefenen over het productieproces; maar het ziet als instrument het dit te bereiken niet de arbeidersraden en de fabriekscomités, (die zelfs niet ter sprake komen in het programma), maar de vakbonden die door hun aard er toe geneigd zijn om de collectieve controle over de productie van de arbeidersklasse af te nemen en in de handen van de staat te geven. Het meest cruciaal van allemaal waren de verschrikkelijke omstandigheden van de burgeroorlog, die er toe neigden de klasse te versplinteren en zelfs de proletarische massa's uit de steden te declasseren, en het voor de arbeidersklasse steeds moeilijke maakten om niet alleen de fabrieken onder controle te houden maar de staat zelf.

Op het gebied van de landbouw werd erkend dat de productie gebaseerd op kleine boerenbedrijven niet overhaast kon gecollectiviseerd worden, maar dat dit een langere periode zou vereisen van integratie in de gesocialiseerde sector; ondertussen zou de Sovjetmacht de klassenstrijd aanmoedigen op het platteland door zijn belangrijkste steun te verlenen aan de arme boeren en het landelijke half-proletariaat.

Distributie: De Sovjetmacht stelde zichzelf de grandioze taak om de handel te vervangen door de gerichte distributie van goederen op basis van de noden, die moesten gecoördineerd worden via een netwerk van verbruikerscommunes. En inderdaad, tijdens de periode van de burgeroorlog stortte het oude muntsysteem min of meer in elkaar en werd vervangen door een systeem van opeising en rantsoenering. Maar dit was het product van de ijzingwekkendste schaarste en nood gaf geen beeld van de komst van nieuwe communistische sociale verhoudingen, hoewel het dikwijls als dusdanig werd getheoretiseerd. Werkelijke vergemeenschappelijking kan enkel gebaseerd zijn op de capaciteit van overvloedige productie, en dit kan nooit bereikt worden binnen een geïsoleerde proletarische macht.

Financiën: Deze overoptimistische evaluatie van het oorlogskommunisme werd weerspiegeld op andere gebieden, voornamelijk het idee dat het simpelweg versmelten van alle bestaande banken in een enkele staatsbank een stap voorwaarts zou zijn naar het verdwijnen van banken als dusdanig. Maar het geldsysteem verdween vrij vlug in de USSR, het ging voornamelijk ondergronds tijdens de periode van het oorlogskommunisme; en zodoende zullen vormen van geld en middelen om geld te bewaren blijven voortbestaan zolang als de ruilverhoudingen niet overstegen zijn door de schepping van en ééngemaakte menselijke gemeenschap.

Huisvesting en Openbare Gezondheid: De proletarische macht nam aanzienlijke initiatieven om de noden van daklozen en overbevolking te lenigen, voornamelijk door het onteigenen van de bourgeoisie, zijn meer vooruitziende schema's om nieuwe stedelijke woongebieden te bouwen werden geblokkeerd door de rampzalige omstandigheden van de periode na de opstand. Hetzelfde gold voor vele andere maatregelen die uitgevaardigd werden door de Sovjetmacht: verkorting van de arbeidsdag, uitkeringen voor invaliditeit en werkloosheid, drastische verbeteringen in de openbare gezondheid. Hier was het eveneens de onmiddellijke bedoeling om de USSR op het peil te brengen van de standaarden die al bereikt waren in de ontwikkelde bourgeoislanden; ook hier werd de nieuwe macht dikwijls gehinderd in het brengen van echte verbeteringen wegens de enorme afvoer van de inkomsten naar de oorlogsinspanningen.

 

6. 1920: Boekarin en de overgangsperiode

(International Review nr.96)

 

Boekarin schreef zowel het programma van de Russische partij, als een theoretische studie ontrent de problemen van de overgangsperiode. Hoewel het een werk is met veel zwakke plekken, bevatten bepaalde elementen ervan een ernstige bijdrage tot de marxistische theorie, terwijl een onderzoek naar zijn zwakheden ook een licht werpt op de problemen die hij probeerde te stellen.

Boekarin had deel uitgemaakt van de theoretische voorhoede van de Bolsjewistische partij tijdens de burgeroorlog. Zijn boek ‘Imperialisme en Oorlogseconomie’ stond op gelijke voet met Rosa Luxemburgs onderzoek naar de economische voorwaarden van de het nieuwe tijdperk van de kapitalistische neergang – ‘De accumulatie van het Kapitaal’. En Boekarins boek was één van de eerste die een licht wierp op het feit dat de aanvang van deze periode een nieuwe stap had ingeluid in de organisatie van het kapitaal – het stadium van het staatskapitalisme, dat hij eerst en vooral in verband bracht met de globale militaire strijd tussen de imperialistische natiestaten. In dit artikel 'Voor een theorie van de imperialistische staat' nam Boekarin een ver vooruitstrevend standpunt in ontrent het nationale vraagstuk (weer een visie die gelijkaardig was aan dat van Rosa Luxemburg over de onmogelijkheid van nationale bevrijding in het imperialistische tijdperk) en over het vraagstuk van de staat, kwam hij vlugger dan Lenin tot het standpunt dat deze verdedigde in ‘Staat en Revolutie’: namelijk de noodzaak tot vernietiging van het burgerlijk staatsapparaat.

Deze opvattingen werden verder ontwikkeld in zijn 'Economie van de Overgangsperiode', geschreven in 1920. Hier herinnert Boekarin aan het Marxistische standpunt van een onvermijdelijk, catastrofaal en gewelddadig einde van de kapitalistische klassenheerschappij, en dus van de noodzaak van een proletarische revolutie als de enige basis voor de opbouw van een hogere productiewijze. Tegelijkertijd spitte hij erg diep in de aard van het nieuwe tijdperk van het verval van het kapitalisme. Hij voorzag de toenemende tendens van het seniele kapitalisme het verspillen en vernielen van de geaccumuleerde productiekrachten, die vooral opgevoerd werden in de oorlogsproductie, ongeacht de kwantitatieve 'groei' die deze eventueel teweeg bracht. Hij toont ook aan hoe, onder de voorwaarden van het staatskapitalisme, de oude arbeiderspartijen en vakbonden 'genationaliseerd' worden, geïntegreerd in het monsterachtige waterhoofd van de machinerie van de kapitalistische staat.

In grote lijnen is Boekarins behandeling van het kommunistische alternatief tegenover het in verval rakende wereldsysteem perfect helder: een wereldwijde revolutie gegrondvest op de zelfwerkzaamheid van de arbeidersklasse via haar nieuwe strijdorganen, de sovjets, een revolutie gericht op de ontplooiing van de hele mensheid in een ééngemaakte wereldgemeenschap die in de plaats komt van de blinde wetten van de warenproductie gepaard gaand met de bewuste regeling van het sociale leven.

Maar de middelen en doelstellingen van de proletarische revolutie moeten concreet gesteld worden, en dit kan enkel het resultaat zijn van levende ervaring en overdenking van die ervaring. En hier komen we bij de zwakke zijde van het boek. Hoewel Boekarin in 1918 deel uitmaakte van de Linkskommunistische tendens binnen de Bolsjewistische partij, draaide het voor hem in de allereerste plaats om het vraagstuk van de vrede van Brest-Litovsk. In tegenstelling tot andere linkskommunisten, zoals Ossinski, was hij minder in staat om een kritische kijk te ontwikkelen op enkele van de vroege tekenen van bureaucratisering van de Sovjetstaat. In tegendeel, zijn boek is eerder een lofbetuiging voor de status-quo tijdens de periode van de burgeroorlog, aangezien het vooral een theoretische rechtvaardiging was voor de maatregelen van het 'oorlogskommunisme' als uitdrukking van een authentiek proces van kommunistische transformatie.

Dus kwam het er voor Boekarin op neer dat de schijnbare verdwijning van geld en lonen tijdens de burgeroorlog – een direct resultaat van de ineenstorting van de kapitalistische economie – al een teken was van het overstijgen van de uitbuiting en de opkomst van een vorm van kommunisme. Op gelijkaardige wijze werd het rampzalige leed dat werd opgedrongen aan het proletarische bastion in de USSR – een frontoorlog geleid gevoerd door het Rode Leger – niet alleen tot een 'norm' voor de periode van revolutionaire strijd, maar tevens het model voor de uitbreiding van de revolutie, die nu was omgevormd tot een episch strijdtoneel tussen kapitalistische en proletarische staten. Op dit punt was de 'linkse' Boekarin heel ver rechts van Lenin, die nooit vergat dat de uitbreiding van de revolutie vóór alles een politieke taak was en niet op de eerste plaats een militaire.

Eén van ironieën van Boekarins boek is dat, ook al had hij het staatskapitalisme geïdentificeerd als een universele vorm van de kapitalistische organisatie in het tijdperk van het verval van het kapitalisme, hij blind is voor het gevaar van het staatskapitalisme na de proletarische revolutie. Onder de 'proletarische staat', onder het systeem van 'proletarische nationalisaties', zou de uitbuiting onmogelijk worden. En in een moeite door, aangezien de nieuwe staat een organische uitdrukking is van het historische belangen van het proletariaat, is er alles te winnen bij een versmelting van alle organen van de arbeiders met het staatsapparaat, en zelfs bij het herstel van de meest hiërarchische praktijken in het beheer van het sociale en economische leven. Er is geen enkel besef van het feit dat de overgangsstaat, als uitdrukking van de nood aan het bijeen houden van een ongelijksoortige sociale formatie in de overgangsfase, een conservatieve rol zou kunnen spelen en er zelfs toe zou komen zich af te scheiden van de belangen van de arbeidersklasse.

In de periode na 1921, onderging Boekarin een snelle ontwikkeling van links naar rechts in de partij. Maar in feite stak er een continuïteit in deze evolutie: een tendens om zich aan te passen aan de status-quo. Als de ‘Economie van de Overgangsperiode’ een poging is tot het verklaren van het keiharde regime van het ‘oorlogskommunisme’ als het doel van het streven van het proletariaat, dan was het een paar jaar later geen grote stap meer om de Nieuwe Economische politiek, die de vrije teugel gaf aan de krachten van de vrije markt die voor het grootste gedeelte 'verplaatst' geweest waren in de vorige fase, al uit te roepen tot de aankomsthal van het socialisme. Boekarin was zelfs meer dan Stalin de theoreticus van het 'socialisme in één land' en de voorafspiegeling ervan zit al vervat in de absurde claims dat het geïsoleerde Russische bastion van 1918-20, toen het proletariaat gedecimeerd was door de burgeroorlog en in toenemende mate het mikpunt werd van de groei van de nieuwe bureaucratische leviathan, al een kommunistische maatschappij zou zijn.

 

7. 1920: Het programma van de KAPD

(International Review nr.97)

 

De isolering van de revolutie in de USSR zou een negatieve weerslag hebben op de politieke standpunten van de Kommunistische Internationale, die begon met het wegebben van de helderheid die was getoond op het eerste Congres, niet in het minst ten opzichte van de sociaal-democratische partijen. Voordien aangeklaagd als partijen van de bourgeoisie, begon de KI de tactiek te formuleren van het 'Eenheidsfront' met diezelfde partijen, gedeeltelijk in een poging om de steun te verbreden voor het toegetakelde Russische bastion. Tegen de opkomst van het opportunisme in de KI werd hevig verzet aangetekend door de Linkskommunisten in een aantal landen, maar in het bijzonder in Italië en Duitsland.

Eén van de vroege uitingen van de opkomst van het opportunisme in de KI is de brochure van Lenin 'Linkskommunisme een kinderziekte van het kommunisme', en deze tekst heeft gediend als de basis voor talloze verdraaiingen over de linkse kommunisten, en speciaal over de Duitse Linkerzijde in de vorm van de KAPD, die werd uitgesloten door de KPD in 1920. De KAPD werd beschuldigd van zich te buiten te gaan aan de 'sektarische' politiek van het vervangen van de werkelijke arbeidersvakbonden door kunstmatige 'revolutionaire Unionen'; het werd hen vooral verweten af te glijden naar het anarchisme bij de benadering van levensbelangrijke vraagstukken als het parlement en de rol van de partij.

Het is waar dat de KAPD, die een product was van de tragische en voortijdige breuk in de Duitse partij, nooit een homogene organisatie was. Het bevatte een aantal elementen die inderdaad beïnvloed waren door het anarchisme; en in de terugslag van de revolutie, gaf deze invloed gestalte aan radenistische ideeën die een grote weerslag hadden, in de Duitse kommunistische beweging. Maar een kort onderzoek van het programma van de KAPD toont ons dat de KAPD op zijn best een hoogtepunt vertegenwoordigde van Marxistische helderheid:

• in tegenstelling tot het anarchisme is het programma gelegen in de objectieve historische omstandigheden van het wereldkapitalisme: het nieuwe tijdperk van het verval van het kapitalisme dat aangebroken is met de wereldoorlog, en het stelt het alternatief van: socialisme of barbarendom;

• in tegenspraak met het anarchisme drukt het programma zonder reserve zijn solidariteit uit met de Russische revolutie en bevestigt het de noodzaak voor haar uitbreiding op wereldvlak, waarbij Duitsland speciaal geïdentificeerd wordt als de sleutel tot dit ganse perspectief;

• De Oppositie van de KAPD tegen het parlementarisme en de vakbonden is niet van de aard van een tijdloos moralisme of obsessie door de vorm, maar een begrijpen van de nieuwe voorwaarden die opgedrongen worden door de komst van het tijdperk van de proletarische revolutie, waarbij het parlement en de vakbonden voortaan enkel nog de klassenvijand zouden dienen;

• het is van toepassing voor de verdediging van de KAPD van fabrieksorganisaties en arbeidersraden. Deze waren geen kunstmatige vormen die een handvol revolutionaire gedroomd hadden maar de concrete organisatorische uitdrukkingen van de werkelijke beweging van de klasse in het nieuwe tijdperk. Zelfs al kon er geen volkomen helderheid bestaan ontrent de aard van de fabriekscomités (die door de KAPD nog gezien werden als een soort permanente voorloper van de raden, gebaseerd op een politiek minimumprogramma), dan waren ze toen allesbehalve een kunstmatig product, en groepeerden een aantal van de meest militante arbeiders in Duitsland;

• verre van een anti-partij te zijn, bevestigt het programma (dat vergezeld ging van stellingen over de rol van de partij in de revolutie) duidelijk de onmisbare rol van de partij als een kern van kommunistische onverzettelijkheid en helderheid binnen de algemene beweging van de klasse.

Op dezelfde manier verdedigt het programma zonder aarzelen de marxistische opvatting van de dictatuur van het proletariaat.

Bij de praktische maatregelen die het naar voren schuift staat het programma van de KAPD in continuïteit met het programma van de KPD, in het bijzonder voor wat betreft zijn oproep tot de ontbinding van alle parlementaire en gemeentelijke lichamen en hun vervanging door een gecentraliseerd raden systeem. Het programma van 1920 is echter duidelijker over de internationale taken van de revolutie, en roept op tot de onmiddellijke versmelting met andere radenrepublieken. Het gaat ook verder in op het probleem van de economische inhoud van de revolutie, het onderstreept de noodzaak om onmiddellijke stappen te ondernemen om de productie te richten op de noden (ook al kunnen we het oneens zijn met de stellingname van het programma dat de vorming van een 'socialistische economisch blok' met de USSR alleen een betekenisvolle stap zou zijn naar het kommunisme). Tenslotte brengt het programma 'nieuwe' discussiepunten aan die het programma van 1918 nog niet had aangepakt, zoals de proletarische benadering van kunst, wetenschap, opvoeding en jeugd, die aantonen dat de KAPD verre van een zuiver 'arbeideristische' stroming was en belangstelling had voor alle discussiepunten die gesteld worden bij de kommunistische omvorming van het sociale leven.

CDW

 

Eerder verschenen in International Revue nr. 125, 2e kwartaal 2006