Intern debat van de IKS: Oriëntatietekst over Marxisme en ethiek (Deel I) (juni 2004)

Printvriendelijke versieSend by email

Waarom stellen wij vandaag een tekst voor over ethiek? Sinds meer dan twee jaar voert de IKS een intern debat over het vraagstuk van de moraal en de proletarische ethiek vertrekkend van een oriënteringstekst waaruit wij hier grote uittreksels publiceren. Als wij het nodig vonden om een dergelijk theoretisch debat te openen dan is dat vooral omdat onze organisatie, tijdens haar crisis van 2001, in haar schoot het hoofd heeft moeten bieden aan bijzonder vernietigend gedrag dat totaal vreemd is aan de klasse die draagster is van het kommunisme. Dit gedrag kristalliseerde zich in de gangstermethodes die aangewend werden door enkele elementen die de zogenaamde 'interne fractie van de IKS' (FICCI)[1] zouden gaan oprichten: diefstal, chantage, leugens, zwartmakingscampagnes, verklikking, morele kwellingen en doodsbedreigingen van onze kameraden. Het is dus vanuit een concreet en uiterst ernstig probleem dat een bedreiging vormt voor het politiek proletarisch milieu, dat wij ons bewust zijn geworden van de noodzaak de organisatie te wapenen betreffende een vraagstuk dat de arbeidersbeweging van bij haar oorsprong altijd heeft bekommerd en bezig gehouden, namelijk dat van de proletarische moraal. Wij hebben altijd gesteld, en welbepaald in onze statuten, dat het vraagstuk van het gedrag van militanten een volkomen politiek vraagstuk is. Maar tot op heden is de IKS nog niet in staat geweest om op een diepgaande manier na te denken over dit vraagstuk en het te verbinden met dat van de moraal en de ethiek van het proletariaat. Om de oorsprong, het doel en de kenmerken van de ethiek van de arbeidersklasse te begrijpen, heeft de IKS zich moeten buigen over de evolutie van de moraal in de geschiedenis van de mensheid en zich weer de verworvenheden van het marxisme moeten eigen maken die gestoeld zijn op de vooruitgang van de menselijke beschaving, voornamelijk op het gebied van wetenschap en filosofie. Deze oriëntatietekst had geen afgewerkte theoretische uitwerking tot doel maar het uitstippelen van enkele gedachtegangen om de organisatie in staat te stellen een aantal fundamentele vraagstukken uit te diepen (zoals de oorsprong en de aard van de moraal in de geschiedenis van de mensheid, het verschil tussen de burgerlijke en de proletarische moraal, de ontaarding van de zeden en de ethiek in de periode van de ontbinding van het kapitalisme, enz.…). Gezien het intern debat nog niet is uitgeklaard, publiceren wij slechts de uittreksels van de oriëntatietekst die ons het meest toegankelijk lijken voor een niet ingewijde lezer. Daar het gaat om een interne tekst waarin de ideeën uiterst samengebald zijn en die zich beroept op theoretische begrippen die soms zeer complex zijn, zijn wij ons ervan bewust dat sommige passages de lezer moeilijk kunnen voorkomen. Toch zijn sommige aspecten van ons debat al tot rijping gekomen en hebben wij het nuttig geoordeeld om de uittreksels uit deze oriëntatietekst naar buiten te brengen opdat het overdenkingswerk van de IKS in de rest van de arbeidersklasse en het politiek proletarisch milieu zou kunnen op gang komen en verder gezet worden.

Oriëntatietekst

Van bij het begin heeft het vraagstuk van het politieke gedrag van de militanten, en dus van de proletarische moraal een centrale rol gespeeld in het leven van de IKS. In onze statuten (aangenomen in 1982) vindt men de levendige concretisering van dit vraagstuk terug. [1] Wij hebben altijd de nadruk gelegd op het feit dat de statuten geen lijst zijn van regels die bepalen wat toegestaan is en wat niet, maar dat ze een ijkpunt zijn voor ons gedrag, dat een samenhangend geheel vormt van morele waarden (voornamelijk wat betreft de verhoudingen van de militanten onderling en ten overstaan van de organisatie). Daarom eisen wij van allen die wensen lid te worden van onze organisatie een diepgaand akkoord met haar waarden.

Onze statuten maken integraal deel uit van ons platform en dienen niet enkel om uit te maken wie mag lid worden van de IKS en onder welke voorwaarden. Ze bepalen het kader en de geest van de militante levenssfeer van de organisatie en van ieder van haar leden.

De betekenis die de IKS altijd heeft gehecht aan de gedragsregels wordt belicht door het feit dat zij altijd op de bres staat om ze te verdedigen, zelfs als dat leidt tot organisatorische crises. Vandaar dat de IKS zich bewust en standvastig verankert in de traditie van de strijd van Marx en Engels in de schoot van de Eerste Internationale, van de Bolsjewieken en de Italiaanse Fractie van de Kommunistische Linkerzijde. Dat is de reden waarom zij in staat is geweest om een hele reeks crises te boven te komen en vast te houden aan de grondbeginselen van een klassegedrag.

Nochtans was het meer op een impliciete manier dat de IKS het begrip van een proletarische moraal en ethiek heeft verdedigd; zij heeft het meer op een empirische manier in de praktijk gebracht dan vanuit een veralgemeende theoretische visie. Wegens de grote terughoudendheid van de nieuwe generatie van revolutionairen die ontstaan is op het einde van de jaren 1960 tegenover elk begrip van moraal, dat als noodzakelijkerwijze reactionair beschouwd werd, bestond de houding van de organisatie er uit om meer belang te hechten aan het feit dat houdingen en gedragingen eigen aan de arbeidersklasse werden aanvaard dan een zeer algemeen debat te voeren op een moment dat deze laatste er nog niet rijp voor was.

De vraagstukken van de proletarische moraal zijn niet het enige domein waarin de IKS op die manier te werk is gegaan. In de eerste jaren van het bestaan van de IKS, leefden er gelijkaardige reserves over de centralisatie, het onmisbare karakter van de tussenkomst van de revolutionairen en de leidende rol van de organisatie in de ontwikkeling van het klassebewustzijn, de noodzaak het democratisme te bestrijden of van het erkennen van de actualiteit van de strijd tegen het opportunisme en het centrisme.

De grote debatten die wij gevoerd hebben, net zoals de crises die wij hebben doorgemaakt, hebben duidelijk gemaakt dat de organisatie niet alleen altijd in staat is gebleken om haar theoretisch peil omhoog te stuwen maar tevens vraagstukken heeft kunnen uitklaren die in het begin verward waren. Vandaar dat de IKS over organisatorische vraagstukken altijd de handschoen heeft kunnen opnemen door haar theoretisch begrip van de opgeworpen vraagstukken te verdiepen en te verbreden.

De IKS heeft haar recente crises evenals het onderliggende gevaar voor het verlies van de verworvenheden van de arbeidersbeweging al geanalyseerd als manifestaties van de intrede van het kapitalisme in een nieuwe eindfase, die van zijn ontbinding. In die zin is de verheldering van een zo cruciaal vraagstuk als de proletarische moraal een noodzaak voor deze nieuwe historische periode en ze gaat het geheel van de arbeidersklasse aan. "De moraal is het resultaat van de historische ontwikkeling, ze is het product van de evolutie. Ze vindt haar oorsprong in de sociale instincten van de menselijke soort, in de materiële noodzaak van het sociale leven. Gezien het feit dat de idealen van de sociaal-democratie helemaal gericht zijn op een hogere orde van het sociale leven, moeten het noodzakelijkerwijze morele idealen zijn". [2]

Het probleem van de ontbinding en het verlies van het vertrouwen in het proletariaat en in de mensheid

 

Door het feit dat geen van de twee belangrijkste klassen in de maatschappij, de bourgeoisie en het proletariaat, in staat is geweest haar eigen antwoord op te leggen aan de crisis, is het kapitalisme zijn eindfase van ontbinding binnengetreden, gekenmerkt door het geleidelijke uiteenvallen, niet alleen van de sociale waarden, maar van de maatschappij zelf. Tegenover het 'ieder voor zich' van de kapitalistische ontbinding, tegenover de aantasting van alle morele waarden, zal het voor de revolutionaire organisaties, en meer in het algemeen voor de nieuwe generatie van militanten die er aan komt zetten, onmogelijk zijn om het kapitalisme omver te werpen zonder de vraagstukken van moraal en ethiek op te helderen. Niet alleen de bewuste ontwikkeling van de arbeidersstrijd maar ook een specifieke historische strijd over deze vraagstukken, om zich het werk van de marxistische beweging weer eigen maken, is een kwestie van leven of dood geworden. Deze strijd is onmisbaar niet alleen voor het proletarisch verzet tegen de uitingen van de ontbinding van het kapitalisme en de heersende amoraliteit, maar ook omwille van het herwinnen van het vertrouwen van het proletariaat in de toekomst van de mensheid via zijn eigen historisch project.

De bijzondere vorm die de contrarevolutie heeft aangenomen in de USSR – die van het stalinisme dat zich voorstelt als de voltooier en niet als de doodgraver van de Oktoberrevolutie van 1917 – heeft al het vertrouwen ondermijnd in het proletariaat en zijn kommunistisch alternatief. Ondanks het einde van de periode van contrarevolutie in 1968, de ineenstorting van de stalinistische regimes in 1989 – die de intrede betekent van het kapitalisme in zijn historische ontbindingsfase – heeft dat vertrouwen van het proletariaat in zichzelf als historisch subject van de bevrijding van de hele mensheid nogmaals aangevreten.

De verzwakking van het zelfvertrouwen van het proletariaat, van zijn klasse-identiteit en zijn revolutionair perspectief, onder de eerste schokgolven van de ontbinding, heeft de voorwaarden gewijzigd waaronder het vraagstuk van de ethiek zich vandaag stelt. In feite hebben de tegenslagen die de arbeidersklasse heeft ondergaan haar vertrouwen gehavend, niet alleen in een kommunistisch perspectief maar in de maatschappij als geheel.

Voor de klassebewuste arbeiders tijdens de opgaande periode van het kapitalisme (en meer nog tijdens de revolutionaire golf van 1917-23), riep de bewering als zouden de maatschappelijke problemen van die tijd kunnen uitgelegd worden door het fundamenteel 'slechte' van het menselijk wezen slechts afkeuring en misprijzen op. Echter is vandaag de bewering, als zou de maatschappij fundamenteel niet in staat zou zijn tot verbetering en ontwikkelen van hogere vormen van menselijke solidariteit, een gegeven geworden van de historische situatie. Vandaag tasten de diep verankerde twijfels over de morele kwaliteiten van onze soort niet alleen de heersende klasse en de middenklassen aan, maar bedreigen ze het proletariaat zelf, de revolutionaire minderheden daarbij inbegrepen. Dit gebrek aan vertrouwen in de mogelijkheid van een meer collectieve en verantwoordelijke benadering van de opbouw van een werkelijke mensengemeenschap is niet enkel het resultaat van de propaganda van de heersende klasse. De historische evolutie zelf heeft geleid tot deze vertrouwenscrisis in de toekomst van de mensheid.

Wij leven in een periode die gekenmerkt wordt door:

• een extreem pessimisme ten overstaan van de 'menselijke aard';

• een scepticisme (en zelfs een cynisme) over de noodzaak of zelfs de mogelijkheid van morele waarden;

• de onderschatting of zelfs de ontkenning van het belang van ethische vraagstukken.

De volkse opvatting ziet de bevestiging van het oordeel van de Engelse filosoof Thomas Hobbes (1588-1679) volgens welke de ene mens, van nature, een wolf voor de andere zou zijn. Volgens deze visie zou de mens fundamenteel een wezen zijn dat vernietigend, egoïstisch, onverbeterlijk irrationeel is en zijn sociaal gedrag zou lager staan dan dat van de meeste diersoorten. Voor het kleinburgerlijk ecologisme bijvoorbeeld, wordt de culturele ontwikkeling beschouwd als een 'vergissing' als een 'doodlopend straatje'. De mensheid zelf wordt gezien als een kankergezwel van de geschiedenis, ten opzichte van de natuur die haar 'rechten' terug zal – en zelfs moet – opeisen.

Natuurlijk heeft de ontbinding van het kapitalisme dergelijke visies niet doen ontstaan, maar ze heeft ze wel aanzienlijk benadrukt en begunstigd.

In de voorafgaande eeuwen, heeft de veralgemening van de warenproductie onder het kapitalisme geleidelijk aan de solidariteitsbanden verbroken die aan de basis lagen van de maatschappij, tot op het punt dat de herinnering eraan zelfs voorgoed dreigt gewist te worden uit het collectieve bewustzijn.

De vervalfase van sociale formaties is altijd gekenmerkt geworden door de teloorgang van de heersende morele waarden en, zolang er zich nog geen historisch alternatief had aangediend, door een verlies aan vertrouwen in de toekomst.

Maar de barbarij en de onmenselijkheid van het verval van het kapitalisme zijn zonder weerga in de geschiedenis van de menselijke soort. Het is waar dat het niet gemakkelijk is om na de afslachtingen van Auschwitz en Hirosjima, en ten opzichte van de volkerenmoorden, de permanente en veralgemeende vernietiging, zijn vertrouwen te behouden in de mogelijkheid van een vooruitgang op het vlak van de moraal.

Het kapitalisme heeft ook het rudimentaire evenwicht verbroken dat vroeger bestond tussen de mens en de rest van de natuur, en het ondermijnt aldus op lange termijn de basis van de menselijke maatschappij.

Aan deze kenmerken van de historische evolutie van het kapitalisme moeten we nog de opeenstapeling toevoegen van de gevolgen van een algemener verschijnsel van de opkomst van de mensheid in een context van klassenmaatschappijen: het feit dat de morele en sociale evolutie achterloopt op de technologische evolutie. "Niet ten onrechte wordt de natuurwetenschap beschouwd als het terrein waar het menselijk denkvermogen, in een doorlopende reeks van triomfen, zijn logische begripsvormen het krachtigst heeft ontwikkeld… Daartegenover staat dan… het grote gebied van menselijke handelingen en verhoudingen, waar werktuiggebruik geen directe rol speelde en slechts in de verte als diepste onbekende en onzichtbare ondergrond werkte, het gebied van de maatschappelijke verschijnselen. Daar worden denken en handelen veelal door hartstocht en impuls, door willekeur en gedachteloosheid, door traditie en geloof bepaald; daar leidt geen methodische logica tot zekerheid van weten [p. 126](…) Wat zich in deze tegenstelling uit, enerzijds volkomenheid, anderzijds onvolkomenheid, is dat de mens de krachten van de natuur beheerst, of dit in steeds sterker, onbepaald toenemende mate gaat doen, maar dat hij de krachten van de wil en de passie die in hem zijn nog niet beheerst. "Waar hij is blijven stilstaan en misschien zelfs teruggevallen is, is het klaarblijkelijk gemis aan meesterschap over zijn eigen 'natuur' (Frederick Tilney, The brain from ape to man, l.c. p. 932)". Vandaar dat de maatschappij blijkbaar zo ver achterstaat bij de wetenschap. De mens is potentieel meester over de natuur. Maar hij is nog geen meester over zijn eigen natuur [p.129]" [3]

 

Waarom werd het begrip 'proletarische moraal' na 1968 'verdacht' gevonden

 

Na 1968 heeft de dynamiek van de arbeidersstrijd een krachtig tegengewicht gevormd tegen het groeiende scepticisme in de schoot van de kapitalistische maatschappij. Maar tezelfdertijd heeft een onvoldoende diepgaande assimilatie van het marxisme geleid tot een brede opvatting bij de nieuwe generatie van revolutionairen, die dacht dat er geen plaats meer was voor vraagstukken van moraal of ethiek in de socialistische theorie. Deze houding was eerst en vooral het product van een breuk in de organische continuïteit die veroorzaakt werd door de contrarevolutie die volgde op de revolutionaire golf van 1917-23. Tot dan toe werden de ethische waarden van de arbeidersbeweging altijd was doorgegeven van de ene generatie aan de volgende. De assimilatie van deze waarden werd dus bevorderd doordat ze deel uitmaakten van een levendige, collectieve en georganiseerde praktijk. De contrarevolutie heeft de kennis van deze verworvenheden in grote mate uitgeveegd, net zoals ze de revolutionaire minderheden bijna helemaal heeft weggeveegd die deze waarden belichaamden.

Bovendien heeft het stalinisme, als puurste politiek product van die contrarevolutie, deze lessen verdorven door aan de begrippen uit woordenschat van de arbeidersbeweging een nieuwe, burgerlijke betekenis te geven. Net zoals het woord Kommunisme zelf in diskrediet bracht door die benaming toe te kennen aan de staatskapitalistische contrarevolutie in de USSR, zo heeft het verschillende generaties revolutionairen met walging de rug doen toekeren aan het begrip zelf van proletarische moraal. Net zoals ze de imperialistische bezetting van Tsjecho-Slowakije in 1968 beschreef als een uitdrukking van 'proletarisch internationalisme', zo noemde ze de doortrapte praktijk van intimidatie, verklikking en terrorisering van proletariërs - de staatsethiek van het totalitarisme van het kapitalisme in verval - als het toppunt van 'proletarische moraal'.

Deze ontaarding van de ethiek van het proletariaat heeft op zijn beurt de indruk versterkt dat de moraal, van nature uit, een intrinsiek reactionaire activiteit is van de heersende en uitbuitende klassen. De geschiedenis toont zeer zeker aan dat in alle klassenmaatschappijen de heersende moraal altijd de moraal is geweest van de heersende klasse. En dat tot op het punt dat moraal en staat, maar ook moraal en godsdienst, bijna synoniem geworden zijn in de volksopvatting. De morele gevoelens van de maatschappij in haar geheel werden door de uitbuiters, door de staat en door de godsdienst, altijd gebruikt om de status-quo te verheerlijken en te bestendigen opdat de uitgebuite klassen zich zouden onderwerpen aan hun onderdrukking. Het 'moralisme' waarvan de heersende klassen steeds gebruik hebben gemaakt om het verzet van de werkende klassen te breken via het inlepelen van een schuldbewustzijn, is een van de grote gesels van de mensheid. Het is tevens een van de meest subtiele en doeltreffende wapens van de heersende klassen om hun overheersing over de maatschappij te verzekeren.

Het marxisme heeft altijd de moraal van de heersende klassen bestreden, zowel als het droogstoppelmoralisme van de kleinburgerij. Tegen de schijnheiligheid van de moraalridders van het kapitalisme, heeft het marxisme altijd voorop gesteld dat de kritiek van de politieke economie moet gegrondvest zijn op een wetenschappelijke kennis en niet op een ethisch oordeel.

Toch vormt de ontaarding van de moraal van het proletariaat door het stalinisme geen reden tot het laten varen van het begrip van de proletarische moraal (net zo min mag het proletariaat het begrip kommunisme verwerpen onder het voorwendsel dat het gerecupereerd en ontaard geworden is door de contrarevolutie in de USSR). Het marxisme heeft aangetoond dat de geschiedenis van de menselijke moraal niet enkel de geschiedenis is van de moraal van de heersende klasse. Het heeft aangetoond dat de uitgebuite klassen hun eigen ethische waarden hebben en dat deze waarden een revolutionaire rol gespeeld hebben in de vooruitgang van de mensheid. Het heeft aangetoond dat de moraal evenmin gelijkstaat met de functie van de uitbuiting, van de staat of van de godsdienst en dat de toekomst, - als er een toekomst is – toebehoort aan een moraal die de uitbuiting, de staat en de godsdienst opheft.

"… de mensen zullen geleidelijk aan wennen aan het in acht nemen van de meest elementaire, eeuwenlang bekende en gepredikte regels van het maatschappelijke leven, zonder geweld, zonder dwang, zonder onderwerping, zonder dit bijzondere apparaat voor het uitoefenen van dwang, dat staat heet"[p. 82][4].

Het marxisme heeft aan het licht gebracht dat het proletariaat de enige klasse uit de geschiedenis is, die in staat is om de moraal en dus de mensheid te bevrijden van de gesel van het 'slechte geweten', gebaseerd op het schuldgevoel en de dorst naar wraak en straf, door zich te bevrijden van de vervreemding, doorheen het ontwikkelen van zijn bewustzijn, eenheid en solidariteit.

Bovendien is het marxisme, door het verbannen van het kleinburgerlijke moralisme uit de kritiek van de politieke economie, in staat gebleken om de rol van morele factoren in de klassestrijd van het proletariaat wetenschappelijk aan te tonen. Zo heeft het bijvoorbeeld ontdekt dat de bepaling van de waarde van de arbeidskracht – in tegenstelling tot die van andere waren – een morele dimensie heeft: de moed, de vastbeslotenheid, de solidariteit en de waardigheid van de uitgebuiten.

De weerstand tegen het begrip proletarische moraal drukt eveneens het gewicht uit van de ideologie van de kleinburgerij die erg doordrongen is van het democratisme. Het brengt de afkeer aan het licht van de kleinburgerij tegenover grondbeginselen van gedrag die zoals elk beginsel een belemmering vormen van de 'individuele vrijheid'. De infiltratie in de schoot van de hedendaagse arbeidersbeweging van deze ideologie van een klasse zonder historische toekomst is een zwakheid die de onrijpheid van de generatie, die voortgekomen is uit mei 1968, nog vergroot heeft.

De aard van de moraal

 

De moraal is een onmisbare gedragsgids in de culturele wereld van de mensheid. Hij maakt het mogelijk om de gemeenschappelijke beginselen en regels te bepalen van het samenleven van de mensen in de maatschappij. Solidariteit, medeleven, vrijgevigheid, steun aan noodlijdenden, eerlijkheid, een vriendschappelijke houding en welwillendheid, bescheidenheid, solidariteit onder de generaties zijn schatten die behoren tot de morele erfenis van de mensheid. Het zijn kwaliteiten zonder welke het maatschappelijk leven onmogelijk wordt. Dat is de reden waarom menselijke wezens altijd de waarde ervan erkend hebben, net zoals ze onverschillig staan tegenover andere. Brutaliteit, gierigheid, afgunst, arrogantie en ijdelheid, oneerlijkheid en leugen hebben altijd op afkeuring en verontwaardiging kunnen rekenen. Als dusdanig vervult de moraal de functie van het begunstigen van de sociale, in tegenstelling tot de antisociale impulsen van de mensheid, in het belang van de samenhang van de gemeenschap. Hij kanaliseert de psychische energie in het belang van allen. De wijze waarop deze energie wordt gekanaliseerd wisselt volgens de productiewijzen, de sociale samenstelling, enz.

In de schoot van elke maatschappij, worden gedrags- en evaluatienormen opgebouwd, op grond van de levende ervaring, en overeenstemmend met een gegeven levenswijze. Dit proces maakt deel uit van wat Marx in het Kapitaal de relatieve ontvoogding noemt van willekeur en puur toeval via het vestigen van orde.

De moraal heeft een dwingend karakter. Het is een toe-eigening van de sociale wereld via oordelen over 'goed' en 'kwaad', over wat aanvaardbaar is en wat niet. Deze benadering van de werkelijkheid maakt gebruik van specifieke psychische werkwijzen, zoals het goede geweten en de zin voor verantwoordelijkheid. Deze werkwijzen beïnvloeden het nemen van beslissingen en het algemeen gedrag en dikwijls bepalen ze die. De vereisten van de moraal bevatten een bewustwording van wat sociaal is, een bewustzijn dat opgenomen en geassimileerd is op het emotionele niveau. Zoals elk middel van toe-eigening en omvorming van de werkelijkheid, heeft het een collectief karakter. Doorheen de verbeelding, de intuïtie en de evaluatie laat ze de persoon toe om toe te treden tot de mentale en emotionele wereld van de andere menselijke wezens. Ze is dus de bron van menselijke solidariteit en het middel van de wederzijdse geestelijke verrijking en ontwikkeling. Ze kan niet evolueren zonder sociale interactie, zonder overbrenging van verworvenheden en ervaring tussen de leden van de maatschappij, tussen de maatschappij en het individu en tussen de ene generatie en de andere.

Een van de kenmerken van de moraal berust in het feit dat ze zich de werkelijkheid toe-eigent door middel van een meetinstrument over wat er zou moeten zijn. Haar aanpak is teleologisch eerder dan causaal. De botsing tussen wat er is en wat er zou moeten zijn is kenmerkend voor de activiteit van de moraal, ze maakt haar tot een actieve en vitale factor.

Het marxisme heeft nooit de noodzaak ontkend van het belang van de bijdrage van niet-theoretische en niet-wetenschappelijke factoren in de wording van de mensheid. Integendeel heeft het altijd hun onmisbaar karakter en hun relatieve onafhankelijkheid begrepen. Daarom is het in staat geweest om hun samenhang in de geschiedenis te onderzoeken en hun complementariteit te erkennen.

In de primitieve maatschappijen, maar ook in de klassenmaatschappijen, ontwikkelt de moraal zich op een spontane manier. Ver vóór de capaciteit zou ontwikkeld worden om de morele waarden in een wetboek vast te leggen (of erover na te denken), bestonden er modellen van gedrag en de evaluatie ervan. Elke maatschappij, elke sociale groep en zelfs elk beroep (zoals Engels onderstreepte) namelijk via het instellen van deontologische regels, heeft zijn eigen schema van moreel gedrag. Zoals Hegel opmerkte, is een serie van daden van het subject het subject zelf. De moraal is wel degelijk meer dan de som van gedragsregels en gewoontes. Het is een wezenlijk deel van de kleur die de menselijke verhoudingen krijgen in een gegeven maatschappij.

Ze is de weerspiegeling van een actieve factor zowel op de manier waarop de mens zichzelf ziet, als op de manier waarop hij er toe komt de anderen te begrijpen. De moraal is gegrondvest op de empathie die vervat zit in het gebied van gevoelens die eigen zijn aan de menselijke soort. Het is juist daarom dat Marx beweerde: "Niets menselijks is mij vreemd".

De morele evaluaties zijn noodzakelijk, niet alleen als antwoord op de dagelijkse problemen, maar als onderdeel van een geplande en bewust op een doel gerichte activiteit. Niet alleen zijn ze een leidraad voor de bijzondere beslissingen, maar ze oriënteren een heel leven of heel een historische periode.

Hoewel het instinct, de intuïtie en het onbewuste wezenlijke aspecten vormen van de wereld van de moraal van de mens, groeit met de wording de rol van het bewustzijn eveneens in deze sfeer. De morele vraagstukken raken de diepste roerselen van het menselijk bestaan. Een morele oriëntatie is het product van sociale noden maar ook van de manier van denken van een gegeven maatschappij of groep. Ze heeft nood aan een evaluatie van de waarde van het menselijk leven, van de verhouding van het individu tot de maatschappij, een definitie van haar eigen plaats in de wereld, van haar eigen verantwoordelijkheden ten opzichte van het geheel van de gemeenschap. Maar hier vindt de evaluatie plaats niet op een beschouwende manier maar onder de vorm van sociale gedragingen. De ethische oriëntatie draagt haar specifieke steentje bij – praktisch, evaluerend, gebiedend – over de zin die dient gegeven te worden aan het menselijk leven.

Hoewel de ontwikkeling van het universum een proces is dat bestaat buiten en onafhankelijk van elk doel of objectieve 'betekenis', maakt de mensheid deel uit van dit deel van de natuur dat zich doelen stelt en er voor strijdt om ze te verwezenlijken.

 In de 'Oorsprong van het gezin, de particuliere eigendom en de staat' toont Engels aan dat de oorsprong van de moraal teruggaat op socio-economische verhoudingen en klassebelangen. Maar hij toont ook haar regulerende rol aan, niet alleen in de reproductie van de bestaande sociale structuren, maar ook in het opduiken van nieuwe sociale verhoudingen. De moraal kan de historische vooruitgang beletten ofwel versnellen. De moraal weerspiegelt dikwijls, vóór de filosofie of de wetenschap, veranderingen die schuilgaan onder de oppervlakte van de maatschappij.

 Het klassekarakter van de gegeven moraal moet ons niet uit het oog doen verliezen dat elk moreel systeem algemene menselijke elementen bevat die bijdragen tot het behoud van de maatschappij op een bepaald stadium van haar ontwikkeling. Zoals Engels het verduidelijkt in zijn 'Anti-Dühring' bevat de proletarische moraal wel degelijk meer elementen van algemene menselijke waarde dan die van andere sociale klassen omdat ze de toekomst vertegenwoordigt tegenover de moraal van de bourgeoisie. Engels legt de nadruk op de vooruitgang van de moraal in de geschiedenis. Via de inspanningen van de ene generatie op de andere, om beter het menselijk bestaan te beheersen en via de historische klassenstrijd, is de morele ervaringsrijkdom van de maatschappij toegenomen. Hoewel de ethische ontwikkeling van de mensheid helemaal niet lineair is, kan de vooruitgang op dit domein gemeten worden in de noodzaak en mogelijkheid om steeds complexere menselijke problemen op te lossen. Dat licht een sluier op van heel het potentieel van verrijking van de innerlijke en sociale wereld van de mens dat, zoals onderstreept wordt door Trotski, een van de meest belangrijke criteria vormt van de vooruitgang.

Een ander fundamenteel kenmerk van de moraal berust op het feit dat, aangezien ze de noden van de maatschappij in haar geheel uitdrukt, haar bestaan onlosmakelijk verbonden is aan het intieme leven van het menselijk wezen, aan de innerlijke wereld van zijn bewustzijn en zijn persoonlijkheid. Elke aanpak die de subjectieve factor onderschat blijft noodzakelijkerwijze abstract en passief. Het is de intieme en diepgaande confrontatie van de mens met de morele waarden die hem, onder meer, onderscheidt van het dier en die hem de kracht verschaft tot het omvormen van de maatschappij. Hier wordt wat sociaal noodzakelijk is tot de interne stem van het 'goede geweten', dat het mogelijk maakt om de menselijke emoties te koppelen aan de dynamiek van de sociale vooruitgang. De morele rijping van het menselijke wezen bewapent het tegen vooroordelen en fanatisme en vermeerdert zijn capaciteiten om bewust en op een creatieve manier te reageren op morele conflicten.

Het is ook noodzakelijk om te onderstrepen dat hoewel de moraal haar biologische basis vindt in de sociale instincten, haar evolutie onlosmakelijk verbonden is met de deelname aan de menselijke cultuur. Het loskomen van de menselijke soort uit het dierenrijk hangt niet alleen af van de ontwikkeling van het denken, maar ook van de opvoeding en de verfijning van de gevoelens. Tolstoi had dus gelijk bij het onderstrepen van de rol die de kunst – in de brede zin – naast de wetenschap, gespeeld heeft bij de menselijke vooruitgang.

"Net zoals elk menselijk wezen dank zij de capaciteit van de mens om gedachten die in woorden uitgedrukt zijn te begrijpen, kennis kan maken met alles wat het geheel van de mensheid voor hem heeft verwezenlijkt op het domein van het denken… zo is het ook dank zij de menselijke capaciteit om, via de kunst, ontroerd te worden door gevoelens van anderen, dat hij toegang heeft tot de gevoelens van zijn tijdgenoten, tot dat wat andere menselijke wezens, duizenden jaren geleden gevoeld hebben en wordt het voor hem mogelijk om zijn eigen gevoelens aan anderen over te brengen. Als de menselijke wezens niet de mogelijkheid, niet de capaciteit zouden hebben om via de woorden alle gedachten van hen die hen vooraf gegaan zijn op te slorpen en hun eigen gedachten aan anderen over te brengen, zouden ze zijn als de wilde dieren of zoals een Gaspar Hauser. Als zij niet die andere menselijke capaciteit hadden om ontroerd te worden door kunst, zouden de menselijke wezens zeer zeker in een grotere mate wilden zijn en bovendien veel vreemder en veel vijandiger tegenover elkaar staan."[5]

De ethiek was er al voor het marxisme

 

De ethiek is de theorie van de moraal, die tot doel heeft om beter zijn rol te begrijpen, te verbeteren en zijn inhoud en actieveld te systematiseren. Hoewel de ethiek een theoretische discipline is, is zijn doel altijd praktisch geweest. Een ethiek die niet bijdroeg tot het verbeteren van de menselijke gedragingen in het werkelijke leven is per definitie waardeloos. De ethiek is ontstaan en ontwikkeld als filosofische wetenschap, niet alleen omwille van historische redenen maar ook omdat de moraal geen precies object is maar een verhouding die het geheel omarmt van het menselijk leven en het bewustzijn. Sinds de klassieke Griekse filosofie tot aan Spinoza en Kant, is de ethiek altijd opgevat als een wezenlijke uitdaging waarmee de grootste menselijke geesten zich hebben geconfronteerd. Ondanks de veelheid van aanpak en antwoorden volgens de verschillende soorten maatschappijen, is er altijd één gemeenschappelijk kenmerk geweest van de ethiek, voornamelijk sinds Socrates. Het gaat om het antwoord op de vraag: Hoe kan de mens komen tot het opbouwen van het universele geluk voor het geheel van de soort? De ethiek is altijd een strijdwapen geweest, in het bijzonder van de klassenstrijd. De confrontatie met de ziekte en de dood, met belangenconflicten en moreel lijden, is dikwijls een krachtige stimulans geweest voor de studie van de ethiek. Maar terwijl de moraal, hoe rudimentair zijn manifestaties ook mogen zijn, een zeer oude voorwaarde is van het bestaan van de menselijke maatschappij (en die al bestond in de eerste primitieve gemeenschappen), is de ethiek een veel recenter verschijnsel dat pas is opgedoken met de verdeling van de maatschappij in klassen. De noodzaak om het gedrag en het leven van iedereen te oriënteren is het product van de aard van het sociale leven dat steeds complexer is geworden met het verschijnen van de sociale klassen. In de primitieve gemeenschap waren de solidariteit onder de mensen en hun activiteit direct verbonden aan de meest barre schaarste. De vrijheid van de individuele keuze bestond nog niet. Het is binnen de context van de groeiende tegenstrijdigheid tussen het privéleven en het openbare, tussen de noden van de individuen en die van de maatschappij, dat er een overdenking gestalte is gaan krijgen over het gedrag en zijn beginselen. Deze overdenking is onlosmakelijk verbonden met een kritische houding ten overstaan van de maatschappij en de wil om haar op een bewuste en overdachte manier te veranderen. Zo komt het dat, indien het uiteenvallen van de primitieve gemeenschap en de verschijning van de klassenmaatschappij een voorwaarde is voor deze aanpak, het verschijnen van de ethiek – net zoals die van de filosofie in het algemeen – in het bijzonder gestimuleerd werd door de ontwikkeling van de warenproductie, zoals dat het geval was in het antieke Griekenland. Niet alleen het verschijnen van de ethiek maar ook zijn evolutie hing fundamenteel af van de ontwikkeling van de productiekrachten, voornamelijk van de economische, materiële grondslagen van de maatschappij.

Met de klassenmaatschappij veranderen de morele noden en gewoonten noodzakelijkerwijze aangezien elke sociale formatie een moraal voortbrengt die overeenstemt met haar noden. Wanneer de gangbare moraal van de heersende klassen botst met de historische ontwikkeling, wordt ze tot een bron van verschrikkelijk lijden, vermeerdert ze de toevlucht tot het fysiek en psychisch geweld om zich op te dringen en leidt tot een veralgemeende ontsporing, tot een latente schijnheiligheid, maar ook tot zelfkastijding, voornamelijk bij de uitgebuite klassen. Deze fasen van verval van de maatschappijen vormen een bijzondere uitdaging voor de ethiek en deze laatste spant zich in om nieuwe beginselen te formuleren die vat hebben op de massa en die deze slechts in een latere fase zullen oriënteren.

Nochtans is de ontwikkeling van de ethiek verre van een mechanische, passieve afspiegeling van de economische grondslagen van de maatschappij. Ze bezit een interne eigen dynamiek, zoals al werd geïllustreerd door de evolutie van het eerste materialisme, dat van de Griekse materialisten wier bijdragen tot de ethiek nog altijd tot het onschatbare theoretische erfgoed behoren van de mensheid. Deze interne dynamiek van de ethiek komt tot uiting in het nastreven van een centrale zorg: het streven naar geluk voor het geheel van de mensheid. Heraclitus onderstreepte al dit centrale vraagstuk van de ethiek: de verhouding van het individu tot de maatschappij, tussen wat de individuen werkelijk doen en wat zij zouden moeten doen in het algemeen belang. Maar deze 'natuurfilosoof' was er niet toe in staat om een materialistische verklaring te geven van de oorsprong van de moraal en in het bijzonder van het goede geweten. Bovendien belette zijn eenzijdig aandringen op de oorzakelijkheid, ten koste van de 'teleologische' kant van het menselijk bestaan (bezonnen activiteit met het oog op een bewust doel), hem om te komen tot bevredigende antwoorden op de meest fundamentele ethische vraagstukken aangaande de toekomst van de mensheid (zoals de verhouding van de mens tot zijn eigen eindigheid, tot zijn eigen dood en die van zijn gelijken, voornamelijk met betrekking tot oorlog en andere moorddadige conflicten).

Dat is de reden waarom niet enkel de objectieve sociale evolutie maar ook de afwezigheid van een antwoord op de morele vraagstukken die werden gesteld, de weg hebben vrijgemaakt voor het filosofisch idealisme. Dit idealisme verscheen tegelijkertijd met een nieuw geloof, het monotheïsme, gestoeld op het geloof in één God, redder van de mensheid, die als enige in staat was om de poorten van het universele geluk te openen in een hemels paradijs. Het verschijnen van de idealistische moraal was niet langer gebaseerd op de verklaring van de natuur maar op het onderzoek van het geestelijk leven. Deze aanpak slaagde er niet in om compleet afstand te nemen van de animistische en magische gedachtegang van de primitieve maatschappijen. Deze aanpak bereikt zijn hoogtepunt in de visie die het wezen van de mens opdeelt in twee delen, het ene geestelijk (moreel) en het andere materieel (lichamelijk). De mens zou als het ware half-engel, half-dier zijn.

Het is pas met het revolutionaire materialisme van de opkomende bourgeoisie van West-Europa dat de triomf van het morele idealisme ernstig in vraag is kunnen gesteld worden. Dit nieuwe materialisme stelde dat de natuurlijke driften van de mens de kiem bevatten van alles wat goed is, en maakte aldus de oude sociale orde verantwoordelijk voor al het slechte. Uit deze denkschool sproten niet alleen de theoretische wapens voort van de burgerlijke revolutie maar ook die van het utopische socialisme (Fourier bij de Franse materialisten, Owen en het 'utilitaristische' systeem van Bentham).

Maar dit materialisme van de revolutionaire bourgeoisie was er niet toe in staat om de oorsprong van de moraal te verklaren. Moraal kan slechts 'natuurlijkerwijs' verklaard worden omdat de moraal al vervat zit in de menselijke aard. Deze revolutionaire theorie kon evenmin haar eigen oorsprong verklaren. Als de mens bij zijn geboorte, een onbeschreven blad was, een tabula rasa, zoals dit burgerlijke materialisme beweert, en als zijn aard van sociaal wezen slechts bepaald wordt door zijn doordrenking in de bestaande sociale orde, van waar komen dan de revolutionaire ideeën, wat is dan de oorsprong van de sociale verontwaardiging – de onmisbare voorwaarde voor een nieuwe en betere maatschappij? Het feit dat het burgerlijke materialisme het pessimisme van het idealisme (dat elke mogelijkheid van een morele vooruitgang ontkende in de werkelijke mensenwereld) heeft bestreden, vormt haar grote bijdrage. Toch, en ondanks zijn klaarblijkelijk onbegrensd optimisme, bood dit materialisme, wegens zijn al te mechanische en metafysische grondslag, slechts een wankele basis voor een werkelijk vertrouwen in de mensheid. Kortom, in deze wereldvisie die werd belichaamd door de filosofen van de Verlichting, was het de 'verlichte' mens, die moest verschijnen als de enige bron van de morele perfectie van het menselijk geslacht.

 Het feit dat het burgerlijke materialisme er niet in geslaagd is om de oorsprong van de moraal te verklaren enkel op grond van ervaring (en niet alleen wegens de achterlijkheid van Duitsland of het provincialisme van Köningberg) heeft er toe bijgedragen dat Kant terugviel in het morele idealisme toen hij zocht naar de verklaring van het verschijnsel van het goede geweten. Door te verklaren dat de morele wet binnen ons 'een ding op zich' was, dat a priori bestond, buiten tijd en ruimte, verklaarde Kant in feite dat wij de oorsprong van de moraal niet kunnen kennen.

Zo komt het dat ondanks al deze onschatbare bijdragen tot de geschiedenis van de mensheid, die nog steeds verspreide stukken vormen van een puzzel, enkel het proletariaat in staat zal zijn om, dank zij de marxistische theorie, een samenhangend en bevredigend antwoord te geven op dit vraagstuk van de oorsprong van de moraal.

Het marxisme en de oorsprong van de moraal

 

 Voor het marxisme berust de oorsprong van de moraal in de volkomen sociale, collectieve aard van de menselijke soort. Deze moraal is niet enkel het product van sociale instincten maar ook van de afhankelijkheid van de soort ten opzichte van het collectieve, geassocieerde en geplande werk en het steeds complexere productieapparaat dat dit vereist. De grondslag, de kern van de moraal, is de erkenning van de noodzaak aan solidariteit ten overstaan van de biologische broosheid van het menselijk wezen. Deze solidariteit (die trouwens door de recente wetenschappelijke ontdekkingen, voornamelijk in de antropologie en de paleontologie, wordt gestaafd) vormt de grootste gemene deler van al wat positief en duurzaam is in de loop van de geschiedenis van de moraal. Als dusdanig is de solidariteit zowel de maatstaf als de uitdrukking van de continuïteit van deze geschiedenis ondanks alle breuken en regressies. Deze geschiedenis wordt gekenmerkt door de erkenning dat de overlevingskansen des te groter zijn naarmate de maatschappij (of de sociale klasse) eendrachtig is, haar samenhang steviger, en de harmonie tussen de verschillende delen groter is. Maar de ontwikkeling van de moraal doorheen de eeuwen is niet alleen een kwestie van overleving van het menselijk geslacht. Het bepaalt ook het verschijnen van steeds volmaaktere en complexere vormen van menselijke collectieven die zelf de voorwaarden zijn voor de ontwikkeling van de mogelijkheden van de mens en de maatschappij. Het praktisch uitzoeken van de collectieve belangen is het werktuig van de morele verheffing van de leden van de maatschappij. Het rijkste leven is dat wat het best verankerd zit in de maatschappij.

De reden waarom het proletariaat kon antwoorden op het vraagstuk van de oorsprong en het wezen van de moraal, berust in het feit dat het perspectief van een verenigde wereldgemeenschap, een kommunistische maatschappij, de sleutel vormt voor het bevatten van de geschiedenis van de moraal. Het proletariaat is de eerste klasse in de geschiedenis die geen bijzonder belang heeft te verdedigen en dat verenigd kan worden door een werkelijke socialisering van de productie, de materiële grondslag van een kwalitatief hoger niveau van de menselijke solidariteit.

De materialistische ethiek van het marxisme, dankzij haar capaciteit tot het integreren van de wetenschappelijke ontdekkingen (namelijk die van Darwin aan wie Marx 'het Kapitaal' opgedragen heeft), maakt het mogelijk te begrijpen waarom de mens, als product van de evolutie, in feite bij zijn geboorte geen tabula rasa is. Hij brengt 'in de wereld', een serie sociale noden die voortspruiten uit zijn dierlijke oorsprong (bijvoorbeeld de nood aan tederheid en genegenheid zonder welke de pasgeborene zich niet kan ontwikkelen en zelfs niet kan overleven).

Maar de vooruitgang van de wetenschap heeft tevens aan het licht gebracht dat de mens ook een geboren strijder is. Dat is wat hem in staat heeft gesteld om de verovering van de wereld aan te vatten, om de krachten van de natuur te temmen, om haar om te vormen door zijn sociaal leven over de hele planeet te ontwikkelen. De geschiedenis toont eveneens aan dat hij in het algemeen niet opgeeft bij moeilijkheden. De strijd van de mensheid kan zich niet louter baseren op een reeks instincten die hij heeft overgeërfd uit het dierenrijk: die van het zelfbehoud, van de seksuele voortplanting, van de bescherming van de kleintjes, enz. In het kader van de maatschappij hebben zijn instincten voor het behoud van de soort zich slechts kunnen ontwikkelen via het delen van zijn emoties met zijns gelijken. Al is het waar dat deze kwaliteiten het product zijn van de socialisering, dan is het niet minder waar dat deze kwaliteiten op hun beurt zijn maatschappelijk leven mogelijk maken. De geschiedenis van de mensheid heeft ook aangetoond dat zij een potentieel van agressiviteit kan en ook moet mobiliseren zonder welke zij zich niet kan handhaven tegenover een vijandige omgeving.

Maar de bases van de strijdbaarheid van het menselijk geslacht liggen veel dieper dan dat en zijn bovendien verankerd in de cultuur. De mensheid is het enige deel van de natuur dat zichzelf via de arbeid constant omvormt. Dat betekent dat in het lange proces van hominisatie, de omvorming van 'mensaap tot aapmens', het bewustzijn het belangrijkste instrument is geworden van de strijd van de mensheid voor haar overleving. Telkens de mens een doel bereikte, heeft hij zijn omgeving omgevormd en heeft hij zich nieuwe hogere doelen gesteld. En dat vereiste op zijn beurt een nieuwe ontwikkeling, die van de aard van zijn sociaal wezen.

De wetenschappelijke methode van het marxisme heeft de biologische 'aangeboren' oorsprong van de moraal en de sociale vooruitgang ontsluierd. Doordat hij de bewegingswetten van de menselijke geschiedenis ontdekt heeft en het metafysische standpunt heeft overstegen, heeft het marxisme de vraagstukken opgelost waar het oude burgerlijke materialisme onmogelijk kon op antwoorden. Door aldus te werk te gaan heeft het marxisme de relativiteit, maar tevens de relatieve waarde van de verschillende morele systemen in de geschiedenis bewezen. Het heeft hun afhankelijkheid aangetoond van de ontwikkeling van de productiekrachten en, vanaf een bepaalde historische periode, van de klassenstrijd. Daardoor heeft het de theoretische grondslagen gelegd voor het praktisch overstijgen van wat ooit een van de grootste gesels was van de mensheid tot op heden: de fanatieke, dogmatische tirannie van elk moreel systeem.

Door aan te tonen dat de geschiedenis een zin heeft en een samenhangend geheel vormt, heeft het marxisme de valse keuze overstegen tussen het morele pessimisme van het idealisme en het enge optimisme van het burgerlijke materialisme. Door het bestaan aan te tonen van een morele vooruitgang in de geschiedenis van de mensheid, heeft het de basis van het vertrouwen van het proletariaat in de toekomst verbreed.

Ondanks de nobele eenvoud van de gemeenschapsbeginselen van de primitieve maatschappij, waren hun deugden gebonden aan het blind naleven van de rites en bijgeloof die niet in vraag konden worden gesteld, en nooit het resultaat zijn geweest van een bewuste keuze. Pas met het verschijnen van een klassenmaatschappij (in Europa, in het hoogtij van de slavenmaatschappij) is het dat de menselijke wezens een morele waarde hebben kunnen verwerven die los stond van bloedverwantschappen. Deze verworvenheid is een product van de cultuur, van de opstand van de slaven en andere uitgebuite lagen. Het is belangrijk om op te merken dat de strijd van de uitgebuite klassen, zelfs al bevatten ze geen revolutionair perspectief, de morele erfenis van de mensheid verrijkt hebben, via de cultuur van de geest van rebellie en verontwaardiging, van het verwerven van een respect voor de menselijke arbeid, van de verdediging van de waardigheid van elk menselijk wezen. De morele rijkdom van de maatschappij is nooit het resultaat van de economische, sociale, culturele constellatie van het moment. Ze is het product van een historische accumulatie. Net zoals de ervaring en het lijden van een lang en moeilijk leven bijdragen tot de rijping van diegenen die het niet heeft gebroken. De hel van de klassenmaatschappij draagt ook bij tot de ontwikkeling van de morele veredeling van de mensheid, op voorwaarde dat deze maatschappij kan omvergeworpen worden.

Er moet aan toegevoegd worden dat het historisch materialisme de oude tegenstelling, heeft opgeblazen, die de vooruitgang van de ethiek afremden, tussen instinct en bewustzijn, tussen oorzakelijkheid en teleologie. De objectieve wetten van de historische ontwikkeling zijn zelf uitingen van de menselijke activiteit. Ze schijnen er buiten te liggen omdat de doelen die de mensen zich stellen, afhangen van de omstandigheden waarin het verleden ze heeft overgeleverd aan het heden. Dynamisch opgevat, in de beweging van het verleden naar de toekomst, is de mensheid tegelijk het resultaat en de oorzaak van de verandering. In die zin zijn de moraal en de ethiek tegelijk producten en actieve factoren van de geschiedenis.

Door de ware aard van de moraal te ontsluieren, is het marxisme op zijn beurt in staat om zijn verloop te beïnvloeden, door hem te scherpen als een wapen van de klassestrijd van het proletariaat.

De strijd tegen de burgerlijke moraal

 

De proletarische moraal heeft zich ontwikkeld door het bestrijden van de heersende waarden; hij gaat niet aan de zijlijn staan. De kern van de moraal van de burgerlijke maatschappij zit vervat in de veralgemening van de warenproductie. Dat bepaalt zijn wezenlijk democratisch karakter, dat een hoogst belangrijke rol heeft gespeeld in de ontbinding van de feodale maatschappij maar die steeds meer haar irrationele kant blootgeeft met het verval van het kapitalistische systeem. Het kapitalisme heeft het geheel van de maatschappij, en daarbij inbegrepen de arbeidskracht zelf, onderworpen aan de kwantificatie van de ruilwaarde. De waarde van het menselijk wezen en zijn productieve activiteit berust niet meer op zijn concrete menselijke kwaliteiten noch op zijn bijzondere bijdrage tot de collectiviteit. Ze kan enkel nog gemeten worden op een kwantitatieve wijze met betrekking tot de anderen en is tot een abstract middel geworden dat zich opdringt aan de maatschappij als een onafhankelijke en blinde kracht. Door de inbreng van de concurrentie tussen de mensen, door hen te verplichten om zich met de anderen te meten, holt het kapitalisme de menselijke solidariteit uit, die aan de grondslag van de maatschappij ligt. Door abstractie te maken van de werkelijke kwaliteiten van de menselijke wezens, met inbegrip van hun morele kwaliteiten, ondermijnt het de grondslag zelf van de moraal. Door het vervangen van de vraag 'wat kan ik bijdragen tot de gemeenschap?' door de vraag 'wat is mijn eigen waarde in de schoot van de gemeenschap?' (rijkdom, macht, prestige), stelt het de mogelijkheid zelf van een menselijke gemeenschap in vraag.

De tendens van de burgerlijke maatschappij is naar het uithollen van de morele verworvenheden van de mensheid die in de loop van duizenden jaren geaccumuleerd zijn, sinds de eenvoudige traditie van gastvrijheid en respect voor anderen in het dagelijkse leven tot de elementaire reflex van bijstand verlenen aan hen die in nood verkeren.

Met de intrede van het kapitalisme in zijn eindfase, die van de ontbinding, neemt deze tendens die inherent is aan het kapitalisme de overhand. De irrationele aard van deze tendens, die op lange termijn onverenigbaar is met het behoud van de maatschappij, ontbloot zich in de noodzaak voor de bourgeoisie zelf, in het belang van haar systeem, om haar toevlucht te nemen tot onderzoekers die onderzoek uitvoeren en strategieën ontwikkelen tegen het 'pesten' (het moreel kwellen), tot opvoeders die er mee belast worden om scholieren te onderrichten hoe zij moeten omgaan met conflicten. Evenzo wordt de steeds zeldzamer wordende kwaliteit om nog in ploeg te kunnen samenwerken met anderen vandaag beschouwd als de meest gezochte kwaliteit bij de aanwerving in talrijke bedrijven.

Wat specifiek is voor het kapitalisme is de uitbuiting op basis van de 'vrijheid' en 'gelijkheid' van de uitgebuiten. Vandaar het wezenlijk schijnheilig karakter van de burgerlijke moraal. Maar deze specificiteit wijzigt ook de rol die het geweld speelt in de schoot van de maatschappij.

In tegenstelling tot wat diegenen mogen beweren die het kapitalisme ophemelen, maakt dit niet minder maar veel meer gebruik van brute kracht dan de andere productiewijzen. Nochtans heeft het kapitalisme een kwalitatieve sprong gemaakt in het gebruik van het indirecte, morele en psychische geweld aangezien de ontwikkeling van het uitbuitingsproces zelf voortaan gebaseerd is op economische verhoudingen en niet op fysieke dwang. Laster, vernietiging van de individuele persoonlijkheid, het zoeken naar zondebokken, sociaal isolement, het systematisch slopen van de menselijke waardigheid en het zelfvertrouwen, zijn dagelijkse instrumenten geworden van de sociale controle. Meer nog, dit geweld is de uiting geworden van de democratische vrijheid, het morele ideaal van de burgerlijke maatschappij. Hoe meer de bourgeoisie haar toevlucht neemt tot dit indirect geweld en tot de overheersing van haar moraal tegen het proletariaat, hoe meer zij haar dictatuur versterkt.

De moraal van het proletariaat

 

De strijd van het proletariaat voor het kommunisme vormt tot op heden het hoogtepunt van de morele evolutie van de maatschappij. Dat betekent dat de arbeidersklasse de accumulatie erft van de vruchten van de beschaving, deze ontwikkelt op een kwalitatief hoger niveau en hen op die manier redt van hun uitroeiing door de kapitalistische ontbinding. Een van de voornaamste doelstellingen van de kommunistische revolutie is de overwinning van de sociale gevoelens en kwaliteiten over de antisociale impulsen. Zoals Engels stelde in de 'Anti-Dühring', zal een werkelijk menselijke moraal, voorbij de klassentegenstellingen, pas mogelijk worden in een maatschappij waarin niet alleen de klassentegenstellingen zelf, maar ook de herinnering eraan, verdwenen zullen zijn in de praktijk van het dagelijkse leven. Het proletariaat integreert in zijn beweging de oude gemeenschapsregels net zoals de verworvenheden van recentere en complexere uitingen van morele cultuur. Het gaat hier onder meer om de elementaire regels zoals het verbod op diefstal, die voor de arbeidersbeweging niet enkel gouden regels van solidariteit en wederzijds vertrouwen zijn, maar tevens een onvervangbare dam tegen de morele invloed van de bourgeoisie en het lompenproletariaat die haar vreemd is.

De arbeidersbeweging wordt ook gevoed door de ontwikkeling van het sociale leven, door de zorg om anderen, de bescherming van de kinderen, de ouderen, de zwakkeren en diegenen die in nood zijn. Hoewel de liefde voor de mensheid niet het voorrecht is van het proletariaat, zoals Lenin bevestigt, is het zich opnieuw toe-eigenen ervan door de arbeidersklasse noodzakelijkerwijze een kritisch element dat gericht is op het overstijgen van de ruwheid, de enggeestigheid en het provincialisme van de niet-proletarische uitgebuite lagen en klassen.

De opkomst van de arbeidersklasse als draagster van de morele vooruitgang is een perfecte illustratie van de dialectische aard van de sociale ontwikkeling. Door de radicale scheiding tussen de producenten en de productiemiddelen en hun complete onderwerping aan de marktwetten, heeft het kapitalisme voor het eerst een sociale klasse in het leven geroepen die radicaal vervreemd is van haar eigen menselijkheid. Het ontstaan van de moderne klasse van loonarbeiders is dus een geschiedenis van het opdoeken van de oude sociale gemeenschap en de verworvenheden daarvan. Deze ontmanteling van de oorspronkelijke mensengemeenschap heeft een ontworteling veroorzaakt, het zwerversbestaan en de criminalisering van miljoenen mannen, vrouwen en kinderen. Uitgesloten van de maatschappelijke sfeer, werden zij veroordeeld tot een proces zonder voorgaande van verloedering en morele ontaarding. Bij de dageraad van het kapitalisme, waren de arbeidersbuurten in de industriële regio's voedingsbodems voor onwetendheid, misdaad, prostitutie, alcoholisme, onverschilligheid en wanhoop.

In zijn studie over de arbeidersklasse in Engeland, was Engels al in staat om op te merken dat klassebewuste proletariërs de sector van de maatschappij vormden die het edelst, het menselijkst en het meest gevoelig waren voor respect. Later toen hij de balans opmaakte van de Commune van Parijs, onderstreepte Marx de heldenmoed, de opofferingsgeest en de passie voor Herculestaak van een Parijs dat streed, werkte en nadacht, in tegenstelling tot het parasiterende, sceptische en egoïstische Parijs van de bourgeoisie.

 Deze transformatie van het proletariaat, van het verlies naar de verovering van zijn eigen menselijkheid, is de uitdrukking van zijn specifieke klasse-aard van tegelijk uitgebuit en revolutionair te zijn. Het kapitalisme heeft de eerste klasse in de geschiedenis doen geboren worden die alleen maar zijn menselijkheid kan bevestigen en zijn identiteit en klasse-belangen tot uitdrukking brengen via de ontwikkeling van de solidariteit. Zoals nooit voordien, is de solidariteit het wapen geworden van de klassestrijd en het specifieke middel waarmee de toe-eigening, de verdediging en de grotere ontwikkeling van de menselijke cultuur mogelijk worden. Zoals Marx verklaarde in 1872: "Burgers! Herinneren wij ons het fundamentele beginsel van de Internationale: solidariteit. Het is pas wanneer wij dat levensnoodzakelijke beginsel bij de arbeiders van alle landen op vaste basis zullen gestoeld hebben dat wij in staat zullen zijn om het grote doel dat wij ons gesteld hebben te bereiken. De omvorming moet plaatsvinden binnen de solidariteit, dat is wat de Commune van Parijs ons leert". [6]

 Deze solidariteit van het proletariaat is het product van de klassestrijd. Zonder de constante strijd tussen de eigenaars van de bedrijven en de werkers, zegt Marx ons: "zou de arbeidersklasse van Groot-Brittannië en heel Europa een nederige, onderdrukte massa zijn, met een zwak karakter, uitgeput, wier ontvoogding dank zij haar eigen kracht compleet onmogelijk zou zijn, net zoals die van de slaven van het antieke Griekenland en van Rome". [7]

 En Marx voegt er aan toe: "om op een correcte manier de waarde van stakingen en coalities te waarderen, mogen wij onszelf niet toestaan om misleid te worden door de schijnbare onbeduidendheid van hun economische resultaten, maar moeten we ons boven alles hun morele en politieke gevolgen voor de geest houden".

 Deze solidariteit gaat gepaard met de morele verontwaardiging van de arbeiders die worden geconfronteerd met de verloedering van hun levensvoorwaarden. Deze verontwaardiging is een voorafgaande voorwaarde, niet alleen van hun strijd en de verdediging hun waardigheid maar ook van het ontluiken van hun bewustzijn. Na het fabriekswerk bepaald te hebben als een afstompingmiddel van de arbeiders, besluit Engels dat, indien de arbeiders "niet alleen in staat waren om hun gezondheid te redden, maar ook tot het ontwikkelen en verfijnen van hun inzicht op een hoger peil dan dat van de anderen" [8] dat enkel voortspruit uit de verontwaardiging ten overstaan van hun lot en tegenover de immoraliteit en de hebzucht van de bourgeoisie.

 De bevrijding van het proletariaat van het paternalistische karkas van het feodalisme heeft het in staat gesteld om de globale, politieke dimensie te ontwikkelen van deze 'morele resultaten' en dus van het ter harte nemen van zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de maatschappij in haar geheel. In zijn boek over de arbeidende klassen in Engeland, herinnert Engels er aan hoe, in Frankrijk, de politiek en, in Engeland, de economie, de werkers bevrijd hebben van 'apathie' ten opzichte van de algemene belangen van de mensheid”, een apathie die hen "geestelijk dood" maakte.

Voor de arbeidersklasse is haar solidariteit niet zomaar een instrument tussen de andere om te gebruiken als het pas geeft. Het is het wezen zelf van de strijd en van het dagelijks bestaan van de arbeidersklasse. Daarom zijn de organisatie en de centralisatie van haar gevechten een levendige uiting van deze solidariteit.

 De morele verheffing van de arbeidersbeweging is onafscheidelijk van het formuleren van zijn historische doeleinden. In de loop van zijn studies over de utopische socialisten, erkende Marx de ethische invloed van de kommunistische ideeën die "ons bewustzijn smeden".In zijn boek 'Het socialisme en de Kerken', herinnert Rosa Luxemburg er eveneens aan dat graad van criminaliteit gedaald was in de industriële arbeiderswijken van Warschau van zodra de arbeiders socialisten geworden waren.

De veruit hoogste uitdrukking van de menselijke solidariteit, van de ethische vooruitgang van de maatschappij tot op heden, is het proletarisch internationalisme. Dit beginsel is het onmisbare middel voor de bevrijding van de arbeidersklasse, dat de grondslagen legt voor de toekomstige menselijke gemeenschap. Het centrale karakter van dit beginsel en het feit dat het enkel door de arbeidersklasse kan verdedigd worden, onderstreept het hele belang van de morele zelfstandigheid van het proletariaat tegenover alle andere klassen en lagen van de maatschappij. Het is voor de bewuste arbeiders onmisbaar om zichzelf te bevrijden van de denkwijze en gevoelens van de bevolking in de brede zin van het woord, om hun eigen moraal te stellen tegenover die van de heersende klasse.

De solidariteit is niet enkel een onmisbaar middel om het kommunistische doel te verwezenlijken, maar het vormt ook het wezen zelf van dit doel.

De revoluties hebben altijd een nieuwe moraal voortgebracht. Ze kunnen niet opduiken en zegevieren zonder dat de massa's zich tevoren al nieuwe waarden en nieuwe ideeën eigen gemaakt hebben die hun strijdgeest, moed en vastberadenheid aanwakkeren.

De superioriteit van de morele waarden van het proletariaat vormt een van de belangrijkste middelen van zijn capaciteit om achter zich de andere niet-uitbuitende lagen mee te voeren. Hoewel het onmogelijk is om een kommunistische moraal volledig te ontwikkelen in de schoot van de klassenmaatschappij, kondigen de beginselen van de arbeidersklasse die uitgewerkt zijn door het marxisme, de toekomst aan en dragen ze er tot bij om de weg vrij te maken. Doorheen de strijd zelf past de arbeidersklasse steeds meer haar gedragingen en haar waarden aan aan haar eigen noden en doelstellingen en verwerft zo voor de mensheid een nieuwe menselijke waardigheid.

 Het proletariaat heeft geen nood aan morele illusies, en het verafschuwt de schijnheiligheid. Zijn belang ligt in het zich ontdoen van de moraal van alle illusies en alle vooroordelen. Als eerste klasse van de maatschappij die er een wetenschappelijk inzicht over heeft verworven, is het proletariaat de enige klasse die de andere zorg van de moraal, de waarheid, kan doen gelden. En het is geen toeval dat de krant van de Bolsjewistische partij juist Pravda, de 'Waarheid' heette.

Net zoals voor de solidariteit neemt deze oprechtheid een nieuwe en diepere betekenis. Tegenover het kapitalisme dat niet kan bestaan zonder leugens en bedrog en dat de sociale werkelijkheid verdoezelt, door er voor te zorgen dat de verhoudingen tussen de mensen verhoudingen tussen objecten lijken te zijn, is het doel van het proletariaat om de waarheid boven water te krijgen als het onmisbare middel voor zijn eigen bevrijding. Daarom heeft het marxisme nooit geprobeerd om de hindernissen op de weg naar de zege te minimaliseren, noch geweigerd om een nederlaag te erkennen. De hardste proef van deze oprechtheid is de waarachtig te zijn tegenover zichzelf. En wat geldig is voor de klassen is het eveneens voor de individuen. Natuurlijk kan dit streven om zijn eigen werkelijkheid te begrijpen pijnlijk zijn en mag het niet verstaan worden in een absolute zin. Maar de ideologie en de zelfbegoocheling staan in regelrechte tegenspraak tot de belangen van de arbeidersklasse.

Doordat het marxisme het onderzoek naar de waarheid in het centrum van zijn bezorgdheid plaatst, is het de erfgenaam van het beste wat de wetenschappelijke ethiek heeft voortgebracht. Voor het proletariaat is de strijd voor de helderheid de belangrijkste waarde. De houding die neerkomt op het vermijden en saboteren van debatten en opheldering is een belediging van deze waarde, want een dergelijke aanpak zet altijd de deur wijd open voor het binnendringen van ideologieën en gedragingen die vreemd zijn aan het proletariaat.

De strijd voor het kommunisme stelt het proletariaat trouwens voor nieuwe vraagstukken en plaatst het tegenover nieuwe dimensies van de ethische daad. De strijd voor de machtsovername bijvoorbeeld stelt direct het vraagstuk van de verhoudingen tussen de belangen van het proletariaat en die van de mensheid in haar geheel, in dit stadium van de geschiedenis, die met elkaar overeenstemmen zonder identiek te zijn. Tegenover de keuze tussen socialisme of barbarij, moet de arbeidersklasse bewust haar verantwoordelijkheden nemen ten opzichte van de mensheid als geheel. In september-oktober 1917, toen de voorwaarden voor de opstand rijp waren en tegenover het gevaar dat de uitbreiding van de revolutie zou mislukken en zou kunnen leiden tot verschrikkelijk lijden voor het wereldproletariaat, verdedigde Lenin dat men "het risico moest nemen" want toen stond het lot van de beschaving zelf op spel. Ook de politiek van de economische omvorming na de machtsovername stelt de arbeidersklasse voor de noodzaak om op een bewuste manier nieuwe verhoudingen te ontwikkelen tussen de mensen en de rest van de natuur in de mate dat deze niet langer de relatie kan zijn van een "overwinnaar op veroverd terrein" (Engels, Anti-Dühring). IKS.


[1] Deze visie wordt vooral ontwikkeld in de tekst 'Het vraagstuk van de werking van de organisatie in de IKS', gepubliceerd in Revue Internationale nr. 109.
[2] Josef Dietzgen: "The Religion of Social Democracy – Sermons", 1870, hfdst. V

[3] Anton Pannekoek, Anthropogenesis, Een studie naar de oorsprong van de mens, 1944.

[4] Lenin: Staat en revolutie

[5] Tolstoi: Wat is kunst? 1897. In een bijdrage over dit essay in Neue Zeit, verklaarde Rosa Luxemburg dat door een dergelijk standpunt te formuleren, Tolstoi blijk gaf van veel meer socialisme en historisch materialisme dan de meeste artikels die in de partijpers gepubliceerd werden.

[6] Marx: "Rede" op het Congres van Den Haag van de Internationale ArbeidersAssociatie, 1872.

[7] Marx: "De Russische politiek tegenover Engeland" - De arbeidersbeweging in Engeland, 1853

[8] Engels : De levensvoorwaarden van de werkende klassen in Engeland, 1845. Hoofdstuk: De verschillende arbeidstakken. de fabrieksarbeiders in de enge betekenis (Slavernij, fabrieksregels).


[1] Voor een overzicht van de gedragingen van de elementen van de FICCI: zie vooral onze artikels 'Doodsbedreigingen tegen militanten van de IKS', 'De publieke bijeenkomsten van de IKS verboden voor verklikkers', 'De politiemethodes van de FICCI' (respectievelijk in het territoriale blad Révolution Internationale voor Frankrijk nrs. 355, 338 en 330) en ook de 'Buitengewone conferentie van de IKS : De strijd voor de verdediging van de organisatiebeginselen' in Revue Internationale nr. 110 en '16e Congres van de IKS : Voorbereiding op klassegevechten en op het verschijnen van nieuwe revolutionaire krachten' in Revue Internationale nr. 122.

Erfenis van de Kommunistische Linkerzijde: 

Ontwikkeling van proletarisch bewustzijn en organisatie: