Darwin en de arbeidersbeweging

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Dit jaar herdenken wij de 200e verjaardag van de geboorte van Charles Darwin (en de 150e sinds het verschijnen van het boek: ‘Het Ontstaan van Soorten'). De marxistische vleugel van de arbeidersbeweging heeft Darwins buitengewone bijdragen tot het begrijpen van de mensheid zelf en de natuur altijd toegejuicht.

In vele opzichten was Darwin typisch voor zijn tijd, geïnteresseerd in het waarnemen van de natuur en blij om experimenten te doen met dierlijk en plantaardig leven. Zijn empirisch werk met, onder meer, bijen, kevers, wormen, duiven en eendenmossels, was nauwgezet en gedetailleerd. Darwins koppige belangstelling voor deze laatste was zo groot dat zijn jongere kinderen "begonnen te denken dat alle volwassenen er op een gelijkaardige manier mee bezig waren, één van hen vroeg zelfs over een buurman vroeg: ‘Waar houdt hij zijn eendenmossels?' "  (‘Darwin', Desmond & Moore).

Wat Darwin onderscheidde was dat hij in staat was om verder te gaan dan de details, om theorieën op te stellen en op zoek te gaan naar een historisch proces, waar anderen zich tevreden stelden met het catalogeren van de verschijnselen of het aanvaarden van de bestaande uitleg. Een typisch voorbeeld hiervan was zijn antwoord op het ontdekken van zeefossielen duizenden meters hoog in de Andes. Gewapend met de ervaring van een aardbeving en Lyells ‘Beginselen van de Geologie', was hij er toe in staat om te speculeren over de schaal van de aardkorstbewegingen die ervoor gezorgd hadden dat een zeebedding terecht gekomen was in de bergen, zonder dat hij hierbij zijn toevlucht moest nemen tot het bijbelse verhaal over de Zondvloed. "Ik hecht er een sterk geloof aan dat men zonder speculatie geen goede en originele waarnemingen kan doen" (zoals hij schreef in een brief aan AR Wallace, 22.12.1857).

Hij was evenmin bang om waarnemingen van een gebied te gebruiken in andere gebieden. Terwijl Marx de meeste geschriften van Thomas Malthus verachte, heeft Darwin diens ideeën over de menselijke bevolkingsaangroei gebruikt bij de ontwikkeling van zijn evolutietheorie. "In oktober 1838 las ik voor mijn ontspanning Malthus omtrent de bevolkingsaangroei, en er goed op voorberied om de strijd om het bestaan te aanvaarden die overal aan de gang is bij lang volgehouden waarnemingen van gewoontes van dieren en planten, trof het mij dat onder deze omstandigheden gunstige variaties de tendens hadden om bewaard te blijven, en de ongunstige om vernietigd te worden. Het resultaat daarvan zou het ontstaan zijn van nieuwe soorten. Hier had ik dan uiteindelijk een theorie gevonden waarmee ik kon werken" (Darwin's ‘Recollections of the Development of my mind and character', in het Nederlands ‘De Autobiografie van Darwin', uitg. Nieuwezijds, 2000).

Dit gebeurde 20 jaar vóór hij zijn theorie publiek bekend maakte met het ‘Ontstaan van Soorten', maar het wezenlijke was toen al aanwezig. In de ‘Oorsprong' legt Darwin uit dat hij de term ‘Strijd om het bestaan gebruikt in een brede en metaforische zin' en ‘voor het gemak van het gebruik' en dat hij met Natuurlijke Selectie bedoelt : "het bewaren van gunstige variaties en het verwerpen van nadelige variaties". De idee van evolutie was niet nieuw, maar reeds in 1838, was Darwin een verklaring aan het ontwikkelen over hoe de soorten evolueerden. Hij vergeleek de technieken van de hazewindkwekers en de duivenmelkers (kunstmatige selectie), met natuurlijke selectie en dacht dat dit ‘het mooiste deel was van mijn theorie' (Darwin, geciteerd in Desmond & Moore).

 

De methode van het historisch materialisme

 

Binnen de drie weken na de publicatie van  ‘Het Ontstaan van Soorten', schreef Engels naar Marx: "Darwin die ik net gelezen heb, is prachtig. De teleologie was nog niet met de grond gelijk gemaakt in één opzicht, maar dat is nu gebeurd. Bovendien was er tot op heden nooit zo een schitterende poging gedaan om de historische ontwikkeling in de natuur te bewijzen, ten minste met zoveel succes". De ‘vernietiging van de teleologie' verwijst naar de opduvel die ‘Het Ontstaan' verkocht aan alle religieuze, idealistische of metafysische ideeën die de verschijnselen veeleer proberen ‘te verklaren' vanuit hun doel dan vanuit hun oorzaak. Dit is fundamenteel voor een materialistische visie op de wereld. Zoals Engels schreef in ‘Anti-Dühring' (hfst 1), "deelde (Darwin) de metafysische opvatting over de natuur de zwaarste slag toe door zijn bewijsvoering dat alle organische wezens, planten, dieren en de mens zelf, producten zijn van een evolutie die al miljoenen jaren aan de gang is".

In zijn voorbereidend materiaal voor ‘Dialectiek van de Natuur' zette Engels de betekenis uiteen van ‘Het Ontstaan van Soorten'. "Darwin ging in zijn baanbrekend werk uit van de breedst bestaande basis van het toeval. Juist de oneindig kleine, toevallige verschillen tussen individuen van dezelfde soort, verschillen die versterkt worden tot ze de kenmerken van de soort doorbreken, (...) dwongen hem tot het in-vraag-stellen van de vroegere basis van alle regelmaat in biologie, namelijk de vroegere opvatting van de soorten in hun metafysische starheid en onveranderlijkheid".

Marx las ‘Het Ontstaan' een jaar nadat het gepubliceerd was, en schreef meteen aan Engels (19.12.1860): "dit is het boek dat de basis bevat van onze ideeën in de natuurlijke geschiedenis". Hij schreef later dat het boek "als natuurwetenschappelijke basis diende voor de klassenstrijd in de geschiedenis" (brief aan Lasalle, 16.1.1862).

Ondanks hun enthousiasme voor Darwin, waren Marx en Engels niet kritiekloos. Zij waren zich wel degelijk bewust van de invloed van Malthus, en ook van het feit dat de inzichten van Darwin gebruikt werden door het ‘Sociaal Darwinisme' om de status-quo te rechtvaardigen van de Victoriaanse maatschappij met grote weelde voor enkelen en gevangenis, werkhuizen, ziektes, hongersnood en emigratie voor de armen. In zijn inleiding tot de ‘Dialectiek van de Natuur' schetst Engels enkele gevolgen ervan. "Darwin wist niet wat voor bittere satire hij schreef over de mensheid, (...) toen hij aantoonde dat de vrije concurrentie, de strijd om het bestaan, die door de economisten gevierd wordt als de hoogste historische prestatie, de normale toestand is in het dierenrijk". Het is enkel de "bewuste organisatie van de maatschappelijke productie" die de mensheid kan weghalen uit de overlevingsstrijd naar de expansie van de productiemiddelen als basis van het leven, het genot en de ontwikkeling, en dat de ‘bewuste organisatie' een revolutie vereist van de producenten, de arbeidersklasse.

Engels zag ook waar de strijd van de mensheid (en het marxistische begrip ervan) Darwins kader oversteeg: "Het begrip van de geschiedenis als een opeenvolging van klassenstrijd is reeds veel rijper in inhoud en dieper dan de visie die haar louter herleidt tot fasen van strijd om het bestaan" (Dialectiek van de Natuur, nota's en fragmenten).

Hoe dan ook, dergelijke kritiek ondermijnt de status niet van Darwin in de geschiedenis van het wetenschappelijke denken. In een speech aan het graf van Marx benadrukte Engels dat "Net zoals Darwin de wet van de ontwikkeling van de organische materie ontdekte, ontdekte Marx de wet van de ontwikkeling van de menselijke geschiedenis".

 

Marxisme na Darwinisme

 

Terwijl Darwin in en uit de mode is geweest in het burgerlijk denken (maar niet bij de ernstige wetenschappers), is de marxistische vleugel van de arbeidersbeweging hem nooit afgevallen.

Plechanov beschrijft in een voetnoot bij ‘De Ontwikkeling van de monistische visie van de geschiedenis' (hfst 5), de verhouding tussen het denken van Darwin en Marx: "Darwin slaagde er in het probleem op te lossen van hoe plantaardige en dierlijke soorten ontstonden in de strijd voor het bestaan. Marx slaagde er in om het probleem op te lossen van hoe verschillende types van sociale organisatie opkwamen in de strijd van de mensheid voor zijn bestaan. Het is logisch dat het onderzoek van Marx begint daar waar het onderzoek van Darwin eindigt [...] De geest van hun onderzoek is absoluut dezelfde bij beide denkers. Om die reden kunnen wij zeggen dat marxisme darwinisme is dat toegepast is op de sociale wetenschap".

Een voorbeeld van de onderlinge relatie tussen marxisme en de bijdragen van Darwin komt terug in Kautsky's ‘Ethiek en de Materialistische Opvatting van de Geschiedenis'. Hoewel Kautsky het belang van Darwin overschat, gaat hij te rade bij de ‘Afstamming van de Mens', om  het belang te schetsen van altruïstische gevoelens, van sociale instincten in de ontwikkeling van de moraal. In hoofdstuk 5 van de ‘Afstamming', beschrijft Darwin hoe de ‘oermens' sociaal werd en hoe zij "elkaar moeten gewaarschuwd hebben bij gevaar, en wederzijdse steun verleend bij aanvallen. Dit houdt een zekere graad in van sympathie, trouw en moed". Hij schetst "Wanneer twee stammen van oermensen ... met elkaar wedijverden, en wanner de ene bestond uit ... een groter aantal moedige, sympathieke, en trouwe leden, altijd bereid elkaar te waarschuwen bij gevaar, elkaar te helpen en te verdedigen, dan zou deze stam er ongetwijfeld het best in slagen om de andere te verslaan. Laat het duidelijk zijn hoe allerbelangrijkst, in de nooit eindigende oorlogen van de wilden, de trouw en moed moeten zijn. Het voordeel dat gedisciplineerde soldaten hebben over ongedisciplineerde horden volgt hoofdzakelijk uit het vertrouwen dat elkmens heeft in zijn kameraden. (...) Zelfzuchtige en twistzieke volkeren hangen niet aaneen, en zonder eendracht kan niets doeltreffend worden bereikt" . Darwin overdrijft ongetwijfeld de graad waarin primitieve maatschappijen verwikkeld waren in constante oorlogvoering onder elkaar, maar de noodzaak tot samenwerking als basis voor het overleven was niet minder belangrijk in activiteiten als de jacht en bij de verdeling van het sociaal product. Dit is de andere zijde van de ‘strijd om het bestaan', waarin wij de triomf zien van de wederzijdse solidariteit en het vertrouwen over de verdeeldheid en het egoïsme.

 

Van Darwin naar een kommunistische toekomst

 

Anton Pannekoek was niet alleen een groot marxist, maar ook een vermaard sterrenkundige (een krater aan de verre kant van de maan en een asteroïde zijn naar hem genoemd). Geen enkele discussie over ‘Marxisme en Darwinisme' kan compleet zijn zonder te verwijzen naar zijn tekst met die naam uit 1909 (die we in de International Review gaan publiceren).

Om te beginnen verfijnt Pannekoek ons begrip van de verhouding tussen Marxisme en Darwinisme. "Hier zien wij dus hoe datzelfde principe van de strijd om het bestaan, dat Darwin formuleerde en waar Spencer de nadruk op legde, bij mens en dier verschillend werkt. Het principe dat de strijd tot een volmaking van de wapens leidt waarmee gestreden wordt, bewerkt bij mens en dier verschillende resultaten. Bij het dier leidt deze strijd tot een voortdurende ontwikkeling van de natuurlijke lichaamsorganen. Dit is de grondslag van de afstammingsleer, de kern van het darwinisme. Bij de mens leidt hij tot een voortdurende ontwikkeling van de werktuigen, van de techniek, van de productiekrachten. Dit is echter de grondslag van het marxisme. Hier blijkt dus dat marxisme en darwinisme niet twee onafhankelijke theorieën zijn, waarvan elk op haar gebied geldt en die niets met elkaar gemeen hebben. In werkelijkheid komen zij op hetzelfde grondprincipe neer. Zij vormen een eenheid. De nieuwe richting die met het ontstaan van de mens ingeslagen wordt, de vervanging van de natuurlijke organen door kunstmatige werktuigen bewerkt dat dit grondprincipe zich in de mensenwereld op geheel andere wijze uit dan in de dierenwereld, dat in de laatste het darwinisme, in de eerste het marxisme de ontwikkelingswet weergeeft". [Dierorgaan en mensenwerktuig]

 

Pannekoek weidde ook uit over het idee van het sociaal instinct op basis van de bijdragen van Kautsky en Darwin: "Nu echter zullen diegenen zich het beste staande kunnen houden, [deze zijn] waarin de sociale driften het sterkst ontwikkeld zijn. Waar deze zwak zijn, worden de dieren gemakkelijk een prooi van de vijanden of vinden zij minder goede weideplaatsen. Deze driften worden de gewichtigste en beslissende kenmerken, die de doorslag geven voor het in leven blijven in de strijd om het bestaan. Daardoor worden de sociale driften door de strijd om het bestaan tot de allerhoogste graad aangekweekt.

"(...) De diergroepen waarin het wederzijdse hulpbetoon het sterkst ontwikkeld is, houden zich het beste in de strijd om het bestaan staande." [Het maatschappelijk samenleven]

Dit onderscheid tussen sociale dieren en de homo sapiens ligt, onder andere, in hun bewustzijn.

"Voor de mensen geldt nu ook alles wat voor de sociale dieren geldt. Onze aapachtige voorouders en de oermensen die zich hieruit ontwikkeld hebben, waren weerloze zwakke dieren die, zoals bijna alle apensoorten, oorspronkelijk in troepen samenleefden. Hier moesten dus dezelfde sociale driften en gevoelens ontstaan die zich later bij de mensen tot zedelijke gevoelens ontwikkeld hebben. Dat onze zedelijkheid en moraal niets anders zijn dan de sociale gevoelens van de dierenwereld is overbekend. Ook Darwin sprak al van de met hun sociale instellingen in verband staande eigenschappen van de dieren, "die men bij de mensen zedelijke eigenschappen zou noemen". Het verschil ligt alleen in de mate van het bewustzijn. Zodra de sociale gevoelens aan de mensen zelf klaar bewust worden, krijgen zij het karakter van zedelijke gevoelens." [Het maatschappelijk samenleven].

Het ‘Sociaal Darwinisme' wordt ook onder vuur genomen door Pannekoek wanneer hij beschrijft hoe het ‘burgerlijk darwinisme' in een vicieuze cirkel terechtkwam waarbij de wereld die werd beschreven door Malthus en Hobbes zonder enige verrassing lijkt op de wereld die wordt beschreven door Hobbes en Malthus ! "Daardoor komt het dat onder het kapitalisme de mensenwereld het meest op de wereld van de roofdieren gelijkt. Daardoor komt het dat de bourgeois-darwinisten hun voorbeelden voor de mensenmaatschappij bij de eenzaam strijdende dieren zochten. Hun uitgangspunt was daarbij inderdaad de ervaring, en hun fout bestond slechts daarin dat zij de kapitalistische verhoudingen voor de eeuwig menselijke aanzagen. De overeenkomst van de bijzondere kapitalistische strijdmethoden met die van de alleen levende dieren heeft Engels in het historische gedeelte van zijn Anti-Dühring op deze wijze beschreven (blz. 293):

"De grote industrie tenslotte en het ontstaan van de wereldmarkt hebben de strijd universeel en tegelijkertijd van een ongehoorde heftigheid gemaakt. In een strijd tussen de afzonderlijke kapitalisten zowel als tussen gehele industrieën en gehele landen beslist de gunst van de natuurlijke of kunstmatige productievoorwaarden. De overwonnene wordt zonder genade uit de weg geruimd. Het is de darwinistische strijd om het bestaan, man tegen man, uit de natuur met verdubbelde woede op de maatschappij overgebracht. Het natuur standpunt van het dier verschijnt hier als hoogtepunt van de menselijke maatschappij". [Kapitalisme en Socialisme].

 

Maar de kapitalistische levensomstandigheden zijn niet eeuwigdurend, en de werkende klasse is in staat om ze omver te werpen te werpen en een eind te maken aan de verdeling van de maatschappij in klassen met tegenstrijdige belangen.

"Met het verdwijnen van de klassen wordt de gehele beschaafde mensheid een grote solidaire productiegemeenschap. Daarvoor geldt hetzelfde wat voor elke gemeenschappelijke groep geldt. Binnen de groep houdt de wederzijdse strijd om het bestaan op. Deze wordt alleen nog maar naar buiten gevoerd. Maar in plaats van de vroegere kleine groepen is nu de hele mensheid gekomen. Dat wil dus zeggen dat de strijd om het bestaan in de mensenwereld ophoudt. Hij wordt alleen nog naar buiten gevoerd, niet meer als een wedstrijd tegen soortgenoten, maar als strijd om het levensonderhoud tegen de natuur. Maar de ontwikkeling van de techniek en van de daarmee gepaard gaande wetenschap bewerkt dat deze strijd nauwelijks meer een strijd genoemd kan worden. De natuur is aan de mensen onderworpen en biedt hun, met geringe moeite van hun kant, een zeker en overvloedig levensonderhoud. Daarmee slaat de ontwikkeling van de mensheid nieuwe banen in. Het tijdvak waarin zij zich geleidelijk uit de dierenwereld verhief en de strijd om het bestaan in eigen, door het werktuiggebruik bepaalde vormen voerde, neemt een einde. De menselijke vorm van de strijd om het bestaan houdt op, een nieuw hoofdstuk van de menselijke geschiedenis begint."[Kapitalisme en Socialisme].

 

Car 28.1.2009