Briefwisseling met een lezer uit Canada: De nationale en democratische eisen, gisteren en vandaag

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Wij hebben onlangs een briefwisseling gevoerd met een lezer in Québec (Canada), die ons ertoe heeft aangezet om opnieuw onze visie over de strijd voor ‘nationale bevrijding' uiteen te zetten. We gaan bovendien ook in op het vraagstuk van de ‘democratische eisen'. Een onderwerp waarover we, anders dan over het nationale vraagstuk, nog niet eerder een specifieke tekst hebben ontwikkeld. Aangezien de argumenten die wij aan onze lezer gaven een algemene betekenis hebben en we ermee willen antwoorden op een ernstige vraagstelling die binnen de arbeidersklasse leeft, denken we dat het nuttig is om deze briefwisseling vrij uitvoerig weer te geven.

In een van zijn eerste brieven vroeg onze correspondent wat de IKS denkt over het nationale vraagstuk in Québec.

Dit was ons eerste antwoord:

"Het nationale vraagstuk in Québec is in wezen niet verschillend van datgene wat sinds meer dan een eeuw gesteld werd door alle bewegingen voor nationale onafhankelijkheid. Het komt neer op een versterking van de nationalistische illusies voor het proletariaat en een verzwakking van zijn strijd. Wij menen dat elke organisatie die hier, in Québec, de eis steunt van onafhankelijkheid van de ‘Belle Province' (= ‘de mooie provincie'), bewust of onbewust, deelneemt aan de verzwakking van het proletariaat van Québec, van Canada en van Noord-Amerika."

De gevaren van het Québecse nationalisme

In een tweede brief over dit vraagstuk verduidelijkten wij dit standpunt:

Over het specifieke vraagstuk van Québec en de houding die wij moeten aannemen tegenover de onafhankelijkheidsbeweging schrijf je in je tweede brief van 1 januari 2007: "Wat Québec betreft, versta ik jullie bezwaar tegen de onafhankelijkheid van Québec en tegen het nationalisme in Québec, maar ik denk niet dat het Canadese nationalisme ‘progressiever' is, verre daarvan. Ik geloof dat men zich resoluut moet verzetten tegen alle campagnes ter verdediging van de Canadese staat en voor het behoud van de ‘nationale eenheid' van Canada. Canada is een imperialistische en onderdrukkende staat, die volkomen met de grond gelijk gemaakt moet worden. Ik wil daarmee niet zeggen dat men de onafhankelijkheid van Québec en van de autochtone volkeren zou moeten steunen, maar men moet ook elke steun verwerpen aan het Canadees-Engelse chauvinisme dat een overheersende rol speelt in de Canadese staat".

Voor de communisten staat het buiten kijf om ook maar de minste steun te verlenen aan het Canadese-Engelse chauvinisme, net zo min als aan om het even welk chauvinisme. Je spreekt over het ‘Canadese-Engelse chauvinisme' en over het ‘nationalisme in Québec'. Waarmee komt dit verschil in kwalificatie overeen? Ben je van mening dat het nationalisme in Québec minder schadelijk is voor de arbeidersklasse dan het Canadees-Engelse nationalisme ? Dat is zeker niet onze mening. Om dat te illustreren kunnen wij een hypothetische, maar niet vergezochte situatie veronderstellen, die van een krachtige arbeidersbeweging van de arbeidersklasse in Québec die, in het begin, niet overslaat op de Engelstalige provincies. Het is duidelijk dat de Canadese bourgeoisie (en daarbij inbegrepen die van Québec) al het mogelijk in het werk zou stellen om te verhinderen dat deze beweging zich zou uitbreiden naar haar provincies. En een van de beste middelen om dit te bewerkstelligen, is dat de arbeiders van Québec hun proletarische klassen-eisen zouden vermengen met eisen van onafhankelijkheid en zelfstandigheid. Zo behoort het nationalisme in Québec tot het ergste gif voor het proletariaat in Québec en voor het geheel van het proletariaat in Canada. Waarschijnlijk is het nog gevaarlijker dan het Canadees-Engelse nationalisme omdat het onwaarschijnlijk lijkt dat een klassebeweging van de Engelstalige arbeiders geïnspireerd zou kunnen worden door een oppositie tegen de onafhankelijkheid van Québec.

In een situatie die vergeleken kan worden met die van Québec binnen de Canadese staat, schreef Lenin met betrekking tot de onafhankelijkheid van Polen: (1)

"De toestand is inderdaad zeer verward, maar er is een uitweg waarbij alle deelnemers toch internationalisten zouden blijven: als de Russische en Duitse sociaal-democraten de onvoorwaardelijke ‘vrijheid van afscheiding' van Polen zouden eisen, de Poolse sociaal-democraten zich zouden inspannen om de éénheid van de proletarische strijd te verwezenlijken in zowel kleine als grote landen zonder het ordewoord van de onafhankelijkheid van Polen te lanceren  in het gegeven tijdperk of de gegeven periode". (2)

Zo zouden de communisten, als ze werkelijk trouw wilden blijven aan het standpunt van Lenin, de onafhankelijkheid van Québec moeten verdedigen in de Engelstalige provincies, maar moeten weigeren om een dergelijke houding aan te nemen in Québec zelf ...

Wij delen dit standpunt van Lenin niet. We denken dat men dezelfde taal moet spreken tegen alle arbeiders, wat ook hun nationaliteit of taal moge zijn. Dat is wat wij bijvoorbeeld doen in België, waar onze krant ‘Internationalisme' exact dezelfde artikelen publiceert in het Frans als in het Nederlands. Dit gezegd hebbende, moet men erkennen dat het standpunt van Lenin, ook al was het verkeerd, geïnspireerd is geweest door een onbesproken internationalisme. Dat laatste is zeker niet het geval in Québec, wanneer men niet krachtdadig het nationalisme en de onafhankelijkheids-eisen aanklaagt.

Het antwoord van onze lezer op deze brief was nogal heftig:

"Ik geloof dat jullie een fundamenteel verkeerde visie hebben op de verhouding tussen het nationalisme van Québec en het Anglo-Canadees chauvinisme. Dit laatste is OVERHEERSEND binnen de Canadese staat en voedt het anti-Québecse en anti-Franstalige racisme. Het wezen van dit chauvinisme en zijn worteling in de Anglo-Canadese arbeidersklasse belet elke éénmaking van de pan-canadese arbeidersklasse. Het moedigt de ontwikkeling aan van nationalistische tendensen bij de arbeiders van Québec. Eén van die aspecten is de weigering van de tweetaligheid, die in ieder geval meer een mythe dan een werkelijkheid is in Canada. Het merendeel van de Frans sprekenden wordt verplicht om Engels te spreken en het merendeel van de Engelstaligen weigert om Frans te spreken."

"In tegenstelling tot wat jullie zeggen is de arbeidersbeweging in Canada gebaseerd op de verdediging van de Canadese éénheid en van de integriteit van de Canadese staat en dat ten koste van die van Québec en de Eerste Naties. Er zal NOOIT éénheid komen onder de arbeidersklasse in Canada zolang als de onderdrukking van de nationale minderheden en het Anglo-chauvinistische racisme voortduren..."

"Het is één zaak om het nationalisme van Québec te verwerpen en de onafhankelijk-heid van Québec te beschouwen als een doodlopend straatje en zelfs als een bedrog voor de arbeidersklasse, maar er ligt een reusachtige marge tussen dat en beweren dat het ‘gevaarlijker' is dan het Engelstalige chauvinisme, dat gelijkenissen vertoont met het Orangisme van Noord-Ierland !"

"De Canadese regering doet al wat in haar macht ligt om Québec met geweld binnen de Confederatie te houden, en gaat zelfs zover met het dreigen van het niet erkennen van het positief resultaat van het referendum van 1995, en zelfs het in stukken hakken van een eventueel onafhankelijk Québec volgens etnische lijnen, wat men de opdeling van Québec heeft genoemd. Vervolgens was er de wet op de Helderheid van referenda waarbij de federale regering zich het recht aanmatigde om te beslissen over de regels van een toekomstig referendum over de soevereiniteit op het punt van de noodzake-lijke meerderheidsdrempel voor het verwezenlijken van de onafhankelijkheid van Québec."

"Kom  vooral niet aandraven met het feit dat het Anglo-canadees chauvinisme minder schadelijk zou zijn voor de arbeidersklasse. Ik nodig jullie met aandrang uit om zelf informatie in te winnen en om  jezelf te documenteren over het vraagstuk van de onafhankelijkheid van Québec".

We hebben hierop als volgt geantwoord:

Afgaande op je berichten hebben wij gemerkt dat je het heftigst reageert op het idee dat wij, op één of andere manier, zouden denken dat het nationalisme van Québec "gevaarlijker zou zijn dan het Anglo-Canadese chauvinisme, dat gelijkenissen vertoont met het orangisme van Noord-Ierland".

Wij betwijfelen niet de feiten die je geeft om jouw kritiek op ons standpunt te staven, namelijk dat "het Anglo-Canadese chauvinisme OVERHEERSEND is binnen de Canadese staat, dat het voedsel geeft aan het anti-Québec en het anti-Franstalige" en dat het "de ontwikkeling begunstigt van nationalistische tendensen bij de arbeiders van Québec". Wij zijn eveneens bereid om te erkennen dat "het Engelstalige chauvinisme van Québec gelijkenissen vertoont met het protestants orangisme van Noord-Ierland".

We gaan ons antwoord op dit laatstgenoemde argument baseren.

Het komt ons voor dat je een verkeerde interpretatie maakt van onze analyse. Wanneer we schrijven dat het nationalisme van Québec voor de arbeidersklasse gevaarlijker kan blijken te zijn dan het Engelse nationalisme, bedoelen we geenszins dat dit laatste een soort ‘geringste kwaad' vertegenwoordigt of dat het minder verfoeilijk zou zijn dan het eerste. In feite klopt het dat, naarmate de Franstalige bevolking een vorm van nationale onderdrukking door de Canadese staat ervaart, de onafhankelijk-heidseisen zich kunnen presenteren als een soort strijd tegen die onderdrukking. En het is waar dat de klassestrijd van het proletariaat ook een strijd tegen onderdrukking is. Juist daarin schuilt het grootste gevaar.

Wanneer de Engelssprekende arbeiders de strijd aangaan tegen de aanvallen door de federale regering op de arbeidersklasse is er weinig kans dat in hun strijd de eis opduikt van het voortzetten van de nationale onderdrukking van de Franssprekende arbeiders, omdat de laatsten zelf ook slachtoffers zijn van diezelfde aanvallen. Zelfs als de Engelstalige arbeiders, in normale omstandigheden, geen bijzondere sympathie hebben voor de Franstalige, zou het verwonderlijk zijn wanneer zij, in een botsing met de bourgeoisie, hen als zondebokken zouden beschouwen. Inderdaad toont de geschiedenis aan dat, wanneer de arbeiders de strijd aangaan (een echte strijd breidt zich uit en lijkt niet op ‘acties' zoals de vakbonden ze organiseren en wier rol is om de strijdbaarheid van de arbeiders te saboteren en af te leiden) er bij hen een sterke neiging bestaat om solidariteit tot uiting te brengen jegens andere arbeiders met wie zij een gemeenschappelijke vijand hebben.

Nogmaals, wij kennen de toestand in Canada niet zo heel goed, maar wij hebben velerlei ervaringen van dien aard in Europa. Ondanks de nationalistische tamtam waarvan bijvoorbeeld de Vlaamse en Waalse arbeiders het slachtoffer zijn in België, ondanks het feit dat de politieke partijen en vakbonden georganiseerd zijn op ‘communautaire' basis, hebben wij kunnen vaststellen dat de arbeiders bij belangrijke strijd in dit land zich weinig aantrokken van hun taalkundige en geografische oorsprong, en dat zij er zelfs voldoening bij vonden om met elkaar zij aan zij op te trekken, terwijl men ‘onder normale omstandigheden' niets anders doet dan ze tegen elkaar opzetten. Een ander voorbeeld werd ons (ruim) een jaar geleden gegeven in een Europees land waar het nationalisme zeer grote druk uitoefent, namelijk Noord-Ierland. Inderdaad zijn de katholieke en protestantse postbodes van Belfast samen in staking gegaan in 2006 en hebben ze in de protestantse en katholieke wijken samen tegen hun gemeenschappelijke vijand betoogd. (3)

Je schrijft: "Er zal NOOIT éénheid komen onder de arbeidersklasse in Canada zolang de onderdrukking van de nationale minderheden en het Anglo-chauvinis-tische racisme voortduren." Het lijkt alsof je bijgevolg beweert dat het verwerpen van hun ‘eigen' chauvinisme door de Engelssprekende arbeiders een soort voorafgaande voorwaarde is alvorens zich een éénheids-strijd zou kunnen gaan ontwikkelen tegen de Canadese bourgeoisie. In feite logenstraffen de historische ervaringen een dergelijk schema: het is in het verloop van de ontwikkeling van de klassegevechten, en niet op voorhand, dat de arbeiders er toe komen om misleidingen van allerlei soort te doorbreken, daarbij inbegrepen de nationalistische misleidingen, die door de bourgeoisie gebruikt worden om haar overheersing over te maatschappijen te behouden.

Tenslotte, wanneer we zeggen dat het nationalisme van Québec gevaarlijker kan blijken dan het Engelssprekende dan is het JUIST omdat er een vorm van nationale onderdrukking bestaat jegens de Franstalige arbeiders. Terwijl deze laatsten de strijd aangaan tegen de federale staat, lopen zij het risico om ontvankelijker te zijn voor praatjes dat de klassestrijd en de strijd tegen de nationale onderdrukking elkaar aanvullen.

Met dit vraagstuk is het net zo gesteld zoals met het vraagstuk van de democratie en het fascisme. Het zijn twee vormen van de klassenheerschappij van de bourgeoisie, van de dictatuur van deze klasse. De tweede onderscheidt zich van de eerste door haar grotere brutaliteit in het uitoefenen van deze dictatuur, maar dat wil niet zeggen dat de communisten zouden moeten kiezen voor het ‘minste kwaad' tussen beiden. In feite heeft de geschiedenis van de Russische en de Duitse revolutie tussen 1917 en 1923 aangetoond dat het grootste gevaar voor de arbeidersklasse niet komt van de openlijk reactionaire of ‘vrijheidslievende' partijen, maar van de ‘sociaal-democratische', van diegenen die vaak het meeste vertrouwen genieten bij de arbeiders.

Een laatste voorbeeld van het gevaar van nationalisme bij onderdrukte naties is dat van Polen.

De onafhankelijkheid van Polen tegen de tsaristische onderdrukking was één de centrale eisen van de 1e en de 2e Internationale. Nochtans hebben Rosa Luxemburg en haar Poolse kameraden deze eis in vraag gesteld door naar voren te brengen dat voornamelijk de eis van de socialisten voor de onafhankelijkheid van Polen het risico in zich droeg om het proletariaat van dit land te verzwakken. In 1905 stond het proletariaat van Polen in de voorhoede van de strijd tegen het tsaristische regime. In 1917 daarentegen werd deze ingeslagen weg niet vervolgd. In tegendeel: één van de meest interessante middelen die de Anglo-Franse bourgeoisie heeft uitgedokterd om het Poolse proletariaat te verlammen en een nederlaag toe te brengen, was het toekennen van de onafhankelijkheid van Polen. De arbeiders van dit land werden opgenomen in een nationalistische wervelwind die hen zich deed afkeren van de revolutie die zich achter hun oostgrens afspeelde, en bracht sommigen er zelfs toe om zich in te lijven bij de troepen die deze revolutie bestreden.

Welk nationalisme bleek er tenslotte het gevaarlijkst: het verfoeilijke ‘groot-Russische' chauvinisme dat werd aangevallen door Lenin, vol van misprijzen voor de Polen en andere nationaliteiten, maar dat werd voorbijgestreefd door de Russische arbeiders op het ogenblik van de revolutie, of het nationalisme van arbeiders van een onderdrukte natie bij uitstek, Polen ?

Het antwoord op deze vraag is wat ons betreft duidelijk. Maar er dient aan worden toegevoegd dat het feit dat de Poolse arbeiders na 1917 in meerderheid de nationalistische sirenenge-zangen zijn gevolgd, tragische gevolgen heeft gehad. Hun afzijdig-heid tegenover de revolutie, zelfs hun vijandigheid tegenover haar, hebben belet dat de Russische en Duitse revolutie zich geografisch konden aaneensluiten. En wanneer deze verbinding gemaakt had kunnen worden, was het mogelijk geweest dat de wereldrevolutie het toch gehaald zou hebben en daardoor de mensheid had kunnen redden van heel de barbaarsheid van de 20e eeuw, die nu nog voortduurt.

Na deze brief schreef onze lezer:

"Wat het nationale vraagstuk betreft, kan ik begrijpen dat jullie je verzetten tegen nationalistische eisen, maar ik geloof niet dat dit moet leiden tot het sluiten van de ogen voor de nationale onderdrukking. Bijvoorbeeld: in de jaren 1960 en 70 was één van de voornaamste eisen van de arbeiders van Québec het recht om in het Frans te werken, want een groot aantal bedrijven en handelszaken, vooral in de streek van Montréal, functioneerde louter in het Engels. Er is grote vooruitgang geboekt op dat vlak, maar er valt nog veel te doen. Volgens mij kan men er niet omheen om dit soort democratische eisen te ondersteunen. Men moet aan de arbeiders niet zeggen ‘wacht tot het socialisme er gekomen is om dat te regelen' zelfs al is het kapitalisme er niet toe in staat, door zijn aard zelf, om een einde te maken aan de nationale onderdrukking. (...)

"Ik denk niet dat dit soort van (democratische) eisen, ook al zijn ze niet revolutionair, de éénheid van het proletariaat schade toebrengen. Geheel in tegendeel! Het recht om in zijn eigen taal te werken, zelfs al maakt dat geen einde aan de onderdrukking, is voor de arbeiders een recht waar men niet omheen kan. In de jaren 1960 hadden de arbeiders van Québec zelfs niet het recht om zich in het Frans te richten tot hun ploegbazen in verschillende bedrijven in de buurt van Montréal. Bepaalde restaurants in het westen van Montréal hadden menu's die uitsluitend ééntalig in het Engels waren opgesteld en de grote handelszaken van deze sector functioneerden uitsluitend in het Engels."

"Zoals ik vermeld heb in mijn boodschap, is de toestand veel verbeterd sinds die tijd, maar er is nog veel vooruitgang te boeken, vooral in de kleine bedrijfjes van minder dan 50 werknemers. Op het pan-Canadese vlak is de tweetaligheid verre van werkelijkheid ondanks de officiële mooipraterij."

"Wat betreft het nationale vraagstuk van Québec, hebben jullie mij gevraagd waarom ik de term chauvinisme gebruik voor het Anglo-Canadese nationalisme en dat ik niet hetzelfde doe voor het nationalisme van Québec. Over het algemeen gebruiken de organisaties van links het woord chauvinisme om het Canadees-Engelse nationalisme aan te duiden, want het is de overheersende natie binnen de Canadese staat. Dat wil niet zeggen dat het nationalisme van Québec ‘progressiever' zou zijn dan zijn Canadees-Engelse tegenspeler."

"De Canadees-Engelse arbeidersbeweging heeft reeds de vlag van de éénheid gehesen tijdens de algemene staking van 1972 in Québec. En inderdaad hebben de NDP (Nieuwe Democratische Partij) en de CTC (Arbeiderscongres van Canada) deze staking aangeklaagd als ‘separatistisch' en als ‘schadelijk voor de Canadese éénheid' ! Volgens mij moet een internationalistisch standpunt zich resoluut verzetten tegen de twee burgerlijke kampen en de twee nationalismen (het Canadees-Engels en het Québecse). Zelfs indien vandaag een beweging van de arbeidersklasse in Engels Canada weinig kans heeft om zich te baseren op de verdediging van de onderdrukking van de Québecois, dan is het Engelstalige chauvinisme overal in Canada nog heel erg aanwezig en het is schadelijk voor de éénheid van de arbeidersklasse. Elke verde-diging van de Canadese staat en haar zogenaamde ‘éénheid' is minstens even reactionair als het propageren van de onafhankelijkheid van Québec".

Op de verschillende brieven van de kameraad over de vraag van eisen tegen taalkundige onderdrukking hebben wij een uitvoerig antwoord geschreven:

Beste kameraad,

Met deze brief zetten wij de discussie over het nationale vraagstuk en voornamelijk over de kwestie Québec met jou voort.

In de eerste plaats willen we onderstrepen dat wij het absoluut eens zijn met de bewering dat:

"... het moet duidelijk zijn dat het verzet tegen de onafhankelijkheidsbeweging van Québec niets te maken heeft met de verdediging van de imperialistische staat Canada en dat dit het Canadese nationalisme volledig verwerpt. Het Canadese federalistische kamp verdient evenmin steun als het onafhankelijkheidskamp van Québec".

En ook:

"... een internationalistisch standpunt moet zich resoluut en zonder compromis verzetten tegen beide burgerlijke kampen en tegen de twee nationalismen (het Canadees-Engelse en het Québecse)".

Vandaag betekent internationalisme inderdaad dat men aan GEEN ENKELE nationale staat nog steun mag verlenen. Wij moeten preciseren vandaag want dat is niet altijd zo geweest. In de 19e eeuw was het voor de internationalisten mogelijk om niet alleen bepaalde strijd voor nationale onafhankelijk te ondersteunen (het klassiek voorbeeld was de onafhankelijkheidsstrijd van Polen bijvoorbeeld), maar tevens van bepaalde nationale staten. Zo hebben Marx en Engels tijdens de verschillende oorlogen die Europa teisterden in het midden van de 19e eeuw, dikwijls partij gekozen voor het ene of andere kamp al naar gelang zij vonden dat de overwinning van de ene of de andere natie de opkomst van de bourgeoisie tegen de feodale reactie (gesymboliseerd door het tsarisme) zou begunstigen. Marx heeft eveneens, in naam van de Algemene Raad van het IWV, in december 1864, een gelukwens gestuurd naar de Amerikaanse president Lincoln, ter gelegenheid van zijn herverkiezing en als steun aan zijn politiek tegen de poging tot afscheiding van de Zuidelijke Staten (in dat geval hebben Marx en Engels zich krachtdadig verzet tegen een eis van nationale onafhankelijkheid!).

In feite zijn wij daarmee tot de kern van het vraagstuk van de ‘democratische eisen' doorgedrongen, dat je opwerpt:aanhaalt:

"... in de jaren 1960 en 70 was één van de voornaamste eisen van de arbeiders van Québec het recht om in het Frans te werken... Volgens mij kan men er niet omheen om dit soort democratische eisen te ondersteunen. Men moet aan de arbeiders niet zeggen ‘wacht tot het socialisme er gekomen is om dat te regelen' zelfs al is het kapitalisme er niet toe in staat, door zijn aard zelf, om een einde te maken aan de nationale onderdrukking."

... ik denk niet dat dit soort van eisen, ook al zijn ze niet revolutionair, de éénheid van het proletariaat schade toebrengen".

De democratische eisen in de 19e eeuw

Om het bijzondere geval van de eisen van taalgebruik (en voornamelijk die van het uitbannen door de Canadese gezaghebbers van de Franstaligheid) op een correcte manier te behandelen, moeten we terug te komen op het algemene vraagstuk van de ‘democratische eisen'.

De formule zelf is veelbetekenend:

- eis : het gaat om een eis die gericht wordt tot een gezag (en met inbegrip van het gebruik van geweld) dat geacht wordt hieraan, goedschiks of kwaadschiks, te voldoen. Dat betekent dat dus dat de beslissingsmacht niet ligt bij diegenen die deze eis naar voren brengen, zelfs al kunnen zij natuurlijk de machthebbers ‘er toe dwingen' dank zij een gunstige krachtsverhouding (bijvoorbeeld: loonsverhoging of terugtrekking van een anti-arbeiders maatregel die wordt verkregen dank zij een massale mobilisering van de arbeiders. Wanneer een baas ertoe wordt gedwongen om toe te geven wat dat overigens niet wil zeggen dat hij daarmee de beslissingsmacht in de onderneming kwijt zou zijn).

- democratie : etymologisch gezien ‘macht van het volk'. De ‘democratie' is in het Athene van de Oudheid uitgevonden (heel beperkt trouwens, aangezien de slaven, de ‘vreemdelingen' en de vrouwen ervan waren uitgesloten), en het is, bij wijze van spreken de bourgeoisie die haar in haar ‘geloofsbrieven' heeft opgenomen.

In feite gaat de opkomst van de bourgeoisie in de maatschappij gepaard met de ontwikkeling van de verschillende symbolen van de ‘democratie'. Dit is geen toeval maar stemt overeen met de behoeften van de burgerlijke klasse om de politieke, economische en sociale voorrechten van de adel af te schaffen. Voor deze laatste en voor zijn hoogste vertegenwoordiger, de koning, is deze macht in wezen goddelijk. Zij hoeft er, in principe, geen verantwoording over af te leggen (tenzij aan de Allerhoogste), zelfs al zijn, in Frankrijk bijvoorbeeld, tussen 1302 en 1789 de staten generaal, als vertegenwoordigers van de adel, de clerus en de ‘derde stand', 21 maal bijeen gekomen om hun advies te geven  over financiële kwesties of over de manier van regeren. Het was juist tijdens de laatste bijeenkomst van de staten generaal dat zij, onder druk van de boeren en de arbeidersreacties in de steden, en geconfronteerd met het financieel bankroet van de monarchie, het proces van de Franse revolte op gang brengen (namelijk het afschaffen van de voorrechten en het inperken van de machten van de koning). Van toen af aan ging de Franse bourgeoisie haar politieke macht vestigen, naar het beeld van wat de Engelse bourgeoisie anderhalve eeuw eerder had gedaan. Deze was nog niet erg ‘democratisch', wanneer men terugdenkt aan de autocratische macht van Napoléon de Eerste, erfgenaam van de Revolutie van 1789.

 Het algemeen  stemrecht

Inderdaad, wanneer men in overweging neemt dat zij vindt dat de adel geen stem meer heeft in het kapittel, vat de bourgeoisie de ‘democratie' slechts in haar eigen belang op. Haar leuze is ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap' en zij vaardigt uit dat "de mensen bij de geboorte vrij zijn en gelijk in rechten" (Verklaring van de Mensen-rechten). Ook al werd het algemeen stemrecht opgenomen in de grondwet van 1793, toch werd het pas werkelijkheid in Frankrijk op 2 maart 1848, in het kielzog van de Februarirevolutie. En het is pas later dat dit algemeen stemrecht ingevoerd zal worden in de andere ‘ontwikkelde' landen: in Duitsland in 1871,  in Nederland in 1891, in Oostenrijk in 1906, in Zweden in 1909, in Italië in 1912, in België in 1919 net na... het heel ‘democratische' Engeland. In de 19e eeuw vormde in de meeste landen van Europa het censusstemrecht de grondslag van de burgerlijke democratie. Dat wil zeggen dat alleen diegenen konden stemmen die een bepaalde inkomensbelasting betaalden (in bepaalde gevallen gaf het belastingpeil zelfs recht op meerdere stemmen). De arbeiders en de andere armen, dus de grote massa van de bevolking, werden zo uitgesloten van het verkiezingsproces. Daarom vormde het algemeen stemrecht één van de voornaamste eisen van de arbeidersbeweging uit die tijd. Dat is voornamelijk het geval in Engeland, waar de eerste massabeweging van de arbeidersklasse, het Chartisme, rond dit vraagstuk werd opgericht. De bourgeoisie bleef er jarenlang tegen gekant omdat ze vreesde dat de arbeiders hun stembiljetten zouden gebruiken om haar de macht binnen van de staat te betwisten. Deze vrees werd voornamelijk gedragen door de meest achterlijke sectoren van de bourgeoisie, die dicht tegen de aristocratie bleven aanschurken (de aristocratie had in sommige landen haar economische voorrechten opgegeven, in ruil voor vrijstelling van belasting, maar wist een machtspositie binnen van de staat te handhaven, voornamelijk in het militaire apparaat of in het diplomatiek corps). Daarom waren er destijds bondgenootschappen tussen de arbeidersklasse en bepaalde sectoren van de bourgeoisie mogelijk. Dat was vooral het geval in Parijs in februari 1848, toen de revolutie de steun kreeg van de arbeiders, de ambachtslieden, van de ‘liberale' bourgeoisie (bijvoorbeeld van de dichter Lamartine), en zelfs van de ‘legiti-mistische' monarchisten die koning Louis-Philippe als een onderdrukker beschouwden. Desalniettemin zou de klassentegen-stelling tussen bourgeoisie en proletariaat snel aan de oppervlakte komen tijdens de ‘junidagen' van 1848 waarbij, na de opstand van de arbeiders tegen de sluiting van de nationale werkplaatsen, 1500 van hen werden vermoord en 15.000 naar Algerije werden gedeporteerd. Sindsdien begrepen de meest dynamische sectoren van de bourgeoisie dat zij profijt konden trekken uit het algemeen stemrecht tegen de achterlijke sectoren, die een hindernis vormden voor de economische vooruitgang. Tijdens de volgende periode heeft de bourgeoisie zich voorzien van een politiek systeem dat een combinatie vormde van autocratie (Napoléon III) en algemeen stemrecht, dank zij het gewicht van een reactionaire boerenklasse. Het was in feite een met algemeen stemrecht gekozen landelijke volksvertegenwoordiging (de ‘ruraux') die besliste over de onderdrukking van de Commune van Parijs in 1871, en die aan Thiers volmachten verleende om de afslachting van 30.000 arbeiders in de ‘bloedige week' van eind mei aan te voeren.

Zo leverden twee decennia algemeen stemrecht in Frankrijk het bewijs dat de heersende klasse zich goed wist aan te passen aan deze organisatiewijze van haar instellingen.

Marx en Engels waarschuwden tegen het ‘parlementair cretinisme'. In de lessen die ze uit de ervaring van de Parijse Commune trokken, benadrukten ze de noodzaak om de burgerlijke staat te vernietigen. Desondanks hielden ze in de gehele volgende periode vast aan de overtuiging dat het algemeen stemrecht één van de belangrijkste eisen van de strijd van het proletariaat bleef. Behalve de anarchisten deelde de hele arbeidersbeweging deze opvatting.

In die periode was de steun aan deze ‘democratische eis' volledig te rechtvaardigen, ondanks dat deze gevaren inhield. Zij maakte het de arbeiderspartijen mogelijk

- om hun eigen kandidaten op te stellen, en zich duidelijk te onderscheiden van de burgerlijke partijen op het terrein zelf van de burgerlijke instellingen;

- om van de verkiezingscampagnes momenten van propaganda voor socialistische ideeën te maken;

- om de actie in het parlement (toespraken, wetsvoorstellen) te gebruiken als een tribune voor diezelfde propaganda;

- om steun te verlenen aan de progressieve partijen van de bourgeoisie tegen de reactionaire partijen, met als doel de politieke voorwaarden voor de ontwikkeling van het moderne kapitalisme te begunstigen.

De persvrijheid en de vrijheid van vereniging

Verbonden aan de eis van het algemeen stemrecht, de sluitsteen van de burgerlijke democratie, eiste de arbeidersklasse ook andere rechten, zoals de persvrijheid en de vrijheid van vereniging. In feite brachten zowel de arbeidersklasse als de progressieve sectoren van de bourgeoisie deze eisen naar voren. Zo behandelde de eerste politieke tekst die Marx publiceerde de censuur door het Pruisische koningshuis (‘Opmerkingen over het reglementeren van de Pruisische censuur', 1842). Als verantwoordelijk redacteur van de burgerlijk radicale Rheinische Zeitung (1842 - '43),  en later als verantwoordelijk redacteur van de Neue Rheinische Zeitung (1848 - '49), die van communistische strekking was, heeft Marx voortdurend de censuur van de gezagdragers op de korrel genomen. Het is een uitdrukking van het feit dat toentertijd de arbeidersbeweging en de bourgeoisie, op het vlak van de democratische eisen, gelijklopende belangen hadden. De bourgeoisie trad toen nog als revolutionaire klasse op, inzoverre als zij zich moest ontdoen van de overblijfselen van de feodale orde.

Ook op het vlak van de ‘vrijheid van vereniging' bestond toen een gelijkgerichtheid tussen de belangen van het proletariaat en die van de progressieve bourgeoisie. De vrijheid van vereniging was, net als de persvrijheid, één van de fundamentele voorwaarden voor de werking van de burgerlijke democratie op basis van het algemeen stemrecht. In dit mechanisme vormen de politieke partijen een wezenlijk element. Maar wat gold voor het recht op vereniging op het politiek vlak, gold niet op het vlak van de organisatie van de arbeiders ter verdediging van hun economische belangen! Zelfs de meest revolutionaire bourgeoisie, die de Franse revolutie van 1789 leidde, heeft zich resoluut tegen dit recht gekeerd, in tegenstelling tot de door haar geproclameerde grote beginselen van ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap'. Zo werden de verenigingen van arbeiders verboden door een wet van 14 juni 1791, als een ‘aanslag tegen de vrijheid en de Verklaring van de Rechten van de Mens'. Men heeft tot de revolutie van 1848 moeten wachten voordat deze wet gewijzigd zou worden (met vele beperkingen want de nieuwe formulering stelde nog altijd ‘aanslagen op het vrij beoefenen van de industrie en op de vrijheid van werk' aan de kaak). Tenslotte was het pas in 1884 dat de vakbonden vrij konden worden opgericht. Het ‘Vaderland van de Vrijheid', Groot-Brittannië, heeft de ‘Trade Unions' pas in juni 1871 wettelijk erkend. Het moet worden gezegd dat hun leiders, met name degenen die deel uitmaakten van de Algemene Raad van de IWV, zich tegen de Commune van Parijs hadden gekeerd.

De nationale eisen

De nationale eisen die vanaf het midden van de 19e eeuw een zeer belangrijke plaats innemen (en die aan de basis lagen van de revolutie van 1848 in heel Europa) maken integraal deel uit van de ‘democratische eisen', in het bijzonder waar gelijklopende belangen bestonden tussen de oude machten (de Russische en Oostenrijkse keizerrijken) en de overheersing van de aristocratie. Eén van de fundamentele redenen voor de steun van de arbeidersbeweging aan bepaalde van deze eisen is dat zij deze oppermachten verzwakten, en bijgevolg de feodale reactie, terwijl ze de weg vrijmaakten naar de oprichting van levensvatbare nationale staten. In die tijd was een steun aan deze nationale eisen voor de arbeidersklasse een vraagstuk van de eerste rang. Eén van de beste illustraties hiervan was dat het I.W.V. in 1864 werd opgericht door Engelse en Franse arbeiders tijdens een bijeenkomst in Londen ter ondersteuning van de onafhankelijkheid van Polen. Maar deze steun van de arbeidersbeweging gold niet voor alle nationale eisen. Zo veroordeelden Marx en Engels de nationale eisen van de kleine Slavische volkeren (Serviërs, Kroaten, Slovenen, Tsjechen, Moraviërs, Slowaken... ) omdat deze niet zouden leiden tot het oprichten van levensvatbare nationale staten, en juist een hindernis zou vormen voor de vooruitgang van het moderne kapitalisme, doordat zij in de kaart te speelden van het Russische keizerrijk en de ontwikkeling van de Duitse bourgeoisie beletten. (4)

 

 

De democratische eisen in de 20e eeuw

 

De steun aan de democratische eisen door de arbeidersbeweging baseerde zich in essentie op een historische situatie waarin het kapitalisme nog progressief was. Bepaalde sectoren van de bourgeoisie konden nog op een ‘revolutionaire' of ‘progressieve' manier optreden. Maar deze situatie wijzigde zich drastisch aan het begin van de 20ste eeuw en in het bijzonder met de Eerste Wereldoorlog. Voortaan zouden alle sectoren van de bourgeoisie reactionair zijn, want het kapitalisme had zijn historische missie om heel de planeet aan zijn economische wetten te onderwerpen en de productiekrachten van de maatschappij op een ongeziene schaal te ontwikkelen (te beginnen met de belangrijkste: de arbeidersklasse) volbracht. Het systeem is niet langer een voorwaarde voor de menselijke vooruitgang, maar is tot een belemmering daarvoor geworden. Zoals de Derde Internationale het in 1919 stelde, zijn we ‘het tijdperk van oorlogen en revoluties' binnengetreden. We laten in dit tweede deel de voornaamste democratische eisen, die in loop van de 19e eeuw tot de kern van de arbeidersstrijd behoorden, nogmaals de revue laten passeren. We zullen zien dat deze niet langer een terrein voor de proletarische strijd vormen.

 

Het algemeen stemrecht

Het algemeen stemrecht (dat nog niet in alle ont­wikkelde landen was toegekend) werd één van de belangrijkste middelen van de bourgeoisie om haar heerschappij te behouden. We kunnen hier de voorbeelden aanvoeren van de twee landen waarin de revolutie het verst gegaan is: Rusland en Duitsland.

In Rusland werden er, na de machtsovername door de Sovjets in oktober 1917, verkie­zingen gehouden voor een grondwetgevende vergadering op basis van het algemene stemrecht. De Bolsjewiki hadden daar vóór oktober een eis van gemaakt om de voorlopige regering en de burgerlijke partijen te ontmaskeren, die zich tegen de verkiezing van een grondwetgevende vergadering keerden. Deze verkiezingen verleenden een meerderheid aan die partijen, met name aan de sociaal-revolutionairen, die aan de voorlopige regering hadden deelgenomen, en daarbinnen de laatste steunpilaren van de burgerlijke orde waren geweest. Deze grondwetgevende vergade­ring wekte in de rangen van de Russische en van de internationale bourgeoisie hoge verwach­tingen. Zij zagen daarin het middel om de arbeidersklasse van haar overwinning te beroven en de macht opnieuw in handen te krijgen. Daarom ontbond de sovjet­macht deze ‘constituante' tijdens haar eerste bijeenkomst.

Een jaar later baarde de oorlog ook in Duitsland een revolutie. Begin november 1918 werden in het hele land arbeiders- en soldatenraden opgericht. Deze werden (net als in het begin van de Russische Revolutie) door een meerder­heid van sociaal-democraten gedomineerd, dezelfde lui die de nationale eenheid in de imperialistische oorlog van begin tot einde hadden gesteund. De raden droegen de macht over aan een uitvoerend comité, de ‘Raad van Volkscommissarissen'. Ze speelden haar daarmee in de handen van de SPD, en aan de ‘on­afhankelijken' van de USPD. De laatste diende slechts als een links vijgenblad voor de echte bazen. Onmiddellijk riep de SPD op tot de verkiezing van een grondwetgevende vergadering op 15 februari 1919:

"Wie brood wil, moet vrede willen. Wie vrede wil moet de grondwetgevende vergadering willen, de vrij verkozen vertegenwoordiging die van het hele Duitse volk. Wie ingaat tegen de grondwetgevende vergadering of aarzelt, onthoudt u vrede, vrijheid en brood, berooft u van de eerste vruchten van de overwinning van de revolutie... Zo iemand is een contra-revolutionair." Zo werden de Spartakisten ineens tot ‘contra-revolutionairen' verklaard. De Stalinisten hebben niets nieuws uitgevonden toen zij een aantal jaren later degenen die trouw bleven aan de revolutie op dezelfde wijze beschuldigden.

"De socialisering zal en moet plaatsvinden (...) door de wil van het werkenden volk, dat eigenlijk fundamenteel wil afrekenen met deze economie die begeesterd wordt door de zucht naar winst van particuliere elementen. Maar het zal duizend maal gemakkelijker zijn om dit op te leggen wanneer de grondwetgevende vergadering ertoe besluit, dan wanneer dat wordt verordend door de dictatuur van een revolutionair comitée". (5)

Dat was duidelijk een middel om de arbeidersklasse te ontwapenen en haar naar een vreemd terrein te lokken, om de arbeidersraden van elke bestaansreden te ontdoen (men gaf de raden ermee uit voor een provisorische instelling tot de volgende grondwetgevende vergade­ring) en om te verhinderen dat de raden een gelijksoortige weg zouden inslaan als de sovjets in Rusland, waar de revolutionairen in hun midden geleidelijk aan de meerderheid hadden veroverd. Terwijl zij ronkende ‘democratische' proclamaties uitvaardigden om de arbei­dersklasse in slaap te wiegen, spanden de ‘socialistische' leiders samen met de generale staf van het leger om ‘de Bolsjewieken weg te zuiveren'. Dat wil zeggen: een bloedige onder­drukking tegen de in opstand gekomen arbeiders en de uitroeiing van de revolutionai­ren. Dit plan werd midden-januari in de praktijk omgezet, met behulp van een provocatie die de arbeiders van Berlijn tot een voortijdige opstand dreef. Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht (die als ‘contra-revolutionair' werden afgeschilderd omdat zij op voorhand de grondwetgevende vergadering hadden aangeklaagd), werden op 15 januari vermoord, tegelijk met honderden arbeiders. Op 19 januari werden vervroegde verkiezingen voor de grondwetgevende vergadering gehouden. Dat was de triomf van het algemeen stemrecht... tegen de arbeidersklasse.

 

De persvrijheid

De vrijheid voor de arbeiderspers was tegen het einde van de 19de eeuw in de meeste landen van Europa veroverd. In Duits­land werden de anti-socialistenwetten, die de sociaal-democratische pers belemmerden (die in Zwitserland moest worden uitgebracht) bijvoorbeeld in 1890 opgeheven. Terwijl de arbeidersbeweging zich aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog bijna in volle vrijheid kon uiten, werd deze verovering bij het uitbreken van de oorlog van de ene op de andere dag afgeschaft. Het enige standpunt dat zich vrij kon uiten in de kranten was dat van de steun aan de nationale eenheid en de oorlogsinspanning. In de landen die deelnamen aan de oorlog, zoals tsaristisch Rusland, moesten de revolutionairen hun pers clandestien publiceren en verspreiden. De onderdrukking van de arbeiderspers was er zo hevig dat Rusland na de Februarirevolutie "het meest vrije land ter wereld" werd. De abrupte afschaffing van de persvrijheid voor de arbeidersbeweging, een verworvenheid na decennia van strijd, werd niet door archaïsche sectoren van de heersende klasse bewerkstelligd, maar door de meest ‘hoogontwikkelde' bourgeoisie. Dit was een uitdrukking van de nieuwe historische periode, waarin niet langer het geringste gemeenschappelijk belang tussen het proletariaat en welke sector van de bourgeoisie dan ook nog kon bestaan. De aanslag op de vrijheid van meningsuiting van de arbeidersorganisaties onthult niet zozeer een grotere kracht van de bourgeoisie, maar in tegendeel een grotere zwakte. Zij vloeit voort uit het feit dat de heerschappij van de bourgeoisie over de maatschappij niet langer in overeenstemming is met de historische behoeften van de mensheid, dat ze openlijk en definitief tot de antithese van deze behoeften was geworden.

Weliswaar werd er na de Eerste Wereldoorlog weer een ‘persvrijheid' voor de vroegere arbei­dersorganisaties in de hoogontwikkelde landen hersteld. Maar deze was niet langer het resultaat van een strijd van de arbeidersklasse die samenviel met de belangen van de meest dynamische sectoren van de bourgeoisie, zoals in de 19e eeuw. In tegendeel, ze correspondeerde met het feit dat de bourgeoisie er, in de loop van de revo­lutionaire golf van de jaren 1917-23, in geslaagd was om het overwicht te verwerven. Eén van de hoofdbestanddelen van deze overwinning van de bourgeoisie was dat zij de controle had verworven over de vroegere organisaties van de arbeidersklasse: de socialistische partijen en de vakbonden. Deze organi­saties bleven zich presenteren als verdedigers van de arbeidersklasse en gebruikten daarvoor zelfs een ‘anti-kapitalistische' taal, wat de heersen­de klasse verplichtte om een persvrijheid te organiseren, om de schijn van een ‘democratisch debat' te creeëren. Laten we niet vergeten dat de bour­geoisie, in reactie op de Russische revolutie, haar in naam van de ‘democratie' met een ‘cordon sanitair' omgaf, omdat ze een dodelijke bedreiging voor ‘de vrijheid' zou vertegenwoordigen. Het werd echter snel duidelijk dat zelfs de meest moderne sectoren van de bourgeoisie haar liefde voor ‘democratische vrijheiden' gemakkelijk opzij konden zetten. Dit gebeurde aan het be­gin van de jaren 1920 met de opkomst van het fascisme in Italië en aan het begin van de jaren 1930 in Duitsland. In tegenstelling tot wat de Communistische Internationale dacht, die daar­voor door de Italiaanse Communistische Linkerzijde werd bekritiseerd, vertegenwoor­digde de het fascisme niet een ‘feodale reactie' (zelfs wanneer bepaalde aristo­craten het ondersteunden die allemaal voor ‘orde en gezag'waren). Het was een poli­tiek die ondersteund werd door de meest moderne sectoren van de bourgeoisie, die daarin een middel zagen om de imperialistische belangen van het land vooruit te stuwen. Dat blijkt zeer duidelijk in het geval van Duitsland, waar Hitler, zelfs vóórdat hij aan de politieke macht kwam, massief gesteund werd door de heersende en modernste industriesectoren, in het bijzonder door de staalnijverheid (Krupp, Thyssen) en de chemie (BASF).

 

De vrijheid van vereniging

De ‘vrijheid van vereniging' staat in verband met die van de ‘persvrijheid' en het algemeen stemrecht. In het merendeel van de hoog ontwikkelde landen hebben allerlei organisaties dit recht. Maar we willen nogmaals benadrukken dat deze ‘vrijheid' de pasmunt was voor de integratie van de vroegere ar­beiderspartijen in het staatsapparaat. (6) Als gevolg van de doeltreffendheid van hun optreden tegen de arbeiders schonk de bourgeoisie hen na de Eerste Wereldoorlog steeds meer vertrouwen. In de loop van de jaren 1930 vertrouwde zij hen zelfs in meerdere landen van Europa, de macht toe in het kader van de ‘Volksfront'-politiek. Zij steunde daarbij niet alleen op de ‘socialistische' partijen maar ook op de ‘communistische', nadat de laatstgenoemden op hun beurt het proletariaat hadden verraden. Deze traden tenslotte als ware stoottroepen van de contra-revolutie op, voornamelijk in Spanje waar zij zich bijzonder zouden onderscheiden in het uitmoorden van de meest strijdbare arbeiders. In andere Europese landen zouden ze als ronselaars voor de Tweede Wereldoorlog, en vervolgens als hoofdrolspelers in het ‘Verzet' optreden, vooral in Frankrijk en Italië. We willen opmerken dat het verdedigen van internationalistische en revolutionaire standpunten in die perio-de bijzonder moeilijk geworden was. Zo werd bijvoorbeeld Trotski in de meeste landen van de we­reld het asielrecht ontzegd (de wereld was voor hem een ‘planeet zonder visa' geworden, zoals hij in zijn autobiogra­fie schreef). Samen met zijn kameraden werd hij onderworpen aan een voortdurend politietoezicht en vervolgingen. De moeilijkheden zouden voor de revolutionairen aan het einde van de Tweede Wereldoorlog nog groter worden. Degenen die trouw gebleven waren aan de internationalistische beginselen werden, in de eerste plaats door de Stali­nisten, voor ‘collaborateurs' uitgemaakt en vervolgd. Som­migen onder hen, bijvoorbeeld in Italië, werden vermoord.

In het bijzonder moeten we hier de vakbonden vermelden. Ook zij hebben na de Eerste Wereldoorlog een speciaal aanzoek van de bourgeoisie gekregen. In de loop van de jaren 1930 hebben zij hun rol gespeeld in de sabotage van de strijd en vooral in het omvormen van de arbeidersonvrede tot steun aan de burgerlijke partijen, die steeds meer gericht waren op de voorbe­reiding van de imperialistische oorlog. (Steun aan Roosevelt in de Verenigde Staten, steun aan de ‘Volksfronten' in Europa, die tot gepatenteerde leveranciers van kanonnenvlees in naam van het ‘anti-fascisme' werden). Het waren niet alleen de ‘demo­cratische' sectoren van de bourgeoisie die op de vakbonden steunden. Ook het fascisme doet een beroep op diegenen die begrepen hebben dat de bourgeoisie behoefte heeft aan inkapseling van de arbeidersklasse ‘aan de basis'. Zowel in de fascistische als in de stalinistische regimes was de rol van de staatsorganen en van de vakbonden als handlangers van de politie veel duidelijker dan in de democratische regimes. Dit laat onverlet dat de vakbonden zich, kort na de Tweede Wereldoorlog, ook daar als de beste verdedigers van de nationale economie opwierpen, en de rol van politieagent op de werkplek aannamen, om de arbeiders tot opofferingen in naam van de ‘wederopbouw' aan te sporen.

Het ‘recht' om deel te nemen aan de verkiezingen, waarvoor de arbeiders in de 19e eeuw gestreden hadden, werd in de 20e eeuw tot een ‘stemplicht' die door de bourgeoisie met grote mediasteun wordt georkestreerd (en die in sommige gevallen, zoals in België, met wettelijke sancties wordt afgedwongen). Op dezelfde wijze wordt het ‘recht' om lid te worden van de vakbond, waarvoor zij in diezelfde periode hadden gevochten tot een ‘verplicht' lidmaatschap (in bepaalde sectoren is het vakbondslidmaatschap onmisbaar om werk te vin­den), dat dwingt om zich naar de vakbond te voegen voor wat betreft het opstellen van eisen of het in staking gaan.

 

De nationale eisen

Eén van de grootste krachttoeren van de bourgeoisie in de loop van de 20e eeuw, die zich duidelijk heeft bevestigd na de Eerste Wereldoorlog, is dat zij er in geslaagd is om de democratische ‘verworvenheden', waarvoor de arbeidersklasse in de loop van de 19e eeuw hardnekkig heeft moeten vechten, soms met bloedvergieten, tegen haar heeft weten te keren.

Dat geldt in het bijzonder voor de ‘democratische eis' van nationale zelfbeschikking en de verdediging van de onderdrukte nationale min­derheden. We hebben in het eerste deel gezien dat deze eis op zich niets specifiek proletarisch bevatte, maar dat hij, in de 19de eeuw, op een selectieve manier ondersteund kon en zelfs moest worden. In tegenstelling tot de klassenaard van de vakbonden, hebben de ‘nationale' eisen hun burgerlijke aard niet pas met de vervalfase van het kapitalisme verkregen. Ze waren altijd al burgerlijk. Maar het feit dat de bourgeoisie opgehouden heeft een revolutionaire of zelfs een pro­gressieve klasse te zijn, maakt dat deze eisen een totaal reactionair en contra-revolutio­nair karakter hebben gekregen en tot een vergif zijn geworden voor het proletariaat.

Voorbeelden zijn er meer dan voldoende. Zo is de verdediging van de onderdrukte volkeren één van de hoofdleuzen geweest die de Europese bourgeoisieën aanhieven om de imperialistische oorlog te ‘rechtvaardigen'. En omdat in de oorlog keizerrijken tegenover elkaar stonden, die uiteraard verschillende volkeren onderdrukten, ontbrak het niet aan argumenten: Elzas en Lotharingen die, tegen de wil van hun bevolking, af­hankelijk waren van het Duitse keizerrijk; de volkeren van de Balkan, die onderdrukt werden door het Osmaanse rijk; de Baltische landen en Finland (om niet te spreken van de tientallen nationaliteiten in de Kaukasus of in Centraal Azië) die zaten opgesloten in de ‘gevange­nis der volkeren' (zoals het tsaristische rijk werd genoemd), enzovoort. Aan de lijst van onderdrukte volkeren door de voornaamste hoofdrolspelers van de wereldoorlog moeten uiteraard de gekoloniseerde volkeren van Afrika, Azië en Oceanië worden toegevoegd.

In onze vorige brief hebben we al aangestipt hoe de onafhankelijkheid van Po­len tot een wapen van de bourgeoisie werd omgesmeed in de beslissende oorlog tegen de wereldrevolutie aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. We voegen er aan toe dat de leuze van het ‘recht der volke­ren op zelfbeschikking' indertijd geen betere verdediger vond dan de Amerikaanse president Woodrow Wilson. Wanneer een bourgeoisie, die zojuist de eerste plaats in de wereld had veroverd, een dergelijke bezorgdheid ten toon spreidde, dan is dat duidelijk niet uit ‘humanisme' (wat ook de persoonlijke ge­voelens van meneer Wilson geweest mogen zijn), maar wel degelijk omdat zij daar belang bij had. En dat valt gemakkelijk te begrijpen: het grootste deel van de wereld zat nog on­der het juk van de koloniale heerschappij van de Europese grootmachten die de oorlog hadden gewonnen (of die zich op de vlakte hadden gehouden zoals Nederland, Spanje en Portugal). Een dekolonisatie van deze gebieden opende de weg naar hun beheersing (met middelen die minder in het oog sprongen dan die van de directe koloniale ad­ministratie) door het Amerikaanse imperialisme, dat zelf verlegen zat om koloniën.

 

Tenslotte: de nationale ontvoogding van de 19e eeuw werd geassocieerd met democratische veroveringen tegen de feodale rijken. De Europese naties die kort na de Eerste Wereldoorlog hun ‘onafhankelijkheid' ver­wierven werden voor het merendeel geleid door dictaturen van het fascistische type. Dat was in de eerste plaats het geval in Polen (met het regime van Pilsudski), maar ook in de drie Baltische landen en met het Horthy regime in Hongarije.

Ook de Tweede Wereldoorlog ontsnapte niet aan het uitspe­len van nationale eisen. Zo maakte het nazi-regime zich in 1938 in naam van de ‘rechten' van de Duitse minderheid in Sudetenland meester van een deel van Tsjecho-Slowakije (de akkoorden van München). In naam van de onaf­hankelijkheid van Kroatië vielen de nazi-legers Joegoslavië binnen in 1941, met steun van Hongarije omwille van de ‘nationale rechten' van de Hongaarse minderheid in Vojvodina.

 

De geschiedenis sinds de Eerste Wereldoorlog bevestigt op tragische maar besliste wijze de analy­se die Rosa Luxemburg aan het einde van de 19e eeuw ontwikkelde: iedere eis van nationale onafhankelijkheid heeft opgehouden om nog langer de progressieve rol te spelen die hij, in een bepaald aantal gevallen, voordien had gespeeld. Hij was niet alleen bijzonder rampzalig voor de arbeidersklasse geworden, maar inte­greerde zich doeltreffend in de imperialistische doelstellingen van de verschillende staten. Tegelijkertijd diende hij vaak als vijgenblad voor de meest reactionaire en xenofobe klieken van de bourgeoisie. (7)

‘Democratische rechten' en de arbeidersstrijd vandaag

 

In dit derde deel van onze correspondentie met een lezer uit Montréal (Canada) gaan we in op de vraag welke houding we in de huidige periode moeten innemen tegenover de ‘democratische eisen' in het algemeen. We pakken vervolgens de culturele en taalkwesties weer op, die de kameraad in zijn brieven naar voren heeft gebracht.

Het is duidelijk dat het proletariaat zich moet verdedigen tegen alle aanvallen waaraan het kapitalisme het blootstelt. Het is niet de rol van de revolutionairen om de arbeiders te vertellen: "staakt uw strijd, hij dient tot niets, denkt alleen aan de revolutie". Evenmin mag de arbeidersstrijd zich louter beperken tot economische belangen. Zo maakt ook de mobilisering voor het verdedigen van arbeiders die het slachtoffer zijn van repressie of van racistische of xenofobe discriminatie deel uit van de klasse-solidariteit, die het wezen van het strijdend proletariaat tot uitdrukking brengt. Moet men daaruit nu de conclusie trekken dat de arbeidersklasse ook tegenwoordig ‘demo­cratische eisen' kan ondersteunen?

In de voorgaande twee afleveringen hebben we naar voren gebracht wat er volgens ons van de ‘democratische rech­ten', verworven door de arbeidersstrijd in de 19e eeuw, ge­worden is:

- Het algemeen stemrecht is één van de meest effectieve middelen gebleken om de dic­tatuur van het kapitaal te verdonkeremanen achter de illusie er een ‘soeverein volk' be­staat. Het is één van de uitgelezen instrumenten om het ongenoegen en de hoop van de arbeidersk­lasse te kanaliseren.

- De ‘persvrijheid' is volmaakt te verenigen met de monopolisering van de informa­tie via de grote media die tot taak hebben om officiële waarheden te verspreiden. In de ‘democratie' kunnen er verschillende zijn, maar ze komen overeen in het idee dat er geen ander systeem mogelijk is dan het kapitalisme in één van zijn varianten. Wanneer dat nodig blijkt, wordt de ‘persvrijheid' officieel op een zacht pitje gezet in naam van de oorlogsomstandigheden (zoals tijdens de Golfoorlogen van 1991 en 2003).

- De ‘vrijheid van vereniging' wordt (net als de persvrijheid) slechts ‘getolereerd', ook door de voornaamste democratieën, voor zover zij geen aantasting van de burgerlijke macht en haar imperialistische perspectieven inhoudt. Er zijn voorbeelden te over van geweld­dadige schendingen van deze vrijheid. Om slechts de we­reld-kampioenen van de ‘demo­cratie' en het ‘vaderland van de rechten van de mens' aan te halen: we hebben in de Verenigde Staten de vervolgingen van linkse sympathisanten gezien tijdens het McCarthyisme in de jaren 1950; in Frankrijk de ontbinding van groepen van uiterst links en de aanhou­ding van hun leiders tijdens de grote staking van mei 1968 (zonder de vervolging en de liquidatie van tegenstanders van de oorlog in Algerije in de jaren 1950 te vergeten). Sinds haar oprichting in 1975 is onze organisa­tie, ondanks haar klei­ne omvang, niet ge­spaard gebleven: huiszoekingen, het schaduwen en intimideren van militanten...

- Het ‘vakbondsrecht' is het meest doeltreffende middel voor de kapitalistische staat gebleken om zijn controle over de uitgebuiten ‘aan de basis' uit te oefenen en hun strijd te saboteren. Wat dit aangaat, loont het de moeite om in herinnering te brengen wat er in Polen in 1980 - '81 gebeurd is. In Augustus 1980 orga­niseerden de arbeiders zich zonder voorafgaande vakbondsorganisatie (de officiële vakbonden waren totaal in dis­krediet geraakt) in algemene vergaderingen en stakings-comités. Zij waren in staat om de stalinistische staat te beletten hen te onder­drukken (anders dan in 1970 en 1976), en ze slaagden er zelfs in om hem te doen terugkrabbelen. Hun eerste eis, de op­richting van een ‘onafhankelijke' vakbond, opende echter de weg naar de stichting van ‘Solidarnosc'. (8) In de daarop volgende maanden toerden de leiders van deze format­ie, voordien zelf nog gevangen of slachtoffer van vervolgingen, door het hele land om de talrijke stakingen die maar bleven uitbreken te laten beëindigen. Ze deden hun werk zo goed, dat de arbeidersklasse erdoor gedemobiliseerd werd. Toen dit was volbracht kon het stalinistische apparaat de zaken weer in handen nemen en op 13 de­cember 1981 de staat van beleg afkondigen. De re­pressie was bijzonder brutaal (tientallen do­den, 10.000 aanhoudin­gen) en de verzets­haarden van de arbeiders werden geïsoleerd. In augustus 1980 zou de regering een der­gelijke repressie nooit hebben kunnen uitoefe­nen zonder een algemene oproer te ver­oorzaken. 15 maanden werk van Solidarnosc maakten dat wel mogelijk...

In feite zijn de ‘democratische rechten' en, meer in het algemeen, de ‘rechten van de mens' tegenwoordig het hoofdthema geworden van de politieke campagnes van de meeste sectoren van de bourgeoisie. In naam van de verdediging van deze ‘rechten' heeft het Westblok meer dan 40 jaar lang de Koude Oorlog gevoerd tegen het Russi­sche blok. In naam van de verde­diging van de ‘democratische rechten' tegen de "barba­rij van het terrorisme en van het islamitisch fundamentalisme", of de dictatuur van Saddam, is de Amerikaanse rege­ring verwoestende oorlogen in het Midden-Oosten begonnen. We slaan tal van an­dere voorbeel­den over, maar het loont de moeite om ons eraan te herinneren dat de ver­dediging van de ‘democratie', voordat ze schuil ging onder de vlag van het Amerikaan­se imperia­lisme en zijn bondgenoten na 1947, hen reeds had gediend als mobilisatiecampagne voor de grootste slachting uit de ge­schiedenis, de Tweede Wereldoorlog. Het stalinistische regime, dat vele fascistische regimes met zijn politieterreur en volkerenmoord van volkeren beslist naar de kroon stak (en dat hen op dat gebied was voorgegaan), wekte niet veel verzet bij de westerse kruisvaarders van de ‘democratie', zolang het hun bondge­noot tegen Nazi-Duitsland was.

Voor de links-burgerlijke partijen, die meer vat heb­ben op de arbei­dersklasse, is de eis van ‘democratische rechten' in het algemeen een uitstekend middel om de klasseneisen van de arbeiders te verdrinken en de klasse-identiteit van de arbei­dersklasse te verhin­deren. In feite is het met de ‘democratische ei­sen' net zo gesteld als met het pacifisme: tegen de oorlog zijn regelmatig mobiliseringen georkestreerd door allerlei politieke sectoren van de bourgeoisie, van uiterst links tot bepaalde elementen van rechts en chauvinisten die vinden dat de een of an­dere oorlog niet goed is voor de ‘belangen van de natie' (dat komt bijvoorbeeld vaak voor in Frankrijk waar zelfs rechts zich in meer­derheid tegen de Amerikaanse politiek keert). Achter de leuze ‘Weg met de oorlog', worden de arbeiders, en vooral hun klasse-belangen volkomen verdronken in een vloedgolf van het ‘goede pacifistische en democratische geweten' (als het niet neer­komt op chauvinisme: het gebeurt niet zel­den dat men in een betoging tegen de oorlog in het Midden-Oosten bebaarde moslims in traditionele klederdracht en geslui­erde vrouwen ziet opstappen).

Sinds de Eerste Wereldoorlog is de houding van de revolutionairen tegenover het pacif­isme geweest om de kleinburgerlijke illusies die het ver­spreidde te bestrijden. De re­volutionairen hebben altijd het voortouw genomen bij het aanklagen van de imperialist­ische oorlog, maar deze aanklacht was nooit gebaseerd op eenvoudige mo­rele be­schouwingen. Zij hebben vooropgesteld dat het kapitalisme als geheel verantwoorde­lijk is voor de oorlogen, dat deze onvermijdelijk zijn zolang dit systeem overleeft en dat de enige kracht in de maatschappij die werkelijk in staat is om tegen de oorlog te strij­den, de arbeidersklasse is, die haar onafhankelijkheid moet verdedigen als klasse tegenover alle pacifistische, democratische en humanistische prietpraat.

 

‘Democratische' eisen in verband met het recht op de eigen moedertaal

De arbeidersbeweging heeft het voortbe­staan van autochtone talen nooit beschouwd als ‘progressief' of ‘democratisch'. In feite is de éénmaking van levensvatbare naties één van de kenmerken geweest van de revolutionaire bourgeoisie, die de provinciale en lo­kale particu-larismen, verbonden aan de feoda­le pe­riode, oversteeg. De invoering van één nationale taal is, in vele gevallen, één van de in­strumenten geweest van deze natio­nale éénmaking (in dezelfde zin als bijvoorbeeld de éénmaking van de systemen van maten en gewichten). De eenmaking van de taal ging meestal gepaard met geweld, re­pressie, en zelfs met bloedbaden. Kortom, met de klas­sieke methoden waarmee het ka­pitalisme zijn greep op de wereld heeft uitgebreid. Heel hun leven lang hebben Marx en Engels de barbaarse methoden aangeklaagd waarmee het kapitalisme zijn alleen­heerschappij over de wereld heeft gevestigd, of dat nu tijdens de zogenaamde primitie­ve accumulatie was (zie de bewonderenswaardige pagi­na's in het laatste deel van het boek I van ‘Het Kapitaal') (9) of  tijdens de koloniale veroveringen. Tegelijkertijd heb­ben zij uitgelegd dat, ondanks haar barbarij, de bourgeoisie als een onbewuste agent van het historische proces optrad door het scheppen van een wereldmarkt, door het ontketenen van de produc­tiekrachten van de maatschappij, door het veralgemenen van de geassocieerde arbeid tegelijk met de loonarbeid. In één woord: door het voorbe­reiden van de materiële voor­waarden voor de opkomst van het socialisme. (10)

Meer nog dan alle vroegere sociale systemen bij elkaar heeft het kapitalisme de bescha­vingen en culturen die het omringden, en dus ook hun talen, vernietigd. Het dient ner­gens toe om hierover te jammeren of om dit te willen terugdraaien. Het is een histo­risch voldongen feit. Men kan het rad van de geschiedenis niet terug­draaien, alsof men zou willen terugkeren naar het ambacht en de autarki­sche landbouw van de Middeleeu­wen. (11)

De onweerstaanbare opmars van het kapitalisme heeft een bepaald aantal dominante ta­len geselecteerd, niet op grond van hun taalkundige superioriteit, maar een-voudig­weg op basis van de militaire en economische superioriteit van de volkeren en staten die ze gebruikten. Sommige van deze nationale talen zijn internatio­nale talen geworden, die in verschillende landen worden gesproken. Dat zijn er maar wei­nig: van­daag blijven eigenlijk alleen nog het Engels, Spaans, Frans (12) en Duits over. De laatstgenoemde taal kent een grote rijkdom en precisie; zij stond aan de oorsprong van fundamentele verworvenheden van de wereldcultuur (zoals de filosofische wer­ken van Kant, Fichte en Hegel; de werken van Freud, de theorieën van Einstein en... de werken van Marx). Maar zij wordt alleen nog in Europa gesproken en heeft haar toekomst al achter zich.

Als werkelijk internationaal gebruikte talen, die door meer dan honderd miljoen men­sen wordt gesproken, blijven nog slechts het Spaans en het Engels over. Het Engels is van­daag werkelijk dé internationale taal. Dit is het onvermijdelijke gevolg van het feit dat Engeland en de Vere­nigde Staten van Amerika na elkaar het kapitalisme hebben gedomineerd. Wie vandaag geen Engels spreekt is gehandi­capt, zowel bij het reizen als bij het surfen op Internet, of bij het verrichten van serieuze weten­schappelijke studie, zeker in geavanceerde sectoren zoals de informati­ca. Dit is duidelijk niet op het Frans van toepassing, dat in het verleden de interna­tionale taal aan de Europese hoven en in de diplomatie is geweest, wat uiteindelijk slechts een relatief klein milieu betrof.

Om deze redenen zal in Canada de tweetaligheid nooit een werkelijkheid worden, al wordt zij door de Canadese federale staat actief gesteund. We hebben hiervoor van­daag met België een sprekend voorbeeld. Historisch gezien werd dit land be­heerst door de Franstalige bourgeoisie. In Antwerpen of Gent hadden de arbeiders dik­wijls te ma­ken met een baas die Frans sprak. Dat had trouwens bij velen onder hen het gevoel opge­wekt dat zij, door te weigeren Frans te spreken, verzet boden aan de baas en aan de bourgeoisie. Alhoewel de volledige tweetaligheid nooit helemaal bestaan heeft, was ze meer verbreid bij de Vlamingen dan bij de Franssprekende Walen. Sinds enkele decen­nia is Wallonië, de ba­kermat van de grootindustrie in België, op eco­nomisch gebied achterop geraakt in vergelijking met Vlaande­ren. Eén van de actuele thema's van de Vlaamse nationalisten is dat deze regio, met zijn hogere werkloosheid en zijn verou­derde industrieën, een last is voor Vlaan­deren. Aan de Vlaamse arbeiders probeert men wijs te maken dat zij wer­ken en belas­tingen betalen voor de behoeften van de Waalse arbeiders. Het is één van de thema's van het uiterst rechtse, naar ‘onafhankelijkheid' streven­de ‘Vlaams Belang'.

Het feit dat de Vlaamse arbeiders vandaag steeds meer kans hebben om Vlaams te spreken met hun baas verandert niets aan het feit van hun uitbuiting. De bevolking in Vlaanderen is steeds meer tweetalig, maar de tweede taal die zich ontwikkelt is niet het Frans, maar het Engels. Dat is trouwens ook het ge­val voor de Franstalige bevolking. Ook het feit dat de koning en de regeringsleider zich in hun toespraken, op zeer even­waardige wijze, in het Frans en in het Vlaams kunnen uitdrukken, verandert daar niets aan.

We kunnen nog een tweede voorbeeld nemen, het Catalaans. Catalonië is, historisch gezien, de voornaamste industriële regio van Spanje en heeft de hoogste levensstan­daard, het hoogst ontwikkelde culturele niveau en het beste onderwijs. De arbeiders­klasse van Cata­lonië vertegenwoordigde, sinds de 19e eeuw, de meest strijdbare en be­wuste sector van het proletariaat van Spanje. In deze regio werd het vraagstuk van de taaleisen al veel eerder gesteld, aangezien de officiële taal van alle regio's van Spanje het Castiliaans was, ter­wijl de spreektaal, die men in de familie of met vrienden op straat sprak, het Catalaans is. Dit vraagstuk werd ook in de arbeidersbeweging te berde ge­bracht. Bij de an­archo-syndicalisten, die haar lang hebben beheerst, wekte het ergernis op om­dat som­migen, in naam van het hen zo dierbare ‘federalisme', het Ca­talaans voorrechten wilden verlenen in de arbeiderspers. Anderen wezen er met rede­nen op dat, wanneer de baas van het bedrijf Catalaan was, vele arbeiders dat niet waren en Castiliaans spraken (een taal die ook door de Catalaanse arbeiders werd gesproken). Het gebruik van het Catalaans was voor de baas een uitstekend middel om de arbeiders te verdelen.

Tijdens de franquistische periode, waarin het Catalaans verboden was, in de media, op school en zeker in het bestuur, werd het in de ogen van een groot deel van de Catalanen een vorm van verzet tegen de dic­tatuur, het toch te spreken. In plaats van het gebruik van het Catalaans te hebben afgezwakt, heeft de poli­tiek van Franco zelfs het effect ge­had dat immigranten het aanleerden, om geaccepteerd te raken door de autochtonen (13) en om, op hun beurt, deel te nemen aan dit ‘verzet'.

Met het einde van het franquisme en de invoering van de ‘democratie' in Spanje heeft de autonomistische beweging zich kunnen ontplooien. De regio's en in het bijzonder Catalonië, hebben de voorrechten verkregen die ze in het verleden verloren had­den. Eén van die voorrechten is om van het Catalaans de officiële taal van de streek te ma­ken. Het bestuur zou nog slechts Cata­laans moeten gebruiken en het wordt op school in de lagere klassen zelfs exclusief onderwezen, terwijl het Castiliaans slechts als ‘vreem­de taal' op het programma staat.

Parallel daaraan geven de universiteiten cursussen in het Cata­laans, wat duidelijk in het nadeel van studenten uit andere regio's of uit het buitenland is. De laatsten leren voor hun studie Spaans, immers een internationale taal, maar zijn niet van plan zijn om een regionale taal te leren. Het resultaat van dit alles: de kwaliteit van het onder­wijs aan de Catalaanse universiteiten is vermaard, in het bijzonder die van Barcelo­na, waardoor ze de beste studenten uit Spanje, Europa of Zuid-Amerika aan­trekken. Maar de studenten hebben steeds meer voorkeur voor universiteiten elders, om niet het risico te lopen te struikelen over een taal die zij niet ken­nen. De openheid naar Eu­ropa en de wereld waar Catalonië zo prat op ging, heeft onder de dominantie van het Catalaans te lijden. In de eeuwenlange concurrentie tus­sen Barcelona en Madrid dreigt de hoofdstand een beslissende voorsprong te nemen. Niet zoals tijdens het franquis­me vanwege de afge­dwongen centralisatie, maar juist vanwege de ‘democratische ver­worvenhe-den' van Catalonië. Wanneer de Catalaanse bourgeoisie en kleine burgerij zich zelf in de voet schieten, dan hoeft dat de internatio-nalisti­sche revolutionairen geen verdriet te doen. De scholing in het Catalaans heeft echter nog ernstigere gevolgen. De nieuwe genera­ties proletariërs uit Catalonië zullen meer dan vroeger moeite hebben om met hun klas­se-broeders uit de rest van het land te communiceren, omdat zij niet meer zo vlot Spaans spreken als hun ouders.

Om terug te komen op de taalpesterijen die in Québec bestonden en die onze corres­pondent in zijn brieven signaleert. Ze lijken een beetje op de vroegere gang van za­ken in Vlaanderen. Zoiets is typerend voor het gedrag van alle bourgeoisieën, die een bijko­mend middel gebruiken om hun macht tegenover de arbeiders te bevestigen, die nu eenmaal moeten leren ‘wie er de baas is'. Tezelfdertijd is het een effectief middel om de arbeiders te verdelen tussen hen die de taal van de baas spreken (en die men wil doen geloven dat zij ‘bevoorrecht' zijn) en degenen die haar slecht of niet spreken.

Tenslotte is het ook een middel om de ontevredenheid van de arbeiders tegen hun uit­buiting af te leiden naar een terrein dat niet het hunne is, en dat de eenheid van de klas­se slechts ondermijnt. Zelfs wanneer niet alle bourgeois in staat zijn om deze machiav­ellistische berekening te maken, is het bestaan van toestanden waarbij de arbei­ders, bo­venop de klassieke uitbuiting, nog eens taalpesterijen moeten ondergaan, effec­tief als een uitlaatklep voor oplopende sociale spanningen. Ook al zijn de bourgeois stom en blind door hun chauvinisme, dan nog zijn ze in staat om hun werkelijke belangen te be­grijpen. Liever dan in wezenlijk kwesties toe te geven, zoals het loonpeil of de werk­voorwaarden, zijn de bourgeois bereid om ‘toe te geven' als het ‘hen niets kost', zoals in de taalkwestie. Ze worden daarbij voornamelijk geholpen door de politieke krach­ten van links en uiterst links, die taaleisen in hun programma hebben opgenomen. Ze zul­len het inwilligen van deze eisen voorstellen als een ‘overwinning', zelfs als aan de an­dere eisen niet wordt voldaan (zeker wanneer taaleisen als de ‘voornaamste' worden voorgesteld). Wanneer in de loop van de afgelopen decennia de taalpesterijen voor de arbeiders uit Québec zijn afgenom­en, dan is dat niet alleen het gevolg van de politiek van de nationalistische par­tijen. Het is ook een gevolg van de arbeidersstrijd zowat overal ter wereld, ook in Ca­nada, vanaf het einde van de jaren 1960.

 

Wat moet de houding van de revolutionairen tegenover dergelijke toestanden zijn? Na­tuurlijk: eenvoudigweg de arbeiders de waarheid vertellen, hen zeggen wat we hierbo­ven hebben uiteengezet. Zij moeten de strijd van de arbeiders ter verdediging van hun be­staansvoorwaarden vooruitbrengen. Daarbij stellen zij zich niet tevreden met pra­ten over de re­volutie, die wel een eind zal maken aan al hun onderdrukking. Hun rol is niet minder om de arbeiders te waarschuwen tegen alle valstrikken die voor hen worden uitge­zet, tegen alle manoeuvres die de solidariteit van de arbeidersklasse als geheel on­dermijnen. Om hun rol als revolutionairen te vervullen, mogen zij er niet voor terug­deinzen om eisen die niet in de richting van de eenheid van de klasse gaan (14) te bekri­tiseren:

"1. Zij brengen in de verschillende nationale klasse-gevechten van het proletariaat de gemeenschappelijke, van nationaliteit onafhankelijke, belangen van het gehele proletariaat naar voren,

2. Zij vertegenwoordigen op de verschillende trappen van ontwikkeling, die de strijd tussen bourgeoisie en proletariaat doorloopt, steeds het belang van de gehele beweging."  (15)

 

In afwachting van je reactie op deze brief, sturen wij je onze beste communisti­sche groeten.

Namens de IKS.

(1) Er bestaat evenwel één groot verschil: de onderdrukking van de verschillende nationaliteiten door het tsaristische regime is onvergelijkbaar met de houding van de regering van Ottawa tegenover de verschillende nationaliteiten van Canada.

(2) "De discussie over het recht van de naties op zelfbeschikking samengevat", juli 1916, in: Collected Works, Vol. 22).

(3) Zie hiervoor bijvoorbeeld: http://en.internationalism.org/wr/292_solidarity.html

(4) Zie het artikel van Engels uit 1849: ‘Het democratische pan-slavisme'.

Bijvoorbeeld via http://www.marxists.org/archive/marx/works/1849/02/15.htm.

(5) Pamflet van de SPD, zie onze artikelenserie over de revolutie in Duitsland in International Review nr. 82 (Frans, Engels en Spaans, ....)

(6) In een van zijn mededelingen schreef onze lezer uit Canada dat : "De Canadees-Engelse arbeidersbeweging de vlag van de Canadese éénheid al tijdens de algemene staking van 1972 in Québec heeft gehesen. Inderdaad hebben de NPD (Nouveau Parti Démocratique) en de CTC (Congrès de Travail du Canada) deze staking aangeklaagd als ‘separatistisch' en ‘schadelijk voor de éénheid van Canada'! ". In feite is het niet de ‘Canadees-Engels arbeidersbeweging' die deze houding heeft aangenomen, maar de burgerlijke partijen die ‘arbeiderstaal' spreken en de vakbonden in dienst van het kapitaal.

(7) Een uitgebreide beoordeling van de geschiedenis van de ‘nationale bevrijdingsbewegingen' vanaf de 1e Wereldoorlog geven we in Internationale Revue nr. 14 (Nederlands, 1992): "Balans van 70 jaren nationale bevrijdingsstrijd."

(8) In feite stond deze eis aanvankelijk niet op de eerste plaats. De economische eisen en die met betrekking tot de repressie stonden daar. Het waren de ‘politieke experts' voortgekomen uit de ‘democratische beweging' (Kuron, Modzelewski, Michnik, Gere­mek) die hebben aangedrongen om deze op te eerste plaats te stellen.

(9) Hoofdstuk 31: Het ontstaan van het industriekapitaal; Hoofdstuk 32: De historische tendens van de kapitalistische accumulatie.

(10) Karl Marx, "De Britse heerschappij in India", New York Daily Tribune, 25 juni 1853.

(11) Dit was een droom van bepaalde opstandige elementen na de gebeurtenissen van mei 1968 in Frankrijk. Om te ontsnappen aan het kapitalisme en de vervreemding die het met zich meebrengt, zijn zij gemeenschappen gaan stichten in de Ardèche, in dor­pen die door hun bewoners waren verlaten, om te gaan leven van het weven en het fok­ken van geiten. Voor het merendeel liep dat uit op een catastrofe. Verplicht om tegen steeds lagere prijzen te produceren om hun producten te kunnen verkopen, leefden zij in ellende, wat snel conflicten uitlokte bij de ‘geassocieerden'. Dit leidde tot een jacht op ‘de nietsnutten die leefden op de kosten van de anderen', en tot het opduiken van ‘kleine chefs' die het allemaal voor een prikje wilden doen. De meest efficiënte wer­den simpelweg opnieuw in de handelscircuits van het kapitalisme geïntegreerd.

(12) Het Frans heeft zich opgedrongen door een aantal lokale dialecten, zoals het Bre­tons, het Picardisch, het Occitaans, het Provençaals, het Catalaans en een heleboel an­dere, te elimineren.

(13) Zelfs tijdens het tijdperk van de dictatuur werd men scheef aangekeken wanneer men in Barcelona in het Castiliaans naar de weg vroeg. Paradoxaal genoeg begreep de­gene die men om hulp vroeg deze taal beter wanneer ze met een zwaar Frans of Engels accent werd uitgesproken, dan zonder accent.

(14) De revolutionairen moeten niet aarzelen om een fundamentele idee van Marx over te nemen: de onderdrukking en zelfs de barbarij waarvoor het kapitalisme verantwoor­delijk is, en die moet worden aangeklaagd, heeft niet alleen negatieve kanten. Ze scheppen tevens de voorwaarden voor de toekomstige ontvoogding van de arbeiders­klasse en zelfs van het succes van haar huidige strijd. Wanneer de Québecse arbeiders verplicht worden om Engels te leren of in die taal vooruitgang te boeken om werk te vinden, of eenvoudigweg om boodschappen te kunnen doen, dan kunnen zij daar ook een voordeel in vinden. Het bevordert slechts de communicatie met hun Engelstalige klasse-broeders in het land zelf en in dat van de Noord-Amerikaanse buurman. Het gaat hierbij niet om het schoonwassen van de xenofobe en hatelijke gedragingen van de Engelstalige bourgeoisie, maar om aan de Franstalige arbeiders uit te leggen dat zij de mogelijkheid hebben om de wapens die de bourgeoisie tegen hen gebruikt tegen haarzelf te keren. De grote revolutionaire Rosa Luxemburg, die geboren werd in een gebied van Polen dat door Rusland werd overheerst, was verplicht om Russisch te leren. Zij heeft zich daar nooit over beklaagd, in tegendeel. Voor haar vergemakkelijkte dat de communicatie met haar kameraden in Rusland (bijvoorbeeld met Lenin, met wie zijn lange discussies had na de revolutie van 1905, wat de twee revolutionairen toestond om elkaar beter te leren kennen en waarderen). Voor haar was dat ook een gelegenheid om tot de Russische literatuur te leren kennen en waarderen. Ze vertaalde sommige werken om ze voor Duitstaligen toegankelijk te maken.

(15) Het ‘Communistisch Manifest', Proletariërs en Communisten. Uitgave: Pegasus, 1971,  p.56