Mei 1968 (deel 4): De internationale betekenis van de algemene staking in Frankrijk

Printvriendelijke versieSend by email

In het merendeel van de talrijke boeken en tv-uitzendingen over Mei 1968 die aandacht van de media toebedeeld kregen in de voorbije maanden, wordt het internationale karakter onderstreept van de studentenbeweging die Frankrijk in de loop van die maand getroffen heeft. Iedereen lijkt het er over eens, zoals wij in onze voorafgaande artikels onderstreept hebben (1), dat de Franse studenten niet de eersten waren om massaal in beweging te komen; dat zij als het ware ‘op de rijdende trein gesprongen waren’ van een beweging die gestart was aan de Amerikaanse universiteiten in de herfst van 1964. Vertrekkend vanuit de VS had die beweging zich verspreid over het merendeel van de Westerse landen en had vanaf 1967 in Duitsland haar meest spectaculaire ontwikkeling gekend. Dit maakte de studenten uit dit land tot een ‘referentie’ voor die van de andere Europese landen. Nochtans reppen diezelfde journalisten of ‘historici’ die zo graag de internationale omvang van de studentencontestatie uit de jaren 1960 onderstrepen, over het algemeen met geen woord over de arbeidersstrijd die zich wereldwijd ontwikkelde in diezelfde periode. Natuurlijk kunnen zij de immense staking niet overslaan die het tweede luik vormde van de ‘gebeurtenissen’ van 1968 in Frankrijk: het valt hen moeilijk om de grootste staking uit de geschiedenis  van de arbeidersbeweging onder het vloerkleed te vegen. Maar als men hun redenering volgt zou deze beweging van het proletariaat, andermaal een soort ‘Franse uitzondering’ geweest zijn.

In werkelijkheid maakte de beweging van de arbeidersklasse, net zoals de studenten­beweging, en misschien nog meer, wezenlijk deel uit van een internationale beweging die men pas echt kan begrijpen in deze internationale context. Dat is wat wij in het volgende artikel gaan uitwerken.

De ‘Franse bijzonderheid’

Het is waar dat er in Mei 1968 in Frankrijk een toestand bestond die men in geen enkel ander land terugvond, behalve dan marginaal: een massale beweging van de arbei­dersklasse die snel tot ontwikkeling kwam vanuit de studentenmobilisatie. Het is duide­lijk dat de studentenmobilisatie en de repressie die zij onderging – en die haar voedde – evenals de uiteindelijke terugtrekking van de regering na de ‘nacht van de barricades’ (2) van 10-11 Mei een rol hebben gespeeld, niet alleen in het uitbarsten maar ook in de om­vang van de arbeidersstaking. Dit gezegd hebbende, toen het proletariaat in Frankrijk zich eenmaal in een dergelijke beweging stortte, was het zeker niet alleen om ‘net als de stu­denten te doen’, want in zijn midden heerste een zeer veralgemeende en diepgaande on­tevredenheid en ook de politiek wil om de strijd aan te gaan.
Dit feit wordt over het algemeen niet verhuld in de boeken en tv-programma’s over Mei 1968: dikwijls wordt er aan herinnerd dat de arbeiders sinds 1967 belangrijke gevechten gevoerd hadden, wier karakteristieken een breuk vertoonde met die van de voorafgaande periode. Terwijl de ‘stakinkjes’ en de vakbondsactiedagen maar weinig enthousiasme konden opwekken, waren er zeer harde en vastberaden conflicten tegenover een hevige repressie van bazen en politie waarbij de vakbonden meermaals overspoeld werden. Zo deden er zich vanaf begin 1967 belangrijke botsingen voor in Bordeaux (in de vliegtuig­fabriek Dassault), in Besançon en in de streek van Lyon (staking met bezetting van Rho­dia, staking bij Berliet die de bazen deed overgaan tot een lock-out en tot de bezetting van de fabriek door de CRS), in de mijnen van Lotharingen, in de scheepswerven Saint-Naza­ire (die verlamd werden door een algemene staking op 11 april).
Het was in Caen, in Normandië, dat de arbeidersklasse één van haar meest belangrijke gevechten gaat leveren vóór Mei 68. Op 20 januari 1968, hadden de vakbonden van Saviem (vrachtwagens) een stakingsoproep gelanceerd van anderhalf uur. Maar de basis, die oordeelde dat deze actie ontoereikend was, ging spontaan in staking op de 23ste. Op de tweede daaropvolgende dag ontmantelde de CRS om 4 uur ’s morgens het stakingspiket om de kaderleden en de ‘ratten’ de fabriek binnen te laten. De stakers besloten om naar het stadscentrum te trekken waar ze werden vergezeld door arbeiders van andere bedrijven die ook in staking waren gegaan. Om 8 uur ‘s morgens kwamen 5.000 mensen vreedzaam samen op weg naar de grote markt: de mobiele brigade chargeerden hen bru­taal, namelijk met slagen van geweerkolven. Op 26 januari betuigden de arbeiders uit alle sectoren van de stad (waaronder de leerkrachten) evenals talrijke studenten, hun soli­dariteit: een meeting bracht 7.000 mensen samen op de grote markt om 18 uur. Op het einde van de meeting chargeerde de mobiele brigade om het plein schoon te vegen maar ze werden verrast door het verzet van de arbeiders. De botsingen duurden heel de nacht door; er waren 200 gewonden en tientallen aanhoudingen. Zes jongeren, allen arbeiders , liepen straffen op gaande van 15 dagen tot 3 maanden. Maar deze repressie bereikte niets anders dan de uitbreiding van de strijd: op 30 januari telde men 15.000 stakers in Caen. Op 2 februari werden de gezaghebbers en de bazen gedwongen om toe te geven: opheffing van de vervolgingen tegen de betogers, loonsverhogingen van 3 tot 4%. ’s An­derendaags werd het werk hervat, maar onder impuls van jonge arbeiders, gaan de werkonderbrekingen nog een maand door bij Saviem.
Saint-Nazaire in april 1967 en Caen waren niet de enige steden die werden getroffen door de algemene staking van de hele werkende bevolking. Dit was ook het geval in andere, minder belangrijke steden zoals Redon in maart en Honfleur in april. Deze massale stakingen van al de uitgebuiten van één stad waren de voorlopers van wat medio mei in heel het land ging gebeuren. Bijgevolg kan men niet beweren dat het onweer van Mei 1968 uitbarstte bij heldere hemel. De beweging van de studenten heeft weliswaar ‘de vlam in de pan’ doen slaan, maar deze stond al op  koken.
Natuurlijk hebben de ‘specialisten’ en vooral de sociologen, geprobeerd om de oorzaken van de Franse ‘uitzondering’ aan te dikken. Ze hebben in het bijzonder het zeer hoge ritme aangetoond van de industriële ontwikkeling van Frankrijk in de jaren 1960, waarbij dit oude landbouwland werd omgevormd tot een moderne grootmacht. Dit feit verklaart voornamelijk de aanwezigheid en de rol van een belangrijk aantal jonge arbeiders in  fabrieken, die dikwijls nog maar kortelings uit de grond gestampt waren. Deze jonge arbeiders, die vrij dikwijls uit een landbouwgebied kwamen, waren ook zeer weinig aangesloten bij de vakbond en verdroegen heel slecht de kazernediscipline van de fabriek waarvoor ze in de meeste gevallen slechts een flutloontje kregen, zelfs al hadden ze een diploma van vakbekwaamheid. Deze situatie maakt het mogelijk te begrijpen waarom het de jongste sectoren van de arbeidersklasse zijn die het eerst de strijd aangaan en ook waarom het merendeel van de bewegingen die aan Mei 1968 voorafgingen, plaatsvonden in het westen van Frankrijk, een landbouwstreek die vrij laat geïndustrialiseerd werd. Nochtans faalt de uitleg van de sociologen wanneer het er op aan komt om te verklaren waarom het niet enkel de jonge arbeiders waren die in 1968 in staking gingen, maar de zeer grote meerderheid van heel de arbeidersklasse van alle leeftijden.

De internationale betekenis van de staking van Mei 1968 in Frankrijk

In feite scholen er achter een beweging van een dergelijke omvang en diepgang als die van Mei 68, noodzakelijkerwijze veel dieper liggende oorzaken, die het kader van Frankrijk verre overstegen. De reden waarom het geheel van de arbeidersklasse van dit land zich lanceerde in een nagenoeg algemene staking, was dat alle sectoren begonnen aangetast te worden door de economische crisis die in 1968 nog maar in een beginsta­dium was. Het was geen typisch ‘Franse’ crisis maar een van heel het wereldkapitalisme. Het zijn de gevolgen in Frankrijk van deze wereldcrisis (stijging van de werkloosheid, aanvallen op de Sociale Zekerheid), die voor een groot deel de verklaring vormen van de stijging van de arbeidersstrijdbaarheid in dit land bij het begin van 1967:
“In alle industrielanden van Europa en in de VS, ontwikkelt zich de werkloosheid en ver­somberen de economische perspectieven. Engeland, dat ondanks een vermenigvuldi­ging van de maatregelen om het evenwicht te bewaren, zich eind 1967 tenslotte verplicht zag om het Pond Sterling te devalueren, veroorzaakte een sliert devaluaties in zijn zog. De regering Wilson kondigt een uitzonderlijk bezuinigingsprogramma af: een massale ver­mindering van de openbare uitgaven…, loonblokkering, vermindering van de interne consumptie en de invoer, inspanning om de uitvoer op te voeren. Op 1 januari is het aan Johnson (3) om een alarmkreet te slaken en onontkoombare strenge maatregelen te ne­men om het economisch evenwicht te vrijwaren. In maart barst  de financiële crisis van de Dollar uit. De economische pers die elke dag pessimistischer wordt, roept steeds meer het beeld op van het spook van de crisis van 1929 (…) Mei 1968 toont zich in al zijn belang omdat het een van de eerste en meest belangrijke reacties is van de massa van de arbeiders tegenover een economische wereldsituatie die steeds maar verslechtert”. (Révolution Internationale (oude serie), nr. 2, lente 1969).
In feite hebben de bijzondere omstandigheden het mogelijk gemaakt dat het in Frankrijk was, dat het wereldproletariaat zijn eerste strijd van omvang leverde tegen te toenemende aanvallen die het kapitalisme in crisis alleen maar kon vermenigvuldigen. Maar vrij vlug gingen ook andere nationale sectoren van de arbeidersklasse op hun beurt de strijd aan. Uit dezelfde oorzaken moesten wel dezelfde reacties loskomen.
Zo kwam het dat aan de andere kant van de wereld, in Argentinië, mei 1969 ging geken­merkt worden door wat sindsdien in het geheugen gegrift staat als de ‘Cordobazo’. Als gevolg van een reeks mobilisaties in de arbeiderssteden tegen de gewelddadige econo­mische aanvallen en de repressie van de militaire junta, hadden op 29 mei de arbeiders van Cordoba de politie- en legermacht volkomen overspoeld (alhoewel die uitgerust waren met tanks) en hadden zich meester gemaakt van de stad (de tweede van het land). De regering slaagde er slechts in de loop van de volgende dag in om de ‘orde te herstel­len’ dank zij een massale toezending van militaire troepen.
Op hetzelfde moment, begon in Italië de beweging van de belangrijkste arbeidersstrijd sinds de Tweede Wereldoorlog. De stakingen begonnen zich ter vermenigvuldigen bij Fiat in Turijn, eerst in de belangrijkste fabriek van de stad, Fiat-Mirafiori, om vervolgens uit te breiden naar de andere fabrieken van de groep in Turijn en omgeving. Op 3 juli, ter gelegenheid van een actiedag van de vakbond tegen de verhoging van de huren, stromen de stoeten van arbeiders, vervoegd door die van de studenten samen naar de fabriek van Mirafiori. Voor de ingang ervan braken gewelddadige gevechten uit met de politie. Ze gingen bijna de hele nacht door en breidden zich uit naar andere wijken van de stad.
Vanaf einde augustus, toen de arbeiders terugkwamen van de zomervakantie, hernamen de stakingen bij Fiat, maar ook bij Pirelli (banden) in Milaan en bij heel wat andere bedrijven.
Nochtans liet de Italiaanse bourgeoisie, die lering had getrokken uit de ervaring van Mei 68, zich niet verassen zoals dat de Franse bourgeoisie was overkomen het jaar daarvoor. Het moest absoluut voorkomen worden dat het diepgaande sociale onvrede dat tot uiting kwam, zou omslaan in een algemene ontvlamming. Om die reden ging haar vakbondsap­paraat gebruik maken van het aflopen van de CAO’s, namelijk die van de metaal, de che­mie en de bouw, om zijn manoeuvres te ontwikkelen van het versnipperen van de strijd door de arbeiders te richten op het doel van een ‘goed contract’ in hun respectievelijke sectoren. De vakbonden scherpten de zogenaamde tactiek aan van de ‘scharnier’ stakin­gen: de ene dag staakten de metaalarbeiders, de andere die van de chemie, en nog en an­dere die van de bouw. ‘Algemene’ stakingen worden uitgeroepen, maar wel per provin­cies of zelfs per stad, tegen de levensduurte en de huurverhogingen. Op bedrijfsvlak pro­pageerden de vakbonden beurtstakingen, de ene werkplaats na de andere, onder het voor­wendsel van zoveel mogelijk schade te veroorzaken voor de patroon en zo weinig moge­lijk voor de arbeiders. Tegelijkertijd deden de vakbonden het nodige om de controle terug te winnen over de basis die hen dreigde te ontglippen: terwijl in vele bedrijven de arbei­ders, die ontevreden waren over de traditionele vakbondsstructuren, afgevaardigden kozen per werkplaats, werden deze laatste erkend onder de vorm van ‘fabrieksraden’, voorgesteld als ‘basisorganen’ van de eenheidsvakbond die de drie vakbonden, CGIL, CISL en UIL beweerden te willen gaan oprichten. Na verscheiden maanden van arbei­dersstrijdbaarheid die uitgeput raakte in de ‘actiedagen’ per sector en de ‘algemene’ stak­ingen per provincie of per stad, werden de CAO’s van de sector de een na de andere getekend tussen begin november en eind december. En het was even voor het tekenen van het laatste, belangrijkste contract aangezien het ging over de metaal van de privé, de voor­hoedesector van de beweging, dat er op 12 december in een bank in Milaan, een bom ont­ploft die 16 mensen doodde. De aanslag werd toegeschreven aan anarchisten (één van hen Giuseppi Pinelli, stierf terwijl hij in handen was van de Milanese politie), maar later wordt uitgevist dat hij voortkwam uit bepaalde sectoren van het staatsapparaat. De ge­heime structuren van de burgerlijke staat kwamen hand en spandiensten verlenen aan de vakbonden om verwarring te zaaien in de rangen van de arbeidersklasse en tegelijkertijd werden de repressiemiddelen opgedreven.
Het proletariaat in Italië stond niet alleen in de mobilisatie tijdens de herfst van 1969. Op kleinere schaal, maar toch veelbetekenend, ging ook de arbeidersklasse in Duitsland de strijd aan, aangezien er in september zowat overal in het land wilde stakingen uitbraken tegen de door de vakbond overeengekomen ‘loonmatiging’. Aan hen werd gevraagd om zich ‘realistisch’ op te stellen tegenover de verslechtering van de toestand van de Duitse economie die, ondanks het naoorlogse ‘mirakel’, niet gespaard was gebleven van de moeilijkheden van het wereldkapitaal die zich sinds 1967 hadden opgestapeld (dat jaar kende de Duitse economie haar eerste recessie sinds de Tweede Wereldoorlog).
Het ontwaken van het Duitse proletariaat, zelfs al was dat nog heel bedeesd, had een heel bijzondere betekenis. Enerzijds ging het om het belangrijkste en meest geconcentreerde proletariaat van Europa. Maar vooral omdat dit proletariaat in de geschiedenis altijd een vooraanstaande rol heeft gespeeld, en opnieuw zal spelen, binnen de arbeidersklasse op wereldschaal. Het was in Duitsland dat het lot werd bezegeld van de internationale revolutionaire golf, die vanaf oktober 1917 de kapitalistische wereldheerschappij had doen wankelen. De nederlaag die de Duitse arbeiders leden bij hun revolutionaire pogingen tussen 1918 en 1923 had de weg geopend voor de meest verschrikkelijke contrarevolutie die het wereldproletariaat ooit in zijn geschiedenis heeft ondergaan. En het was daar, waar de revolutie het verst was gegaan, in Rusland en in Duitsland, dat deze contrarevolutie de meest diepgaande en barbaarse vormen aannam: het stalinisme en het nazisme. Deze contrarevolutie zou meer dan een halve eeuw duren en vond haar hoogtepunt in de Tweede Wereldoorlog. In tegenstelling tot de Eerste Wereldoorlog had de Tweede het voor het proletariaat onmogelijk gemaakt om het hoofd op te richten. Hij had het zelfs nog dieper de grond ingeduwd, voornamelijk dank zij de illusies die waren voortgebracht door de overwinning van het kamp van de ‘democratie’ en van het ‘socialisme’.
De immense staking van Mei 1968 in Frankrijk, en vervolgens de ‘hete herfst’ in Italië, hadden het bewijs geleverd dat het wereldproletariaat een einde had gemaakt aan de periode van contrarevolutie. De strijd van de Duitse arbeiders in september 1969 had dit bevestigd, net zoals op een veel betekenisvollere schaal de strijd van de Poolse arbeiders van de Baltische kust tijdens de winter van 1970-71 de gezagshebbers gedwongen had om, na een oorspronkelijk zeer brutale repressie (300 doden), in te binden, voornamelijk door af te zien van het doorvoeren van de prijsstijgingen voor de basisvoeding, die de arbeiderswoede hadden opgewekt. De stalinistische regimes waren de zuiverste belichaming van de contrarevolutie: het was in naam van het ‘socialisme’ en van de ‘belangen van de arbeidersklasse’ dat deze de meest verschrikkelijke terreur onderging. De ‘hete’ winter van de Poolse arbeiders leverde het bewijs dat zelfs daar waar de contrarevolutie nog haar zwaarste loden gewicht deed voelen, in de ‘socialistische’ regimes, er een bres was ingeslagen.

Wij kunnen hier niet het geheel van de arbeidersgevechten opsommen die, na 1968, deze fundamentele verandering bevestigde in de krachtsverhouding tussen de bourgeoisie en het proletariaat op wereldvlak. Wij halen hier slechts twee voorbeelden aan, die van Spanje en van Groot-Brittannië.
In Spanje kwam de arbeidersstrijdbaarheid, ondanks de wrede repressie die werd uitgeoefend door het Franco-regime op massale wijze tot uiting tijdens de zomer van 1974. De stad Pamplona, in Navarra, kende een groter aantal stakingsdagen per arbeider dan die van de Franse arbeiders in 1968. Alle industriële regio’s waren getroffen (Madrid, Asturias, Baskenland), maar het was in de immense arbeidersconcentraties van de buitenwijken van Barcelona dat de stakingen hun grootste uitbreiding kenden. Ze beroerde alle bedrijven uit de regio, met betuigen van voorbeeldige arbeiderssolidariteit (dikwijls startte de staking in een bedrijf enkel uit solidariteit met de arbeiders uit andere bedrijven).
Het voorbeeld van het proletariaat in Groot-Brittannië is ook zeer treffend, aangezien het ging om het oudste proletariaat van de wereld. Gedurende heel de jaren 1970 heeft het massale strijd geleverd tegen de uitbuiting (met 29 miljoen stakingsdagen in 1979 ston­den de Engelse arbeiders op de tweede plaats in de statistieken achter de Franse arbeiders van 1968). Deze strijdbaarheid verplichtte de Engelse bourgeoisie om twee maal van eer­ste minister te veranderen: in april 1976 (Callaghan verving Wilson) en begin 1979 (Cal­laghan werd opzij gezet door het parlement).

Zo is de fundamenteel historische betekenis van Mei 68 niet te zoeken in de ‘Franse bijzonderheden’, noch in de studentenoproer, noch in de ‘revolutie van de zeden’ die men ons vandaag voorspiegelt. Ze ligt erin dat het wereldproletariaat een einde maakte aan de contrarevolutie en een nieuwe periode opende van historische botsingen met de kapitalis­tische orde. Een periode die eveneens werd geïllustreerd door een nieuwe ontwikkeling van politieke proletarische groepen, waaronder de onze, die door de contrarevolutie bijna waren uitgeroeid of tot stilzwijgen gebracht. We zullen dit in het volgende artikel onder de loep nemen.
Fabienne / 1.06.2008

(1)  Mei 1968: de studentenbeweging in Frankrijk en in de wereld (1en 2), Mei 1968: Het ontwaken van de arbeidersklasse, respectievelijk in Internationalisme, nr. 336, 337 en 338.
(2) Zie hiervoor ons artikel Mei 68: de studentenbeweging in Frankrijk en in de wereld in Internationalisme, nr. 337.
(3) Toenmalige president van de Verenigde Staten.

Geschiedenis van de arbeidersbeweging: