Aantekeningen over het vraagstuk van de religie

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Beste kameraad,
Je heb ons om een uiteenzetting gevraagd voor je eigen verheldering en voor die van de kring over het vraagstuk van de religie. Wij hebben al wat overwegingen gegeven over wat religie is en welke rol die speelt tegenover de bewustwording van het proletariaat in een artikel over de integristische islam in de Internationale Revue (Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave), nr.109. Wij kunnen hier niet alle aspecten van dit vraagstuk behandelen. Het is van levensbelang om hierover te debatteren en we nodigen jullie uit alle vragen te stellen die jullie met betrekking tot dit thema bezighouden. De kameraden van de internationalistische discussiekring in de Dominicaanse republiek hebben ons gevraagd om wat aantekeningen op te sturen voor een debat over het vraagstuk van de religie. Wij publiceren de tekst die we ze hebben opgestuurd omdat hij van nut kan zijn voor andere kameraden of discussiekringen. Het spreekt vanzelf dat wij open staan voor allerhande bijdragen, voorstellen en kritiek van onze lezers.

Beste kameraad,
Je heb ons om een uiteenzetting gevraagd voor je eigen verheldering en voor die van de kring over het vraagstuk van de religie. Wij hebben al wat overwegingen gegeven over wat religie is en welke rol die speelt tegenover de bewustwording van het proletariaat in een artikel over de integristische islam in onze Internationale Revue (Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave), nr. 109.
Wij kunnen hier niet alle aspecten van dit vraagstuk behandelen. Het is van groot belang om hierover te debatteren en we nodigen jullie uit alle vragen te stellen die jullie met betrekking tot dit thema bezighouden.

Het kapitalisme neigt ertoe de grondslag van de religie op te heffen

De religie heeft een centrale rol gespeeld in alle maatschappijen die aan het kapitalisme zijn voorafgegaan: het oorspronkelijk kommunisme, de slavenmaatschappij, het feodalisme, het Aziatisch- en Inca-despotisme...
Met de fantastische ontwikkeling van de productiekrachten die het met zich meebrengt, legt het kapitalisme de grondslag van het overstijgen en de definitieve afsterven van de religie.
Waarom?
Omdat de religie twee pijlers heeft om zijn invloed te behouden over alle mensen. De eerste pijler is het lange tijdperk van de menselijke geschiedenis waarin de mensen een uitermate beperkte controle hadden over het natuurlijk milieu dat hen omringde. Daardoor blijft de mens onderworpen aan de indrukwekkende natuurkrachten waar tegenover hij  zich absoluut machteloos voelt. Bijvoorbeeld: de boer werkt maandenlang en doet zijn best om zijn kweeksels zo goed mogelijk te verzorgen en moet toezien hoe dat alles verloren gaat door een hagelbui, overstromingen of eenvoudigweg door een plotse vorst… De meeste verschijnselen van de natuur bleven eeuwenlang versluierd als onverklaarbare geheimen waar tegenover de mens zich machteloos en onbeschermd voelde. Dit is gedurende een lang tijdperk van de menselijke geschiedenis de basis geweest van de religie: de bovennatuurlijke verklaring , het idee dat er hogere krachten bestaan die zouden heersen over de beweging van de maatschappijen en de natuur in het algemeen.
Die eerste pijler van de religie heeft het kapitalisme een beslissende klap gegeven. Door de productiekrachten van de mensheid op een fantastische manier te ontwikkelen, door de wereldwijde productie, heeft het kapitalisme de grondvesten gelegd zodat de mensheid zich kan bevrijden van de afhankelijkheid van de haar omringende natuur.
De ideologen van de revolutionaire bourgeoisie legden de klemtoon op dit aspect: zij beschouwden de religie als de verdedigerster van het obscurantisme, van de magische en bovennatuurlijke verklaringen. Zij gebruikten het atheïsme als hefboom tegen de religie.
Zijn hadden gedeeltelijk gelijk en daar steunde de marxistische beweging op.

De begrenzingen van de burgerlijke strijd tegen de religie

Vanuit het mechanistisch gezichtspunt, vanuit een vulgair materialisme, kon de strijd tegen de religie worden teruggebracht tot eenvoudigweg het atheïsme te verkondigen, door het per decreet afschaffen van de religie, door de ‘onverbiddelijke’ religievervolging.
Toch is de werkelijkheid niet zo eenvoudig. Hoe kan het dat ondanks het verdwijnen van de sociaal-economische grondvesten die voedsel aan de religie gaven, deze nog altijd de geesten en harten van de mensen in beslag neemt?
Er zijn twee redenen:
1. Tegenover de opkomst van het proletariaat, streeft de bourgeoisie er naar om bondgenootschappen aan te gaan met de reactionaire lagen die zij eerder had bestreden. Zij gebruikt de clerus en de kerken als wapens om de arbeidersmassa’s en de onderdrukten vast te klinken in onwetendheid en afstomping.
Dit aspect is reëel en daarom zei Lenin: “Het marxisme beschouwt alle tegenwoordige godsdiensten en kerken, alle religieuze organisaties steeds als organen van de burgerlijke reactie, die de uitbuiting moeten verdedigen en de arbeidersklasse moeten dom houden en in nevelen moeten hullen.” (1).
2. Met het begin van haar historisch tijdperk van het verval begint de bourgeoisie zelfvertrouwen te verliezen, neigt er toe weg te vluchten in de religie, tegenover een wereld die niet de weg inslaat die zijzelf zou hebben gewild, maar wel wegzinkt in allerhande rampen: imperialistische oorlogen, vernietigende economische crises, hongersnoden, ecologische catastrofes…
Deze tweede reden is zeer belangrijk en volkomen juist. Het boek Het ABC van het Kommunisme (geschreven in 1919 door Boecharin en Preobrazhenski in opdracht van de Kommunistische Internationale), stipt juist aan dat:
“als de burgerlijke klasse begint te geloven in god en het eeuwig leven, dat komt doordat zij zich begint te realiseren dat haar leven in deze wereld op zijn laatste benen loopt.”
In dezelfde zin schreef Anton Pannekoek (lid van de Hollands-Duits Kommunistische Linkerzijde) in 1938:
“Slechts zolang de bourgeoisie kon geloven dat haar maatschappij met privé-eigendom, persoonlijke vrijheid en vrije concurrentie, door de ontwikkeling van de industrie, de wetenschap en de techniek de problemen van de gehele mensheid kon oplossen, slechts zolang kon de bourgeoisie geloven dat de theoretische problemen door de wetenschap konden worden opgelost zonder de noodzaak van het bestaan van bovennatuurlijke of geestelijke machten aan te nemen.
Zodra het echter duidelijk werd dat het kapitalisme de problemen van de bestaansmogelijkheid van de massa’s niet kon oplossen, zoals bleek uit de opkomst van de proletarische klassenstrijd, verdween de optimistische materialistische filosofie. De wereld scheen weer vol onoplosbare tegenstellingen en onzekerheden, vol duistere krachten die de beschaving bedreigden. Daardoor wendde de bourgeoisie zich tot allerlei soorten religie, en de bourgeois intellectuelen lieten zich beïnvloeden door mystieke stromingen. Het duurde niet lang of zij ontdekten de zwakke punten en tekortkomingen van de materialistische filosofie, en gingen voordrachten houden over ‘De grenzen van de wetenschap’ en de onoplosbare ‘wereldraadsels’ ”
(2).
In het verval van het kapitalisme ondergaat de burgerlijke ideologie een belangrijke verandering: het geloof in de wetenschap en rede gaat verloren, en zakt steeds weg in mysticisme, verdrinkt in allerhande irrationele filosofieën. Daaruit blijkt het historisch bankroet van het kapitalisme. De bourgeoisie handelt zoals de verloren zoon. Nadat een ruzie met de religieuze vader is ze van de middeleeuwse haard weggelopen, maar na verloop van tijd keert ze, verbitterd en met gebogen hoofd, terug naar het ouderlijk huis.
Het kapitalistisch streven naar het ontwikkelen van productiekrachten is veranderd in het verval van dit systeem, in een nachtmerrie. Zoals het Kommunistisch Manifest stelde is de bourgeoisie als een leerling tovenaar. De enorme productiekrachten die zij tot ontwikkeling heeft kunnen brengen – en nog tot ontwikkeling brengt – vormen zich in het verval van het kapitalisme om tot machtige vernietigingskrachten.
Het kapitalisme is niet in staat tot een revolutionaire, harmonische en samenhangende omvorming van het natuurlijk milieu dat de menselijke wezens omgeeft. De ontwikkeling van de productiekrachten vindt bij haar plaats in een tegenstrijdig en chaotisch raamwerk van wrede concurrentie, van ieder voor zich, van imperialistische oorlogen. In een dergelijk kader ontsnapt het natuurlijk milieu aan de controle, komen er vernietigende krachten los die het kapitalisme niet kan beheersen of, erger nog, die het door de chaotische aanpak nog erger maakt.
Twee algemene tendensen bepalen de verhouding van het kapitalisme met het natuurlijke milieu van de aarde: enerzijds, het roofbouw van grondstoffen met onvoorzienbare gevolgen; anderzijds, het verstoren van het interne evenwicht van de natuurkrachten door het ontketenen van vernietigende processen met eveneens onvoorspelbare gevolgen.
Deze verschijnselen die overduidelijk worden in het verval van het kapitalisme doen de ideologen van het kapitalisme wegzinken in pessimisme. De bourgeoisie kan niet langer beweren de natuur te hebben ‘overwonnen’ en daardoor, de eerste pijler van de religieuze ideologie te hebben overstegen – het bestaan van bovennatuurlijke krachten. In werkelijkheid voelt zij zich verloren en kansloos tegenover vreemde en oncontroleerbare machten, wat haar nog meer in de armen drijft van allerhande soort van goden.

Het atheïsme is geen alternatief voor de religie

Tijdens de twintigste eeuw heeft een deel van de bourgeoisie – concreet de regimes die zich ‘communistisch’ noemen van het Chinese tot het Cubaanse – zich officieel atheïstisch verklaard en ze hebben dat uitgestald als een vorm van ‘trouw’ aan het marxisme.
Tegenover dit streven herinnert Lenin er aan dat:
“Tegelijkertijd veroordeelde Engels echter herhaaldelijk de pogingen van mensen, die ‘linkser’ of ‘revolutionairder’ wilden zijn dan de sociaal-democratie, in het program van de arbeiderspartij een directe belijdenis van het atheïsme op te nemen in de zin van een oorlogsverklaring aan de godsdienst. In 1874, toen Engels over het beroemde manifest sprak van de blanquistische. Communevluchtelingen, die als emigranten in Londen leefden, kenschetste hij hun luidruchtige oorlogsverklaring aan de godsdienst als een domheid en verklaarde hij, dat een dergelijke oorlogsverklaring het beste middel is om de belangstelling voor de godsdienst nieuw leven in te blazen en het werkelijke afsterven van de godsdienst te bemoeilijken.” (3).
Lenin herinnerde er aan dat een feodale prins, Bismarck – de ijzeren kanselier die de ontwikkeling van het kapitalisme in Duitsland een stoot gaf – een hevige oorlog had ingezet tegen de religie – de fameuze ‘Kulturkampf’, de strijd voor de cultuur – die zelfs uitliep op religievervolgingen:
“Een dergelijke oorlog aan de godsdienst verklaren betekent volgens Engels ‘bismarckser zijn dan Bismarck’, dat wil zeggen de dwaasheid van Bismarck’s strijd tegen de klerikalen herhalen (de beruchte ‘Kulturkampf’, dat wil zeggen de strijd, die Bismarck in de zeventiger jaren door middel van politievervolgingen van het katholicisme tegen de Duitse partij van de katholieken, de ‘Centrum’ partij heeft gevoerd). Door deze strijd heeft Bismarck het strijdbare klerikalisme van de katholieken alleen maar gesterkt en de zaak van de werkelijke cultuur alleen maar afbreuk gedaan, want in plaats van de politieke scheidsmuren plaatste hij de godsdienstige scheidsmuren op de voorgrond en leidde op die manier de aandacht van bepaalde lagen van de arbeidersklasse en van de democratie van de dringende taken van de revolutionaire en de klassenstrijd af naar een heel oppervlakkig en burgerlijk-leugenachtig antiklerikalisme. Engels maakte Dühring, die ultrarevolutionair wilde zijn, het verwijt, dezelfde dwaasheid van Bismarck in een andere vorm te willen herhalen, en hij verlangde van de arbeiderspartij er begrip voor te hebben, dat zij geduldig moet werken aan het organiseren en opklaren van het proletariaat, wat tot het afsterven van de godsdienst zal leiden, maar dat zij zich niet in het avontuur van een politieke oorlog tegen de godsdienst mag storten.” (4).
De ‘socialistische’ regimes van de voormalige Sovjet-Unie en andere landen verklaarden meerdere nieuwe Bismarckse ‘Kulturkämpfe’ en vandaag zien wij daarvan de resultaten: in alle landen van het Oosten, in China zelf schieten allerlei religieuze geloofsovertuigingen als paddestoelen uit de grond, de ene nog absurder en irrationeler dan de andere.

De ware strijd tegen de religie is de massale en bewuste actie van de arbeidersklasse

Atheïsme en religie zijn maar twee symmetrische opvattingen die hun wortels vinden in hetzelfde gevoel van machteloosheid, van hulpeloosheid, van irrationele schrik tegenover de wereld, die het individu aanziet als vreemd, vijandig en oncontroleerbaar.
Dat brengt ons bij de beschouwing van de tweede pijler van de invloed van de religieige ideologie die beslissend en wezenlijk is. Deze tweede pijler is diegene die het marxisme heeft ontdekt, door de nog zeer beperkte benadering van de revolutionaire ideologen van de burgerij uit de achttiende eeuw, de burgerlijke materialisten, te overstijgen en het werkelijke niveau van de benadering op te trekken.
“Marxisme is materialisme. Het staat als zodanig even meedogenloos vijandig tegenover de godsdienst als het materialisme van de Encyclopedisten van de achttiende eeuw of het materialisme van Feuerbach. Dat staat buiten kijf. Maar het dialectische materialisme van Marx en Engels gaat verder dan dat van de Encyclopedisten en van Feuerbach, want het past de materialistische filosofie toe op het gebied van de geschiedenis, op het gebied van de sociale wetenschappen. Wij moeten de godsdienst bestrijden. Dat is het abc van het gehele materialisme en dus ook van het. marxisme.
Maar het marxisme is geen materialisme, dat bij het abc is blijven stilstaan. Het marxisme gaat verder. Het zegt: men moet de godsdienst weten te bestrijden, maar daartoe is het nodig, dat men de oorsprong, die geloof en godsdienst onder de massa’s hebben, materialistisch verklaart. Men mag de strijd tegen de godsdienst niet beperken tot abstract-ideologische propaganda, men mag die niet tot een dergelijke propaganda reduceren, maar moet die in verband brengen met de concrete praktijk van de klassenbeweging, die het afschaffen van de sociale wortels van de godsdienst ten doel heeft. Waarom handhaaft de godsdienst zich onder de achterlijke lagen van het stedelijke proletariaat, onder brede lagen van het halfproletariaat en ook onder de grote massa van de boeren? Wegens de onwetendheid van het volk, antwoordt de. burgerlijke vooruitstrevende, de radicaal of de burgerlijke materialist. Dus weg met de godsdienst, leve het atheïsme, onze voornaamste taak is het verbreiden van atheïstische inzichten. De marxist zegt: dat is verkeerd. Zo’n opvatting is oppervlakkige, burgerlijk beperkte cultuurverspreiding. Zulk een opvatting verklaart de wortels van de godsdienst niet grondig genoeg, niet materialistisch, doch idealistisch.”
(5).
In zijn Bijdrage tot de kritiek op de Hegels rechtsfilosofie van Hegel, stipt Marx aan:
“De religie is namelijk het zelfbewustzijn en het gevoel van eigenwaarde van de mens die zichzelf óf nog niet heeft gevonden óf zichzelf al weer verloren heeft” (6), de religie is een vals bewustzijn van de wereld, “de fantastische verwerkelijking van het menselijke wezen, omdat het menselijke wezen geen ware werkelijkheid bezit.” (7). Het is een verkeerd antwoord op een werkelijke probleem:
“De religieuze ellende is tegelijk zowel de uitdrukking van de werkelijke ellende, als het protest tegen de werkelijke ellende. De religie is de verzuchting van het gekwelde schepsel, het gemoed van een harteloze wereld, net zoals zij de geest van geesteloze toestanden is. Zij is opium van het volk.” (8).
We zagen al dat het kapitalisme de grondvesten legde voor de ontvoogding van de mensheid van een natuurlijk milieu dat eeuwenlang beschouwd werd als vijandig, vreemd en onbeheersbaar. We zagen dat het enkel in staat is geweest daarvoor de ‘grondslagen te vestigen’, dat is te zeggen, het heeft een werkelijk probleem gesteld, maar de oplossing die het er voor gegeven heeft is erger dan het probleem zelf. Het beheerst de natuurkrachten op anarchistische en tegenstrijdige wijze, waardoor het niet zijn beste en meest scheppende vermogens heeft capaciteiten maar in tegendeel, zijn meest vernietigende en rampzalige krachten heeft vrijgemaakt (zoals wij dat heden ten dage zien met het gevaar van de vernietiging van het leefmilieu op aarde).
Maar dit ‘vrijmaken’ ging vergezeld van de ergste ketening en verknechting van de menselijke arbeid. De arbeiders, de voornaamste productiekracht, worden onderworpen aan de loonarbeid en aan het mechanisme van de markt, waardoor zij gevangenen worden van indrukwekkende, onbeheersbare krachten, van strikt sociale aard, die veel erger en minder begrijpelijk lijken dan de natuurkrachten.
De boer kon de oorzaak van zijn pech vereenzelvigen met storm of vrieskou, de arbeider die zich op de meest professionele manier gedraagt beult zich af om te werken tot de uitputting, hij vindt geen uitleg voor zijn ontslag, hoe hij betaald wordt zonder daarmee zijn menselijke behoeften te kunnen dekken en dat alles als gevolg van rare en wispelturige wetten die zelfs niet afhangen van zijn individuele baas maar van verre en rare mechanismen die verbonden zijn aan de wereldmarkt.
De boer wist dat een slechte oogst als vrucht van onverwachte natuurlijke omstandigheden (een droogte, een sprinkhanenplaag, een overstroming) honger veroorzaakte. De arbeider daarentegen staat voor het meest absurde wat men zich kan inbeelden: het is de overproductie die hem onderdompelt in werkloosheid, armoede en honger! Het is een overvloedige oogst die de dagloners in de landbouw ruïneert!
In de kapitalistische maatschappij wordt ieder individu tot totale atomisering gebracht, het individu moet geheel alleen en geïsoleerd het hoofd bieden aan het kapitaal en aan de markt en onder wrede concurrentievoorwaarden met zijn gelijken. Dit is heel verschillend van hoe de boer te lijden had onder het brutale juk van de feodale heer, want hij kon diens beestachtigheden verzachten door te steunen op de andere leden van de dorpsgemeenschap.
Lenin herinnert er met een enorme helderheid aan:
“In de moderne kapitalistische staten zijn deze wortels in hoofdzaak van sociale aard. De sociale onderdrukking van de werkende massa’s, hun schijnbaar volledige machteloosheid tegenover de blinde werking van de krachten van het kapitalisme, dat de eenvoudige werkende mensen iedere dag en ieder uur duizend keer meer ontzettend leed en onmenselijke kwellingen berokkent dan welke buitengewone gebeurtenissen als oorlogen, aardbevingen enzovoort, – ook daarin ligt vandaag de diepste wortel van de godsdienst. ‘De vrees heeft de goden voortgebracht’. De vrees voor de blinde werking van de macht van het kapitaal, blind, omdat haar werking door de volksmassa’s niet kan worden voorzien en omdat ze de proletariër en de kleine zelfstandige bij elke stap van hun leven de ‘plotselinge’, ‘onverwachte’, ‘toevallige’ ruïnering, de ondergang, de verandering tot bedelaar, tot pauper, tot een geprostitueerde, de hongerdood dreigt te brengen en dit ook inderdaad doet – dat is de wortel van de tegenwoordige godsdienst, waarop de materialist in het bijzonder en het meest moet letten, als hij geen beginneling in het materialisme wil blijven.” (9).
Lenin herinnert er aan dat vrees de goden schept. De vrees voor een vijandige en onbeheersbare natuur is de eerste pijler van de religie. Maar de tweede pijler, de belangrijkste, is de vrees voor een maatschappij waarin ieder menselijk wezen ‘alleen tegenover de wereld’ staat, geatomiseerd, geïndividualiseerd, gedwongen tot een ongenadige concurrentie met de anderen. Dat gevoel van vrees, van hulpeloosheid, van het wanhopig zoeken naar een hart in een harteloze wereld, roept met nog meer kracht dan de eerste pijler, de voorwaarden op voor de invloed van de religieuze ideologie.
Om deze reden, dringt Lenin – daarin het voorbeeld van Marx en Engels volgend – er op aan dat de beste en helderste vorm om het gewicht van de religie bij de werkende massa’s te boven te komen, ligt in het opwekken van hun vermogen tot vereniging, van solidariteit, van gezamenlijk denken en handelen, van de massale strijd. Het is op dat terrein van de eenheid, van het zich in staat voelen om vat te krijgen op het sociale leven, van het gezamenlijk meester worden van hun eigen bestemming, dat de individuele arbeider zichzelf niet meer beschouwt als een verdwaald atoom in een genadeloos universum, maar zijn traditionele vrees begint te overwinnen, vertrouwen begint te krijgen in zichzelf en in de anderen en zich een deel begint te voelen van de werkelijke mensheid omdat hij die dan zelf opbouwt. Onder die algemene sociale voorwaarden, die deel uitmaken van de kommunistische strijd van het proletariaat, beginnen de pijlers van de religie pas echt te wankelen.

Kommunistische groeten, IKS / 18.07.2007

(1) Lenin, Over de verhouding van de arbeiderspartij ten opzichte van de godsdienst, in Keuze uit zijn werken, Moskou, 1972, deel 1, p. 392.
(2) Anton Pannekoek, Lenin als filosoof, Uitgave De Vlam, 1974, p. 24.
(3) Lenin, Ibidem, p. 393.
(4) Ibidem, p. 393-394.
(5) Ibidem, p. 495.
(6) Karl Marx, Bijdrage tot de kritiek op Hegels rechtsfilosofie, in Over godsdienst, staat en het joodse vraagstuk, Amsterdam, Pegasus, 1975, p. 87.
(7) Ibidem.
(8) Ibidem, p. 87-88.
(9) Lenin, ibidem, p. 495-496.