Wetenschap en de marxisme: De nalatenschap van Freud

Printvriendelijke versieSend by email

Ter gelegenheid van de tweehonderdste geboortedag van Charles Darwin, heeft de IKS  meerdere artikelen gepubliceerd over deze grote wetenschapper en zijn theorie over de evolutie van soorten.(1) Deze artikelen maken onderdeel uit van iets dat altijd aanwezig is geweest in de arbeidersbeweging: een interesse in de wetenschappelijke vragen, die uitgedrukt is tot op het hoogste niveau in de revolutionaire theorie van het proletariaat, het marxisme. Het marxisme ontwikkelde een kritiek op de idealistische en religieuze opvattingen van de menselijke samenleving en de geschiedenis, die de overhand had in het feodale en kapitalistische maatschappij maar die, aan het begin van de 19e eeuw, ook haar stempel drukte op de socialistische theorieën, welke de eerste stappen van de arbeidersbeweging vormden. In reactie op deze religieuze opvattingen zag het marxisme het als een van zijn eerste noodzakelijke prioriteiten om het perspectief van de toekomstige maatschappij, waarin de mensheid zich zou bevrijden van uitbuiting, onderdrukking en alle plagen, die ze millennia lang had ondergaan, een andere basis te geven. Deze laatste bestond niet ter verwezenlijking van abstracte beginselen van gelijkheid en rechtvaardigheid, maar als een materiële noodzaak welke voortvloeide uit de werkelijke evolutie van de menselijke geschiedenis, en van de natuur, die in laatste instantie voortgestuwd wordt, niet door spirituele, maar door materiële krachten. Dit is waarom de arbeidersbeweging, te beginnen met Marx en Engels zelf, altijd bijzondere aandacht besteedde aan de wetenschap.

Wetenschap ontstond ruim vóór het begin van de arbeidersbeweging en de arbeidersklasse zelf. We kunnen zelfs zeggen dat de laatste alleen in staat was om zich op grote schaal te ontwikkelen dankzij de vooruitgang van de wetenschap, welke een van de voorwaarden was voor de opkomst van het kapitalisme, de productiewijze die gebaseerd is op de uitbuiting van het proletariaat. In die zin is de bourgeoisie de eerste klasse in de geschiedenis die een onmisbare behoefte heeft aan wetenschap om haar eigen ontwikkeling te verzekeren en haar eigen macht te bevestigen over de samenleving. Door een beroep te doen op de wetenschap was ze in staat om zich los te maken uit de greep van de religie, die het fundamentele ideologische instrument vormde voor de verdediging en rechtvaardiging van feodale maatschappij. Maar nog meer dan dit leverde de wetenschap de onderbouwing voor de beheersing van de technologie van de productie en het vervoer dat een voorwaarde was voor de expansie van het kapitalisme Toen de laatste zijn hoogtepunt had bereikt, door de kracht op het toneel te brengen die in het Kommunistisch Manifest zijn ‘doodgraver’ wordt genoemd, het moderne proletariaat, keerde de bourgeoisie terug naar religie en de mystieke visies op de samenleving, die de grote verdienste hebben een maatschappelijke orde, gebaseerd op uitbuiting en onderdrukking, te rechtvaardigen. Door deze ommekeer verwijderde ze zich van de wetenschappelijke aanpak, die het mogelijk maakt om te begrijpen hoe de menselijke samenleving werkt. Tegelijkertijd blijft zij al het onderzoek bevorderen en financieren dat nodig is om haar winsten te garanderen, om de productiviteit van de arbeidskracht en de verbetering van de effectiviteit van haar militaire krachten te vergroten,

Het was de taak het proletariaat om in zijn strijd tegen het kapitalisme en voor zijn omverwerping, het vaandel van het wetenschappelijke kennen, waar de bourgeoisie zich van afgekeerd had, over te nemen. Dit deed het in het midden van de 19de eeuw door in te gaan tegen de apologetiek, waarin de studie van de economie, die van het geraamte van de maatschappij, veranderd was en door een kritische en revolutionaire benadering van deze materie naar voren te brengen, een noodzakelijkerwijs wetenschappelijke visie, zoals is uitgedrukt in Het Kapitaal van Karl Marx. Dit is de reden waarom de revolutionaire organisaties van het proletariaat de verantwoordelijkheid hebben een belangstelling voor de wetenschappelijke kennis en onderzoek aan te moedigen, met name op die terreinen die betrekking hebben op de menselijke samenleving, de menselijke soort en de psyche, terreinen waarin de heersende klasse een belang heeft het obscurantisme te kweken. Dit betekent niet dat een kommunistische organisatie van haar leden vereist dat ze wetenschap hebben gestudeerd, in staat zijn Darwin's theorie te verdedigen of om tweede graads-vergelijkingen op te lossen. De grondslag voor het vervoegen van onze organisatie is opgenomen in het platform, waarmee elke militant akkoord moet gaan en die hij geacht wordt te verdedigen. Ook op een hele reeks van vraagstukken, bijvoorbeeld een analyse van dit of dat aspect van de internationale situatie, moet de organisatie een standpunt hebben dat, in het algemeen, tot uitdrukking komt in de resoluties aangenomen door onze congressen of door plenaire vergaderingen van ons centraal orgaan. In deze gevallen is niet elke militant verplicht om met dergelijke standpunten akkoord te gaan. Het eenvoudige feit dat deze resoluties worden aangenomen na discussie en een stemming betekent dat er perfect verschillende gezichtspunten kunnen bestaan die, als ze blijven bestaan en voldoende zijn ontwikkeld, in onze pers kunnen worden gepubliceerd. Dit hebben we bijvoorbeeld kunnen zien met het debat over de economische basis van de “boom” die volgde op de Tweede Wereldoorlog.

Met betrekking tot de kwesties die handelen over culturele (filmkritiek bijvoorbeeld) of wetenschappelijke kwesties, hoeven ze niet de goedkeuring te hebben van elke militant (zoals het geval is met het platform). Bovendien kunnen ze ook niet beschouwd worden als het standpunt van de organisatie, zoals dat het geval is met de resoluties van congressen. Dus, net zoals de artikelen die wij gepubliceerd hebben over Darwin, is het hiernavolgende artikel, dat geschreven is ter gelegenheid van het 70ste verjaardag van de dood van Sigmund Freud, als zodanig niet uitdrukkelijk het standpunt van de IKS. Het moet worden gezien als een bijdrage aan een discussie waar niet alleen militanten binnen de IKS al of niet akkoord kunnen gaan met de inhoud ervan, maar ook de militanten buiten onze organisatie. Het maakt deel uit van een rubriek in de Internationale Revue, die wetenschappelijke kwesties zo levendig mogelijk wil maken en die tot doel heeft een overzicht van overdenkingen en discussies weer te geven, die culturele en wetenschappelijke kwesties betreffen. In deze zin vormt ze een oproep tot het leveren van bijdragen, die een andere mening tot uitdrukking kunnen brengen dan degene die tot uitdrukking komt in dit artikel.

Freuds nalatenschap

Sigmund Freud overleed op 23 september 1939, een paar weken voordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak, in het Hampsteadhuis in Londen, waarin nu het Freud-Museum is gevestigd. Er doet een verhaal de ronde dat de Freud, ofwel luisterend naar een debat op de radio of antwoord gevend op een vraag van zijn kleinzoon (de versies variëren), op de brandende vraag "Zal dit de laatste oorlog zijn?" op laconieke wijze antwoordde: "Het is in ieder geval mijn laatste oorlog".

 

Freud was verbannen uit zijn huis en praktijk in Wenen, kort nadat de nazi-misdadigers zijn appartement hadden betreden en zijn dochter Anna Freud arresteerden, die snel daarna werd vrijgelaten. Freud, geconfronteerd met de vervolging door macht van de nazi’s, ingesteld na de ‘Anschluss’ tussen Duitsland en Oostenrijk, werd niet alleen vervolgd omdat hij een Jood was, maar ook omdat hij de oprichter was van de psycho-analyse, een wetenschap die door het regime werd veroordeeld als een voorbeeld van ‘ontaard Joods denken’. Freuds werk had de eer om, naast die van Marx, Einstein, Kafka, Thomas Mann en anderen, een van de eerste te mogen zijn om te worden vernietigd in de orgie van de boekverbranding in 1933.

Maar de nazi's waren niet de enigen in hun haat naar Freud. Hun gelijkgestemden, de stalinisten, hadden ook  besloten om Freuds theorieën van de kansels van de staat aan de kaak te stellen. Net zoals de triomf van het stalinisme een eind had gemaakt aan alle experimenten op het gebied van de kunst, onderwijs en andere terreinen van het sociale leven, zo leidde dit binnen de Sovjet-Unie ook tot een heksenjacht op de aanhangers van de psycho-analyse, vooral op degenen die Freuds theorieën onverenigbaar beschouwden met het marxisme. De vroege Sovjet-macht had een heel andere houding. Hoewel de Bolsjewiki geenszins monolithisch waren in hun aanpak van deze kwestie, stonden een aantal vooraanstaande Bolsjewiki, met inbegrip van Loenatsjarsky, Boecharin en Trotski zelf, sympathiek tegenover de doelstellingen en de methoden van de psycho-analyse, wat tot gevolg had dat de Russische tak van de Internationale Psychoanalytische Vereniging de eerste in de wereld was die steun en subsidie kreeg van een staat.

In deze periode was een van de belangrijkste aandachtspunten van deze tak van psychologie de oprichting van een ‘school voor wezen’, gewijd aan de opvoeding van en de behandeling van kinderen die getraumatiseerd waren door het verlies van hun ouders in de burgeroorlog. Freud zelf had een levendige belangstelling voor deze experimenten: hij was vooral nieuwsgierig in hoeverre de diverse pogingen om kinderen op te voeden op een gemeenschappelijke basis, in plaats van binnen de grenzen van het tirannieke kerngezin, een impact zou hebben op het Oedipus-complex, die hij had geïdentificeerd als een centrale kwestie in de individuele psychologische geschiedenis. Ondertussen leverden Bolsjewiki als Lev Vygotsky, Alexander Luria, Tatiana Rosenthal en M. A. Reisner bijdragen aan de psycho-analytische theorie en onderzochten ze de relatie met het historisch materialisme. (2)

Aan dit alles kwam een einde aan toen de stalinistische bureaucratie haar greep op de staat versterkte. Freuds ideeën werden in toenemende mate aan de kaak gesteld als kleinburgerlijk, decadent en vooral idealistisch, terwijl de meer mechanistische aanpak van Pavlov en zijn theorie van de ‘geconditioneerde reflex’ bleef voortbestaan als een voorbeeld van materialistische psychologie. In de latere jaren van 1920 was er een enorme toename van venijnige teksten tegen Freud, geschreven door woordvoerders van het regime. Als onderdeel van een meer algemene ‘Thermidor in de Familie’ (een zin van Trotski's) ‘vielen’ voormalige aanhangers van Freud, zoals Aron Zalkind, Freud af en ontketenden ze zelfs een reeks van hysterische aanvallen op de ‘losse moraal’, die bot in verband werd gebracht met ideeën van Freud.

 

De uiteindelijke overwinning van het stalinisme op de opvattingen van Freud werd ingewijd op het ‘Congres over Menselijke Gedrag’ in 1930, met name in de toespraak van Zalkind, die laster uitgoot over de hele aanpak van Freud en stelde dat zijn opvattingen over het menselijk gedrag volledig in strijd waren met de behoeften van de ‘socialistische opbouw’: "Hoe kunnen we de opvatting van Freud over de mens gebruiken voor de socialistische opbouw? We hebben behoefte aan een sociaal 'open’ mens, die gemakkelijk wordt gecollectiviseerd, en snel en grondig verandert in zijn gedrag - een mens die kan worden gemaakt tot een constante, bewuste en onafhankelijke persoon, politiek en ideologisch goed opgeleid ... " (3) We weten heel goed wat deze ‘omvorming’en ‘opleiding’ eigenlijk inhield: het breken van de menselijke persoonlijkheid en de weerstand tegen de arbeid in dienst van het staatskapitaal en haar meedogenloze vijfjarenplannen. In deze visie was er duidelijk geen plaats voor de subtiliteiten en complexiteiten van de psycho-analyse, die kon worden gebruikt om te laten zien dat het stalinistisch ‘socialisme’ geen enkele van de menselijke kwalen genezen had. En het feit dat de psycho-analyse een zekere mate van steun had genoten van de inmiddels verbannen Trotski werd natuurlijk maximaal uitgemolken in het ideologische offensief tegen Freuds theorieën.

En in de ‘democratische’ wereld?

Maar hoe zat het met de vertegenwoordigers van het democratisch kapitalistische kamp? Heeft het Amerika van Roosevelt geen druk uitgeoefend om Freud en zijn directe familieleden uit Wenen weg te krijgen? En voorzag Groot-Brittannië de eminente professor dokter Freud niet van comfortabele woning? Werd de psycho-analyse in het Westen, en vooral in de VS, niet een nieuw soort van psychologische orthodoxe kerk, en in ieder geval een winstgevende voor veel van haar beoefenaars? De reactie op Freuds theorieën onder de wetenschappers en intellectuelen in de democratieën was altijd zeer gemengd: eerbied, fascinatie en respect royaal vermengd met verontwaardiging, verzet en hoon. Maar in de jaren die volgden op die van Freud waren er twee belangrijke trends in de receptie van de psycho-analytische theorie:

- Aan de ene kant een tendens onder veel van haar woordvoerders en deskundigen om sommige van haar meest subversieve gevolgtrekkingen (zoals de idee dat de huidige cultuur noodzakelijkerwijs is gebaseerd op de onderdrukking van de diepste menselijke instincten) af te zwakken ten gunste van een meer pragmatische, revisionistische benadering, waardoor deze meer kans had om maatschappelijk en politiek aanvaard te worden door diezelfde beschaving.

- Aan de andere kant, onder een aantal van filosofen, psychologen van rivaliserende scholen en min of meer commercieel succesvolle auteurs een groeiende afwijzing van het gehele corpus van de ideeën van Freud als subjectief, oncontroleerbaar en in wezen onwetenschappelijk.

De overheersende trends in de moderne psychologie (er zijn uitzonderingen, zoals de ideeën van ‘neuro-psycho-analyse’ die Freuds model van de psyche opnieuw hebben onderzocht in termen van wat we nu begrijpen over de structuur van de hersenen) hebben Freuds reis langs de ‘koninklijke weg naar het onbewuste’, zijn nadruk op het verkennen van de betekenis van dromen, grappen, versprekingen en andere niet-substantiële schimmen verlaten, ten voordele van de studie van meer waarneembare en meetbare verschijnselen: de uiterlijke, fysiologische uitingen van mentale toestanden, en de concrete vormen van gedrag van mensen, ratten en andere dieren, waargenomen in laboratoriumomstandigheden. De verzorgingsstaat is er happig op om de potentieel enorme kosten te verminderen, die inherent is aan de behandeling van de groeiende pandemie van stress, neurose en duidelijke oude krankzinnigheid, veroorzaakt door het huidige sociale stelsel. Ze verkiest een psychotherapie die kant-en-klare oplossingen biedt, zoals de ‘cognitieve gedragstherapie’, boven de inspanningen van de psycho-analyse, die probeert door te dringen tot de diepste wortels van de individuele neurosen.(4)

Vooral, en dit is in bijzonder het geval in de laatste decennia, zien we een ware stortvloed van boeken en artikelen, die hebben geprobeerd om Freud af te doen als een leugenachtige charlatan, iemand die fraudeerde met bewijs in zijn onderzoek, een tiran tegenover zijn volgelingen, een hypocriet en (waarom niet?) een perverse persoon. Deze aanval is meer dan een toevallige gelijkenis met de anti-Marx campagne, die gelanceerd is na de ineenstorting van de zogenaamde ‘kommunisme’ aan het eind van de jaren 1980. Net als de laatste campagne heeft geleid tot haar Zwartboek van het kommunisme, zijn we nu getrakteerd op een Zwartboek van de psycho-analyse(5) dat niet minder dan 830 pagina’s wijdt aan de zoektocht naar vuil bij Freud en de psycho-analytische beweging.

Marxisme en het onbewuste

Freud was niet verbaasd over de vijandigheid ten opzichte van de psychoanalyse: het bevestigde hem dat hij het juiste punt aanraakte. Immers, waarom zou hij populair zijn door het idee te ontwikkelen dat de beschaving (tenminste zoals hij momenteel bestaat) zo tegengesteld is aan instincten van de mens, door een verwonding toe te brengen, door een nieuwe slag toe te brengen aan de ‘naïeve eigenliefde’, zoals hij het verwoordde.

"Maar door het benadrukken van het onbewuste in het geestelijke leven hebben we de meest boze geesten van kritiek opgeroepen tegen de psychoanalyse, Wees hier niet over verbaasd, en denk niet dat de weerstand tegen ons alleen rust op de begrijpelijke moeilijkheden van het onbewuste of de relatieve ontoegankelijkheid van de ervaringen, die daar het bewijs van zijn. De bron, denk ik, ligt dieper. In de loop der eeuwen heeft de naïeve eigenliefde van de mensen door de wetenschap twee grote slagen toegediend gekregen. De eerste was toen zij vernamen dat onze aarde niet het middelpunt was van het heelal, maar slechts een klein fragment van een kosmisch systeem van een nauwelijks voorstelbare uitgestrektheid. Dit is in onze geest verbonden met de naam van Copernicus, ofschoon iets dergelijks was al beweerd door de Alexandrijnse wetenschap. De tweede slag werd toegebracht toen biologisch onderzoek de zogenaamd bevoorrechte plaats van de mens in de schepping vernietigde en zijn afkomst bewees uit het dierenrijk en zijn onuitroeibare dierlijke natuur. Deze herevaluatie is bereikt in onze eigen dagen door Darwin, Wallace en hun voorgangers, maar niet zonder de meest gewelddadige oppositie die ze vandaag de dag ontmoet. Maar de menselijke grootheidswaanzin zal zijn derde en meest gewond klap hebben ondergaan door het huidige psychologisch onderzoek, dat tracht te bewijzen dat het ego niet eens meester is in eigen huis, maar zich tevreden moet stellen met schaarse informatie van wat er onbewust in zijn geest gebeurt." (6)

Voor marxisten moet het geen schok geweest te zijn om te horen dat het bewuste leven wordt - of tot nog toe werd - gedomineerd door onbewuste motieven. Het marxistische begrip ideologie (die in haar inzicht alle vormen van sociaal bewustzijn voorafgaand aan de opkomst van het proletariaat omvat) is gebaseerd op precies zo’n zelfde begrip.

"Iedere ideologie, zodra zij eenmaal voorhanden is, ontwikkelt zich echter in aansluiting aan het gegeven voorstellingsmateriaal en bouwt dit verder uit. Zij zou anders geen ideologie zijn, dat wil zeggen bezig zijn met gedachten als met zelfstandige wezenheden die zich onafhankelijk ontwikkelen en slechts aan hun eigen wetten onderworpen zijn. Dat de materiële levensvoorwaarden van de mensen in wier hoofden dit gedachteproces zich afspeelt, het verloop van dit proces uiteindelijk bepalen, blijft voor deze mensen noodzakelijk onbewust, want anders zou het met de hele ideologie gedaan zijn..” (7)

Het Marxisme erkent dus dat het bewustzijn van de mens van zijn positie in de echte wereld tot nu toe is gehinderd of vervormd door factoren waarvan hij zich niet bewust was, dat het sociale leven zoals dat zich tot nu toe gevormd heeft fundamentele blokkades in de mentale processen van de mens heeft geschapen. Een duidelijk voorbeeld hiervan is het historische onvermogen van de bourgeoisie een hogere vorm van samenleving te zien dan het kapitalisme, omdat dit haar eigen ondergang zou betekenen. Dit is wat Lukacs noemt een "klasse geconditioneerd onbewuste". (8) En dit vraagstuk kan ook worden benaderd vanuit het standpunt van de theorie van Marx over vervreemding: de vervreemde mens is vervreemd van zijn medemens, van de natuur en van zichzelf, terwijl het communisme deze vervreemding zal overwinnen en de mens zich ten volle bewust zal worden van zichzelf.

Trotski verdedigt de psych0-analyse

Van alle marxisten van de 20e eeuw was Trotski misschien degene die het meest streefde naar het scheppen van een opening voor een dialoog met de theorieën van Freud, die hij was tegengekomen tijdens zijn verblijf in Wenen in 1908. Hoewel hij nog steeds betrokken was bij de Sovjet-staat, maar in toenemende mate gemarginaliseerd raakte, verdedigde Trotski de opvatting dat Freuds benadering van de psychologie in wezen was materialistisch was. Hij was erop tegen dat een bepaalde school in de psychologie tot de ‘officiële’ lijn van staat of de partij verklaard werd, en riep in plaats daarvan op tot een open en brede discussie. In Cultuur en Socialisme, geschreven in 1925-1926, overweegt Trotski de verschillende benaderingen van de scholen van Pavlov en die van Freud en schetst hij wat volgens hem de houding van de partij moet zijn ten opzichte van deze kwesties:

"Marxistische kritiek op de wetenschap moet niet alleen waakzaam zijn, maar ook voorzichtig, anders kan het ontaarden in louter hielenlikkerij ... Neem bijvoorbeeld de psychologie. Pavlov’s reflexologie gaat  volledig langs de paden van het dialectisch materialisme. Het breekt definitief de muur af tussen de fysiologie en de psychologie. De eenvoudigste reflex is fysiologisch, maar een systeem van reflexen geeft ons 'bewustzijn'. De accumulatie van fysiologische hoeveelheid geeft een nieuwe 'psychologische' kwaliteit. De methode van de school van Pavlov is experimenteel en nauwgezet. Algemeenheden worden stap voor stap gewonnen: van het speeksel van de hond tot de poëzie, dat wil zeggen, tot de geestelijke mechanismen van de poëzie, niet haar sociale inhoud – want de paden die ons leiden tot de poëzie zijn tot op heden nog niet geopenbaard.

"De school van de Weense psycho-analyticus Freud gaat op een andere manier te werk. Hij veronderstelt bij voorbaat dat de drijvende kracht achter de meest complexe en delicate psychische processen een fysiologische behoefte is. In deze algemene zin is het materialistisch, tenminste als je de vraag buiten beschouwing laat of zij niet een te grote plaats toekent aan het seksuele aspect ten koste van andere, want dit is al punt van debat binnen de grenzen van het materialisme. Maar de psycho-analyticus benadert de problemen van het bewustzijn niet op een experimentele manier, van de laagste tot de hoogste verschijnselen, van de eenvoudige tot de ingewikkelde reflex. In plaats daarvan probeert hij al deze tussenliggende stadia in één sprong te nemen, van boven naar beneden, van de religieuze mythe, het lyrische gedicht, of de droom, rechtstreeks naar de fysiologische basis van de psyche.

“De idealisten vertellen ons dat de psyche een onafhankelijke entiteit is, dat de 'ziel' een bodemloze put is. Zowel Pavlov en Freud denken dat de fysiologie de bodem van de 'ziel’ is. Maar terwijl Pavlov, als een duiker, naar de bodem afdaalt en van beneden naar boven moeizaam de bron onderzoekt, buigt Freud zich over bron en probeert met een doordringende blik het steeds veranderende en onrustige water te doorboren om daaruit op te maken of te raden wat de vorm van de dingen daar beneden is. De methode van Pavlov is experimenteel; de methode van Freud is die van gissingen, soms fantastische. De poging om de psycho-analyse ‘onverenigbaar’ te verklaren met het marxisme en de methode van Freud de rug toe te keren is te eenvoudig, of beter gezegd, te simplistisch. Maar we zijn in ieder geval niet verplicht om de methode van Freud te accepteren. Het is een werkhypothese die deducties en vermoedens kan voortbrengen en ongetwijfeld voortbrengt, welke voortgaan langs de lijnen van de materialistische psychologie. De experimentele procedure zullen deze vermoedens te zijner tijd bewijzen. Maar we hebben noch redenen en noch het recht om de andere procedures te verbieden die, hoewel zij minder betrouwbaar zijn, toch proberen te anticiperen op de conclusies die via de experimentele procedure slechts zeer langzaam vorderen.”

In feite begon Trotski zeer snel kritiek te leveren op de enigszins mechanistische benadering van Pavlov, die de neiging had om bewuste activiteit terug te brengen tot de beroemde ‘geconditioneerde reflex’. In een toespraak, die hij kort na de publicatie van de bovenstaande tekst hield, vroeg Trotski zich af of we werkelijk kennis konden verkrijgen van de bronnen van de menselijke poëzie door de bestudering van het speeksel van honden. (9) En in zijn latere overdenkingen over de psycho-analyse, in de ‘filosofische aantekeningen’,die hij had opgesteld in ballingschap, legde hij veel meer de nadruk op de noodzaak om te begrijpen dat de erkenning van de relatieve autonomie van de psyche, die strijdig is met een mechanische versie van het materialisme, perfect verenigbaar is met een meer dialectische visie van het materialisme:

"Het is bekend dat er een hele school in de psychiatrie bestaat (psychoanalyse, Freud), die zich in de praktijk volledig verwijdert van de fysiologie, en die zich baseert op de innerlijke bepaaldheid van psychische verschijnselen, zoals ze zijn. Sommige critici beschuldigen de Freudiaanse school daarom van idealisme .... Maar op zichzelf is de methode van de psychoanalyse, met als uitgangspunt 'de autonomie van psychologische verschijnselen’, geenszins in tegenspraak met materialisme.Integendeel, het is juist het dialectisch materialisme dat ons aanzet tot de idee dat de psyche zelfs niet gevormd kan worden, tenzij zij een autonoom, dat wil zeggen, binnen bepaalde grenzen, onafhankelijke rol speelt in het leven van het individu en de soort. Tegelijkertijd naderen we hier een soort van cruciaal punt, een breuk in de geleidelijkheid, een overgang van kwantiteit in kwaliteit: de psyche, die voortvloeit uit materie, en 'bevrijd' is van het determinisme van de materie, kan onafhankelijk - door haar eigen wetten - de materie beïnvloeden ". (10)

Trotski beargumenteert hier dat er een reële convergentie bestaat tussen het marxisme en de psychoanalyse. Voor beiden is het bewustzijn, of liever gezegd, het geheel van de psyche een materieel product van de werkelijke beweging van de natuur, en niet een kracht die buiten de wereld huist. Het bewustzijn is het product van onbewuste processen, die eraan voorafgaan en het bepalen. Maar het bewustzijn wordt op zijn beurt een actieve factor die, tot op zekere hoogte, zijn eigen dynamiek volgt en die, belangrijker nog, in staat is om in te werken op het onbewuste en het te veranderen. Dit is de enige basis voor een benadering, die van de mens iets meer maakt dan het product van objectieve omstandigheden, en hem de bekwaamheid geeft de wereld om hem heen te veranderen.

En hier komen we bij wat misschien wel de belangrijkste conclusie is, die Trotski trekt uit zijn onderzoek naar Freuds theorieën. Freud, zo herinneren we ons, had aangevoerd dat de belangrijkste slag die de psycho-analyse had toegebracht aan de ‘naïeve eigenliefde’ van de mens de bevestiging was dat het ‘Ik’ niet de baas in huis is en dat haar visie op en benadering van de wereld, voor een groot deel wordt bepaald door instinctieve krachten die zijn verdrongen naar het onbewuste. Freud liet zich, tijdens één of twee gelegenheden, verleiden zich een samenleving voor te stellen die de eindeloze strijd tegen de materiële schaarste had overwonnen en deze onderdrukking daarom ook niet meer hoefde op te leggen aan haar leden. (11) Maar over het geheel genomen bleef zijn vooruitzicht voorzichtig pessimistisch, daar hij geen gemakkelijke weg zag die kon leiden tot een dergelijke samenleving. Trotski, als revolutionair, was verplicht de mogelijkheid naar voren te brengen van een volledig bewuste mensheid, die werkelijk baas was geworden in eigen huis. In feite wordt de bevrijding van de mensheid van de overheersing van het onbewuste voor Trotski het kernproject van de kommunistische maatschappij:

"De mens zal zich er eindelijk serieus toe zetten om te harmoniseren. Hij zal zich ten doel stellen om bij het bewegen van zijn ledematen – bij het werk, bij het lopen, bij het spel – de grootste mate van precisie, doelgerichtheid en economie en daardoor schoonheid te bereiken. Hij zal de half-onbewuste en vervolgens ook de geheel onbewuste processen in zijn eigen organisme - ademhaling, bloedsomloop, spijsvertering, voortplanting, en bevruchting – willen beheersen en ze, binnen bepaalde grenzen, aan de controle van de rede en de wil onderwerpen. Het leven, ook het zuiver fysiologische, zal collectief en experimenteel worden. De menselijke soort, de verstarde Homo Sapiens, zal opnieuw een radicale transformatie ondergaan en – onder zijn eigen handen – tot  object van de meest ingewikkelde methoden van kunstmatige selectie en psycho-fysieke training worden. Dit ligt volkomen in lijn met de ontwikkeling. Eerst verjoeg de mens het duistere element uit  de industrie en de ideologie, door de barbaarse routine door wetenschappelijke techniek vervangen en de religie door wetenschap. Daarna verjoeg hij het onbewuste uit de politiek, door democratie, rationalistisch parlementarisme en vervolgens een open Sovjet-dictatuur in de plaats te stellen van monarchie en standenstelsel. Het blinde element had zich het stevigst in de economische verhoudingen genesteld – maar ook daaruit wordt het door de mens verwijderd door middel van de socialistische organisatie van de economie. Hierdoor wordt een ingrijpende herstructurering van de traditionele gezinsstructuur mogelijk. Tenslotte verbergt de natuur van de mens zelf zich in de diepste en donkerste hoek van het onbewuste, het  elementaire, het ondergrondse. Is het dan niet duidelijk dat de grootste inspanningen van het experimentele denken en het scheppende initiatief daarop gericht zal zijn?" (12)

Natuurlijk kijkt Trotski in deze passage heel ver in de kommunistische toekomst. De prioriteit van de mensheid zal, in de fasen die voorafgaan aan het kommunisme, zeker gericht zijn op die lagen van het onbewuste, waar de oorsprong van de neurose en geestelijk lijden opgespoord kan worden. Het bereiken van een controle over nog meer fundamentele fysiologische processen zal echter nieuwe vragen oproepen, die buiten het bestek liggen van dit essay, en die waarschijnlijk gesteld zullen worden in een verder gevorderd stadium van de kommunistische cultuur.

Hedendaagse kommunisten kunnen het eens zijn of niet eens zijn met Freuds opvattingen. Maar we moeten zeker met het uiterste wantrouwen reageren op de huidige campagnes tegen Freud en aan de ‘open-mind’ benadering, die Trotski bepleitte, vasthouden. Op zijn minst moet we toegeven dat, zolang we leven in een wereld waarin ‘kwade hartstochten’ van de mens zich nog steeds met een angstaanjagende kracht kunnen ontploffen; waar seksuele relaties tussen mensen, ongeacht de brute wijze waarmee ze door middeleeuwse ideologieën in bedwang gehouden of gedevalueerd en op de markt verkocht worden, een bron blijven van ongekende menselijke ellende, waarbij de creatieve krachten van de geest, voor de overgrote meerderheid van de mensheid, grotendeels begraven en ontoegankelijk blijven. De kwesties die door Sigmund Freud opgerakeld zijn, blijven niet alleen nog even relevant als toen ze voor de eerste keer opgeworpen werden, maar de oplossing ervan zal zeker ook een onvervangbaar element zijn in de opbouw van een werkelijk menselijke samenleving.

Amos

Voetnoten:

(1) Zie Anton Pannekoek's Darwinisme en Marxisme, in de International Revue nr. 21 en 22 alsmede de artikels: Darwin and the workers' movement; On the book The Darwin Effect: A materialist conception of the origins of morals and civilisation; en Social Darwinism, a reactionary ideology of capitalism; op ICC-Online.

(2) De volgende woorden van Lenin, geciteerd door Clara Zetkin in Herinneringen aan Lenin (1924) laten zien dat de Bolsjewiki geen eensluidende benadering hadden van de theorieën van Freud – ook al lijkt het erop dat de kritiek van Lenin meer was gericht tegen de verdedigers van deze theorieën dan tegen de theorieën zelf:

“De toestand in Duitsland zelf vereist de grootst mogelijke aaneensluiting van alle revolutionaire proletarische krachten om zich te verdedigen tegen de steeds verder oprukkende contrarevolutie. En de actieve communistes houden zich dan bezig met problemen van seks en huwelijk en met huwelijksvormen in heden, verleden en toekomst! Zij beschouwen het als hun hoogste plicht om de werkende vrouw op dat gebied voor te lichten. Er wordt verteld dat een brochure van een communiste uit Wenen daarbij het meest wordt verspreid. Wat is dat een onzinnig boekje! Wat daar juist in is, hebben de arbeiders allang bij Bebel gelezen. Maar dan niet in de vorm van een houterig schema, zoals in die brochure, maar in de vorm van pakkende agitatie, vol van aanvallen op de burgerlijke samenleving. Het vermelden van de theorie van Freud moet het een zogenaamd “wetenschappelijk” tintje geven, maar toch is het amateuristisch geklungel. De theorie van Freud is nu ook al zo’n modeverschijnsel geworden. Ik sta wantrouwend tegenover die seksuele theorieën, die worden uiteengezet in artikelen, verslagen, brochures en dergelijke — om kort te gaan in die speciale literatuur die weelderig is gaan gedijen op de goed bemeste ondergrond van de burgerlijke samenleving. Ik heb geen vertrouwen in mensen die voortdurend en altijd worden geabsorbeerd door seksuele vraagstukken”

“Het lijkt me toe dat die overvloed aan seksuele theorieën, die voor het grootste deel hypothese zijn, en dan nog vaak willekeurige ook, voortvloeien uit een persoonlijke behoefte. Uit een drang om jegens de burgermoraal het eigen abnormale of buitengewone seksuele leven te rechtvaardigen en om tolerantie te vragen voor zichzelf. Die gemaskeerde hoogachting voor de burgerlijke moraal vind ik net zo walgelijk als het willekeurige snuffelen in seksuele vraagstukken. Hoe rebels en revolutionair die bezigheid zich ook probeert te laten schijnen, toch is ze als puntje bij paaltje komt volledig burgerlijk. Dat is een bijzonder geliefde bezigheid onder de intellectuelen en de daar dichtbij staande lagen. In de partij, onder het klassenbewuste en strijdende proletariaat, is daarvoor geen plaats.”

(3) Geciteerd in Miller, Freud and the Bolsheviks; Yale; 1998; blz. 102.

(4) We moeten echter benadrukken dat we er in dit artikel niet op uit zijn een beoordeling te geven van de therapeutische effectiviteit van Freuds benadering. We zijn nauwelijks bekwaam om zoiets te doen, en in ieder geval bestaat er geen mechanisch verband tussen de praktische toepassing van Freuds therapie en de theorie over de geest, die daaraan ten grondslag ligt – niet in het minst omdat de ‘genezing’ van een neurose in een maatschappij, die deze voortdurend voortbrengt, uiteindelijk meer moet liggen op het maatschappelijke dan op het individuele vlak. Hier zien we de fundamenten van Freuds theorie van de geest en het zijn vooral deze fundamenten die we beschouwen als een werkelijke erfenis voor de arbeidersbeweging.

(5) Le Livre Noir de la Psychoanalyse. The Black Book of Psychoanalysis: To Live, Think and Feel Better Without Freud Catharine Meyer, Mikkel Borch-Jacobsen, Jean Cottraux, Didier Pleux & Jacques Van Rillaer (Ed). Paris; France; Les Arènes; 2005.

(6) Sigmund Freud: Inleiding tot de Psycho-analyse, Hoofdstuk 18, “De fixering aan het trauma. Het onbewuste”; 1917.

(7) Friedrich Engels: Ludwig Feuerbach en het einde van de klassieke Duitse filosofie; 1886.

(8) Georg Lukacs: History and Class Consciousness; 1923.

(9) Zie Trotski's Aantekeningen, 1933-1935, Writings on Lenin, Dialectics and Evolutionism, vertaald en geintroduceerd door Philip Pomper, New York 1998, blz. 49.

(10) Trotski: Culture and Socialism; 1925; blz. 106.

(11) In tegenstelling tot het vaak herhaalde cliché dat Freud ‘alles herleidde tot sex’, maakte hij duidelijke dat “de basis van de menselijke maatschappij in laatste instantie een economische is, daar ze niet over genoeg voorraden beschikt om haar leden in leven te houden, tenzij ze werken, moet ze het aantal leden beperken en hun energie omzetten van seksuele activiteit in werk. We worden dus geconfronteerd met de eeuwige, vitale behoefte die, vanaf het ontstaan van de mens tot op de huidige dag blijft bestaan.” (Sigmund Freud: Introductory Lectures , Lecture 20, "The sexual life of human beings").

Met andere woorden: onderdrukking is het resultaat van de menselijke organisatie, beheerst door materiële schaarste. In een andere passage, deze keer uit De toekomst van een illusie (1927), liet Freud zien een begrip te hebben van de de klasse-aard van de ‘beschaafde’ maatschappij en stond zichzelf zelfs toe een fase voor te stellen die daaraan voorbij gaat:

“Indien echter een cultuur in die fase blijft steken waarin de bevrediging van een aantal deelnemers de onderdrukking van een ander aantal, wellichte de meerderheid, als premissie heeft, en dit is bij alle contemporaire culturen het geval, dan valt het te begrijpen dat deze onderdrukten een intensieve vijandigheid ontwikkelen tegen de cultuur die zij door hun arbeid mogelijk maken, terwijl zij in de goederen ervan een te gering aandeel hebben (….) De cultuurvijandigheid van deze klassen is zo openlijk dat men daardoor de veeleer latente vijandigheid van de beter bedeelde lagen in de maatschappij over het hoofd heeft gezien. Het hoeft geen betoog dat een cultuur die een zo groot aantal deelnemers onbevredigd laat en tot rebellie drijft, geen kans heeft duurzaam stand te houden, en dat ook niet verdient.” (Sigmund Freud: De toekomst van een illusie; Hoofdstuk 2; 1927)

Het huidige systeem heeft dus niet alleen ‘geen uitzicht op een blijvend bestaan’, maar er zou misschien een cultuur kunnen zijn die voorbijgaat aan het punt waar klasseverdelingen (en dus de tot nu toe bestaande mechanismen van geestelijke onderdrukking) overbodig kunnen zijn.

(12) Trotski: Literatuur en Revolutie; 1924; blz 140.

 

Theoretische vraagstukken: