De mythe van de groene economie: Valstrik, 'misleiding' en alternatieven

Printvriendelijke versieSend by email


Het boek 'De
mythe van de Groene Economie' (1), lijkt een meedogenloze kritiek op de 'Groene
Economie', want het zet heel wat paradepaardjes (fracking, enz. ) van deze
zogenaamde 'alternatieve' aanpak op de helling: ofwel omdat deze alleen maar
een beperkt probleem oplossen, zonder rekening te houden met een destructief
ecologisch resultaat op lange termijn, ofwel omdat de remedie erger lijkt dan
de kwaal door het gebruik van processen bij de 'Groene Economie' die andere op
gang brengen die minstens even, zo niet nog meer, vervuilend zijn op
middellange en lange termijn.


 


Een schijnbaar
harde kritiek
op de 'Groene Economie'...


 


In hoofdstuk 1
en 2 wordt de rampzalige toestand verklaard vanuit het feit dat er vanuit het
kapitalisme geen heil valt te verwachten, omdat dit systeem de natuur nu
eenmaal beschouwt als een 'vrije gift' (2), waar men naar goeddunken kan mee
omspringen.


De schrijvers
doen ook een poging om naar de wortels te zoeken van deze ecologische crisis en
argumenteren dat deze liggen in de onteigening van de commons, het
gemeenschapsgoed. Er wordt zeer nauwkeurig aangetoond hoe het kapitalisme te
werk gaat bij het verloederen van de natuur en er enkel belangstelling voor
heeft als ze kan omgezet worden in marktwaarden. Daaruit blijkt dat alles wat
het kapitalisme aanraakt in verband met de natuur gedoemd is om aangetast of
vernietigd te worden. De schrijvers tonen aan dat ook de ‘Groene Economie’ er
niet in slaagt om die kwalijke gevolgen van de vermarkting van de natuur een
halt toe te roepen, wel integendeel.


Met feiten en
argumenten wordt aangetoond hoe alle voorgestelde oplossingen de hypotheek
alleen maar verleggen en de schuld proberen af te schuiven naar de bevolking en
de ‘burgers’. Volgens de schrijvers is één van de prioritaire doelstellingen
het terugdringen van de olieconsumptie en andere fossiele brandstoffen, als
veroorzakers van de grootste vervuiling, die met de grootste hoogdringendheid
moet aangepakt worden.


Verder gaat het
vooral over het ecologisch alternatief van de commons – die steevast
worden aangetast door de liberalisering – en het evidente falen van het
neoliberalisme op ecologisch vlak. Wanneer er sprake is van de nood aan een
alternatief wordt er weliswaar kritiek gegeven op ‘het reële bestaande
socialisme’ van de USSR en de daarop geïnspireerde landen, waar de ecologische
ramp op vele plaatsen overduidelijk is. (3) Maar van zodra verwezen wordt naar
Cuba geldt dit plots niets meer. Cuba zou nu een voorbeeld zijn, het land met
de kleinste ecologische voetafdruk ter wereld, door het plotse stopzetten van
de olieleveringen na de ineenstorting van de USSR. Over het feit dat Cuba een
groot deel van zijn subtropisch woud had uitgeroeid voor de suikerrietslag in
de vroege jaren 1960 en andere ecologische rampen, hebben de auteurs blijkbaar
nooit gehoord. Maar ook deze mythe werd al lang doorprikt door Cubaanse
activisten.(4)


 


… om de
misleiding te promoten
van de ‘Groene democratie’


 


Eerst en vooral
moet gesteld worden dat de wetenschap een bondgenoot kan zijn van de
arbeidersklasse en ruimer gezien van de mensheid. Daarbij zijn
wetenschappelijke studies die zich vandaag nog kunnen ontworstelen aan de
materiële of ideologische greep van het kapitalisme en zijn dwangmatige
sponsoring, meer dan welkom. Maar toch rijst hier de vraag: Spit het boek de
tegenstelling van het kapitalistische systeem met betrekking tot de ‘Groene
Economie’ inderdaad uit tot op het bot? Wij moeten vaststellen dat bij
aandachtige lezing een aantal tegenstrijdigheden in de argumentatie meteen
opvallen.


Enerzijds wordt
er terecht gesteld dat de oplossingen die door de ‘Groene Economie’ worden
aangedragen, zich strikt houden aan de mogelijkheid of er ook winst kan
uitgeslagen worden en anderzijds wordt vastgesteld dat de commons net
het tegendeel zouden doen. Maar om de commons hun rechten terug te geven
wordt dan toch weer de hulp ingeroepen van een regulering door de staat (of door
organen die door de Staat gepromoot of gecontroleerd worden, zoals de
vakbonden). En aangezien er niet wordt gerept over de afschaffing van de
kapitalistische uitbuiting, maar alleen over een andere regulering van de
consumptie, gaat het dus om steun vragen aan de burgerlijke staat, die dan
‘ecologisch’ hervormd moet worden of beter ‘de belangen van het volk’ zou
moeten dienen. Ook het afschilderen van de regimes van Morales en Chavez en het
boegbeeld Cuba, als alternatieve voorbeelden, drukt een logica uit naar
regulering vanuit de staat, die zo typisch is bij het ‘ultralinkse -
gauchistische milieu’. Het feit dat deze regimes niet alleen totalitair zijn,
maar ook dat zij meer dan eens arbeidersprotest met hevige repressie
onderdrukten – waarbij herhaaldelijk troepen werden ingezet tegen stakende
fabrieks- en landarbeiders – wordt niet vermeld.


Op het gebied
van de eisen is het boek zeer dubbelzinnig: de commons aanprijzen als
alternatief van creatief ecologisch handelen en tegelijkertijd hulp verwachten
van de staat en de vakbonden, die helemaal verweven zitten in de
kapitalistische maatschappij, is water en vuur proberen te verzoenen. Ze zijn
geen neutrale actoren in de kapitalistische context: de staat waarborgt de
globale sociale ‘orde’ en zorgt ervoor dat het kapitalistisch systeem kan
overleven, als het moet via democratische verkiezingen of anders
gewapenderhand. De vakbondsstructuur zorgt er al sinds de Eerste Wereldoorlog
voor discipline in de fabriek en komt nooit met eisen die het nationale belang
en het systeem kunnen bedreigen. De enige die zij bedreigen zijn de arbeiders,
als die het wagen om in ‘wilde’ staking te gaan (zoals onlangs tegenover de
stakende arbeiders van de onderaannemers van Ford-Genk nog ondervonden).


Bij hun
alternatief wordt zonder veel diepgang gesproken over een ‘democratische
oplossing’. Maar wat is een democratische oplossing? Soms lijkt die – volgens
de auteurs – buiten het kapitalisme te liggen, dan weer wordt er beweerd dat
dit moeten gebeuren via snelle wetten omdat ‘de tijd dringt’. Nochtans hebben
zij voordien zelf vastgesteld dat alle maatregelen van de ‘Groene Economie’ systeem-bevestigend
en natuur-vernietigend zijn. Het wordt niet duidelijk met welke maatregelen zij
dit gaan omgooien. Aan de ene kant komen zij aandraven met een paar
‘successen’, zoals gevallen van zelfbeheer in Argentinië, Mexico en
Groot-Brittannië, maar later blijkt dan weer dat die maar heel tijdelijk waren.
Zijn dat dan alternatieven? Het lijken eerder pleisters op een houten been.


De argumenten in
het boek lijken soms op die van het ‘reformistische’ deel van de ‘Occupy’ en
‘Indignados’-beweging (zoals de Democracia Real Ya – ‘echte democratie
nu’ – in Spanje), die met alle middelen probeerden om de protestbeweging om te
buigen naar concrete doelstellingen binnen het kapitalisme, terwijl er zich
binnen die bewegingen heel wat proletarische tendensen manifesteerden die het
kapitalistisch systeem in zijn geheel in vraag stelden.


Als
alternatieven worden ook nog opgesomd: ‘het globale zuiden’, het ecologische
proletariaat, de bewuste ‘burgers’, maar wie zijn die? De 99%? Wat opvalt, is
dat er met geen woord gerept wordt over de arbeidersklasse. Bestaat die nog?
Voor de schrijvers is zij blijkbaar van geen tel. Op p.192 stellen zij dat een
groen kapitalisme van de mensen consumenten maakt in plaats van ‘burgers’! Aan
de bewuste ‘burgers’ zou dan de taak toekomen om de ecologische ramp af te
wenden. Weg is de centrale plaats van de arbeidersklasse in het kapitalistische
productieproces. Alleen de morele verontwaardiging van de ‘bewuste consument’,
de ‘burger’ blijft over. Alle protest wordt op die manier gekanaliseerd naar de
sfeer van de consumptie, weg uit die van de productie. Zo wordt het natuurlijk
onmogelijk om een scherper inzicht te krijgen in de verhoudingen van het
kapitalistisch productieproces en de centrale rol van de arbeidersklasse in de
omverwerping ervan.


Uiteindelijk
blijkt de radicale kritiek van de Groene Economie slechts een rookgordijn te
zijn om de klassiek recepten van uiterst links: de staat, de ‘volks’democratie,
de hervorming van de consumptie te doen slikken als een alternatief binnen de
kapitalistische winstlogica.


 


Bestaat er een
alternatief
vanuit het Marxisme?


 


Bij het zoeken
naar alternatieven buiten het kapitalisme, waarbij een einde zou gemaakt worden
aan de productie voor de winst (ruilwaarde van de waren) en het nut
(gebruikswaarde) als doel gesteld wordt, komen wij uiteraard terecht bij Marx
en Engels.


Vooral twee
recente academische onderzoekers – John Bellamy Foster en Paul Burkett (4) –
hebben een grote bijdrage geleverd over de visie die Marx en Engels werkelijk
verdedigden over de verhouding Mens & Natuur en dit heeft aangename
verrassingen opgeleverd ten voordele van het marxisme. J. Bellamy Foster had
vastgesteld dat de Groenen erg gebeten waren op de Engelse filosoof Francis
Bacon, een materialistisch denker, die aan de basis lag van de oprichting van
de Royal Society of London (opgericht in 1660). Dat vond hij zo merkwaardig dat
hij dit verder wilde onderzoeken. Via Bacon en zijn materialistische visie op
de natuur, verwoord in zijn werk ‘Novum Organum’, kwam hij terecht bij de
materialistische filosofen Epicurus, uit het Antieke Griekenland en bij
Lucretius uit de Antieke Romeinse cultuur. En via die omweg ‘herontdekte’ hij
Marx (die zijn doctoraalscriptie had gemaakt over Epicurus). Zo vond hij dat de
‘groene kritiek’ in wezen ‘idealistisch’ was en bovendien het marxisme volledig
onterecht aanviel als ‘productivistisch’, op basis van de kritiek op de
standpunten van Stalin en vele uiterst-linkse partijen en groepen. Zijn collega
P. Burkett was met een complementair onderzoek bezig en bracht nog meer materiaal
aan, vooral uit Het Kapitaal deel III, Theorieën over de Meerwaarde, van
Marx en uit de Dialectiek van de Natuur, van Engels. Maar binnen de
beperkte ruimte van dit artikel kunnen wij daar jammer genoeg niet op ingaan.


Het stalinisme
heeft zowat alle mogelijke marxistische grondbeginselen verraden: het
proletarisch internationalisme ten gunste van het ‘socialistische’ vaderland,
het verkrachten van de kunst en cultuur, die ondergeschikt gemaakt werden aan
de almachtige staat, het verlaten van het historisch materialisme ten gunste
van het vulgair materialisme, in plaats van de afschaffing van de staat kwam
het monsterachtig aangroeien ervan, het opzij zetten van de analyse van de
productieverhoudingen ten voordele van die van de productiewijze. Dat maakte
het hen mogelijk om hun systeem, met productie van meerwaarde – en dus
uitbuiting – als ‘socialisme’ voor te schotelen. Maar in feite was het een vorm
van staatskapitalisme, aangezien de kapitalistische productieverhoudingen
bleven bestaan doordat de meerwaarde globaal gerealiseerd werd door de staat
(De opvatting van het ‘staatssocialisme’ was al door de oude Engels verworpen).


In de beginjaren
na de Russische revolutie werd minutieus teruggegrepen naar de standpunten van
Marx & Engels over de natuur. Bij de oprichting van nieuwe industriële
complexen, werd berekend welke schade deze zouden toebrengen aan de natuur en
hoe dit kon gecompenseerd worden, o.a. door het oprichten van natuurparken, de zapovedniki
(tussen 1919 en 1929 werden er 61 opgericht met een oppervlakte van liefst
4 miljoen ha), waarin natuurgebieden als etaloni (modellen) werden
beschermd om te kunnen vergelijken met gecultiveerd land. (5) Bij de
geforceerde industrialisering onder het stalinisme werden de verdedigers ervan
letterlijk en figuurlijk geliquideerd, met alle gevolgen van dien voor het
milieu.


Binnen de
marxistische traditie betekende dit een zware slag voor het creatief denken
omtrent de natuur en het ecologisch evenwicht. Buiten Christopher Caudwell (7)
en Amadeo Bordiga (8) (in Le Fil du Temps) viel het nadenken over de
onverbrekelijke band tussen mens&natuur bijna helemaal stil tot in de jaren
1980. De Linkskommunisten  rond Bordiga
steunden op de ideeën van Engels omtrent de opheffing van de tegenstelling
tussen stad en land in het socialisme : “De opheffing van de tegenstelling
tussen stad en land is geen grotere utopie dan de afschaffing van de
tegenstelling tussen kapitalisten en loontrekkers. Ze wordt elke dag meer een
praktische eis zowel vanuit de industriële productie als vanuit de agrarische.
Niemand heeft dat met meer kracht verdedigd dan Liebig in zijn werken over de
landbouwchemie waarin hij vraagt dat de mens zou teruggeven aan de aarde wat
hij van haar heeft ontvangen...”
(9). Zij stelden ook: “Dit is de kern
van de wrede tegenstrijdigheden van de burgerlijke maatschappij van vandaag.
Deze tegenstrijdigheden gaan niet enkel over de verdeling van de producten van
de arbeid en de verhoudingen die daaruit voortvloeien tussen de producenten,
maar ze breiden zich ook uit naar de territoriale en geografische verdeling van
de instrumenten en uitrusting van de productie en het transport, en dus van de
mensen zelf ; in geen enkel ander historisch tijdperk misschien heeft deze
verdeling zo een rampzalige en afstotelijke kenmerken aangenomen … De
revolutionaire strijd voor de vernietiging van walgelijke uitwaaierende
agglomeraties kan als volgt worden bepaald: kommunistische zuurstof tegen
kapitalistisch stort. Ruimte tegen beton”
(Bordiga, p.124 en p. 155).


Voor de mensheid
komt het er op aan om het alles verslindende monster van het kapitalisme een
halt toe te roepen door de proletarische revolutie, de enige die dit
productiesysteem kan en moet omverwerpen. Pas daarna kan een andere logica
opgestart worden die radicaal breekt met het winstprincipe, dat roofbouw pleegt
op mens en natuur en beide dreigt te vernietigen. Zoals Caudwell het
verwoordde: “Tegen de tijd dat een revolutionaire situatie gerijpt is, is er
een heel nieuwe superstructuur latent binnen de uitgebuite klasse, die voorkomt
uit alles wat zij geleerd heeft uit de ontwikkeling van de productiekrachten...
Dit is de creatieve rol van revoluties... De proletarische revolutie is een
gevolg van het toenemende antagonisme tussen de burgerlijke bovenbouw en de
proletarische arbeid”.
Maar om die weg op te gaan hebben wij een veel
radicalere analyse nodig dan die welke ons wordt voorgeschoteld door de
schrijvers van ‘De mythe van de Groene economie’. Met hun argument blijven wij
vastzitten in de neerwaartse spiraal van het denken binnen de marges van een
alles verslindend uitbuitingssysteem.
n


                                                                                                                                                      JZ
/ 6.12.12


 


(1) Anneleen
Kennis & Matthias Lievens, ‘De mythe van de Groene Economie’, EPO,
Antwerpen, 2012.


(2) Naar Adam
Smith, econoom en vader van het kapitalistisch economisch denken.


(3) 20% van het
onmetelijke territorium van de vroegere USSR, zou nog generaties lang
ecologisch zwaar vervuild zijn.


(4) Zie hiervoor
de zeer interessante bijdragen van de Cubaanse milieuactivist, Gilberto Romero,
‘Cuba’s environmental Crisis’, Contacto, Magazine. (c) 1994-96 en twee
kritische bijdragen uit Anarchistische hoek: Frank Fernández, ‘Cuban Anarchism,
the history of a movement’, See Sharp Press Arizona 2001 en Sam Dolgoff ‘The
Cuban revolution, a critical perspective’, Blackrose Books, Montreal 1976.


(5) John Bellamy
Foster, ‘Marx’s Ecology’, materialism and nature, Monthly Review Press, Nex
York, 2000. Paul Burkett, ‘Marx and Nature’, a red and green perspective, St.
Martins’ press, New York, 1999.)


Het enige euvel
van beide academici is dat zij, ook al vertrekken zij van materialistische
uitgangspunten gebaseerd op M&E, zij bij het zoeken naar perspectieven,
niet hebben aangeknoopt met de werkelijke ervaringen van de revolutionaire
arbeidersbeweging, nl de erfenis vd Kommunistische linkerzijde. Dit doet geen
afbreuk aan de bijdrage die zij geleverd hebben via hun ‘rehabilitatie’ van de
marxistische analyse van mens & natuur tegenover de stalinistische vervalsingen.


Andere
interessante bronnen over dit onderwerp zijn : J. Grevin Myth of the Green
Economy, International Revue 138, 2009 en de wetenschapper, die het concept van
de biosfeer bedacht en ook onder de stalinistische vervolgingen te lijden had :
Vladimir I. Vernadsky; ‘The Biosphere’, Moscow, 1926, reprint
Copernicus-Springer Verlag, New York, 1997.


(6)  Arran Gare in ‘Soviet Environmentalism’, The
Path not taken’ in ‘The Greening of Marxism’, edited by Ted Benton, Guilford
Press, New York London, 1996.


(7) Christopher
Caudwell, Studies and further studies in a dying culture, Monthly Review Press,
1971, Men and Nature pp151-2. Een kritische marxist die jong stierf in de
Burgeroorlog in Spanje.


(8)  Amadeo Bordiga, in ‘Espèce humaine et croûte
terrestre', 341, Petite bibliothèque Payot, Paris 1978.


(9) Friedrich
Engels, Het Woningvraagstuk’, SUN, Nijmegen.).


Theoretische vraagstukken: 

Recent en lopend: