Schoonmakersstrijd. Solidariteit is geen activisme

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Enige tijd geleden heeft er zich in het internationalistisch milieu een discussie ontsponnen over steun aan en solidariteit met de strijd van de schoonmakers. Verdienen de schoonmakers in strijd de steun van de revolutionairen? Of revolutionairen aan elke uiting van arbeidersstrijd hun steun moeten geven is geen automatisch gegeven. Dit is erg afhankelijk van de omstandigheden waarin de strijd plaatsvindt. Opdat we ons gezichtspunt verruimen, breiden we in deze bijdrage het vraagstuk van de steun uit naar die van de solidariteit, beter gezegd: de klassensolidariteit.

Solidariteit als historisch fenomeen

Solidariteit is een historisch fenomeen. Pas in de 19e eeuw heeft het begrip solidariteit haar eigenlijke betekenis gekregen: de onderlinge saamhorigheid en de morele verplichting om samen te bouwen aan een samenleving zonder uitbuiting en onderdrukking. Sindsdien werd solidariteit de strijdkreet van de arbeidersbeweging. Solidariteit is de uiting van het klassenbewustzijn van het proletariaat, waaronder de revolutionairen vallen, over de noodzaak van eenheid in de strijd tegen het kapitalisme. Het verbindt het verleden met de toekomst: de zorg van de huidige generatie arbeiders voor een leefbare samenleving is een uiting van solidariteit met toekomstige generaties.

“Het proletariaat ontwikkelt in zijn dagelijkse strijd een beginsel, dat overeenstemt met de historische taak die het te vervullen heeft – het beginsel van klassen-solidariteit, als uitdrukking van zijn eenheidsstreven. (…) Zelfs buiten de eenheidsorganisaties van de klasse drukt de solidariteit – haar uitdrukking op het individueel vlak daarbij inbegrepen – ook deze eenheid uit. Het proletariaat is de eerste klasse in wiens schoot er geen economische uiteenlopende belangen heersen; en in deze zin kondigt zijn solidariteit reeds de aard van de maatschappij aan waarvoor zij strijdt.” (1)

De versterking van de eenheid binnen de klasse, de versterking van de onderlinge solidariteit op klassenbasis kan alleen plaatsvinden doorheen een groeiend bewustzijn van het bestaan van antagonistische klassen en van een toenemend vertrouwen van de arbeidersklasse in eigen kracht. Dus als we serieus werk willen maken van de steun aan de strijd van dit of dat deel van de arbeidersklasse, dan kunnen we de internationale en historische dimensie van de solidariteit onmogelijk veronachtzamen. Want de ontwikkeling van een klassensolidariteit betekent de grondslag leggen voor een fundamenteel nieuwe ontwikkeling van de menselijke natuur.

Solidariteit is onbaatzuchtig: militanten van de klasse streven geen eigen eer of moreel gewin na. Het komt er niet op aan zich als de meest ‘radicale onder de radicalen’ voor te doen. Daarnaast heeft het ook niets te maken met het behalen van onmiddellijke successen. Integendeel: terwijl de burgerlijke revolutie van overwinning naar overwinning ging, “Maar de revolutie is de enige vorm van ‘oorlog’ (…) waar de uiteindelijke overwinning slechts door een reeks van ‘nederlagen’ kan worden voorbereid!” (2)

Directe actie is geen uitdrukking van klassensolidariteit

Wat betekent solidair zijn concreet? Betekent solidair zijn dat we deze of gene sector van de arbeidersklasse in dit of dat land moeten steunen? Het uitgangspunt van de internationalistische revolutionairen is altijd de arbeidersklasse als geheel, als internationaal fenomeen geweest. De inzet was en is de versterking van de strijd en de positie van die klasse t.o.v. haar vijand, de internationale bourgeoisie. Dat is ook de reden waarom steun of “deelname” aan hun specifieke strijd niet automatisch een bijdrage betekent aan de versterking van de strijd van het gehele proletariaat. Net zoals geen steun of “deelname” nog niet betekent dat er geen solidariteit is met de strijd van de arbeiders als internationale klasse.

In de geschiedenis van de arbeidersbeweging hebben revolutionairen enkele keren zelfs duidelijke oproepen gedaan om de strijd niet op te nemen, omdat de voorwaarden ongunstig waren en de arbeidersklasse er alleen maar totaal gedesoriënteerd zou uitkomen en/of een beslissende nederlaag zou oplopen. Ze deden dit om te voorkomen dat het vooruitzicht op een beslissende confrontatie met de repressieve, manipulatieve en politieke krachten van de bourgeoisie naar een nog niet te voorziene toekomst verschoven zou worden. De revolutionairen deden dit niet om de ruimte te hebben achteraf hun handen in onschuld te kunnen wassen, want als de arbeiders ondanks de waarschuwing toch de strijd aangingen, dan was de eerste reactie van de revolutionairen zeker niet om hun handen er vanaf te trekken.

1. Het duidelijkste voorbeeld van deze houding is die van Marx t.o.v. de Commune van Parijs. Hoewel hij er niet voor was dat de werkers van Parijs de strijd zouden opnemen tegen de Pruisische en Franse legers heeft hij, na de tragische nederlaag van het Parijse proletariaat, toch hun heldhaftigheid bezongen. Toen het definitieve gevecht in maart 1871 aan de arbeiders werd opgedrongen en zij geen andere uitweg zagen dan ze op te nemen, de opstand dus een feit werd, begroette Marx de revolutie met het grootste enthousiasme:

“Parijs, nog uitgeteerd door een vijf maanden lange uithongering, aarzelde geen ogenblik. Heldhaftig besloot het, alle gevaren van het verzet tegen de Franse samenzweerders het hoofd te bieden, niettegenstaande het feit dat de monden van Pruisische kanonnen van zijn eigen forten nog steeds dreigend op de stad waren gericht.” Zo “ …kwamen de werkelijke vrouwen van Parijs weer op straat, — heldhaftig, edelmoedig en opofferingsgezind als de vrouwen in de oudheid. Parijs, werkend, denkend, strijdend, bloedend, door de voorbereiding van een nieuwe maatschappij (…) stralend in de geestdrift van zijn historisch initiatief.” (3)

2. Een erg wrang, maar ook duidelijk voorbeeld daarvan wordt gegeven door de twee stakingen die in de Tweede Wereldoorlog in Nederland plaatsvonden: de Februaristaking in 1941 en de spoorwegstaking twee jaar later. In beide gevallen hadden arbeiders de strijd opgenomen, in beide gevallen was er een brede staking en toch waren de internationalistische revolutionairen wel solidair met de Februaristaking en niet met de spoorwegstaking. Waarom? De Februaristaking was een uitdrukking van een waarlijke verontwaardiging in de klasse t.o.v. de repressie tegen een deel van haar klassenbroeders, hun families en kennissen. De spoorwegstaking was een manoeuvre van de burgerlijke regering in Londen om sabotage en obstructie te plegen tegen de Duitse politiek-militaire macht, de vijand van de Nederlandse kapitalistische klasse.

In de huidige periode is de arbeidersklasse naarstig op zoek naar haar eigen identiteit. Zij voert nog geen verenigde strijd over sectoren, regionale en nationale grenzen heen. Gezien het gebrek aan vertrouwen in de kracht en de potentiële macht van de werkers om een betere toekomst op te bouwen is de druk van het streven naar onmiddellijke successen (het “immediatisme”) groot. De laatste jaren uitte de combinatie van deze zoektocht en de immediatistische druk zich duidelijk in de pogingen van een aanzienlijk aantal politiek geïnteresseerde minderheden (onder de studenten bijv.) om zich solidair te verklaren met nagenoeg iedere staking die plaatsvindt. Stakingen die ze, naar de mate van hun mogelijkheden, op eigen houtje - soms zelfs in concurrentie met andere groepen - proberen aan de gang te houden of aan te zwengelen.

Wat is dan de beste manier om ‘de strijd’ te steunen? K. Fotia geeft een eerste aanzet: we kunnen de strijd van de werkers, het beste steunen door “onze energie zorgvuldig te doseren daar waar de potentie bestaat voor het vormen van algemene vergaderingen en autonome arbeidersnetwerken.” Want “door onze energie als beweging te steken in puur actie om de actie en ons een te nonchalante houding ten opzichte van de rol van de vakbond te permitteren, helpen we mee aan het reproduceren van een strijdmodel waar de vakbond de teugels stevig in handen houdt, laten we ons voor het karretje van de vakbondsbureaucratie spannen.” Vandaar dat we “ons niet slechts mee moeten laten sleuren door de stroom van de gebeurtenissen. (...) We moeten leren op tijd in te schatten in welke richting de strijd zich ontwikkelt, zodat we ook tijdens de strijd kritisch reflecteren op de richting die ze uitgaat. (...) de aard van onze interventies moeten we tijdens de strijd kunnen aanpassen en de noodzaak tot autonome strijd openlijk blijven benadrukken...” (4)

We zijn het hiermee eens. Revolutionairen reageren niet op alles wat beweegt: arbeiders of andere uitgebuiten. We zijn niet als een hazewindhond, die het meteen op een rennen zet als er een voorwerp wordt weggeschoten. We analyseren eerst grondig of de voorwaarden voor de strijd gunstig zijn, welke vooruitzichten de strijd biedt, welke burgerlijke (vakbonds- of ultralinkse) krachten er nog aan de touwtjes trekken, enzovoort.

Solidariteit wordt door de verdedigers van de ‘directe actie’ nagenoeg altijd tot uitdrukking gebracht vanuit een vermeende gedachte dat het noodzakelijk is om steun te verlenen aan die sector van de uitgebuite klasse, die zogenaamd het meest zwakke, machteloze slachtoffers van het systeem is. Solidariteit wordt eveneens vaak tot uitdrukking gebracht in een streven erkend te worden als de initiator van en de meest fervente voorvechter in de strijd tegen het kapitalisme, in de verwachting of de hoop dat men in steeds bredere kringen beschouwd gaat worden als de enige echte voorvechter van rechtvaardigheid, gelijkheid en vrijheid.

Zo wordt een vertegenwoordiger van de studentenvakbond aan de universiteit van Liverpool, Martin Ralph, op verschillende anarchistische websites met instemming geciteerd vanwege het feit dat hij oproept tot de bezetting van iedere dienstverlening die wordt gesloten. “De werkers zouden hun eigen raden voor de plaatselijke strijd moeten organiseren. En wij (activisten) zouden onze solidariteit moeten betuigen met iedere staking, iedere poortactie en iedere bezetting die plaatsvindt. Een strategie van ‘directe actie’ dus.” (5)

De strijd van de schoonmakers

Ravotr beschrijft de strijd van de schoonmakers van het voorjaar van 2012 als volgt: “In de slotfase van de staking dreigde de bond dat, als de schoonmaaksector niet als geheel een bevredigend akkoord kon sluiten, de schoonmakers met afzonderlijke bedrijven een akkoord zouden sluiten.” En hij beschouwt dat terecht als een werkwijze waarmee “de bond de deur openzette naar versnippering. (…) Dit, plus het verzwakken van de looneis, plus de onderbreking van de staking na amper een week, tekent de klassieke vakbondsaanpak: onderhandelen, sociaal partnerschap, staat centraal. Stakingen zijn hooguit aanvulling daarop. De bereidheid van de schoonmakers zelf om te staken, en lang ook, stond met die vakbondsaanpak op gespannen voet....” En “groeperingen, die nauw betrokken waren bij solidariteitsacties, (....) delen mee in dit psychologische proces waarin mensen zelfs bescheiden resultaten als grote victorie claimen. Het klopt misschien niet… (…) de koopkracht van de schoonmakers daalt niet. Maar van een stijging ervan is niet echt sprake.” Toch stelt Ravotr: “Ook als dat juist is, dan is dat toch geen reden om de schoonmakers niet te steunen?” (6)

Wij zijn het eens met de kritiek op de vakbonden. Ravotr schijnt de strijd van de schoonmakers echter koste wat kost te willen steunen. Staat geen directe steunverlening of deelname aan deze strijd gelijk aan een verraad t.o.v. deze sector van de arbeidersklasse? Hebben de arbeiders de hulp nodig van de “steunverleners”?

Er waren momenten in de strijd van de schoonmakers waaruit kon worden afgeleid dat hun acties wel enig potentieel bevatte:
- bij de bezetting van de kantine van de VU in Amsterdam, begin maart, sloten de kantinemedewerkers zich spontaan aan bij de schoonmakers. Hun eis om niet overgeheveld te worden naar de beduidend slechtere horeca-CAO werd spontaan opgenomen in de lijst van eisen van de schoonmakers.
- tijdens de manifestatie van het onderwijzend personeel in Amsterdam, op 6 maart, stond een schoonmaakster buiten de ArenA met een bord waarop stond geschreven: “Jullie strijd is onze strijd”.

Maar over het algemeen was de strijd van de schoonmakers, van het begin tot het einde, onder controle van de vakbond, geholpen door een enkele ultralinkse organisaties en een aantal oprechte, maar door ultralinkse ideologie misleide arbeiders. De vakbond sleepte via de zogenaamde organizers de schoonmakers mee in een reeks van uitputtende acties zonder werkelijk vooruitzicht op versterking, d.w.z. uitbreiding van hun strijd naar andere sectoren.

In de acties kregen de schoonmakers steun van andere groepen, zoals anarchisten, studenten en allerlei activisten. De schoonmakers ervaarden dat als positief en waren daar zeker verheugd over, omdat het isolement waarin ze – al enige tijd – verkeerden, daarmee enigszins scheen te worden doorbroken. Versterkte de steun die ze kregen inderdaad hun strijd? Doorbrak die daadwerkelijk hun gevoel, opgesloten te zijn in hun eigen sector? Het resultaat van alle ‘solidariteit’ met de schoonmakers verloste hen geenszins van hun gevoel van isolement en kon niet voorkomen dat hun acties door de vakbond plotseling beëindigd werd in een halfslachtig compromis.

Hoe komt het dat de solidariteitsacties en -verklaringen van deze steungroepen niet het gewenste effect hadden? De belangrijkste reden daarvan is omdat ze niet tegemoet kwamen aan de behoefte van de arbeidersklasse om de strijd tegen het kapitaal als één verenigde strijd te voeren, door de eisen van de schoonmakers en die van andere sectoren onder één en dezelfde noemer te brengen onder de leus: “jullie strijd is onze strijd”. Dat is een devies dat de strijd van de hele klasse met elkaar verbindt. Dat is de manier waarop de solidariteit van de klasse zich werkelijk tot uitdrukking brengt!

Als groepen of kameraden, die de strategie van de directe actie aanhangen, net zoals de werkers in de zorg, bouwvakkers, machinisten, ambtenaren, enz. zich bij de strijd van de schoonmakers vervoegen onder de leus “wij zijn ook schoonmakers”, dan sluiten zij eerder een mogelijkheid tot uitbreiding van de strijd uit, aangezien de beweging zich als specifieke strijd van de schoonmakers definieert. Zo’n strategie versnippert de strijd van de werkers op termijn, in plaats van haar één te maken.

Betekent dit alles dat de schoonmakers deze strijd niet hadden moeten voeren? Betekent dit dat de acties van alle steungroepen tevergeefs waren? Als deze strijd bijdraagt aan de ontwikkeling van het klassenbewustzijn, en niet enkel tot ontmoediging en/of illusies leidt, dan was zij zinvol. Opdat de strijd en de nederlaag tot bewuste ervaring wordt, opdat de schoonmakers hun strijd niet voor niets is gestreden, moet een zo breed mogelijk deel van de klasse de lessen eruit trekken. Het is de taak van de revolutionairen hieraan bij te dragen. Wij zeggen: ja aan de solidariteit, ja aan de strijd, maar niet blindelings n

Melis en Alex / 12.12.2012

 

Voetnoten

(1) Internationale Revue nr. 23, Het vertrouwen en de solidariteit in de strijd van het proletariaat (deel II), http://nl.internationalism.org/node/985

(2) Luxemburg, Orde heerst in Berlijn, http://www.marxists.org/nederlands/luxemburg/1916/1916pamfletten.htm

(3) Marx, De burgeroorlog in Frankrijk, http://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1871/1871burgeroorlog.htm

(4) Fotia, Reflecties over de schoonmakersstrijd, http://anarcho-syndicalisme.nl/wp/?p=1623

(5) Phil Dickens, Truth, Reason and Liberty

(6) Rooieravotr, Schoonmaakstaking: terugblik en balans, http://peterstormschrijft.wordpress.com/2012/09/14/schoonmaakstaking-terugblik-en-balans/