Discussiecyclus over de crisis (II):Is de crisis plaatselijk en zijn er dus landen of beleidsvormen die er aan ontsnappen?

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mailIn de maanden april en mei van 2012 heeft de IKS een cyclus van drie debatten georganiseerd omtrent de crisis, met deelname van een aantal sympathisanten en andere belangstellenden vanuit meerdere invalshoeken.

 

In de discussie legden wij de nadruk op de debatcultuur en spoorden iedereen aan om zich in het debat te mengen. Wij onderstreepten dat het geen zaak is van experten, want de grote burgerlijke economische experten zelf hadden de crisis NIET zien aankomen. En toch domineren zij nu het debat in de media. Er werd gesteld dat het voor ons de hoogste tijd is om naar degelijke argumenten te zoeken over de oorzaken van de steeds weerkerende en erger wordende symptomen van de crisis en waarom het steeds duidelijker lijkt op een crisis van het kapitalisme als systeem, zowel op economisch, sociaal als politiek vlak.

 

De vraag dringt zich op: hervorming of revolutionaire omwenteling?

 

In de hiernavolgende bijdrage stellen wij de tweede inleiding voor van deze cyclus. De erop volgende discussie was nogmaals heel levendig en kon zich verheugen op de deelname van alle aanwezigen.

 

Na de cyclus werden alle teksten gebundeld. Deze bundel is ook op aanvraag verkrijgbaar.

 

 

Zijn er landen of systemen die aan de crisis ontsnappen, zoals het ‘socialistische’ China, Korea en Cuba of de fameuze BRICS-landen?

 

Terwijl de westerse economieën sinds het einde van de jaren 1960 meegesleurd worden door een economische crisis, waar er geen einde aan komt, heeft de bourgeoisie van rechts tot links ons geregeld voorgeschoteld dat niet haar systeem in crisis is, aangezien er nog plaatsen zijn die daaraan ontsnappen.

 

Haar linkse vertegenwoordigers wezen in de richting van de ‘socialistische landen’ zoals de Sovjet-Unie, China, Cuba, enzovoort ... de meer liberale vertegenwoordigers van haar systeem wezen op andere momenten weer op de veerkracht van het systeem door te wijzen in de richting van de ‘economische wonderen’ zoals in de jaren 1980 en 1990 naar Argentinië en de ‘Aziatische Tijgers’, maar ook recenter naar Ierland, IJsland, Spanje... De laatste voorbeelden, die hetzelfde moeten bewijzen, zijn de zogenaamde BRIC-landen: Brazilië, Rusland, India en China.

 

Leugens die ontmaskerd werden

 

De socialistische landen, waar men naar verwees, waren de landen van de Sovjet-Unie, die in 1989 waren verdwenen nadat de laatste in elkaar was gestort ten gevolge van de economische crisis en druk van de imperialistische concurrentie  - de druk van de gigantische ‘onproductieve kosten’ in de militaire sector - met het Amerikaanse blok.

 

Ondertussen weten we dat Noord-Korea, waar de bevolking geregeld te kampen heeft met hongersnood, overeind blijft dankzij de Chinese steun en. Cuba liet onlangs weten dat het ook zijn economie wil opengooien voor buitenlands kapitaal, zoals vele anderen al eerder hebben gedaan zoals China, Vietnam ... maar dan wel onder een zware staatscontrole.

 

Maar we weten dat een leugen moet steunen op een aantal ‘waarheden’ om een zekere geloofwaardigheid te hebben. En dus kon de propaganda van de bourgeoisie steunen op een aantal objectieve feiten om zijn verhaal te verkondigen. Welke ‘objectieve feiten’ waren dit? We nemen hier China als voorbeeld, want ook al zijn er grote verschillen met de andere ‘opkomende landen’ de algemene tendens is  identiek:

 

Tijdens de bijna 30 jaar durende crisis en mondialisering (1980-2008) zag Europa zijn Bruto Binnenlands Product (1) 1,7 keer, de VS 2,2 keer, de gehele wereldeconomie 2,5 keer toenemen, maar India in dezelfde periode 4 keer, Azië in ontwikkeling 6 keer en China 10 keer vermeerderen.

 

Vandaag  is China het productieatelier van de wereld en haar dienstensector heeft een enorme groei gekend. Terwijl het land in 1952 nog hoofdzakelijk ( voor 84%) agrarisch was, is het aantal werknemers in haar industriële sector is met 170 miljoen 40% groter dan in de landen van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling), die er 123 miljoen tellen.

 

De economische groeicijfers zijn jaar na jaar met 8 tot 10% gestegen. Daarenboven produceert China in zijn lage-lonen-ateliers niet alleen meer basisproducten voor de export of assemblageproducten: China produceert en exporteert steeds meer goederen met een grote toegevoegde waarde, zoals elektronica en transportmaterialen. 

 

Daarbij worden de lage lonen en de extreme werkvoorwaarden door de bourgeoisie in de westerse wereld gebruikt als chantagemiddelen te opzichte van de werkgelegenheid (dreiging van delokalisatie) en als middel om druk uit te oefenen op de lonen en werkvoorwaarden in het westen.

 

Vandaag:

 

 In de tussentijd is het enthousiasme wat bekoeld, de spectaculaire groeicijfers van het BBP van 8,9% of zelfs 10% zijn intussen ook verleden tijd. Vandaag kent de tweede wereldeconomie twee zorgwekkende tegenslagen:

 

- de recessie van de westerse economieën, die de belangrijkste afzetmarkt is voor haar export,  heeft onmiddellijke gevolgen voor haar groeicijfers, die zakken;

 

- een grote inflatie van meer dan 10% (officieel 6,2%), ondanks de monetaire ingrepen van de Chinese Staat sinds 2008, gecombineerd met een enorme financiële bel (van om bij de 1700 miljard dollars) die ze niet onder controle krijgt.

 

Hierbij kunnen we dan ook stellen dat de groei in China, maar ook in de andere ‘economische wonderlanden’, alleen mogelijk is geweest door de wereldwijde crisis van de kapitalistische economie. Bij stagnatie of achteruitgang van de reële winstvoet op wereldvlak zoekt het kapitaal naar een geschikte omgeving om die tendens te keren. Dus daar waar de voorwaarden, lage lonen en politieke voorwaarden, het toelaten

 

De Chinese economie leeft van de export. Ondanks een zekere ontwikkeling van zijn interne markt blijft zij daar in belangrijke mate van afhankelijk.

 

We kunnen stellen dat China vandaag ook geklemd zit tussen hamer en aambeeld, tussen een buitenlandse markt die krimpt en een binnenlandse markt die ze moet ondersteunen, tussen inflatie en bellen die op springen staan en een teruggang van de economische groei.

 

En de situatie is hetzelfde voor ‘opkomende landen’ zoals India en Brazilië.  Ook voor hen is een reductie van hun economische activiteiten tengevolge van een krimpende wereldmarkt vandaag een feit (van 2010 naar 2011 ging het in India van 9,3% naar 7,2%; in Brazilië van 7,5% naar 3,7%). Ook zij worden geconfronteerd met inflatie en monetaire problemen.

 

Als voorbeeld geven we het feit dat een van de eerste beleidsmaatregelen van de ‘nieuwe ‘Braziliaanse Presidente D. Rousseff, na haar verkiezingsoverwinning, bestond in het opleggen van een soberheidspakket van 30 miljard dollars en het optrekken van de intresten voor het uitlenen van geld door de centrale Bank van Brazilië naar 12%.

 

Conclusie:

 

Geen enkel land kan zich onttrekken aan de wetten van het wereldkapitalisme en zijn gevolgen.  De economische crisis, die het kapitalistische systeem altijd maar verder verzwakt, is geen oneindig verhaal (never ending story), het kondigt het einde aan van een systeem, de strijd ertegen en voor een andere wereld: het communisme!

 

 

(1)  Het BBP is volgens Wikipedia:  de totale geldwaarde van alle in een land geproduceerde finale goederen en diensten ((door privé en overheid) gedurende een bepaalde periode (meestal een jaar). Meestal wordt met dit begrip het bruto binnenlands product tegen marktprijzen bedoeld n