Federale verkiezingen: Van welke kleur de regering ook is, het zullen dezelfde aanvallen zijn op de arbeidersklasse

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Sinds enkele weken hebben de media het startsein gegeven voor de verkiezingscampagne van 10 juni. Ze prenten ons in dat “De burger, zoals om de vier jaar, zal kunnen deelnemen aan het bepalen van de politiek van het land en zijn democratische vertegenwoordigers zal kunnen kiezen.” En ze tonen ons ook wat er op het spel staat bij deze verkiezingen: Zullen Verhofstadt en zijn ‘ethisch-progressieve’ coalitie de meerderheid behouden of zullen de christen-democraten en hun ‘moreel reveil’ een nieuwe meerderheid behalen? Zal de toekomstige eerste minister de liberaal Verhofstadt zijn, de christen-democraat Leterme of de socialist Di Rupo? Komt er een nieuwe ronde van gemeenschapsonderhandelingen om de bevoegdheden te regionaliseren of eerder een zekere ‘her-federalisering’ van bepaalde financiële middelen? Ze stellen ons ook de wedijverende programma’s voor: terwijl de liberalen meer de individuele vrijheden willen om het land beter te integreren in de gemondialiseerde maatschappij, dan beweren de christen-democraten anderzijds dat zij de staat beheren als ‘een goede familievader’ met behoud van ‘een zorgzame samenleving’ die zich bekommert om de ‘allerarmsten’. De socialisten van hun kant roepen op tot een verbond van progressieven en groenen om een ‘sociaal rechtschapen en milieuvriendelijke maatschappij op te bouwen’. Maar op socio-economisch vlak zijn alle partijen het eens over het wezenlijke, zelfs al spelen ze in op enkele verschillen omtrent de aanvullende maatregelen: de groei van de nationale economie gaat de goede richting uit en alles moet in het werk gesteld worden ‘om de competitiviteit ten koste van alles te handhaven’ tegenover de concurrenten op de internationale markt waar de wedijver wreed is. Zijn zij trouwens niet allen betrokken bij het uitvoeren van deze politiek op de verschillende machtsniveaus? De liberalen leiden de federale regering, de christen-democraten de Vlaamse regering, de socialisten de Waalse deelregering en het Brussels gewest.

En juist op het sociaal vlak is er één vraagstuk dat totaal ontbreekt in het verkiezingsdebat, namelijk dat van de arbeids- en levensomstandigheden van de bevolking in het algemeen en van de arbeidersklasse in het bijzonder. Weggeveegd de crisis, de ontslagen, de loonsdalingen, de flexibiliteit, de stress, een van de hoogste zelfmoordcijfers ter wereld, jongeren die doorslaan… Deze stilte hoeft ons niet te verbazen want op het vlak van de aanvallen tegen de arbeidersklasse, zijn alle partijen het roerend eens en hun ministers zitten tot over de oren verwikkeld in de getroffen maatregelen.

Achter de verkiezingsheisa schuilt de heilige eenheid om de arbeidersklasse aan te vallen

Denken wij even terug aan de hoofdlijnen van het offensief van de bourgeoisie zoals geformuleerd tijdens de conferenties voor tewerkstelling van september 2003 (cf. Internationalisme, nr. 300, 15.11.03), die het geheel van de patronale, syndicale en politieke krachten bijeenbracht. Ze hadden vijf werkterreinen vooropgesteld voor de aanvallen op de loontrekkenden: daling van de bedrijfslasten, loonmatiging, vermindering van de kosten verbonden aan de werkloosheid, verlenging van de werkweek en loopbaanverlenging en tenslotte de alternatieve financiering van de sociale zekerheid. Tegenover het misleidende gepraat van de partijen is het niet nutteloos om de vernietigende gevolgen van deze voorbedachte politiek even in herinnering te roepen:

- Daling van de bedrijfslasten:

Belastingwijzigingen voor de bedrijven, het versoepelen van ontslagprocedures en vooral maatregelen die de flexibiliteit doen toenemen volgden elkaar op. Het patronaat heeft berekend dat de toegekende matige loonstijgingen de laatste jaren ruimschoots gecompenseerd worden door een duizelingwekkende productiviteitsstijging, dank zij de toename van de flexibiliteit, mogelijk gemaakt door een verdubbeling van de maximaal toegestane arbeidstijd (in 2006 ging het aantal arbeidsuren per jaar boven de officiële arbeidstijd van 65 naar 130 arbeidsuren, ofwel een gemiddelde van twee uur per week), en een sterkere lastendaling voor de werkgevers, toegekend door de regering. In 2003 stond België op de tweede plaats op de wereldranglijst van de productiviteit per gewerkt uur en in 2006 staat het nog altijd in de top-3 (na Luxemburg en Noorwegen) (The Conference Board, in De Morgen, 27.01.07). De Belgische arbeider produceert per uur 12% meer waarde dan in de USA, wat veel zegt over het ritme en de flexibiliteit van de arbeid, die volgens de bourgeoisie nochtans moeten worden verbeterd.

- Loonmatiging:

Sinds minstens tien jaar kunnen de lonen de prijzenindex met moeite te volgen en dikwijls, zoals in 2005, is er een ‘officiële’ daling van de koopkracht, net als trouwens in andere landen van Europa en in de Verenigde Staten (De Morgen, 05.06.06). In elk geval is de ‘automatische loonindexering’ zelf een mythe in de mate dat er met de index geknoeid is (petroleumproducten en producten ‘schadelijk voor de gezondheid’ zijn er uitgehaald). Bovendien heeft de bourgeoisie sinds 1990 een ‘loonnorm’ ingevoerd om de index te ‘matigen’ door te bepalen dat de voorziene loonstijgingen niet hoger mogen zijn dan het gemiddelde toegekend in Duitsland, Nederland en Frankrijk. Voor 2007-2008 is die vastgelegd op 0,5% onder die welke voorzien zijn in deze landen. Men hoeft er dus niet verbaasd over te zijn dat de koopkracht van de Belgische arbeider de laagste is van alle industrielanden van Europa, bijvoorbeeld 25% minder dan in Nederland (cijfers van de Federatie van Europese Werkgevers, De Morgen, 05.06.06).

- Vermindering van de kosten verbonden aan de werkloosheid:

Onder de mom van de veel te hoge werkloosheidsgraad in verhouding tot de werkaanbiedingen (cf. De Nationale Bank onderstreept dat de werkloosheidsgraad van 8% te hoog blijft in verhouding tot de economische groei terwijl de bedrijven geen kandidaten vinden (De Morgen, 15.02.07), pleiten regering en patronaat met steeds harder voor het verminderen van de werkloosheidsuitkeringen en voor het beperken van de duur ervan. Zo heeft de Vlaamse socialistische minister voor tewerkstelling, F. Vandenbroucke een systematische politiek gevoerd van het individueel volgen van jonge werklozen om hen onder druk te zetten en te sanctioneren als ze niet ‘proactief zijn op de arbeidsmarkt’. Bovendien pleit hij voor hogere werkloosheidsvergoedingen… maar van beperkte duur om de druk op te voeren want de ‘werkaanbiedingen kunnen niet meer worden ingevuld.’

- Verlenging van de werkweek en loopbaanverlenging:

Tegenover een tewerkstellingsgraad van 60,9%, één van de laagste van Europa, heeft het ‘generatiepact’, aangenomen in 2005, de loopbaanbeëindiging vastgelegd op 65 jaar (in afwachting van de 67 jaar zoals in Duitsland?) en iedere kans op vervroegd pensioen vóór 60 jaar drastisch ingeperkt.

- Alternatieve financiering van de sociale zekerheid:

Sedert meer dan tien jaar zijn de sociale minima geblokkeerd of door de opeenvolgende regeringen karig opgetrokken: “Onze sociale zekerheid wordt ernstig bedreigd” erkennen zelfs de geleerde sociologen van het Centrum voor Sociale Studies van de Universiteit van Antwerpen (De Morgen, 26.02.07). De pensioenen en sociale uitkeringen, vooral de minimum-uitkeringen van het OCMW, zijn in België lager dan elders (in vergelijking met de toegekende uitkeringen in Nederland en Frankrijk) en ze liggen dikwijls onder de Europese armoedegrens (De Standaard, 07.02.06). 15% van de Belgen leeft onder de armoedegrens (27% in Brussel) en in de arbeiderswijken van de grote steden zoals Charleroi, Luik, Brussel, Antwerpen of Gent, benadert de werkloosheid 30% of overstijgt die: 14,3% van de Belgische volwassenen en 13,5% van de jongeren leven in een gezin waarin helemaal niemand werk heeft (De Standaard, 20.02.07).

Kortom, de werkenden zagen hun koopkracht dalen, betalen meer belastingen (directe, of indirecte ‘voor het milieu’) op hun loon en krijgen een steeds hoger ritme opgelegd in het kader van de opgedreven flexibiliteit. Dit houdt bovendien een feitelijke verhoging van de gemiddelde arbeidstijd in, door de bepalingen voor de lengte van de arbeidsdag te vervangen door bepalingen over de arbeidsmaand. Daar bovenop zijn de ontslagregelingen versoepeld en de werkloosheidsuitkeringen, net als de sociale uitkeringen en de pensioenen, verlaagd. En dit in een land waar de kwaliteit van de lucht en het water en meer in het algemeen de toestand van het leefmilieu catastrofaal is: “De druk op de waterlopen en de grondstoffen ligt bij de hoogste van alle OESO-landen” (Rapport van de OESO, aangehaald in De Morgen, 26.09.06). Bijgevolg is ook de druk op hun fysieke en mentale gezondheid enorm. In Vlaanderen is het peil van de stress gestegen van een waarde van 15 op de stressindex in 2000 tot het peil van 19 vandaag, ofwel een stijging van meer dan 25%.

Wie denkt dat het daarmee gedaan is begrijpt nog steeds weinig van het helse raderwerk van de opgedreven concurrentie op de verzadigde wereldmarkt waarin de bourgeoisie gevangen zit. Die drijft haar tot het steeds harder aanvallen op de arbeids- en levensomstandigheden van de arbeidersklasse: ondanks een uitzonderlijk productiviteitspeil, zijn het banenverlies en de ontslagen in België verveelvoudigd: tienduizenden arbeidsplaatsen zijn in de laatste jaren verdwenen tot bij de meest prestigieuze bedrijven: Philips, Siemens, Ford, Opel, ARCELOR, Bayer, Belgacom, De Post en de NMBS. VW-Vorst is daarvan het laatste karikaturale voorbeeld. Hoewel het bedrijf sterk presteerde, heeft de zelfmoordkoers van de productiviteit geleid tot het ontslag van meer dan de helft van de arbeiders met inbegrip van een productiviteitsstijging van 20% voor diegenen die blijven met het opleggen van de 38-urenweek terwijl zij slechts betaald worden voor 35 uur en een deel van de lonen en variabele premies afhankelijk te maken van de bedrijfsresultaten.

De verkiezingen dienen de belangen van de bourgeoisie

Dit systematisch offensief tegen de arbeids- en levensomstandigheden van de arbeidersklasse – die men trouwens overal aantreft in het geheel van de industrielanden (cf. het soberheidsplan van de ‘grote coalitie CDU-SPD in Duitsland) – is, niet te vergeten, het product van een meer bewuste en systematische politiek waaraan het merendeel van de politieke krachten hebben meegewerkt op beleidsniveau of elders. Ook al heerst er eenstemmigheid onder het geheel van de politieke partijen, toch moeten zij - ter behoud van enige geloofwaardigheid en vooral om aan de aanvallen een aureool van billijkheid te geven - deze onderdompelen in een dikke mist van ideologisch bedrog. De verkiezingen en de democratische tamtam dienen juist om dit te verwezenlijken.

De heisa rond de verkiezingen bestaat er uit om de arbeiders ervan te overtuigen dat stemmen het belangrijkste wapen is van de arbeidersklasse ter verdediging van haar belangen, en vooral dat men moet stemmen voor het ‘verbeteren’, ‘veranderen’, het opbouwen van een ‘rechtvaardigere’ maatschappij. Het is er fundamenteel op gericht om ze op te sluiten in de valse keuze van het democratische bedrog: een beetje minder directe belastingen of een beetje meer indirecte in naam van het leefmilieu en van de mobiliteit; het stimuleren van de individuele verantwoordelijkheid of eerder het versterken van collectieve beperkingen op het vlak van de ‘sociale zekerheid’; het begunstigen van de vrije concurrentie of het opleggen van sociale verplichtingen voor de arbeidsmarkt. Het ‘debat’ draait altijd rond het aanpassen van de ‘rationaliserings’-maatregelen, onder de vorm van ‘onvermijdelijke’ offers, nooit over het beginsel of de logica die daaraan ten grondslag ligt. De verkiezingscampagne maakt deel uit van een veel breder manoeuvre die er op gericht is om de arbeidersklasse er van te overtuigen dat zij zich moet inzetten in de burgerparticipatie en voor de verdediging van de democratische instellingen. En dit brengt het billijken van de soberheidspolitiek met zich mee ‘uit burgersolidariteit’. Via deze weg gaat het er in feite om de ‘democratisch vastgestelde’ offers op te leggen en de aandacht van de werkenden af te leiden van de werkelijke redenen voor de herstructureringsmaatregelen en de soberheid: de spiraal zonder uitweg van rationalisaties ter verhoging van de rentabiliteit waarin het kapitalistische systeem in verval is terechtgekomen.

Als de verkiezingscampagnes voor de bourgeoisie een kostbaar ideologisch instrument zijn geworden van het democratisch bedrog, dan zijn ze momenteel voor de arbeidersklasse lokaas. Ze laten immers het idee binnensijpelen dat de arbeider ‘als burger’ de politiek van de bourgeoisie kan beïnvloeden, zelfs bepalen. De verkiezingen zijn voor de arbeidersklasse een valstrik, waarmee de illusie in stand wordt gehouden dat men via een stem als individuele ‘burger’ in het stemhokje invloed zou kunnen uitoefenen op de politiek van de bourgeoisie, en die zelfs radicaal zou kunnen ombuigen. In het kapitalisme in verval is het de burgerlijke staat die de politieke koers uitwerkt om op de beste manier de nationale belangen te verdedigen in de strijd om de markten op internationaal vlak. De verschillende parlementaire fracties zijn niets anders dan uitingen van deze politiek. De (betrekkelijke) waaier van hun programma’s, slogans en kleuren en de organisatie van verkiezingen en van verkiezingscampagnes dienen slechts om de ‘democratische illusie’ in stand te houden. Ze dienen om de ‘burger’ de indruk te geven, en vooral aan de loontrekkende werkenden, dat zij om de vier jaar werkelijk de politiek van hun ‘vaderland’ kunnen bepalen zowel als de politici die deze moeten uitvoeren. In werkelijkheid sluiten zij, net zoals het stemhokje met de kiezer doet, de arbeider op als een burger in een absurde, helse zelfmoordspiraal van moordende concurrentie die het in het nauw gebrachte kapitalistische systeem aan de wereld oplegt.

De arbeidersklasse kan het zich niet de minste zinsbegoocheling veroorloven over de mogelijkheid van lotsverbetering via de stembus, noch door vertrouwen te schenken aan diegenen die beweren de rijkdommen anders te zullen verdelen. Het is net het tegenovergestelde. Daarmee kan zij slechts dieper wegzinken in een steeds ondraaglijker ellende. In feite heeft de arbeidersklasse niets te zoeken op het verkiezingsterrein. Het is doorgestoken kaart: de verkiezingen dienen alleen maar één klasse, die van de uitbuiters. Men hoeft zich daar geen enkele illusie over te maken. Dit uitbuitingssysteem kan niet hervormd worden. Het moet worden vernietigd. Enkel de ontwikkeling van haar strijd voor het omverwerpen van dit systeem op wereldschaal kan het mogelijk maken dat er zich voor haar een ander perspectief ontvouwt .

Jos / 27.02.07