De strijdbeweging in Frankrijk maakt deel uit van de opkomende strijd van de hele arbeidersklasse op wereldvlak

See also :

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

De beweging van de studenten in Frankrijk tegen de CPE (1) heeft niets te maken met de meeste vroegere bewegingen van klassensamenwerking van de studentenjeugd. Zij maakt integraal deel uit van de strijd van de wereldarbeidersklasse. Tegenover een bijzonder laaghartige aanval op de jonge arbeidersgeneraties, een aanval die de arbeidsonzekerheid institutionaliseert in naam van ‘strijd tegen de onzekerheid’, hebben de studenten het klassenkarakter van hun strijd onmiddellijk begrepen en opgenomen.
Terwijl sommigen specifieke eisen van de studenten (2) wilden vermengen met de centrale eis van intrekking van de CPE besloten de studentenvergaderingen om alleen die eisen naar voren te brengen die de hele arbeidersklasse aangaan.
Wat de kracht van deze beweging uitmaakt, is juist dat zij zich vastbesloten op het terrein van de klassenstrijd van de uitgebuiten tegen de uitbuiters heeft gesteld. En dat deed zij door de strijdmethoden en principes van de arbeidersklasse op te nemen. Het belangrijkste van deze principes is de solidariteit. Door te breken met het ‘ieder voor zich’, met de idee “als ik mijn studie maar braaf volg en me twee jaar lang koest houd, dan kom ik er wel doorheen”, hebben de studenten de enige houding tegen de aanvallen van het kapitalisme aangenomen die voor de arbeidersklasse mogelijk is: de verenigde strijd. En deze solidariteit manifesteerde zich niet uitsluitend ‘tussen studenten onderling’. Ze hebben zich van meet af aan tot de loonarbeiders gewend, om hun solidariteit te winnen, en omdat ze goed hebben begrepen dat de arbeidersklasse als geheel wordt aangevallen. Met hun dynamisme, hun strijdbaarheid en hun oproepen zijn ze er bij vele faculteiten in geslaagd om onderwijzend en administratief personeel in de strijd te betrekken, door hen gemeenschappelijke algemene vergaderingen voor te stellen.
Een andere, duidelijk proletarische, karaktertrek van de beweging is de wil om het bewustzijn van de deelnemers te ontwikkelen. De staking op de universiteiten is begonnen met blokkades. Die waren niet bedoeld als een ‘overrompeling’ waarmee een ‘fanatieke minderheid aan de meerderheid de wet voorschrijft’, zoals kleine groepjes ‘anti-blokkeerders’ beweerden als communicantjes die de toegang tot de mis was ontzegd. De blokkades waren een middel van de meest bewuste en strijdbare studenten om hun vastberadenheid te tonen en vooral om zoveel mogelijk van hun kameraden in de algemene vergaderingen te betrekken, waarbij velen die de betekenis van de aanvallen van de regering niet hadden begrepen, of de noodzaak om daartegen de strijd aan te gaan, in discussie en met argumenten werden overtuigd.
Door deze algemene vergaderingen werd het mogelijk zich steeds beter te organiseren, werden stakings-comités en commissies in het leven geroepen die daar verantwoording aan afleggen, en ze vormen de longen van de beweging. Dat zijn middelen van de arbeidersstrijd. De vergaderingen zijn openbaar, niet afgesloten en in zich zelf gekeerd zoals dat meestal het geval is bij de vakbondsvergaderingen waarin alleen mensen van ‘ons bedrijf’ worden toegelaten met uitzondering misschien van gepatenteerde kaderleden of bondsbestuurders. Al heel snel zagen we deelname van delegaties van studenten van de ene universiteit aan de algemene vergaderingen van andere universiteiten. Behalve dat dit het gevoel van kracht en eenheid tussen de verschillende algemene vergaderingen versterkte, stelde het degenen die achteropliepen liepen in staat om zich op te trekken aan de vorderingen van wie meer vooropliepen. Ook dat is een belangrijk kenmerk van de dynamiek van arbeidersvergaderingen in klassenbewegingen die een bepaald niveau van bewustzijn en organisatie hebben bereikt. De openheid van de algemene vergaderingen beperkte zich niet tot studenten van andere universiteiten, maar strekte zich evengoed uit tot niet-studenten. Vooral arbeiders, gepensioneerden, ouders en grootouders van studenten en middelbare scholieren ontvingen in het algemeen een zeer warm en aandachtig onthaal, zodra de vergaderingen hun activiteiten richtten op het uitbreiden van de beweging naar de loonarbeiders toe.
Tegenover deze voorbeeldige mobilisatie van de studenten op het terrein van de arbeidersklasse met de methoden van die klasse zagen we de vorming van een Heilige Alliantie tussen de verschillende peilers van de kapitalistische orde: regering, repressiekrachten, media en vakbonden.

De strategie van ontsporing door geweld

De regering probeerde eerst aan verschillende touwtjes te trekken om haar schurkachtige wet er met groot machtsvertoon door te drukken. In het bijzonder legde zij een ‘kolossale subtiliteit’ aan de dag door te proberen die tijdens de schoolvakanties door het parlement te jagen. Dat mislukte: in plaats van de studentenjeugd te demoraliseren en te demobiliseren werd de verontwaardiging nog groter en nam de mobilisatie nog toe. Vervolgens deed de regering een beroep op de repressiekrachten om te verhinderen dat de Sorbonne naar het voorbeeld van andere universiteiten zou gaan dienen als ontmoetingsplaats voor studenten in actie. Daarmee probeerde zij de strijdbaarheid van de studenten in de Parijse regio op dit symbool te richten. Een tijdje trapten sommige studenten in de val. Maar al heel snel bleek de rijpheid van de meerderheid van de studenten en weigerde de beweging om op de dagelijkse provocaties in te gaan die bestond uit de aanwezigheid van tot de tanden toe gewapende oproerpolitie (CRS) midden in het Quartier Latin. Daarop zette de regering, in stille verstandhouding met de vakbonden waarmee zij de routes voor de manifestaties afspreekt, een echte muizenval op voor de demonstranten op 16 maart in Parijs: aan het einde van de route waren ze ingesloten door politiekrachten. Dat was opnieuw een provocatie waarop de studenten niet ingingen, maar die jongeren uit de voorsteden wel de gelegenheid gaf om zich aan gewelddadigheden te buiten te gaan, die vervolgens volop door de televisiezenders konden worden gefilmd. Deze gewelddadigheden verplaatsten zich naar de Sorbonne die niet toevallig vlak bij het eindpunt van de demonstratie lag... Het bedoeling daarvan was om angst aan te jagen aan degenen die naar de grote manifestatie op 18 maart wilden gaan. Opnieuw mislukte de manoeuvre: de opkomst was buitengewoon hoog. Tenslotte hebben de ‘relschoppers’ het op 23 maart, met toestemming van de politie, op de demonstranten zelf voorzien, om ze te beroven of om ze simpelweg, zonder enige reden, af te tuigen. De gewelddadigheden hadden op vele studenten een demoraliserend effect: “Wanneer de CRS op ons losslaat, krijgen wij klappen, maar wanneer het de jochies uit de voorsteden zijn, waar we ook voor vechten, krijgt onze moraal een klap.” Maar de woede richtte zich vooral tegen de autoriteiten, omdat het overduidelijk was dat de politie medeplichtig was aan de gewelddadigheden. Vervolgens beloofde Sarkozy dat de politie dergelijke agressie tegen  de demonstranten niet meer zou toelaten. Het is duidelijk dat de regering zo de kaart van de ‘ontsporing’ uitspeelt, nota bene door de wanhoop en het blinde geweld van bepaalde jongeren uit de voorsteden te gebruiken, die in wezen zelf het slachtoffer zijn van een systeem dat hen met groot geweld vermorzelt. Ook daarop was het antwoord van vele studenten zeer waardig en verantwoordelijk: in plaats van te proberen om gewelddadigheden tegen de jonge ‘relschoppers’ te organiseren, hebben ze bijvoorbeeld op de faculteit van Censier besloten om een ‘commissie voorsteden’ in te stellen. Die had tot taak om met de jongeren uit de arme wijken te gaan praten, vooral om hen uit te leggen dat de strijd van studenten en scholieren ook in het belang is van de jongeren die in de wanhoop van massale werkloosheid en uitsluiting leven.

De media in dienst van Sarkozy

De verschillende pogingen van de regering om de strijdende studenten te demoraliseren of om ze op het terrein van herhaaldelijke confrontaties met de politiemacht te slepen stootten op een terughouden en vooral waardig antwoord. Dezelfde waardigheid zagen we niet aan de kant van de media. Die overtroffen zichzelf in hun rol van prostituées van de kapitalistische propaganda. Op het televisienieuws gingen de taferelen van geweld aan het einde van sommige manifestaties overal de ronde, terwijl niets werd getoond van de algemene vergaderingen, over de organisatie en de buitengewone rijpheid van de beweging. Maar toen het op één hoop gooien ‘strijdende studenten = relschoppers’ duidelijk niet aansloeg, herhaalde zelfs Sarkozy dat hij een duidelijk onderscheid maakte tussen aardige studenten en ‘schooiers’. Dat hindert de media op hun beurt niet om de beelden van gewelddadigheden op obscene wijze te blijven uitventen. Ze werden uitgezonden als opmaat voor beelden van andere gewelddadigheden – zoals van de aanval van het Israëlische leger op de gevangenis in Jericho of van een bloedige terroristische aanslag in Irak. Toen de stompzinnigste trucjes hun doel misten was het de beurt aan de specialisten van de psychologische manipulatie. Men wil angst en afkeer verbreiden, de onbewuste gelijkstelling ‘manifes-taties=geweld’ doen postvatten, zelfs als de officiële boodschap de tegenovergestelde was.

De rol van de vakbonden

De grote meerderheid van studenten en arbeiders omzeilden en neutraliseerden deze valstrikken en manipulaties. Daarom nam de vijfde colonne van de burgerlijke staat, de vakbeweging, met grote middelen de zaken ter hand. De regering had zich – door haar onderschatting van de strijdbaarheid en het bewustzijn die de jonge bataljons van de arbeidersklasse in zich dragen – in een impasse gemanoeuvreerd. Het is duidelijk dat zij niet meer terug kon. Raffarin zei al in 2003: “Het is niet de straat die regeert.” Een regering die voor ‘de straat’ zwicht, verliest haar autoriteit en opent de poort voor nog veel gevaarlijker bewegingen, zeker in een situatie waarin zich binnen de arbeidersklasse een enorme onvrede opeenhoopt over de groei van de werkloosheid, de arbeidsonzekerheid, en de aanvallen die dagelijks op hun levensomstandigheden worden uitgevoerd. Vanaf eind januari organiseerden de vakbonden ‘actiedagen’ tegen de CPE. Nadat de studenten de strijd aangingen en de loonarbeiders opriepen om op hun beurt strijd te leveren, deden ze zich in een lang niet vertoonde eendracht voor als de beste bondgenoot van de beweging. Maar laten we ons niet vergissen: achter hun tentoongestelde onverzettelijkheid, stoer tegenover de regering, doen ze niets om de arbeidersklasse als geheel werkelijk te mobiliseren.
Terwijl we op televisie regelmatig krijgshaftige verklaringen horen van Thibault, Mailly en consorten, heerst er op het niveau van de bedrijven stilzwijgen. Zeer vaak arriveren de vakbondspamfletten met oproepen tot staking of demonstraties (wanneer ze er al zijn) op de dag zelf, of zelfs een dag later. De schaarse algemene vergaderingen die de vakbonden beleggen, vinden plaats in bedrijven waar ze bijzonder sterk staan (zoals bij EDF en GDF) (3) en waar ze niet hoeven te vrezen om voorbijgestreefd te worden. Bovendien hebben deze algemene vergaderingen niets gemeen met wat we een maand lang in de faculteiten meemaakten: de arbeiders worden uitgenodigd om braaf te luisteren naar de slaapverwekkende praatjes van vakbondsafgevaardigden, die om beurten voor eigen parochie komen preken met het oog de volgende verkiezingen van ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging. Toen Bernard Thibault er op 26 maart bij de ‘Grand Jury RTL’ erg de nadruk op legde dat de arbeiders hun eigen strijdmethoden hebben, die anders zijn dan die van de studenten, en hij vooral niet wilde dat ze elkaar de les zouden lezen, was dit niet aan dovemansoren gericht: onmogelijk dat de arbeiders de methoden van de studenten zouden overnemen, want dat zou betekenen dat de vakbonden de controle over de situatie zouden kwijtraken en niet langer hun rol als sociale brandweerlieden kunnen spelen! Want dat is hun voornaamste functie in de kapitalistische maatschappij. Zelfs hun meest radicale praatjes vandaag dienen alleen om het vertrouwen van de arbeiders te behouden, om des te beter hun strijd te kunnen saboteren wanneer regering en ondernemers in moeilijkheden dreigen te komen. Deze les zullen de studenten, en ook alle arbeiders moeten onthouden voor hun toekomstige strijd.
Op het moment van schrijven kunnen we nog niet voorzien hoe de situatie zich verder zal ontwikkelen. Maar zelfs wanneer de heilige alliantie tussen de verdedigers van de kapitalistische orde een eind maakt aan de voorbeeldige strijd van de studenten, hoeven ze daardoor niet ontmoedigde te raken, net zomin als andere sectoren van de arbeidersklasse. Ze hebben al twee belangrijke overwinningen behaald. Aan de ene kant zal de bourgeoisie haar aanvallen een tijdje moeten inperken, wil ze niet opnieuw, net als nu, in moeilijkheden worden gebracht. Aan de andere kant vormt deze strijd een ervaring van onschatbare waarde voor een hele nieuwe generatie van strijders van de arbeidersklasse.
Zoals in het Kommunistisch Manifest al meer dan 150 jaar geleden werd gesteld: “Van tijd tot tijd overwinnen de arbeiders, maar slechts voorbijgaand. Het eigenlijke resultaat van hun strijd is niet het onmiddellijke succes, maar de steeds verder om zich heen grijpende vereniging van de arbeiders.” De solidariteit en het dynamisme van de strijd, het collectief in handen nemen ervan door algemene vergaderingen, dat zijn de verworvenheden van de huidige strijd van de studenten die aan de komende strijd van de hele arbeidersklasse de weg zal wijzen

Internationale Kommunistische Stroming, 28 maart 2006.

(1) Lees over de strijd tegen de CPE (het ‘eerste aanstellingscontract’) de artikelen op onze website (http://nl.internationalism.org). Deze zijn in druk verkrijgbaar als bijlage bij Wereldrevolutie, nr. 107 en bij Internationalisme, nr. 324.
(2) bijvoorbeeld de intrekking van het LMD. Het Licence Masters Doctorat is de Europese norm voor cursussen in het universitaire onderwijs.
(3) EDF en GDF: grote Franse electriciteits- en gasbedrijven.