De sociaal-democratie in de 19e eeuw en de oprichting van de Belgische Werklieden Partij: Sociale hervorming of revolutie

Printvriendelijke versieSend by email

In het eerste deel van deze artikelenreeks hebben wij uitgelegd dat, vanaf het ontstaan van de arbeidersklasse tot aan de Commune van Parijs in 1871, een van de wezenlijke taken van de arbeidersklasse en haar inspanningen om zich te organiseren, nog bestond in de noodzaak om zich te beves­tigen als een bijzondere klasse tegenover de andere klassen in de maatschappij. In deze historische context, die gekenmerkt werd door de onvolwassenheid van een proletariaat dat bezig was te ontstaan en nog zonder eigen ervaring was, worden de eerste organisaties van het proletariaat in België, ver van elke politieke en economische strijd van de klasse, dikwijls gekenmerkt door een visie waarin de revolutie het werk moet zijn van een minderheid van samenzweerders of door de visie van de utopisch socialisten, die blauwdrukken ontwierpen voor een toekomstige maatschappij die al binnen de kapitalistische maatschappij zou ontstaan.

Het is niet omdat het proletariaat de klasse is die er historisch toe geroepen is om het kapitalisme omver te werpen dat het vanaf zijn verschijning in de kapitalistische maatschappij ook daadwerkelijk klaar staat voor de revolutie. De doelstellingen en de dynamiek van de politieke organisaties van het proletariaat moeten begrepen worden vanuit hun historische bestaansvoorwaarden. Niet alleen om te bepalen wat de onmiddellij­ke doelstellingen en vormen van de proletarische strijd zijn, en kunnen zijn, maar ook om te zien welke graad van bewustzijn de proletarische klasse historisch heeft bereikt. In het eerste deel van deze artikelenreeks hebben wij uitgelegd dat, vanaf het ontstaan van de arbeidersklasse tot aan de Commune van Parijs in 1871, een van de wezenlijke taken van de arbeidersklasse en haar inspanningen om zich te organiseren, nog bestond in de noodzaak om zich te beves­tigen als een bijzondere klasse tegenover de andere klassen in de maatschappij. In deze historische context, die gekenmerkt werd door de onvolwassenheid van een proletariaat dat bezig was te ontstaan en nog zonder eigen ervaring was, worden de eerste organisaties van het proletariaat in België, ver van elke politieke en economische strijd van de klasse, dikwijls gekenmerkt door een visie waarin de revolutie het werk moet zijn van een minderheid van samenzweerders of door de visie van de utopisch socialisten, die blauwdrukken ontwierpen voor een toekomstige maatschappij die al binnen de kapitalistische maatschappij zou ontstaan. In een context van ontwikkeling van de sociale en economische voorwaarden van het kapitalisme beleeft de arbeidersklasse de bittere ervaring van de onmogelijkheid van een gezamenlijke strijd van proletariaat en bourgeoisie. Zowel de ervaring van de economische strijd van de arbeiders, en vooral van de gevechten die door de Internationale Werklieden Vereniging (IWV, de 1e Internationale) werden gesteund, als het voorbeeld van de eerste ervaring van arbeidersmacht in de geschiedenis met de Commune van Parijs in 1871, stelden de arbeidersbeweging in staat om een belangrijke sprong voorwaarts te maken op het vlak van de ontwikkeling van haar organisatie en haar be­wustzijn. Maar de terugval van de klassenstrijd als gevolg van de verpletterende neder­laag van de Commune en het ondermijningswerk van de Bakoeninisten achter de rug van de IWV hebben ervoor gezorgd dat deze lessen niet onmiddellijk getrokken konden worden. Het zijn tenslotte de lessen van de Commune en de ervaring in Duitsland die de absurditeit hebben aangetoond van het idee dat de arbeiders eenvoudigweg de politieke activiteit aan de kant zouden kunnen schuiven, dat wil zeggen de eisenstrijd ten opzichte van de staat op onmiddellijk vlak en de politieke machtsovername in het revolutionaire perspectief. Het is op basis van deze lessen dat we tussen 1876 en 1885 het wordingsproces van de gecentraliseerde Belgische Werklieden Partij (BWP) moeten bekijken als: “uitdruk­king van een formidabele ontwikkeling, in België net zoals overal elders in Europa, van de strijd en de organisatie in de schoot van de arbeidersklasse. Voor het geheel van de uitgebuiten vertegenwoordigde ze tezelfdertijd een buitengewone hoop op een revolutionaire omverwerping van de kapitalistische maatschappij”(1 ).

Onmiddellijke belangen en socialistisch perspectief

Alhoewel de stichting van de BWP in 1885 een wezenlijke schakel vormt, is men nog op zoek naar de socialistische gedachte: "Het werkelijke debat is nog nauwelijks geschetst; de theoretische analyse blijft totaal afwezig"(2 ). Nog heel wat verwarring bleef, reeds heel wat dubbelzinnigheid verrees. Maar hoe groot ook de politieke verwarring en het gewicht van het opportunisme en het reformisme waren, vanaf haar oprichting had de BWP, net als alle andere sociaal-democratische partijen, als maximumpro­gramma de revolutie. De vakbonds- en de kiesstrijd waren in wezen het praktische middel, het minimumprogramma dat was aangepast aan de mogelijkheden en noden van het tijdperk, om de verwezenlijking van dit einddoel voor te bereiden. "Onze beweging moet revolutionair zijn, wanneer al niet met betrekking tot de middelen, dan toch tenminste wat het doel betreft"(3 ). In de 19e eeuw, in de opgaande periode van het kapitalisme, vulden de strijd voor de verovering van hervormingen en de inperking van de kapitalistische uitbuiting enerzijds, en het begrijpen van deze strijd niet als een doel op zich maar als een moment van de globale revolutionaire strijd anderzijds, elkaar aan en stemden overeen met de doelstellingen en mogelijkheden  van de periode. “ (...) uit deze eigenaardige situatie ontstaat voor de sociaal-democratische fractie de moeilijke taak om niet alleen als vertegenwoordigster van een oppositionele partij op te treden, maar ook als vertegen-woordigster van een revolutionaire klasse. Met andere woorden:  haar taak is niet alleen om de politiek van de heersende klassen vanuit het oogpunt van de onmiddellijke belangen van het volk te bekritiseren, dat wil zeggen vanuit het standpunt van de bestaande maatschappij, maar ook om er, stap voor stap , het ideaal van een socialistische maatschappij tegenover te stellen, dat boven de meest vooruitstrevende burgerlijke politiek uit stijgt.”(4  ). Deze dubbele taak weerspiegelt zich, ondanks de onmiskenbare zwakheden, in het programma van de BWP van 1885 en vooral in dat van 1894, geïnspireerd op het program van Erfurt uit 1891 van de SPD in Duitsland. Zo veroordeelt het Charter van Quaregnon van 1894 niet alleen het kapitalistische regime “dat de maatschappij in twee noodzakelijk vijandige klassen verdeelt” maar het spreekt zich ook uit voor de “afschaffing van de klassen” en “een grondige omvorming van de maatschappij” omdat “het behoud van het kapitalistische regime onverzoenbaar is met dit ideaal” (punten 3 en 4). Dit programma en deze actie van de BWP sluiten eveneens aan bij een internationale inspanning van organisatie van het proletariaat om verheldering en decantatie. De stempel van het marxisme is onmiskenbaar, vooral na de stichting van de 2e Internationale in 1889, die zijn zetel vestigde in Brussel, net als zijn Internationaal Bureau, als teken van vertrouwen. Maar de BWP zal er nooit in slagen om de helderheid van de marxisten van de Duitse SPD te bereiken, die zij zo zeer bewondert. Want alhoewel de twee dimensies wel degelijk aanwezig zijn in hun programma en in hun uitspraken, blijft hun begrip ervan erg abstract en vaag. De strijd voor de hervorming onmiddellijk, en de strijd voor de revolutie wordt naar Sint Juttemis verplaatst. Hervorming en revolutie worden dikwijls be­schouwd als twee van elkaar gescheiden momenten van de socialistische verovering, in plaats van ze te zien als met elkaar verwoven en bepaald door de historische ontwikkelingsperiode van het kapitalisme.

 Sociale hervormingen en politieke rechten

 In het tweede deel van de 19e eeuw kwam een periode van expansie van het kapitalisme­ me op gang in België, die het tot een van de grootste industriemachten van Europa maakte. Het schiep een kader waarin de duurzame verbetering van de bestaansvoor­waarden van het proletariaat een werkelijke mogelijkheid werd. Maar in tegenstelling tot wat bepaalde libertaire milieus vandaag denken, waren de hervormingen in de 19e eeuw geen geschenk, in de schoot geworpen door een liberale bourgeoisie. Het benepen karakter van de Belgische staat heeft de interne tegenstellingen van de bourgeoisie in stand gehouden en heeft haar wil tot hervor­mingen sterk beperkt. In tegendeel, het is juist deze situatie van een Belgische bourge­oisie die zich halsstarrig tegen iedere hervorming verzet, die ertoe heeft geleid dat de arbeidersklasse er slechts door middel van massieve, uitge­breide en strijdbare, georganiseerde bewegingen in slaagt om sociale en politieke hervor­mingen af te dwingen (zie het eerste deel van deze reeks). In dit kader zijn de inspanningen tot organisatie van de klasse, het zoeken naar een samenhangend politiek programma en naar een doeltreffende actie evenveel wapens die de vooruitgang ervan mogelijk maken. Het is dus vanaf 1885, na meer dan tien jaar van mislukkingen, dat de BWP, als concentratie van haar kracht, de arbeidersklasse in staat stelt om van de bourgeoisie verbeteringen af te dwingen van haar erbarmelijke toestand, van haar werkvoorwaarden en van haar politieke rechten, en dit doorheen haar economische en politieke gevechten. Tot 1880 werd België beschouwd als het meest sociaal achterlijke van de industrielanden en kende het nog een cijnsstemrecht. Deze achterstand zal gedeeltelijk worden ingehaald in het licht van de sociale branden van 1886 en van de massale stakingen van tienduizenden tot honderdduizenden arbeiders, met of zonder officiële steun van de BWP zoals die van 1887, 1888, 1891, 1893, 1902 en 1913, die voortduurden tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog in 1914.

In 1886 zal de BWP, die nauwelijks was opgericht, worden ondergedompeld in de eerste grote arbeidersrevolte die uitbrak in alle industriebekkens en dit zal een stempel drukken op haar politieke evolutie. De BWP stond voor de verscheurende keuze: het avontuur ondersteunen en haar organisatie in gevaar brengen, of zich desolidariseren en al haar krediet in de klasse verliezen. Haar keuze zal pragmatisch zijn, noch vlees noch vis, en zal bepalend zijn voor haar politiek van toen af aan. “De organisatie eerst, de helderheid later; nee aan het anarchistische avontuur, ja aan de discipli­ne.” Maar terwijl de BWP verscheurd stond tegenover de omvang en de vurigheid van de beweging, hebben de leiders van het land de waarschuwing begrepen. De bourgeoisie heeft voor het eerst het gevaar onderkend van een ontketende arbei­dersklasse, en tezelfdertijd een klasse die via de BWP vertrouwen krijgt in haar kracht, die haar solidariteit organiseert en haar gecentraliseerde organisatie opbouwt. De re­pressie volstaat niet meer, er moet toegegeven worden. “Eerst de terreur, daarna een aanzet van wijsheid en een beetje hervorming” (5 ).  

 Zo kwam het dat als gevolg van de strijd een periode begon van herziening van de arbeidswetgeving en dat de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse werkelijke ver­beteringen kenden. Gepaard aan de algemene stijging van de levensstandaard, kwam er ook een ontwikkeling van het culturele niveau. Herinneren we ons het immense analfabetisme dat heerste in België, van 60% tot 90% al naargelang de regio; de bourgeoisie zou tot 1913 wachten met het instellen van het verplicht lagere schoolon­derwijs! Al in 1886 en 1887, waren er verschillende wetsherzieningen over het afschaffen van de uitbetalingen van lonen in natura, in 1888 over de inspec­tie en de veiligheid van de werkplaatsen, in 1889 een eerste wetsherziening over de wettelijke beperking van de kinder- en vrouwenarbeid (gevolgd door aanvul­lingen in 1892, in 1911 en 1914) en over de hygiëne (huisvesting en werkplaats), in 1890 de invoering van een kas voor werkongevallen, tussen 1897 en 1907 tussenkomst van de staat in de financiering van werkloosheidskassen en, vanaf 1900, de organisatie van een eerste pensioenkas. Wat de koopkracht betreft, op 50 jaar (1846 – 1899) was die meer dan verdubbeld en vooral van 1877 tot 1899. Tenslotte was er ook nog de ver­mindering van de werktijden. Het IWV had een serie belangrijke gevechten geleverd voor de vermindering van de werkdag van 14 tot 12 uur of soms tot 10 uur. Maar de actie van bewustmaking die door de IWV was ingezet, werd voortgezet door de agitatie die vooruitliep op de stichting van de BWP, om heel intens te worden in het laatste decennium van de 19e eeuw en het eerste van de 20e eeuw. Het is de BWP die de eis van de ‘driemaal-acht’ vanaf de 1e mei 1886 zal lanceren en popula­riseren, door een algemene staking te organiseren in de Luikse industriebekkens. Ze schrijft deze eis in haar charter van 1894, alhoewel het in werkelijkheid eerder draaide rond de 10 uur die moest veralgemeend worden. Doorheen een hele reeks van stakingen, betogin­gen en meetings, dikwijls uitgevoerd door haar Vakbondscommissie vanaf 1899, om haar te steunen in de wetsvoorstellen die ze indient ten gunste van het geheel van de ar­beiders, zal de BWP er vooral tussen 1905 en 1914 erin slagen om de werkdag tot 9 à 10 uur terug te brengen. In 1905 werd de zondagsrust wet. Toch moeten wij er aan toevoegen dat België tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog het land van de lage lonen en lange werkdagen bleef, vooral in Vlaanderen vanwege de afwezigheid van grote industrieën. Het was vooral door klassensolidariteit en door het besmettelijke voorbeeld van de gevechten in het zuiden van het land dat de arbeiders in Vlaanderen, met vertraging, profiteerden van de vruchten van het gevecht om de levensomstandigheden van de hele klasse te verbeteren.

De revolte van 1886 had als ander resultaat de herziening van de grondwet en de in­voering van het algemeen stemrecht afgezwakt tot het meervoudig stemrecht. Zelfs al begon de strijd voor het algemeen stemrecht in België al vanaf 1830, dan kende ook deze strijd slechts zijn hoogtepunt met de stichting van de BWP. Sinds de marxisten als overwin­naars uit de bus waren gekomen tegen de visies van het politiek absenteïsme van de Proudhonisten, waren de strijd voor de sociale hervormingen en de politieke rechten steeds nauwer verbonden. Het ‘Algemeen Stemrecht’ “is de sleutel tot alle andere poli­tieke en sociale hervormingen die onze partij tot doel heeft te realiseren” zei L. Bertrand, op het Congres van de BWP in 1891. Want in deze opgaande periode van het kapitalisme was de strijd voor politieke democratische rechten, naast de strijd voor hervormingen, vanaf de eerste bevestigingen van het proletariaat als klasse, de krachtlijn voor werkelijk doeltreffend verzet. “De grote socialistische betekenis van de vakbondsstrijd en van de politieke strijd berust hierin dat ze het inzicht, het bewustzijn van het prole­tariaat socialiseren, dat ze het als klasse organiseren”, schreef Rosa Luxemburg in Hervorming of Revolutie? (I,5).

De BWP zal dit in haar strijd voor het algemeen stemrecht in praktijk brengen, zelfs als men vele aspecten van haar aanpak kan en moet bekritiseren. Om dat te bereiken doet ze bij herhaling beroep op de algemene massastaking, een indrukwekkend wapen dat maar zeer weinig Europese socialistische partijen besloten om in hun ar­senaal op te nemen.  De algemene massastaking is lange tijd onder de marxisten als een utopie be­schouwd, die des te gevaarlijker was omdat zij, in de geest van sommige voorstanders, erop doelde de arbeidersklasse te verwijderen van de politieke actie om in plaats daarvan de vermeend romantische en anar­chiserende verleidingen van de directe actie te stellen. Door dit te doen verleende de BWP zich voor lange tijd een reputatie van quasi revolutionaire energie. Noch­tans is er een verschil tussen schijn en bewuste werkelijkheid. Want de leiders van de BWP hebben altijd gedacht dat de massastaking slechts kon uitbarsten als laatste middel, wanneer alle andere middelen uitgeput waren en ondoeltreffend waren geble­ken. Maar dat belet niet dat wij met R. Luxemburg kunnen vaststellen dat “In de strijd vanaf 1886 tot op heden voor het algemene stemrecht maakte de Belgische arbeidersklasse gebruik van de massastaking als meest doeltreffende politieke mid­del. Zij heeft aan haar in het jaar 1891 de eerste capitulatie van de regering en van het parlement te danken: het begin van de grondwetsherziening; zij verdankt haar in het jaar 1893 de tweede capitulatie van de heersende par­tij: het algemeen meervoudig stemrecht” (6 ). En wie massas­taking zegt weet: “een groot deel van de betekenis van elke massastaking ligt in haar totstandkomen zelf, in de politieke actie die erin tot uiting komt – in zoverre als het gaat om spontane, of op gezag van de Partij, kortelings tot stand gekomen betogingen in strijdbare geest.” (7 ). In 1894 zal de BWP de vruchten van haar actie plukken. Ze komt als overwinnaar uit de verkiezingen te voorschijn en doet haar intrede in het par­lement met 28 zetels, wat furore maakt in Europa. De verklaring van de BWP van 1895, na deze verkiezingsoverwinning, laat nog duidelijk zien dat men in deze periode vond dat “elke verkiezingscampagne gezien moet worden als propaganda­werk: het enig nagestreefd doel blijft de socialistische idee en de mandaten komen er als het ware bovenop.”(8 ) Het socialisme ontdekt het parlement, zegt professor Liebman in zijn studie over de BWP, maar nog niet het parlementarisme. Inderdaad, talrijk zijn de parlementaire tussenkomsten, vol woede tegen de kapita­listische uitbuiting, het onrecht en de wreedheden van de bestaande orde. Ze worden de vertolkers van de arbeiderseisen, de verdedigers van de strijders, de dragers van het so­cialistische programma, de professoren in marxisme. Een anekdote: de verslagen van de kamer stijgen van 17.700 abonnementen tot 61.180, en de uitgever verdrievoudigt de prijs om zijn succes tegen te gaan.

De opportunistische wolken verschijnen.

 Cesar de Paepe verklaarde reeds in 1890: "Als wij het Algemeen Stemrecht willen is dat om een revolutie te vermijden want hervorming of revolutie, Algemeen Stemrecht of universele omwenteling, dit is het dilemma op dit ogenblik voor het Belgische volk "(9 ). Deze tendens tot reformisme et opportunisme wordt alsmaar nadrukkelijker, vooral na de intrede van de BWP in het parlement in oktober 1894, een periode die beslist cruciaal is voor heel de internationale socialistische beweging. Deze tendens tot refor­misme en opportunisme barst met kracht los in 1902, wanneer de vreedzame en le­galistische tactiek van de B.W.P. de nederlaag van de arbeidersbeweging met zich meebrengt. Nochtans had dat alles niet verhinderd dat de BWP zich geassocieerd had met de 2e In­ternationale om de Duitser Bernstein te bekritiseren, die vanaf 1898 een openlijke aanpassing van de sociaal-democratie aan het kapitalistische regime voorstond, en de Fransman Mil­lerand, die een portefeuille aanvaard in het kabinet van Waldeck-Rousseau. Maar tij­dens de algemene stakingen van 1902 en 1913, verried de BWP inderdaad de arbei­dersbeweging ten gunste van een parlementair compromis met de liberalen, een oriën­tatie die steeds kenmerkender was voor de 2e Internationale in haar geheel, en die zich onderscheidde door de legale en parlementaire strijd tegenover de revolutie te stellen: “Louis Bertrand, veteraan van de socialistische beweging, verborg niet dat hij bereid zou zijn om de consignes van de Internationale te laten vallen als de Liberalen aan de BWP zouden voorstellen om met hen tot de regering toe te treden. En Vandervelde zelf voorzag toen de mogelijkheid, voor zijn parlementaire groep, om voor het oorlogsbudget te stemmen, wanneer de libe­ralen ermee zouden instemmen het verkiezingssysteem te verbeteren”(10 ). Rosa Luxemburg heeft het niet nagelaten om in haar brochure “De Belgische ervaring van de algemene staking” (1902) de houding van de Belgische socialisten op dit punt stevig te bekritiseren, net zoals in de andere kritieken die er op zouden volgen. Maar de reformistische logica in 1902 was overheersend en onomkeerbaar geworden in de BWP. “Wat van het grootste gewicht is in deze redering van kameraad Vandervelde is de onvermijdelijke conclusie dat de triomf van dit algemeen stemrecht niet anders meer te verwachten valt dan door de parlementaire methode”. De reformistische bocht was genomen.

In het derde deel van dit artikel zullen we de opkomst van het opportunisme en het reformisme in de BWP, en de strijd daartegen door de verschillende opposities, verder belichten.

Lac / 7.04.2006

 1 De trage en moeilijke strijd voor de oprichting van arbeidersorganisaties, Internationalisme, nr.324

 2 M. Liebman, Les socialistes belges 1885-1914, p.52

 3 E. Vandervelde in Le Peuple, 13 februari 1894

 4 R. Luxemburg, Sociaal-democratie en Parlementarisme, Sächische Arbeiterzeitung, 5 en 7 december 1904

 5 M. Liebman, Les socialistes belges 1885-1914, p.62

 6 R. Luxemburg, De Belgische ervaring, Neue Zeit, 1902

 7 R. Luxemburg, Nieuwe Belgische ervaring, Leipziger Volkszeitung, 15 mei 1913

 8 C. Renard, De verovering van het algemeen enkelvoudig kiesrecht in België, 1966, p.145

 9 G. Van Meir, De geschiedenis van de BSP, p.18

 10 C. Renard, Octobre 17 et le mouvement ouvrier belge, p.14

 

Thema's verdiepen: 

Structuur van de site: 

Ontwikkeling van proletarisch bewustzijn en organisatie: