De delokalisaties tonen de wetmatigheden van de kapitalistische uitbuiting

See also :

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

De delokalisaties worden te pas en te onpas gebruikt in de propaganda van de bourgeoisie. Het lijkt wel alsof ze alle andere aanvallen waaraan het proletariaat onderworpen is in de schaduw stellen, en dat ze er zelfs de verklaring voor worden. Andersglobalisten, linkse partijen en ultralinksen staan overal op de bres om het ‘ultraliberalisme’ aan te klagen van die aasgieren van bazen en van die aandeelhouders die uit zijn op vette dividenden. Tussen alle mogelijke opties voor een ‘andere wereld’ zouden zij voor de slechtste politiek kiezen. In dit artikel zullen we daarentegen aantonen dat de delokalisaties rechtstreeks voortvloeien uit de fundamentele wetmatigheden die het kapitalistische systeem regeren.

In tegenstelling tot wat de andersglobalisten vertellen met hun “alles wordt  tegenwoordig koopwaar” is het al sinds heel lang dat onder het kapitalisme de warenver­hou­dingen het geheel van de sociale en menselijke verhoudingen in de maatschappij beheersen. In de kapitalistische maatschappij is het leveren en verkopen van een waar het enige middel om een deel van de geproduceerde goederen te verkrijgen, op straffe van het verlies van elk middel van bestaan. Voor wie over geen enkel productiemiddel beschikken, de proletariërs, en die zich daardoor in de materiële onmogelijkheid bevinden om waren te produceren, zit er niets anders op dan op de markt een bijzondere waar aan te bieden, namelijk hun arbeidskracht.

De kapitalistische uitbuiting van de arbeidskracht

Zoals voor elke andere waar het geval is, wordt de waarde van de arbeidskracht op de markt uitgedrukt in een prijs en in geld: het loon. De waar arbeidskracht verschilt in niets van de andere waren op de markt, tenzij dan dat ze onafscheidelijk verbonden is met haar verkoper, de arbeider, en dat ze niet te lang op een koper kan wachten, omdat ze anders met haar drager, de arbeider, te gronde zal gaan bij gebrek aan levensmiddelen.

Voor haar kapitalistische koper, de bourgeois, betekent de arbeidskracht, die hij verbruikt, de bron van zijn winst. Zou de industriële kapitalist de loonarbeider die hij aangeworven heeft alleen zolang laten werken als voor de arbeider nodig is om het loon te verdienen dat hij ontvangt, dan zou de baas geen enkele winst maken. Hij moet de loonarbeider dus langer laten werken dan die tijd. De arbeidstijd van elke arbeider bestaat –of hij dat nu beseft of niet– uit twee delen: een deel dat betaald wordt, en waarin de arbeider slechts de waarde van zijn loon vergoedt, en een deel dat niet betaald wordt, waarin hij gratis arbeid verricht voor de kapitalist die zich het geheel van de productie toeëigent.

De conditie van proletariër herleidt zich tot de onzekerheid van zijn bestaan. “De proletariër is hulpeloos; op zichzelf aangewezen kan hij geen dag leven. De bourgeoisie heeft zich het monopolie aangematigd over alle levensmiddelen, in de ruimste zin van het woord. Wat de proletariër nodig heeft, kan hij slechts krijgen van deze bourgeoisie wier monopolie door de staatsmacht wordt beschermd. De proletariër is dus in rechte en in feite de slaaf van de bourgeoisie; zij kan over zijn leven en zijn dood beschikken. Zij biedt levensmiddelen aan, maar voor een ‘equivalent’, voor zijn arbeid; zij laat hem daarbij zelfs nog de schijn, alsof hij uit vrije wil handelt, alsof hij als mondig mens, vrij en zonder dwang ermee instemmen zou een verdrag met haar af te sluiten. Een mooie vrijheid is dat, waarbij de proletariër geen andere keus heeft dan om met de voorwaarden die de bourgeoisie hem stelt in te stemmen... te verhongeren, dood te vriezen of zich naakt bij de dieren in het bos te voegen!” (1).

Onder het kapitalistische systeem is de honger om de meerarbeid uit te buiten onverzadigbaar: hoe meer onbetaalde arbeid het kapitalisme onttrekt aan de arbeiders, hoe beter. Het ongebreideld uitpersen van meerwaarde is het doel en de rol van de aankoop van de waar arbeidskracht door de kapitalist. “De industriële kapitalist blijft in de grond evengoed een handelaar. Zijn activiteit als kapitalist [...] beperkt zich net als die van de handelaar tot de markt. Zijn taak bestaat erin om de nodige grondstoffen, hulpstoffen, arbeidskrachten enz. zo doelmatig en goedkoop mogelijk in te kopen, en om de in zijn onderneming gefabriceerde waren zo duur mogelijk te verkopen. Op het gebied van de productie heeft hij niets anders te doen dan ervoor te zorgen dat de arbeiders voor een zo gering mogelijk loon zo veel mogelijk arbeid leveren, dat er zoveel mogelijk meerwaarde uit hen wordt geperst.” (2).

Een grens aan deze uitbuiting bestaat slechts in de uitputting van de uitgebuite, en door het vermogen van de arbeidersklasse zich te verzetten tegen de uitbuiter. Om het tijdsgedeelte van de gratis arbeid te vergroten, waarin de arbeider het kapitalisme zijn meerwaarde levert, beschikt het kapitaal over verschillende middelen: de verlenging van de arbeidsdag, het opdrijven van het werkritme en de verlaging van de lonen, zelfs tot het minimum dat nodig is om de arbeider alleen in leven te houden.

Zoals iedere waar is de arbeidskracht onderworpen aan de concurrentie en de wisselvalligheden van de kapitalistische markt. “En als er meer arbeiders voorhanden zijn dan het de bourgeoisie goeddunkt te werk te stellen, wanneer er dus aan het eind van de concurrentiestrijd toch nog een aantal overblijft, dat geen werk kan vinden, dan moet dit aantal maar verhongeren. Want de bourgeois zal hen toch heus geen werk geven, als het product van hun arbeid niet met voordeel verkocht kan worden.” (3). De concurrentie, “meest volkomen uitdrukking van de oorlog van allen tegen allen, die de moderne burgerlijke maatschappij beheerst” waarin de arbeiders elkaar “onderling net zo beconcurreren, als de leden van de bourgeoisie elkaar onderling beconcurreren.” Met het tegen elkaar opzetten van actieven en werklozen, autochtonen en immigranten of verschillende nationale fracties van het proletariaat, is de concurrentie “in de handen van de bourgeoisie het scherpste wapen tegen het proletariaat” (4).

Delokalisaties, een product van de kapitalistische concurrentie

De delokalisatie van productieplaatsen uit de industrielanden naar landen waar de arbeidskracht goedkoop is, is het gevolg van de kapitalistische wetten van het zoeken naar een maximale winstvoet. Onder druk van de ongebreidelde concurrentie tussen de grote kapitalistische industrielanden op steeds beperktere markten, zijn de gemiddelde uurlonen van 18 euro in Spanje, 4 euro in Polen en Tsjechië, 2 euro in Brazilië en Mexico, 1 euro in Roemenië, 0,7 euro in India en China tegenover 23 euro in West Europa en de Verenigde Staten een buitenkansje voor het kapitalisme, de vampier van de arbeidskracht.

Reeds in de negentiende eeuw heeft de bourgeoisie nooit geaarzeld, wanneer de productietechnieken dat toelieten, de weefgetouwen bijvoorbeeld te demonteren om elders, in een andere streek, op zoek te gaan naar goedkopere en meer volgzame arbeidskrachten om uit te buiten.

De delokalisaties zijn voor de arbeidersklasse dus niets nieuws, maar een oud en internationaal verschijnsel dat in alle landen voorkomt. Toch kent dit verschijnsel sinds de jaren 1990, onder druk van de economische crisis die al drie decennia aanhoudt, een onmiskenbare uitbreiding. In talloze sectoren waar de arbeidskracht een belangrijk deel uitmaakt van de globale kosten van de productie, is die transfer van de industrielanden naar landen waar de productiekosten het laagst zijn zelfs “al grotendeels  doorgevoerd” (5).

In de automobielsector bijvoorbeeld hebben de grote merknamen al lang hun toevlucht genomen in delokalisaties. Renault produceert de R12 sinds 1968 in Roemenië. “Vanaf de jaren 1970 is Renault, net als trouwens PSA, op zoek naar lokale partners in Brazilië, Mexico, Argentinië, Colombia en Turkije. [...] Na de herstructureringen in de jaren 1980 stort Renault zich op de aankoop van Samsung in Zuid-Korea en van Dacia in Roemenië, in 1999.” (6). De bourgeoisie heeft overigens de ineenstorting van de stalinistische regimes en het einde van de zogenaamde ‘socialistische economie’ niet afgewacht om de westerse mogendheden te laten investeren en te delokaliseren naar de landen van het voormalig Oostblok.

Alle sectoren van de kapitalistische productie zijn betrokken bij delokalisaties, maar niet elke productie zal gedelokaliseerd worden, in tegenstelling tot wat de propaganda van de bourgeoisie laat horen. “De sectoren van de industrie die betrokken zijn bij delokalisatie zijn talrijk: leer, textiel, kleding, metalen, huishoudelijke apparaten, automobiel, elektronica… Ook de tertiaire sector wordt getroffen: telefonische call centra, informatica, boekhouding… Om eerlijk te zijn is elke massaproductie en elke repetitieve dienst vatbaar voor delokalisatie naar gebieden waar de kosten van de arbeidskracht duidelijk lager liggen.” (7) De drastische daling van de transportprijzen die in de jaren 1990 doorzette (een daling met 45% van het maritiem transport en met 35% van het luchtvrachtverkeer tussen 1985 en 1993) heeft de geografische afstand tussen de productieplaatsen van talloze waren en de markten waar ze verbruikt zullen worden nog minder storend gemaakt.

De uitbuiting tegen lage prijs van de intellectuele hightech arbeidskracht, die te duur geworden was in de westerse lan­den, wordt koortsachtig nagestreefd, waarbij op de op­leidingskosten bespaard worden door die ter plaatse te or­ganiseren. In China zijn steeds meer westerse overheidsor­ganen en privé-ondernemingen bezig “ter plaatse on­der­zoekscentra op te richten, zoals France Télécom in Can­ton in juni 2004, om te profiteren van de overvloed aan goedkope wetenschapslui die door de Chinese laborato­ria worden aangeboden” (8). India is binnen enkele ja­ren ook een leverancier geworden van computerprogramma’s.

Anderzijds worden de delokalisaties volop gebruikt om de onproductieve kosten van de grootste ondernemingen te drukken (geïnformatiseerd beheer, beheer en onderhoud van netwerken, loonadministratie, financiële diensten, klantendiensten, orderadministratie, telefonische call centra), soms tot 40 à 60%. Het gaat zover dat “alles wat op afstand kan gebeuren en per telefoon of satelliet doorgegeven kan worden, klaar is voor delokalisatie”. Zo begint India “de achterwinkel te worden van de Britse en Amerikaanse bedrijven” (5).

In de moordende concurrentie tussen de naties zetten de staten van de ontwikkelde landen uitdrukkelijk een rem op het vertrek naar het buitenland van bepaalde activiteiten. Het is een strategische noodzaak om op het eigen grondgebied bepaalde industrieën te bezitten die een militaire macht kunnen garanderen die het hoofd kan bieden aan naties van hetzelfde kaliber. Dat is een kwestie van overleven in de imperialistische arena. Meer in het algemeen is het economisch even onmisbaar dat op het grondgebied de centrale productie behouden blijft van sleutelsectoren die de kracht uitmaken van het nationaal kapitaal tegenover de concurrentie. In de automobielsector “tekent zich onder druk van de concurrentie die verplicht te produceren tegen steeds lagere kosten een beweging af van delokalisatie van de productie van kleinere wagens voor de Franse markt naar lage lonenlanden, terwijl in Frankrijk de productie behouden blijft van wagens uit de hogere klassen in zeer geautomatiseerde fabrieken” (6). Hetzelfde in de textielsector, waar “momenteel alleen de stoffen die technologie en kennis vereisen nog in Frankrijk gefabriceerd worden” (6).

Het aantal landen dat profijt heeft van de delokalisaties is beperkt: “India, de Maghreb landen, Turkije, de landen van Centraal en Oost Europa (PECO) en Azië (met name China)” (7). Elk nationaal kapitaal heeft zijn bevoorrecht land van bestemming, maar ze beantwoorden allemaal aan een reeks dwingende criteria. Die landen moeten een zekere interne stabiliteit kennen, wat voor een steeds geringer aantal landen opgaat, nu de ravages van de oorlog steeds grotere gebieden van de planeet in hun greep krijgen. Maar ze moeten ook beschikken over een aangepaste infrastructuur en over arbeidskracht die ervaring heeft met de kapitalistische uitbuiting of zelfs enigszins opgeleid is. De meeste van de doellanden hebben een industrieel verleden (Oostbloklanden) of hebben een zekere industrialisering gekend. De landen van Afrika bezuiden de Sahara, die maar al te graag delokalisaties zouden verwelkomen, hebben er nog geen spoor van gezien.

De overproductiecrisis zonder uitweg

De definitie zelf van delokalisatie als “verplaatsing naar het buitenland van een (bijvoorbeeld) in Frankrijk bestaande economische activiteit, waarvan de productie dan weer in Frankrijk ingevoerd wordt” (8) verklaart voor een deel het geheim van de prachtige resultaten die de bourgeoisie opdist met betrekking tot de zogenaamde Chinese en Indiase wonderen. Maar gezien vanuit het geheel van de wereldproductie zijn de delokalisaties een nuloperatie. Er wordt inderdaad een industriële pool gecreëerd op een plaats waar er voorheen geen was, maar er is in geen geval ontwikkeling of een nieuwe opkomst van de kapitalistische productie, aangezien de schepping van een voorheen onbestaande activiteit in dat gastland direct samengaat met de deïndustrialisatie en stagnatie van de meest ontwikkelde economieën.

Decennia lang zijn de onderontwikkelde landen er niet in geslaagd investeringen te realiseren om massaal moderne technologie te verwerven die onmisbaar is om de concurrentie aan te gaan met de meest ontwikkelde landen en om een industrialisatiepeil te bereiken dat die naam waardig is, zelfs met erg goedkope arbeidskrachten. Hun onderont­wikkeling en het behoud daarvan zijn vandaag zelfs een voorwaarde om zich te mogen verheugen in de belangstelling van het kapitalisme voor de uitbuiting van de arbeidersklasse daar ter plaatse.

De afwezigheid van enig vooruitzicht op een verbetering van de levensvoorwaarden van het proletariaat in de gastlanden van de delokalisaties en de ontwikkeling van de werkloosheid in de westerse landen, waar het gros van de gedelokaliseerde productie afgezet wordt, zullen niet bijdragen tot een uitbreiding van de wereldmarkt, maar tot een verergering van de overproductiecrisis.

De delokalisaties zijn op zich niet de oorzaak van de werkloosheid en de daling van het levenspeil van het proletariaat. Ze zijn slechts één van de vele aanvallen die het te verduren heeft, en die allemaal dezelfde wortels hebben: de economische wetten van het kapitalistisch systeem die voor elke natie en elke bourgeoisie gelden, en die de kapitalistische wereld onderdompelen in een overproductiecrisis zonder uitweg.

Om de meerwaarde die door de arbeidersklasse geproduceerd wordt, en die zit opgesloten in de gefabriceerde waren, te kunnen opstrijken, moet de kapitalist die waren verkopen op de markt.

De kapitalistische overproductiecrisissen, plaag van het kapitalistisch systeem, vinden hun oorsprong altijd in de onderconsumptie door de massa’s, waartoe de arbeidersklasse gedwongen wordt door het systeem van uitbuiting van de loonarbeid, dat voortdurend het deel van de sociale productie vermindert dat aan het proletariaat toevalt. Het kapitalisme moet voor een gedeelte betaalkrachtige kopers vinden buiten degenen die zijn onderworpen aan de verhouding arbeid-kapitaal.

Vroeger bestonden er op de binnenlandse markt grote sectoren van voorkapitalistische productie (het handwerk en vooral de landbouw) die relatief welvarend waren en een voedingsbodem vormden voor de kapitalistische groei. Op wereldvlak liet de enorme buitenkapitalistische markt van de koloniale landen, die toen werden veroverd, toe om de overproductie van waren uit de industrielanden af te zetten. Nadat het kapitalisme aan het begin van de 20e eeuw de hele planeet aan zijn economische verhoudingen onderworpen heeft, beschikt het niet meer over de historische voorwaarden die het toelieten het hoofd te bieden aan zijn tegenstellingen.

Het kapitalisme begon toen aan zijn fase van onomkeerbare neergang, die de mensheid veroordeelt tot oorlogen, de stuiptrekkingen van zijn crisissen, en tot een veralge­meende ellende, die de mensheid met de complete vernietiging bedreigen.

 

Scott / 11.2005

 

(1) Uit: Friedrich Engels, De toestand van de arbeidersklasse in Engeland (1845), “De concurrentie”, p. 136 in de uitgave van Progres, 1987.

(2) Uit: Karl Kautsky, Das Erfurter Programm (1892), hoofdstuk 2: Het proletariaat. (3) Engels, idem p.138

(4) Engels, idem p.136

(5) Novethics.fr, 10 januari 2001

(6) L’Expansion, 27 januari 2004

(7) Vie publique.fr, 12 januari 2004

(8) Le Monde.fr, 27 juni 2004