Naar aanleiding van een forum over de arbeidersautonomie

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Hieronder drukken we een artikel af dat de IKS-afdeling in Spanje (Accion Proletaria) op het internet plaatste in een discussieforum over de zelfstandigheid van het proletariaat (www.alasbarricadas.org in het Spaans).

Dit forum begon naar aanleiding van de inzending, door een kameraad die ons onbekend is, van een artikel waarin we de balans opmaakten van een bijeenkomst over arbeidersautonomie en onze tussenkomst daarin (1). Die bijeenkomst vond plaats in Barcelona en wekte een hartstochtelijk, diepgaand en loyaal debat op. Alle deelnemers deelden de wil om een eind maken aan het kapitalistisch systeem dat voor de overgrote meerderheid van de mensheid zoveel economisch, psychisch, moreel, ecologisch lijden met zich meebrengt. Maar het debat ging over de vraag “wie kan de motor zijn van een sociale omvorming van een dergelijke omvang?” Samengevat tekenden zich twee antwoorden af. Voor de een is het de arbeidersklasse, het proletariaat. Anderen, waaronder een kameraad die Piti wordt genoemd, verstaan onder ‘proletariaat’ een gemeenschap van rebellerende individuen.

Wij verdedigen natuurlijk het eerste antwoord. En hier we willen de argumenten daarvoor uiteenzetten.

De klassenstrijd is de motor van de geschiedenis

Na het geleidelijk uiteenvallen van het oorspronkelijk stammenkommunisme werd de menselijke maatschappij verdeeld klassen en de motor van haar ontwikkeling was de klassenstrijd.

Die sociale oorlog vindt plaats in een historische omgeving van achtereenvolgende productiewijzen (slavernij, feodalisme, kapitalisme). Het vormt ook het algemene raamwerk waarbinnen de ontwikkeling van de productiekrachten, vol van innerlijke tegenspraken, kon plaatsvinden.

Dát vormt de meest samenhangende uitleg van de menselijke geschiedenis. Dat vormt eveneens het middel waarmee de huidige generaties vooruit kunnen komen met betrekking tot de dilemma’s die de huidige toestand van het kapitalisme hen stelt: ofwel vernietiging van de mensheid, ofwel de bevrijding ervan en het begin van een nieuwe historische etappe die steunt op de afschaffing van de sociale klassen, van de staten en de nationale grenzen; de vereniging van alle menselijke wezens in een mensengemeenschap die leeft en handelt door en voor zichzelf.

Tegenover die verklaring, die het meest samenhangend wordt verdedigt door het marxisme, zijn veel theorieën opgesteld die niet zozeer met elkaar gemeen hebben dat ze het bestaan van klassen ontkennen – dat doen alleen de meest kortzichtigen – maar wel de klassenstrijd als motor van de geschiedenis.

Als andere motoren worden genoemd: God, de Universele Geest, leiders en andere individuen die over bijzondere machten beschikken, groeperingen van mensen van goede wil, een minderheid van samenzweerders, van allerlei verlichters of predikers van alle mogelijke sociale en filosofische stelsels, allemaal begaan met het bestrijden van het kwaad in deze onderwereld.

De klassenstrijd heeft in de geschiedenis altijd een revolutionaire klasse voortgebracht die de draagster is van een nieuwe organisatie van het maatschappelijke leven, tegenover een reactionaire klasse die vasthield aan de verdediging van privileges en belangen verbonden aan de oude orde. In het algemeen liepen die conflicten uit op de zege van de nieuwe revolutionaire klasse en het min of meer snel verdwijnen van de oude klasse. Maar dat succes staat nooit vooraf vast door de één of andere onherroepelijke voorbeschikking. In de geschiedenis hebben zich omstandigheden voorgedaan waarin de maatschappelijke ontwikkeling vastliep, waarin de twee belangrijkste klassen van de maatschappij elkaar uitputten in vruchteloze conflicten waarin er geen uitweg was. Daarom beschouwt het Kommunistisch Manifest de klassenstrijd als een sociale oorlog “die altijd uitmondt op een revolutionaire omvorming van de gehele maatschappij of op de ondergang van de strijdende klassen”.

Geen enkele klasse is de blinde voltrekker van een vooraf vaststaand historisch lot, en evenmin de onvrijwillige uitvoerder van een noodzaak die bepaald wordt door de maatschappelijke ontwikkeling. Om de maatschappij te bevrijden van de kluisters die zijn opgelegd door de oude orde hebben de revolutionaire klassen een zekere mate van bewustzijn en wil nodig. Als die ontbreken zal de objectieve noodzaak, die enkel als historische mogelijkheid bestaat, niet verwezenlijkt worden en zal de sociale ontwikkeling vastlopen en wegzinken in chaos en vernietiging.

In de overgang van de oude slavenmaatschappij naar de feodale orde die daar op volgde bestond de beslissende factor uit de objectieve ontwikkeling, terwijl het bewustzijn en de subjectieve handelen een heel beperkte rol speelden. In de vernietiging van het feodalisme en de opkomst van het kapitalisme vormden de objectieve krachten de hoofdfactor, maar speelde het bewustzijn – een bewustzijn dat vooral ideologisch was – een belangrijke rol, vooral in de laatste etappe, die van de politieke machtsgreep door de bourgeoisie toen haar economische heerschappij over de maatschappij verzekerd werd.

Tijdens de revolutie die een eind zal maken aan het kapitalisme zal de beslissende rol daarentegen gespeeld worden door het bewustzijn, de bezieling, de solidariteit, de heldhaftigheid en de strijdbaarheid van de grote proletarische massa’s. Zonder die subjectieve kracht, zonder de betrokkenheid van een groot aantal bewuste individuen, zal de revolutie niet mogelijk zijn. Piti legt de nadruk op het belang van het bewustzijn (wat hij voorwaarde van ‘zelfbewuste individuen’ noemt), op solidariteit en wederzijds vertrouwen (wat hij ‘gemeenschap van rebellen’ noemt)… Wij delen die zorg: voor ons is het momenteel één van de fundamentele opgaven van de huidige generaties van de arbeidersklasse om in en door de strijd bewustzijn en solidariteit te ontwikkeling en hun eigen maatstaven aan te leggen. Zonder een ontwikkeling op grote schaal van de geestelijke en morele krachten zal de wereldrevolutie niet mogelijk zijn.

Daartegenover meent Piti dat de arbeidersklasse geen revolutionaire klasse meer is. Hij zegt niet dat de klassenstrijd verdwenen is, hij ontkent ook niet dat die strijd in andere fasen van het kapitalisme bestaan heeft en de motor van historische verandering was, maar zijn uitgangspunt ligt vast: : “Wat ik de ‘eerste aanval op de klassenmaatschappij’ noem (ik heb het dan over het begin van de twintigste eeuw en zijn revoluties in bijvoorbeeld Rusland, Kronstadt en Duitsland) en de ‘tweede aanval op de klassenmaatschappij’, mei 1968, de autonomenrevoltes in Duitsland, Autonomia Operaia in Italië, de arbeidersstakingen in Polen, de beweging van de assemblees in Spanje, dat waren bewegingen die verslagen werden, de zelfstandigheid van de arbeiders werd de nederlaag toegebracht.”

Zeker, de internationale revolutionaire golf werd verslagen en die nederlaag zette de deur open voor de vreselijkste contra_revolutie uit heel de menselijke geschiedenis. Het is ook waar dat de aanvankelijke prikkel van de arbeidersstrijd in 1968 geleidelijk aan verwaterde tot zich in 1989 een zware terugval voordeed in het bewustzijn en de strijdbaarheid van de arbeiders.

Maar waarom trekt Piti uit die mislukkingen de conclusie dat de arbeidersklasse haar revolutionaire aard verloren zou hebben? Hij steunt daarvoor op twee dingen: enerzijds heeft het kapitalisme zo’n grote verandering doorgemaakt dat we momenteel tegenover een nieuw ‘economisch model’ staan, en anderzijds brengt dit nieuwe economisch model zoveel sociale veranderingen met zich mee dat die het einde betekenen van de arbeidersklasse als revolutionaire klasse. “Dan (in de jaren 1980) beginnen de veranderingen. De vakbonden, als instrumenten van de integratie van de arbeidersklasse, ageren rechtstreeks voor hun eigen belangen door met patronaat en staat te onderhandelen, waarbij ze zonder protest de politiek van sociale afbraak en personeelsverminderingen aanvaarden. Dat breekt een hele generatie van rebellen, een gemeenschap van rebellen die werd overgeërfd uit de vorige etappe, het breekt haar bewustzijn. De arbeidersklasse wordt uit de bedrijven gegooid, er zijn industriële reconversies en de tertiaire sector gaan domineren in de economie (verandering van economisch model), en de delokalisatie van bedrijven op zoek naar goedkope en slaafse arbeidskracht [...] De technologie speelt een fundamentele rol, er is een technologische revolutie die maakt dat veel arbeiders verplicht worden vormingsstages te volgen. De technologie speelt in de kaart van de globalisering van de economie en de automatisering. Nochtans laten die nieuwe voorwaarden toe het welzijn van een minderheid van arbeiders te verbeteren. De technische kaders doen hun intrede, de arbeiders_eigenaars, de kleine ondernemers, enz. [...] De huidige periode is uniek en er komt geen terugkeer in het productief systeem, we komen niet terug naar de fabrieksidentiteit’.”

Een nieuw economisch model?

Gedurende heel zijn geschiedenis heeft het kapitalisme talrijke technologische, organisatorische en sociologische veranderingen doorgemaakt... Het kapitalisme is een dynamische productiewijze, altijd gedwongen om onophoudelijk zijn organisatie, zijn productiemethoden en -middelen te veranderen… Het Kommunistisch Manifest erkent dat “De bourgeoisie kan niet bestaan zonder de productie_instrumenten, dus de productieverhoudingen, dus alle maatschappelijke verhoudingen, voortdurend te revolutioneren. Onveranderde instandhouding van de oude productiewijze was daarentegen de eerste bestaansvoorwaarde voor alle vroegere industriële klassen. De voortdurende omwenteling van de productie, de onafgebroken verstoring van alle maatschappelijke toestanden, de eeuwige onzekerheid en beweging onderscheiden het bourgeoistijdperk van alle andere.”

Maar betekent dat dynamisme ook een verandering in de aard van het kapitalisme, een wijziging van de grondvesten van dit uitbuitingssysteem?

Het kapitalisme heeft talrijke stadia doorlopen zoals de manufactuur, het mechanisatie, de grote industrie, het monopoliekapitaal, het imperialisme, het staatskapitalisme. De heerschappij van de kapitalistische eigendom is voortdurend veranderd (handelaars, individueel bezit van industriebaronnen, gezamenlijk bezit door middel van aandelenmaatschappijen, volslagen staatsbezit – zoals in de zogenaamd ‘socialistische’ landen – of gemengd, multinationaal bezit…); de technieken hebben spectaculaire veranderingen ondergaan (zoals mechanisatie, spoorwegen, stoomschepen, luchtvaart, telecommunicatie, informatica, olie_ en atoomenergie); de arbeidsorganisatie heeft ook verschillende stadia doorlopen (zoals extensief, intensief, wetenschappelijke arbeidsorganisatie en lopende band, enorme industrieconglomeraten, decentralisatie, delokalisaties, onderaanneming); het arbeidsregime neemt verschillende vormen aan (zoals thuiswerk, vrouwen- en kinderarbeid, arbeid van onbepaalde duur, ambtenaren, dwangarbeid, dagloners, tijdelijke en deeltijdse baantjes, taakarbeid, stukwerk). Toch loopt daar een rode draad doorheen, als een onveranderlijke kern in een doorlopend veranderende veelheid:

– De onteigening van de producenten, zodanig dat de boeren en handwerkers van hun productie- en levensmiddelen gescheiden worden, en eenmaal arbeider geworden het juk van de loonarbeid krijgen opgelegd om in hun behoeften te kunnen voorzien.

– De uitbuiting van de arbeidskracht van de arbeider waarvan het loon zijn individuele reproductie en die van zijn familie moet dekken, door meerwaarde voort te brengen die de kapitaalsaccumulatie dient.

– De accumulatie van het kapitaal. Het doel van de productie is niet zozeer het bevredigen van de consumptiebehoeften van de heersende klasse, maar wel de herinvestering van de meerwaarde die een nieuw kapitaal reproduceert.

Wanneer Piti de globalisering aanhaalt als een grote fundamentele verandering die zich tijdens de jaren 1980 voordoet, dan moeten we hem erop wijzen dat hij iets ontdekt dat al een eeuw eerder plaatsvond: “De bourgeoisie heeft door haar exploitatie van de wereldmarkt de productie en consumptie van alle landen kosmopolitisch gemaakt. [...] In plaats van de oude, door de producten van het eigen land bevredigde behoeften, treden nieuwe, welker bevrediging de producten van de verst afgelegen landen en verst verwijderde klimaten vereist. In plaats van het oude plaatselijke en nationale zelfgenoegzaamheid en afgeslotenheid treedt een alzijdig verkeer, een alzijdige afhankelijkheid van de naties van elkaar. En zoals het in de materiële productie is, zo ook in de geestelijke. De geestelijke voortbrengselen van de afzonderlijke naties worden gemeengoed. De nationale eenzijdigheid en bekrompenheid worden meer en meer onmogelijk en uit de vele nationale en lokale literaturen vormt zich een wereldliteratuur. De bourgeoisie trekt door de snelle verbetering van alle productiewerktuigen, door de oneindig vergemakkelijkte communicaties alle, ook de meest barbaarse, naties binnen de beschaving. De lage prijs van haar waren zijn de zware artillerie waarmee zij alle Chinese muren plat schiet, waarmee zij de hardnekkigste vreemdelingenhaat van de barbaren tot capituleren dwingt. Zij dwingt alle naties zich de productiewijze van de bourgeoisie eigen te maken, indien zij niet te gronde willen gaan; zij dwingt hen de zogenaamde beschaving bij zichzelf in te voeren, dat wil zeggen bourgeois te worden. In één woord, zij schept zich een wereld naar haar eigen beeld.” Deze passage komt niet uit een vurige tekst voor of tegen de globalisering, maar uit het Kommunistisch Manifest, geschreven in 1848!

Technologische revolutie? Het is waar dat de telecom-municatie, de informatica en de elektronische netwerken een sterke ontwikkeling hebben doorgemaakt; er wordt gesproken over biotechnologie en stamcellen; het is waar dat grote stukken landbouwgrond ten prooi vallen aan grondspeculatie die imponerende wolkenkrabbers laat ontstaan, chips-gestuurde huisvesting en hele rijen... lege flatgebouwen. Maar die ‘fascinerende’ veranderingen vertegenwoordigen geen reële ontwikkeling; ze lijken meer op de laatste oprispingen van een zieke maatschappij. Bovendien is geen van die veranderingen te vergelijken met de radicale omwentelingen die plaatsvonden in de opkomstperiode van het kapitalisme: “De bourgeoisie heeft in haar nauwelijks honderd jaar oude klasseheerschappij massaler en kolossaler productiekrachten geschapen dan alle voorgaande generaties tezamen. Onderwerping van de natuurkrachten, machinerie, toepassing van de chemie in industrie en landbouw, stoomvaart, spoorwegen, elektrische telegrafie, het ontginnen van gehele werelddelen, het bevaarbaar maken van rivieren, gehele uit de grond gestampte bevolkingen – in welke vroegere eeuw had men vermoed dat zulke productiekrachten in de schoot van de maatschappelijke arbeid sluimerden?” (Kommunistisch Manifest).

De kapitalistische productiewijze wordt niet in de eerste plaats bepaald door de techniek, de organisatievormen van de onderneming of de arbeid… Die draaimolen is niet meer dan de buitenkant die het mechanisme verbergt: de productieverhoudingen die gebaseerd zijn op loonarbeid en onttrekking van meerwaarde. Die hoofd-mechanismes zijn niet in het minst veranderd. Zij blijven de pijlers die heel het gebouw rechthouden. Piti, die de spektakelmaatschappij zo zwaar op de korrel neemt, is zelf het slachtoffer van een optische illusie die kenmerkend is voor het kapitalisme: vergeleken bij de starre onveranderlijkheid van de voorafgaande maatschappijen lijkt het kapitalisme een onophoudelijke caleidoscoop van veranderingen, maar die laten de grondvesten altijd onaangeroerd.

Die vormen zijn evenmin bepalend voor de werkelijke dynamiek van het kapitalisme. Dat is altijd koortsachtig op zoek naar een steeds groter meerwaarde-massa en een steeds omvangrijker markt in verhouding tot haar accumulatiebehoeften. Zodra het kapitalisme in het begin van de twintigste eeuw de wereldmarkt beheerst komt het door die onafwendbare dynamiek in de historische fase van verval en neergang. Die fase is natuurlijk nog steeds die van de huidige maatschappij, met zijn onophoudelijke oorlogen, zijn grenzeloze barbaarsheid, zijn economische crisissen en stuiptrekkingen, zijn staatstotalitarisme en zijn ideologische en morele ontbinding. De veranderingen waarover zoveel drukte wordt gemaakt zijn oppervlakkig (technisch, financieel, diensten), maar men vergeet helemaal die andere ‘verandering’ die van veel grotere betekenis is, die doorslaggevend is voor het dagelijkse leven van enorme mensenmassa’s. De overgang van de opkomstperiode van het kapitalisme naar zijn fase van verval, waardoor heel de twintigste eeuw gekenmerkt wordt, stelt ons in staat te begrijpen waar al dat vreselijk lijden, waar die diepe ontreddering ie miljoenen mensen ondergaan vandaan komt, ze helpt ons de realiteit te begrijpen van een maatschappij in doodsstrijd, ze geeft ons de kracht en het bewustzijn om te vechten voor de opbouw van een nieuwe maatschappij. De andere visie daarentegen verblindt ons met een ‘moderniteit’ en een ‘vooruitgang’ waarachter de vreselijke hel schuilgaat waarin het overgrote deel van de mensheid verkeert.

 

Accion Proletaria / 16.05.2005

 

(1) Ze spreken over arbeidersautonomie om hun boodschap kracht bij te zetten over het einde van het proletariaat, in Accion Proletaria, nr. 181.

(2) Piti is één van de kameraden die aan het discussieforum deelnamen om een standpunt te verdedigen dat zijzelf omschrijven als ‘neo_situationistisch’.