Waarom heeft de arbeidersklasse revolutionaire organisaties nodig?

Printvriendelijke versieSend by email

Zoals onze lezers bekend is, organiseert de IKS regelmatig openbare- en lezersbijeenkom­sten. De levendige debatten die er gevoerd worden gaan over uiteenlopende onderwerpen in verband met vragen naar aanleiding van actuele gebeurtenissen of over historische kwesties rond de strijd van de arbeidersklasse. Tijdens de lezersbijeenkomst van 11 juni te Nantes (Frankrijk) stelde één van de deelnemers een pamflet voor dat hij samen met andere jonge kriti­sche elementen opgesteld had en dat in Rennes verspreid werd om de ideologische cam­pagne en het referendum over de Europese grondwet aan de kaak te stellen. Deze actie past volkomen in de inspanningen van het proletariaat om zijn klassenstrijd te ontwikkelen.

We geven hier enkele citaten uit het pamflet:

“De geschiedenis van Europa is niets an­ders dan de geschiedenis van het kapitaal en zijn afstotelijke creaturen, de Natie-Staten. De verwezenlijking van dat Europa is nodig geworden door de wereldwijde dynamiek van het kapitalisme, een kartel van staten voor de - tot op zekere hoogte gemeenschappe­lijke - verdediging van hun respectievelijke imperialismen, en voor de –nog te zeer ver­splinterde - re­pressie van hun gedeelde schrikbeeld: het proletariaat en de weinige frac­ties daarvan die zich nog roeren, waaraan de rustige zwijgzaamheid van de democratie zou opgelegd moeten wor­den.

Deze bedrieglijke eenmaking onder de leiding van een handvol dominerende staten, dat gemeenschappelijk maken van de middelen om te schaden, wordt ons voorgesteld als de meest wenselijke verwezenlijking van het democratisch tijdperk, en als de altijd nog te ver­wachten rechtvaardiging van de ellende die we ondergaan.

Wat ons betreft, die eraan gewend zijn onder de charmante trekken van de wijze en ge­lukkige democratie het afschuwelijke gezicht van het kapitaal en zijn bloedige dictatuur te herkennen, wij zeggen duidelijk: “net zoals Frankrijk, die oude tandeloze heks, ons ten allen tijde vreemd is, net zo zal dat kreng Europa in ons altijd doodsvijanden vinden, die dromen van de dag dat het in de diepste krochten van de geschiedenis valt. Tegen de na­ties en de super-naties, rotte wiegen van het kapitaal, tegen de beschimmelde en door wormen aangevreten democratische ideologie, is ons vaderland de proletarische Interna­tionale, de Internationale die alle paleizen, alle kapitalen van de oude wereld zal plunde­ren (…) Men stelt ons een referendum voor over de pompeuze Europese grondwet waar we ons gat aan afvegen. Laten we om te beginnen spuwen op die arme domkoppen en die gore smeerlappen, waarvan de eersten beslist hebben heel het walgelijke ‘democratische debat’ te respecteren dat door de anderen georkestreerd wordt” (…) We danken de zeer betrek­kelijke goedaardigheid van onze goede en loyale democratische staten slechts aan de tijdelijke afwezigheid van het revolutionaire proletariaat op het slagveld van de ge­schiedenis (maar wees daar maar zeker van: de Oude Mol graaft altijd, en op een goeie dag zal zijn ondermijnend werk beloond worden).

In de democratie worden de genomen beslissingen alleen toegepast als de werkelijkheid dat vereist: het is de noodzakelijkheid van de beweging van de geschiedenis die de kno­pen doorhakt, niet de pathetische vergaderingen en de brave referenda. Zeg ‘ja’ of zeg ‘nee’: er verandert niets, behalve dat jullie weer eens zult hebben deelgenomen aan het verkie­zingscircus en daarmee de democratische maskerade hebt versterkt die wij uitkot­sen. Dat voor eens en altijd de bloedige nationale en supranationale leeghoofden en hun staatsmario­netten creperen! Weg met Frankrijk! Weg met Europa! Leve het proleta­riaat! Leve de revolutie!”

Het pamflet is getekend: “enkele communisten”

Het initiatief en de inhoud van een dergelijk pamflet werden warm begroet door de IKS en de aanwezigen. Het gaat inderdaad om een doordachte en bewuste inspanning van een minderheid van de arbeidersklasse om de burgerlijke democratie en de mediacampagn­e van de heersende klasse aan te klagen. Dat moeten we des te meer onder­strepen omdat de democratie inderdaad het hart is van de ideologie van de heersende klas­se, één van de voornaamste pijlers van het kapitalistisch systeem. In een context van zeer grote in­tensiteit van de campagne van democratisch bedrog, waarmee ze zo sterk de instellin­gen en de ‘opbouw van Europa’ prees en daarbij wilde doen geloven dat de toekomst van elke pro­letariër zou afhangen van het invullen van een simpel stembiljet, was het des te moediger om zowel zijn verontwaardiging uit te drukken, als ook het resultaat van een overden­king om die staatspropaganda aan te klagen. Verschillende tussenkomsten in de bijeenkomst plaatsten de aanval die de bourgeoisie uitvoert op het bewust­zijn van het proletariaat op de voorgrond, en de gevaren die de terecht aangeklaagde democratische ideologie inhoudt. De discussie heeft dus duidelijk laten zien dat de overdenking die in het pamflet ontwikkeld wordt een politieke kracht vertegenwoordigt om uit het omhulsel van democratisch en nationalistisch gif te geraken. En het is duidelijk dat deze positieve dynamiek in de zin gaat van verduidelijking, die de intiatiefnemende kameraden in staat stelt om toenadering te zoeken tot de revolutionaire stand­punten van de Kommunistische Linkerzijde en om zich die opnieuw eigen te maken.

De inspanning om zo’n pamflet uit te brengen is ook tekenend voor de huidige periode. Het laat zien dat de ontwikkeling van een ondergrondse rijping bin­nen de arbeidersklasse een realiteit is. In verband hiermee drukt zij een ander, meer bij­zonder verschijnsel uit, namelijk het opkomen van een overdenking bij de jeugd van de barbaarse realiteit van het kapitalisme en van de noodzaak om een ander perspectief te vinden dan het ‘no future’ en de uitwasemingen van de sociale ontbinding.

Het onvermijdelijke verlangen dat “alles meteen moet bewegen”, buiten elk organisato­risch en gestructureerd kader, heeft zich in het pamflet afgetekend in een reactie van re­volte tegen de “arme domkoppen” die “heel het walgelijke ‘democratische debat’ (...) respecteren.” Deze kortzichtige verwerping werd op verschillende wijze bekritiseerd door sommige aanwezigen. Maar in feite kan die reactie van revolte tegen “hen die de burgerlijke propaganda voor zoete koek slikken” gerechtvaardigd lijken voor  elementen die ongeduld en revolte uitdrukken tegenover het feit dat de arbeiders voor de één of an­dere frac­tie van de bourgeoisie gaan stemmen. De discussie toonde ook aan dat zo’n hou­ding toegevingen inhoudt aan de anarchiserende ideologie, wat die kameraden kwetsbaar­der maakt voor het anarchisme, dat door bourgeoisie in stand wordt gehouden en waarvan één van de klassieke ideologische bestanddelen het beschuldigen van indivi­duen is (de ‘domkoppen’). Hier weegt ook de ideologie van individualistische visies op de klassen­strijd die ertoe leiden dat bepaalde delen van de arbeidersklasse verworpen of geminacht worden omdat ze als ‘minder duidelijk’ worden gezien. Maar dat ideolo­gisch product wordt tezelfdertijd ook meteen bestreden, aangezien één van de opstellers tijdens de bij­eenkomst verduidelijkte dat het pamflet geschreven was “om reacties uit te lokken”. In de arbeidersbeweging hebben de revolutionairen zich altijd ingespannen om de arbeiders­klasse te doen reageren, maar nooit door haar te beschimpen, of door de ar­beiders die door de burgerlijke ideologie misleid zijn als imbecielen te behandelen. Eén van de voor­naamste taken van de revolutionairen is juist de valstrikken van de burgerlijke ideologie bloot te leggen en geduldig en onvermoeibaar aan de arbeidersklasse de gevaren uit te leggen die haar bedreigen wanneer ze geloof hecht aan de verkiezingsleugens van de heersende klasse. De houding die erin bestaat “dommeriken” die gaan stemmen met de vinger te wijzen, kan die elementen die op zoek zijn of twijfels hebben enkel maar tegen zich in het harnas jagen. Ze belemmert een echte overdenking door die elementen meteen in het kamp te gooien van “hen die zich laten beetnemen”, zonder een duidelijk en echt kritisch antwoord te geven op hun vragen.

In die zin heeft de discussie de noodzaak aangetoond van een kameraadschappelijk debat om de overdenking vooruit te helpen. Dat is ook de benaderingswijze van de kameraad geweest die naar de bijeenkomst was gekomen om een tekst van strijdbare elementen te verdedigen, en die zich daarbij op een zeer positieve wijze in de discussie heeft ingescha­keld.

Waarom is de organisatie nodig?

De kameraad is in de discussie tussengekomen om te antwoorden, om zijn standpunt en zijn meningsverschillen uiteen te zetten:  Ons pamflet heeft niet de bedoeling te verhel­deren, maar werd geschreven tegen de consensus en om reacties uit te lokken (…) Ik heb een an­dere visie op de organisatiekwestie en het militantisme dan de IKS. De IKS is zeker niet akkoord met onze analyse op dat vlak, dat zij als radenistisch zal beschouwen. Zon­der de massa’s die de revolutie doorvoeren zijn wij geen revolutionairen. De organisatie wordt in het leven geroepen om aan een precieze taak en aan precieze behoeften te beantwoorden. Buiten de revolutionai­re periode is zij van geen nut en wordt er in dat kader toe gedreven zich te bureaucratiseren. Waarvoor zouden we een organisatie nodig hebben? De meet­ings, pamfletten enz. kun­nen zeer goed zonder haar gemaakt worden. (…) Marx en En­gels waren theoretici en vertolkten de sociale beweging. Tussen 1852 en 1864 bestond er geen organisatie en toch zijn de ideeën van Marx niet ontaard. Mijn kritiek heeft betrekking op het feit dat organisaties ontaarden wanneer hun rol is uitgespeeld (…) De IKS heeft een tussenkomst in de arbeidersklasse, de IKS wil discussiëren. Goed ! Maar ik ben er niet zeker van dat men met het houden van openbare bijeenkomsten een invloed opbouwt. Er zijn niet vanzelf proleta­riërs die komen of die overtuigd zijn. Ik heb de indruk dat het niets oplevert te discussiëren over een tekst (Nvdr: de kameraad ver­wijst hier naar onze inleidende teksten op de openbare bijeenkomsten) Wij hebben geen cursus nodig! (…) Ik ontken de noodzaak van een organisatie niet, maar (die is) alleen in de revolutionaire periode (nodig).

Volgens het standpunt dat de kameraad hier ontwikkelt, zou de organisatie zich beperken tot een aspect dat van onmiddellijk en beperkt nut is tijdens de revolutionaire periode. En vooral zou zijn een gevaar inhouden na de revolutie. We vinden hier, zoals de kameraad overigens zelf toegeeft, het oude radenistische liedje terug, dat achter een vage overwe­ging over het ‘eventuele nut’ van de organisatie, deze a priori beschouwt als een soort be­dreiging, een ‘machine die corrumpeert’, een ‘instrument’ in de handen van ‘leiders’. Per slot van rekening wordt hieruit duidelijk dat de kameraad niet overtuigd is van het nut van een organisatie, eigenlijk ook niet voor de ‘periode van revolutie’. Volgens hem is de arbeidersklasse perfect in staat zichzelf te organiseren – en op dat punt zijn we het met hem eens. Maar we raken hier de knoop van de problematiek van de kameraad die in de partij ook een permanent potentieel gevaar ziet voor de arbeidersklasse. Voor hem kan de partij niet anders dan de controle over de strijd aan het proletariaat ontfutselen en is daar­om op termijn een vijand van de ontwikkeling van zijn strijd die zich slechts volledig kan identificeren met de machtsgreep binnen de staat.

Waaruit komt de organisatie voort? Uit de massa’s zelf? Wat zou dan haar taak zijn, voor welke behoeften?

De kameraad gaat in feite voorbij aan deze essentiële kwesties, wat nog bijdraagt tot zijn neiging om de partij op een verwarde wijze aan de staat gelijk te stellen, en dus om in de partij in de eerste plaats slechts een ‘gevaar’ te zien. Als in een noodlot wordt de dynamiek van ‘bureaucratisering’, in de radenis­tische terminologie, vanuit dat standpunt gezien, dan on­vermijdelijk. Welnu, er bestaat geen enkele fataliteit en het leven van een organisa­tie is een permanente strijd waarvan de uitkomst niet op voorhand vaststaat. Het moet duidelijk zijn dat de partij niet tot taak heeft de macht te grijpen, zelfs niet ‘in naam van de klasse’, en dat zij altijd een orgaan van politieke oriëntering blijft, dat verre van zich met de staat te vereenzelvigen, er vreemd aan is. En dat zowel voor, tijdens, als na de revo­lutie, dus inclusief de perio­de na een opstand. Zij is en blijft een product van de arbeiders­klasse en van haar historische strijd. Alleen een nederlaag van de marxistische stroming en een zege van het opportunisme, dat wil zeggen het binnendringen van de heersende ideologie in de par­tij, betekent een potentieel gevaar dat inderdaad dodelijk kan zijn. Maar dat neemt niet weg dat het op alle momenten van vitaal belang is voor de meest be­wuste minderheden van de klasse om georganiseerd te zijn om een actieve factor in de strijd te zijn, om actief en doeltreffend deel te nemen aan de versnelling van de homoge­nisering van het bewustzijn in de klasse.

De ervaring van de arbeidersbeweging

Wat in werkelijkheid soms moeilijk te begrijpen valt, is dat de arbeidersbeweging voort­durend organisatorische taken moet vervullen, ook wanneer de grote massa’s com­pleet af­wezig schijnen te zijn van het toneel van de geschiedenis of wanneer ze verslagen zijn. Het is waar dat de proletarische partijen opduiken in verband met de opkomst van de strijd van de arbeidersklasse, dat ze zich vervolgens ontwikkelen en weer verdwijnen in de fasen van contrarevolutie, zoals dat formeel het geval was met de Bond van Kommu­nisten in 1852. Maar dat betekent nog niet dat elke georganiseerde activiteit geheel verdwijnt.

Vanuit dit oogpunt bezien was Marx van 1852 tot 1864 geen ‘geïsoleerd individu’ die zich ‘terug­trok om te studeren’, een ‘denker’ of ‘geniale filosoof’, zoals de bourgeoisie hem graag voorstelt. Hij is integendeel een echte kommunistische militant gebleven: “Marx heeft de Bond niet op autoritaire wijze ontbonden in 1850, evenmin als de Ie In­ternationale in 1872. Hij heeft gewoon uitgelegd dat de revolutionairen zich moeten voorbereiden op het komende uiteenvallen van die partijen, door zich te organiseren om zelfs in afwezig­heid van die partijen de rode draad van de kommunistische activiteit voort te zetten.” (1) Geïso­leerde individuen kunnen a contrario geen enkel reëel actieterrein behouden en de be­wuste beweging van de klasse kan nooit worden teruggebracht tot de overdenking van een aantal verspreide individuen. Gedurende die periode van terugval van de klassenstrijd hebben Marx en Engels daarentegen steeds hun wil getoond om georganiseerde banden te behouden en een revolutionaire pers uit te geven. Uit de historische ervaring van de klasse hebben Marx en Engels zo de contouren van de notie van de partij vooruitlopend kunnen preciezeren door wat we het werk van een ‘fractie’ avant la lettre zouden kunnen noemen: “het proces van rijping en bepa­ling van het begrip fractie vindt dus zijn oorsprong (maar niet zijn conclusie) in dat eer­ste netwerk van kameraden dat de ontbinding van de Bond van Kommunisten overleefd had.” (idem)

Het voorbeeld van de Italiaanse Linkerzijde in de jaren 1930, dat in de discussie werd aange­haald, vormt een duidelijke weerlegging van het idee dat organisaties nutteloos zou­den zijn buiten revolutionaire bewegingen. Het werk van de Italiaanse Linkerzijde, ver­richt in de uiterst moeilijke omstandigheden van de triomf van het stalinisme, is een van de vruchtbaarste geweest op verschillende theoretische vlakken, met name inzake het organi­satievraagstuk. Zonder deze activiteit van een fractie en dus van een organisatie, die met name door Bilan werd gevoerd, zou er vandaag geen georganiseerde uitdrukking van de Kommunis­tische Linkerzijde kunnen bestaan die zover is uitgebouwd als de IKS! We kunnen ook veel eenvoudiger stellen dat als we de redenering van de kameraad toepassen op de opko­mende fase van het kapitalisme, waarin de revolutie nog niet mogelijk is om­dat de histo­rische voorwaarden er nog niet rijp voor zijn, waarin het proletariaat zich als klasse vormt, we er al snel toe zouden komen om de organisatorische gevechten van Marx en En­gels, van Luxemburg en Lenin in de afvalbak te gooien! Zoals een deelnemer terecht op­merkte : “De organisatie is niet alleen op bepaalde historische momenten aan­wezig. Er be­staat een sociale verhouding die maakt dat de organisatie er is om tegen de heersende ideologie te strijden. De organisatie is een noodzaak om opgewassen te kun­nen zijn tegen de permanente druk van de burgerlijke ideologie. Het gaat om een funda­mentele factor die zo­wel in de diepte werkt als in de breedte.”

Juist door de breedste en omvangrijkste politieke discussie en door de erkenning dat de revolutionaire organisaties zijn belangen verdedigen zal het proletariaat het best in staat zijn om zich politiek te versterken en de confrontatie met de bourgeoisie aan te gaan.

De geduldige activiteit van internationale krachtenbunde-ling gaat samen met de opbouw van de organisatie van het pro-letariaat. De zorg om continuïteit om een politieke erfenis door te geven aan een nieuwe generatie militanten is vandaag onmisbaar om de toekomstige partij en de volgende revolutionaire aanval voor te bereiden. De voor­waarden voor het verschijnen van de partij hangen samen met de klassenstrijd, maar zij is er geen mecha­nisch product van dat uit het niets verschijnt. Zij dankt haar be­staan vooral aan de duide­lijkheid en de vastbeslotenheid, aan de strijd van de revolutio­naire voorhoede. Zoals de Russische revolutie bewezen heeft, werd de bolsjewistische partij lang voor de revolutie opgebouwd. Hierdoor werd een vruchtbare tussenkomst mogelijk die de gisting voorbe­reid heeft in de meetings, in de stakingen en betogingen, in de arbeidersraden. Dit alles om een onvervangbare functie te vervullen, die van het  katalyseren van het rijpingsproces van het proletarisch bewustzijn naar de overwinning. Vandaag, nu de impasse van het kapitalisme in crisis het proletariaat er opnieuw toe drijft zijn strijd voort te zetten en te ontwikkelen, is het de taak van de revolutionairen te werken aan de hergroepering, aan de eenheid van de revolutionaire energieën met het oog op de opbouw van de toekomstige wereldpartij. Uit dat oogpunt kunnen we het niet eens zijn met de vi­sie van de kameraad die in onze bijeenkomsten en in het uitwerken van een politieke koers enkel een ‘cursus’ ziet die ‘niets bijdraagt’. In tegenstelling tot deze visie die van de IKS een soort ‘leraar’ maakt en van de deelnemers ‘passieve leerlingen’ die voorgekauw­de ‘lessen’ moeten slikken, stellen wij dat het proletariaat niet dergelijke ‘pedagogische’ recepten volgt die vreemd zijn aan het marxisme. Wel integendeel, onze bijeenkomsten zijn, we herhalen het, een plaats van  debat die een politieke  confrontatie mogelijk moet maken met het oog op een  verheldering voor de behoeften van de strijd. Ze maken deel uit van het noodzakelijk bewustwordingsproces om te vechten tegen de ideologische druk van de bourgeoisie, om de strijd te ontwikkelen en de toekomst voor te bereiden.

WH / 20.8.2005

 (1) Zie De verhouding Fractie-Partij in de marxistische theorie in: In­ternationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 64, eerste kwartaal 1991.

Erfenis van de Kommunistische Linkerzijde: 

Aktiviteiten van de IKS: