120 jaar geleden was de Belgische Werklieden Partij een instrument in de arbeidersstrijd

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Op 5 en 6 april vierden de socialistische partijen uit Noord en Zuid het 120 jarig bestaan van de Belgische Werklieden Partij. Deze werd in 1885 in Brussel gesticht door een nationaal arbeiderscongres samengesteld uit 112 afgevaardigden van arbeidersverenigingen hoofdzakelijk uit Brussel en Vlaanderen en was de uitdrukking van een geweldige ontwikkeling in België net als overal in Europa van de strijd en de organisatie van de arbeidersklasse. Hij vormde tevens een uitdrukking van de geweldige hoop voor het geheel van de uitgebuiten op een revolutionaire omwenteling van de kapitalistische maatschappij.

Maar nu voeren al de socialistische partijen, overal ter wereld, of ze nu in de regering zitten of zich in de oppositie bevinden dezelfde politiek tegen de arbeiders. Ofwel ze misleiden de arbeidersstrijd en brengen haar op een dwaalspoor, ofwel nemen ze rechtstreeks de soberheidsmaatregelen. Zij zijn het ook die de arbeiders hebben meegesleept in de slachtingen van de wereldoorlogen en die momenteel deelnemen aan de uitbreiding van de oorlogsbarbarij (zoals Blair in Irak). Het zijn dezelfde partijen die de arbeidersgevechten saboteren of er op afgeven (zoals bij Ford Genk, DHL of onlangs bij AGC) en ook niet zullen aarzelen om morgen openlijk de strijd van de arbeidersklasse te onderdrukken en in het bloed te smoren als dit nodig mocht zijn om het kapitaal te redden.

De laatste 90 jaar geschiedenis van de arbeidersbeweging staan vol van de voorbeelden van de arbeidersvijandige rol van de sociaal-democratie. Maar hoe kon een partij, die in de negentiende eeuw de weg naar de sociale revolutie kristalliseerde en de beweging van de arbeiders naar hun bewustwording en zijn organisatie vertegenwoordigde, ontaarden tot die partij die vandaag de agressie van de bourgeoisie organiseert en toepast?

In de negentiende eeuw, in de periode van opbloei en ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze over heel de planeet, zorgde het kapitalisme voor economische expansie waarbij het daadwerkelijk mogelijk was een blijvende verbetering af te dwingen van de bestaansvoorwaarden van het proletariaat. Die verbetering van haar arbeids- en leefomstandigheden heeft de arbeidersklasse door verbeten strijd afgedwongen. In het kader van die strijd konden de arbeiders op de tegenstellingen tussen burgerlijke fracties in het parlement inspelen om bepaalde voordelen los te krijgen.

Die strijd voor het verkrijgen van hervormingen en om de kapitalistische uitbuiting binnen bepaalde perken te houden aan de ene kant, en aan de andere het inzicht dat die strijd geen doel op zich kon zijn, maar alleen een onderdeel van de globale, revolutionaire strijd, vulden elkaar volgens de revolutionairen in de arbeiderspartijen in de negentiende eeuw aan. Die dubbele opdracht stond centraal voor de Tweede Internationale, voor de sociaal-democratie.

Onder invloed van de successen die behaald werden in de parlementaire en vakbondsstrijd raakte de hele idee van revolutie echter meer en meer in de verdrukking ten gunste van het uitsluitend nastreven van hervormingen. De sociaal-democratische partijen raakten vergiftigd door het reformisme. Dat was des te meer zo omdat de bourgeoisie zich actief inzette om de sociaal-democratie onder haar controle te krijgen en haar te gebruiken om de arbeidersklasse in te kaderen. Het proletariaat was immers in volle ontwikkeling en betekende een groeiende bedreiging voor de burgerlijke macht. De linkerzijde binnen de Tweede Internationale voerde onophoudelijk strijd tegen die ontaarding, maar slaagde er niet in die algemene tendens tegen te houden. De intrede van het kapitalisme in zijn vervalperiode dreef vakbonden en parlementaristen in het kamp van de bourgeoisie.

Aan het begin van de twintigste eeuw is de vorming van de wereldmarkt voltooid en daardoor wordt de concurrentie tussen de verschillende kapitalistische naties steeds feller. De economische oorlog die de kapitalistische naties onderling voeren kon enkel uitmonden op een militaire, op een wereldoorlog. De intrede van de kapitalistische productiewijze in haar vervalperiode stelt het proletariaat en zijn organisaties plotseling voor de keuze “oorlog of revolutie”. Ofwel het proletariaat gaat zonder aarzelen de strijd aan, en laat daarbij de oude strijdvormen, parlementarisme en syndicalisme, die een belemmering geworden zijn, achter zich, ofwel het capituleert voor de kapitalistische barbaarsheid door mee te lopen achter de nationalistische frasen van de verschillende bourgeoisieën. Maar het oude sociaal-democratische apparaat is al totaal verrot door het reformisme, zoals geïllustreerd werd door het slot van de toespraak door Emile Vandervelde, voorzitter van de BWP, in december 1911 voor de kamer: “De dag dat België wordt aangevallen zullen we het verdedigen. Wij zullen vechten zoals de anderen en wellicht zelfs met meer hartstocht dan de anderen”. Zodra de oorlog dan ook uitbrak treden de sociaal-chauvinisten in België net als in de belangrijkste geïndustrialiseerde landen op als ronselaars voor de imperialistische slachting en verraden zij definitief de arbeidersklasse. De Tweede Internationale is dood. Alleen de linkerzijde van de socialistische partijen houdt zich aan het proletarisch internationalisme, verdedigt het ‘revolutionair defaitisme’ en neemt actief deel aan de bewustwording in het proletariaat over de noodzaak van revolutie. Die verdediging krijgt vorm met de oprichting van de kommunistische partijen en van de Derde Internationale, de Kommunistische Internationale.

Het kapitalistisch systeem is aan het eind van zijn historische opdracht gekomen. Het heeft de opkomst van een nieuwe productiewijze, de kommunistische samenleving, mogelijk en noodzakelijk gemaakt. Het is mogelijk geworden omdat het kapitalisme op wereldvlak zijn hoogtepunt heeft bereikt net als het de klasse die het omver zal werpen voldoende ontwikkeld heeft. Het is ook noodzakelijk omdat het systeem enkel nog kan overleven door de helse spiraal van crisissen en oorlogen, die steeds erger en moorddadiger worden en nu zelfs het voortbestaan van de mensheid in gevaar brengen. In dit kader van het verval is het niet langer de taak van de arbeidersklasse te vechten voor blijvende politieke en economische hervormingen – die onmogelijk geworden zijn –, maar te vechten voor de omverwerping van de heerschappij van de bourgeoisie. Dat is het enig realistisch vooruitzicht voor de strijd ter verdediging van haar onmiddellijke belangen. In deze voortdurende strijd heeft het proletariaat de middelen geschapen voor die revolutionaire strijd: de arbeidersraden en de politieke voorhoede die zijn strijd vooruit moeten helpen. De revolutionaire golf van 1917-1923 heeft het belang daarvan aangetoond en ook de plaats van de sociaal democratie: aan de zijde van de bourgeoisie, als aartsvijand van de revolutionaire beweging van de arbeidersklasse.

Nu, ruim 90 jaar na de Eerste Wereldoorlog, kan er geen twijfel meer over bestaan. De socialistische partijen vormen overal en voorgoed een politieke fractie van de bourgeoisie. In de huidige periode van open crisis van het kapitalistisch systeem, van harde besparingen om de voorrechten van de bourgeoisie veilig te stellen, en nu de arbeidersstrijd zich, weliswaar nog moeizaam, weer ontwikkelt, na de oorverdovende campagnes over de dood van het kommunisme volgend op de ineenstorting van de stalinistische regimes in de Oostbloklanden, speelden en spelen de socialistische partijen (zoals Mitterand en Jospin in Frankrijk, Schröder in Duitsland; Zapatero in Spanje) nog een hoofdrol in de strategie van de bourgeoisie om de soberheid te doen aanvaarden in naam van ‘het algemeen burgerbelang’ door haar met een vernislaagje van ‘progressief’ of ‘links’ te bedekken. In België sedert de verkiezingen van 1987 vertrouwt de bourgeoisie aldus aan de socialistische partijen in Noord en Zuid regeringsverantwoordelijkheid toe op alle niveaus van de macht. Door de drastische besparingspolitiek van de regeringen Dehaene met het terugschroeven van de schuld en van het begrotingstekort, en die van de ‘actieve welvaartstaat’ van de regeringen Verhofstadt, hebben de socialistische voormannen Tobback, Di Rupo, Vandenbroucke of VandeLanotte jarenlang hun onfeilbare trouw betoond aan de bourgeoisie en hoezeer ze onverzettelijke vijanden van de arbeidersklasse zijn.

Jos&Lola / 03.04.2005