1914: Hoe de Duitse sociaal-democratie de arbeiders verraadde

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Van alle partijen van de Tweede Internationale was de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD) veruit  de machtigste. In 1914 telde de SPD meer dan 1 miljoen leden en had ze tijdens de wetgevende verkiezingen van 1912 meer dan 4 miljoen stemmen gekregen (1). Het was in feite de enige massapartij in Duitsland en de grootste fractie in de Reichstag – hoewel ze onder het autocratisch keizerlijk regime van Willem II eigenlijk geen enkele kans had om een regering te vormen.

Voor de andere partijen van de Tweede Internationale was de SPD de navel van de wereld. Karl Kautsky (2), hoofdredacteur van het theoretisch tijdschrift van de partij, de Neue Zeit, werd erkend als “paus van het marxisme”, het theoretische baken van de Internationale. Kautsky heeft de resolutie opgesteld, ter gelegenheid van het congres van de Internationale in 1900, dat de deelname aan een burgerlijke regering van de Franse socialist Millerand veroordeelde. Het SPD-congres te Dresden in 1903, onder het voorzitterschap van August Bebel (3), heeft de revisionistische theorieën van Eduard Bernstein veroordeeld en de revolutionaire doeleinden van de SPD herbevestigd. Lenin had met lof gesproken over de “partijgeest” van de SPD en zijn immuniteit voor de kleinburgerlijke animositeiten, die de Mensjewiki binnen de Russische Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (RSDAP) na het congres van 1903 ertoe hadden gebracht zich af te splitsen. (4) Kortom, het theoretische en organisatorische overwicht van de SPD werd duidelijk bekroond door het succes op het terrein: geen enkele andere partij van de Internationale kon aanspraak maken op electorale successen die maar in de buurt zouden komen van die van de SPD. Wat betreft de vakbondsorganisatie en het aantal en de discipline van haar leden, konden alleen de Britten zich meten met de Duitsers.

“Op de congressen, in de bijeenkomsten van het Internationale Socialistische Bureau wachtte alles op de Duitse mening, ja, juist in de vragen van de strijd tegen het militarisme en de oorlog, trad de Duitse sociaal-democratie steeds beslissend op. “Voor ons, Duitsers, is dit onaannemelijk,” was in de regel voldoende om de oriëntatie der Internationale te bepalen. Met blind vertrouwen gaf zij zich aan de leiding der bewonderde, machtige Duitse sociaal-democratie over: zij was de trots van elke socialist en de schrik van de heersende klassen in alle landen.” (5)

Bijgevolg was het vanzelfsprekend dat, toen in de maand juli 1914 de onweerswolken van de oorlog zich begonnen op te stapelen, de houding van de Duitse sociaal-democratie cruciaal zou zijn voor de afloop van deze situatie. De Duitse arbeiders – de grote massa’s die waren georganiseerd in de partij en de vakbonden, waarvoor zij hard gestreden hadden – bevonden zich in de positie waarbij zij de enigen waren die de balans konden doen doorslaan: of verzet en de verdediging van het proletarisch internationalisme, of klasse-collaboratie en verraad, met jaren van afslachting als gevolg, de meest bloedige die de mensheid ooit hadden gekend.

“En wat beleefden wij in Duitsland, toen de grote historische beproeving kwam? De diepste val, de geweldigste ineenstorting. Nergens is de organisatie van het proletariaat zo volkomen ingeschakeld in dienst van het imperialisme, nergens wordt de staat van beleg zo zonder tegenstand verdragen, nergens de pers zo gekneveld, de openbare mening zo verstikt, de economische en politieke klassenstrijd der arbeidersklasse zo prijsgegeven als in Duitsland.” (6)  

Het verraad van de Duitse sociaal-democratie heeft voor de revolutionairen een zodanige schok veroorzaakt dat Lenin eerst dacht, toen hij in Vorwärts (7) las dat de parlementaire fractie van de SPD gekozen had voor de oorlogskredieten, dat het een vervalst nummer betrof van de krant, gemaakt door de “zwarte” propaganda van het keizerlijke bestuur. Hoe is een dergelijke ramp mogelijk geweest? Hoe had de fiere en machtige SPD  in enkele dagen zijn meest plechtige beloftes kunnen afzweren, zich van vandaag op morgen kunnen transformeren van de kern van de Arbeiders-Internationale tot machtigste wapen van het arsenaal van de oorlogszuchtige heersende klasse?

In een poging om deze kwestie te beantwoorden, lijkt het paradoxaal om zich in dit artikel grotendeels te richten op de geschriften en acties van een relatief beperkt aantal individuen; de SPD en de vakbonden waren per slot van rekening massa-organisaties, in staat om honderdduizenden arbeiders te mobiliseren. Het is echter verantwoord op deze wijze te werken, omdat individuen zoals Karl Kautsky of Rosa Luxemburg duidelijke tendenzen binnen de partij vertegenwoordigden. In deze zin drukten hun geschriften de politieke tendenzen uit waarmee massa’s van – in de geschiedenis anoniem gebleven – militanten en arbeiders zich identificeerden. Het is eveneens nodig rekening te houden met de politieke biografieën van deze personen indien men wil begrijpen welk gewicht zij hadden binnen de partij. August Bebel was de president van de SPD van 1892 tot aan zijn dood in 1913. Hij was was één van de oprichters van de partij en werd tegelijkertijd met Wilhelm Liebknecht, eveneens afgevaardigde in de Reichstag, gevangen gezet voor zijn weigering om de oorlog van Pruisen tegen Frankrijk (1870) te steunen. Kautsky en Bernstein werden beiden door de anti-socialistenwetten van Bismarck gedwongen in ballingschap te gaan in Londen, waar zij  gewerkt hebben onder leiding van Engels. Het prestige en het morele gezag dat dit hen in de partij heeft bezorgd waren immens. Zelfs Georg von Vollmar, één van de leiders het Zuid-Duitse reformisme, trad initieel naar voren als iemand van de linkerzijde en als een dynamische en talentvolle organisator in de clandestiniteit, met herhaaldelijke veroordelingen tot gevangenschap als gevolg.

Het was dus een generatie die zich gepolitiseerd had tijdens de Frans-Pruisische Oorlog en de Commune van Parijs, tijdens de jaren van clandestiene propaganda en agitatie, onder de druk van de anti-socialistenwetten van Bismarck (1878-1890). Van een ander kaliber waren mensen zoals Gustav Noske, Friedrich Ebert of Philipp Scheidemann, allen lid van de rechtervleugel van de parlementaire fractie van de SPD, die in 1914 de oorlogskredieten goedkeurden en later een sleutelrol speelden in de repressie van de Duitse Revolutie van 1919 – net als in de moord van Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht door de Vrijkorpsen. Net zoals Stalin, waren deze vooral “Apparatsjiks” die eerder achter de schermen werkten dan actief deelnamen aan het publiek debat. Ze waren vertegenwoordigers van een partij die zich al groeiend steeds meer identificeerde met de Duitse staat, wiens val nochtans nog steeds het officiële doel was.

De revolutionaire linkerzijde had afstand genomen van de groeiende tendens binnen de partij om toegevingen te doen aan de “praktische politiek”. Opmerkelijk was dat zij grotendeels samengesteld was uit vreemdelingen en jongeren (met de notoire uitzondering van de oude Franz Mehring). Buiten de Hollander Anton Pannekoek en de zoon van Wilhelm Liebknecht, Karl, kwamen mensen zoals Parvus, Jogiches en Marchlewski allen uit het Russische keizerrijk en hadden zij zich tot militant gesmeed in moeilijke omstandigheden van tsaristische onderdrukking. En de meest uitzonderlijke figuur binnen de linkerzijde was zeer zeker Rosa Luxemburg, die op alle vlakken een “buitenstaander” was in de Duitse partij: jong, vrouw, Poolse, joodse en – misschien wel het ergste vanuit het oogpunt van sommige Duitse leiders – zowel intellectueel als theoretisch torenhoog boven de rest van de partij.

De oprichting van de SPD

De Sozialistische Arbeiterpartei (SAP) die later de SPD zou worden, was opgericht in 1875 in Gotha, door de fusie van twee socialistische partijen: de Sozialdemokratische Arbeiterpartei (SDAP) (8), geleid door Wilhelm Liebknecht en August Bebel, en de Allgemeiner Deutscher Arbeiterverein (ADAV), die in 1863 opgericht werd door Ferdinand Lassalle.

De nieuwe organisatie ontstond dus uit twee verschillende bronnen. De SDAP bestond bij de fusie nog maar zes jaar. Dankzij de jarenlange relatie van Liebknecht met Marx en Engels, leverden deze laatsten een belangrijke bijdrage tot de ontwikkeling van de SDAP – hoewel Liebknecht geen theoreticus was, speelde hij een belangrijke rol in het introduceren van de ideeën van Marx bij mensen zoals Bebel en Kautsky. In 1870 nam de SDAP resoluut een internationalistisch standpunt in tegen de agressieve oorlog van Pruisen tegen Frankrijk. In een vergadering te Chemnitz namen afgevaardigden van 50.000 arbeiders uit Saxen unaniem een resolutie in deze zin aan: “In naam van de Duitse democratie en in het bijzonder van de arbeiders van de sociaal democratische partij, verklaren wij dat de huidige oorlog exclusief dynastiek is. Wij zijn verheugd de broederlijke hand te vatten die de arbeiders van Frankrijk ons aanreiken. Het ordewoord van de Internationale Arbeiders Associatie gedachtig: “proletariërs van alle landen verenigt u!”  zullen wij nooit vergeten dat de arbeiders van alle landen onze vrienden zijn en de despoten van alle landen onze vijanden!” (9)

De ADAV daarentegen was trouw gebleven aan het standpunt van haar oprichter, Lasalle, die zich verzette tegen stakingsactie e overtuigd was dat de zaak van de arbeiders verbeterd kon worden door een verbond met de Staat van Bismarck en, meer algemeen, door de recepten van het “ staatssocialisme”. (10) Gedurende de Frans-Pruisische oorlog bleef de ADAV pro-Duits, en zijn toenmalige president Mende ging zelfs zover herstelbetalingen te eisen van Frankrijk, die moesten dienen om rijksateliers op te richten voor de Duitse arbeiders. (11)

Marx en Engels stonden zeer kritisch tegenover de fusie. De kanttekeningen van Marx over het programma dat bij de fusie werd aangenomen zijn echter pas veel later openbaar gemaakt (12), omdat Marx er terecht van uitging dat “Elke stap voorwaarts, elke reële vooruitgang, belangrijker is dan een dozijn programma’s.” (13) Hoewel ze zich ervan onthielden om de nieuwe partij openlijk te bekritiseren, deelden ze duidelijk hun standpunt mee aan de leiders en bij het schrijven aan Bebel onderstreepte Engels twee zwakke punten die, onveranderd, het kiem zouden vormen voor het verraad van 1914:

“Ten tweede wordt het principe van de internationaliteit van de arbeidersbeweging praktisch voor de tegenwoordige tijd volkomen verloochend, en dat door mensen die dit principe vijf jaar lang en onder de moeilijkste omstandigheden op de meest roemvolle wijze hebben hooggehouden. De plaats van de Duitse arbeiders aan de spits van de Europese beweging berust in hoofdzaak op hun werkelijk internationale houding gedurende de oorlog; geen ander proletariaat zou zich zo goed hebben gedragen. En nu moet dit principe door hen worden verloochend, op een ogenblik waarop overal in het buitenland de arbeiders er in dezelfde mate de nadruk op leggen, als de regeringen iedere poging tot zijn georganiseerde toepassing trachten te onderdrukken! (…)

Ten vierde stelt het program als enige sociale eis – de lassalleaanse staatshulp in haar meest naakte vormen, zoals Lassalle die bij Buchez had gestolen. En dat, nadat Bracke deze eis zeer goed in al zijn onbeduidendheid had getoond; nadat bijna alles, zo niet alle sprekers van onze partij in de strijd tegen de lassalleanen gedwongen waren geweest tegen deze “staatshulp” op te treden! Dieper kon onze partij zich niet deemoedigen. Het internationalisme, afgedaald tot een Armand Gögg, het socialisme tot de bourgeois-republikein Buchez, die deze eis tegenover de socialisten stelde, om hen te verdringen!” (14)

Deze fouten van de praktische politiek waren niet zo verwonderlijk gezien de theoretisch eclectische grondslag van de nieuwe partij. Toen Kautsky in 1883 de Neue Zeit oprichtte, was zijn intentie dat deze  “gepubliceerd zou worden als een marxistisch orgaan, dat zich tot taak stelde om het povere theoretische niveau van de Duitse Sociaal-democratie te doen optrekken, om het eclectische socialisme te vernietigen en het marxistisch programma te doen zegevieren”. Hij schreef aan Engels: “Ik ben misschien in mijn pogingen geslaagd om van de Neue Zeit een kristallisatiepunt te maken van de marxistische school. Ik verkrijg de samenwerking van vele marxistische krachten, terwijl ik me ontdoe van het eclecticisme en van de Rodbertusiaanse invloed.” (15)

Vanaf het begin, de periode van haar clandestien bestaan inbegrepen, vormde de SDAP dus het strijdtoneel van theoretisch tegengestelde tendensen – zoals gewoon is in elke proletarische organisatie die in goede gezondheid verkeert. Maar zoals Lenin eens opmerkte, “zonder revolutionaire theorie geen revolutionaire praktijk”, en deze verschillende tendensen of visies over de organisatie en de maatschappij moesten dus zeer praktische gevolgen hebben.

Midden de jaren 1870 hergroepeerde de SDAP zo’n 32.000 leden in meer dan 250 districten en in 1878 vaardigde kanselier Bismarck  een “antisocialistenwet” uit met het doel de activiteiten van de partij te verlammen. Tientallen dagbladen, vergaderingen en organisaties werden verboden en duizenden militanten werden gevangen genomen of onderworpen aan boetes. Maar ondanks de antisocialistenwet bleef de vastbeslotenheid van de socialisten intact. De activiteiten van de SDAP floreerden onder de semi-illegale omstandigheden. Buiten de wet gesteld waren de partij en haar leden genoodzaakt om zich te organiseren buiten het circuit van de burgerlijke democratie – zelfs buiten de beperkte democratie van het Duitse Bismarck – en een sterke solidariteit te ontwikkelen tegen de politierepressie en de permanente controle door de staat. In weerwil van de constante intimidatie door de politie, wist de partij haar pers te behouden en de verspreiding zodanig te verbeteren dat alleen al het satirische dagblad Der wahre Jacob (opgericht in 1884) 100.000 abonnees telde.

Ondanks de anti-socialistenwetten waren publieke activiteiten van de SDAP nog mogelijk: het was voor de leden van de SDAP mogelijk om als niet-partijgebonden, onafhankelijke kandidaten deel te nemen aan de verkiezingen van de Reichstag. Daarom concentreerde zich een groot deel van de partij-propaganda rond verkiezingscampagnes op lokaal en nationaal vlak. Dit verklaart enerzijds waarom de parlementaire fractie strikt ondergeschikt moest blijven aan het congres en het centraal orgaan van de partij, de Vorstand (16), en anderzijds waarom het gewicht van de parlementaire fractie binnen de partij groeide, toen haar verkiezingssucces toenam.

Bismarck hanteerde de klassieke politiek van de “wortel en de stok”. Terwijl de arbeiders werden verhinderd zich zelfstandig te organiseren, probeerde de keizerlijke Staat het gras voor de voeten van de socialisten weg te maaien door vanaf 1883 sociale zekerheid te voorzien in geval van werkloosheid, ziekte of pensionering – een goede twintig jaar vóór de invoering van de Loi sur les retraites ouvrières et paysannes (Wet voor arbeiders en landbouwerspensioenen) in Frankrijk (1910) en van de National Insurance Act (Nationale Verzekeringenwet) in Groot-Brittannië (1911). Op het einde van de jaren 1880 ontvingen ongeveer 4,7 miljoen Duitse arbeiders een uitkering van de sociale zekerheid.

Noch de anti-socialistenwetten noch de invoering van de sociale zekerheid bereikten het gewenste effect en leidden niet tot een verzwakking van de steun aan de sociaal-democratie. In tegendeel, tussen 1881 en 1890 steeg het electorale succes van de SDAP van 312.000 naar 1.427.000 stemmen, wat van haar de grootste partij van Duitsland maakte. In 1890 bereikte haar aantal 75.000 leden en zo’n 300.000 arbeiders waren lid geworden van de vakbonden. In 1890 werd kanselier Bismarck ontslagen door de nieuwe keizer Willem II en werden de anti-socialistenwetten afgeschaft.

Nadat ze niet langer meer illegaal was, werd de SDAP, ter gelegenheid van haar Congres van Erfurt in 1891, heropgericht als een legale organisatie: de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD). Het congres aanvaardde een nieuw programma en hoewel Engels het Programma van Erfurt beschouwde als een verbetering ten opzichte van het voorgaande Programma van Gotha, achtte hij het desalniettemin noodzakelijk de tendens tot opportunisme  aan te vallen:

 “Maar, in alle geval, moeten de zaken vooruit gaan. Hoezeer dit noodzakelijk is bewijst juist vandaag het opportunisme dat zich begint te ontwikkelen in een groot deel van de sociaal-democratische pers. Uit vrees voor een herhaling van de antisocialistenwet of zich sommige voortijdig uitgesproken opinies herinnerend uit de tijd dat die wet van kracht was, wil men nu dat de Partij de huidige legale orde in Duitsland erkend als voldoende zijnde om alle eisen te kunnen realiseren op een pacifistische wijze (...) Zulk een politiek kan de Partij op lange termijn enkel op een vals spoor brengen. Men stelt algemene politieke vraagstukken op het voorplan en verstopt op die wijze de meest urgente concrete vragen die bij de eerste belangrijke voorvallen, bij de eerste politieke crisis, zich van zelf op de dagorde zetten. Wat anders kan hieruit voortvloeien dan dat, plotseling, op het beslissend moment, de Partij onverwacht overvallen wordt en dat op de beslissende punten, verwarring ontstaat en eenheid ontbreekt, omdat deze kwesties nooit besproken zijn geweest? (…) Het vergeten van deze grote essentiële overwegingen bij voorbijgaande belangen van de dag, deze koers voor vluchtig succes en de strijd die zich alom ontwikkelt, zonder zich te bekommeren om de latere gevolgen, deze verwaarlozing van de toekomst van de beweging die men opoffert aan het heden, dat alles kunnen eerlijke drijfveren zijn. Maar dat is en blijft opportunisme. Welnu, “eerlijk” opportunisme is misschien de meest gevaarlijke van al.” (17)   

Engels was hier opmerkelijk vooruitziend: publieke verklaringen met revolutionaire intenties zouden onmachtig blijken als deze niet door een concreet actieplan werden ondersteund. In 1914 werd de partij inderdaad “plotseling voor voldongen feiten” geplaatst.

Desalniettemin bleef de leuze van de SPD: “Geen mens, geen cent voor dit systeem”, en haar afgevaardigden in de Reichstag weigerden systematisch iedere steun aan overheidsbegrotingen, in het bijzonder aan militaire uitgaven. Deze principiële oppositie tegen iedere vorm van klasse-samenwerking bleef een mogelijkheid in het parlementair systeem, omdat de Reichstag geen enkel werkelijk gezag had. De regering van het Duitse Keizerrijk van Willem was een autocratie, die weinig verschilde van het tsaristische Rusland (18), en de systematische oppositie van de SPD had daardoor geen directe praktische consequenties.

In het zuiden van Duitsland lagen de zaken anders. Daar onderstreepte de lokale SPD, onder de leiding van mensen zoals Vollmar, dat er “bijzondere voorwaarden” bestonden en dat de SPD tot machteloosheid en onbeduidendheid veroordeeld zou zijn, indien ze niet een significant aantal stemmen wist te winnen in de Deelstaat-verkiezingen en zich niet voorzag van een landbouwpolitiek die beroep deed op kleine landbouwers. Deze tendens verscheen vanaf het moment dat de partij gelegaliseerd werd tijdens het Congres van Erfurt in 1891 en vanaf dat moment stemden de SPD-afgevaardigden van de deelstaten Württemberg, Beieren en Baden ten gunste van de regeringsbudgetten. (19)

De reactie van de partij op deze directe aanval op haar politiek was om de kwestie onder het tapijt te vegen. Dit drukt zich dan ook uit in verschillende partijresoluties.  Een poging van Vollmar om een speciaal landbouwprogramma op te stellen werd in 1894 door het Congres van Frankfurt verworpen, maar hetzelfde Congres verwierp eveneens een resolutie die elke SPD-afgevaardigde verbood om voor het even welke regeringsbegroting te stemmen. Men was de mening toegedaan dat, indien de reformistische politiek beperkt kon blijven tot de “uitzondering” van Zuid-Duitsland, zij kon worden getolereerd. (20)

De legaliteit ondermijnt de strijdgeest van de SPD

De ervaring van de arbeidersklasse van enkele tientallen jaren semi-illegaliteit zou snel worden ondermijnd door het vergif van de democratie. Door haar natuur ondermijnt de burgerlijke democratie, en het individualisme dat daarmee gepaard gaat, de pogingen van het proletariaat om een visie over zichzelf te ontwikkelen als historische klasse met haar eigen perspectief, dat onverenigbaar is met die van de kapitalistische maatschappij. Doordat zij de arbeidersklasse opdeelt in een eenvoudige massa van geatomiseerde burgers, drijft de democratische ideologie een permanente wig in de arbeiderssolidariteit. Gedurende deze periode zijn de electorale successen van de partij, zowel wat betreft het aantal stemmen als het aantal zetels in het parlement, snel toegenomen daar steeds meer arbeiders georganiseerd waren in de vakbonden en in staat waren om hun materiële omstandigheden te verbeteren. De groeiende politieke macht van de SPD en de industriële kracht van de georganiseerde arbeidersklasse gaven aanleiding tot de vorming van een nieuwe politieke stroming. Deze begon het idee te theoretiseren dat het mogelijk was om het socialisme op te bouwen binnen het kapitalisme en te ijveren voor een geleidelijke overgang, zonder het kapitalisme door een revolutie omver te moeten werpen. Maar ook dat de SPD een specifiek Duitse buitenlandse expansieve politiek moest hebben. Deze stroming kristalliseerde zich in 1897 rond de Sozialistische Monatshefte, een magazine buiten de controle van de SPD, in artikels van Max Schippel, Wolfgang Heine en Heinrich Peus. (21)

Deze oncomfortabele, maar draaglijke toestand ontplofte in 1898 met de publicatie door Eduard Bernstein van “Die Voraussetzungen des Sozialismus und die Aufgaben der Sozialdemokratie” (De voorwaarden voor het socialisme en de taken van de sociaal-democratie). De brochure van Bernstein legde openlijk uit wat hij en anderen al enige tijd gesuggereerd hadden. In 1896 schreef hij aan Kautsky: “praktisch gesproken, zijn we maar een radicale partij; we doen enkel wat alle andere radicale burgerlijke partijen doen, ware het niet dat we het verheimelijken in een taal, die volledig disproportioneel is ten opzichte van onze acties en middelen.” (22) De standpunten van Bernstein vielen de fundamenten van het marxisme zelf aan in die zin dat zij het onvermijdelijke karakter verwierpen van de neergang van het kapitalisme en haar uiteindelijke ineenstorting. Zich baserend op de bloeiende welvaart in de jaren 1890, gekoppeld aan de snelle koloniale expansie van het kapitalisme over de planeet, beweerde Bernstein dat het kapitalisme haar tendens tot zelfvernietigende crisissen had overwonnen. Onder deze voorwaarden was het doel niets, de beweging was alles, de kwantiteit primeerde op de kwaliteit, de tegenstelling tussen de staat en de arbeidersklasse zou kunnen worden overwonnen. (23) Bernstein verkondigde openlijk dat het fundamentele principe van het Communistisch Manifest, volgens dewelke de arbeiders geen vaderland hebben, “verouderd” was. Hij riep de Duitse arbeiders op om hun steun te verlenen aan de koloniale politiek van de keizer in Afrika en Azië. (24)

In werkelijkheid kwam er een einde aan een gans tijdperk van expansie en opgang van het kapitalisme. Zulke periodes van diepgaande historische transformatie stellen de revolutionairen altijd voor een grotere uitdaging omdat ze de eigenschappen dienen te analyseren van de nieuwe periode en een theoretisch kader moeten ontwikkelen om de fundamentele veranderingen die plaatsvinden te begrijpen. Zonodig moeten ze hun programma aanpassen en ondertussen hetzelfde revolutionair doel blijven verdedigen.

De snelle expansie van het kapitalisme over de wereld, zijn massale industriële ontwikkeling, de nieuwe fierheid van de heersende klasse met haar imperiale pose, dat alles deed de revisionistische tendens denken dat het kapitalisme voor altijd zou blijven bestaan, dat het socialisme voort zou kunnen komen vanuit het kapitalisme en dat de kapitalistische staat zou kunnen worden gebruikt ter verdediging van de belangen van de arbeidersklasse. De illusie van een vredevolle overgang toonde aan dat de revisionisten gevangen zaten in het verleden, onbekwaam om in te zien dat een nieuwe historische periode zich al aan de horizon aftekende: de periode van het verval van het kapitalisme en de gewelddadige uitbarsting van haar tegenstellingen. Hun onbekwaamheid om de nieuwe historische situatie te analyseren en het theoretiseren van het “eeuwige” karakter van de kapitalistische voorwaarden op het einde van de 19de eeuw, betekende ook dat de revisionisten onbekwaam waren om te zien dat hun oude strijdwapens, het parlementarisme en de vakbondsstrijd, niet meer bruikbaar waren. De fixatie op het parlementaire werk als hoofdactiviteit van de partij, de oriëntatie van de strijd voor hervormingen van het systeem, de illusie van een “kapitalisme zonder crises” en de mogelijkheid om het socialisme geweldloos in te voeren in het kapitalisme, toonden inderdaad aan dat een groot deel van de leiding van de SPD zich had geïdentificeerd met het systeem. De openlijke opportunistische stroming binnen in de partij, drukte een verlies van vertrouwen uit in de historische strijd van het proletariaat. Na jaren van strijd ter verdediging van het “minimumprogramma”, was de democratische burgerlijke ideologie binnengedrongen in de arbeidersbeweging. Dit betekende dat het bestaan en de kenmerken van de sociale klassen in vraag werden gesteld, dat een individualistische visie de overhand begon te krijgen en de klassen in “het volk” deed oplossen. Het opportunisme verwierp de marxistische methode van maatschappij-analyse in termen van klassenstrijd en klassentegenstellingen. In feite betekende het opportunisme het ontbreken van elke methode, van elk principe en van elke theorie.

Links gaat in de tegenaanval

In haar reactie op de tekst van Bernstein probeerde de partijleiding het belang ervan te minimaliseren (Vorwärts ontving de tekst als een “stimulerende bijdrage tot debat” en verklaarde dat alle stromingen binnen de partij vrij moesten zijn om hun meningen uit te drukken), maar in ’t geniep vond ze het spijtig dat zulke ideeën openlijk werden uitgedrukt. Ignaz Auer, de partijsecretaris, schreef aan Bernstein: “Mijn beste Ede, wat je verlangt, zoiets beslist men niet, zoiets zegt men niet, zoiets doe je gewoon.” (25)

Binnen de SPD kwam de meest vastberaden oppositie tegen Bernstein van de krachten die de lange periode na de opheffing van de anti-socialistenwetten niet hadden meegemaakt. Het is niet toevallig dat de meest duidelijke en uitgesproken opposanten van de Bernstein-stroming militanten waren van vreemde herkomst en meer precies van het Russische Keizerrijk. Zo was er Parvus, die geboren was in Rusland, in de jaren 1890 naar Duitsland emigreerde en in 1898 als redactiehoofd werkte voor de SPD-pers in Dresden, de Sächsische Arbeiterzeitung. (26) Hij lanceerde een vlammende aanval op de ideeën van Bernstein en werd gesteund door de jonge revolutionaire Rosa Luxemburg, die in mei 1898 naar Duitsland was geëmigreerd en de repressie in Polen had gekend. Vanaf het moment van haar aankomst in Duitsland begon Rosa Luxemburg een strijd tegen de revisionisten met haar tekst Hervorming of Revolutie, opgesteld in 1898-1899 (waar ze de methode van Bernstein voorstelt, het idee verwerpt van de invoering van het socialisme via de weg van sociale hervormingen en ze de theorie en de praktijk van het opportunisme aan de kaak stelt). In haar antwoord aan Bernstein onderstreept ze dat de reformistische tendens zich ten volle ontwikkelde sinds de afschaffing van de anti-socialistenwetten en de mogelijkheid legaal te werken. Het Staatssocialisme van Vollmar, de goedkeuring van de Beierse begroting, het Zuid-Duitse agrarisch socialisme, de  compensatievoorstellen van Heine, de stelling van Schippel over de douane en de militie vormden even zovele elementen voor een praktisch groeiend opportunisme. Zij benadrukte de gemeenschappelijke noemer van deze stroming: vijandigheid ten opzichte van de theorie.

Wat zijn de uiterlijke kenmerken van [alle opportunistische tendensen binnen de partij]? Dat is de vijandigheid tegenover ‘de theorie’. En dit spreekt volledig voor zich, want onze ‘theorie’, dat wil zeggen en de principes van het wetenschappelijk socialisme, stellen zeer vaste grenzen aan de praktische activiteit, de na te streven doelen, de te gebruiken strijdmiddelen, en tenslotte zelfs aan de strijdwijze. Daarbij hebben degenen die alleen praktische successen willen behalen de natuurlijke neiging om de handen vrij te willen maken, dus onze praktijk van onze ‘theorie’ te scheiden en haar van de theorie onafhankelijk te maken.” (27)

Voor haar was de eerste taak van revolutionairen de verdediging van het uiteindelijk doel. “De beweging als zodanig, zonder band met het uiteindelijke doel, de beweging als doel op zich, is niets, het uiteindelijk doel is alles voor ons.” (28)

In de tekst Stagnatie en vooruitgang van het marxisme (1903) onderzocht Rosa Luxemburg de theoretische tekortkomingen van de sociaal-democratie op de volgende manier: “De pijnlijke angst om ‘binnen de grenzen van het marxisme te blijven’, zijn in enkele gevallen even desastreus geweest voor het  denkproces als het andere uiterste – de pijnlijke bemoeienis om juist door de volkomen verwerping van de marxistische denkwijze tot iedere prijs de ‘zelfstandigheid van het eigen denken’ te bewijzen.”

In haar aanval op Bernstein eiste Rosa Luxemburg eveneens dat het centraal persorgaan van de SPD de standpunten, beslist door het partijcongres, zou verdedigen. Toen in 1899 de Vorwärts antwoordde dat de kritiek van Rosa Luxemburg op het standpunt van Bernstein (in een artikel getiteld “Eitle Hoffnungen” – Valse hoop) onjuist waren, antwoordde zij: “De Vorwärts (…) verkeert in de gelukkige omstandigheid nooit het risico te lopen een verkeerde mening te hebben of zijn visie te moeten veranderen – een zonde die ze bij anderen vindt – om de eenvoudige reden: omdat ze nooit een mening heeft.” (29)

Voortgaande op dezelfde weg, schreef ze: “er zijn twee verschillende organische schepsels: zij die een ruggengraat hebben en daarom ook gaan, die af en toe zelfs rechtop lopen. Er zijn anderen die geen ruggengraat hebben en dus enkel kruipen en – strompelen.” Aan hen die wilden dat de partij elk programmastandpunt en elk politiek criterium zou opgeven, antwoordde zij tijdens het Partijcongres te Hannover in 1899: ”als daaronder moet worden verstaan dat de partij - in naam van de vrijheid van kritiek – geen recht zou hebben een standpunt in te nemen ten opzichte van bepaalde meningen en kritieken van de laatste tijd en middels een meerderheidsbesluit verklaart dat dit niet ons standpunt is, dan moet ik daar tegen protesteren, want we zijn geen discussieclub, maar een politieke strijdorganisatie, die bepaalde fundamentele standpunten moet hebben.” (30)

Het moeras aarzelt

Tussen de vastberaden linkervleugel rond Rosa Luxemburg en de rechtervleugel, die de ideeën van Bernstein en de herziening van de beginselen verdedigde, bevond zich een ‘moeras‘. Bebel omschrijft dit tijdens het Congres van Dresden (1903) in de volgende bewoordingen:

“Het is steeds dezelfde oude en eeuwige strijd tussen links hier en rechts daar en daar tussen in het moeras. Dit zijn elementen die nooit weten wat ze willen of, beter, nooit zeggen wat ze willen. Het zijn betweters die, gewoonlijk, eerst aanhoren ‘wie staat hier en wie staat daar’? Die altijd zoeken waar de meerderheid zich bevindt en gaan vervolgens daar heen. Wij hebben dit soort ook in de partij (….) Van degene, die openlijk zijn standpunt verdedigt, weet ik tenminste waar ik aan toe ben; met hem kan ik tenminste de strijd aangaan. Ofwel wint hij ofwel ik, maar de luie elementen, die er altijd tussenuit knijpen en iedere duidelijke beslissing uit de weg gaan, die steeds opnieuw zeggen: Wij zijn allen akkoord, ja wij zijn allen broeders, dat zijn de allerergste. Hen bestrijd ik het felst.”  (31)

Het moeras, onbekwaam om een duidelijk standpunt in te nemen, weifelde tussen hen die duidelijk revisionistisch waren, de rechtervleugel, en de revolutionaire linkervleugel. Het centrisme is één van de gezichten van het opportunisme. Door zich steeds tussen tegengestelde krachten, tussen de reactionaire en de radicale stromingen op te stellen tracht ze beiden te verzoenen. Zij ontwijkt de openlijke confrontatie van ideeën, ontvlucht het debat, is steeds van mening dat “de ene zijde niet helemaal gelijk heeft, maar dat de andere kant ook niet helemaal gelijk heeft”. Zij vindt het politieke debat met heldere argumenten en een polemische toon, als “overdreven”, “extremistisch”, “betweterig”, zelfs “gewelddadig”. Zij denkt dat de enige wijze om de eenheid te bewaren, en zodoende de organisatie intact te houden, erin bestaat alle politieke tendensen naast elkaar te laten bestaan, ook die waarvan de doeleinden in directe tegenspraak zijn met die van de organisatie. Zij schrikt ervoor terug om haar verantwoordelijkheden op te nemen en een standpunt in te nemen. Het centrisme in de SPD was terughoudend om zich met de linkerzijde te verbinden, omdat zij haar “extremisme” en de “gewelddadigheid” betreurde en daadwerkelijk neigde te verhinderen dat er vastberaden maatregelen zouden worden genomen – zoals het uitstoten van de revisionisten uit de partij – zodat de revolutionaire aard van de partij bleef behouden.

Rosa Luxemburg drong daarentegen aan op de onbeperkte openbaarmaking en de publieke discussie over de tegengestelde opvattingen. Dit was volgens haar de enige manier om de eenheid van de partij als revolutionaire organisatie te verdedigen. “Door de tegenstellingen te verdoezelen, door een kunstmatige “vereniging” van onverenigbare visies, laat men de tegenstellingen alleen maar tot volle rijpheid uitgroeien, totdat ze vroeger of later zich in een splitsing op gewelddadige wijze lucht verschaffen. (...) Degenen die de uiteenlopende visies naar voren brengt en ze bestrijdt, werkt aan de eenheid van de partij. Degenen die de uiteenlopende visies verdoezelen, werken aan een splitsing in de partij.” (32)

Het toppunt van de centristische stroming en haar meest prestigieuze vertegenwoordiger was Karl Kautsky.

Toen Bernstein zijn revisionistisch standpunt begon te ontwikkelen, bleef Kautsky in het begin stil, en ging niet openlijk in oppositie tegen zijn oude vriend en kameraad. Hij doorzag ook niet in hoeverre de revisionistische theorieën van Bernstein de revolutionaire fundamenten ondermijnden waarop de partij was gebouwd. Als men, zoals Rosa Luxemburg het verwoordde, eenmaal het idee aanvaardt dat het kapitalisme eeuwig kan duren, dat zij niet veroordeeld is om ineen te storten vanwege haar eigen interne tegenspraken, leidt dit er onvermijdelijk toe het revolutionaire doel op te geven. (33)  De mislukking van Kautsky - evenals het grootste gedeelte van de partijpers – was een duidelijk teken van het verlies aan strijdlust binnen de organisatie: het politieke debat was niet meer een vraag van leven of dood voor de klassestrijd, zij was verworden tot een academische bezorgdheid van intellectuele specialisten.

De aankomst van Rosa Luxemburg in 1898 in Berlijn (vanuit Zürich waar ze met verve haar studie over de economische ontwikkeling van Polen had beëindigd en een antwoord op de theorieën van Bernstein had geschreven), speelden een voorname rol in de houding van Kautsky.

Toen Rosa Luxemburg zich bewust werd van de aarzelingen van Bebel en Kautsky en van hun weigering de standpunten van Bernstein te bestrijden, bekritiseerde ze deze houding in een brief aan Bebel. (34) Zij vroeg waarom zij niet aanstuurden op een energiek antwoord aan Bernstein en in maart 1899, nadat zij een serie artikelen begonnen was, die later als de brochure Hervorming of Revolutie bekend zou worden, rapporteerde zij aan Jogiches: “In een gesprek met Kautsky heb ik me, wat betreft Bebel, beklaagd dat hij niet optreedt. Kautsky verklaarde daarop dat Bebel de lust was kwijtgeraakt, geen zelfvertrouwen en energie had. Toen ik weer over hem mopperde: “waarom spoor je hem niet aan tot meer moed en energie?”  antwoordde hij opnieuw: “doe jij het, ga jij met hem praten, praat jij maar met hem”. Toen Rosa Luxemburg aan Kautsky vroeg waarom hij niet gereageerd had, antwoordde hij: “Ach wat; nu beginnen met bijeenkomsten, terwijl ik midden in de parlementaire strijd betrokken ben! Dit zal alleen maar botsingen veroorzaken en waar zou dat toe leiden? Hoe kan je de tijd en je kop daarvoor vrijmaken, enz.” (35)

In 1899 in Bernstein en het sociaal-democratisch programma – een anti kritiek, uitte Kautsky zich uiteindelijk tegen de ideeën van Bernstein over de marxistische filosofie en de politieke economie en zijn visie betreffende de ontwikkeling van het kapitalisme. Maar niettemin begroette hij het boek van Bernstein als een waardevolle bijdrage aan de beweging, verzette hij zich tegen een motie om hem uit de partij te verbannen en vermeed hij te zeggen dat Bernstein het marxistisch programma verraadde. Kortom, zoals Rosa Luxemburg concludeerde, Kautsky wilde de betwisting van de tamelijk comfortabele routine van het partijleven en de noodzaak zijn oude vriend openlijk te bekritiseren, uit de weg gaan.

Zoals Kautsky in vertrouwen aan Bernstein toegaf: “Parvus en Rosa Luxemburg hadden de tegenspraak van je standpunt met onze programmatische  beginselen al doorzien, terwijl ikzelf dit nog niet wilde toegeven en dacht dat dit alles op een misverstand berustte (…) Het is mijn fout, ik was niet zo scherpzinnig als Parvus en Luxemburg die toentertijd, reeds de gedachtegang van je brochure voorvoelden.” (36)

In de Vorwärts minimaliseerde en banaliseerde Kautsky in feite de aanval op de nieuwe revisionistische theorie van Bernstein, toen hij stelde dat het geval Bernstein buiten proporties was opgelblazen op een manier die typerend is voor de “absurde verbeelding” van de kleinburgerlijke mentaliteit. (37)

Vrienden of klasse?

Uit trouw aan zijn oude vriend meende Kautsky dat hij zich privé diende te verontschuldigen bij Bernstein, toen hij schreef: “Het zou laf geweest zijn om te blijven zwijgen. Ik denk niet dat ik in je nadeel heb gesproken. Als ik het niet aan August Bebel verteld had dat ik zou antwoorden op je verklaring, dan zou hij dat zelf hebben gedaan. Zijn temperament en ongevoeligheid kennende kan je je  indenken wat hij gezegd zou hebben.” (38) Dit betekende dat hij verkoos om doofstom te blijven tegenover zijn oude vriend.

Kautsky reageerde tegen zijn eigen will en pas nadat hij hiertoe werd gedwongen door de linkerzijde. Later gaf hij toe dat hij had “gezondigd” door zijn vriendschap met Bernstein te laten domineren over zijn politieke oordeel: “In mijn leven heb ik slechts eenmaal uit vriendschap gezondigd en tot vandaag heb ik er spijt van. Indien ik niet zo had getwijfeld over Bernstein, indien ik hem meteen, vanaf het begin, had geconfronteerd met de nodige helderheid, zou ik de partij tal van onaangename problemen hebben bespaard.” (39) Deze ‘bekentenis’ is echter zonder waarde tenzij zij raakt aan de wortels van het probleem. Hoewel hij zijn ‘zonde’ heeft bekend, heeft Kautsky nooit een diepgaander verklaring gegeven waarom een dergelijke houding, eerder gebaseerd op persoonlijke affiniteit dan op politieke principes, een gevaar betekent voor de politieke organisatie. In werkelijkheid leidde deze houding hem ertoe een onbegrensde ‘vrijheid van meningsuiting’ te verlenen aan de revisionisten binnen de partij.

Zoals Kautsky zei aan de vooravond van het Congres in Hannover: “In het algemeen moet men het aan ieder lid van de partij zelf overlaten om te beslissen of hij de beginselen van de partij nog deelt of niet. Het middel van uitsluiting wordt alleen gebruikt tegen elementen die schade berokkenen aan onze partij; uit louter zakelijke kritiek is er nog nooit iemand uitgesloten van de sociaal-democratie, bij wie vrijheid van discussie hoog in het vaandel staat. Ook als Bernstein zich niet zulke grote verdienste zou hebben verworven voor onze zaak en ook als hij vanwege zijn partij-activiteiten niet in ballingschap zou hebben gezeten, is zijn uitsluiting uitgesloten.” (40)   

Het antwoord van Rosa Luxemburg was duidelijk.“Hoezeer we de vrijheid tot zelfkritiek nodig hebben en hoe ruim we haar grenzen ook stellen, toch moet er een minimum aan principes zijn, die deel uitmaken van ons wezen en ons bestaan zelf en die de grondslag vormt voor onze samenwerking als leden van een partij. Op deze algemene grondslagen kunnen we niet in onze rijen het principe van de ‘vrijheid van kritiek’ toepassen, want ze vormen de voorwaarden voor alle activiteiten, dus ook voor de kritiek op deze activiteit in onze rangen.

Wij moeten onze oren niet sluiten wanneer deze principes door iemand, die zich buiten de partij bevindt, wordt bekritiseerd. Wij moeten echter, zolang we ze beschouwen als het fundament van ons bestaan als partij, aan deze beginselen vasthouden en ze ook niet door onze leden laten ondermijnen. Hier kunnen wij enkel één vrijheid toekennen: de vrijheid om al of niet tot onze partij te behoren. We dwingen niemand om samen met ons in de rijen en in ’t gelid mee te marcheren. Maar als iemand dat vrijwillig doet dan moet hij, als voorwaarde, instemmen met onze beginselen”. (41)

Het logische gevolg van het ‘ontbreken van een stellingname’ door Kautsky is dat iedereen in de partij zou kunnen zijn en kunnen verdedigen wat hij wil, dat het programma verwaterd, dat de partij een ‘smeltkroes’ wordt van verschillende standpunten en niet de speerpunt van een vastberaden strijd. De houding van Kautsky toonde aan dat hij de trouw aan een vriend verkoos boven de verdediging van de klassestandpunten. Tegelijkertijd wilde hij de houding aannemen van een theoretische ‘deskundige’. Het is waar dat hij enkele belangrijke en waardevolle (zie hieronder) boeken heeft geschreven en dat hij de achting genoot van Engels.

Maar zoals Rosa Luxemburg in een brief aan Jogiches schetst: “Karl Kautsky beperkt zich tot de theorie”. (42)  Kautsky, die er de voorkeur aan gaf om zich te onthouden van elke deelname aan de strijd om de organisatie en zijn programma te verdedigen, verloor steeds meer elke strijdbare houding en dit betekende dat hij dat wat hij beschouwde als een plicht tegenover zijn vrienden, plaatste boven elke morele verplichting jegens de organisatie en haar beginselen. Dit leidde ertoe dat de theorie losgemaakt werd van de praktische en concrete actie: bijvoorbeeld, het waardevolle werk van Kautsky over de ethiek, specifiek het hoofdstuk over het internationalisme, was niet verbonden met een onwrikbare praktische verdediging van het internationalisme

Er is een verrassende tegenstelling tussen de houding van Kautsky ten opzichte van Bernstein en die van Rosa Luxemburg ten opzichte van Kautsky. Bij haar aankomst in Berlijn onderhield Rosa Luxemburg nauwe banden met Kautsky en zijn familie. Maar weldra voelde zij dat de grote achting, die zij van de familie Kautsky genoot, een last werd.

Reeds in 1899 klaagde zij bij Jogiches: “Ik begin hun zoete woorden te ontvluchten. De Kautsky’s beschouwen me als deel van hun familie.” (11.12.1899). “Al deze blijken van liefde (hij is mij werkelijk goed gezind, ik zie dat iedere keer), drukken op mij als een zware last, in plaats van me plezier te doen. Echt waar, elke vriendschap die tot stand komt op volwassen leeftijd is een last, en des te meer als zij gebaseerd is op lidmaatschap van een partij: zij legt verplichtingen op, zij vormt een hindernis, enz. (…) En juist deze zijde van de vriendschap vormt een handicap voor mij. Na de voltooiing van elk artikel denk ik: nu zal hij teleurgesteld zijn en onze vriendschap zal afkoelen.” (43)

Zij was zich bewust van de gevaren van een houding gebaseerd op affiniteit, waarbij de afweging van persoonlijke verplichtingen, van vriendschap of van gemeenschappelijke voorkeuren het politiek oordeel van een militant verduisteren. Maar ook wat we zijn morele oordeelskracht zouden kunnen noemen, over de vraag of een bijzondere lijn van een actie, al of niet overeenkomt met de principes van de organisatie. (44) Desondanks durfde Rosa Luxemburg Kautsky openlijk te confronteren: “Met Kautsky heb ik een grondig twistgesprek gehad over de hele manier om tegen de kwesties aan te kijken. Als conclusie zei hij dat ik binnen 20 jaar net zoals hem zou denken, waarop ik antwoordde dat ik, in dat geval, binnen 20 jaar een druiloor zou zijn.” (45)

Tijdens het Congres van Lübeck in 1901, werd Rosa Luxemburg ervan beschuldigd de standpunten van de andere kameraden te vervalsen, wat ze schandalig vond en waar zij publiekelijk opheldering over eiste. Met dit doel, leverde ze een stellingname in bij de Vorwärts. (46) Maar in naam van de Neue Zeit eiste Kautsky van haar dat ze het verzoek tot publicatie van haar stellingname terug zou nemen.

Zij antwoordde Kautsky: “U heeft bereikt wat u wilde, ik ontsla u in deze zaak  van elke verplichting jegens mij. Maar u begaat daarbij naar alle waarschijnlijkheid nog de fout, om in alle ernst te geloven dat u in dit geval heeft gehandeld uit vriendschap en in mijn belang. Laat me toe deze illusie te doorbreken. Als vriend had u ongeveer het volgende moeten zeggen: ‘Ik raad je beslist en tot elke prijs aan je eer als redacteur te verdedigen, daar grotere schrijvers  zoals Marx en Engels, die hele brochures schreven, een hele strijd met de pen hebben gevoerd, toen iemand hen durfde te beschuldigen van vervalsing. In dergelijke gevallen moet jij hard oordelen, omdat je een jonge schrijfster bent met veel vijanden.’

Dat had u me, als vriend, moeten zeggen. (…) De vriend laat zich echter volledig door de hoofdredacteur van de Neue Zeit overheersen en deze wil sinds het partijcongres [van Lübeck] maar één ding; hij wil rust hebben, hij wil laten zien dat de Neue Zeit, na de opgelopen slaag manieren heeft gekregen, en haar mond houdt (47) En daaraan mag het recht van een medewerker van de Neue Zeit op het waken over haar grootste belangen, haar recht op de verdediging tegen publiekelijke laster worden opgeofferd.

Moet ook iemand die voor de Neuze Zeit – niet het minste en niet het slechtste  – werk verricht de publieke beschuldiging van vervalsing slikken, zodat er slechts in alle toppen rust heerst! Zo staan de zaken er voor mijn vriend! En nu met de beste groeten, je Rosa”. (48)

Hier zien we een jonge, vastberaden revolutionaire, een buitengewone vrouw, die er op staat dat de “oude”, “orthodoxe”, ervaren autoriteit, zijn persoonlijke verantwoordelijkheid dient te nemen. Kautsky antwoordde Luxemburg: “Zie je, men moet de mensen van de fractie niet teveel opwinden, men moet niet de indruk wekken dat ze worden betutteld. Als men hen een voorstel wil doen, dan kan men beter een persoonlijke brief sturen, dat zal veel beter werken.”  (49) Maar Rosa Luxemburg probeerde de strijdgeest opnieuw bij hem ‘op te wekken’: “Maar u moet het met plezier en met vreugde doen en niet alsof het gaat om een vervelend intermezzo; het publiek voelt altijd de stemming aan van de strijders en de vreugde van de strijd geeft de polemiek een heldere klank en een morele superioriteit.” (50)

Deze houding, om de normale gang van zaken van het partijleven niet te willen storen, om geen standpunt in te nemen in het debat, om de verheldering van de uiteenlopende zaken niet te bevorderen, om het debat te ontvluchten en de revisionisten te tolereren, vervreemde Rosa Luxemburg steeds meer en toonde openlijk hoezeer het verlies aan strijdbaarheid, moraal en vastberadenheid, de overheersende karaktertrek was geworden in Kautsky’s houding: “Ik heb nu zijn [artikel] Nationalisme en internationalisme moeten lezen en het was een kwaal en afschuwelijk. Weldra zal ik niets meer van K.K. kunnen lezen. Het lijkt alsof er een  afschuwelijk web mijn hoofd gesponnen wordt.” (51) “Kautsky raakt steeds meer verzuurd. Hij raakt van binnen steeds meer versteend, hij voelt geen enkele menselijke bekommernis meer voor iemand, behalve zijn familie. Ik voel me echt niet op mijn gemak bij hem.” (52)

De houding van Kautsky kan ook worden beschouwd als tegengesteld aan die van Luxemburg en Leo Jogiches. Na het verbreken van de relatie van Rosa Luxemburg met Leo Jogiches in 1906 (die haar een immense pijn bezorgde, evenals een grote teleurstelling in hem als kameraad), bleven ze beiden de meest nabije kameraden tot aan de moord op Rosa. Ondanks diepe persoonlijke rancunes, ontgoocheling en jaloezie, deze diepe emotionele gevoelens als gevolg van het verbreken van hun relatie, heeft het hen er nooit van weerhouden om zij aan zij te staan in de politieke strijd.

Men zou kunnen tegenwerpen dat, in het geval van Kautsky, dit de weerspiegeling was van een gemis aan persoonlijkheid en karakter van Kautsky, maar het is juister om te zeggen dat hij de morele verrotting belichaamde binnen de sociaal-democratie in haar geheel.

Luxemburg stootte al zeer vroeg op de weerstand van de ‘oude garde’. Toen zij de revisionistische politiek bekritiseerde, op het Congres van Stuttgart in 1898,“heeft Vollmar me bitter verweten dat ik, als jongere in de beweging, les wilde geven aan de oude veteranen (…) Maar indien Vollmar antwoordt op mijn feitelijke uitleg met een ‘Jij groentje, ik zou je grootvader kunnen zijn’ dan beschouw ik dat alleen maar als een bewijs van zijn gebrek aan argumenten.” (53)

Wat betreft de verzwakking van de strijdwil van de meer centristische veteranen, verklaarde ze in een artikel, dat ze schreef na het Congres van 1898: “Wij zouden liever gehad hebben dat de oude strijders het gevecht van in het begin van het debat hadden hernomen (...) Indien het debat zich ongunstig heeft ontwikkeld dan is het niet wegens, maar ondanks het gedrag van de partij leiding (…) De partijleiding geeft geen goed beeld van zichzelf als ze twee dagen lang het debat op zijn beloop laat, passief toeziet ‘hoe de wind waait’ en enkel ingrijpt, als de woordvoerders van het opportunisme genoodzaakt zijn om klare taal te gebruiken, daarbij nog met afkeuring blijk geeft van de ‘te scherpe toon’ van degenen wier standpunt men dan als juist bestempelt.

Ook de uitleg van Kautsky waarom hij tot nu toe zijn mening over de theorie van Bernstein nog niet tot uitdrukking bracht, namelijk dat hij het laatste woord wilde hebben in het eventueel debat, lijkt ons geen goed excuus te zijn. In februari publiceerde hij het artikel van Bernstein zonder enig hoofdartikel in de Neue Zeit, bleef  vervolgens 4 maanden stil. In juni opent hij de discussie met enige complimenten aan het ‘nieuwe’ standpunt van Bernstein, deze nieuwe middelmatige kopij van het salonsocialisme, zwijgt daarna opnieuw 4 maanden, laat het Partijcongres beginnen en verklaart in de loop van het debat dat hij graag het ‘laatste woord’ wil hebben. Wij zouden het verkiezen dat de ‘bureautheoreticus’ tussenkomt in de debatten en zich niet beperkt tot het slotwoord in cruciale kwesties; dat hij niet de verkeerde en verwarrende indruk wekt dat hij al lange tijd niet wist wat hij moest zeggen.” (54)

Zo werden velen van de oude garde, die gestreden hadden onder de omstandigheden van de anti-socialistenwet, ontwapend door het gewicht van het democratisme en het reformisme. Zij waren onbekwaam geworden om de nieuwe periode te begrijpen en begonnen in plaats daarvan het verlies van het socialistisch doel te theoretiseren. In plaats van de lessen over de strijd, onder de omstandigheden van de anti-socialistenwetten, aan een nieuwe generatie door te geven, hadden zij hun strijdvaardigheid verloren. En de centristische stroming die zich verborg en de strijd vermeed, door de openlijke strijd tegen het opportunisme uit de weg te gaan, opende de deur voor de opkomst van rechts.

Terwijl de centristen de strijd vermeden, toonde de linkerzijde rond Luxemburg haar strijdvaardige geest en was ze bereid haar verantwoordelijkheden op te nemen. In de realiteit zag ze hoe “Bebel zelf al seniel was geworden en de zaken op hun beloop liet; hij is blij als anderen strijden, maar zelf noch energie, noch het elan heeft om het initiatief te nemen. (…) K.K. [Karl Kautsky] beperkt zich tot de theorie. (…) Niemand neemt de leiding, niemand voelt zich verantwoordelijk.” (55) De linkervleugel probeerde meer invloed te verkrijgen en was overtuigd van de noodzaak om als een speerpunt te handelen. Luxemburg schreef aan Jogiches: “Nog slechts één jaar doortastend, positief werk en mijn stellingname zal uitstekend zijn. Op dit ogenblik kan ik de scherpte in mijn toespraken niet beperken, omdat wij het meest extreme standpunt moeten vertegenwoordigen.” (56) Deze invloed werd echter niet bereikt en een verwatering van de standpunten was de prijs die ervoor betaald moest worden.

Overtuigd van de noodzaak van een vastberaden leiderschap en erkennend dat zij zouden stuiten op de weerstand van de twijfelaars, wilde ze de partij voortstuwen. “Iemand die niet tot de kliek behoort, die op niemands bescherming kan rekenen, maar slechts op haar eigen ellebogen, iemand waar (met betrekking tot de toekomst) niet alleen tegenstanders als Auer en Co, maar in de grond ook bondgenoten (Bebel, Kautsky, Singer) bevreesd voor zijn; iemand die je beter op afstand kan houden omdat ze hen snel boven het hoofd kan groeien. Ik heb echter helemaal niet de intentie om mij te beperken tot kritiek. Integendeel, het is mijn bedoeling en verlangen om op een positieve wijze voort te stuwen, niet individuen, maar de beweging in haar geheel, om onze volledige positieve arbeid te herzien, de agitatie, de praktijk, om nieuwe wegen in te slaan (voor zover er zulke zijn, maar daar twijfel ik niet aan), om de sleur te bestrijden, etc. In één woord, een permanente aansporing te vormen voor de gehele beweging. (…) En vervolgens de mondelinge en schriftelijke agitatie, die in oude vormen versteend is geraakt en bijna niemand meer pakt, in nieuwe banen te leiden, nieuw leven in de bijeenkomsten en de brochures te brengen (…. ) “steeds jezelf te zijn, zonder te letten op de omgeving en de anderen…” (57)

In oktober 1905 zag Luxemburg de gelegenheid opdoemen om deel te nemen aan de redactie van de Vorwärts. Zij was onverzettelijk wat betreft de mogelijke censuur van haar standpunten. “Indien er door mijn artikels een conflict ontstaat met de leiding of met de redactie, zal ik niet de enige zijn om haar te verlaten, maar zal de gehele linkerzijde uit solidariteit de Vorwärts verlaten en zal het redactiecomité worden opgeblazen”. Korte tijd had de linkerzijde enige invloed verworven.

De teloorgang van het proletarisch leven in de SPD

Het proces van ontaarding van de partij werd niet enkel gekenmerkt door openlijke pogingen om afstand te nemen van de programmatische standpunten en door het gebrek aan strijdvaardigheid van brede lagen in de partij. Onder de oppervlakte bestond een permanente onderstroom van kleingeestige en persoonlijke kwaadsprekerij gericht tegen hen die op de meest onverzettelijke wijze de principes van de organisatie verdedigden en de façade van eenheid verstoorden. De houding van Kautsky tegenover de kritiek van Luxemburg op Bernstein, bijvoorbeeld, was ambivalent. Ondanks zijn vriendschappelijke relaties met Luxemburg, kon hij niettemin onverhuld aan Bernstein schrijven: “dit kwaadaardige schepsel Luxemburg is ontevreden over de wapenstilstand tot aan de publicatie van je brochure, elke dag dient ze een andere speldenprik toe aan de ‘tactiek’.” (58)

Zoals we zullen zien, komt op bepaalde momenten deze onderstroom aan de oppervlakte in de vorm van lasterlijke beschuldigingen en persoonlijke aanvallen.

Het is vooral de rechterzijde die reageerde door te verpersoonlijken en te zoeken naar zondebokken binnen de partij. Daar waar een verheldering van de meningsverschillen nodig was middels een openlijke confrontatie, trok de rechterzijde zich terug en begon in plaats daarvan de belangrijkste leden van de linkerzijde te belasteren.

Daar ze een duidelijk minderwaardigheidsgevoel vertoonden op het vlak van de theorie, verspreidden ze belasterende toespelingen over Luxemburg in het bijzonder, door sexistische commentaren te leveren en insinuaties te leveren over haar ‘ongelukkige’ liefdesleven en haar sociale relaties (haar relatie met Leo Jogiches was niet bekend binnen de partij): “Deze intelligente en hatelijke oude vrijster zal ook naar Hannover komen. Ik respecteer haar en denk dat ze sterker is dan Parvus. Maar zij verafschuwt me vanuit de grond van haar hart.” (59)

De rechtse partijsecretaris, Ignaz Auer, gaf toe aan Bernstein: “Zelfs als we niet opgewassen zijn tegen onze opponenten, want niet iedereen heeft de capaciteiten een vooraanstaande rol te spelen, geven we niet toe aan de retoriek en de grove opmerkingen. Maar als er een ‘heldere’ scheiding komt, die niemand trouwens serieus overweegt, dan zouden Clara [Zetkin] en Rosa op zichzelf zijn aangewezen. Zelfs hun geliefden zouden niet hun verdediging op zich nemen, noch de ouden, noch de huidigen.” (60)

Dezelfde Auer twijfelde niet om een xenofobe toon aan te slaan, toen hij zei dat “de principiële aanvallen tegen Bernstein en zijn aanhangers en tegen Schippel niet kwamen van Duitse kameraden en niet van de Duitse beweging. De activiteiten van deze personen, in het bijzonder die van mevr. Rosa Luxemburg, waren deloyaal en “onder kameraden” niet netjes.” (61). Dit soort van xenofobe uitingen – met name tegenover Luxemburg die van Joodse herkomst was – werd een permanent aspect in de campagne van rechts die in de jaren voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog steeds gemener werd. (62)

De rechtervleugel van de partij heeft zelfs satirische commentaren of teksten over Luxemburg geschreven. (63) Luxemburg en andere persoonlijkheden van links waren in Polen reeds op een bijzondere gemene wijze als doel gekozen. Paul Frölich rapporteert in zijn biografie over Luxemburg dat veel laster werd geuit tegen linkse personen zoals Warski en Luxemburg. Luxemburg is ervan beschuldigd dat ze betaald werd door politie-officier Markgrafski van Warchau, toen ze een artikel publiceerde over de kwestie van de nationale zelfstandigheid; zij is er eveneens van beschuldigd een agent te zijn van de Okhrana, de Russische geheime politie. (64)

Rosa Luxemburg begon de sfeer in de partij steeds meer moe te worden. “Elk toenadering tot de partij laat bij mij een zodanig gevoel van onbehagen achter, dat ik elke keer in de stemming ben om te zeggen: drie zeemijlen ver van het laagste stand bij eb! Na bij hen te zijn geweest ruik ik een dergelijk geur van vuiligheid, zie ik dergelijke zwakke karakters, een dergelijke kleingeestigheid dat ik me haastig in mijn muizehol terugtrek.” (65)

Dat was in 1899, maar tien jaar later was haar opinie over het gedrag van een aantal leiders binnen de partij niet verbeterd. “Probeer ondanks alles rustig te blijven en vergeet niet dat er buiten de partijleiding en tuig van het type Zietzen en co. nog vele mooie en pure dingen in het leven zijn. Mijns inziens is hij behalve de onmiddellijke  onmenselijkheid nog een pijnlijk symptoom van de  algemene ellende waarin onze ‘leiding’ vervallen is, een symptoom van een afschrikwekkend geestelijk dieptepunt.. (…) Andere tijden zullen dit stinkende zeewier hopelijk door een schuimende golf wegvagen.” (66)

En ze heeft meermaals haar verbolgenheid uitgedrukt over de verstikkende bureaucratische atmosfeer die heerste binnen de partij: “Ik voel me hier soms werkelijk ellendig en ik heb zin om Duitsland te ontvluchten. In om het even welk dorp in Siberië, ontmoet men meer menselijkheid dan in de hele Duitse sociaal-democratie.” (67) Deze houding om zondebokken te zoeken met het doel de reputatie van links te vernietigen heeft de kiemen gelegd voor de latere moord op Rosa Luxemburg door het Vrijkorps, dat haar in januari 1919, op bevel van de SPD, vermoordde. De binnen de partij gebruikte toon tegen haar, bereidde de ambiance van pogrom voor tegen revolutionairen in de revolutionaire golf van 1918-1923. De laster die zich beetje bij beetje in de partij was binnengedrongen en het ontbreken van verontwaardiging hierover, in het bijzonder door het centrum, leidde ertoe de partij moreel te ontwapenen.

De oppositie gecensureerd en tot zwijgen gebracht

Bovenop de zoektocht naar zondebokken, de verpersoonlijking en de xenofobe aanvallen, begonnen de verschillende instanties van de partij, onder invloed van de rechterzijde, de artikels van de linkerzijde en van Rosa Luxemburg in het bijzonder te censureren. Vooral na 1905, toen de kwestie van de massa-actie op de dagorde stond (zie verder), was de partij meer en meer geneigd om Rosa Luxemburg te muilkorven en de publicatie te verhinderen van haar artikels over het vraagstuk van de massastaking en de Russische ervaring. Ondanks het feit dat bepaalde steden linkse bastions  waren (68), trachtte de hele rechtervleugel van de partij te verhinderen dat de standpunten van Rosa Luxemburg in het orgaan van de partij, Vorwärts, werden verspreid: “Helaas moet ik uw artikel afwijzen, daar volgens een gezamenlijk akkoord tussen de partijleiding, de leidende uitvoerende raad van de Pruisische commissie [van de SPD] en de hoofdredacteur, de kwestie van de massastaking op dit ogenblijk niet mag worden gepubliceerd in de Vorwärts.” (69)

Zoals we zullen zien, had de morele teloorgang en de verzwakte solidariteit binnen de partij schadelijke effecten toen de imperialistische spanningen zich verscherpten, daar waar de linkerzijde aandrong om hierop met massale acties te antwoorden

Franz Mehring, een erg bekend en gerespecteerd persoon van de linkerzijde, werd ook dikwijls aangevallen. Maar in tegenstelling tot Rosa Luxemburg liet hij zich gemakkelijk beledigen en had hij de neiging om zich terug te trekken uit de strijd, wanneer hij voelde dat hij onterecht aangevallen werd. Voor het Partijcongres van Dresden in 1903 bijvoorbeeld, had Mehring aangetoond dat het  voor de sociaal-democraten onverenigbaar was om lid te zijn van de partij en tegelijkertijd voor de burgerlijke pers te schrijven. De opportunisten hadden een lastercampagne gelanceerd tegen hem. Mehring vroeg een tribunaal van de partij. Deze kwam bijeen en sprak een ‘mild oordeel’ uit tegen de opportunisten. Maar, toen hij onder stijgende druk kwam te staan van rechts, had Mehring steeds meerde neiging om zich uit de partijpers terug te trekken.

Luxemburg drong erop aan dat hij zich tegen de druk van rechts en haar laster zou verzetten: “Ieder verstandig mens in de partij, die niet de geestige knecht is van de partijleiding, zal aan jullie kant staan. (…) Je voelt vast en zeker dat we steeds dichter het moment naderen waarop de massa van de partij behoefte zal hebben aan een energieke, onverbiddelijke en ruimdenkende leiding en dat zonder jullie, onze macht, en dat onze leidende organen: de partijleiding, het centaal orgaan, de fractie – en het “wetenschappelijk orgaan”, zonder u, onder gelijkblijvende omstandigheden, steeds kleingeestiger, laffer en parlementair-idioter worden. We moeten deze mooie toekomst dus open in de ogen kijken, alle posten bezetten en behouden die het mogelijk maken om, ondanks de officiële ‘leiding’, het recht op kritiek uit te oefenen. (…) We moeten voorbereid zijn op voortdurende gevechten en wrijvingen, met name als men het heilige van het heilige, de parlementaire idiotie, zo hevig choqueert, zoals u gedaan heeft. Maar ondanks alles, lijkt me geen duimbreed toegeven het juiste ordewoord. De Neue Zeit mag niet helemaal aan de seniliteit en de bureaucratie overgeleverd worden.” 70

Het keerpunt van 1905

Aan het begin van de nieuwe eeuw, begon het fundament waarop de revisionisten en de reformisten hun theorie en praktijk hadden opgebouwd, af te brokkelen.

Oppervlakkig, en ondanks tijdelijke tegenslagen, scheen de kapitalistische economie nog in robuuste gezondheid te zijn, en zette haar onbedwingbare expansie voort naar de laatste regio’s, die nog niet door de imperialistische machten bezet waren, in het bijzonder Afrika en China. De expansie van het kapitalisme over de aardbol had een stadium bereikt waarin de imperialistische machten hun invloed slechts konden uitbreiden ten koste van hun rivalen. Alle grootmachten werden steeds meer meegesleurd in een ongekende bewapeningswedloop, waarbij in het bijzonder Duitsland zich in een massief programma van uitbreiding van de vloot engageerde. Zelfs al hadden nog maar weinigen het beseft, betekende het jaar 1905 een keerpunt: een geschil tussen twee grootmachten leidde tot oorlog op grote schaal, en de oorlog leidde beurtelings tot de eerste massale revolutionaire golf van de arbeidersklasse.

De oorlog tussen Rusland en Japan die in 1904 was begonnen, werd uitgevochten vanwege de controle over het Koreaanse schiereiland. Rusland leed aan een vernederende nederlaag, en de stakingen van Januari 1905 waren een directe reactie op de gevolgen van de oorlog. Voor het eerst in de geschiedenis werd een heel land door een gigantische golf van massastakingen dooreengeschud. Het fenomeen beperkte zich niet tot Rusland. Hoewel niet zo massaal en met een andere achtergrond en eisen, braken gelijkaardige stakingsbewegingen uit in een reeks van andere Europese landen: 1902 in België, 1903 in Nederland, 1905 in het Ruhrgebied in Duitsland. Een aantal massale wilde stakingen vonden ook in de Verenigde Staten plaats tussen 1900 en 1906 (in het bijzonder in de kolenmijnen van Pennsylvania). In Duitsland, had Rosa Luxemburg – zowel als revolutionaire agitator als journalist voor de Duitse Partij en lid van het Centraal Comité van de SDKPiL (71) – aandachtig de strijd in Rusland en Polen gevolgd. (72)

In December 1905, was zij van mening dat zij niet meer in Duitsland kon blijven als louter waarnemer, en is toen naar Polen gegaan om direct aan de beweging deel te nemen. Van dag tot dag nauw betrokken bij het proces van de strijd en revolutionaire agitatie, beleefde zij uit de eerste hand de zich ontwikkelende  dynamiek van de massastaking. (73) Samen met andere revolutionaire krachten begon ze er de lessen uit te trekken. Op hetzelfde moment als Trotsky zijn beroemde boek schreef over 1905, waar hij de rol van de arbeidersraden benadrukte, onderstreepte Luxemburg in haar tekst Massastaking, Partij en Vakbonden (74) de historische betekenis van de “geboorte van de massastaking” en haar internationale gevolgen voor de arbeidersklasse. Haar tekst over de massastaking was een eerste programmatische tekst van de linkse stroming in de Tweede Internationale, die tot doel had de bredere lessen te trekken en het belang van autonome, massale actie van de arbeidersklasse te benadrukken. (75)

De theorie van Luxemburg over de massastaking ging volledig in tegen de visie van klassenstrijd die in het algemeen door de partij en de vakbonden was aanvaard. Voor de laatstgenoemden was de klassenstrijd bijna als een militaire campagne, waarin de confrontatie slechts zou moeten worden gezocht zodra het leger een overweldigende sterkte had opgebouwd, terwijl de leiding van de partij en de vakbond moest ageren als de generale staf op wiens bevel de massa van de arbeiders in beweging zou komen. Dit was ver weg van waar Luxemburg de nadruk op legde: op de creatieve zelfactiviteit van de massa's. Maar om het even welk idee dat stelde dat de arbeiders onafhankelijk van de leiding zouden kunnen handelen was een gruwel voor de vakbondleiders, die in 1905 voor het eerst werden geconfronteerd met het perspectief door een dergelijke massale golf van zelfstandige strijd te worden overrompeld.

De reactie van de rechtse vleugel van de SPD en de vakbondsleiding was simpelweg om het even welke bespreking van de kwestie te verbieden. Op het vakbondscongres te Keulen in mei 1905 wezen zij iedere discussie over de massastaking af alsverwerpelijk (76) en verklaarden “Het Keulse vakbondscongres beveelt alle georganiseerde arbeiders aan zich energiek hiertegen [de propaganda voor de massastaking]  te verzetten.” Dit kondigde de samenwerking aan tussen de heersende klasse en de SPD met de vakbonden in de strijd tegen de revolutie.

De Duitse bourgeoisie had de beweging eveneens met aandacht gevolgd en wilde vooral verhinderen dat de Duitse arbeiders het ‘Russische voorbeeld zouden kopiëren’. Rosa Luxemburg werd, vanwege haar redevoering over de massastaking op het SPD-Congres te Jena in 1905 beschuldigd van ‘oproep tot geweld’ en tot twee maanden gevangenisstraf veroordeeld. Kautsky probeerde in de tussentijd het belang van de massastaking te minimaliseren door te benadrukken dat zij het product was van de Russische achtergestelde omstandigheden en niet kon worden toegepast in een ontwikkeld land zoals Duitsland. Hij gebruikte “de term ‘Russische methodeals symbool voor een tekort aan organisatie, vanwege het primitieve karakter, de chaos en de barbaarsheid.” (77) In zijn boek van 1909 De weg naar de macht, beweerde Kautsky dat de “massa-actie een achterhaalde strategie is om de vijand omver te werpen” en stelt daartegenover zijn “uitputtingsoorlog”. (78)

De massapartij tegen de massastaking

Kautsky weigerde om de massastaking als perspectief voor de arbeidersklasse over de hele wereld te erkennen en viel de stelling van Luxemburg aan alsof het een persoonlijke gril was. Kautsky schreef aan Luxemburg: “Ik heb de tijd niet om je uit te leggen wat Marx en Engels, Bebel en Liebknecht beschouwd hebben als wezenlijk. Kort gezegd, wat je wil is een geheel nieuwe vorm van agitatie, die we tot nog toe steeds hebben geweigerd. Maar deze nieuwe agitatie is van een dergelijke aard dat het niet goed is, om er publiekelijk debat over te voeren. Met de publicatie van de je artikel zou je voor eigen rekening ageren, als enkeling en een agitatie en een actievorm bepleiten, die de partij steeds verworpen heeft. Een enkeling, welk zijn statuut ook moge wezen, kan niet voor eigen rekening en een voldongen feit scheppen, wat onvoorziene gevolgen voor de partij kan hebben.” (79)

Luxemburg verwierp de poging om de analyse en het belang van de massastaking als een ‘persoonlijke politiek’ voor te stellen. (80) Zelfs als de revolutionairen het bestaan moeten erkennen van verschillende omstandigheden in de diverse landen, moeten zij vooral greep krijgen op de globale dynamiek van de ontwikkeling van de voorwaarden van de klassestrijd, in het bijzonder de tendenzen, de voorbodes die de toekomst aankondigen. Kautsky verzette zich tegen het ‘Russische experiment’, beschouwde het als een uitdrukking van de achterlijkheid van Rusland, waarmee hij dus indirect de internationale solidariteit weigerde en een standpunt verspreidde, dat doorspekt was met nationale vooroordelen, en beweerde dat de arbeiders in Duitsland met hun machtige vakbond een voorsprong hadden en hun methodes ‘superieur’ zouden zijn… en dat op een moment dat de vakbondsleiding de massastaking en de zelfstandige actie van het proletariaat al blokkeerde!  En wanneer Luxemburg gevangen werd gezet omdat ze propaganda had gemaakt voor de massastaking, toonden Kautsky en zijn vrienden geen enkel teken van verontwaardiging en protesteerden ze niet.

Luxemburg, die door deze poging tot censuur niet tot zwijgen was te brengen, verweet de partijleiding al haar aandacht op de voorbereiding van de verkiezingen te concentreren: “[Wil] Vorwärts met een delirium van vreugde over onze huidige en toekomstige electorale successen verdoven? Gelooft Vorwärts werkelijk dat de politieke uitdieping en de reflectie van grote lagen van de partij een dienst kunnen worden bewezen door deze permanente hoerastemming over de electorale successen, één jaar, misschien anderhalf jaar voor de verkiezingen en door de verstikking van elke zelfkritiek binnen de partij?” (81)

Naast Rosa Luxemburg was Anton Pannekoek de belangrijkste criticus van de ‘uitputtingsstrategie’ van Kautsky. In zijn boek Tactische verschillen in de arbeidersbeweging (82) ondernam Pannekoek een fundamentele en systematische kritiek van de ‘oude werktuigen’ van het parlementarisme en de vakbondsstrijd. Pannekoek werd ook het slachtoffer van censuur en repressie binnen de sociaal-democratie en het vakbondsapparaat en verloor aldus zijn werk bij de partijschool. Steeds meer werden de artikelen van Luxemburg en Pannekoek gecensureerd door de partijpers. In november 1911 weigerde Kautsky voor het eerst een artikel van Pannekoek in de Neue Zeit te publiceren. (83)

Zo dwongen de massastakingen van 1905 de SPD-leiding om haar ware gezicht te laten zien en zich te verzetten tegen elke mobilisatie van de arbeidersklasse, die probeerde om de ‘Russische ervaringen’ na te volgen. Vele jaren voor het uitbreken van de oorlog vormden de leiders van de vakbonden een bolwerk van het kapitalisme. Het argument om “ met de verschillende omstandigheden van de klassestrijd rekening te houden” was in werkelijkheid slechts een voorwendsel om de internationale solidariteit te verwerpen, daar waar de sociaal-democratie probeerde schrik aan te jagen en zelfs het nationale gevoel aan te wakkeren tegenover het ‘Russische radicalisme’; dit zou een belangrijk ideologisch wapen vormen in de oorlog die enkele jaren later uitbrak. Na 1905 werd het centrum dat tot dan aarzelend was, progressief meer en meer naar rechts aangetrokken. De onbekwaamheid en de weigering van het centrum om de strijd van links in de partij te ondersteunen, wilde zeggen dat  links meer geïsoleerd was binnen de partij.

Zoals Luxemburg onderstreepte: “Het werkelijke effect van de interventie van kameraad Kautsky beperkt zich dus tot dit: hij heeft een theoretische dekmantel verschaft aan hen, die in de partij en vakbonden, met een gevoel van onbehagen, de onstuimige groei van de massabeweging gadeslaan, deze graag willen remmen en zo vlug mogelijk terug op de goede oude gerieflijke weg sturen van de parlementaire en vakbondsroutine. Kautsky heeft een remedie verschaft voor hun geestelijke scrupules en dit onder het schild van Marx en Engels, hij heeft hen tegelijkertijd een middel gegeven om de ruggengraat van een beweging van manifestaties te breken die hij voorhield altijd sterker te maken.” (84)

De oorlogsdreiging en de Internationale  

Het Congres van de Internationale te Stuttgart in 1907 trachtte lessen te trekken uit de Russisch-Japanse oorlog en om in de overweging het gewicht van de georganiseerde arbeidersklasse tegenover de groeiende oorlogsdreiging af te wegen.  Ongeveer 60.000 personen namen deel aan een manifestatie waar sprekers van een twaalftal landen waarschuwden voor de gevaren van de oorlog. August Bebel stelde een resolutie voor tegen het gevaar van de oorlog, wat de vraag omzeilde over het militarisme als integrerend onderdeel van het kapitalisme en vermeldde niet de strijd tegen de oorlog van de arbeiders in Rusland. De Duitse Partij trachtte te vermijden om gebonden te worden door om het even welk voorschrift wat betreft haar actie in geval van oorlog, vooral onder de vorm van een algemene staking.

Luxemburg, Lenin en Martov stelden samen een amendement voor die een meer energieke wending aan de resolutie gaf: “Dreigt er een uitbraak van een oorlog, dan zijn de arbeiders en de parlementaire vertegenwoordigers in de betrokken landen verplicht om alles te doen om een uitbraak van de oorlog te verhinderen door de inzet van gepaste middelen die, zich al naar gelang van de verscherping van de klassestrijd en de algemene politieke situatie, gewoonlijk veranderen en toenemen. In het geval de oorlog dan toch nog zou uitbreken, dan hebben ze (de socialistische partijen) de plicht tussen te komen om deze prompt te laten beëindigen en om met al haar krachten de economische en politieke crisis, door de oorlog teweeggebracht, te gebruiken om de meest diepe volkslagen te agiteren en de val van het kapitalisme te bespoedigen”. (85)

Het Congres van Stuttgart stemde unaniem voor deze resolutie, maar vervolgens slaagde de meerderheid van de IIe Internationale er niet in haar oppositie te versterken tegen de groeiende voorbereidingen van oorlog. Het Congres van Stuttgart is de geschiedenis ingegaan als een voorbeeld van mondelinge verklaringen zonder actie vanwege de meeste deelnemers. (86) Maar het was een belangrijk moment van samenwerking tussen de stromingen aan de linkerzijde die ondanks het uiteenlopen over vele andere vraagstukken, een gemeenschappelijke positie innamen betreffende de oorlog.

In februari 1907 publiceerde Karl Liebknecht zijn boek Militarisme en anti-militarisme, met een bijzondere aandacht voor de internationale jeugdbeweging waarbij hij met name de rol van het Duitse militarisme aan de kaak stelde. In oktober 1907 werd hij voor hoogverraad veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf. In datzelfde jaar verklaarde Noske, een leider van de rechtervleugel van de SPD, bij een redevoering in de Reichstag, dat in geval van een ‘verdedigingsoorlog’, de sociaal-democratie de regering zal ondersteunen en dat “Onze houding tegenover het leger wordt bepaald door ons oordeel over het nationale vraagstuk. Wij eisen de autonomie op voor elke natie. Maar dat betekent dat wij eveneens het behoud van de autonomie van het Duitse volk benadrukken. Wij zijn ten volle bewust dat het onze verdomde plicht is ervoor te zorgen dat het Duitse volk niet door andere volkeren tegen de muur wordt geplaatst”. 87 Het betreft hier dezelfde Noske die in 1918 de “bloedhond “(volgens zijn eigen woorden) zou worden van de door de SPD geleide repressie tegen de arbeiders.

De uitverkoop van het internationalisme voor electorale successen 

In 1911 veroorzaakte de Duitse expeditie van oorlogsschip Panther in Agadir een tweede crisis tussen Marokko en Frankrijk. De leiding van de SPD wees elke antimilitaristische actie af om te vermijden dat haar electoraal succes voor de volgende verkiezingen van 1912 niet in gevaar te brengen. Toen Luxemburg deze houding aanklaagde, beschuldigde de leiding van de SPD haar van het verraden van de geheimen van de partij. In augustus 1911, na veel aarzelingen en pogingen om de kwestie te omzeilen, verspreidde de partijleiding een pamflet dat een protest moest zijn tegen de politiek van het Duitse imperialisme in Marokko.

Het pamflet werd scherp bekritiseerd door Luxemburg in haar artikel Ons pamflet over Marokko  (89). Wat ze niet wist, was dat Kautsky er de schrijver van was. Kautsky antwoordde met een zeer persoonlijke aanval. Luxemburg ging in de tegenaanval: Kautsky, schreef zij, heeft haar kritiek voorgesteld als “een gluiperige boosaardige aanval tegen hem [Kautsky] als persoon. (…) De kameraad Kautsky zal moeilijk kunnen bestrijden dat ik niet de moed heb om mijn kritieken rechtstreeks en met open vizier te uiten. Ik heb nooit iemand vanuit een hinderlaag aangevallen en ik verwerp vastberaden het idee van kameraad Kautsky dat ik wist wie het pamflet geschreven had en dat ik het – zonder hem te noemen – op hem had gemunt. (…) Maar ik zou me ervoor hebben behoed om zonder een dringende noodzaak een polemiek te beginnen met een kameraad die op een overspannen wijze reageert met zulk een stortvloed aan persoonlijke berispingen, bitterheid en argwaan op een strikt feitelijke, alhoewel scherpe kritiek en die achter elk woord een persoonlijke, kwade intentie veronderstelt.” (89)

Op het partijcongres van Jena, in september 1911, verspreidde de partijleiding een speciale brochure tegen Rosa Luxemburg, vol met aanklachten tegen haar, en waarin ze ervan werd beschuldigd de geheimhouding te schenden en van het Internationaal Bureau van de IIe Internationale geïnformeerd te hebben over de interne correspondentie van de SPD.

Kautsky’s desertie van de strijd tegen de oorlog

Hoewel Kautsky in zijn boek De weg naar de macht (1909) had gewaarschuwd dat “de wereldoorlog gevaarlijk dicht naderde” voorspelde hij dat, als de oorlog zou uitbreken, “iedereen een patriot zal worden” en dat, indien de sociaal-democratie ertoe besliste om tegen de stroom in te gaan, zij door de volkswoede verscheurd zou worden. Hij verwachtte de vrede in de ‘landen die de Europese beschaving vertegenwoordigen’ en de Verenigde Staten van Europa zouden kunnen vormen. Tegelijkertijd begon hij zijn theorie over het ‘superimperialisme’ te ontwikkelen door deze theorie te baseren op het idee dat het imperialistisch conflict geen onvermijdelijk gevolg is van de kapitalistische expansie, maar simpelweg een ‘politiek’ die de verlichte kapitalistische staten konden verkiezen of verwerpen.

Kautsky dacht al dat de oorlog de klassetegenstellingen naar de achtergrond zou verdringen, en dat de massale actie van het proletariaat tot mislukking gedoemd was en dat – zoals hij zei toen de oorlog uitbrak – de Internationale enkel nuttig was in vredestijd. Deze houding – zich volledig bewust te zijn van het oorlogsgevaar, maar te buigen voor de heersende nationalistische druk en terug te deinzen voor een vastberaden strijd – ontwapende de arbeidersklasse en opende de deur voor het verraad van de belangen van het proletariaat. Zo minimaliseerde Kautsky in zijn theorie van het ‘superimperialisme’ enerzijds de explosieve realiteit van de imperialistische spanningen en faalde hij volledig de vastberadenheid, waarmee de heersende klasse de oorlog voorbereidde, waar te nehmen. Anderzijds gaf hij toe aan de nationalistische ideologie van de regering (en die van de rechtervleugel van de SPD) in plaats van deze te confronteren, uit schrik voor een electoraal verlies van de SPD. Zijn ruggengraat en strijdwil waren verdwenen.

Daar waar een vastberaden aanklacht van de oorlogsvoorbereidingen nodig was en de linkerzijde haar best deed om publieke vergaderingen tegen de oorlog te organiseren, die duizenden van deelnemers trokken, mobiliseerde de leiding van de SPD tot aan de grens van het mogelijke de komende voor de parlementaire verkiezingen van 1912. Luxemburg hekelde de opgelegde stilte over het oorlogsgevaar als een opportunistische poging om parlementszetels te winnen en de Internationale op te offeren, alleen maar om meer stemmen te behalen.

In 1912 dwong de bedreiging van de vrede, die uitging van de Tweede Balkanoorlog, het Internationaal Socialistisch Bureau tot de organisatie van een buitengewoon Internationaal Congres die plaatsvond te Basel (Zwitserland). Het bijzondere doel hiervan was de internationale arbeidersklasse te mobiliseren tegen het dreigende oorlogsgevaar. Luxemburg bekritiseerde het feit dat de Duitse partij slechts de Duitse vakbonden volgden, die enkele bescheiden bijeenkomsten hadden georganiseerd en verder zeiden dat de partij, als politiek orgaan van de arbeidersklasse, niets meer hoeft te doen dan een mondelinge aanklacht tegen de oorlog af te leggen. Daar waar andere partijen in andere landen met meer kracht gereageerd hadden, had de SPD als grootste arbeiderspartij van de wereld, zich in wezen teruggetrokken van de agitatie en had ze zich onthouden van meer mobiliserende protesten. Inderdaad, het Congres van Basel, dat eens te meer eindigde met een grote demonstratie en oproepen tot vrede, maskeerde eigenlijk de verrotting en het naderende verraad van vele partijen die lid waren van de Internationale.

Op 3 juni 1913 stemde de SPD-fractie in de Reichstag voor een speciale militaire belasting: 37 SPD-leden, die zich tegen deze stemming hadden verzet, werden door middel van de groepsdiscipline het zwijgen opgelegd. De open breuk met de vroegere leuze: "geen mens, geen cent voor dit systeem” bereidde de stemming voor van augustus 1914 door de Reichstag-fractie ten gunste van de oorlogskredieten. (90)  Het morele verval van de partij werd geopenbaard door de reactie van Bebel. In1870-71 had August Bebel samen met Wilhelm Liebknecht (de vader van Karl Liebknecht) zich onderscheiden door zijn vastberaden verzet tegen de Frans-Pruisische oorlog. Nu, vier decennia later, faalde Bebel om vastberaden verzet te plegen tegen de oorlogsdreiging. (91)

Het werd steeds duidelijker dat niet enkel rechts het erop aanlegde om openlijk verraad te plegen, maar dat ook de aarzelende centristen elke strijdlust verloren hadden en er niet in slaagden om zich vastberaden te verzetten tegen de oorlogsvoorbereidingen. De houding van de meest bekende vertegenwoordiger van het ‘centrum’, Kautsky, namelijk dat de partij haar houding met betrekking tot het oorlogsvraagstuk  moeten aanpassen aan de reacties van de bevolking (een passieve onderwerping indien de meerderheid in het land tendeerde naar het nationalisme of een meer resolute houding indien er een groeiende oppositie tegen de oorlog ontstond), werd gerechtvaardigd met het gevaar van ‘het eigen isolement ten opzichte van de grote massa van de partij’. Toen na 1910 de stroming rond Kautsky beweerde het ‘marxistisch centrum’ te zijn tegenover de (radicale, extremistische, niet-marxistische) linkerzijde, bestempelde Luxemburg dit ‘centrum’ als vertegenwoordiger van de lafheid, de voorzichtigheid en het conservatisme.

De centristische afkeer van de strijd, de onbekwaamheid om zich te verzetten tegen rechts en links te volgen in haar vastberaden strijd, droeg ertoe bij de arbeiders te ontwapenen. Zo was het verraad van augustus 1914 door de leiding van de partij geen verrassing: zij was beetje bij beetje voorbereid. De steun aan het Duitse imperialisme werd tastbaar doorheen de verschillende stemmingen in het parlement ten voordele van de oorlogskredieten, doorheen de inspanningen gericht op het afremmen van de bijeenkomsten tegen de oorlog, doorheen de gehele houding om partij te kiezen ten gunste van het Duitse imperialisme en doorheen de ketening van de arbeidersklasse aan het nationalisme en het patriottisme. Het muilkorven van de linkervleugel is cruciaal geweest in het opgeven van het internationalisme en effende het pad voor de repressie van de revolutionairen in 1919.

Verblind door aantallen

Aangezien de leiding van de SPD haar acties had gericht op de wetgevende verkiezingen, was de partij zelf aan het electorale succes gebonden en verloor zij het uiteindelijke doel van de arbeidersbeweging uit het oog. De partij verwelkomde de schijnbaar ononderbroken groei van haar kiezers, van het aantal van haar afgevaardigden en die van de lezers van haar partijpers. De groei was inderdaad indrukwekkend: in 1907 had de SPD 530.000 leden; in 1913 was het cijfer meer dan verdubbeld tot 1,1 miljoen. De SPD was in werkelijkheid de enige massapartij van de Tweede Internationale en de grootste partij in om het even welk Europees parlement. Deze numerieke groei gaf de illusie van een grote kracht. Zelfs Lenin was opmerkelijk kritiekloos over de ‘indrukwekkende aantallen’ van de leden en kiezers en de invloed van de partij. (92)

Hoewel het onmogelijk is om een mechanische relatie te leggen tussen de politieke onverzettelijkheid en de verkiezingssuccessen, leidde de verkiezingen van 1907, waarbij de SPD de barbaarse repressie door het Duitse imperialisme tegen de opstand van de Herero in Zuid-West Afrika nog veroordeelde, tot een ‘terugslag’. De SPD verloor 38 zetels in het parlement en bleef met ‘slechts’ 34 zetels achter. Ondanks het feit dat het percentage van de SPD in de globale verkiezing effectief toegenomen was, betekende deze electorale terugslag in de ogen van de partijleiding dat de partij afgestraft was door de kiezers en vooral door de kiezers uit de kleinburgerij, door de aanklacht tegen het Duitse imperialisme. De les die zij hieruit trok was dat de SPD moest vermijden om zich te fel tegen het imperialisme en nationalisme te verzetten daar dit haar stemmen zou kosten. In plaats daarvan moest de partij al haar krachten richten op de campagne voor de volgende verkiezingen, en alles vermijden wat haar verkiezingssucces in gevaar kon brengen, zelfs als dit betekende dat de discussies zouden moeten worden gecensureerd.

Bij de verkiezingen van 1912 bereikte de partij 4,2 miljoen stemmen (38% van alle uitgebrachte stemmen) en haalde ze 110 zetels. Zij was de grootste parlementaire partij geworden, maar enkel door het internationalisme en de principes van de arbeidersklasse te begraven. In de plaatselijke parlementen had ze meer dan 11.000 verkozen. De SPD telde 91 dagbladen en 1.500.000 abonnees. De integratie van de SPD in het spel van de parlementaire politiek is nog verder gegaan tijdens de verkiezingen van 1912, toen zij haar kandidaten uit verschillende districten terugtrok ten voordele van de Fortschrittliche Volkspartei, hoewel deze partij onvoorwaardelijk de Duitse imperialistische politiek steunde. Gedurende deze tijd steunde de Sozialistische Monatshefte (in principe geen partij-publicatie, maar in realiteit het theoretisch orgaan van de revisionisten) openlijk de koloniale politiek van Duitsland en de eisen van het Duitse imperialisme voor een herverdeling van de koloniën.

Langzame integratie in de staat

In feite ging de totale mobilisatie van de partij voor de parlementaire verkiezingen gepaard met een langzame integratie in het staatsapparaat. De indirecte instemming met de begroting in juli 1910 (93), het versterken van de samenwerking met de burgerlijke partijen (dat tot dan toe geen onderwerp was), de terugtrekking van (eigen) kandidaten de verkiezing van de burgerlijke Freiheitlichen Volkspartei mogelijk te maken, de aanduiding van een kandidaat voor de burgemeerstersverkiezingen te Stuttgart – dat waren enige van de stappen op weg naar de directe deelname van de SPD aan het beheer van de staat.

Deze globale tendens tot een toenemende vermenging van de parlementaire activiteiten van de SPD en haar identificatie met de Staat, werd door de linkerzijde aan de kaak gesteld, in het bijzonder door Anton Pannekoek en Rosa Luxemburg. Pannekoek wijdde een volledig boek aan de Tactische verschillen binnen de arbeidersbeweging. Luxemburg, die bijzondere aandacht had voor het verstikkend effect van het parlementarisme, oefende druk uit voor initiatief en actie van de basis: “Maar de ideale partijleiding zou niets kunnen aanvangen, zou onwillekeurig terechtkomen in een inefficiënte bureaucratie, indien haar natuurlijke bron van energie, de wil van de partij, zich niet laat voelen, als de kritische gedachte, het initiatief van het merendeel van de leden van de partij slaapt..

Ja, meer zelfs. Indien de eigen energie, het zelfstandige intellectuele leven van het merendeel van de partij niet actief genoeg is, dan hebben de centrale autoriteiten de heel natuurlijke tendens om niet enkel bureaucratisch vast te roesten, maar eveneens om zich een volkomen vals beeld te vormen van hun eigen autoriteit en hun positie ten opzichte van de partij. Het meest recente zogenaamde ‘geheime’ decreet van de partijleiding aan de redacties binnen de partij kan dienen als duidelijk bewijs, een poging om de voogdij te spelen over de partijpers, dat men slechts op de meest strenge wijze kan verwerpen. In ieder geval is het ook  hier nodig om helder te zijn: tegenover de ondoelmatigheid en de overdreven illusies van de macht van de centrale autoriteiten van de arbeidersbeweging is er geen andere weg dan het eigen initiatief, het eigen denken en het fris en kloppende politieke leven van de massa van  de partij.” (95)

Inderdaad, Luxemburg benadrukte voortdurend de noodzaak voor de massa’s van de partijleden, om “wakker te worden“ en hun verantwoordelijkheid op te nemen tegen de degenererende partijleiding. “De grote massa’s [van de partij] moeten zelf actief worden op hun eigen wijze, zij moeten zich op hun eigen wijze bevestigen, hun eigen energie, hun eigen daadkracht kunnen ontvouwen, zij moeten zich roeren  als massa, handelen, passie,  moed en vastberadenheid ontwikkelen.” (95)

 “Elke stap voorwaarts in de strijd voor ontvoogding van de arbeidersklasse dient tegelijkertijd een groeiende intellectuele zelfstandigheid van de massa van arbeiders te betekenen, haar groeiende zelfbevestiging, zelfbeschikking en initiatief (…) Het is van vitaal belang voor de normale ontwikkeling van het politieke leven binnen een partij, de levensvraag van de sociaal-democratie hangt daarvan af, om de politieke gedachte en de wil van de massa van de partij wakker en actief te houden, opdat ze in een toenemende mate tot activiteit in staat zijn. (…)

Wij hebben natuurlijk het jaarlijkse partijcongres, de hoogste instantie, die regelmatig de wil bevestigt van de hele partij. Het is echter duidelijk dat de partijcongressen enkel maar algemene richtlijnen voor de tactiek aan kunnen geven voor de sociaal-democratische strijd. De toepassing van deze richtlijnen in de praktijk vereisen een permanente, onvermoeibare denkarbeid, slagvaardigheid en initiatief (..) Om deze hele opgave van de dagelijkse politieke waakzaamheid en initiatief toe te willen schuiven aan een leiding van de partij, op wiens commando de weldra één miljoen koppige partij-organisatie passief wacht, is, vanuit het oogpunt van de proletarische klassestrijd, het meest foutieve wat er bestaat. Onze opportunisten willen in het algemeen het liefst zien dat de vanzelfsprekende onderwerping van allen aan de beslissingen van de gehele partij zich uit in een dergelijke verwerpelijke ‘blinde gehoorzaamheid’.” (96)

De ‘fractiediscipline’ verstikt de individuele verantwoordelijkheid

Op 4 augustus 1914 stemde de parlementaire fractie van de SPD met unanimiteit voor de oorlogskredieten. De partijleiding en de parlementaire fractie hadden de “fractiediscipline” geëist. De censuur (staatscensuur of zelfcensuur?) en de valse eenheid volgden hun eigen logica, het precieze tegenovergestelde van persoonlijke verantwoordelijkheid. Het proces van ontbinding betekende dat de bekwaamheid tot kritisch denken en verzet tegen de valse eenheid van de partij was geëlimineerd. De morele waarden van de partij werden opgeofferd op het altaar van het kapitaal. In naam van de partijdiscipline, eiste de partij de opheffing van het proletarisch internationalisme.

Karl Liebknecht, wiens vader in 1870 gedurfd had de steun voor de oorlogskredieten af te wijzen, zwichtte nu voor de druk van de partij. Pas enkele weken later, na een eerste hergroepering van kameraden die trouw waren gebleven aan het internationalisme, durfde hij het om openlijk zijn afwijzing van de oorlogsmobilisatie door de leiding van de SPD tot uitdrukking te brengen. Maar de stemming voor de oorlogskredieten door de Duitse SPD, had in andere Europese landen een lawine van onderwerpingen aan het nationalisme uitgelokt. Met het verraad van de SPD tekende de Tweede Internationale haar doodvonnis en loste ze zichzelf op.

De opkomst van de opportunistische en revisionistische stroming, die het duidelijkst waren gezien in de grootste partij van de Tweede Internationale en die het doel van omverwerping van de kapitalistische maatschappij had opgegeven, betekende dat het proletarische leven, de strijdlust en morele verontwaardiging verdwenen waren binnen de SPD, of tenminste in de rangen van haar leiding en bureaucratie. Tegelijkertijd was dit proces onverbrekelijk verbonden met de ontaarding van het programma van het SPD. Dit werd zichtbaar in de weigering om nieuwe wapens van de klassestrijd te hanteren, de massastaking en de zelforganisatie van de arbeiders en het langzamerhand prijsgeven van het internationalisme.

Het ontaardsingsproces van de Duitse sociaal-democratie, dat geen geïsoleerd verschijnsel was in de Tweede Internationale, leidde tot haar verraad in 1914. Voor het eerst had een politieke organisatie van arbeiders niet enkel de belangen van de arbeidersklasse verraden. Ze werd bovendien één van de doeltreffendste wapens van de kapitalistische klasse om een oorlog te ontketenen en de arbeidersopstand tegen de oorlog te verpletteren. De lessen van de ontaarding van de sociaal-democratie blijven dus van cruciaal belang voor de revolutionairen van vandaag.

Heinrich / Jens

Voetnoten

(1) Met 38,5% van de uitgebrachte stemmen had de SPD 110 zetels in de Reichstag

(2) Karl Kautsky is geboren in 1854 in Praag. Zijn vader was hoofd decorateur en zijn moeder actrice en schrijfster. De familie vestigde zich in Wenen toen Kautsky 7 jaar was. Hij studeerde aan de Universiteit van Wenen en vervoegde zich in 1875 bij de Sozialdemokratische Partei Österreichs (SPÖ). In 1880 hielp hij vanuit Zürich met het smokkelen van de socialistische literatuur naar Duitsland.

(3) August Bebel is geboren in 1840 in wat nu een buitenwijk van Keulen is. Hij verloor zijn beide ouders nog vóór hij 14 werd. In 1854 werd hij leerling bij een timmerman en als jonge man maakte hij vele reizen in Duitsland. Hij ontmoette Wilhelm Liebknecht in 1865 en was direct onder de indruk van zijn internationale ervaring. In zijn autobiografie herinnert Bebel zich uitgeroepen te hebben: “Verdomme, dat is een man van wie je iets kan leren”. (Bebel, Aus Meinem Leben, Berlin 1946, vermeld in: James Joll, The Second International). Samen met Liebknecht werd Bebel één van de vooraanstaande leiders in de eerste jaren van de Duitse sociaal- democratie.

(4) Dit is heel duidelijk te zien in het boek van Lenin over de crisis van de RSDAP in 1903, Eén stap voorwaarts, twee stappen terug. Over de toekomstige Mensjewiki schrijft hij: “De mentaliteit van het kringwezen en een verbazingwekkende onrijpheid in partijkwesties, die niet in staat is de frisse wind van de discussies te verdragen die in alle openheid gevoerd worden, is  hier heel duidelijk te zien. (…) Stel je nou eens voor dat er in de Duitse Partij dergelijke onzin, dergelijk gekibbel mogelijk was, zoals de klacht over een “valse beschuldiging van opportunisme”!Proletarische organisatie en discipline hebben daar al lang een einde gemaakt aan de intellectuele lafheid. (…) Alleen vanwege het meest verstarde kringwezen met zijn logica: “En als je niet mijn kameraad wil zijn, dan sla ik je hersens in”, kon een “valse beschuldiging  van opportunisme”, geuit tegen de meerderheid van de groep “Bevrijding van de Arbeid”, leiden “tot hysterie, gekibbel en splitsing in de partij”. Bron: Lenin, Ein Schritt Vorwärts, zwei Schritte zurück: Die unschuldigen Opfer der falschen Beschuldigung des Opportunismus (eigen vertaling).

(5) Rosa Luxemburg, De crisis in de sociaal-democratie  (beter bekend onder de naam Juniusbrochure), hoofdstuk 1. Iedereen die probeert iets te begrijpen van de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog moet het boek van Luxemburg lezen.

(6) Idem, p. 55

(7) Centraal persorgaan van de SPD.

 (8) Ook bekend onder Eisenacher Partei, naar de stad waar zij was opgericht.

(9) Marx, Erste Adresse des Generalrats der IAA über den Bürgerkrieg in Frankreich, https://www.marxists.org/deutsch/archiv/marx-engels/1870/07/23-adrs1.htm (eigen vertaling)

(10) Een gelijkaardige tendens bleef bestaan in het Frans socialisme uit nostalgie voor het programma van de “Ateliers nationaux”, die was gevolgd op de revolutionaire beweging van 1848.

(11) Zie: Toni Offerman, Between reform and revolution: German socialism and communism from 1840 to 1990, Berghahn Books, 1998, p. 96.

 (12) Het is nu bekend onder de titel: Kritiek op het Program van Gotha.

(13) Brief van Marx aan Bracke, 5 mei 1875. Verzamelbundel: Tegen het Reformisme, Marx en Engels, Moskou 1990, p. 121.

(14) Brief van Engels aan August Bebel, 18-28 maart 1875. Verzamelbundel: Tegen het Reformisme, Marx en Engels, Moskou 1990, p. 241. https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1875/1875gotha.htm

(15) Geciteerd in Georges Haupt, Aspects of international socialism 1871-1914, Cambridge University Press & Éditions de la Maison des Sciences de l'Homme.

(16) De stemming voor de oorlogkredieten in het parlement was een duidelijke schending van de statuten et de beslissingen van het Congres van de SPD, zoals Rosa Luxemburg benadrukte.

(17) F. Engels, Over de kritiek op het project van het sociaal-democratisch programma voor 1891. Verzamelbundel: Tegen het Reformisme, Marx en Engels, Moskou 1990, p. 183.

(18)  Toch mogen we niet vergeten dat de Russische autocratie extremer was: het Russische equivalent van de Reichstag, de Doema, werd pas bijeengeroepen onder druk van de revolutionaire beweging in 1905.

(19) Zie de opmerkelijke biografie van JP Nettl over Rosa Luxemburg, p. 81. (Schocken Paperback, de verkorte versie van Oxford University Press 1969, met een indleiding door Hannah Arendt). In dit artikel hebben we zowel uit de verkorte als uit de onverkorte versie geciteerd.

(20)  Het is kenmerkend dat, terwijl de partij het reformisme duldde van de rechtervleugel, de "Jungen" ("jongeren”), die de evolutie naar het parlementarisme heftig hadden bekritiseerd, tijdens het Congres van Erfurt uit de partij werden gestoten. Het is waar dat deze groep hoofdzakelijk een intellectuele en litteraire oppositie was met anarchistische tendensen (nadat ze de SPD hadden verlaten is een bepaald aantal van hun leden trouwens afgedreven naar het anarchisme,). Het is toch veelzeggend dat de partij veel harder heeft gereageerd op de kritiek van de linkerzijde dan op de opportunistische praktijk van de rechterzijde.

(21) Zie : Jacques Droz, Histoire générale du socialisme, p. 41, Éditions Quadrige/PUF, 1974.

(22) Brief aan Kautsky, 1896, aangehaald door Droz, p. 42. (eigen vertaling)

(23) Het revisionisme van Bernstein was geenszins een geïsoleerde verschijnsel. In Frankrijk vervoegde de socialist Millerand de regering Waldeck-Rousseau aan de zijde van generaal Gallifet, de beul van de Commune van Parijs; een gelijkaardige tendens bestond in België; de Britse arbeidersbeweging werd helemaal beheerst door het reformisme en een bekrompen nationalistische vakbeweging.

(24) „Aber die Kolonialfrage ist viel mehr als bloß eine Menschlichkeitsfrage. Sie ist eine Menschheitsfrage und eine Kulturfrage ersten Ranges. Sie ist die Frage der Ausbreitung der Kultur und, solange es große Kulturunterschiede gibt, der Ausbreitung oder, je nachdem, Behauptung der höheren Kultur. Denn früher oder später tritt es unvermeidlich ein, dass höhere und niedere Kultur auf einander stoßen, und in Hinblick auf diesen Zusammenstoß, diesen Kampf ums Dasein der Kulturen ist die Kolonialpolitik der Kulturvölker als geschichtlicher Vorgang zu werten. Dass sie meist aus anderen Motiven und mit Mitteln, sowie in Formen betrieben wird, die wir Sozialdemokraten verurteilen, wird in den konkreten Fällen uns zu ihrer Ablehnung und Bekämpfung bewegen, kann aber kein Grund sein, unser Urteil über die geschichtliche Notwendigkeit des Kolonisierens zu ändern.“ Eduard Bernstein, Die Kolonialfrage und der Klassenkampf, (November 1907) Quelle: Sozialistische Monatshefte. Sozialistische Monatshefte. - 11 = 13 (November 1907), S. 988–996.

(24) „Maar de koloniale kwestie is veel meer dan een loutere meselijkheidsvraag. Ze is een vraag voor de mensheid en de cultuur van de eerste orde. Ze is een kwestie van culturele verspreiding en, zolang er grote culturele verschillen bestaan, betreft het de uitbreiding, of liever gezegd, de bevestiging van de superieure cultuur. Omdat het onvermijdelijk is dat deze culturen vroeg of laat met elkaar in botsing komen en, met betrekking tot deze botsing, deze strijd om het bestaan tussen culturen, moet de koloniale politiek van de beschaafde volkeren beoordeeld worden als een historisch proces. Het feit dat meestal vanuit andere motieven en met andere middelen nagestreefd wordt, en evenals in  vormen die wij, sociaal-democraten, veroordelen, kan ons er in bijzondere gevallen toe aanzetten tot het verwerpen en te bevechten, maar dit mag geen reden zijn om onze mening te herzien wat betreft de historische noodzaak van de kolonisatie." Eduard Bernstein, Die Kolonialfrage und der Klassenkampf, November 1907, Sozialistische Monatshefte 11-13, p. 988–996. (eigen vertaling)

(25) Zie: Nettl, p. 101

(26)  Parvus, eveneens bekend onder de naam Alexander Helphand, was een merkwaardig en controversieel figuur in de revolutionaire beweging. Na enkele jaren aan de linkerzijde van de Duitse sociaal-democratie, dan actief in de revolutie van 1905 in Rusland, ging hij naar Turkije waar hij wapens verhandelde en rijk werd dankzij de Balkanoorlogen. Tegelijkertijd profileerde hij zich als financieel en politiek raadgever van de nationalistische beweging “Jonge Turken” en als uitgever van de nationalistische publicatie Yurdu Turk. Gedurende de oorlog werd Parvus een openlijke partizaan van het Duitse imperialisme tot afgrijzen van Trotsky aangezien zijn ideeën over de “permanente revolutie” sterk waren beïnvloed door Parvus. Zie: Deutscher, The prophet armed, “War and the International”

(27) Rosa Luxemburg, Hervorming of Revolutie?, Deel II, Opportunisme in Theorie en Praktijk, Amsterdam 2006, p. 121.

(28) "Parteitag der Sozialdemokratie", Oktober 1898 in Stuttgart, Rosa Luxemburg, Gesammelte Werke, Band 1/1 p. 241.

(29)  Rosa Luxemburg, Parteifragen im "Vorwärts", Gesammelte Werke, Band  1/1, p. 565, 29.9.1899

(30) Rosa Luxemburg, Idem p. 574.

(31) August Bebel, Dresden, 13 september 1903, geciteerd door Rosa Luxemburg in "Nach dem Jenaer Parteitag" (oktober 1913);  Rosa Luxemburg, Gesammelte Werke, Band 3, p. 343-353.

(32) "Unser leitendes Zentralorgan", Leipziger Volkszeitung, 22 september 1899, Rosa Luxemburg in: Gesammelte Werke, Band 1/1, p. 558.

(33)  Bovendien begon Bernstein “het uiteindelijke doel van de beweging op te geven en veronderstelde de  beweging overeind te houden. Maar omdat er geen socialistische beweging kan zijn zonder socialistisch einddoel, eindigt hij ermee de beweging zelf op te geven.” (Hervorming of Revolutie?  Hoofdstuk 4 “De Ineenstorting”).

(34)  "Ik ben u zeer erkentelijk voor de informatie: die helpt me de kwestie te begrijpen. Dat de uiteenzettingen van Bernstein, zoals hij die tot nog toe heeft gedaan, niet meer overeenkomen met ons programma, was mij natuurlijk wel duidelijk. Maar dat we de hoop op hem moeten opgeven, dat is zeer pijnlijk. Het verwondert me echter dat u, en kameraad Kautsky, als u de situatie zo begrepen heeft, geen gebruik heeft willen maken van de gunstige stemming, die door de partijdag was geschapen, om onmiddellijk een energiek debat te voeren, maar eerst Bernstein in de gelegenheid heeft willen stellen een brochure te schrijven, iets wat de discussie alleen maar zal vertragen.” (Rosa Luxemburg, Gesammelte  Briefe, Band 1, p. 210, brief aan Bebel, 31 oktober 1898).

(35)  Rosa Luxemburg, Gesammelte Briefe, Band 1, p. 289, brief aan Leo Jogiches, 11 maart 1899.

(36) Kautsky aan Bernstein, 29  juli 1899, IISG-Kautsky-Nalatenschap, C. 227, C. 230, geciteerd in Till Schelz-Brandenburg, Eduard Bernstein und Karl Kautsky, Entstehung und Wandlung des sozialdemokratischen Parteimarxismus im Spiegel ihrer Korrespondenz 1879 bis 1932, Köln, 1992.  

(37)  Rosa Luxemburg, “Parteifragen im Vorwärts”, Gesammelte Werke, Band 1/1, p. 564, 29 september 1899.

(38) Laschitza, Im Lebensrausch, Trotz Alledem, p. 104, 27 oktober 1898, Kautsky-Nachlass C 209: Kautsky an Bernstein.

(39) Karl Kautsky an Victor Adler, 20  juli  1905, in Victor Adler Briefwechsel, a.a.O. p. 463, geciteerd uit Till Schelz-Brandenburg, p. 338).

(40) Rosa Luxemburg, Gesammelte Werke, Bd. 1/1, p. 528, citaat uit: “Kautsky zum Parteitag in Hannover”, Neue Zeit 18, Stuttgart 1899-1900, Band 1, p. 12.

(41) Rosa Luxemburg, Zum kommenden Parteitag (1899), "Freiheit der Kritik und der Wissenschaft". Gesammelte Werke, Band 1/1, p. 527.

(42) Rosa Luxemburg, Gesammelte Briefe, Band 1, p. 279, brief aan Leo Jogiches, 3 maart 1899.

(43) Idem, Band 1, p. 426, Brief van Leo Jogiches, 21 december 1899.

 (44) Luxemburg maakte er een erezaak van om zich volledig in te zetten als agitator (zij was een zeer gevraagde spreekster), zelfs voor de partijleden die zij het meest bekritiseerde, zoals tijdens de verkiezingscampagne van de revisionist Max Schippel.

(45) Rosa Luxemburg Gesammelte Briefe, Band 1, p. 491, Brief aan Leo Jogiches, 7 juli 1900.

(46) Rosa Luxemburg, “Erklärung”, Gesammelte Werke, Band 1/2, p. 146, 1 oktober 1901.

(47) Tijdens het Parijcongres van Lübeck zijn de Neue Zeit en Kautsky, als hoofdredacteur, hevig aangevallen door de opportunisten vanwege de controverse over het revisionisme.

(48) JP Nettl, Rosa Luxemburg, Band 1, p. 192 (integrale editie), Rosa Luxemburg, Brief aan Kautsky, 3 oktober 1901.

(49) Rosa Luxemburg, Gesammelte Briefe, Band 1, p. 565, Brief aan Jogiches, 12 januari 1902.

(50)  Geciteerd uit Nettl, p. 127. (integrale editie)

(51) Rosa Luxemburg, Gesammelte Briefe, Band 3, p. 358, Brief aan Kostja Zetkin, 27 juni 1908.

(52) Idem, Band  3, p. 57, Brief aan Kostja Zetkin, 1 augustus 1909.

(53) Rosa Luxemburg, Gesammelte Werke, Band 1/1, p. 238, „Parteitag der Sozialdemokratie 1898 in Stuttgart, Oktober 1898”. (eigen vertaling)

(54) Idem, p. 245, Nachbetrachtungen zum Parteitag 12-14. Oktober 1898, Sächsische Arbeiter-Zeitung Dresden. (eigen vertaling)

(55)Rosa Luxemburg, Gesammelte Briefe, Band  1, p. 279, Brief aan Leo Jogiches, 3 maart 1899. (eigen vertaling)

(56) Idem, p. 384, Brief aan Leo Jogiches, 24  september 1899 (eigen vertaling)

(57) Idem, p. 322, Brief aan Jogiches, 1  mei 1899 (eigen vertaling)

(58) Kautsky an Bernstein, 29 oktober 1898, IISG, Amsterdam, Kautsky-Nicolas, C210.

(59)  Laschitza, Ibid, p.  129, (Ignatz Auer in een brief aan Bernstein). In zijn Histoire générale du socialisme, beschrijft Jacques Droz Auer als volgt: “Het is een practicus, een 'reformist' van de praktijk, die zich er op beroept, niets van doctrines af te weten, maar een dergelijk nationalist, dat hij voor de socialistische toehoorders de annexatie van Alsace-Loraine verheerlijkte en zich verzette tegen de instelling van een onafhankelijk Polen. Hij was zo cynisch dat hij de autoriteit van de Internationale ontkende; in feite beschermde hij de oriëntatie van de Sozialistische Monatsheft en begunstigde hij actief de ontwikkeling van het reformisme." (p.  41) (eigen vertaling)

(60) Laschitza, idem, p. 130.

(61) Laschitza, idem, p. 136, in:  Sächsische Arbeiterzeitung, 29 november 1899.

(62)  Rosa Luxemburg was zeer vroeg op de hoogte van de haat ten opzichte van haar. Nadat de leiding, op  het partijcongres van Hannover in 1899 haar het woord niet wilde verlenen over de kwestie van de douanerechten, omschreef ze in een brief aan Jogiches  hun houding als volgt: "Wij zouden de zaken beter regelen binnen de partij, dat wil zeggen: binnen de clan. Zo gaat het er bij hen altijd aan toe: brand de boot, hier die jood, is de brand uit, jood eruit". (Rosa Luxemburg, Gesammelte  Briefe, Band  1, p. 317, Brief aan Leo Jogiches, 27 april 1899 – eigen vertaling). Victor Adler schreef in 1910 aan Bebel: "Ik heb voldoende gemeenheid om een zeker plezier te beleven aan wat Karl [Kautsky] nu doormaakte met zijn vriendin. Maar het is werkelijk erg – die giftige teef gaat nog veel schade berokkenen, te meer daar zij zo bliksems intelligent is, terwijl haar gevoel voor verantwoordelijkheid totaal afwezig is en haar enige motivatie een bijna perverse neiging tot gelijkhebberij is". (Nettl, 1, p. 432, integrale versie, Victor Adler aan August Bebel, 5 augustus 1910 – eigen vertaling).

(63) Het satirische weekblad Simplicissimus publiceerde een schaamteloos gedicht, dat zich richtte tegen Luxemburg (Laschitza, S. 136, Simplicissimus, 4. Jahrgang, Nr. 33, 1899/1900, S. 263).

Nur eines gibt es, was ich wirklich hasse:
Das ist der Volksversammlungsrednerin.
Der Zielbewussten, tintenfrohen Klasse.
Ich bin der Ansicht, dass sie alle spinnen.
Sie taugen nichts im Hause, nichts im Bette.
Mag Fräulein Luxemburg die Nase rümpfen,
Auch sie hat sicherlich – was gilt die Wette? –
Mehr als ein Loch in ihren woll’nen Strümpfen
.”

(64) Frölich, Paul, “Gedanke und Tat”, Rosa Luxemburg, Dietz-Verlag Berlin, 1990, p. 62

(65) Rosa Luxemburg, Gesammelte Briefe, Band 1, p. 316, Brief aan Leo Jogiches, 27 april  1899.

(66) Idem, Band 3 p. 89, Brief aan Clara Zetkin, 29 september 1909.

(67) Idem, Band 3, p. 268, Brief aan Kostja Zetkin, 30 november 1910. Deze regels werden uitgelokt door de kleinburgerlijke reactie van de partijleiding op een artikel, dat ze had gepubliceerd over Tolstoi, dat zowel als irrelevant (de artikels over kunst waren niet belangrijk) als ongewenst werd beoordeeld voor de partijpers, omdat het de loftrompet sprak over een kunstenaar, die zowel een Rus en een mysticus was.

(68) Daar de partij een groot aantal kranten bezat, waren de meesten niet onder de rechtstreekse controle van de leiding in Berlijn. Of de artikelen van de stroming van de linkerzijde gepubliceerd werden, hing dikwijls af van de houding van het lokale redactiecomité’s. De linkervleugel ontmoette het grootste gehoor te Leipzig, Stuttgart, Bremen en Dortmund.

(69) Nettl 1, p.  421 (integrale versie).

(70) Nettl, I, p.  464 (integrale versie).

(71) De Sociaal-democratie van het koninkrijk Polen en Litouwen (Socjaldemokracja Królestwa Polskiego i Litwy – SDKPiL). De partij werd opgericht in 1893 als Sociaal-democratie van het koninkrijk Polen (SDKP), haar bekendste leden waren Rosa Luxemburg, Leo Jogiches, Julian Marchlewski en Adolf Warszawski. Als gevolg van de fusie met de vakbond van arbeiders in Litouwen, onder andere geleid door Feliks Dzerzhinski, werd ze de SDKPiL. Eén van haar belangrijkste eigenschappen was haar onwankelbaar internationalisme, haar overtuiging dat de Poolse nationale onafhankelijkheid niet in het belang was van de arbeiders en dat de Poolse arbeidersbeweging zich daarentegen nauw moest verbinden met de Russische sociaal-democratie en de Bolsjewiki in het bijzonder. Dit plaatste haar in een permanente tegenstelling met de Poolse socialistische partij (Polska Partia Socjalistyczna – PPS) die, onder leiding van Josef Pilsudski, die later (net als Mussolini) dictator van Polen werd, een steeds meer nationalistische koers aannam.

(72) Ter herinnering: Polen bestond niet als onafhankelijk land. Historisch gezien behoorde het grootste gedeelte van Polen tot het keizerrijk van de tsaren, terwijl de andere delen waren opgeslokt door Duitsland en Oostenrijk-Hongarije.

(73) In maart 1906 werd zij gevangen genomen, samen met  Leo Jogiches die ook naar Polen was teruggekeerd. Men maakte zich grote zorgen over haar veiligheid. De SDKPiL liet weten dat zij fysiek represailles zou nemen tegen de staatsagenten, als die haar zouden aanraken. Via een mengeling van list en hulp van haar familie lukte het om haar uit de tsaristische klauwen te bevrijden, van waaruit zij terugkeerde naar Duitsland. Jogiches werd veroordeeld tot acht jaar dwangarbeid, maar slaagde er ook in uit de gevangenis te ontvluchten.

(74) De volledige tekst staat op marxists.org

(75) Zie de reeks artikelen over 1905 in de Internationale Revue (Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave) nr. 120, 122, 123 en 125

(76) Rosa Luxemburg, Gesammelte Werke, Band 2, p. 347

(77) Rosa Luxemburg, “Das Offiziösentum der Theorie”, Gesammelte Werke, Band 3, p.  307, artikel gepubliceerd  in Neue Zeit, 1912.

(78) Het debat tussen Kautsky, Luxemburg en Pannekoek is gepubliceerd in het Frans onder de titel Socialisme, la voie occidentale, Presses Universitaires de France, Paris, 1983.

(79) Rosa Luxemburg, “Theorie und die Praxis”, Gesammelte Werke, Band 2, p. 380, gepubliceerd in de Neue Zeit, 28. Jg, 1909/1910, in antwoord op het artikel van Kautsky “Was nun?”

(80) Idem p. 398.

(81) Rosa Luxemburg, Gesammelte Werke, Band 3, p. 441 “Die totgeschwiegene Wahlrechtsdebatte”, 17 augustus 1910.

(82) In het Engels gepubliceerd onder de titel: Marxist theory and revolutionary tactics.

(83) In die tijd schreef Herman Gorter, een andere grote stem uit de Linkerzijde in Holland, aan Kautsky: "Tactische verschillen leiden dikwijls tot vervreemding tussen vrienden. Zoals u gemerkt hebt, was dat bij mij niet het geval. Ondanks het feit dat u Pannekoek en Rosa, waarmee ik het in het algemeen eens ben, meermaals bekritiseerd hebt (mij dus ook), bleef ik tegenover u dezelfde die ik altijd was." Gorter. Brief aan Kautsky, december 1914. Kautsky Archive IISG, DXI 283, aangehaald in Herman Gorter, Herman de Liagre Böhl, Nijmegen, 1973, p.  105). En: "Vanwege oude banden en waardering hebben we het, in De Tribune, steeds zoveel mogelijk nagelaten om je te bestrijden." (Idem).

(84) Rosa Luxemburg, Ermattung oder Kampf, Gesammelte Werke, Bd. 2, S. 374.

(85) Nettl, I, p. 401 (integrale versie).

(86) Een grote zwakheid van de militante verklaringen was het idee van een simultane actie. Aldus nam de Belgische socialistische jongeren een resolutie aan, waarin stond: "Het is de plicht van de socialistische partijen en vakbonden van alle landen, om zich te verzetten tegen de oorlog. Het meest efficiënte middel hierbij is de algemene staking en de ongehoorzaamheid als antwoord op de oorlogsmobilisatie” (Le danger de guerre et la 2ème Internationale, J. Jemnitz, p.  17). Maar deze middelen waren alleen maar nuttig indien ze tegelijkertijd in alle landen zouden worden toegepast, met andere woorden: principieel internationalisme en de antimilitaristische actie vormden voor iedereen, die hetzelfde standpunt deelde, een voorwaarde.

(87) Fricke, Dieter, Handbuch zur Geschichte der deutschen Arbeiterbewegung, 1869 bis 1917; Dietz-Verlag, Berlin, 1987, p. 120.

(88) Rosa Luxemburg, Gesammelte Werke, Band 3, p. 34, gepubliceerd in de Leipziger Volkszeitung, 26  augustus 1911.

(89) Idem, p. 43.

(90) Idem, p. 11

(91) "Ik bevind me in een totaal absurde situatie– ik moet de verantwoordelijkheid opnemen om mezelf het zwijgen op te leggen hoewel ik, als ik mijn eigen wensen zou volgen, me tegen de leiding zou keren, mezelf aldus zou veroordelen.” (J. Jemnitz, p. 73, Brief van Bebel aan Kautsky). Bebel stierf op 13 augustus aan een hartaanval in een sanatorium in Zwitserland.

(92) In een artikel getiteld “Partei und breite Schicht” schreef hij: “In Duitsland zijn er ongeveer 1 miljoen partijleden. Er zijn zo‘n 4,25 miljoen arbeidersstemmen, terwijl er ongeveer 15 miljoen arbeiders zijn (…) Eén miljoen behoort tot de partij-organisaties. De 4,25 miljoen is de 'brede laag'.” Hij benadrukte dat er "In Duitsland bijvoorbeeld is bijna 1 op de 15 in de partij georganiseerd; in Frankrijk ongeveer 1 op de 140; in Duitsland staan er tegenover elk partijlid 4 tot 5 sociaal-democraten van de "brede laag”; in Frankrijk 14.” Lenin voegt hieraan toe  : "De partij – dat is het meest bewuste en geavanceerde deel van de klasse, dat is haar voorhoede. De kracht van deze voorhoede is tien maal, honderd maal superieur en des te meer naar gelang haar numeriek aantal. (…) De organisatie vertienvoudigt krachten." (Lenin, Wie W. Sassulitsch das Liquidatorentum erledigt, September 1913, Gesammelte Werke, Band 19, p. 396).

(93) Rosa Luxemburg, Gesammelte Werke, Band 2, p. 378.

(94) Rosa Luxemburg, "Wieder Masse und Führer", augustus 1911, oorspronkelijk gepubliceerd in de Leipziger Volkszeitung.

(95) Rosa Luxemburg, Gesammelte Werke, Band 3, p. 253, "Taktische Fragen", Juni 1913.

(96) “Wieder Masse und Führer", idem, p. 39.