Over het imperialisme

See also :

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

In deze tekst (van eind 1979) wordt geprobeerd een samenhangende, globale visie te ontwikkelen van het imperialisme van de negentiende eeuw tot op heden via de kritiek op de onvolkomenheden van de theoretische standpunten van Lenin en Boecharin. In deze tekst (van eind 1979) wordt geprobeerd een samenhangende, globale visie te ontwikkelen van het imperialisme van de negentiende eeuw tot op heden via de kritiek op de onvolkomenheden van de theoretische standpunten van Lenin en Boecharin. Steunend op de geschriften van Rosa Luxemburg worden de grondige veranderingen geschetst die plaatsvonden in de periode van de Eerste Wereldoorlog toen het imperialisme in alle delen van de wereld de levenswijze werd van het kapitalisme in verval. De politieke standpunten van de IKS over de nationale bevrijdingsstrijd vloeien voort uit deze veranderingen.

Marxisme en imperialisme

Met de wildgroei van ‘nationale bevrijdingsstrijd’ over de hele planeet, met het toenemend aantal lokale oorlogen tussen kapitalistische staten, met het versnellen van de voorbereidingen van de twee grote imperialistische blokken op een uiteindelijke confrontatie - allemaal verschijnselen die een uitdrukking zijn van de onomkeerbare ontbinding van de kapitalistische wereldeconomie - wordt het met de dag belangrijker voor de revolutionairen om een helder inzicht te verwerven over de betekenis van het imperialisme. Marxisten hebben ingezien dat we sinds de laatste zeven decennia (sinds 1910) leven in het tijdperk van het imperialistisch verval en ze hebben gepoogd om alle gevolgen hieruit te trekken voor de klassenstrijd van het proletariaat. Toch - vooral door de contrarevolutie die het proletariaat in de jaren 1920 trof - werd de historische taak van het definiëren en het begrijpen van het imperialisme ernstig belemmerd door de bijna onbetwiste triomf van de burgerlijke ideologie in al zijn vormen. Zo werd de werkelijke betekenis van het woord imperialisme verdraaid en ondermijnd. Dit misleidingswerk werd op verschillende fronten uitgevoerd: door de traditionele burgerlijke ideologen die verklaren dat het imperialisme had opgehouden toen Groot-Brittannië zijn ‘Empire’ omvormde tot een ‘Commonwealth’ of toen de grote mogendheden hun koloniën opgaven; door horden sociologen, economisten en andere academici die met elkaar wedijveren in het produceren van steeds hogere stapels van onleesbare literatuur over de ‘Derde Wereld’, ‘ontwikkelingslanden’, ‘het nationalistische ontwaken van de kolonieën’, enzovoort... Maar het zijn vooral de pseudo-marxisten van kapitalistisch links, die luidkeels de moorden veroordelen van het imperialisme van de Verenigde Staten terwijl ze beweren dat de Sovjet-Unie of China geen imperialistische of zelfs anti-imperialistische grootmachten zouden zijn.

Deze oorverdovende kogelregen heeft de revolutionaire beweging niet onbeschadigd achtergelaten. Sommige revolutionairen, die aan het twijfelen werden gebracht door de ‘ontdekkingen’ van de burgerlijke academici, hebben elke verwijzing naar de imperialistische activiteit laten vallen en zien het imperialisme als een ouderwets en overstegen verschijnsel in de geschiedenis van het kapitalisme. Anderen, in een poging om zich te verzetten tegen het oprukken van de burgerlijke ideologie, veranderen de geschriften van de vroegere marxisten liever in Heilige Boeken. Dit is bijvoorbeeld het geval met de Bordigisten, die Lenin’s “vijf fundamentele kenmerken van het imperialisme” op mechanische wijze toepassen op de moderne wereld, en daarbij al de ontwikkelingen terzijde schuiven die in de laatste zestig jaren hebben plaatsgevonden.

Maar marxisten kunnen noch voorbijgaan aan de theoretische traditie waaruit ze voortkomen, noch deze omvormen tot een dogma. Het gaat er om de klassiekers van het marxisme kritisch te verwerken en de belangrijkste bijdragen toe te passen bij het analyseren van de huidige werkelijkheid. De bedoeling van deze tekst is de werkelijke en hedendaagse betekenis uit te werken van de elementaire formulering: in dit tijdperk overheerst het imperialisme de hele planeet. Ons doel is de betekenis te verklaren van de stelling uit het platform van de IKS dat “het imperialisme, een politiek [is] waartoe elke natie, ongeacht haar omvang, wordt gedwongen om te overleven”, en aan te tonen dat, onder het moderne kapitalisme, alle oorlogen een imperialistische aard hebben, op één na: de burgeroorlog van het proletariaat tegen de bourgeoisie. Maar om daartoe te komen is het eerst noodzakelijk om te verwijzen naar de oorspronkelijke debatten over het imperialisme in de arbeidersbeweging.

Marxisme tegen revisionisme

In de periode die leidde naar de Eerste Wereldoorlog vormde het ‘theoretische’ vraagstuk van het imperialisme een breuklijn tussen de revolutionaire internationalistische vleugel van de sociaal-democratie en al de revisionistische en reformistische elementen in de arbeidersbeweging. Met het uitbreken van de wereldoorlog, bepaalde het standpunt over het imperialisme aan welke kant van de barricade men stond. Het was een hoogst praktisch vraagstuk, aangezien daarvan heel de houding afhing ten overstaan van de imperialistische oorlog, en van de revolutionaire omwentelingen die werden veroorzaakt door die oorlog.

Rond deze kwestie waren er bepaalde ankerpunten waarover alle revolutionairen het eens waren. Deze punten blijven de grondvesten voor elke marxistische definitie van het hedendaagse imperialisme.

1) Voor marxisten was het imperialisme gedefinieerd als een specifiek product van de kapitalistische maatschappij; ze vielen hardnekkig de visie aan van de openlijk reactionaire burgerlijke ideologieën die het imperialisme afschilderden als een biologische noodzakelijkheid, als een uitdrukking van de aangeboren drang van de mens naar territorium en verovering (het soort van theorie dat vandaag weer opbloeit met het concept van ‘territoriaal imperatief’ waarmee sociale zoölogen als Robert Ardrey en Desmond Morris leuren). De marxisten vochten met evenveel hardnekkigheid tegen racistische thema’s over de ‘maatschappelijke taak van de Blanke’, en tegen al de warrige samenraapsels van elke vorm van veroverings- en annexatiepolitiek in alle soorten van sociale formaties. Zoals Boecharin schreef:

“de laatste weids verbreide ‘theorie’ van het imperialisme definieert het in het algemeen als een veroveringspolitiek. Vanuit dit oogpunt kan men met evenveel recht spreken van het imperialisme van Alexander de Grote als dat van de Spaanse veroveraars, van het imperialisme van Carthago en van Joao III, van het oude Rome en het moderne Amerika, van Napoleon en van Hindenburg.
Zo eenvoudig als deze theorie mag zijn, toch is hij absoluut onjuist. Hij is onjuist omdat het alles uitlegt en daardoor absoluut niets. [...] hetzelfde kan gezegd worden van oorlog. Oorlog dient om bepaalde productieverhoudingen te reproduceren. De veroveringsoorlog is een middel tot uitgebreide reproductie van deze verhoudingen. Oorlog echter eenvoudigweg definiëren als veroveringsoorlog is totaal onvoldoende om de eenvoudige reden dat als we dat doen, we de belangrijkste zaak terzijde laten, namelijk welke productieverhoudingen versterkt en uitgebreid worden door de oorlog, wat voor basis er uitgebreid wordt door een bepaalde ‘veroveringspolitiek’”
(Imperialism and World Economy, Merlin Press, Chapter 9, p. 112-113).

Hoewel Lenin zei “Koloniale politiek en imperialisme bestonden vóór dit nieuwste stadium van het kapitalisme en zelfs vóór het kapitalisme. Rome, dat op slavernij was gegrondvest, voerde een koloniale politiek en was imperialistisch”, stemt hij overeen met Boecharin wanneer hij daaraan toevoegt: “Maar ‘algemene’ beschouwingen over het imperialisme, waarbij het radicale verschil tussen de maatschappelijjk-economische formaties vergeten of op de achtergrond geschoven wordt, ontaarden onvermijdelijk in lege banaliteiten of snoeverij [...].” (Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme, hoofdstuk VI, in Keuze uit zijn werken, deel 2, Moskou, Progres, 1973, p. 325).

2) Ten tweede definiëren de marxisten het imperialisme als een noodzaak voor het kapitalisme, als een direct resultaat van het accumulatieproces, van de meest innerlijke wetten van het kapitaal. In een gegeven stadium in de ontwikkeling van het kapitaal was het de enige uitweg waardoor het systeem zijn leven kon rekken. Het was dus onomkeerbaar. Alhoewel de uitleg van het imperialisme als een uitdrukking van kapitaalaccumulatie helderder is bij sommige marxisten dan bij andere (een punt waarop we terugkomen), verwierpen alle marxisten de stelling van Hobson, Kautsky en anderen die het imperialisme zagen als een loutere ‘politiek’ verkozen door het kapitalisme of eerder door bepaalde fracties van het kapitalisme. Deze stelling ging logisch vergezeld van het idee dat je kon aantonen dat imperialisme een slechte, kortzichtige en dure politiek was en dat je op zijn minst de meest verlichte delen van de bourgeoisie kon overtuigen dat ze beter af zouden zijn met een edelmoedige, niet-imperialistische politiek. Dit opende de weg voor allerlei soorten reformistische, pacifistische voorschriften om het kapitalisme minder brutaal en agressief te maken.

Kautsky ontwikkelde zelfs het idee dat het kapitalisme gradueel en vreedzaam de richting opging van een fase van ‘ultra-imperialisme’, waarbij het zou opgaan in één grote trust zonder tegenstellingen, waarbij oorlogen een zaak van het verleden zouden zijn. Tegen deze utopische visie (die gehoor vond tijdens de hausse na de Tweede Wereldoorlog bij mensen als Paul Cardan), drongen de marxisten er op aan dat, verre van een te boven komen van de tegenstellingen van het kapitalisme te vertegenwoordigen, het imperialisme een uiterste toespitsing van deze tegenstellingen betekende. Het imperialistisch tijdperk was er onvermijdelijk een van wereldcrises, politiek despotisme en van wereldoorlog. Geconfronteerd met dit catastrofale perspectief kon het proletariaat enkel antwoorden met de revolutionaire vernietiging van het kapitalisme.

3) Het imperialisme werd dus gezien als een specifieke fase in het bestaan van het kapitalisme: zijn ultieme fase en eindfase. Alhoewel men kan spreken van Brits of Frans imperialisme in het eerste deel van de negentiende eeuw, begint de imperialistische fase van het kapitaal als een wereldsysteem pas vanaf 1870, toen verschillende hoog gecentraliseerde en geconcentreerde nationale kapitalen begonnen te wedijveren om koloniale bezittingen, invloedsferen en overheersing van de wereldmarkt. Zoals Lenin zei: “is het typerend voor het imperialisme, dat enkele grote mogendheden wedijveren in hun streven naar de hegemonie.” (Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme, t.a.p., hoofdstuk VII, p. 333). Imperialisme is dus wezenlijk een concurrentieverhouding tussen kapitalistische staten in een bepaald stadium in de ontwikkeling van het wereldkapitaal. Bovendien kan de ontwikkeling van deze verhouding zelf gezien worden als bestaande uit twee fasen, direct verbonden met veranderingen in de globale context waarin de imperialistische wedijver plaatsvindt.

“De eerste periode van het imperialisme was het laatste kwart van de negentiende eeuw en volgde op een tijdperk van nationale oorlogen waardoor grote nationale staten werden gevormd, met als eindpunt van dit tijdperk de Frans-Pruisische oorlog. Ook al droeg de lange periode van economische depressie die volgde op de crisis van 1873 reeds het zaad in zich van het verval van het kapitalisme, toch kon het kapitaal nog gebruikmaken van de korte heroplevingen die plaatsvonden tijdens de depressie om de uitbuiting van achtergebleven gebieden en volkeren te voltooien. Het kapitalisme in zijn roofzuchtige en koortsachtige jacht op grondstoffen en op kopers die noch kapitalisten, noch loontrekkers waren, beroofde, decimeerde en moordde de koloniale bevolkingen uit. Dit was het tijdperk van het doordringen en uitbreiden van Groot-Brittannië in Egypte en Zuid-Afrika, van Frankrijk in Marokko, Tunis en Tonkin, van Italië in Oost-Afrika tot aan de grenzen van Abessinië, van tsaristisch Rusland in Centraal-Azië en Mandsjoerije, van Duitsland in Afrika en Azië, van de Verenigde Staten in de Filippijnen en Cuba en van Japan in het Aziatisch continent.
Maar toen deze grote imperialistische groeperingen de verdeling van al het bruikbaar land voltooid hadden, van alle uitbuitbare weelde, van alle invloedssferen, kortom van alle hoeken van de wereld waar het mogelijk was om arbeidskracht te plunderen, dat, in goud omgezet, in de nationale banken van de metropolen werd opgestapeld, toen kwam de progressieve missie van het kapitaal ten einde [...] en het is dan dat de algemene crisis van het kapitalisme moest uitbarsten.”
(Le problème de la guerre, 1935, door Jehan, een militant van de Belgische Kommunistische Linkerzijde).

De beginfase van het imperialisme gaf weliswaar al een voorproefje van het kapitalisme in verval door de wijze waarop het bloed en ellende bracht over de volkeren van de kolonieën, maar het droeg nog een progressief aspect in zich. Het vestigde de wereldwijde overheersing van het kapitaal - de voorwaarde voor de kommunistische revolutie. Maar toen deze wereldwijde heerschappij bereikt was hield het kapitalisme op nog langer een progressief systeem te zijn, en de rampen die het teweeg had gebracht bij de koloniale volkeren vonden een weerklank in het hart van het systeem, zoals bevestigd werd door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog:

“Het huidige imperialisme is niet [...] het voorspel van de expansie van het kapitaal, maar slechts het laatste hoofdstuk van zijn historisch proces van expansie; het is de periode van algemene verscherpte concurrentie op wereldvlak tussen de kapitalistische staten om de laatste resten van de niet-kapitalistische omgeving op aarde. De economische en politieke catastrofe is in deze slotfase evenzeer een bestaanselement, de normale bestaanswijze van het kapitaal als de ‘oorspronkelijke accumulatie’ dat was voor zijn ontstaansfase. Zoals de ontdekking van Amerika en de zeeroute naar Indië niet enkel een Prometeïsche krachttoer van de menselijke geest en van de cultuur was, zoals volgens de liberale legende, maar, onverbrekelijk daaraan verbonden, een reeks van Herodische massamoorden op de oorspronkelijke bevolkingen uit de Nieuwe Wereld en een grandioze  slavenhandel met de volkeren van Azië en Afrika, zo is in de imperialistische eindfase van de economische expansie van het kapitaal onafscheidelijk van een reeks koloniale veroveringen en wereldoorlogen die we nu meemaken. Het kenmerk van het imperialisme als de laatste concurrentiestrijd om de kapitalistische wereldheerschappij is niet slechts de bijzondere energie en alzijdigheid van de expansie, maar - deze is een specifieke teken dat de ontwikkelingscirkel begint te sluiten - het terugslaan van de beslissende strijd om de expansie vanuit de gebieden waarom het te doen is, naar hun landen van oorsprong. Zo brengt het imperialisme de catastrofe als bestaansvorm terug van de periferie van de kapitalistische ontwikkeling naar zijn uitgangspunt. Nadat de expansie van kapitaal vier eeuwen lang het bestaan en de cultuur van alle niet-kapitalistische volkeren in Azië, Afrika, Amerika en Australië overgeleverd aan onophoudelijke stuiptrekkingen en massale ondergang had prijsgegeven, stort het nu de beschaafde volkeren van Europa zelf in een reeks van rampen waarvan het uiteindelijke resultaat enkel kan bestaan uit de ondergang van de beschaving of de overgang naar de socialistische productiewijze.” (Luxemburg, Anti-Kritik, in Gesammelte Werke, Bd. 5, p. 520-521).

Kapitalisme in zijn imperialistische eindfase werd door de Kommunistische Internationale bestempeld als het “tijdperk van oorlogen en revoluties”, een tijdperk waarin de mensheid geconfronteerd wordt met de schrille keuze tussen socialisme en barbarij. Voor de arbeidersklasse betekende dat het uithollen van alle hervormingen die het in de negentiende eeuw had verworven en een toenemende aanval op zijn levenstandaard via soberheid en oorlog. Politiek gezien betekende dat de vernietiging of overname van haar vroegere organisaties en de ongenadige onderdrukking door de Leviathan, de imperialistische staat, die, gedreven door de logica van de imperialistische concurrentie en door de ontbinding van het sociale weefsel, elk aspect van het sociaal, politiek en economisch leven onder controle nam. Tegenover de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog kwam de revolutionaire Linkerzijde dan ook tot de conclusie dat de historische rol van het kapitalisme definitief was uitgespeeld, en dat het tot de onmiddellijke taak van de internationale arbeidersklasse behoorde om de imperialistische oorlog om te vormen in een burgeroorlog, het kapitalisme omver te werpen door de wortels van de zaak aan te pakken: het kapitalistisch wereldsysteem. Het spreekt vanzelf dat dit een complete breuk inhield met de sociaal-democratische verraders, zoals de Scheidemanns en de Millerands, die openlijk chauvinistische pleitbezorgers van de imperialistische oorlog waren geworden, of met de ‘sociaal -pacifisten’, zoals Kautsky, die verder gingen met het verspreiden van de illusie dat het kapitalisme zou kunnen bestaan zonder imperialisme, zonder dictatuur of oorlog.

Het debat onder de marxisten

Tot daar kon er geen meningsverschil bestaan onder de marxisten, en deze basispunten voor overeenstemming waren in feite een voldoende basis voor de krachtenbundeling van de revolutionaire voorhoede in de Kommunistische Internationale. Maar de meningsverschillen die toen bestonden en ook nu nog voortbestaan in de revolutionaire beweging kwamen op toen de marxisten probeerden een nauwkeuriger analyse te maken van de drijvende krachten achter het imperialisme en van zijn concrete uitingen, en als ze de politieke gevolgen uitstippelden van hun analyse. Deze meningsverschillen neigden er toe overeen te stemmen met uiteenlopende theorieën over de kapitalistische crisis en de historische neergang van het systeem, aangezien het imperialisme een poging was van het kapitaal om zijn dodelijke innerlijke tegenstellingen te boven te komen, een stelling waarmee ze allen instemden. Zo leggen Boecharin en Luxemburg bijvoorbeeld in hun theorieën over de crisis de nadruk op verschillende innerlijke tegenstellingen, en bijgevolg gaven ze uitlopende verklaringen voor de drijvende kracht achter de imperialistische expansie. Dit debat werd verder bemoeilijkt doordat het gros van Marx’ werk over economie was geschreven voordat het imperialisme werkelijk was gevestigd, en deze leemte in zijn werk gaf aanleiding tot verschillende interpretaties van de manier waarop Marx’ geschriften zouden moeten worden toegepast op de analyse van het imperialisme. Het is onmogelijk om in deze tekst terug te komen op al deze debatten over crisis en imperialisme, waarvan de meeste tot op heden onopgelost blijven. Wat we proberen te doen is in het kort de twee belangrijkste definities van het imperialisme, die gedurende die periode ontwikkeld werden, te onderzoeken - die van Lenin/Boecharin en die van Rosa Luxemburg - en te oordelen hoe bruikbaar deze twee definities zijn zowel voor die tijd alswel voor de huidige periode Door zo te werk te gaan willen we proberen om onze eigen opvatting over het huidige imperialisme meer vorm te geven.

Lenin’s opvatting van het imperialisme

Voor Lenin waren de kenmerkende trekken van het imperialisme de volgende:
“1. Een concentratie van productie en kapitaal, die een zo hoge trap van ontwikkeling heeft bereikt, dat zij monopolies voortbrengt, welke een beslissende rol in het economisch leven spelen; 2. een versmelting van bank- en industrieel kapitaal en het op grondslag van dit ‘financierskapitaal’ ontstaan van een financiersoligarchie; 3. de kapitaalexport krijgt, in tegenstelling met de warenexport, een bijzonder grote betekenis; 4. er vormen zich internationale monopolistische verbonden van kapitalisten, die de wereld onder elkaar verdelen, en 5. de territoriale verdeling van de hele wereld onder de grote kapitalistische mogendheden is voltooid” (Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme, t.a.p., hoofdstuk VII, p. 331).

Hoewel Lenin’s definitie van imperialisme een aantal belangrijke kenmerken bevat, ligt zijn belangrijkste zwakte in het feit dat het meer neerkomt op een beschrijving van enkele van de uitwendige verschijnselen van het imperialisme dan een analyse van de wortels van het imperialisme binnen het accumulatieproces. De organische of intensieve ontwikkeling van het kapitaal naar steeds meer geconcentreerde eenheden en de geografische of extensieve ontwikkeling van zijn werkingsterrein (de strooptocht naar koloniën, de territoriale verdeling van de aardbol) zijn fundamenteel uitdrukkingen van het innerlijke proces van accumulatie. Het is de groeiende organische samenstelling van het kapitaal, met de tendentiële daling van de winstvoet en het inkrimpen van de markt, die het kapitaal er toe dwongen om nieuwe rendabele afzetmarkten te zoeken voor het investeren van kapitaal en om de markt voor zijn waren voortdurend uit te breiden. Maar terwijl de onderliggende dynamiek van het imperialisme niet verandert, zijn de uiterlijke manifestaties van deze dynamiek onderhevig aan veranderingen, zodat vele aspecten van Lenin’s definitie van imperialisme momenteel niet meer opgaan, en zelfs toentertijd al niet toen hij ze uitwerkte. Zo effende de periode waarin het kapitaal gedomineerd zou zijn door een oligarchie van ‘financierskapitaal’ en door ‘internationale monopolieverbanden’ reeds de weg voor een nieuwe fase tijdens de Eerste Wereldoorlog - de periode van het staatskapitalisme, van de permanente oorlogseconomie. In de periode van chronische inter-imperialistische rivaliteiten op de wereldmarkt, neigt het hele nationale kapitaal tot concentratie rond het staatsapparaat, dat alle bijzondere fracties van het kapitaal ondergeschikt maakt en disciplineert voor de behoeften van de militair-economische overleving.

Het begrip dat het kapitalisme een nieuw tijdperk was binnengetreden van gewelddadige strijd tussen de nationale ‘staatskapitalistische trusts’ was bij Boecharin veel helderder dan bij Lenin (zie Imperialism and World Economy) alhoewel Boecharin nog gevangen bleef in de band tussen imperialisme en financierskapitaal, zodat zijn ‘staatskapitalistische trusts’, in grote mate worden voorgesteld als een ‘werktuig’ van de financiersoligarchie, terwijl in werkelijkheid de staat in dit tijdperk het opperste leidinggevende orgaan van het kapitaal is. Meer nog, zoals Bilan stelt:
“Het imperialisme definiëren als een ‘product’ van het financierskapitaal, zoals Boecharin deed, betekent het leggen van een verkeerde band en vooral het uit het oog verliezen van de gemeenschappelijke oorsprong van deze twee aspecten van het kapitalistisch proces: de productie van meerwaarde” (Mitchell, Crisis en cycli in de economie van het kapitalisme in doodstrijd, in Bilan, nr. 11, 1934).

Lenin’s falen om de betekenis te vatten van het staatskapitalisme zou op een aantal vlakken ernstige politieke gevolgen hebben: illusies over de progressieve aard van bepaalde aspecten van het staatskapitalisme, toegepast met rampzalige gevolgen door de Bolsjewieken in de Russische Revolutie; het onvermogen om de opslorping van de oude arbeidersorganisaties door de staat te zien, en de verwarde theorie van de ‘arbeidersaristocratie’, van de ‘burgerlijke arbeiderspartijen’ en van de ‘reactionaire vakbonden’ die niettemin te onderscheiden zouden zijn van de staatsmachine (het probleem met deze organisaties was toen niet meer dat leiders - verraders omgekocht door ‘imperialistische superwinsten’, zoals Lenin argumenteerde - maar dat het ganse apparaat ingelijfd was in de kolos van de imperialistische staat). De tactische gevolgtrekkingen die werden gemaakt van deze verkeerde theorieën zijn alom bekend: het eenheidsfront, het werk in de vakbond, enzovoort. Zo ook heeft Lenin’s nadruk op het feit dat koloniale bezittingen een onderscheiden en zelfs onmisbaar kenmerk zijn van het imperialisme de tand des tijds niet getrotseerd. Ondanks zijn verwachting dat het verlies van koloniën, versneld door de nationale opstanden in deze regio’s, het imperialistische systeem op zijn grondvesten zou doen schudden, heeft het imperialisme zich vrij gemakkelijk aangepast aan de ‘dekolonisatie’.

De dekolonisatie was eenvoudigweg de uitdrukking van de neergang van de oudere imperialistische grootmachten, en de triomf van imperialistische reuzen die niet geremd waren door veel koloniën in de periode rond de Eerste Wereldoorlog. Zo waren de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie in staat om een cynische ‘anti-koloniale’ lijn te ontwikkelen ten voordele van hun eigen imperialistische doeleinden, om te teren op de nationale bewegingen in de koloniën en ze onmiddellijk om te vormen tot inter-imperialistische oorlogen via de betrokken ‘volkeren’.

Lenin’s theorie van het imperialisme werd het officiële standpunt van de Bolsjewieken en de Kommunistische Internationale, in het bijzonder met betrekking tot het nationale en koloniale vraagstuk, en het is hier dat de gebreken van de theorie de meest verstrekkende gevolgen zouden hebben. Indien het imperialisme wezenlijk omschreven wordt door zijn bovenbouwkenmerken, wordt het gemakkelijk om de wereld te verdelen in enerzijds imperialistische, onderdrukkende naties en anderzijds in niet imperialistische, onderdrukte naties, en zelfs voor bepaalde imperialistische machten om ineens ‘op te houden’ imperialistisch te zijn wanneer ze één of meer van deze definiërende kenmerken niet meer hebben. Hiermee ging de tendens gepaard om de klassenverschillen in de ‘onderdrukte naties’ te verdoezelen en te argumenteren dat het proletariaat - als de nationale kampioen van alle onderdrukten - deze onderdrukte naties achter zijn revolutionaire vlag moest scharen. Dit standpunt werd vooral toegepast op de koloniën, maar in zijn kritiek op het de Junius-brochure (Die Krise der Sozialdemokratie van Rosa Luxemburg, in Gesammelte Werke, Bd. 4, p. 49-164), argumenteerde Lenin dat zelfs de ontwikkelde kapitalistische landen in het moderne Europa, onder bepaalde omstandigheden, een gerechtvaardigde strijd voor nationale onafhankelijkheid zouden kunnen voeren.

In de Eerste Wereldoorlog leidde dit tweeslachtige idee niet tot negatieve gevolgen omdat Lenin’s correcte inschatting van de algemeen geldende imperialistische context van de oorlog het voor het proletariaat onmogelijk maakte om een politiek van nationale verdediging te ondersteunen in één van de oorlogvoerende kampen. Maar de zwakte van de theorie kwam sterk tot uiting na de oorlog, vooral met de neergang van de revolutionaire golf en het isolement van de Sovjetstaat. Het idee van het anti-imperialistisch karakter van de ‘onderdrukte naties’ werd weerlegd door de gebeurtenissen in Finland, Oost-Europa, Perzië, Turkije en China, waar de pogingen om een politiek van ‘nationale zelfbeschikking’ en van ‘anti-imperialistisch eenheidsfront’ te voeren machteloos waren om de bourgeoisie van deze landen te verhinderen een alliantie aan te gaan met de imperialistische grootmachten en elk initiatief tot kommunistische revolutie in de kiem zou smoren (1).

De wellicht meest groteske toepassing van de ideeën die Lenin had voorgesteld in zijn Over de Junius-brochure was misschien het ‘Nationaal Bolsjevistische’ experiment in Duitsland in 1923: overeenkomstig deze ongegronde opvatting was Duitsland plots geen imperialistische macht meer omdat het was beroofd van zijn koloniën en geplunderd werd door de Entente. Een anti-imperialistisch bondgenootschap met fracties van de Duitse bourgeoisie stond daarom op de agenda. Natuurlijk is er geen rechte lijn van Lenin’s theoretische zwakte naar dit regelrecht verraad; tussen deze twee momenten ligt er een heel proces van ontaarding. Desalniettemin is het belangrijk voor kommunisten om aan te tonen dat het juist de vergissingen zijn van de vroegere revolutionairen die misbruikt worden door de ontaardende contra-revolutionaire partijen om hun verraad te rechtvaardigen.

Het is niet toevallig dat de contra-revolutie, in haar stalinistische, maoïstische of trotskistische vormen, overvloedig gebruik maakt van Lenin’s theorie van het imperialisme en de nationale bevrijding om te bewijzen dat Rusland of China niet imperialistisch zouden zijn (cfr de typische linkse truc: “Waar zijn de monopolies en de financiële oligarchieën in de USSR?”); of evenzeer om te ‘bewijzen’ dat de talloze bendes in de onderontwikkelde landen ondersteund moeten worden in hun ‘anti-imperialistische’ strijd. Het is waar dat zij vele aspecten van Lenin’s theorie verdraaien en vervalsen, maar kommunisten kunnen geen angst hebben om toe te geven dat talrijke elementen in Lenin’s opvatting min of meer ‘rechtstreeks’ overgenomen kunnen worden door deze burgerlijke krachten. En wij moeten juist in staat zijn die elementen te bekritiseren en te boven te komen.

Imperialisme en de tendentiële daling van de winstvoet

Bij Lenin staat eerder impliciet dat de imperialistische expansie geworteld is in het accumulatieproces - in de noodzaak om de dalende winstvoet te compenseren door goedkope arbeidskrachten en grondstoffen te zoeken in de koloniën. Dit element werd uitdrukkelijker naar voren gebracht door Boecharin en het is misschien niet toevallig dat Boecharin’s strakkere analyse van het imperialisme, aanvankelijk tenminste, vergezeld ging van een duidelijker standpunt over het nationale vraagstuk (tijdens de Eerste Wereldoorlog en de eerste jaren van de Russische Revolutie bevocht Boecharin Lenin’s standpunt over de nationale zelfbeschikking. Later veranderde hij van standpunt. Het was Luxemburg’s standpunt over het nationale vraagstuk - nauw verbonden met haar theorie van het imperialisme (2) - dat het meest consistent bleek te zijn. Ongetwijfeld was de behoefte tot het neutraliseren van de dalende winstvoet een fundamenteel element in het imperialisme, omdat het imperialisme juist begint in een stadium wanneer een groot aantal nationale kapitalen met een hoge organische samenstelling op de wereldmarkt verschijnen. Alhoewel we dit vraagstuk hier niet uitgebreid kunnen uitdiepen (3), vinden we dat de verklaringen voor het imperialisme die min of meer uitsluitend verwijzen naar de dalende winstvoet aan twee ernstige zwakheden lijden:

1. Dergelijke verklaringen neigen er toe om het imperialisme te kenschetsen als een uitdrukking van enkele hoog ontwikkelde landen - landen met een hoge organische samenstelling van kapitaal, gedwongen om kapitaal uit te voeren om te ontkomen aan de dalende winstvoet. Dit gezichtspunt heeft een karikaturaal peil bereikt bij de CWO (nu deel uitmakend van de IBRP), die het imperialisme gelijkstelt met economische en politieke onafhankelijkheid en tot het besluit komt dat er nu nog maar twee imperialistische grootmachten bestaan in de wereld - de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie - aangezien zij als enige werkelijk ‘onafhankelijk’ zijn (andere landen hebben louter ‘imperialistische tendensen’ die ze nooit kunnen verwezenlijken). Dit is de logische uitkomst wanneer men het probleem bekijkt vanuit het gezichtspunt van de afzonderlijke kapitalen, eerder dan vanuit dat van het globaal kapitaal. Want zoals Rosa Luxemburg onderstreepte:
“De imperialistische politiek is niet het product van deze of gene staat, zij is het product van een bepaald stadium van rijpheid in de ontwikkeling van kapitaal op wereldvlak, een van huis uit internationaal verschijnsel, een ondeelbaar geheel, dat enkel te vatten is in zijn wederzijdse verhoudingen en waaraan geen enkele natie zich kan onttrekken” (Junius-brochure, t.a.p., p. 137).

Dit betekent niet dat de conclusie van de CWO het onvermijdelijke gevolg is van het feit dat ze het imperialisme enkel verklaart door te verwijzen naar de dalende winstvoet. Als men uitgaat van het standpunt van het globaal kapitaal wordt het duidelijk dat, aangezien het de winstvoet van de meest ontwikkelde kapitalen is die de globale winstvoet bepaalt, het daaruit volgende imperialistische gedrag van de ontwikkelde kapitalen ook zijn weerklank moet vinden bij de zwakkere kapitalen. Maar als men daadwerkelijk het probleem beschouwt vanuit het oogpunt van het globaal kapitaal, treedt een andere tegenspraak in de accumulatiecyclus naar voren - het onvermogen van het globaal kapitaal om al zijn meerwaarde te realiseren binnen zijn eigen productieverhoudingen. Dit probleem, dat gesteld wordt door Luxemburg in Die Akkumulation des Kapitals, werd door Lenin, Boecharin en hun volgelingen ontkend en gezien als het verlaten van het marxisme. Toch is het niet moeilijk om aan te tonen dat Marx zich bezig hield met hetzelfde probleem (4):

“dat de kapitalistische productie geenszins op willekeurige schaal produceert, maar naarmate zij tot ontwikkeling komt steeds meer gedwongen is om op een schaal te produceren die met de onmiddellijke vraag niets te maken heeft, maar die van een voortdurende uitbreiding van de wereldmarkt afhangt. Hij [dat wil zeggen Ricardo] neemt zijn toevlucht in de afgezaagde vooronderstelling van Say dat de kapitalist niet onmiddellijk produceert voor de winst, voor de meerwaarde, maar voor de consumptie, de gebruikswaarde - voor zijn eigen consumptie. Hij veronachtzaamt dat de waar moet worden omgezet in geld. De vraag van de arbeiders volstaat niet, omdat de winst juist daaruit voortkomt, dat de vraag van de arbeiders kleiner is dan de waarde van hun product, en des te groter is naarmate deze vraag relatief kleiner is. De vraag van de kapitalisten onderling volstaat evenmin.” (Marx, Ricardos Profittheorie, in Theorien über den Mehrwert, Kapitel XVI; MEW, Bd. 26.2, p. 469).

2. Bijgevolg moet elke serieuze analyse van het imperialisme rekening houden met deze noodzaak tot ‘voortdurende uitbreiding van de wereldmarkt’. Een theorie die het probleem uit de weg gaat is niet in staat om te verklaren waarom, juist op het ogenblik dat de wereldmarkt niet meer in staat is om uit te breiden - met de integratie van de belangrijkste sectoren van de voor-kapitalistische economie in de kapitalistische wereldeconomie rond het begin van de twintigste eeuw - het kapitalisme gestort wordt in de permanente crisis van zijn uiteindelijke imperialistische periode. Kan de historische gelijktijdigheid van deze twee verschijnselen afgedaan worden als een zuiver toeval? Terwijl alle marxistische analyses van het imperialisme de jacht op goedkope grondstoffen en arbeidskracht zagen als het centrale aspect van de koloniale verovering, kon alleen die van Luxemburg het doorslaggevende belang aantonen van de voorkapitalistische markten van de koloniën en de half-koloniën, aangezien ze  tot in de vroege jaren van de twintigste eeuw de grondslag vormden voor de ‘voortdurende uitbreiding van de wereldmarkt’. En juist dit element is de ‘variabele’ in de analyse. Het kapitaal kan altijd goedkope arbeidskracht en grondstoffen vinden in de onderontwikkelde streken: dit was het geval zowel vóór als na het inlijven van de koloniën en half-koloniën in de kapitalistische economie, zowel in de bloei- als in de vervalperiode van het kapitaal. Maar als de koopkrachtige vraag van deze streken eenmaal ophoudt ‘buiten-kapitalistisch’ te zijn, als het gros ervan is ingelijfd in de kapitalistische productieverhoudingen, heeft het globaal kapitaal geen nieuwe afzetmarkten voor de realisatie van een deel van de meerwaarde dat bestemd is voor de accumulatie. Het is niet langer in staat om de wereldmarkt voortdurend uit te breiden. Nu worden de ‘koloniale regio’s’ zelf producenten van meerwaarde en wedijveren met de metropolen. Arbeidskracht en grondstoffen in deze regio’s blijven nog altijd goedkoop, ze blijven gebieden van productieve investering, maar ze helpen het wereldkapitaal niet meer bij de problemen van de realisatie: ze zijn tot een deel van het probleem geworden. Bovendien berooft dit onvermogen om de wereldmarkt uit te breiden in de mate die vereist wordt door de productiviteit van het kapitaal de bourgeoisie van een van haar belangrijkste tegenwichten voor de dalende winstvoet: de winstmassa opvoeren door een groeiende hoeveelheid waren te produceren en te verkopen. Zo kwamen de voorspellingen uit van het Kommunistisch Manifest:

“De instellingen van de burgerlijke maatschappij zijn te eng geworden om de rijkdom die door hen wordt voortgebracht te bevatten. En hoe geraakt de bourgeoisie uit deze crises? Enerzijds door gedwongen vernietiging van een massa van productiekrachten; anderzijds door de verovering van nieuwe markten, en door een grondigere uitbuiting van de oude. Met andere woorden, ze plaveit de weg voor nog uitgebreidere en vernietigendere crises, terwijl ze de middelen inperkt waarmee deze crises kunnen voorkomen worden.”
Het is Rosa Lxemburg’s theorie van het imperialisme die op de beste manier Marx’ gedachtegang over dit vraagstuk heeft verder gezet.

Luxemburg’s opvatting van het imperialisme - en haar critici

“Het imperialisme is de politieke uitdrukking van het proces van kapitaalsaccumulatie in zijn concurrentiestrijd om de resten van het nog niet in beslag gelegde niet-kapitalistische wereldomgeving. Geografisch omvat deze omgeving nog altijd het grootste deel van de wereld. Gemeten naar de geweldige massa van het al geaccumuleerde kapitaal van de oude kapitalistische landen, die om de afzetmogelijkheden van hun meerproduct net als om kapitaliseringsmogelijkheden voor zijn meerwaarde worstelen, gemeten verder naar de snelheid waarmee de huidige voorkapitalistische culturen in kapitalistische worden omgezet, met andere woorden: gemeten naar de al bereikte hoge graad van ontplooiing van de productiekrachten van het kapitaal, verschijnt het voor de expansie overblijvende veld als een kleine rest. Dienovereenkomstig krijgt het internationale oprukken van het kapitaal op het wereldtoneel daarmee vorm. Bij de hoge ontwikkeling en de steeds scherper concurrentie van de kapitalistische landen om de niet-kapitalistische landen in handen te krijgen nemen de energie en de gewelddadigheid van het imperialisme toe, zowel in zijn agressieve optreden tegen de niet-kapitalistische wereld als in de verscherping van de tegenstellingen tussen de concurrerende kapitalistische landen. Maar hoe gewelddadiger, energieker en grondiger het imperialisme de niet-kapitalistische beschavingen tot de ondergang brengt, des te sneller verdwijnt de bodem onder de voeten van de kapitaals-accumulatie. Het imperialisme is evenzeer een historische methode om het bestaan van het kapitalisme te verlengen, als het zekerste middel om het bestaan daarvan op de korte termijn een objectief eind aan te maken. Dit wil niet zeggen dat dit eindpunt schoolmeesterachtig bereikt moet zijn. De loutere tendens in de ontwikkeling van het kapitalisme naar dit eindpunt neemt vormen aan die van de eindfase van het kapitalisme tot een periode van catastrofen maken.” (Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Kapitel XXXI, in Gesammelte Werke, Bd. 5, p. 391).

Zoals we uit deze passage kunnen merken concentreert Luxemburg’s definitie van imperialisme zich op de basisaspecten van het probleem, namelijk het accumulatieproces, en in het bijzonder de fase van het proces met betrekking tot de realisatie, eerder dan op de bovenbouwvertakkingen van het imperialisme. Daarnaast echter toont zij aan dat het politieke uitvloeisel van de imperialistische uitbreiding bestaat uit de militarisering van de maatschappij en de versterking van de staat: de uitputting van de burgerlijke democratie en de ontwikkeling van openlijke despotische vormen van de kapitalistische overheersing; de brutale verslechtering van de levensstandaard van de arbeiders om de vet aangezwollen militaire sector van de economie in stand te houden. Alhoewel Die Akkumulation des Kapitals enige tegenstrijdige ideeën bevat over militarisme dat beschreven wordt als een ‘provincie van de accumulatie’, had Luxemburg in wezen gelijk toen zij de oorlogseconomie beschouwde als een onmisbaar kenmerk van het imperialistisch, in verval zijnde kapitalisme. Maar Luxemburg’s basisanalyse van de drijvende kracht achter het imperialisme is onderhevig geweest aan talrijke kritieken. De belangrijkste ervan was deze geschreven door Boecharin in zijn Imperialism and Accumulation of Capital (1924). Het overgrote deel van zijn argumenten tegen Luxemburg’s theorie weerklonk onlangs weer bij de CWO (zie Revolutionary Perspectives, nr. 6, The Accumulation of Contradictions). We willen het hier hebben over de twee belangrijkste kritieken die door Boecharin zijn aangevoerd.

1. Volgens Boecharin is het gevolg van Luxemburg’s theorie dat het imperialisme wordt gedreven door de jacht op nieuwe markten dat de imperialistische periode niet meer kan worden onderscheiden van alle eerdere tijdperken van het kapitaal:
“Handelskapitalisme en mercantilisme, industrieel kapitalisme en liberalisme, financierskapitaal en imperialisme - al deze fasen van de kapitalistische ontwikkeling verdwijnen of worden opgelost in het kapitalisme als zodanig.” (Imperialism and the Accumulation of Capital, Chapter 4, p. 253).

En voor de CWO:
“[...] haar grondgedachte van imperialisme gebaseerd op ‘verzadiging van de markten’ is uiterst zwak en ongeschikt. Als, zoals Luxemburg zelf toegaf, [...] de kapitalistische metropolen nog altijd voorkapitalistische enclaves hadden (bv. lijfeigenen, boeren) waarom moet het kapitalisme dan overzees uitbreiden en ver van de kapitalistische metropolen en dat vanaf het prille begin van zijn bestaan? Waarom worden niet eerst alle streken die dichtst bij de hand liggen in de verhouding kapitaal-loonarbeid opgenomen als het louter op zoek is naar nieuwe markten? De verklaring moet gezocht worden, niet in de behoefte aan nieuwe markten, maar in de zoektocht naar grondstoffen en de maximalisatie van de winst.Ten tweede houdt Luxemburg theorie in dat imperialisme een permanent kenmerk is van het kapitalisme. Aangezien kapitalisme, volgens Luxemburg, altijd op zoek is geweest naar uitbreiding van de markt om te kunnen accumuleren, kan haar theorie geen onderscheid maken tussen de oorspronkelijke uitbreiding van handel en geldeconomie aan de dageraad van het kapitalisme in Europa en zijn latere imperialistische uitbreiding [...] mercantiel kapitaal was noodzakelijk voor de oorspronkelijke accumulatie van kapitaal maar dit was een verschijnsel dat kwalitatief verschillend is van de kapitalistische drang om te accumuleren zodra het zichzelf gevestigd heeft als de heersende productiewijze.” (Revolutionary Perspectives, nr. 6, p. 18-19).

In deze passage overtreft de venijnigheid van de CWO tegen het ‘luxemburgisme’ zelfs Boecharin’s scherpe polemiek. Voor we verder kunnen gaan moeten een paar punten duidelijk worden gemaakt. Eerst en vooral heeft Luxemburg nooit beweerd dat de kapitalistische uitbreiding ‘louter ten doel had nieuwe markten te vinden: zij heeft duidelijk de planetaire zoektocht naar goedkope arbeidskracht en grondstoffen geschetst, zoals de CWO dat zelf vaststelt op dezelfde bladzijde van Revolutionary Perspectives, nr. 6. Ten tweede is het verbazingwekkend dat de kapitalistische behoefte aan ‘uitbreiding van de markt om te accumuleren’ wordt voorgesteld als een ontdekking van Luxemburg, terwijl het al een fundamenteel standpunt was dat Marx zelf tegen Say en Ricardo verdedigde, zoals we al zagen. Boecharin zelf ontkende geenszins dat het imperialisme op zoek was naar nieuwe markten; in feite identificeert hij deze als één van drie drijfveren achter de kapitalistische uitbreiding:

“We hebben drie fundamentele drijfveren blootgelegd voor de veroveringspolitiek van de moderne kapitalistische staten: toegenomen wedijver op de verkoopmarkt, op de grondstoffenmarkt, en op het vlak van kapitaalinvestering [...] Deze drie wortels van de politiek van het financierskapitaal vertegenwoordigen echter wezenlijk slechts drie facetten van hetzelfde verschijnsel, namelijk het conflict tussen de toename van de productieve krachten enerzijds en anderzijds de ‘nationale’ grenzen van de organisatie van de productie.” (Imperialism and World Economy, Chapter VIII, p. 104).

Toch blijft het verwijt: voor Lenin, Boecharin en anderen onderscheidt de ‘export van kapitaal’ eerder dan die van ‘waren’ de imperialistische fase van het kapitaal van de voorafgaande fasen. Laat Luxemburg’s theorie dit onderscheid links liggen en houdt dit bijgevolg in dat het imperialisme een kenmerk was van het kapitalisme vanaf zijn ontstaan?
Als we terug verwijzen naar de passages van Luxemburg die in deze tekst geciteerd worden, vooral het lange citaat uit de Anti-Kritik, dan kunnen we zien dat Luxemburg zelf heel duidelijk onderscheid maakt tussen de fase van oorspronkelijke accumulatie en de imperialistische fase, die ontegenzeggelijk wordt voorgesteld als een duidelijk afgebakend stadium in de wereldwijde ontwikkeling van het kapitaal. Zijn dit slechts holle woorden of stemmen ze overeen met de kern van Luxemburg’s theorie?

In feite is er hier geen tegenspraak in Luxemburg’s analyse. Het eigenlijke imperialisme begint na de jaren 1870 wanneer het wereldkapitalisme een belangrijke nieuwe samenstelling bereikt: de periode waarin de vorming van nationale staten in Europa en Noord-Amerika voorbij is, en in plaats van een toestand te kennen waarin Groot-Brittannië de ‘werkplaats van de wereld’ is zijn er meerdere hoog ontwikkelde nationale ‘werkplaatsen’ die wedijveren voor de heerschappij op de wereldmarkt - niet alleen concurrerend op elkaars thuismarkten maar ook op de koloniale markt. Het is deze toestand die leidt tot de depressie van de jaren 1870 - de ‘zaden van het kapitalistische verval’, juist omdat de neergang van het systeem gelijkstond aan de verdeling van de wereldmarkt tussen de concurrerende kapitalen - met de omvorming van het kapitaal tot een ‘gesloten systeem’ waarbinnen het probleem van de realisatie onoplosbaar wordt. Maar in loop van de jaren 1870 bestond de mogelijkheid om uit de gesloten cirkel te breken natuurlijk nog, en dit verklaart grotendeels de wanhopige spoed van de imperialistische uitbreiding in deze periode.

Het is waar, zoals de CWO uitspelt, dat het kapitaal altijd op zoek was naar koloniale markten, maar daar heeft niets mysterieus. Kapitalisten zullen altijd uitkijken naar gebieden van winstgevend in gebruik kunnen worden genomen en voor gemakkelijke verkoop, zelfs al zijn de beschikbare markten ‘thuis’ niet volledig verzadigd. Het zou absurd zijn te verwachten dat het kapitalisme een glad ontwikkelingsverloop zou kennen - alsof de vroege kapitalisten bij elkaar kwamen en met elkaar afspraken: “Eerst zullen we alle voorkapitalistische sectoren in Europa uitputten, dan zullen we uitbreiden naar Azië, dan Afrika, enzovoort.” Desalniettemin wordt achter de chaotische groei van het kapitalisme een duidelijk patroon zichtbaar: de koloniale plundering van het vroege kapitalisme, het gebruik van deze plundering om de industriële revolutie in de metropolen te versnellen; en dan, op de basis van het industriekapitaal, een nieuwe streven richting koloniale regio’s. De eerste periode van koloniale uitbreiding vormde weliswaar geen antwoord op de overproductie thuis, maar stemde overeen met de behoeften van de oorspronkelijke accumulatie. We kunnen het pas hebben over imperialisme als de koloniale uitbreiding een antwoord vormt op de tegenstellingen van de volledig ontwikkelde kapitalistische productie.

In die zin kunnen we het begin van het imperialisme zien wanneer de handelscrises van het midden van de negentiende eeuw optreden als een prikkel tot de uitbreiding van het Britse kapitaal naar de koloniën en de half-koloniën. Maar zoals gezegd betekent imperialisme in de volle betekenis van het woord een concurrentieverhouding tussen de kapitalistische staten; en de imperialistische uitbreiding wordt pas een onvermijdelijke noodzaak voor het kapitaal wanneer de markt van de metropolen definitief door verschillende kapitalistische reuzen is opgedeeld. Dit is de verklaring voor de snelle verandering in de Britse koloniale politiek in het laatste deel van de negentiende eeuw.

Voorafgaand aan de depressie van de jaren 1870, voor de verscherping van de concurrentie uit de Verenigde Staten en Duitsland, vroegen de Britse kapitalisten zich af of het wel de moeite waard was om de bestaande koloniën in stand te houden en ze waren terughoudend om nieuwe koloniën in bezit te nemen; maar nu raakten ze ervan overtuigd dat Groot-Brittannië zijn koloniale politiek moest handhaven en uitbreiden.

Het ‘gedrang om de koloniën’ aan het einde van de negentiende eeuw was niet het gevolg van een plotse verstandsverbijstering bij de bourgeoisie, of van en verwaande jacht naar nationaal prestige, maar vormde een antwoord op de fundamentele tegenspraak in de accumulatiecyclus: de groeiende concentratie van kapitaal en het opdelen van de markt in de metropolen, die tegelijk het dalen van de winstvoet en de kloof tussen productiviteit en koopkrachtige markt verergerden, dat wil zeggen het probleem van de realisatie.

Het idee dat de noodzaak om nieuwe markten open te breken een beslissend element vormde in de imperialistische uitbreiding staat, in tegenstelling tot wat de CWO beweert in Revolutionary Perspectives (nr. 6, p. 19), niet in tegenstelling tot het feit dat het overgrote deel van de wereldhandel in deze periode plaatsvond werd tussen de kapitalistische metropolen zelf. Dit verschijnsel werd door Luxemburg zelf opgemerkt:
“[...] met de internationale ontwikkeling van het kapitalisme wordt de kapitalisatie van de meerwaarde steeds dringender en wisselvalliger, zo wordt de overgrote basis van de massa van het constante en variabele kapitaal en in verhouding tot de meerwaarde steeds kolossaler. Vandaar het tegenstrijdige verschijnsel dat de oude kapitalistische landen voor elkaar een steeds groter markt vormen, voor elkaar steeds onmisbaarder worden en tegelijk elkaar steeds afgunstiger bestrijden als concurrenten in betrekkingen met niet-kapitalistische landen.” (Die Akkumulation des Kapitalis, Kapitel XXVI, p. 316).

De ‘externe’ markt was voor het globaal kapitaal een adempauze in een gevangenis die steeds overbevolkter raakte. Hoe minder adempauze er overbleef ten opzichte van de overvolle gevangenis, des te wanhopiger de gevangenen daarom vochten.
Het feit dat in deze periode een aanzienlijke toename van kapitaalexport tot stand kwam betekent evenmin dat de imperialistische uitbreiding niets te maken had met een marktprobleem. De kapitaalexport naar de koloniale regio’s was noodzakelijk niet alleen omdat deze het kapitaal in staat stelde te produceren in streken waar de arbeidskracht goedkoop was en bijgevolg de winstvoet kon stijgen.

Het breidde ook de wereldmarkt uit:
a) omdat kapitaalexport ook uitvoer van productiegoederen bevat die zelf waren zijn die verkocht moeten worden;
b) omdat het exporteren van kapitaal - om het even in de vorm van geldkapitaal voor investering of van productiegoederen - diende om de hele markt uit te breiden voor de kapitalistische productie door het te laten nestelen in nieuwe gebieden en door steeds meer koopkrachtige kopers binnen zijn werkingsgebied te brengen. Het duidelijkste voorbeeld daarvan is de bouw van spoorwegen, die dienden voor de uitbreiding van de verkoop van kapitalistische waren naar vele miljoenen nieuwe kopers.

Het probleem van de ‘markt’ kan ons helpen bij een van de meest opvallende kenmerken van de wijze waarop het imperialisme de kapitalistische productie over de wereld uitbreidde: het ‘scheppen’ van onderontwikkeling. Want wat de kapitalisten wilden was een gebonden markt - een markt van kopers die geen concurrenten zouden worden van de metropolen door zelf kapitalistische producenten te worden. Vandaar het tegenstrijdige verschijnsel waarbij het imperialisme de kapitalistische productiewijze uitvoerde en stelselmatig de voor-kapitalistische economische structuren vernietigde - terwijl het tegelijkertijd de ontwikkeling van inheems kapitaal afremde door onbarmhartig de koloniale economieën te plunderen, door hun industriële ontwikkeling ondergeschikt te maken aan de specifieke behoeften van de economie van de metropolen, en door het kunstmatig in standhouden van de meest reactionaire en onderdanige elementen van de inheemse heersende klassen. Daardoor kwam het dat, in tegenstelling tot Marx’ verwachtingen, het kapitalisme geen spiegelbeeld van zichzelf schiep in de koloniale gebieden. In de koloniën en half-koloniën mochten er geen goed gevormde, onafhankelijke nationale kapitalen ontstaan met hun eigen burgerlijke revoluties en gezonde industriële bases, maar eerder niet tot volle ontwikkeling komende karikaturen van de kapitalen uit de metropolen, gebukt gaand onder de wegrottende overblijfselen van de vorige productiewijze, gedeeltelijk geïndustrialiseerd om buitenlandse belangen te dienen, met bourgeoisieën die zwak en seniel geboren op zowel economisch als politiek vlak. Het imperialisme schiep aldus de onderontwikkeling en zal nooit in staat zijn die te overstijgen. Tezelfdertijd verzekerde het zich ervan dat er geen nationale burgerlijke revoluties konden plaatsvinden in de achtergebleven gebieden. In niet geringe mate vindt de diepgaande weerslag van de imperialistische ontwikkeling - een weerslag die nu overduidelijk is omdat de ‘Derde Wereld’ wegzinkt in barbarij - haar oorsprong in de poging van het imperialisme om de koloniën en de half-koloniën te gebruiken om zijn marktprobleem op te lossen.

2. Volgens Boecharin betekent Luxemburg’s definitie van imperialisme dat imperialisme ophoudt te bestaan wanneer er geen niet-kapitalistische milieu meer overblijft waarom nog gevochten kan worden:
“[...] uit deze definitie volgt dat een strijd om gebieden die al kapitalistisch zijn geworden niet imperialistisch is, wat volkomen onjuist is [...] uit diezelfde definitie volgt dat een strijd om al ‘bezette’ gebieden evenmin imperialistisch is. Andermaal, de onjuistheid van dit onderdeel van de definitie is eveneens overduidelijk [...] Laten we een treffend voorbeeld nemen om het onhoudbare karakter van Luxemburg’s opvatting van het imperialisme in het daglicht te stellen. We doelen op de bezetting van het Ruhrgebied door de Fransen (1923-1924). Vanuit Rosa Luxemburg’s gezichtspunt is dit geen imperialisme aangezien (1) er ‘overblijfselen’ ontbreken, (2) er geen niet-kapitalistische omgeving is, en (3) het Ruhrgebied had al een imperialistische eigenaar vóór de bezetting.” (Imperialism and the Accumulation of Capital, Chapter 4, p. 253).

Dit argument werd herhaald in de naïeve vraagstelling van de CWO tijdens de recente internationale conferentie in Parijs, “Waar zijn de voorkapitalistische of andere markten waarover Ethiopië en Somalië uitvochten in de Ogaden Woestijn?” Een dergelijke vraag verraadt een buitengewoon pover begrip van wat Luxemburg zei, evenals een betreurenswaardige tendens om het imperialisme niet te zien als een “aangeboren internationale voorwaarde, een ondeelbaar geheel”, maar als “de schepping van om het even welk staat of groep van staten”: met andere woorden, het beziet het probleem vanuit het beperkte gezichtspunt van de afzonderlijke nationale kapitalen.

Als Boecharin zich de moeite had getroost om meer aan te halen dan de eerste zin van de passage uit Luxemburg’s Die Akkumulation des Kapitals, die we geheel hebben weergegeven, dan had hij laten zien dat, volgens Luxemburg, de toenemende uitputting van het niet-kapitalistische omgeving niet het einde betekende van het imperialisme, maar de toespitsing van imperialistische tegenstellingen tussen de kapitalistische staten zelf. Dit is wat Luxemburg bedoelde toen ze schreef dat “het imperialisme de catastrofe als bestaansvorm terug brengt van de periferie van de kapitalistische ontwikkeling naar zijn uitgangspunt” (Anti-Kritik, t.a.p., p. 521). In de eindfase van het imperialisme wordt het kapitaal ondergedompeld in een verschrikkelijke reeks van oorlogen waarbij elk kapitaal en blok van kapitalen niet in staat is om op ‘vreedzame’ wijze uit te breiden naar nieuwe gebieden, en gedwongen wordt om markten en territoria te ontnemen aan zijn rivalen. Oorlog wordt de overlevingswijze van het hele systeem.

Natuurlijk ging Luxemburg er van uit dat de proletarische revolutie een eind aan het kapitalisme zo maken lang voordat de niet-kapitalistische omgeving zou zijn teruggebracht tot de onbetekenende factor die het nu is. De verklaring van hoe het kapitalisme in verval zijn bestaan rekte in bijna volledige afwezigheid van deze omgeving hoort thuis in een andere tekst. Maar zolang we het imperialisme blijven zien als “het product van een bepaald stadium van rijpheid in de ontwikkeling van kapitaal op wereldvlak, een van huis uit internationaal verschijnsel, een ondeelbaar geheel”, kunnen we het belang van Luxemburg’s definitie blijven inzien. Ze dient alleen nog te worden aangepast voorzover momenteel de imperialistische politiek van verovering en overheersing een bijna volslagen verdwijning van de externe markt teweeg heeft gebracht, eerder dan een directe strijd te zijn om voorkapitalistische overblijfselen. Het belangrijke dat benadrukt moet worden is de globale verandering in de ontwikkeling van het wereldkapitaal - de uitputting van de externe markt - die elk afzonderlijk segment van het kapitaal ertoe drijft om zich te gedragen op imperialistische wijze.

Om terug te keren tot Boecharin’s tegenwerpingen: het heeft geen zin om in elk imperialistisch conflict op zoek te gaan naar ‘niet-kapitalistische omgevingen’, want het is het kapitaal als geheel, het globale kapitaal, dat een externe markt nodig heeft waarin het kan uitbreiden. Voor de afzonderlijke kapitalist vormen kapitalisten en arbeiders een uitstekende markt voor zijn goederen. Eveneens kan een afzonderlijk nationaal kapitaal van een rivaliserende kapitalistische natie gebruik maken om zijn meerwaarde te laten opnemen. Niet iedere markt waarom door de imperialistische staten gevochten wordt is een voor-kapitalistische, en dit is steeds minder het geval naarmate meer markten worden ingelijfd in het wereldkapitaal. Evenmin is iedere inter-imperialistische strijd een rechtstreekse strijd om markten. In de huidige toestand wordt de globale rivaliteit tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie bepaald door de onmogelijkheid om de wereldmarkt geleidelijk uit te breiden. Maar vele - wellicht de meeste - van de bijzondere aspecten van de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie zijn er op gericht om strategisch/militaire voorsprong op het andere blok veilig te stellen. Bijvoorbeeld: Israël is nauwelijks een markt van betekenis voor de Verenigde Staten, of Cuba voor de Sovjet-Unie. Deze buitenposten worden vooral in leven gehouden vanwege hun strategisch/militaire waarde, tegen aanzienlijke kosten voor hun steunverleners. Op kleinere schaal: Vietnams’ plundering van Cambodja’s rijstvelden is niets meer dan dat, plundering. Cambodja vormt nauwelijks een ‘markt’ voor de Vietnamese industrie. Maar Vietnam wordt gedwongen tot het plunderen van Cambodja’s rijstvelden omdat zijn industriële stagnatie de landbouwsector niet in staat stelt om voldoende voedsel te produceren voor de Vietnamese bevolking. En zijn industriële stagnatie wordt veroorzaakt doordat de wereldmarkt niet kan uitbreiden, ze is al opgedeeld en geen nieuwkomers toelaten. Nogmaals, het is enkel mogelijk om deze vraagstukken zinnig te behandelen door te vertrekken vanuit een globaal gezichtspunt.

Politieke conclusies: Imperialisme en de onmogelijkheid van nationale oorlogen

De praktische kwesties in het theoretische debat over imperialisme draaiden altijd rond één vraagstuk: maakt het tijdperk van het imperialisme revolutionaire nationale oorlogen waarschijnlijker, zoals Lenin redeneerde, of worden ze er onmogelijk door, zoals Luxemburg volhield? Volgens ons heeft de geschiedenis Luxemburg’s stelling onmiskenbaar in het gelijk gesteld, namelijk dat:

“De algemene tendens van de huidige kapitalistische politiek beheerst daarbij zo goed als een almachtige, blind werkende wetmatigheid de politiek van de afzonderlijke staten, net als de wetten van de economische concurrentie de productievoorwaarden voor de afzonderlijke ondernemers dwingend bepalen.” (Junius-brochure, t.a.p., p. 138, ) en dat bijgevolg:
“In het tijdperk van dit ontketende imperialisme kunnen er geen nationale oorlogen meer bestaan. De nationale belangen dienen enkel als voorwendsel om de arbeidende volksmassa’s dienstbaar te maken aan hun aartsvijand, het imperialisme.” (Entwurf zu den Junius-Thesen, in Gesammelte Werke, Bd. 4, p. 44).

Het eerste citaat heeft de volgende concrete toepassingen in dit tijdperk, die beide het tweede citaat op klinkende wijze bevestigen.

a) Iedere natie, iedere bourgeoisie met een streven, is gedwongen zich achter één van de heersende imperialistische blokken te scharen, en zo aan te passen aan, en de behoeften van het wereldkapitalisme te vervullen. Eens te meer in Luxemburg’s woorden:

“De kleine naties vormen slechts schaakstukken in het imperialistische spel van de grootmachten, en ze worden, net als de arbeidende volksmassa’s van alle deelnemende landen, tijdens de oorlog als werktuig misbruikt, om na de oorlog opgeofferd te worden op het altaar van de kapitalistische belangen“ (Entwurf zu den Junius-Thesen, in Gesammelte Werke, Bd. 4, p. 44).

In tegenstelling tot Lenin’s hoop dat het imperialisme verzwakt zou worden door de opstand van de ‘onderdrukte naties’, wordt alle nationale strijd in dit tijdperk omgevormd tot imperialistische oorlogen door de onomkeerbare heerschappij van de grootmachten. Zoals Lenin zelf inzag, betekent imperialisme dat de hele wereld is opgedeeld onder de grote kapitalistische staten “zodat in de toekomst uitsluitend herverdelingen te verwachten zijn, dat wil zeggen het overgaan van de ene ‘bezitter’ naar de andere, geen toe-eigening echter van land dat nog geen ‘eigenaar’ heeft.” (Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme, t.a.p., p. 320).

De ervaring van de laatste zestig jaar heeft laten zien dat wat Lenin toepaste op ‘gebieden’ eveneens kan worden toegepast worden op alle naties. Geen enkele kan ontsnappen aan de wurggreep van het imperialisme. Dit is momenteel overduidelijk omdat de wereld sinds 1945 verdeeld is in twee permanent gevestigde imperialistische blokken. Nu de crisis verdiept en de blokken zichzelf versterken, wordt het duidelijk dat zelfs kapitalistisch reuzen als China en Japan zich nederig moeten onderwerpen aan de dictaten van hun Amerikaanse opperbaas. Hoe kunnen er in een dergelijke situatie nog illusies bestaan over nationale onafhankelijkheid voor de chronisch zwakke landen van de voormalig koloniale gebieden?

b) Iedere natie (5) wordt ertoe gedreven imperialistisch op te treden tegenover haar concurrenten. Zelfs als ze zichzelf onderwerpen aan een overheersend blok wordt iedere natie gedwongen om andere, kleinere naties aan haar eigen overheersing te onderwerpen. Luxemburg merkte dit verschijnsel op tijdens de Eerste Wereldoorlog, met betrekking tot Servië:

“Formeel gezien voert Servië zonder twijfel een nationale verdedigingsoorlog. Maar zijn monarchie en zijn heersende klassen zitten vol met expansionistische verlangens net zoals de heersende klassen in alle huidige staten [...] Dus is Servië aan het opschuiven naar de Adriatische Kust waar het een imperialistisch conflict uitvecht met Italië over de rug van de Albaniërs.” (Junius-brochure, t.a.p, p. 141).

Door de totale verstikking van de wereldmarkt wordt het verval een tijdperk van oorlog van ieder tegen allen. In plaats van aan deze werkelijkheid te kunnen ontsnappen worden kleine naties gedwongen zichzelf daaraan geheel en al aan te passen. De uiterste militarisering van de meer achtergebleven kapitalen, het veelvuldig uitbreken van oorlogen tussen lokale staten in de onderontwikkelde regio’s, zijn chronische aanwijzingen dat momenteel “geen enkel natie afzijdig kan blijven” van imperialistische politiek.

Volgens de CWO “ondermijnt het idee dat alle landen imperialistisch zijn het idee van imperialistische blokken” (Revolutionary Perspectives, nr. 12, p. 25), maar dat klopt alleen als je vooraf de discussie afgrenst met de bewering dat alleen ‘onafhankelijke’ machten imperialistisch zijn. Het is waar dat elke natie moet opgaan in het ene of andere imperialistische blok, maar zij doet dat omdat dit de enige manier is waarop ze haar eigen imperialistische belangen kan dienen.

Conflicten en botsingen binnen elk blok worden hierdoor niet vermeden (en kan zelfs de vorm aannemen van open oorlog, bijvoorbeeld de Grieks-Turkse oorlog van 1974); ze zijn simpelweg ondergeschikt aan een meer doorslaggevend conflict. De imperialistische blokken, zoals alle burgerlijke bondgenootschappen, kunnen nooit echt verenigd of harmonieus zijn. Ze als zodanig voor te stellen of ten minste de zwakkere naties van het blok voor te stellen als niets dan marionetten van een heersende grootmacht maakt het onmogelijk om de werkelijke tegenstellingen en conflicten te begrijpen die opwellen binnen het blok - niet alleen tussen de zwakkere naties zelf, maar ook tussen de behoeften van de zwakkere naties en de heersende macht. Het feit dat deze conflicten bijna altijd geregeld worden in het voordeel van de overheersende grootmacht maakt ze niet minder werkelijk. Evenzo maakt het voorbijgaan aan het imperialistische streven van de kleinere naties het onmogelijk om het uitbreken van oorlogen tussen deze staten helder te verklaren. Het feit dat ze steevast gebruikt worden om de belangen van de blokken te dienen betekent niet dat ze het alleen maar het product zijn van geheime beslissingen in Washington of Moskou. Ze wellen op uit werkelijke spanningen en problemen op lokaal vlak, problemen die onvermijdelijk aanleiding geven tot een imperialistisch antwoord van de kant van andere lokale staten. Te beweren, zoals de CWO doet, dat kleinere naties louter ‘imperialistische neigingen’ kennen, gaat moeilijk op als bijvoorbeeld Vietnam de buurstaat Cambodja binnenvalt, zijn regering omvergooit, een plooibaar regime installeert, de economie plundert en aandringt op de oprichting van een ‘Indo-Chinese Federatie’ onder de Vietnamese heerschappij. Vietnam heeft niet enkel imperialistische eetlust: het stilt deze honger door gulzig zijn buren op te schrokken!

Als we het idee verwerpen dat deze politiek uitdrukking is van een arbeidersstaat die een revolutionaire oorlog uitvecht; als we er van afzien de Vietnamese heersende klasse te beschouwen als een klasse die een historisch vooruitstrevende burgerlijke strijd levert voor nationale onafhankelijkheid, dan blijft er slechts één woord voor dit soort van politiek en acties over: imperialisme.

Imperialistische oorlog of proletarische revolutie

Als elke ‘nationale strijd’ de belangen dient van grote of kleine imperialistische staten, dan wordt het onmogelijk om in dit tijdperk nog te spreken van oorlogen voor nationale verdediging, van ‘nationale bevrijding, of van ‘nationale revolutionaire’ bewegingen. Daarom is het nodig elke poging te verwerpen om het standpunt van de Komintern over het nationale en koloniale vraagstuk opnieuw binnen te sluizen. De Nucleo Communista Internazionalista (NCI) lijkt bijvoorbeeld te suggereren dat het mogelijk zou zijn om de stellingen van de Komintern toe te passen in onderontwikkelde regio’s, als daar een echte communistische partij bestond: “In de gebieden buiten de metropolen, houdt de opdracht van een communistische partij noodzakelijker wijze de vervulling van taken in die de ‘zijne’ (in de onmiddellijke betekenis van het woord) niet zijn (de oprichting van een onafhankelijke nationale staat, economische en territoriale vereniging, landbouwhervorming, nationalisatie,…)” (Oriëntatienota’s voor het nationale en koloniale vraagstuk; Teksten van de Tweede Internationale Conferentie in Parijs, Engels- en Franstalig, november 1978, Vol. 1).
De bekommernis van de NCI is dat het proletariaat en zijn voorhoede niet onverschillig mogen staan tegenover de bewegingen van de onderdrukte massa’s in deze regio’s, maar leiding moeten geven aan hun opstanden en ze verbinden aan de kommunistische wereldrevolutie.

Dat is volkomen juist; maar om dit te verwezenlijken moet het proletariaat ook inzien dat het ‘nationale’ element niet voortkomt uit de onderdrukte en uitgebuite massa’s, maar vanuit hun onderdrukkers en uitbuiters - de bourgeoisie. Vanaf het ogenblik dat deze opstanden ingepast worden in een strijd voor ‘nationale’ taken worden ze naar het terrein van de bourgeoisie gedreven. In de huidige historische context betekent nationaal eveneens imperialistisch:

“Sindsdien heeft het imperialisme het oude burgerlijk-democratisch programma volledig ten grave gegraven toen het de expansie over de nationale grenzen heen en zonder acht te slaan op de nationale verbanden tot het programma van de bourgeoisie van alle landen verhief. De nationale frase wordt echter nog gebezigd. Maar zijn werkelijke inhoud, zijn functie is in zijn tegengestelde omgezet: Ze dient nog slechts als povere dekmantel voor de imperialistische ambities en als strijdkreet van de imperialistische rivaliteiten, als het enige en ultieme ideologische middel waarmee de volksmassa’s geronseld kunnen worden als kanonnenvoer in de imperialistische oorlog.” (Junius-brochure, t.a.p., p. 138).

Deze waarheid werd bevestigd in al de zogenaamde ‘nationale bevrijdingsbewegingen’ van Vietnam tot Angola, van Libanon tot Nicaragua. Vóór en nadat ze aan de macht komen, dienen de burgerlijke krachten van de nationale bevrijding steevast als uitvoerders van de een of andere van de imperialistische grootmacht. Zodra ze de staatsmacht grijpen beginnen ze hun eigen kleine imperialistische doelen na te streven. Het komt er dus niet op aan de opstand van de onderdrukte massa’s te leiden door een ‘fase’ van nationale, burgerlijk-democratische strijd, maar ze weg te leiden van het burgerlijk nationaal terrein naar het terrein van de proletarische klassenoorlog. “Vorm de imperialistische oorlog om in een burgeroorlog” vormt nu het proletarisch wachtwoord in alle delen van de wereld.

Het huidig imperialistisch karakter van alle delen van de bourgeoisie, en van al hun politieke projecten, is niets iets dat teruggedraaid kan worden, al was het maar tijdelijk, zelfs niet door de beste kommunistische partij ter wereld. Het is een diepgaande historische werkelijkheid, gebaseerd op een objectief bepaalde sociale ontwikkeling. Vandaar:

“Het tijdperk van de imperialistische oorlogen en proletarische revoluties stelt niet langer reactionaire staten tegenover progressieve staten in oorlogen waarin, dank zijde hulp van de volksmassa’s, de nationale eenheid van de bourgeoisie gesmeed wordt, waarin de geografische en politieke basis gelegd wordt die als springplank dient voor de ontwikkeling van de productiekrachten.
Het stelt niet langer de bourgeoisie tegenover de heersende klassen in de koloniën, in koloniale oorlogen die lucht en ruimte verschaffen voor de kapitalistische productiekrachten die reeds sterk ontwikkeld zijn.
Dit tijdperk stelt daarentegen imperialistische staten tegenover elkaar, economische entiteiten, die de wereld verdelen en herverdelen, die onmachtig zijn om op een andere manier de klassencontrasten en de economische tegenstellingen onder de duim te houden anders dan door middel van de oorlog, een gigantische vernietiging uit te voeren van niet-actieve productiekrachten en van ontelbare proletariërs, die uit de productie zijn gestoten.
Vanuit het gezichtspunt van de historische ervaring kunnen we stellen dat het karakter van de oorlogen die regelmatig de kapitalistische maatschappij door elkaar schudden, net zoals de daarmee overeenstemmende proletarische politiek, bepaald moeten worden, niet door de bijzondere - en dikwijls dubbelzinnige - aspecten waaronder deze oorlogen zich voordoen, maar door hun historische context, die voortvloeit uit het economisch ontwikkelingspeil en de rijpheid van de klassentegenstellingen.”
(Le problème de la guerre, Jehan t.a.p., op. cit.).

Als we tot de slotsom komen dat in de huidige historische context alle oorlogen, elke veroveringspolitiek, alle concurrentieverhoudingen tussen de kapitalistische staten van imperialistische aard zijn, dan is dat niet in tegenspraak met Boecharin’s gerechtvaardigde opmerking dat het karakter van een oorlogs- en veroveringspolitiek beoordeeld moet worden door te kijken naar “welke productieverhoudingen er worden versterkt of uitgebreid door de oorlog”; wij ondermijnen de nauwkeurigheid van de term imperialisme geenszins door zijn toepassingsgebied op te rekken. Want als de marxisten nationale oorlogen vereenzelvigen als oorlogen die een progressieve rol vervulden door het uitbreiden van de kapitalistische productieverhoudingen toen die nog konden dienen als basis voor de ontwikkeling van de productiekrachten, toen stelden ze dit soort oorlogen tegenover imperialistische oorlogen - oorlogen die een historische achteruitgang betekenen omdat ze dienen om de kapitalistische verhoudingen in stand te houden terwijl de een hindernis zijn geworden voor verdere ontwikkeling. Momenteel dienen al de oorlogen en iedere buitenlandse politiek van de bourgeoisie tot het in standhouden van een verrotte, in verval verkerende productiewijze.

Vandaar dat ze alle met reden gedefinieerd kunnen worden als imperialistisch. Sterker nog, een van de meest kenmerkende tekenen van het verval van het kapitalisme is dat, terwijl in de fase van bloei
“oorlog de functie vervulde om de uitbreiding van de markt te verzekeren, en zo de productie van consumptiemiddelen vergrootte, in de (verval-)fase is de productie vooral gericht op de productie van vernietigingsmiddelen, dat wil zeggen de oorlog. Het verval van de kapitalistische maatschappij komt treffend tot uiting in het feit dat oorlogen (in de bloeiperiode) de economische ontwikkeling dienden, de economische activiteit momenteel vooral gericht is op oorlog [...]” (Rapport over de Internationale Situatie, Kommunistische Linkerzijde van Frankrijk, 1945).

Hoewel het doel van de kapitalistische productie de productie van meerwaarde blijft, vertegenwoordigt de toenemende onderschikking van alle economische activiteiten aan de behoeften van de oorlog een tendens voor het kapitaal tot ‘zelf-negatie’. De imperialistische oorlog, geboren uit de drang van de bourgeoisie naar het maken van winst, geraakt in een dynamiek waarin de wetten van de winstgevendheid en ruil steeds meer in de wind worden geslagen. De berekeningen van winst en verlies, de normale verhoudingen tussen koop en verkoop, komen in het vaarwater van de ziekelijke drang van het kapitaal tot zelfvernietiging. Momenteel wordt de mensheid geconfronteerd met de logische gevolgen van de zelf-kannibalisatie van het kapitaal: een nucleaire holocaust die het hele menselijke ras zou kunnen vernietigen.

Deze tendens naar de ‘zelf-negatie’ van het kapitaal in de oorlog gaat gepaard met de universele militarisering van de maatschappij: een proces dat ijzingwekkend duidelijk wordt in de Derde Wereld en onder de stalinistische regimes, maar die, als de bourgeoisie haar zin krijgt, ook snel werkelijkheid zal worden voor de arbeiders in de westerse ‘democratieën’. De totale onderschikking van economische, sociale en politieke bestaan aan de behoeften van de oorlog: dat is nu in alle landen de afgrijselijke werkelijkheid van het imperialisme. Meer dan ooit tevoren geldt het alternatief dat Rosa Luxemburg in 1915 voorhield aan de wereldarbeidersklasse:

“[...] ofwel de overwinning van het imperialisme en de ondergang van alle cultuur, zoals in het oude Rome, ontvolking, troosteloosheid, ontaarding, één groot kerkhof; of de overwinning van het socialisme, dit wil zeggen de bewuste strijd van het internationale proletariaat tegen het imperialisme [...].” (Junius-brochure, t.a.p., p. 62).

C.D. Ward

(Eerder verschenen in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 19, vierde kwartaal 1979.)

(1) Zie voor verdere discussie de brochure van de IKS, Natie of Klasse.
(2) Hier moeten wij een misvatting van de CWO rechtzetten over het idee dat “Rosa Luxemburgs' economische opvattingen ten grondslag liggen aan haar opvattingen over het nationale vraagstuk: laatstgenoemde ging het eerstgenoemde meer dan een decennium vooraf.” (Revolutionary Perspectives, nr. 12,  p. 25). Klaarblijkelijk is de CWO niet bekend met de volgende passage die door Luxemburg in 1898 werd geschreven en gepubliceerd werd in de eerste uitgave van Hervorming of Revolutie: “Als we naar de huidige economische toestand kijken moeten we in ieder geval toegeven dat we nog niet in die fase van volkomen kapitalistische rijpheid beland zijn, die in het schema van Marx over de periodiciteit van crises verondersteld werd. De wereldmarkt is nog altijd in opbouw. [...] Aan de ene kant hebben we de plotselinge sprongsgewijze ontsluiting van nieuwe gebieden voor de kapitalistische economie al achter ons gelaten, die tot de jaren zeventig periodiek optrad. Deze sprongsgewijze ontwikkeling veroorzaakte de crises tot nu toe, zeg maar de jeugdcrises. Aan de andere kant zijn we nog niet aanbeland bij die graad van de opbouwen de uitputting van de wereldmarkt, die een fatale periodieke botsing van de productiekrachten op de grenzen van de markt in het leven zal roepen, de werkelijke kapitalistische ouderdomscrises. [...] Maar dat we onbedwingbaar het begin van het eind, de periode van de kapitalistische eindcrises naderen, dat volgt juist uit dezelfde verschijnselen die voorlopig voor het uitblijven van crises zorgen. Als de wereldmarkt eenmaal grotendeels is opgebouwd en niet meer door plotselingen uitbreidingen vergroot kan worden, als de productiviteit van de arbeid tegelijkertijd onbedwingbaar doorgroeit, dan begint na korte or langere tijd de periodieke wrijving tussen de productiekrachten en de grenzen van de ruil. Die wrijving wordt vanzelf, door de herhaling, steeds scherper en stormachtiger.” (geciteerd in Fritz Sternberg, Capitalism and Socialism on Trial, 1951, p.72; Rosa Luxemburg, Hervorming of Revolutie, Amsterdam, Aksant, 2006, p. 55-56, idem, Gesammelte Werke, Bd. 1/1, p. 385-386).
(3) Zie Economische theorieën en strijd voor het socialisme, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 16.
(4) Voor verdere discussie over dit punt zie Marxisme en crisistheorieën, in Internationale Revue, Nederlandstalige uitgave, nr. 8.
(5) Zie de brochure Crisis en verval van het kapitalisme.
(6) Als we zeggen dat alle landen imperialistisch zijn dan is het duidelijk dat we een veralgemening maken en dat er net als bij alle veralgemeningen uitzonderingen gevonden kunnen worden, voorbeelden van de of andere staat die nooit imperialistische misdaden lijkt te hebben begaan, maar dergelijke uitzonderingen ontkrachten het algemene punt niet. Het punt kan evenmin uit de weg worden gegaan door afgezaagde vragen te stellen als:  “Waar is het imperialisme van de Seychellen, van Monaco, of van San Marino?” Het gaat hier niet over kleine belastingparadijzen of historische grappen maar over nationale kapitalen die - hoewel niet onafhankelijk - een duidelijk bestaan en activiteit hebben op de wereldmarkt.