Internationale situatie: Een ommekeer in de situatie

Printvriendelijke versieSend by email

Van Somalië tot Angola, van Venezuela tot Joegoslavië, van hongersnoden tot moordpartijen, van staatsgrepen tot ‘burgeroorlogen’: de draaikolk van de versnelde ontbinding van alle radertjes van de kapitalistische maatschappij brengt voortdurend nieuwe ravage voort. Overal ontbreken de beloofde voorspoed en vrijheid op het appel. Maar bovendien zaait het kapitalisme overal dood en vernieling, het ontketent militarisme, stort het de massa van de overgrote meerderheid van de wereldbevolking in teloorgang, ellende en dood, en voert het massale aanvallen uit op de levensvoorwaarden van het proletariaat in de grote stedelijke en industriecentra.

Chaos, leugens en imperialistische oorlog

Ook de vurigste verdedigers van de bestaande orde zijn meer en meer gedwongen toe te geven dat de ‘nieuwe wereldorde’ niets anders is dan algemene chaos. Beter nog: omdat ze de aftakeling in alle landen van alle aspecten van het politieke, economische en sociale leven net meer kunnen verbergen, wedijveren kranten, radio, tv en woordvoerders van de heersende klasse er nu in die realiteit te ‘onthullen’. Politieke schandalen, etnische volkerenmoord, deportaties, repressie en razzia’s, pogroms en rampen van allerlei aard, epidemieën en hongersnood, alles is er bij. Maar die al te werkelijke gebeurtenissen worden niet uitgelegd voor wat ze zijn, nl. gevolgen van de wereldcrisis van het kapitalisme (1), nee, ze worden telkens voorgesteld als een soort van fataliteit.
Wanneer ze de honger toont in Somali, de moordpartijen van de ‘etnische zuivering’ in Joegoslavië, de deportatie en de lijdensweg van de bevolking in de zuidelijke republieken van de voormalige USSR, of de politieke koehandel, geeft de propaganda de bestaande verrotting weer. Maar ze doet dat zonder enig verband te leggen tussen die fenomenen, om er zo een gevoel van machteloosheid mee op te wekken en de bewustwording te verhinderen dat het de kapitalistische productiewijze in haar geheel is die verantwoordelijk is voor die toestand, tot in de meest verrotte aspecten ervan, en dat de bourgeoisieën van de grote kapitalistische landen de grootste schuld dragen.
De ontbinding is het resultaat van het vastlopen van alle raderen van de maatschappij: een algemene crisis van de wereldeconomie, die meer dan 25 jaar geleden begon, en het ontbreken van enig vooruitzicht om uit die crisis te geraken. En de grootmachten die bij het einde van het stalinisme beweerden dat een ‘periode van vrede en voorspoed’ begon, worden meegesleurd in een ongebreideld ieder-voor-zich dat die sociale ontwrichting onderhoudt en nog versterkt, zowel op binnenlands als op internationaal vlak.
Op het vlak van de binnenlandse situatie in de industrielanden doen de nationale bourgeoisieën hun best om de uitingen van de ontbinding in te perken en ze tegelijk te gebruiken om het staatsgezag te versterken (2). Dat heeft de Amerikaanse bourgeoisie gedaan tijdens de rellen in de lente 1992 in Los Angeles, waarbij ze zich zelfs kon veroorloven het moment waarop ze uitbraken en de omvang ervan te bepalen (3). Dat heeft de Duitse bourgeoisie gedaan sinds de herfst met het voeren van een enorme campagne rond de ‘jacht op vreemdelingen’. Ze controleert de gebeurtenissen, lokt ze soms zelfs onderhands uit, om de versterking van de ‘immigratiecontrole’ door te drukken, dat wil zeggen haar eigen ‘jacht op vreemdelingen’. Ze probeert de bevolking in het algemeen en de arbeidersklasse in het bijzonder te mobiliseren voor het beleid van de staat, door betogingen te organiseren ter verdediging van de ‘democratie’.
Op internationaal vlak zijn de industrielanden steeds minder ‘bondgenoten’ sinds de discipline is weggevallen in het Westers blok die nodig was tegenover het Russisch imperialistisch blok en ook tengevolge van het verergeren van de crisis die hen treft, in het hart van de wereldeconomie. Ze worden meegesleept in een verbeten confrontatie tussen hun tegengestelde kapitalistische en imperialistische belangen. Ze zijn niet op weg naar ‘vrede’ maar scherpen het militaire spanningen aan.

Somalië: voorspel voor moeilijker interventies

Sinds meer dan anderhalf jaar gooit Duitsland olie op het vuur in Joegoslavië. Door de oprichting van een onafhankelijk Slovenië en Kroatië te steunen verbrak het de status-quo die borg stond voor de Amerikaanse heerschappij over de Middellandse zee. Sinds het uitbreken van het conflict proberen de Verenigde Staten de uitbreiding van een door Duitsland gedomineerde invloedszone te verhinderen. Na hun verholen steun aan Servië, met het saboteren van de ‘Europese initiatieven’ die de US-heerschappij relatief verzwakt zouden hebben, schakelen de Verenigde Staten nu een hogere versnelling in. De Amerikaanse militaire tussenkomst zal geen ‘vrede’ brengen in Somali. Ze zal evenmin leiden tot het afremmen van de hongersnood die onder meer dit land, in een van de meest misdeelde streken ter wereld, teistert. Somali is enkel een oefenterrein voor militaire operaties van grotere omvang die de Verenigde Staten voorbereiden en die in de eerste plaats gericht zijn tegen de grootmachten, in de eerste plaats Duitsland, die in staat zijn hen hun oppergezag op het wereldtoneel te betwisten.
De ‘humanitaire actie’ van de grootmachten is opnieuw enkel een voorwendsel dat dient om “de smerige imperialistische belangen te maskeren die hun tot actie aanzetten en waarvoor ze elkaar verscheuren, [...] om hun eigen verantwoordelijkheid voor de bestaande barbaarsheid met een rookgordijn te verbergen en de nieuwe ontwikkelingen daarvan goed te praten.” (4). De raid van de Amerikaanse strijdkrachten in Somali heeft niets te maken met de ellende, de honger en de bloedbaden die dat land teisteren. Net zo min als de Golfoorlog twee jaar geleden iets te maken had met het lot van de plaatselijke bevolking, wier situatie sinds de eerste ‘zege’ van de ‘nieuwe wereldorde’ er alleen maar erger op geworden is.
De ‘coalitie’ onder Amerikaanse knoet tijdens de Golfoorlog had de concurrenten tot de orde geroepen. Die is echter de laatste twee jaar weer uiteengevallen en de Verenigde Staten hebben moeite om hun ‘wereldorde’ in stand te houden. Die ontaardt meer en meer in een kakofonie. Opgejaagd door de ademnood en het failliet van hele delen van haar economie heeft de Amerikaanse bourgeoisie een nieuw grootscheeps offensief nodig die haar militair overwicht te bewijst om verder haar dictaten te kunnen opleggen aan haar voormalige ‘bondgenoten’.
De eerste fase van dit offensief bestaat erin klappen toe te brengen aan de aanspraken van het frans imperialisme door de operaties in Somali onder uitsluitend Amerikaanse controle te plaatsen. De Franse strijdkrachten van Djibuti krijgen de rol toebedeeld van kleine, ondoeltreffende figurant zonder reële rol in Mogadisju. Maar die eerste fase is pas de eerste voorbereidingsronde naast de noodzaak van een interventie in voormalig Joegoslavië, in Bosnië, die massaal zal moeten zijn wil ze doeltreffend zijn zoals de chefs van de generale staf van het Amerikaans leger, met name Colin Powell, één van de bazen van de Golfoorlog (5) sinds de zomer van 1992 verklaard hebben. De Hoorn van Afrika is door zijn geografische positie dan wel een strategische zone van aanzienlijk belang, maar de omvang van de US-operatie (6), de enorme aandacht die ze krijgt in de media dienen vooral om belangrijker operaties te rechtvaardigen en voor te bereiden, in de Balkan, in Europa dat de centrale inzet is van de imperialistische confrontatie, zoals gebleken is in beide wereldoorlogen.
De Verenigde Staten zijn niet van plan Somali te bedekken met een bommentapijt zoals met Irak gebeurde (7), maar ze zullen ook niets doen om de bloedbaden en de honger in het gebied in te dijken. Hun doel is in de eerste plaats proberen een beeld op te hangen van een ‘schone oorlog’, beeld dat ze nodig hebben om voldoende steun van de bevolking te krijgen voor moeilijker, duurder en langduriger interventies. Verder willen ze de franse bourgeoisie, en achter haar de Duitse en de Japanse, waarschuwen dat zij, de Verenigde Staten, van plan zijn hun leiderschap niet uit handen te geven. Lang op voorhand voorbereid, dient ze tenslotte, zoals elke actie ‘om de orde te handhaven’, om de oorlogsvoorbereidingen te versterken, in dit geval de ontplooiing van een Amerikaanse militaire actie in Europa.
Het Frans-Duits bondgenootschap begrijpt dat en eist, met name via Delors, een verhoging van de deelname van troepen uit Europese landen aan de interventie in Joegoslavië. Niet om de vrede te herstellen zoals hij beweert, maar om militair op het terrein aanwezig te zijn tegenover het initiatief van de Verenigde Staten. Van zijn kant stuurt Duitsland, voor het eerst sinds de tweede wereldoorlog, 1.500 man buiten zijn grenzen. Dat is in feite, onder de dekmantel van het ‘aanvoeren van levensmiddelen’ naar Somalië, een eerste stap naar een rechtstreekse deelname aan de conflicten. Het is een boodschap aan de Verenigde Staten over de wil van Duitsland binnenkort militair present te zijn op het slagveld van voormalig Joegoslavië. Het is een nieuwe stap die gezet zal worden in die confrontatie, met name op militair vlak, maar ook inzake het geheel van de aspecten van de kapitalistische politiek. En de verkiezing van Clinton in de Verenigde Staten, al verandert die niets aan de voornaamste keuzes van de strategie van de Amerikaanse bourgeoisie, is een uiting van het keerpunt dat zich voordoet in de internationale situatie.
 

Clinton: een gespierder beleid

In 1991, enkele maanden na de ‘zege’ van ‘woestijnstorm’, en ondanks een daling van zijn populariteit die te maken had met de verergering van de crisis in de Verenigde Staten, kon Bush vooruitzien op een probleemloze herverkiezing. Clinton heeft het tenslotte gehaald omdat hij beetje bij beetje de steun gekregen heeft van belangrijke frakties van de Amerikaanse bourgeoisie. Dat bleek onder meer uit de steun van invloedrijke persorganen, en daarna uit de welbewuste sabotage van Bush’ campagne door de kandidatuur van Perot. Die werd een tweede keer in het strijdperk gebracht om rechtstreeks tegen Bush op te komen. Met het onthullen van het ‘Irakgate’ schandaal (8) en het beschuldigen van Bush, voor het oog van tientallen miljoenen tv-kijkers, omdat hij Irak zou aangemoedigd hebben Koeweit binnen te vallen, liet de Amerikaanse bourgeoisie de overwinnaar van ‘woestijnstorm’ weten waar hij naar toe ging: de deur uit. De betrekkelijke brede marge waarmee Clinton van Bush won toonde dat de wil te veranderen ruim in de meerderheid was binnen de amerikaanse bourgeoisie.
Het was in de eerste plaats omwille van de omvang van de economische catastrofe dat de meerderheid van de Amerikaanse bourgeoisie zich na enkele aarzelingen uitsprak voor het opbergen van haar ideologische façade, van een liberalisme dat machteloos gebleken was om de economische afgang te stuiten, en dat daarvoor zelfs verantwoordelijk geacht werd. Met de open recessie sinds 1991 was de bourgeoisie gedwongen het failliet uit te spreken van dat onaangepast ultra-liberalisme om een toenemende interventie van de staat te kunnen rechtvaardigen die nodig geworden was om de resten van het productief en financieel apparaat te redden dat aan alle kanten lekken vertoonde. Zij schaarde zich in grote meerderheid achter de praat van Clinton over de noodzaak van ‘meer staat’ omdat die beter overeenstemde met de realiteit van de toestand dan die van Bush, die in het verlengde bleef van de ‘reaganomics’ (9).
In de tweede plaats lukte de Bush-administratie er niet in het initiatief van de Verenigde Staten te behouden in de wereldarena. Tijdens de Golfoorlog kon ze nog de eensgezindheid bereiken van de Amerikaanse bourgeoisie rond de onbetwiste rol van militaire wereldsupermacht die de Verenigde Staten speelden in het voorspel tot en bij het voeren van die oorlog. Maar daarna raakte ze in ademnood en vond de middelen niet meer voor een even spectaculaire en doeltreffende interventie om zich op te dringen aan de potentiële rivalen van de Verenigde Staten.
In Joegoslavië, waar de Verenigde Staten vanaf de zomer van 1992 een interventie van de luchtmacht overwogen in Bosnië, staken de Europeanen stokken in de wielen. Met de ‘verrassingsreis’ van Mitterrand naar Sarajevo kon met name de Amerikaanse ‘humanitaire’ campagne die bombardementen op dat moment voorbereidde de pas afgesneden worden. Bovendien maakt de warboel van gewapende frakties en de geografische ingewikkeldheid elke militaire operatie veel gevaarlijker. Ze vermindert met name de doeltreffendheid van de luchtmacht, de voornaamste troef van het Amerikaans leger. De Bush-administratie heeft de nodige middelen niet kunnen ontplooien. Als toen het tot een nieuw actie kwam in Irak, met het neutraliseren van een deel van het luchtruim van dat land, gaf dat toch niet de gelegenheid voor nieuw machtsvertoon omdat Saddam Hoessein dit keer niet op de provocatie inging.
Door de verkiezingen te verliezen kan Bush ook dienen als zondebok voor de tegenvallers in het beleid van de Verenigde Staten, zowel inzake de alarmerende economische balans als de middelmatige balans inzake het militair leiderschap op wereldvlak. Door zich als verantwoordelijke te laten aanduiden, levert hij een laatste dienst, omdat zo verborgen kan worden dat geen ander beleid mogelijk was en dat het systeem zelf definitief verziekt is. Voor een bourgeoisie die te maken heeft met een ‘publieke opinie’ die ontgoocheld is door de rampzalige economische en sociale resultaten van de jaren 1980 en die meer dan sceptisch staat tegenover de ‘nieuwe wereldorde’, betekent de aflossing door Clinton na twaalf jaar republikeins bewind bovendien een dosis verse zuurstof voor de geloofwaardigheid van de Amerikaanse ‘democratie’.
De bourgeoisie kan er verder volledig op betrouwen dat de Democratische Partij de toename van de militaire interventies zal aankunnen. Die heeft daar een nog degelijker ervaring mee dan de Republikeinen, want zij regeerde het land voor en tijdens de wereldoorlog, zij ontketende en voerde de oorlog in Vietnam en zwengelde onder Carter eind jaren 1970 de bewapeningspolitiek opnieuw aan.
Met Clinton probeert de Amerikaanse bourgeoisie een keerpunt te bewerkstelligen, in de eerste plaats tegenover de economische crisis, en ook om te proberen op imperialistisch terrein haar leiderschap over de wereld te behouden tegenover de tendens tot vorming van een rivaliserend blok, aangevoerd door Duitsland.

Het falen van ‘Europa 1993’

Voor de ineenstorting van het Oostblok waren de verschillende akkoorden en instellingen die een zekere mate van eenheid verzekerden tussen de verschillende landen van Europa duurzaam omdat er, onder de Amerikaanse ‘paraplu’, een gemeenschappelijk belang van die landen bestond tegenover de dreiging die uitging van het Russisch imperialistisch blok. Met het wegvallen van die dreiging heeft de ‘Europese eenheid’ haar bindende kracht verloren en het fameuze ‘Europa van 1993’ is aan het verkommeren.
In plaats van de ‘economische en monetaire unie’ waarin het ‘verdrag van Maastricht’ een beslissende etappe moest zijn, en die eerst alle landen van de ‘Europese economische gemeenschap’ moest groeperen, om daarna nog andere landen te integreren, zien we een ‘Europa met twee snelheden’ ontstaan. Aan de ene kant is er het verbond tussen Duitsland en Frankrijk, waartoe ook Spanje, België en deels Italië overhellen, dat aandringt op het nemen van maatregelen om het hoofd te bieden aan de Amerikaanse en Japanse concurrentie en dat zich op militair vlak probeert te onttrekken aan de Amerikaanse voogdij (10). Aan de andere kant staan de andere landen, met Groot-Brittannië op kop, en ook Nederland, die zich verzetten tegen die sterke opkomst van Duitsland in Europa en die vasthouden aan het verbond met de Verenigde Staten. Zij zijn vastbesloten zich met alle middelen te verzetten tegen de opkomst van een rivaliserend blok.
Uit de Europese topconferenties, de ratificering door de parlementen en de referenda blijkt geen grotere eenheid en harmonie tussen de nationale bourgeoisieën van de verschillende landen van Europa. De noodzaak te kiezen tussen het verbond met de Verenigde Staten, die de eerste wereldmacht blijven, of met hun uitdager, Duitsland, leidt tot als maar heviger ruzies, tegen de achtergrond van een economische crisis zonder voorgaande en een maatschappelijke ontbinding waarvan de rampzalige gevolgen zich in het hart van de ontwikkelde landen beginnen te doen voelen. In die ruzie proberen ze de schijn op te houden van een debat tussen ‘democratieën’ die tot een ‘dialoog’ willen komen om een ‘terrein van overeenstemming’ te vinden. Maar de moordende oorlog in voormalig Joegoslavië, aangewakkerd door de botsing tussen de grootmachten achter de rivaliteit tussen de nieuwe ‘onafhankelijke’ staten (11), levert er een eerste bewijs van dat de ‘eenheid’ van de ‘grote democratieën’ een leugen is en toont de onmenselijkheid waartoe zij in staat zijn om hun imperialistische belangen te verdedigen (12). Niet alleen woedt de oorlog voort in Bosnië, maar hij dreigt ook uit te breiden naar Kosovo en Macedonië waar de bevolking dan op haar beurt zou meegesleurd worden in de draaikolk van die barbaarsheid.
Europa, plaats waar de rivaliteit tussen de voornaamste mogendheden samenvloeit, bekleedt natuurlijk een centrale plaats in de tendens tot vorming van een Duits blok, en voormalig Joegoslavië is er het Europees militair ‘laboratorium’ van. Maar heel de planeet is het theater van de spanningen tussen de nieuwe imperialistische polen, spanningen die bijdragen tot het aanwakkeren van de gewapende conflicten in de ‘derde wereld’ en in het voormalig ‘sovjet’-blok.

De toename van ‘lokale conflicten’

Met de ineenstorting van de oude ‘wereldorde’ hebben de oude lokale conflicten niet opgehouden te bestaan. Dat bewijst bv. de situatie in Afghanistan of in Koerdistan. Maar bovendien ontstaan nieuwe conflicten, nieuwe ‘burgeroorlogen’ tussen lokale fracties van de bourgeoisie die voordien gedwongen werden samen te werken voor eenzelfde nationaal belang. Het ontstaan van nieuwe spanningshaarden blijft echter nooit een strikt lokale situatie. Elk conflict wekt onmiddellijk de hebzucht op van frakties van de bourgeoisie in de buurlanden, en, in naam van etnische tegenstellingen, grensgeschillen, religieuze ruzies, het ‘gevaar van wanorde’ of welk voorwendsel dan ook, worden allen, van de kleinste lokale potentaat tot de grootmachten meegetrokken in de spiraal van de gewapende confrontatie. Eender welke ‘lokale’ of ‘burgeroorlog’ mondt onvermijdelijk uit op een confrontatie tussen de imperialistische mogendheden.
De spanningen zijn in het begin niet noodzakelijk verbonden met de belangen van die kapitalistische mogendheden. Maar door de opeenvolging van stappen in de ‘logica’ van de kapitalistische oorlog draait het er steeds op uit dat ze er zich mee moeien, al was het maar om te verhinderen dat hun concurrenten het doen en dat die punten zouden scoren die van tel zouden zijn in de algemene krachtsverhouding.
Zo komen de Verenigde Staten tussen – of volgen ze op de voet – de ‘lokale’ situaties die hun belangen kunnen dienen tegenover hun potentiële rivalen. In Afrika, in Liberia, is de oorlog tussen rivaliserende bendes vandaag uitgegroeid tot de speerpunt van het Amerikaans offensief om Frankrijk te verjagen uit zijn ‘achtertuin’ in Mauretanië, Senegal en Ivoorkust. In Zuid-Amerika hebben de Verenigde Staten een welwillende neutraliteit behouden tijdens de staatsgreep in Venezuela die tot doel had Carlos Andres Perez omver te werpen, een vriend van Mitterrand en wijlen Willy Brandt, lid van de Socialistische Internationale, en voorstander van het behoud van de invloed van Frankrijk, Spanje, en ook van Duitsland. In Azië schenken de Verenigde Staten bijzondere aandacht aan de pro-Chinese politiek van de rode Khmers, omdat ze hopen China in hun invloedssfeer te houden, liever dan te zien dat het Japan in de kaart speelt.
De grootmachten worden er eveneens toe gebracht zich te mengen in de confrontaties tussen regionale sub-imperialismes die door hun geografische ligging, hun omvang of hun atoombewapening zwaar doorwegen op de imperialistische krachtsverhouding op wereldvlak. Dat is het geval met het Indisch subcontinent, waar een rampzalige toestand heerst die in elk land allerlei rivaliteiten opwekt tussen frakties van de bourgeoisie, zoals blijkt uit de recente slachting van ‘moslims’ in India. Die rivaliteiten worden op de spits gedreven door de confrontatie tussen India en Pakistan, waarbij Pakistan de ‘moslims’ in India steunt, terwijl India de revolte in Kasjmir aanwakkert tegen de Pakistaanse regering. Het in vraag stellen van de oude internationale bondgenootschappen van India met de Sovjet-Unie en Pakistan met China en de Verenigde Staten, brengt die laatsten ertoe de conflicten niet te kalmeren, maar juist het risico te nemen van ze te doen ontvlammen.
De grootmachten worden ook aangetrokken door nieuwe conflicten die ze in ‘t begin noch gewenst, noch aangestookt hebben. In de landen van het voormalig Oostblok, en vooral op het grondgebied van de voormalige Sovjet-Unie, nemen de spanningen tussen de republieken voortdurend toe. Elke republiek heeft af te rekenen met nationale minderheden die hun ‘onafhankelijkheid’ uitroepen, milities vormen, en openlijk of onderhands gesteund worden door andere republieken: de Armeniërs in Azerbeidzjan, de Tsjetsjenen in Rusland, de Russen in Moldavië en Oekraïne, de fracties in de ‘burgeroorlog’ in Georgië, enz. Het zint de grootmachten niet zich te mengen in het moeras van die lokale conflicten, maar het feit dat tweederangsmogendheden zoals Turkije, Iran en Pakistan azen op delen van de oude Sovjet-Unie, of het feit dat Rusland zelf meer en meer verscheurd wordt door felle strijd tussen ‘conservatieven’ en ‘hervormers’, opent de weg op een verbreding van de conflicten.
Op de ontbinding die de tegenstellingen aanscherpt en die rivaliteit en conflicten opwekt, kunnen de frakties van de bourgeoisie, van de kleinste tot de machtigste, enkel antwoorden met militarisme en oorlogen.

Oorlog en crisis

De kapitalistische regimes van het stalinistisch type, die voortkwamen uit de contra-revolutie in de jaren 1920-1930 in Rusland en die een starre en totaal gemilitariseerde vorm van staatskapitalisme invoerden, zijn ineengestort. De bureaucraten van gisteren beschilderen hun nationalisme van altijd met een laagje ‘onafhankelijkheid’ en ‘democratie’, maar ze hebben, vandaag evenmin als gisteren, iets anders te bieden dan corruptie, gangsterisme en oorlog.
Het is nu de beurt aan de kapitalistische regimes van het westers type, die beweerden het bewijs geleverd te hebben van hun economische superioriteit, van de ‘zege van het kapitalisme’, om meegesleurd te worden in de ineenstorting van het systeem: ongeziene vertraging van hun economie, drastische afslanking van hun winsten, werkloosheid voor tientallen miljoenen arbeiders en bedienden, onophoudelijk voortwoekerende aftakeling van de arbeidsomstandigheden, de behuizing, het onderwijs, de gezondheidszorg en de veiligheid.
Maar in die landen, in tegenstelling tot die van de ‘derde wereld’ en van het voormalig Oostblok, is het proletariaat niet bereid zonder verpinken de dramatische gevolgen te ondergaan die deze ineenstorting heeft voor hun levensvoorwaarden. Dat bleek in de herfst van 1992 al bij de formidabele woede-uitbarsting van de arbeidersklasse in Italië.

Naar een heropleving van de strijd van de arbeidersklasse

Na drie jaar van passiviteit vormden de betogingen, werkonderbrekingen en stakingen van honderdduizenden arbeiders en bedienden in Italië in de herfst van 1992 het eerste teken van een verandering van aanzienlijk belang. De arbeidersklasse reageerde tegen de meest brutale aanvallen sedert de tweede wereldoorlog. Over alle sektoren en streken heen heeft ze er gedurende enkele weken aan herinnerd dat de economische crisis alle arbeiders op dezelfde manier behandelt door overal haar levensvoorwaarden aan te vallen, maar vooral dat zij, allen samen, over alle verdelingen heen die het kapitalisme hen opdringt, een sociale kracht zijn die zich kan verzetten tegen de gevolgen van die crisis.
De initiatieven die de arbeiders in de stakingen namen, hun massale deelname aan de protestbetogingen tegen het soberheidsplan van de regering, en de bronca, het protest tegen de officiële vakbonden die dat plan steunden, hebben bewezen dat het proletariaat zijn vermogen om zich te verzetten nog volop behouden heeft. Ook als de bourgeoisie het initiatief in handen heeft weten te houden en ook als de massabeweging van het begin nadien afgebrokkeld is, blijft van deze eerste belangrijke strijd van het proletariaat sinds 1989 in de industrielanden één feit overeind: de terugkeer van de strijdbaarheid van de arbeiders.
De gebeurtenissen in Italië geven zo een nieuwe etappe aan opdat de arbeidersklasse, door de strijd weer op te nemen op een terrein dat gemeenschappelijk is voor allen, het verzet tegen de crisis, weer vertrouwen zou krijgen in haar vermogen de aanvallen van het kapitalisme te beantwoorden en een nieuw vooruitzicht te openen.
De black-out van de informatie over de gebeurtenissen in Italië, tegenover de publiciteit die de ‘staking van de staalarbeiders’, de ‘staking in de vervoersector’ en de ‘staking in de openbare diensten’ kregen tijdens de grote vakbondsmaneuvers in de lente van 1992 in Duitsland (13), is een aanwijzing dat het in de beweging in Italië inderdaad om een opkomst van de arbeiders gaat. Toen de Duitse bourgeoisie er vorig jaar in slaagde elk initiatief van de arbeiders te verstikken, werd haar operatie breed uitgesmeerd in de media van de internationale bourgeoisie. In de herfst van 1992 kreeg de Italiaanse bourgeoisie, via die black-out op het nieuws, de steun van de internationale bourgeoisie, die de reactie van de arbeiders tegen de soberheidsmaatregelen – die de Italiaanse staat niet meer kon verwachtte en vreesde.
Maar die beweging is enkel een eerste stap naar het weer opleven van de internationale klassenstrijd. Italië is het land waar het proletariaat de grootste ervaring van heel de wereld heeft inzake arbeidersstrijd en het grootste wantrouwen tegenover de vakbonden. In andere Europese landen is dat nog helemaal niet het geval. Op dat vlak zullen de arbeidersreacties elders in Europa, of in de Verenigde Staten, niet onmiddellijk even radicaal en massaal zijn als in Italië.
Ook in Italië is de beweging trouwens al gauw op haar beperkingen gestuit. Enerzijds heeft het massaal verwerpen van de grote vakbonden door de arbeiders in deze beweging getoond dat, ondanks de breuk van drie jaar, de langdurige ervaring van de arbeidersklasse van confrontaties met de vakbondsideologie niet verloren gegaan is. Maar anderzijds verwachtte de bourgeoisie zich aan die verwerping. Zij heeft ze gebruikt om de arbeiderswoede toe te spitsen op spectaculaire acties tegen de vakbondsleiders, ten koste van een breder verzet tegen de maatregelen en tegen het staatsapparaat in zijn geheel, alle aanhangsels van de vakbonden inbegrepen.
In plaats dat de arbeiders de strijd collectief in handen namen in algemene vergaderingen waar zij kunnen beslissen over de doeleinden en de middelen van hun acties, hebben ‘radicale’ organismen van basissyndicalistische aard het botvieren van de ontevredenheid georganiseerd. Door bouten en stenen te gooien naar de vakbondsleiders hebben ze de valstrik in stand gehouden van de valse tegenstelling tussen basissyndicalisme en officiële vakbonden, hebben ze verwarring gezaaid en de massale mobilisatie en de eenheid gebroken die nodig zijn om doeltreffend verzet te ontwikkelen tegen de aanvallen vanwege de staat.
De arbeidersstrijd in Italië geeft dus een heropleving aan van de strijdbaarheid met moeilijkheden waarmee de arbeidersklasse overal zal af te rekenen krijgen, met op de eerste plaats de vakbonds-ideologie, officieel of van de ‘basis’, en het corporatisme, de beroepsgebondenheid.
De atmosfeer van ontreddering en verwarring die in de arbeidersklasse verspreid werd door de ideologische kampagnes over het ‘failliet van het kommunisme’, het einde van het marxisme en van de klassenstrijd, weegt nog door, en de strijdbaarheid is enkel de eerste voorwaarde om met die atmosfeer te breken. De arbeidersklasse moet er zich ook van bewust worden dat haar strijd inhoudt dat ze alles in vraag stelt, dat ze de confrontatie moet aangaan met het kapitalisme als wereldsysteem dat de planeet beheerst, een systeem in crisis dat ellende, oorlog en vernietiging in zich draagt.
Vandaag begint de passiviteit tegenover de beloften van ‘vrede’ van het zegevierend kapitalisme af te brokkelen. ‘Woestijnstorm’ heeft ertoe bijgedragen de leugen van die ‘vrede’ te ontmaskeren.
De deelname aan oorlogen van de legers van de grote ‘democratische’ landen, zoals in Somalië en voormalig Joegoslavië, is minder makkelijk te ontmaskeren. Zij beweren tussen te komen om de ‘bevolking te beschermen’, om ‘voedsel aan te voeren’. Maar dat het aanvallen regent op de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse schept een atmosfeer waarin het ‘humanitair’ alibi voor het zenden van troepen, overladen met de duurste, meest gesofistikeerde en moorddadigste wapens, ertoe zal bijdragen om die ‘humanitaire’ leugen te doorzien, te begrijpen dat de ‘democratische’ legers hetzelfde ‘vuile werk’ doen als al die bendes, milities en legers van diverse soorten en horizonten die zij zeggen te bestrijden.
Wat de belofte van ‘voorspoed’ betreft, zijn de catastrofe en de ongeziene verergering van de economische crisis bezig de laatste voorbeelden van landen waar de levensvoorwaarden nog relatief gespaard gebleven waren, zoals in Duitsland, Zweden of Zwitserland, te verscheuren. De massale werkloosheid treft nu sektoren met hooggeschoolde arbeidskrachten, die totnutoe het minst getroffen werden, maar die zich nu met tienduizenden aansluiten bij de tientallen miljoenen werklozen in de regio’s van de wereld waar het proletariaat het talrijkst is en het meest geconcentreerd.
De heropleving van de klassenstrijd in de herfst van 1992 in Italië wijst op een nieuwe opkomst van de strijdbaarheid van de arbeiders. De ontwikkeling van de crisis, met het militarisme dat meer en meer alomtegenwoordig is in het sociaal klimaat van de industrielanden, zal ertoe bijdragen dat de komende belangrijke klassegevechten, die zonder twijfel zullen uitbreken, zullen uitmonden op een ontwikkeling van het bewustzijn in de arbeidersklasse van de noodzaak haar eenheid te versterken en, met de revolutionaire organisaties, zo weer het perspectief te smeden van een waarachtig kommunisme.

(Eerder verschenen in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 72, 1e kwartaal 1992)

Noten

(1) Zie artikel over de economische crisis in deze aflevering.
(2) De bourgeoisie probeert zich te verzetten tegen de ontbinding die haar maatschappelijke orde verstoort. Maar ze is een klasse die compleet niet in staat is de fundamentele oorzaak ervan weg te nemen omdat haar eigen systeem van uitbuiting en winst eraan ten grondslag ligt. Ze kan niet de tak afzagen waarop ze zelf zit.
(3) Zie Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 71, 4e kwartaal 1991.
(4) Zie Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 71, 4e kwartaal 1991. Ofwel, zoals het Franse Libération van 9 december 1992 schrijft: “Zo heeft een zeer hoge verantwoordelijke van de missie van de Verenigde Naties in Somalië die anoniem wenst te blijven, gisteren de kern van zijn gedachten verwoord: ‘De Amerikaanse interventie stinkt naar arrogantie. Er is met niemand overleg gepleegd. Die ontscheping is al geruime tijd voorbereid, het humanitaire dient enkel als alibi. In feite testen ze hier, zoals anderen een serum uitproberen op dieren, hun doctrine uit voor het oplossen van toekomstige lokale conflicten. Maar zoals ze zelf toegeven kost deze operatie vier- tot zeshonderd miljoen dollar in haar eerste fase. Met de helft van die som kan ik zonder één soldaat de gezonde stabiliteit herstellen in Somalië.”
(5) Colin Powell verklaarde in september 1992 dat hij tegen de interventie in Joegoslavië was.
(6) Volgens bronnen uit de omgeving van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties was er voor de interventie om voedsel te brengen 5.000 man nodig. De Verenigde Staten stuurden er 50.000...
(7) Door de bombardementen vielen bijna 500.000 doden en gewonden.
(8) Dit schandaal, zo genoemd naar analogie met het ‘Watergate’ schandaal dat Nixon ten val bracht en met ‘Irangate’ dat Reagan aan het wankelen bracht, onthulde onder andere de omvang van de financiële hulp die de Verenigde Staten via een Italiaanse bank aan Irak gaven in het jaar voorafgaand aan de Golfoorlog. Irak gebruikte die hulp om zijn onderzoek en infrastructuur te ontwikkelen om over het atoomwapen te kunnen beschikken...
(9) Zie artikel over de economische crisis in deze aflevering.
(10) Zoals de oprichting van een Frans-Duits legerkorps en ook het plan om een gezamenlijk Italiaans-Frans-Spaans luchtvaartmacht van de marine te vormen.
(11) Zie Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 70 en 71 over de oorlog in Joegoslavië en de verantwoordelijkheid van de grootmachten.
(12) Wat de economische akkoorden aangaat, die zijn geenszins het bewijs van een werkelijke samenwerking of van overeenstemming tussen nationale bourgeoisieën, net zo min als de economische concurrentie automatisch politieke en militaire meningsverschillen meebrengt. Vóór de ineenstorting van het Oostblok waren de Verenigde Staten en Duitsland zeer zware concurrenten op economisch vlak, maar dat belette niet dat ze totaal verbonden waren op politiek en militair terrein. De Sovjet-Unie was nooit een serieuze concurrent van de Verenigde Staten op economisch vlak, maar toch heeft hun militaire rivaliteit veertig jaar lang de planeet met vernietiging bedreigd. Vandaag kan Duitsland in het kader van Europa best akkoorden op economisch vlak afsluiten met Groot-Brittannië, zelfs als dat soms ten koste gaat van de belangen van Frankrijk, maar dat belet niet dat Groot-Brittannië en Duitsland lijnrecht tegenover elkaar staan op politiek en militair vlak, terwijl Frankrijk en Duitsland dezelfde politieke lijn volgen.
(13) Zie Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 70.