Manifest over de Oktoberrevolutie, Rusland 1917: Werelrevolutie is de enige toekomst voor de mensheid

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

In oktober 1917, na drie jaar van onuitsprekelijke bloedbaden op de slagvelden, dook er een baken op in de mist van de oorlog: de Russische arbeiders, die de tsaar afgezet hadden in Februari, zetten toen de burgerlijke Voorlopige Regering af, die de tsaar vervangen had, maar er op aangedrongen had om de oorlog verder te zetten ‘tot de overwinning’. De sovjets (arbeiders-, soldaten- en boerenraden), met de bolsjewieken op kop, kondigden een onmiddellijk einde van de oorlog af en riepen de arbeiders in de wereld op om hun revolutionaire voorbeeld te volgen. Dit was geen ijle droom, aangezien er reeds geruchten van onvrede opkwamen in alle elkaar bestrijdende landen – stakingen  in de oorlogsindustrie, muiterijen en verbroederingen aan het front. En in november 1918 dwong het uitbreken van de Duitse Revolutie de heersende klasse er toe om de oorlog te stoppen uit vrees dat elke poging om hem verder te zetten enkel de vlammen van de revolutie nog zou aanwakkeren. Voor een korte periode kwelde het spook van het ‘bolsjewisme’ – dat op dat ogenblik het symbool was van de solidariteit van de arbeidersklasse over alle grenzen heen en van de verovering van de politieke macht door de ‘arbeidersraden’ – de hele wereld. Voor de heersende klasse kon dit enkel chaos, anarchie, de ineenstorting van de beschaving betekenen. 

Maar voor de arbeiders en de revolutionairen die haar verdedigden, hield de Oktoberrevolutie de belofte in van een nieuwe wereld. In 2017 blijft de Russische Revolutie nog altijd een cruciale gebeurtenis in de wereldgeschiedenis en haar eeuwfeest roept onaangename herinneringen op voor de machten die over de wereld heersen. In Rusland zelf maakt het Putin-regime een moeilijke tijd door om de juiste toon te vinden voor de herdenking. Tenslotte beweert het dat Stalins machtige USSR, waarvan Putin (getraind door de KGB) droomt om het te herstellen, ook de erfgenaam is van de Oktoberrevolutie. Maar naast (en in feite diametraal eraan tegengesteld) de nationalistische interpretatie ervan staat de internationalistische visie van Lenin en de bolsjewieken, namelijk het idee dat de Russische arbeiders niet trouw hoeven te zijn aan Moeder Rusland, maar aan de arbeiders over de hele wereld. In de ‘democratische’ landen van het Westen zal er ook een verwarrend mengsel van analyses en verklaringen opgedist worden. Maar van één ding kunnen wij zeker zijn: of ze nu komen van media of politieke of academische woordvoerders van het kapitalisme, zij zullen allemaal dienen om de betekenis van de Russische Revolutie te verdraaien.

Wat zijn nu de voornaamste krachtlijnen van deze ideologische aanval, deze poging om het geheugen van de arbeidersklasse te begraven of te verderven?

Is de klassenoorlog voorbij?

De eerste aanvalslinie: dit is een oude geschiedenis en van weinig belang voor de moderne wereld. Wij leven niet langer in de tijd van de grillige zwart-wit films, toen de cavalerie nog een vorm was van oorlogvoering en toen de boeren nog het land ploegden met een paard (als ze al zo gelukkig waren om een paard te hebben). Zelfs de reuzebedrijven als Putilov in Petrograd (vandaag Sint-Petersburg) waar tienduizenden arbeiders dagelijks tot het uiterste werden uitgebuit, zijn veelal verdwenen, in ieder geval in de meeste westerse landen. Niet alleen zijn er veel minder boeren, maar is er eigenlijk nog zoiets als een arbeidersklasse? En zo ja, is het dan nog altijd een uitgebuite klasse als ze een uitkering kan krijgen van een liefdadige staat en wanneer ze allerlei spullen kan kopen (zelfs op krediet), die ver boven de mogelijkheden liggen van die van de Russische arbeiders in 1917? Staan supermoderne bedrijven als Uber niet dichter bij de werkelijkheid wanneer zij hun eigen arbeidskrachten eerder categoriseren als zelfstandige ondernemers, dan als een soort collectieve kracht die in staat is om samen op te komen voor haar eigen belangen? Zijn wij allen, wat voor job wij ook doen, niet beter te definiëren als burgers van een brede democratische orde?  

En toch: dag na dag wordt ons verteld dat het kapitalisme (vooral in zijn ‘neoliberale’ vorm) heerst over de planeet, of het nu voorgesteld wordt als iets goeds of iets slechts. En het is inderdaad waar dat het kapitalisme de wereld overheerst als nooit tevoren – het is echt een wereldsysteem, een globale productiewijze die de lakens uitdeelt in elk land van de wereld, zelfs in die zoals Cuba en China die zichzelf nog altijd ‘socialistisch’ noemen… Maar het blijft een feit dat waar er kapitaal is, er ook een klasse is die produceert, die arbeid levert, en die uitgebuit wordt, omdat kapitaal per definitie gebaseerd is op onbetaalde arbeid die onttrokken wordt aan diegenen die werken voor een loon – of die nu werken in fabrieken, kantoren, scholen, supermarkten, ziekenhuizen of thuis. Kortom, zoals Marx het schreef in een brochure met de naam Loonarbeid en Kapitaal: “Kapitaal veronderstelt loonarbeid, en loonarbeid veronderstelt kapitaal.” Waar kapitaal is, is er ook een arbeidersklasse. 

Natuurlijk is de vorm van de arbeidersklasse erg veranderd sinds 1917. Gehele industriële complexen zijn overgeheveld naar China, Latijns-Amerika of andere delen van wat men vroeger de ‘Derde Wereld’ noemde. In grote delen van de economie in de ‘geïndustrialiseerde landen’ van West-Europa zijn de arbeiders gestopt met het produceren van materiële goederen in de fabrieken en werken zij in plaats daarvan aan computerschermen in de ‘kenniseconomie’ of in de financiële sector, dikwijls in veel kleinere arbeidsplaatsen. En met de decimering van traditionele sectoren, zoals de mijn-, de staal- en de scheepsbouwsector, zijn ook de overeenkomstige arbeiderswoonwijken en -gemeenschappen uiteen gevallen. Dit heeft allemaal bijgedragen tot de ondermijning van de manieren waarop de arbeidersklasse zichzelf identificeerde als klasse met een verschillend bestaan en verschillende belangen in de maatschappij. Dit heeft het historisch geheugen van de arbeidersklasse aangetast. Maar het heeft de arbeidersklasse zelf niet doen verdwijnen.  

Het is waar dat het objectieve bestaan van de arbeidersklasse niet automatisch betekent dat er binnen een aanzienlijk deel van deze klasse nog altijd een politiek project zou bestaan, een idee dat het kapitalisme moet en kan omvergeworpen worden en vervangen door een hogere maatschappijvorm. In 2017 is het inderdaad gerechtvaardigd om die vraag te stellen: waar zijn vandaag de Marxistische organisaties gelijkend op die van de bolsjewieken in Rusland of de Spartakisten in Duitsland, die in staat waren om een aanwezigheid te ontwikkelen onder de industriearbeiders en die een grote invloed hadden wanneer zij optraden in de massabewegingen, in de stakingen en in de opstanden? In de laatste decennia, de periode die loopt van de ‘ineenstorting van het communisme’ tot de opkomst van het populisme, lijkt het wel alsof diegenen die nog altijd spreken over de proletarische revolutie in het beste geval beschouwd worden als een soort niet ter zake doende curiosa, zeldzame dieren die met uitsterven bedreigd worden, en dat niet alleen in de vijandige kapitalistische media. Voor een grote meerderheid van de arbeidersklasse zijn 1917, de Russische Revolutie, de Communistische Internationale allemaal vergeten, misschien ergens vergrendeld in een diep onderbewustzijn, maar niet langer als een deel van een levendige traditie. Vandaag hebben wij een zodanig dieptepunt bereikt in de bekwaamheid van de arbeidersbeweging om zich haar eigen verleden te herinneren, dat zelfs partijen van rechtse populisten zichzelf kunnen opwerpen – en als zodanig voorgesteld worden door hun liberale tegenstanders – als partijen van de arbeidersklasse, als de ware erfgenamen van de strijd tegen de elites die de wereld regeren.

Dit vergetingsproces gebeurt niet toevallig. Vandaag hangt het kapitalisme meer dan ooit af van de cult van de nieuwigheid, van de ‘constante radicale veranderingen’, niet alleen in de productiemiddelen, maar ook in de consumptievoorwerpen. Wat even tevoren nog nieuw was, zoals de laatste mobiele telefoon, wordt stokoud na een paar jaar en moet vervangen worden. Het neerkijken op wat ‘uit de mode is’, op werkelijke historische ervaringen, is nuttig voor de uitbuitende klasse, omdat het een soort geheugenverlies opwekt bij de uitgebuiten. De arbeidersklasse wordt geconfronteerd met het gevaar van het vergeten van haar eigen revolutionaire tradities. Zij verleert de echte lessen uit de geschiedenis in haar eigen nadeel, want zij zal ze moeten toepassen in haar toekomstige gevechten. De bourgeoisie, als een reactionaire klasse, wil maar al te graag dat wij het verleden vergeten of (net zoals de populisten en de jihadisten) stelt een vals en geïdealiseerd beeld van het verleden voor. Het proletariaat daarentegen is een klasse met een toekomst en net om deze reden is het in staat om al het beste van het menselijke erfgoed te integreren in de strijd voor het communisme.

Het kapitalisme heeft zichzelf voorbijgestreefd

De arbeidersklasse zal de lessen uit zijn eigen geschiedenis nodig hebben, omdat het kapitaal door zijn eigen tegenstrijdigheden een verdoemd sociaal systeem is. De tegenstrijdigheden die de wereld in de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog stortte, zijn dezelfde die vandaag de wereld bedreigen met een versnellende duik in het barbarisme. De tegenstrijdigheid tussen enerzijds de noodzaak van een wereldwijde planning van de productie en distributie en anderzijds de verdeling van de wereld in concurrerende natiestaten ligt ten grondslag aan de grote imperialistische oorlogen en conflicten van de 20ste eeuw, en het is nog steeds de achterliggende reden voor de chaotische militaire confrontaties, die hele regio’s in het Midden-Oosten, Afrika en verder vernielen. En dezelfde tegenstrijdigheid – die maar één uitdrukking is van de clash tussen de gesocialiseerde productie en zijn private toeëigening – is onafscheidelijk van zowel de economische stuiptrekkingen die het wereldkapitalisme deden beven in 1929, 1973 en 2008,  en van de versnellende ecologische vernietiging die de fundamenten van het leven op aarde bedreigt.

In 1919 verkondigden de revolutionairen, die zich te Moskou verzameld hadden om de Derde, Communistische Internationale op te richten, dat de imperialistische oorlog van 1914-1918 de intrede betekende van het wereldkapitalisme in zijn tijdperk van veroudering en verval, een tijdperk in dewelke de mensheid geconfronteerd wordt met de keuze tussen socialisme en barbarij. Zij voorspelden dat indien het kapitalisme niet zou worden omvergeworpen door de proletarische wereldrevolutie er oorlogen zouden komen die nog verwoestender zouden zijn dan die van 1914-1918, samen met vormen van kapitalistische heerschappij die nog monsterlijker zouden worden dan wat er tot dan toe bestaan had. En met de nederlaag van de internationale revolutionaire golf, waarvan het gevolg de isolatie en degeneratie van de revolutie in Rusland was, werd bewezen dat zij gelijk hadden: de gruwel van het nazisme, stalinisme en de Tweede Wereldoorlog waren inderdaad erger dan alles wat voorafging.

Het is waar dat het kapitalisme de revolutionairen herhaaldelijk heeft verrast door haar veerkracht, haar capaciteit om nieuwe manieren van overleving en zelfs bloei uit te vinden. De Tweede Wereldoorlog werd gevolgd door meer dan twee decennia van economische groei in de centrale kapitalistische landen, zelfs al ging dit samen met de dreiging van nucleaire vernietiging door toedoen van de twee wereldwijd dominerende imperialistische blokken. En hoewel deze groei plaats maakte voor een vernieuwde en verlengde economische crisis aan het einde van de jaren 1960, kwam het kapitalisme sinds de jaren 1980 op de proppen met nieuwe formules om niet alleen levend te blijven, maar zelfs om te expanderen in nieuwe gebieden die voordien “onderontwikkeld” waren, zoals India en China. Maar deze ontwikkeling, die voor een groot deel gevoed werd door reusachtige krediet-injecties, heeft enorme economische problemen opgestapeld voor de toekomst (de financiële crash van 2008 was reeds een waarschuwing). Tegelijkertijd heeft de groei van de laatste decennia een verschrikkelijke prijs aan het milieu doen betalen, en heeft hij in geen enkel opzicht het gevaar van militaire conflicten verminderd. De dreiging van een wereldoorlog tussen twee gigantische blokken is misschien kleiner geworden, maar vandaag zijn nog meer landen met kernwapens uitgerust, en de proxy-oorlogen tussen de grootmachten die ooit min of meer beperkt waren tot de minder ontwikkelde regio’s, hebben nu een directe impact op  de centrale landen zelf: terroristische gewelddaden in Europa en Amerika vermenigvuldigen zich, samen met de golven van wanhopige vluchtelingen, die trachten te ontsnappen aan de nachtmerries van het Midden-Oosten en Afrika.

Kortom, revolutie is zelfs nog meer nodig dan het al was in 1917. Het is de laatste en beste hoop voor de mensheid, die geconfronteerd wordt met een sociaal systeem in volle ontbinding. En dat kan alleen een globale revolutie zijn, een revolutie die het kapitalistische systeem van de planeet veegt en het vervangt met een menselijke wereldgemeenschap, die de aarde tot een “gemeenschappelijke schat”[1] maakt en de productie en distributie bevrijdt van de onmenselijke eisen van de markt en de winst. Dat was reeds het geheim van de revolutie van 1917, die niet louter “Russisch” was, maar door zijn hoofdrolspelers werd begrepen als de eerste slag van de wereldrevolutie. En zij was inderdaad een onmisbare, actieve factor in de massastakingen en opstanden die zich over de hele wereld verspreidden in een grote golf tussen 1917 en 1923.

Maakt een revolutie alles nog erger?

Het problem blijft: al is een nieuwe maatschappij noodzakelijk, is het wel mogelijk? En in feite is een tweede aanvalslinie op de herinnering van Oktober 1917 te zeggen dat revolutie de zaken alleen maar erger maakt.

Het bewijs? De Russische Revolutie eindigde in de stalinistische goelag, massale terreur, showprocessen, de vervalsing van de geschiedenis, de onderdrukking van afwijkende opinies. Zij creëerde economieën die enorme militaire arsenalen uitkraamden, maar niet in staat waren in degelijke consumptiegoederen te voorzien. Zij installeerde een “dictatuur van het proletariaat” die tanks gebruikte om proletarische revoltes te verbrijzelen, zoals in Oost-Duitsland in 1953, Hongarije in 1956 of Polen in 1981.

En dit was niet iets dat uit het niets ontstond na de dood van Lenin in 1924, toen Stalin aan de macht kwam. Zelfs in Lenins dagen werden arbeidersstakingen en -opstanden geconfronteerd met de gewapende macht en had het ongecontroleerde geweld van de Tsjeka had vele slachtoffers onder de arbeidersklasse en de boeren als gevolg. Zelfs in zijn Lenins dagen verloren de sovjets geleidelijk elke werkelijke controle over de staat, en de dictatuur van het proletariaat had plaats gemaakt voor de dictatuur van de bolsjewistische partij.

Zij die ernstig zijn over de mogelijkheid van een revolutie hebben geen interesse in het verbergen van de waarheid of in het minimaliseren van de immense taak die de arbeidersklasse, die het lef heeft om het kapitalistische systeem te confronteren en ten val te brengen, te wachten staat. Een revolutie uitvoeren betekent het eeuwenoude juk van zich afwerpen – alle misleidingen en schadelijke gewoontes, die niet alleen van de kapitalistische maatschappij en haar ideologie, maar van duizenden jaren van klassenheerschappij werden overgeërfd. Dit vereist een enorme fysieke, morele en intellectuele inspanning, die niet alleen het oude regime met zijn staat en economie moet ontmantelen, maar die nieuwe sociale relaties moet scheppen die niet langer gebaseerd zijn op competitie en exclusie, maar op solidariteit en coöperatie, en dit alles op een wereldwijde schaal. De omvang van dit project, haar schijnbare onmogelijkheid, is een bijkomende factor in de huidige moeilijkheden van de arbeidersklasse. Het is veel gemakkelijker om zich in passiviteit terug te trekken of, voor zij die ervan overtuigd blijven dat het systeem totaal defect is, om te kijken naar ‘gemakkelijke’ alternatieven die worden aangeboden door populistische leiders, door nihilistische ‘Jihad-terroristen’, door ‘linkse’ partijen die beweren dat de bestaande kapitalistische staat een socialistische maatschappij kan invoeren.

Wij verbergen ons niet voor de realiteit van de Russische Revolutie, van zijn verschrikkelijke moeilijkheden en zijn tragische fouten. Wij zullen in deze tekst terugkomen op sommige van deze fouten. Maar voordat we tot de conclusies van de gebruikelijke geschiedschrijving komen – dat het bolsjewisme vanaf het begin niet verschilde van het stalinisme, dat elke poging om de bestaande stand van zaken omver te werpen onvermijdelijk leidt tot massale terreur en repressie, of dat de menselijke natuur zo in elkaar zit dat het hedendaagse kapitalisme het beste is dat we kunnen bereiken – willen we eraan herinneren dat in 1917 de heersende klasse niet gewoon vertrouwde op de zelfzuchtigheid van de menselijke natuur, dat ze niet wachtte totdat alles fout afliep opdat ze spottend zou kunnen zeggen: “Ik zei het je toch.” In 1917 en het daaropvolgende jaar nam de heersende klasse de revolutie erg serieus en deed ze alles wat ze kon om ze neer te slaan.  Geconfronteerd met het uitbreken van de Duitse Revolutie in 1918 haastte ze zich om de oorlog te beëindigen om zo één van de voornaamste bewegende krachten achter de massastakingen en -muiterijen weg te nemen. Bovendien verleenden de geallieerden hulp aan hun voormalige vijanden – de Duitse heersende klasse – door hen te steunen in de onderdrukking van de revolutionaire arbeiders, matrozen en soldaten die verleid waren door het voorbeeld van de Oktoberopstand. Geconfronteerd met de sovjetmacht in Rusland intervenieerden de beide kampen van de imperialistische oorlog om het bolsjewistische gevaar aan de bron neer te slaan. De verdedigers van de Sovjetmacht moesten in de burgeroorlog, die werd opgewekt door de contra-revolutionaire krachten in Rusland, niet alleen de lokale “witte” legers bevechten, maar ook de expeditielegers die door de Britten, Amerikanen, Japanners, Duitsers en anderen gestuurd waren, die ook wapens en adviseurs leverden aan de witte legers. De burgeroorlog en de economische blokkade die de geallieerden hadden opgelegd, nadat de Sovjetrepubliek zich had teruggetrokken uit de oorlog, herleidden de Russische economie – die al uitgeput was door de oorlog – tot een ruïne, met verschrikkelijke tekorten en een hongersnood als gevolg. De oorlogsomstandigheden verzwakten ook de bolwerken van de industriële arbeidersklasse, die de meest actieve factoren van de revolutie waren geweest, aangezien velen van hun meest toegewijde militanten vrijwilligers waren om naar het front te gaan. Velen onder hen lieten het leven, terwijl vele andere arbeiders geen andere keuze hadden dan te vluchten van de uithongering in de steden en naar voedsel en werk te zoeken op het platteland. Binnen en buiten Rusland bestond er een constante stroom aan propaganda tegen de bolsjewieken die hen als kindermoordenaars en verkrachters portretteerde, waarbij vaak werd gebruikgemaakt van antisemitische thema’s die insinueerden dat het bolsjewisme een louter instrument van een globale joodse samenzwering was.

Inderdaad, voor vele politiekers van de “democratische” machten – inclusief Winston Churchill – was het fascistische regime in Italië (en later in Duitsland) een noodzakelijk kwaad om het bolsjewisme tegen te houden. Evenzo begrepen een aantal burgerlijke politiekers en staten toen de USSR het “concert der naties” wilde vervoegen dat Stalin een man was waarmee je “zaken kon doen”. Zij verstonden dat zijn politiek van het “socialisme in één land” betekende dat hij niet langer geïnteresseerd was in de wereldrevolutie – er in feite zelfs tegen was.

En dit was het meest sprekende bewijs voor het feit dat het stalinisme niet de voorzetting van het bolsjewisme was, maar zijn doodgraver. In 1914-1918 stond het bolsjewisme voor revolutionaire oppositie tegen de imperialistische oorlog en voor klassenstrijd tegen alle oorlogszuchtige staten. In 1941 hees de USSR de vlag van de “grote patriottische oorlog” – nadat ze een tijdelijk pact had gesloten met nazi-Duitsland – en nam ze achteraf deel aan de imperialistische opdeling van de wereld.

De grote leugen: “Stalinisme is gelijk aan communisme”

Het stalinisme was geen resultaat van de revolutie maar van haar isolering en nederlaag. Tegen 1923 was de internationale revolutionaire storm, die ontvlamd was door de Oktoberrevolutie, gaan liggen. De bureaucratische laag, die aan sterkte won in de bolsjewistische partij, gebruikte deze terugval om te argumenteren dat er niet langer voorrang moest verleend worden aan de wereldrevolutie, maar aan de opbouw van het socialisme in de USSR. Maar dit betekende meteen het opgeven van de elementaire marxistische idee dat het socialisme alleen maar kan worden opgebouwd op wereldschaal, en dat geïsoleerde eilanden van socialisme onmogelijk zijn. En zo kwam het dat wat werd opgebouwd via de meedogenloze vijfjarenplannen geen socialisme was, maar een vorm van staatskapitalisme, waarbij de individuele kapitalisten vervangen werden door de staat als enige baas. Deze tendens naar staatskapitalisme was geenszins beperkt tot de USSR: het was het universele antwoord van het kapitalisme op de oorlog en de economische crisis. Het nam uiteenlopende vormen aan: het fascisme in Italië en Duitsland, de New Deal in de VS, de Keynesiaanse welvaartsstaat na de Tweede Wereldoorlog, militaire dictaturen in de zwakkere kapitalistische landen. Wat zo bijzonder was aan de USSR, was dat de drang naar staatskapitalisme hier zijn meest geconcentreerde en extreme vorm aannam. Dit was het resultaat van de virtuele eliminering (door vlucht of door onteigening) van de private kapitalisten tijdens de revolutie en van het feit dat de contrarevolutie gegroeid was binnen de staat die was opgerezen met de revolutie. En die staat had de bolsjewistische partij opgeslorpt, die er bijna niet meer van was te onderscheiden. Het stalinistische regime kon zo tot het einde van zijn dagen beweren een voorzetting te zijn van de Oktoberrevolutie, hoewel ze die had begraven onder bergen van lijken. 

Deze valse ‘vereenzelviging’ gaf aan de stalinistische partijen buiten de USSR een radicale glans, die een dekmantel was voor hun totale toewijding aan het kapitalisme en aan de nationale belangen van hun respectievelijke landen met referentie naar de Rode Oktober. Maar bovenal heeft het de voornaamste fracties van de heersende klasse in het Westen een licentie verleend om de grootste leugen uit de geschiedenis te publiceren: dat het stalinistische regime gelijkstond met ‘communisme’.

De immensiteit van deze leugen kan worden gemeten door het stalinistische systeem te vergelijken met het begrip van wat communisme echt betekent, zoals het verdedigd werd binnen de arbeidersbeweging sinds tenminste de tijd van Marx en Engels. Voor hen betekent het communisme, net zoals voor degenen die in hun voetsporen traden, het overstijgen van millennia van menselijke vervreemding, van elke sociale orde waarbij de eigen creaties van de mensheid tot vijandige krachten werden die haar leven domineren. Op politiek vlak betekent dit een maatschappij zonder staat, aangezien de staat nu net een uitdrukking is van de heerschappij van een klasse over een andere en dus van een politiek apparaat waarover de grote meerderheid geen controle heeft. Toch was het stalinistische regime de belichaming van de totale overheersing van de staat over het individu, over de samenleving en vooral over de arbeidersklasse. Op economisch vlak betekent het communisme dat de mensheid niet langer onderworpen is aan onmenselijke economische wetten, aan de meedogenloze eisen van winst en markt. En dat betekent dat er in het communisme geen plaats is voor geld, de markt of loonarbeid. En toch werd de totalitaire macht van de stalinistische staat, het hele economische bouwwerk dat gedomineerd werd door oorlogsproductie, gebouwd op de meerwaarde die uit de klasse van loonarbeiders werd gehaald. Kapitaal is in wezen een sociale relatie, niet alleen een vorm van juridisch eigendom. Voor de loonarbeider maakt het niet uit of zijn of haar arbeidskracht verkocht is aan een private ondernemer of een staatsbureaucraat: de fundamenten van kapitalistische uitbuiting blijven bestaan. En terwijl communisme het einde betekent van de scheiding van de mensheid in verschillende naties, de afschaffing van de grenzen, waren de stalinistische regimes fanatieke leveranciers van nationalistische ideologie, volledig gewijd aan de verdediging van hun nationale grenzen en het najagen van hun nationale en dus imperialistische belangen op het wereldtoneel.

Maar als de bewering dat het stalinisme gelijkstaat met het communisme zo’n reusachtige leugen was, waarom kon het dan zo lang stand houden? Eerst en vooral was het in het belang van de heersers, oost en west, om haar in stand te houden. Ondanks al hun misdaden tegen de mensheid en tegen de arbeidersklasse in het was de stalinistische staatsbourgeoisie afhankelijk van het verkondigen van haar “continuïteit” met de Oktoberrevolutie. Het idee dat dit ‘socialistische’ overgangsstaten naar het communisme waren, gaf deze regimes hun ideologische rechtvaardiging. De stalinisten werden daarbij toegejuicht vanuit ‘links’ door de trotskisten, die bleven argumenteren dat deze regimes, hoe ontaard of vervormd ook, inderdaad arbeidersstaten waren die door de arbeiders moesten worden verdedigen. Voor veel arbeiders in het Westen, voor diegenen die helemaal niet overtuigd waren van de weldaden van het kapitalisme in zijn ‘democratische’ vorm, bleef het idee dat er ergens op de planeet een reëel alternatief voor het kapitalisme bestond ook een belangrijke bron van hoop. De stalinistische regimes waren inderdaad kapitalistisch, maar doordat ze zo’n verwrongen vorm van kapitalisme  waren, leken ze bij velen een geheel andere maatschappij te vertegenwoordigen.

Maar voor een veel groter deel van de bevolking in het Westen – en inderdaad voor de meerderheid van de arbeidersklasse binnen de stalinistische regimes zelf – was het idee dat de Sovjet-Unie en haar satellieten socialistisch of communistisch waren het ultieme bewijs dat de westerse variant van het kapitalisme het enige mogelijke systeem was, een systeem dat verdedigd of nagestreefd moest worden. Met andere woorden, de ellende, de soberheid en de repressie die zo kenmerkend waren voor de stalinistische regimes toonden aan dat het onmogelijk was om het kapitalisme te vervangen door een hogere maatschappijvorm. Kapitalistische concurrentie, het verlangen om onbeperkte rijkdom te accumuleren, werden beschouwd als behorend tot het wezen van de menselijke aard. Dat is de reden waarom de heersende klasse in het Westen er zo prat op ging om haar vijand in het Oosten te beschrijven als socialistisch of communistisch. En toen de Oostblok-regimes in elkaar zakten op het einde van de jaren 1980, werd de leugen dat dit het uiteindelijke bewijs was van de mislukking van het marxisme en het communisme in de hele wereld opgeblazen in oorverdovende politieke campagnes, waarvan de echo tot op heden nog lang niet is verdwenen. Deze campagnes hebben aanzienlijke verwarring veroorzaakt in de rangen van de arbeidersklasse, die het reeds in de jaren 1980 buitengewoon moeilijk vond om een perspectief, een historisch project te ontwikkelen dat haar onmiddellijke strijd had kunnen opvoeren tot een hoger en meer eengemaakt niveau. Het wijdverbreide idee dat er niets boven deze huidige samenleving staat, heeft een zware klap toegebracht aan de capaciteit van de arbeidersklasse om haar strijd te politiseren en het kapitalistische systeem als geheel te confronteren.     

Ter verdediging van Oktober

Een sleutelelement in de denigratie van de Russische Revolutie is het idee dat de Oktoberrevolutie slechts een staatsgreep was van de machtshongerige bolsjewistische partij, die snel overging tot het opzetten van een totalitaire staat, de voorloper van het stalinistische regime. In deze versie van de geschiedenis is er natuurlijk grote sympathie en begrip voor de arbeiders die zich in februari engageerden in spontane massastakingen en ‘democratische’ raden vormden. Deze beweging verjoeg de tsaristische autocratie en volgens de opinie van eminente liberale historici als Orlando Figes had dit de weg kunnen voorbereiden voor de totstandkoming van een werkelijke democratische parlementaire staat, die op zijn beurt Rusland misschien tientallen jaren van lijden en terreur had kunnen besparen. Maar die sluwe bolsjewieken saboteerden deze felle hoop met hun dogma over de “dictatuur van het proletariaat” en bedrogen de massa's met hun demagogische slogans.

Maar wat gebeurde er werkelijk tussen februari en oktober 1917? Allereerst was er de fundamenteel politieke ontwaking van de arbeidersklasse en van alle onderdrukte lagen – een proces dat goed in beeld is gebracht door John Reed in zijn boek ‘Tien dagen die de wereld deden wankelen’.

“Heel Rusland leerde lezen en las over politiek, economie en geschiedenis, omdat het volk wilde weten… De dorst naar ontwikkeling, die zo lang was onderdrukt, werd met de revolutie onstuimig groot. Vanuit het Smolny-Instituut alleen al gingen de eerste zes maanden iedere dag vrachtwagens en treinen met tonnen literatuur het land in. Rusland absorbeerde de lectuur, zoals heet zand water opzuigt, onverzadigbaar… En dan de gesprekken, waarbij Carlyle’s ‘Franse welsprekendheid’ volkomen verbleekte. Lezingen, debatten, redevoeringen en in schouwburgen, circussen, scholen, clubs, vergaderzalen van de Sowjets, in de hoofdgebouwen van de vakbonden, in barakken… Vergaderingen in de loopgraven aan het front, op dorpspleinen, in fabrieken… Wat was het fijn om te zien hoe de veertigduizende arbeiders de Poetilowsky Zawod (de Poetilow-fabriek) uitstroomden om te luisteren naar de Sociaaldemocraten, de Sociaal-revolutionairen, de Anarchisten en naar iedereen, wat hij ook te zeggen had en zolang hij wilde praten. In Petrograd en in heel Rusland was iedere straathoek maandenlang een publieke tribune. In spoortreinen en trams, overal werd voor de vuist weg gedebatteerd… Op iedere vergadering werden pogingen om de spreektijd te beperken afgewezen en iedereen was vrij om te zeggen, wat hij op zijn hart had…” (John Reed, Tien dagen die de wereld deden wankelen, Uitgeverij Pegasus, 1978, p.21-23) 

Dit is wat bedoeld wordt met de politisering van de klassenstrijd. Arbeiders die gedreven worden door de bittere economische noodzaak, worden gedwongen om de vraag te stellen over hoe de maatschappij als geheel bestuurd wordt. En niet alleen via de valse democratie van het parlementaire systeem, dat de arbeiders om de paar jaar ‘de macht geeft’ om die dan aan deskundigen en beroepspolitici te overhandigen om ‘in hun naam’ te regeren, maar via de proletarische methodes van associatie, debat en zelforganisatie – via een heel netwerk van algemene vergaderingen op de werkplaatsen, in de wijken, in de regimenten, in de dorpen, vergaderingen die gemandateerde en herroepbare afgevaardigden konden sturen naar de meer centrale raden: de sovjets. In 1917 ontsprong een dergelijk netwerk over heel Rusland en in minder dan een jaar had het tot inspiratie gediend voor de vorming van gelijkaardige organen over de hele wereld. Het was in deze algemene vergaderingen en raden dat er zich een diepgaand proces van rijping voltrok van confrontatie met degenen onder hen die gehecht bleven aan de partijen en ideologieën van het oude systeem (inclusief velen die zichzelf nog socialisten noemden) en degenen die de revolutie tot haar logische conclusie wilden doortrekken: niet het overdragen ervan aan een parlement van burgerlijke partijen maar een uitkomst bieden aan de onhoudbare toestand van ‘dubbele macht’ via de overname van de politieke macht door de sovjets. De slogan van de bolsjewieken – vooral de noodzaak om een einde te maken aan de oorlog, die de oorzaak was van de verschrikkelijke ontberingen van de arbeidersklasse en de boeren – rijmde met het groeiende bewustzijn van de meerderheid dat de burgerlijke politici en partijen niet wilden breken met de politiek van ‘nationale verdediging’ en dat, geconfronteerd met de dreiging van onderop, deze fracties de voorkeur gaven aan een dictatuur van de bourgeoisie, ook al betekende dit de onderdrukking van de sovjets. De medeplichtigheid van de ‘democraten’ aan de poging tot staatsgreep door Kornilov in augustus 1917, en de daaropvolgende pogingen van de Voorlopige Regering om ‘de orde te herstellen’, overtuigde velen ervan dat de enige keuze die was tussen de dictatuur van de bourgeoisie en de dictatuur van het proletariaat.  

De Oktoberrevolutie was in werkelijkheid het hoogtepunt van een heel proces van politisering. Het stemde overeen met de groeiende invloed van de bolsjewieken en andere revolutionaire groepen binnen de sovjets over heel Rusland, een toenemende vraag naar de omverwerping van de Voorlopige Regering en haar vervanging door de macht van de sovjets. Maar het weerspiegelde ook een reële ontwikkeling naar zelforganisatie en centralisering. Het feit dat de opstand een geplande en gecoördineerde actie was, die met name in Petrograd met een minimum aan geweld plaatsvond en voor het grootste deel uitgevoerd werd door goed georganiseerde afdelingen van arbeiders en matrozen, het feit dat dit gebeurde onder het algemeen commando van een orgaan van de sovjet van Petrograd - het Revolutionair Militair Comité – en het feit dat het vrij vlug mogelijk was voor het al-Russisch Congres van de Sovjets om zichzelf uit te roepen tot het hoogste gezag in het land, dit alles toonde aan dat de opstand geen putsch was en, in tegendeel, dat de Russische arbeidersklasse zich de praktische waarheid had eigen gemaakt van Marx’ uitspraak dat “opstand een kunst is.” 

Demonstraties, straatgevechten, barricades, alles wat men gewoonlijk tot een opstand rekent, het was er bijna niet: de revolutie behoefde niet die taak te volbrengen, want deze was reeds volbracht. De verovering van het regeringsapparaat was stelselmatig door te voeren, met behulp van betrekkelijk weinig gewapende afdelingen, die vanuit één centrum geleid werden… De rust in de straten in oktober, het ontbreken van massa’s en gevechten gaven de tegenstanders aanleiding om te spreken van een samenzwering van een onbeduidende minderheid, van een avontuur van een troepje Bolsjewieken… In werkelijkheid konden de Bolsjewieken op het laatste ogenblik de strijd om de macht tot een ‘samenzwering’ beperken, niet omdat zij een kleine minderheid waren, maar integendeel, omdat zij in de arbeiderswijken en kazernes een overweldigende, gesloten, georganiseerde en gedisciplineerde meerderheid achter zich hadden”. (Leo Trotzki, Geschiedenis van de Russische Revolutie, deel 3, pp. 1309-11).

Bij de omverwerping van de burgerlijke regering in Rusland, kon de arbeidersklasse profiteren van een tamelijk zwakke, verdeelde en onervaren kapitalistische klasse. De Duitse bourgeoisie toonde al snel dat zij een meer geduchte tegenstander was. En het is zeker zo dat in elke toekomstige revolutie de arbeidersklasse zal geconfronteerd worden met een nog meer gesofisticeerde heersende klasse die over een uiterst georganiseerd staats- en ideologisch apparaat zal beschikken. Toch is de Oktoberrevolutie tot op heden het toppunt van wat de proletarische klassenstrijd heeft bereikt – een uitdrukking van zijn bekwaamheid om zich te organiseren op massale schaal, bewust van zijn doelstellingen en zelfverzekerd om de teugels van het sociale leven in handen te nemen. Het was een voorspel van wat Marx ‘het einde van  de prehistorie’ noemde, van alle voorwaarden waarbij de mensheid is overgeleverd aan onbewuste sociale krachten, het voorspel van een toekomst waarin, voor het eerst in de geschiedenis, de mensheid haar eigen geschiedenis zal maken volgens haar eigen noden en doeleinden.

De noodzaak van een klassepartij

In de debatten binnen de bolsjewistische partij in de periode onmiddellijk voorafgaand aan de opstand opperde Lenin, die in toenemende mate ongeduldig werd omtrent de aarzelingen binnen de sovjets (en zelfs binnen de partij zelf), de mogelijkheid dat de opstand zou kunnen uitgevoerd worden in naam van de bolsjewistische partij, die op dat moment een daadwerkelijke meerderheid had verworven binnen de belangrijkste sovjets. Maar Trotski was het hiermee niet eens en legde er de nadruk op  dat de opstand het werk moest zijn van een orgaan dat verantwoordelijk was tegenover de sovjets, dat wil zeggen van de arbeidersklasse als geheel. In dit debat speelde het begin van een besef dat de politieke machtsovername niet de taak is van de partij. Wij zullen hierop terugkomen. Maar wat de stormachtige ontwikkeling van het klassebewustzijn tussen februari en oktober zeker en vast bewees, was dat een proletarische revolutie niet kon slagen zonder de beslissende invloed en het politiek leiderschap dat werd aangereikt door een communistische partij.

Als een onderdrukte klasse in de burgerlijke maatschappij kan het bewustzijn van de klasse nooit homogeen zijn. Er zullen er altijd zijn die meer strijdbaar, meer bestand zijn tegen de penetratie van de overheersende ideologie, meer bewust zijn van de historische strijd van de klasse en haar lessen. Het is de specifieke taak van een communistische organisatie om de meest klaarziende elementen van de klasse te verzamelen rond een stevig programma en dit programma te verdedigingen, ongeacht het onmiddellijke niveau van bewustzijn binnen de klasse als geheel. Dit betekent niet dat de communistische organisatie beschikt over de onfeilbare waarheid: het communistische  programma is gegrondvest op de theoretische uitwerking van de echte lessen uit de geschiedenis en wordt voortdurend verrijkt door nieuwe ervaringen en debatten binnen de arbeidersbeweging. En het kan gebeuren – zoals dat het geval was tijdens de Russische Revolutie zelf, toen Lenin vaststelde dat de meest vooruitstrevende arbeiders al links van de partij stonden – dat de partij achterop hinkt op de nieuwe vooruitgang in het bewustzijn van de klasse. Maar dit betekent alleen maar dat de strijd tegen de invloed van de ideologie van de heersende klasse moet plaatsgrijpen binnen de communistische organisatie, net zoals binnen de klasse als geheel: inderdaad kan er beweerd worden dat het net op zulke momenten is dat de communistische organisatie haar rol onthult als een levensbelangrijk laboratorium voor de ontwikkeling van het klassebewustzijn. 

Een dergelijk moment vond plaats binnen de bolsjewistische partij in de nasleep van de Februarirevolutie. Een meerderheid van de ‘oude bolsjewieken’ binnen Rusland, die meegesleept werden door de democratische roes die volgde op het aftreden van de tsaar, verdedigde een openlijk opportunistisch standpunt van kritische steun aan de Voorlopige Regering en de voorzetting van de deelname aan de oorlog, die toen van de kant van Rusland de naam kreeg van “defensieve” en niet langer “imperialistische” oorlog.  Dit standpunt stelde drie jaar van vastberaden internationalistische oppositie tegen de oorlog in vraag, die de bolsjewieken tot de voorhoede van de hele internationale socialistische beweging hadden gemaakt. Maar het proletarische leven binnen de partij was verre van uitgeput, ondanks de bedreiging. Bij zijn terugkeer naar Rusland in april deed Lenin – die rekende op de radicalisering van de meest militante sectoren van de klasse – de partij op haar grondvesten daveren bij het bekendmaken van de ‘Aprilstellingen’, die elke steun aan de Voorlopige Regering en elke deelname aan de imperialistische oorlog afwees, en riep de arbeiders en boeren op tot het voorbereiden van de volgende onvermijdelijke stap in het revolutionaire proces: de overdracht van de macht aan de sovjets, die het signaal zou worden voor de wereldrevolutie tegen het wereldwijde kapitalisme. Deze positie, zo begreep Lenin, zou binnen de partij moeten worden bevochten, en door de partij binnen de sovjets en de klasse als geheel; niet door avonturistische acties maar door geduldige uitleg, door een politieke strijd om duidelijkheid.

Zolang wij in de minderheid zijn, is het ons werk de fouten te bekritiseren en duidelijk te maken, waarbij wij tegelijkertijd de noodzakelijkheid propageren dat de gehele staatsmacht overgaat in handen van de raden van arbeidersafgevaardigden in het gehele land, van onderen tot boven”. (Lenin, ‘Aprilstellingen’, Stelling 4).

Door het uitvoeren van dit werk van ‘geduldig uitleggen’, naarmate de crisis in Rusland rijpte en de massa van arbeiders en boeren in toenemende mate ontgoocheld werden door de valse beloften van de Voorlopige Regering, was de bolsjewistische partij (eens ze zichzelf geschaard had rond Lenins standpunt) in staat tot het beslissend versnellen van de ontwikkeling van het klassebewustzijn. Het geduld van de partij bleek in het bijzonder veelbetekenend tijdens de Julidagen, toen een minderheid van arbeiders en matrozen in Petrograd dreigde in de val te trappen van burgerlijke provocaties en aandrong op de machtsovername op een moment dat zij niet gevolgd zou worden door de meerderheid van de klasse in Rusland. Dit had kunnen uitmonden in een totaal demoraliserende afslachting van de meest vooruitstrevende arbeiders – een valstrik die de Berlijnse arbeiders en de Spartakisten minder dan een jaar later niet wisten te vermijden. Op dat moment verschool de bolsjewistische partij zich niet in een hoekje, maar nam deel aan de arbeidersbetogingen. Ze verklaarden waarom de tijd niet rijp was voor de machtsovername, een standpunt dat verre van populair was. Onmiddellijk na deze gebeurtenissen werd de partij tot voorwerp van een doorgedreven lastercampagne. Ze werd ervan beschuldigd een betaalde agent van het Duitse imperialisme te zijn en de regering greep deze kans om haar openlijk te onderdrukken. Maar de partij overleefde niet alleen deze tijdelijke tegenslag, zij was zelfs in staat om opnieuw aan invloed te winnen binnen de klasse door haar leidende rol in de strijd tegen de poging tot staatsgreep door generaal Kornilov in augustus en zij versterkte zelfs haar aanwezigheid in de sovjets over het hele land. Zo werkte zij aan de voorbereiding van het terrein voor het moment dat, verre van de klasse tegen te houden, het nodig was om op te komen voor vastberaden actie: de Oktoberopstand.

Deze capaciteit om een samenhangende analyse te verdedigen en vast te houden aan klassebeginselen, zelfs in tijden van tegenslag – net zoals zij dat hadden gedaan tijdens de oorlog, toen vele arbeiders waren bezweken voor de koorts van de vaderlandsliefde – staat in tegenstelling tot de wijdverspreide laster dat de bolsjewieken niets anders waren als een zootje machiavellistische samenzweerders, die alleen maar de macht voor zichzelf te winnen.

De ontaarding van de Russische Revolutie en de dwalingen van de bolsjewistische partij

In de nasleep van de nederlaag van de revolutie begonnen enkele van de revolutionaire politieke stromingen die aanvankelijk de bolsjewieken en de Oktoberrevolutie hadden gesteund– delen van de Duitse Communistische Linkerzijde, internationalistische anarchisten – die al heel vroeg tekenen hadden waargenomen van de ontaarding van de revolutie, dit idee dat de Oktoberrevolutie slechts een staatsgreep was van de machtshongerige bolsjewieken geloofwaardig te maken. In hun rangen ontstond het idee dat de bolsjewieken in het beste geval ‘burgerlijke revolutionairen’ waren en niets te maken hadden met de proletarische beweging. Maar op die manier schoven zij de werkelijke problemen opzij, waarmee de revolutionairen geconfronteerd werden in hun zoektocht naar klaarheid over de gebeurtenissen in Rusland: de noodzaak om te begrijpen dat proletarische organisaties kunnen ontaarden en zelfs verraad plegen onder de enorme druk van de bestaande sociale orde en haar ideologie.   

Wat ons betreft werd het beste vertrekpunt voor het begrijpen van de hoogtes en laagtes van de Russische Revolutie geleverd door Rosa Luxemburg. In haar brochure over de Russische Revolutie, geschreven in 1918, toen ze nog in de gevangenis zat, uitte zij haar totale solidariteit met de bolsjewieken tegen alle bloeddorstige propaganda van de heersende klasse. Voor haar hadden de bolsjewieken de eer van het internationale socialisme hersteld door vastbesloten op te komen voor de proletarische revolutie en tegen de imperialistische oorlog. De eer van het internationale socialisme was grondig bezoedeld door het verraad van de opportunistische vleugel van de sociaaldemocratie, die had gekozen voor deelname aan de oorlog in 1914 en zich toen met alle macht tegen de revolutie keerde. Zij schreef dat de toekomst behoorde aan het Bolsjewisme omdat het Bolsjewisme, zoals de heersende klasse het onmiddellijk begreep, opkwam voor de wereldrevolutie. Deze houding was voor Rosa Luxemburg geen beletsel om met scherp inzicht de ernstige dwalingen te bekritiseren die zij waarnam in de bolsjewistische politiek na de politieke machtsovername: de tendens om het vrije debat en de politieke organisatie in de sovjets en andere organen te beknotten en zelfs te onderdrukken; de toevlucht tot de ‘Rode Terreur’ tegenover de contrarevolutionaire complotten; de toegevingen aan het nationalisme via de politiek van het ‘nationale zelfbeschikkingsrecht’ voor de volkeren van het voormalige Russische rijk. Maar zij verloor nooit het feit uit het oog dat deze dwalingen moesten onderzocht worden vanuit de context waarin Sovjet-Rusland tot een belegerd fort geworden was door de kapitalistische blokkade en invasie. 

Het te boven komen van deze toestand lag uitsluitend in de handen van de internationale arbeidersklasse, vooral in die van de arbeiders van West-Europa. Zij alleen konden het beleg opheffen door te vechten voor een revolutionaire omverwerping van het kapitalisme buiten Rusland. Vertrekkend vanuit een benadering van kritische solidariteit, waren andere stromingen, waaronder voornamelijk de Italiaanse Communistische Linkerzijde, in staat om Rosa’s  meest scherpzinnige kritiek verder uit te werken, terwijl zij de onjuiste kritiek verwierpen (zoals haar verdediging van de Grondwetgevende Vergadering in Rusland). De Italiaanse Linkerzijde legde er in het bijzonder de nadruk op dat het de taak van revolutionairen was om in de nasleep van de nederlaag een inzicht te ontwikkelen in alle lessen die er konden getrokken worden uit de werkelijke en levende ervaring.  De bolsjewieken zelf, net als hun tijdgenoten in de rest van de revolutionaire beweging, konden geen voorafgaand inzicht hebben over de vraagstukken die nog niet in de praktijk waren uitgetest, zoals de verhouding tussen de partij en de overgangsstaat.

De ervaring van de nederlaag van de Russische Revolutie behoort toe aan de werkende klasse en het is aan onze klasse en haar politieke organisaties om er de belangrijkste lessen uit te trekken, zodat in een toekomstig revolutionair moment dezelfde dwalingen niet herhaald worden. Wij hebben over deze lessen uitgebreid geschreven (zie de leeslijst), maar wij kunnen de meest betekenisvolle belichten:

1. Niet alleen is het socialisme in één land onmogelijk, maar elke geïsoleerde proletarische politieke macht kan niet lang overleven in een vijandige kapitalistische wereld. Wanneer het proletariaat de macht neemt in een land moet al zijn politieke en economische bestuur ondergeschikt worden aan de dwingende noodzaak om de revolutie te verspreiden over de aardbol. Beperkt tot één land of streek zal de revolutie onvermijdelijk ondergaan, ofwel door een aanval van buitenaf, ofwel door inwendige ontaarding.

2. Het is niet de rol van de proletarische partij om de macht uit te oefenen in naam van de arbeidersklasse. Dit is de taak van de arbeidersraden en andere massaorganisaties.  De radenmethode van een permanent afzetbare gekozen afvaardiging is niet te verzoenen met de methode van het burgerlijke parlementarisme, waarbij de regeringsmacht voor verschillende jaren vastgehouden wordt door partijen die een meerderheid behaalden bij de nationale verkiezingen. Bovendien zou een proletarische partij dan bij de politieke machtsovername onmiddellijk haar voornaamste functie opofferen, namelijk de meest radicale, kritische stem zijn binnen de massaorganisaties van de klasse. De poging van de bolsjewieken om koste wat het kost aan de macht te blijven na 1917  resulteerde niet alleen in de substitutie van de raden door zichzelf, maar ook in de neergang en de vernietiging van de partij zelf, die geleidelijk werd omgevormd tot een bureaucratische staatsmachine.

3. De proletarische revolutie gebruikt noodzakelijkerwijs geweld tegen de vroegere heersende klasse, die tot de dood zal vechten om haar voorrechten te behouden. Maar het klasse-geweld van het proletariaat kan niet dezelfde methodes gebruiken als de staatsterreur van de heersende klasse. Het is gericht op een sociale verhouding en niet op personen. Het verafschuwt wraakzucht. Het geweld moet altijd ondergeschikt blijven aan de allesomvattende controle van de arbeidersraden. Het moet geleid worden door het basisbeginsel van proletarische moraal – dit betekent dat de middelen overeenkomstig moeten zijn met het doel, de schepping van een maatschappij gebaseerd op menselijke solidariteit, in tegenstelling tot het burgerlijk begrip dat ‘het doel de middelen rechtvaardigt’. In die zin was Rosa Luxemburg absoluut correct in het verwerpen van het begrip Rode Terreur. Zelfs als het noodzakelijk was om de contrarevolutionaire complotten van de oude heersende klasse krachtig te beantwoorden en een speciale organisatie gericht op hun onderdrukking in het leven te roepen, de Tsjeka, ontsnapte deze organisatie al heel vlug aan de controle van de sovjets en neigde ertoe om verpest te worden met de moraal en de materiële corruptie van de oude sociale orde. Haar geweld keerde zich vrij snel tegen dissidente delen van de arbeidersklasse – arbeiders die staakten tegen de werkelijke economische ellende tijdens de burgeroorlog, proletarische politieke organisaties zoals de anarchisten die kritisch stonden tegenover de politiek van de bolsjewieken – en niet meer tegen de heersende klasse. Het toppunt van dit proces was het neerslaan van de arbeiders en matrozen van Kronstadt in 1921, die werden aangeklaagd als contrarevolutionairen, ook al hesen zij de vlag van de wereldrevolutie en van de opwaardering van de sovjets. Dit was een echte uitdrukking van de ‘revolutie die haar eigen kinderen opvreet’, een sleutelmoment in de interne vernietiging van de radenmacht. Zijn diepgaande demoraliserende impact op de arbeidersklasse in Rusland onderstreepte onbetwistbaar dat verhoudingen van geweld binnen de arbeidersklasse ten allen tijde moeten worden verworpen.   

4. De kritiek op het begrip van Rode Terreur is verbonden met het probleem van de staat in de overgangsperiode. De Russische Revolutie deed niet alleen geleid tot organen zoals de arbeidersraden, maar ook tot een heel netwerk van sovjets die andere klasse en lagen groeperen, evenals tot organisaties zoals de Tsjeka en het Rode leger, die zijn opgericht om de burgeroorlog vol te houden. In de verschrikkelijk moeilijke omstandigheden die de revolutie doormaakte, neigde dit staatsapparaat ertoe zichzelf te versterken ten koste van de specifieke proletarische organisaties – de raden, de fabriekscomités, de arbeidersmilities – en absorbeerde en vernietigde het de bolsjewistische partij zelf. Zoals Lenin bitter vaststelde in 1922, was het zoals een voertuig dat ontsnapte aan de controle van de bestuurder. Ondanks het feit dat een overgangsstaat onvermijdelijk is zolang er klassen bestaan, heeft de Russische Revolutie ons geleerd dat staatsinstellingen een onvermijdelijke conservatieve aard hebben en voortdurend onder toezicht en controle moeten staan van de directe organen van de revolutionaire klasse. Het proletariaat moet via de arbeidersraden zijn dictatuur over de overgangsstaat uitoefenen.   

5. Als het communisme een beweging is voor de afschaffing van de staat en de kapitalistische economie gebaseerd op loonarbeid en warenproductie, is het toch een fout om het te beschouwen als een voortbrengsel van een stadium waarin de staat, of een netwerk van arbeidersraden, de kapitalistische verhoudingen behouden en versterken. Met andere woorden, noch staatskapitalisme noch ‘arbeiderszelfbeheer’ (dat in Rusland verdedigd werd door de anarcho-syndicalisten) zijn stappen naar het communisme, maar eerder methoden ter behoud van het kapitalisme. Dit houdt in dat het echte communisme niet van de ene dag op de andere kan ingevoerd worden, vooral zolang de revolutie de wereld nog niet heeft veroverd. Maar het betekent wel dat dit voortvloeit uit een bewuste en georganiseerde strijd tegen de kapitalistische verhoudingen, dat enkel geleid kan worden door een zelfstandig en georganiseerd proletariaat. Het betekent dat de onmiddellijke economische maatregelen die genomen worden door de proletarische macht zo weinig mogelijk mogen indruisen tegen de doeleinden van het communisme. In Rusland was de meerderheid van de bolsjewistische partij echter niet in staat te breken met het idee dat het staatskapitalisme een noodzakelijke stap zou zijn op weg naar het socialisme. En dit betekende in de praktijk, nog vóór de overwinning van het Stalinisme, dat de toenemende uitbuiting en verarming van de arbeidersklasse werd gerechtvaardigd in naam van ‘de ontwikkeling van de productiekrachten’ op weg naar een toekomstige communistische maatschappij. Het idee was dat zolang de bolsjewistische partij aan de macht hield de dictatuur van het proletariaat nog altijd bestond. Dit had het tragische en desastreuze gevolg van de identificatie van het staatskapitalisme met het socialisme of een stap ernaartoe. De werkelijke nederlaag van de revolutie, de triomf van de kapitalistische contrarevolutie in ‘Sovjet-Rusland’, vond plaats van binnenuit, vermomd als de voortzetting van Oktober. En zoals wij reeds zagen, riep dat de meest schadelijke verwarringen op binnen de arbeidersklasse over de hele wereld. Het vormde de objectieve basis voor de grote leugen dat stalinisme gelijk is aan communisme.

1968-2011: het spook van de revolutie kwelt nog steeds het kapitalistisch systeem

Het is één zaak om de lessen te trekken uit de nederlaag van de revolutie. Maar kan er een nieuwe revolutie komen waarin zij in de praktijk kunnen worden omgezet? Opnieuw kunnen wij wijzen op de onoplosbare economische crisis, op het gevaar van oorlog en zelfvernietiging, op de vernieling van het leefmilieu, op de morele aantasting van de sociale verhoudingen, en vol vertrouwen herhalen dat het communisme meer dan ooit een objectieve noodzaak is. Verder kunnen wij wijzen op het toenemende globale bestaan van de arbeidersklasse, op de groeiende onderlinge afhankelijkheid van de wereldeconomie en op de decennia van duizelingwekkende ontwikkeling van de communicatiemiddelen, en aandringen dat de eenmaking van het proletariaat ter verdediging van zijn gemeenschappelijke belangen tegen de kapitalistische uitbuiting een objectieve mogelijkheid blijft. Maar de proletarische revolutie is de eerste revolutie in de geschiedenis wiens lot niet alleen afhangt van objectieve noodzakelijkheden en mogelijkheden. Ze hangt bovenal af van de subjectieve capaciteit van de uitgebuite klasse om de oorzaak van haar uitbuiting te begrijpen en niet enkel zichzelf te verdedigen, maar in staat te zijn om een project te ontwikkelen, een programma voor de afschaffing van elke uitbuiting. En deze subjectieve dimensie, hoewel zij zich grotendeels onzichtbaar, ondergronds en in kleine minderheden ontwikkelt, kan niet worden onderhouden, gevoed en uitgebreid worden zonder de ontwikkeling van massabewegingen van het proletariaat.

En dergelijke bewegingen hebben zich de laatste 50 jaar inderdaad gemanifesteerd op wereldschaal. De enorme hoogtes die bereikt werden door de revolutionaire golf van 1917-23 werden gevolgd door tientallen jaren van contrarevolutie. Deze toonde haar meest brutale gezicht in die landen waar de revolutie het hoogste peil had bereikt: in Rusland met de overwinning van het stalinisme, in Italië en Duitsland met het aantreden van het fascisme en het nazisme. En deze dodelijke driehoek werd vervolledigd door de opkomst van volksfronten en van het democratische antifascisme. De combinatie van deze krachten slaagde erin de laatste uitbarstingen van proletarisch verzet te verpletteren (zoals in Spanje 1936-1937) en het proletariaat te doen marcheren in de muil van de tweede imperialistische wereldoorlog. Gedurende de twee decennia die op de oorlog volgden, werd het klassenconflict binnen de perken gehouden door de economische boom en door het vangnet van de welvaartstaat, evenals door de nieuwe valse keuze tussen westerse ‘democratie’ en oosters ‘socialisme’.

Maar tegen het einde van de jaren 1960, toen de naoorlogse groei taande, toen het dagelijkse leven onder het kapitalisme in west en oost zijn ware armoede en hypocrisie onthulde, toen de oorlogen in opdracht van de twee imperialistische blokken verder raasden in Vietnam en Afrika, begon een nieuwe generatie van proletariërs, die de nederlagen en de trauma’s van hun ouders niet hadden meegemaakt, de ‘normaliteit’ van de kapitalistische maatschappij in vraag te stellen. Deze invraagstelling, die ook andere lagen van de bevolking beroerde, kwam tot uitbarsting in de grote algemene stakingsbeweging in Frankrijk in mei en juni 1968. Het was een moment dat het einde van de periode van contrarevolutie markeerde en die het signaal was voor een internationale golf van arbeidersstrijd op alle continenten. Op haar hoogtepunt toonde de beweging van Mei ‘68 tekenen van dezelfde intense politieke debatten, op straathoeken, in scholen, universiteiten en arbeidsplaatsen, die John Reed aan de vooravond van Oktober 1917 had geobserveerd. Voor het eerst in tientallen jaren, werd het idee om het kapitalisme te  vervangen door een nieuwe maatschappij weer ernstig bediscussieerd onder belangrijke minderheden van arbeiders en studenten. En één van de belangrijkste vruchten van deze sociale gisting was het ontstaan van een nieuwe generatie van revolutionaire politieke organisaties.

De beweging in Frankrijk kon het vraagstuk van de revolutie enkel stellen op theoretisch niveau. Het kapitalisme stond nog maar aan het begin van zijn open crisis en de heersende klasse had nog veel politieke listen achter de hand voor de komende jaren, niet in het minst zijn linkse partijen en vakbonden als een schijn-oppositie tegen het systeem. Maar de strijdgolven die in 1968 begonnen, duurden voort in de daaropvolgende twee decennia. Het hoogtepunt ervan was waarschijnlijk de beweging in Polen in 1980, een ware massastaking waaruit organisatievormen ontstonden – het inter-fabriekscomité (MKS) – die deden denken aan de arbeidersraden van de revolutionaire jaren. Maar ondanks dit vergevorderde niveau van zelforganisatie stelden de Poolse arbeiders nooit de mogelijkheid van het omverwerpen van het kapitalistisch systeem. In tegendeel, zij werden onderuit gehaald door de illusie dat zij al leefden onder een communistisch systeem en dat hun grootste hoop lag in de democratische vormen van het kapitalistische Westen, met zijn parlementen en ‘vrije vakbonden’. De arbeiders in het Westen hebben een grotere ervaring met het holle gedoe van deze organen, maar het fundamentele probleem dat zij confronteerden was niet verschillend van dat van hun klasse-broeders en zusters uit het Oostblok: de moeilijkheid om de strijd te verheffen van een economische verdediging naar een politiek offensief tegen het kapitalisme.

De bewegingen van de arbeidersklasse in de jaren 1970 en 1980 hadden toch een veelbetekenende impact op de evolutie van de kapitalistische maatschappij. In de Jaren 1930, toen de uitbarsting van de economische crisis botste op een arbeidersklasse die een diepgaande historische nederlaag had geleden, was er geen obstakel voor de oorlogszucht van het kapitalisme. In de jaren 1970 en 1980 daarentegen, zelfs al was de drang naar een wereldoorlog zeer sterk, betekende de weigering van de arbeidersklasse om zich op te offeren voor de belangen van de nationale economie eveneens dat zij onwillig was in een nieuwe oorlog te marcheren. De experten van de bourgeoisie maken ons wijs dat er een derde wereldoorlog nooit plaatsvond, omdat het kapitalisme de lessen had geleerd uit voorgaande oorlogen en internationale organismes had opgericht, zoals de EU en de VN, om de nationale rivaliteiten in te tomen. Of dat het bestaan van atoomwapens de zekerste ‘afschrikking’ was voor een wereldoorlog. Het idee dat de strijd van de arbeidersklasse het eigenlijke afschrikmiddel zou kunnen zijn, paste helemaal niet in het plaatje van de burgerlijke politieke gedachtegang.

Maar de dam die door het proletariaat was opgeworpen tegen de oorlog, werd zelden op een bewuste manier opgebouwd. Het feit dat de bourgeoisie niet in staat was om de klasse voor oorlog te mobiliseren was één zaak, maar de arbeidersklasse was evenmin in staat om haar eigen politiek alternatief te ontwikkelen: de wereldrevolutie. Als resultaat daarvan beleven wij sinds het einde van de jaren 1980 een soort patstelling in de evolutie van de maatschappij, die niet in staat is om de richting in te slaan van één van beide uitkomsten. Tegen de achtergrond van een langgerekte en onoplosbare economische crisis, veroordeelt deze toestand het kapitalisme om ter plekke weg te rotten. Met de ineenstorting van één van de twee imperialistische blokken, is het perspectief van de wereldoorlog nog meer op de langebaan geschoven, maar de kapitalistische oorlogsdrang gaat verder en versnelt in een meer chaotische, maar daarom niet minder gevaarlijke dynamiek.

De laatste fase in de lange neergang van het kapitalistische systeem, de fase van de kapitalistische ontbinding, heeft extra moeilijkheden veroorzaakt voor de arbeidersklasse. De campagnes over de ‘dood van het communisme’ waren de meest zichtbare uitdrukkingen van de capaciteit van de heersende klasse om de ontbinding van haar eigen systeem tegen het bewustzijn van de uitgebuite klasse te keren. Hun centrale thema – de triomf van de democratie over het totalitarisme – bewees eens te meer dat het begrip dat wij leven onder het bewind van ‘democratie’, één van de sterkste misleidingen is die door de kapitalistische maatschappij in het leven is geroepen en dat de heersende klasse met veel energie onderhoudt. Hetzelfde thema kreeg nog een verse injectie door de meer recente campagnes rond de strijd tussen het populisme en het antipopulisme, waarbij beide kampen zichzelf verkopen als ‘de ware wil van het volk’.

Ondertussen opereren de sociale processen van deze ontbindingsfase verder op een meer sluipende wijze: de tendens van de kapitalistische maatschappij om uiteen te vallen in klieken en bendes op elk niveau, de opkomst van allerhande irrationele angsten en fanatismes, de uitzaaiing van de zoektocht naar zondebokken… 

Deze tendensen staan heel vijandig tegenover de ontwikkeling van de internationale solidariteit van de arbeidersklasse en het soort van globaal, historisch gedachtegoed dat nodig is om de processen van de kapitalistische maatschappij te vatten. En toch, ondanks de alomvattende terugval van de klassenstrijd sinds het einde van de jaren 1980, zien wij nog steeds belangrijke oplevingen van het proletariaat, zelfs al herkennen de deelnemers in dergelijke bewegingen zichzelf vaak niet als proletariërs. In 2006 ontsnapte de studentenbeweging in Frankrijk aan de controle van de officiële vakbonden en omdat ze dreigde over te slaan naar de tewerkgestelde sector, was de bourgeoisie genoodzaakt de CPE in te trekken, de wet die voorzag in de snelle afbouw van de werkzekerheid. In 2011, in de nasleep van de revoltes in Noord-Afrika, Israël en Griekenland, deed de Indignados-beweging in Spanje, net zoals de Franse studenten in 2006, de herinnering aan 1968 heropleven door de stimulerende massale debatten over de aard van de kapitalistische maatschappij en haar totaal gebrek aan perspectief.

Dit was een beweging die zeer duidelijk was over haar internationale aard en waar de slogan van ‘wereldrevolutie’ steeds relevanter werd voor sommige minderheden. En opnieuw, zoals in 2006, nam de beweging de vorm aan van de algemene vergaderingen in straten en woonwijken, buiten de officiële instellingen van de burgerlijke maatschappij om. Met andere woorden, een zwakke maar ondubbelzinnige echo van de sovjet. Natuurlijk bestonden deze bewegingen niet lang en ze leden aan ontelbare zwakheden en verwarringen, niet in het minst voor wat betreft de ideologie van de democratie en het burgerschap. Dit werd uitgebuit door linkse partijen zoals Syriza en Podemos met hun refrein: “algemene vergaderingen, ja, maar laten wij ze gebruiken om het democratisch leven te doen heropleven, de deelname in het parlement en de verkiezingen te verhogen…”. Sanders en Corbyn verkopen hetzelfde bedrog. Maar het wezenlijke van deze bewegingen is dat ze aantonen dat het proletariaat niet dood is, dat het nog in staat is het hoofd op te richten en dat wanneer het dit doet, het onmiddellijk gedreven wordt naar de revolutionaire tradities uit zijn eigen verleden.

Het proletariaat heeft zijn laatste woord nog niet gesproken. De veranderingen in de samenstelling van de arbeidersklasse verbergen, ondanks hun negatieve effecten tot nog toe, ook elementen die veel gunstiger zijn voor het perspectief van de revolutie. De jonge proletarische generaties die in een toestand leven die een combinatie is van werkonzekerheid en chronische werkloosheid, kunnen op termijn zichzelf herkennen als deel van een klasse, die, zoals het Communistische Manifest het stelde, “de ellende van de slaaf deelt zonder de zekerheid van de slaaf”, die “niets anders te verliezen heeft zijn ketenen en een hele wereld te winnen heeft.” De huidige en toekomstige situatie van het wereldproletariaat brengt steeds meer aan het licht wat Marx identificeerde als de grondslagen van zijn revolutionaire aard, zijn capaciteit om het kapitalisme te vernietigen en het communisme te scheppen.

Een klasse van de burgerlijke maatschappij die vervreemd is van de burgerlijke maatschappij.

Een klasse wiens radicale ketens en wereldwijd lijden haar drijft naar een radicale en wereldwijde oplossing.

Een klasse die in zich alle lijden concentreert van de andere lagen van de maatschappij zonder te genieten van enige voordelen, en die zichzelf alleen maar kan emanciperen door de hele mensheid te emanciperen.

Een geassocieerde klasse die de maatschappij kan organiseren volgens het beginsel van de associatie, dat indruist tegen het kapitalistische bewind van de wereldwijde verdinglijking.

Een klasse die de menselijke moraal kan bevrijden uit haar kapitalistische gevangenschap door het menselijk lichaam te bevrijden van de dienstbaarheid aan de waar en de loonarbeid.

Lang leve Oktober!

Het aandenken aan de Oktoberrevolutie kan nooit uitgewist worden, net zo min als men het kapitalisme kan hebben zonder klassestrijd. In 1917 werd de mensheid geconfronteerd met de keuze tussen socialisme of barbarij: ofwel een proletarische revolutie, ofwel de vernietiging van de beschaving, misschien van de mensheid zelf. In 2017 worden wij nog altijd geconfronteerd met hetzelfde dilemma. Het kapitalisme kan niet hervormd worden, groen worden, of een menselijk gezicht krijgen. Zijn omverwerping had al lang moeten gebeuren, en geen enkele revolutie in de toekomst zal kunnen slagen als ze niet in staat is om al de lessen te trekken uit de reusachtige ervaring die onze klasse beleefde in Rusland, net als in Duitsland, Hongarije, Italië en de rest van de wereld zo’n honderd jaar geleden. Het is de taak en de verantwoordelijkheid van de minderheid van revolutionairen, van proletarische politieke organisaties, om deze lessen zo diepgaand en wijd mogelijk te bestuderen, te ontwikkelen en te verspreiden. 

Internationale Kommunistische Stroming, september 2017

 

[1] "Common treasury” of “gemeenschappeljke schat” is hoe de 17de eeuwse utopisch socialist en revolutionair Gerrard Winstanley het land beschreef. Winstanley was één van de stichters van de True Levellers, ook wel Diggers genoemd, één van de vroege utopisch-communistische groeperingen die een actieve rol speelden in de burgerlijke Engelse Revolutie, de zogenaamde ‘Glorious Revolution’. Zie ook onze artikels: “Het communisme is geen mooi ideaal, maar een materiële noodzaak – Samenvatting van Boek I” en “From primitive communism to utopian socialism”.