Antwoord aan de Communist League van Tampa: Waarom communisten tegen deelname aan de burgerlijke verkiezingen zijn

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

We publiceren hier een kritiek op het artikel ‘Op weg naar een Communistische Verkiezingsstrategie’, dat onlangs verscheen op de website van de Communist League van Tampa (Florida, USA). Wij hebben reeds eerdere correspondentie tussen ons en de CLT gepubliceerd, waarin we ook enkele van de belangrijkste verschillen tussen de IKS en de CLT belichtten zoals over de opzet van de ‘massapartij’, de vraag of de communistische partij de macht moet overnemen, en de relevantie van de oude sociaaldemocratische programma’s voor het huidige communistische project[1].

Met de publicatie van het artikel ‘Op weg naar een Communistische Verkiezingsstrategie’ door Donald Parkinson[2], lijken deze verschillen groter te zijn geworden, of tenminste iets duidelijker. Een vergelijkbaar proces schijnt aan de gang te zijn tussen het Tampa-groep en haar filiaal in Miami, die nu haar naam heeft veranderd in de Workers Offensive Group en een geheel van standpunten heeft aangenomen, die veel meer in lijn zijn met die van de links-communisten. Tegelijkertijd heeft de Miami-groep verklaard dat zij de discussie met de groep in Tampa wil onderhouden.[3] Wij steunen dit besluit en willen de discussie tussen onszelf en Tampa eveneens voortzetten en vandaar de huidige bijdrage, die naar wij hopen, een reactie zal ontlokken van de Tampa groep en anderen.

Wij denken dat dit debat over de verkiezingen bijzonder belangrijk is, niet in het minst omdat er in het huidige politieke klimaat in de VS een enorme druk ligt op al diegenen die zich opstellen tegen het kapitalistische systeem, om hun principes aan de kant te zetten en hun stemrecht te gebruiken om te voorkomen dat Donald Trump zijn handen op het presidentschap kan leggen. In dit artikel zullen we uitleggen waarom deelname aan de burgerlijke verkiezingen in het algemeen niet langer de belangen van de klassenstrijd dient, maar er fundamenteel tegenover staat.

De tekst van DP begint met de bewering dat “deelname aan de verkiezingen, en dus een verkiezingsstrategie, essentieel is als de communisten publieke legitimiteit willen bereiken als ernstige politieke kracht.  De tekst erkent dat de verkiezingencycli “eindeloos ziekmakend zijn, in bijzonder dit jaar in de V.S. met de onaangename Trump versus de imperialistische neo-liberale Clinton. Maar hij verwijst naar passages, geschreven door Marx en Engels, die de visie te ondersteunen dat de communisten niettemin hun eigen kandidaten naar voren zouden moeten schuiven om, zoals Marx het in zijn toespraak van 1850 tot de Bond der Communisten verwoordde, “om hun onafhankelijkheid te bewaren, om hun krachten te tellen, en om voor het publiek hun revolutionaire houding en partijstandpunt naar voren te brengen.

DP is zich bewust van het bestaan van communisten zoals Pannekoek en Bordiga die, in de nieuwe omstandigheden, die na 1914 door oorlog en door revolutie werden geschapen, alle parlementaire activiteit verwierpen. Maar zijn belangrijkste argument hier is dat hij het betreurt dat hun meningen een buitensporige invloed hebben gehad op de toenmalige ‘linkerzijde’, die voor een groot deel “zuiver gebaseerd was op directe actie”.  Hij geeft toe dat het beroep op een dergelijke benadering begrijpelijk is, gezien de het feit dat “de burgerlijke staat zichzelf presenteert als een soort van Leviathan” maar wij zouden niet daaruit niet concluderen dat “om het even wat daaraan raakt daarom ook verdoemd is. De tekst schetst vervolgens de belangrijkste elementen voor het doen heropleven van de communistische verkiezingsstrategie:

Toch zijn de kwesties of wij de staat moeten vernietigen of dat wij aan verkiezingen moeten deelnemen twee verschillende zaken. De burgerlijke staat kan worden vernietigd, maar toch kunnen wij nog binnen zijn instellingen deelnemen omwille van propagandadoeleinden en om de arbeidersklasse politiek op te leiden. De verkiezingscampagnes, zelfs wanneer ze worden verloren, dienen ertoe om de communisten te verplichten het publiek in grote getale te engageren en hun standpunten te bediscussiëren. Echter, wat te doen als de communisten de verkiezingen werkelijk winnen? Zouden wij dan niet alleen maar de burgerlijke staat beheren?

De eerste verduidelijking die moet worden gemaakt, is dat we niet aan de macht komen, tenzij we het mandaat hadden om ons volledige minimumprogramma in werking te stellen, de burgerlijke staat in haar essentie te vernietigen en de dictatuur van het proletariaat te scheppen. De partij zou een partij in de oppositie zijn en zou geen regeringscoalities met burgerlijke partijen vormen. In tegenstelling tot andere organisaties zoals Syriza, die doen alsof ze niets kunnen bereiken, zolang ze niet zelf aan de macht zijn, zou een goede Marxistische partij in de oppositie blijven en geen regering vormen totdat de voorwaarden voor de revolutie rijp zijn.

Een andere verklaring is dat wij niet streven naar de uitvoerende macht die wij, realistisch gezien, niet kunnen winnen. De mate waarin de communisten verantwoordelijk zijn voor het beheer van de staat bepaalt ook de mate waarin zij zullen worden gedwongen om compromissen te sluiten met de burgerlijke legaliteit. Eerder dan naar posten te streven, zoals gouverneur of president, zouden wij moeten streven naar posten in de wetgevende tak zoals in het federale Huis van Afgevaardigden, maar ook in de Senaat en het Congres.

Op deze posten kunnen wij stemmen voor en tegen de wetgeving (of ons onthouden) en onze partij bevestigen als een ‘tribune van het volk’, die zijn machtspositie gebruikt om propaganda te voeren tegen de burgerlijke staat en het kapitalisme. Door tegen de reactionaire wetten te stemmen, zelfs als wij in aantal door de Democraten en de Republikeinen worden overtroffen, zijn we in staat aan te tonen dat onze partij zich stevig opstelt tegen de belangen van de burgerlijke staat en een massale legitimiteit ontwikkelt voor radicale standpunten.

Veranderende historische voorwaarden en de echte geschiedenis van de communistische beweging

Wat in deze passage onmiddellijk opvalt is dat ze naast de geschiedenis schijnt te staan. Het ontbreekt volledig van om het even welk idee van diepgaande wijzigingen die, sinds de dagen van Tweede Internationale, in het leven van kapitalisme en de arbeidersklasse hebben plaatsgevonden. Ten tijde van de Tweede Internationale hadden dergelijke dilemma’s, zoals die met betrekking tot het gedrag van de arbeidersafgevaardigden in parlementaire organismen, een echte betekenis. 

Maar met de tekst van DP worden wij meegenomen in een wereld waar er geen tendens heeft bestaan, waardoor de massapartijen en de vakbonden van de arbeidersklasse door de kapitalistische staat zijn opgeslorpt ; in een wereld waar geen kwalitatieve groei van de totalitaire Leviathanse staat plaatsvond in antwoord op het nieuwe tijdvak van oorlogen en revoluties ; in een wereld waar de traumatische decennia van stalinistische, fascistische en democratische contrarevolutie niet een hele generatie van revolutionairen bedierf of uitroeide, waar slechts enkele kleine internationalistische groepen bleven voortbestaan, vechtend tegen de stroom in ; een wereld, tenslotte, waar de generaties die opdoken na de beëindiging van deze contrarevolutie, niet behept waren met een diep wantrouwen ten opzichte van politiek en politieke organisatie van welke aard dan ook.

De uitkomst van dit werkelijke historische proces is tastbaar geweest: de communisten die, binnen de grenzen van de kapitalistische maatschappij, per definitie altijd een minderheid zullen blijven, zijn een minuscule kracht geworden, zelfs als je ten aanzien van de huidige politieke krachten van de arbeidersklasse een vrij brede definitie hanteert. In deze huidige wereld bestaat er geen partij van de arbeidersklasse, laat staan een massapartij.

De CLT maakt er natuurlijk geen aanspraak op een partij te zijn en denkt niet dat de communistische partij op het punt staat om te worden gevormd; evenmin overwegen ze het “om het even welke kandidaat weldra mee te laten doen, aangezien wij een kleine sekte zijn met weinig steun en beperkte middelen”. Maar de kloof met de werkelijkheid, die wij ten aanzien van het verleden hebben gezien, is ook van toepassing op een mogelijke verkiezingsstrategie van de toekomst, omdat er helemaal geen poging wordt ondernomen om te bedenken welke veranderingen plaats zouden moeten vinden die het voor de “kleine sektes van vandaag, met weinig steun en beperkte middelen”, mogelijk zouden maken om zich om te vormen in een formidabele communistische partij, die in staat zou zijn om een aanzienlijk aantal zetels in het Congres of in gelijkaardige parlementen te behalen en, mogelijk zelfs “een mandaat weet te behalen om de burgerlijke staat te vernietigen en de dictatuur van het proletariaat te vestigen”.[4] 

Een dergelijke omvorming zou slechts het resultaat kunnen zijn van een massale toename van de klassenstrijd op wereldschaal, van een beweging die niet alleen een gehele nieuwe generatie van revolutionairen zou voortbrengen en een ernstige versterking van de communistische minderheid bewerkstelligen, maar ook nieuwe vormen van massaorganisatie zou doen ontstaan, gebaseerd op de principes van algemene vergaderingen en arbeidersraden.

Dit perspectief is bevestigd, niet alleen door de sovjets van de eerste internationale revolutionaire golf, maar ook in recentere massabewegingen – bijvoorbeeld de fabriekscomités, die in 1980 in Polen verrezen, of de algemene vergaderingen welke bij uitstek de plaats waren van de discussie en besluitvorming in de strijd tegen CPE in 2006 in Frankrijk of van de Indignados-beweging in 2011 in Spanje.

Twee tegengestelde polen: burgerlijke parlement versus arbeidersraden

Het is al veelbetekenend dat de tekst helemaal niets zegt over de kwestie van de raden, en hij lijkt zelfs het vooruitzicht te schetsen van een communistische partij die aan de macht komt via de burgerlijke verkiezingen. Maar nog belangrijker is het feit dat de tekst geen onderzoek doet naar de rol van het parlement en de verkiezingen in de gevallen waarin arbeidersraden worden gevormd en het vraagstuk van de dictatuur van het proletariaat op een directe wijze wordt gesteld, zoals in Duitsland in 1918. In het laatste geval werden de democratische verkiezingen gebruikt als een wapen tegen de raden, een middel om de arbeiders te vangen in het idee dat de parlementaire democratie en arbeidersraden op een bepaalde manier naast elkaar kunnen bestaan (ervan uitgaande dat de laatste werden teruggebracht tot vakbondsachtige organen, die zich zouden beperkten tot de afzonderlijke werkplaats ...).

Kortom: communisten zullen alleen in staat zijn om op te treden als een partij, als een organisatie die een reële impact heeft op de ontwikkeling van de klassenstrijd, in een pre-revolutionaire opstand, en dan zal het meer dan ooit duidelijk worden dat hun energie gericht moet zijn op de versterking van de raden of radenachtige organisaties tegen de dodelijke misleidingen van de burgerlijke democratie.

En we moeten ons er bewust van zijn hoe diep deze misleidingen zich hebben geworteld in de hoofden van de arbeidersklasse, met inbegrip van haar revolutionaire minderheden. Het idee dat de triomf van de democratie en de politieke overwinning van de arbeidersklasse tot dezelfde uitkomst leidt is al aanwezig in het Communistisch Manifest van 1848. De ervaring van de Commune stelde Marx en Engels in staat om te begrijpen dat de arbeidersklasse de bestaande parlementaire organen toch niet kunnen gebruiken om aan de macht te komen ... en toch, hoe broos dit inzicht was, blijkt wel uit het feit dat Marx, kort na het schrijven van ‘De Burgeroorlog in Frankrijk’ waarin met een prachtige helderheid de lessen uit van de Commune werden getrokken, nog steeds tot de overweging kon komen dat de arbeidersklasse in bepaalde democratische burgerlijke landen - zoals Groot-Brittannië of Nederland – ‘vreedzaam’ aan de macht zou kunnen komen.

En toen het er in de fase van de sociaaldemocratie op leek dat de arbeidersklasse, in het kader van de burgerlijke maatschappij, stap voor stap partijen en de vakbonden kon opbouwen, zagen theoretici zoals Kautsky geen ander ‘weg naar de macht’ dan de parlementaire weg.[5]

Zij die, binnen de marxistische beweging, de Kautskyaanse orthodoxie begonnen uit te dagen, moesten een harde strijd voeren in een poging om de implicaties van de nieuwe vormen van strijd te ontwikkelen toen de opgaande periode van het kapitalisme eenmaal ten einde liep: de massastakingen in Rusland,de verschijning van de sovjets, de ontwikkeling van wilde stakingen in West-Europa. Door het onderzoek van deze nieuwe vormen en methoden van strijd, waren Pannekoek, Boecharin en uiteindelijk Lenin in staat om te breken met de sociaaldemocratische consensus en hun programma te baseren op de meest heldere inzichten van Marx en Engels - op de erkenning dat de burgerlijke staat moest worden ontmanteld, en niet door een parlementair besluit, maar door de nieuwe organen van de proletarische politieke macht, die door de revolutie zelf worden geschapen.

Deze theoretische ontwikkelingen vonden plaats naast, en in het geval van Pannekoek, sterk beïnvloed door de analyse van de massastaking door Rosa Luxemburg, die de oude sociaaldemocratische (en, daarbij inbegrepen de anarcho-syndicalistische) praktijk in vraag stelde: namelijk de praktijk van het stap voor stap vormen van massa-organisaties, die uiteindelijk de leiding van de maatschappij zouden overnemen. In de nieuwe opvatting van Luxemburg en Pannekoek is de revolutionaire massa-organisatie van de arbeidersklasse een product van de massabeweging en kan ze, bij afwezigheid van een dergelijke beweging, niet in elkaar worden geknutseld door de communistische minderheid.

Anti-verkiezingen als een ‘eeuwig principe’?

DP wil dat we het idee laten vallen van ‘anti-verkiezingen als een eeuwig principe’. Maar geen van de militanten van de sociaaldemocratie, en daarna van de communistische, linkse fracties beschouwden de anti-verkiezingsdeelname als een eeuwig principe. Ze waren marxisten, geen anarchisten, en ze erkenden dat, in een vorig tijdperk, tijdens de periode van de Bond der Communisten en de eerste twee Internationales, de strategie om arbeiderskandidaten naar voren te schuiven in de burgerlijke verkiezingen inderdaad zou kunnen dienen voor wat revolutionairen beschouwden als een ‘eeuwig principe’: de noodzaak om de autonomie van de arbeidersklasse ten opzichte van alle andere klassen te ontwikkelen.

Zo bepleitten marxisten van het midden tot einde van de 19e eeuw, de deelname aan de burgerlijke verkiezingen en parlementen, omdat zij van mening waren dat het parlement nog steeds een arena kon zijn voor de strijd tussen de partijen, die nog gebonden waren aan een achterhaalde feodale orde, en de partijen die de voorwaartse beweging van kapitaal uitdrukten, en bijgevolg door de arbeidersorganisaties kritisch konden worden gesteund. In deze periode was het mogelijk aan te nemen dat dergelijke allianties in het belang van de arbeidersklasse konden zijn en zelfs een moment in de ontwikkeling van haar onafhankelijkheid als politieke klasse.

Toen het kapitalisme zijn grenzen bereikt had als een factor in de vooruitgang, werd het onderscheid tussen progressieve en reactionaire burgerlijke partijen steeds zinlozer, zodat de rol van de revolutionairen in de burgerlijke parlementen steeds meer was gericht op het oppositie voeren tegen alle verschillende burgerlijke partijen - op het gebruik van een ‘tribune’, waarin ze een eenzame stem vormden in een puur burgerlijke arena. Maar het was juist in deze fase, de fase van de volwassen sociaaldemocratie, dat de belangrijkste stromingen binnen veel van de arbeiderspartijen meegezogen werden in allerlei compromissen met de kapitalistische klasse, zelfs tot op het punt van het aanvaarden van posten in regeringsploegen.

Voor de links-communisten betekende de komst van een periode van openlijke revolutionaire strijd, en de gelijktijdige overwinning van het opportunisme binnen de partijen van de oude Internationale - die definitief werd besloten door hun rol in de oorlog van 1914 en de daarop volgende revolutionaire golf - dat alle oude tactieken, zelfs het beperkte gebruik van de verkiezingen en het parlement als een tribune, grondig moesten worden herzien. Pannekoek aanvaardde in 1920, toen hij nog vast overtuigd was van de noodzaak van een communistische partij, dat de deelname aan het parlement en de verkiezingen een geldige strategie was geweest in de vorige periode, maar wees op de schadelijke gevolgen in de nieuwe omstandigheden:

Zaken veranderen wanneer de strijd van het proletariaat een revolutionair stadium binnengaat. We hebben het hier niet over de vraag waarom het parlementaire systeem ontoereikend is als regeringsysteem voor de massa's en waarom het moet wijken voor het sovjet-systeem, maar over het gebruik van het parlement als een strijdmiddel van het proletariaat. Als zodanig is de parlementaire activiteit het typische strijdmiddel van de leiders, waarbij de massa’s zelf een ondergeschikte rol spelen. Hun activiteit bestaat daarin, dat individuele afgevaardigden de echte strijd voeren. Dit moet bij de massa’s ongetwijfeld de illusie wekken dat anderen de strijd voor hen kunnen voeren.

Voeger werd er altijd gedacht dat de leiders in het parlement belangrijke hervormingen voor de arbeiders zouden kunnen realiseren; en de illusie ontstond zelfs dat parlementariërs, door middel van wettige besluiten, de transformatie naar het socialisme konden doorvoeren. Nu het parlementarisme meer bescheiden is geworden, hoort men het argument dat de afgevaardigden in het parlement een belangrijke bijdrage aan de communistische propaganda kunnen leveren. Maar steeds valt de nadruk daarbij op de leiders, en dat het vanzelfsprekend is dat de specialisten de politiek zullen bepalen - zelfs als deze plaatsvindt onder de democratische sluier van debatten en resoluties van congressen - de geschiedenis van de sociaaldemocratie is een reeks van mislukte pogingen om de leden zelf te bewegen de politieke lijn te laten bepalen.

Waar het proletariaat een parlementaire strijd voert is dit allemaal onvermijdelijk, zolang de massa’s nog geen organen voor zelf-activiteit hebben geschapen, waar de revolutie nog moet worden gerealiseerd. Maar zodra de massa’s beginnen in te grijpen, voor zichzelf beginnen op te treden en beslissingen te nemen, worden de nadelen van de parlementaire strijd overwegend. Zoals we hierboven hebben aangevoerd, is het probleem van de tactiek hoe we de traditionele burgerlijke mentaliteit, die de kracht van de proletarische massa’s verlamt, kunnen uitroeien ; want alles wat de overgeleverde opvatting nieuwe kracht geeft, is schadelijk .

Het meest weerbarstige en krachtigste deel van deze manier van denken is hun onzelfstandigheid tegenover de leiders aan wie zij de beslissing over de algemene kwesties, de leiding van haar klasse-zaken overlaat. Het parlementair systeem heeft de onvermijdelijke tendens om de eigen, de voor revolutie noodzakelijke activiteit van de massa’s af te remmen. Hoeveel mooie redevoeringen er ook worden gehouden ter ontwaking van de revolutionaire actie, toch komt de revolutionaire actie niet voort uit dergelijke woorden, maar alleen uit de harde, zware nood, als er geen andere keuze meer overblijft.

De revolutie, die een regeringssysteem doet vallen, vereist ook iets meer dan de massale strijd en waarvan we weten dat daartoe niet door de leiders wordt opgeroepen, maardie alleen uit de diepe drang van de massa’s omhoog kan komen. De revolutie vereist dat de grote vraagstukken van maatschappelijke wederopbouw ter hand worden genomen, dat moeilijke beslissingen worden genomen, dat het hele proletariaat in een creatieve beweging wordt gebracht - en dat is alleen mogelijk als eerst de voorhoede, vervolgens een steeds grotere massa ze ter hand neemt, zichzelf daarvoor verantwoordelijk weet, zoekt, propageert, worstelt, probeert,nadenkt, afweegt, durft en uitvoert.

Maar dit alles is een moeilijk en moeizaam proces ; zolang de arbeidersklasse denkt een eenvoudiger weg te zien, door anderen namens haar te laten optreden - vanaf een hoog platform agitatie te voeren, beslissingen te nemen, signalen voor actie te geven, wetten te maken - zal ze aarzelen en door de oude denkgewoonten en de oude zwakheden passief blijven.[6]

Hier raakt Pannekoek aan de wortel van het vraagstuk en waarom de strijd voor de raden haaks staat op de parlementaire activiteit in al haar vormen. Om een revolutie te maken moet het proletariaat een fundamentele breuk bewerkstelligen met de oude gewoonten van denken en handelen, met het hele idee om vertegenwoordigers in de burgerlijke parlementen te verkiezen en zich zodoende te vervreemden van zijn eigen krachten.

Voor Pannekoek kon de tactiek van het ‘revolutionaire parlementarisme’, dat door de partijen van de Communistische Internationale was aangenomen (die zeer veel overeenkomst vertoont met de verkiezingsstrategie, bepleit door DP), alleen dienen om de heersende en verlammende illusies in de burgerlijke democratie te versterken. En we kunnen eraan toevoegen dat, hoewel de statuten van de communistische partijen een aantal maatregelen bevatten ter bestrijding van de ontaarding door parlementaire politiek, deze regels niet konden voorkomen dat de officiële partijen uit zichzelf vrij snel veranderden in machines, die louter op stemmen joegen.

Voor Pannekoek en andere links-communisten was dezelfde problematiek van toepassing op de vakbondsvorm die, ofschoon oorspronkelijk naar voren gekomen als een vorm van zelforganisatie van arbeidersklasse, hopeloos verstrikt was geraakt in de burgerlijke staat en zijn bureaucratie. De contrarevolutionaire rol, gespeeld door de oude partijen en vakbonden in de imperialistische oorlog en de proletarische revolutie die daarop volgde, maakte duidelijk dat de nieuwe vormen van organisatie zich niet zouden ontwikkelen in de schoot van de oude maatschappij, maar door een uitbarsting die het omhulsel zelf zou versplinteren. In zekere zin was dit een terugkeer naar de constatering van Marx dat de arbeidersklasse, als een klasse van de burgerlijke maatschappij geen klasse van de burgerlijke maatschappij is ; met andere woorden: een uitgesloten klasse die per definitie nooit ‘publieke legitimiteit’ kan winnen in het normale functioneren van de kapitalistische maatschappij .

Het idee van het streven naar  publieke legitimiteit, ‘populariteit’ en een zo groot mogelijk deel van de stemmen, is een grove vervorming van de rol van de communisten, wier taak het is om altijd de toekomstige doelstellingen te verdedigen in de hedendaagse beweging, om de waarheid te spreken, hoe onverteerbaar die ook mag klinken, en zelfs als dit betekent dat ze tegen de stroom in gaat, zoals de revolutionairen Lenin en Luxemburg deden ten opzichte van de golf van nationalistische hysterie, die in 1914 tijdelijk de arbeidersklasse overspoelde.

Bordiga die, in de debatten in de Derde Internationale, de kwestie van de stemonthouding eigenlijk als een tactiek beschouwde, belicht verder toch de redenen waarom de ‘verkiezings’ mentaliteit ons bindt aan de burgerlijke maatschappij. In ‘Het Democratische Beginsel[7] laat hij bijvoorbeeld zien dat het principe van de burgerlijke democratie, het beginsel van ‘één man één stem’ geworteld is in de doorwerking van de warenverhoudingen, van een maatschappij gebaseerd op de ruil van equivalenten. Een beweging voor het kommunisme is per definitie een beweging die, als onderdeel van een bredere strijd tegen de verdinglijkte sociale verhoudingen, opgelegd door de warenvorm, het begrip overstijgt van de geatomiseerde burger, die zijn rechten uitoefent in het stemhokje.

We denken dat de kameraden van de CLT moeten terugkeren tot deze theoretische bijdragen en zich veel ernstiger moeten verdiepen in de redenen waarom deze militanten alle vormen van verkiezingsdeelname verwierpen. Het is waar dat de tekst van DP aanneemt dat er een gevaar bestaat, bevestigd door de stem van de Duitse SPD voor de oorlogskredieten in 1914, dat de partij-afgevaardigden belangen ontwikkelen die los staan van de arbeidersklasse. Maar zijn antwoord is dat dit probleem “kan worden aangepakt zonder ons te onthouden van de verkiezingsactiviteiten. Zo kunnen gekozen vertegenwoordigers bijvoorbeeld worden verplicht om een bepaald percentage van hun salaris te doneren aan de partij en worden teruggeroepen door stem van het volk”. Afgezien van het speculatieve, zelfs fantastisch karakter van dit hele scenario, blijft dit een louter formele repliek die niet doordringt tot de kern van de kritieken zoals die door communisten als Pannekoek en Bordiga naar voren zijn gebracht.

Het gevaar om slachtoffer te worden van (burgerlijk) links

Zoals we hebben opgemerkt, loopt de CLT geen onmiddellijk gevaar zich in verkiezingsactiviteiten te storten. Maar haar onwil om de echte historische omstandigheden in beschouwing te nemen, waarmee de communistische minderheid vandaag wordt geconfronteerd, lijkt haar aan de ene kant te sturen in de richting van een soort syndicalistische activisme (zoals ze hebben gezegd, schuiven ze geen kandidaten naar voren omdat “onze energie er op dit moment op is gericht onszelf tot een meer effectieve organisatie te maken en te proberen een algemene lidmaatschapstak van de IWW van de grond te krijgen[8]).

Gevaarlijker is hun tweeslachtigheid over de aard van de ‘links’, die kan worden gezien in het begin van de tekst. Want deze lijkt deuren te openen naar allianties met openlijk links-kapitalistische organisaties zoals de ‘Rode Partij’ (Red Party), min of meer het Amerikaanse evenbeeld van de Communistische Partij van Groot-Brittannië met ‘Weekly Worker’, in het Verenigd Koninkrijk[9], een organisatie die nooit zijn historische oorsprong, als een factie binnen het stalinisme, in vraag heeft gesteld. Misschien beschouwt de CLT dergelijke allianties als een middel om uit te breken uit haar situatie als een ‘kleine sekte zonder steun’, maar er is meer kans dat de groep wordt verdronken in een zee van burgerlijk links.

Zoals we hebben gezien betreurt DP’s artikel het feit dat ‘grote delen van de links’ de voorkeur geven aan direct activisme en daarbij een levensvatbare verkiezingsstrategie uitsluiten. In werkelijkheid, in een periode van aanzienlijke problemen voor de arbeidersklasse, wanneer het aantal stakingen en ‘de bewegingen op straat’ zijn afgenomen, worden vele, pas gepolitiseerde elementen gemobiliseerd ter ondersteuning van een burgerlijk links in een ‘nieuw jasje’ zoals Podemos in Spanje, Syriza in Griekenland, de Labour-fractie van Corbyn in het Verenigd Koninkrijk en Sanders in de Verenigde Staten. Deze stromingen vormen allen een duidelijke poging om militante energie in het doodlopende straatje van de verkiezingen en van de ‘lange mars door de instellingen’ te voeren. Communisten kunnen alleen weerstand bieden tegen de valse hoop die voorgeschoteld wordt, door het bieden van een duidelijke kritiek op de burgerlijke democratie en haar verraderlijke invloed binnen de revolutionaire klasse.

Amos / Oktober 2016

[2] Towards a communiste electoral strategy, DP 

We begrijpen dat dit artikel is ondertekend en dat het niet de standpunten van alle leden van het CLT hoeft te vertegenwoordigen, maar bijdragen van Pennoid - ook een lid van de CLT - op libcom zijn het in grote lijnen eens met de aanpak van het artikel. Ook het ontbreken van enige tegenargumenten door leden van de CLT op hun website, lijkt erop te wijzen dat het artikel een breder draagvlak heeft binnen de groep. Zie: Communist electoral strategy?, Libcom

[3] Points of unity, Workers' Offensive;

Official statements by Workers' Offensive

Over de verkiezingen zegt de Workers' Offensive Group in haar Points of unity: “Alle verkiezingen zijn een schijnvertoning. De politieke macht is in wezen een kwestie van geweld, niet van stemmen. Het ritueel van het zelfbedrog van de massa’s, dat deel uitmaakt van de verkiezingspolitiek fungeert als een veilige uitlaadklep, waarin de grieven van de uitgebuite klasse kunnen worden gekanaliseerd en onschadelijke worden gemaakt. Deelname aan de verkiezingen helpt om de geestelijke heerschappij van het kapitalisme over de arbeidersklasse te handhaven door de heroprakeling van de grote leugen dat de arbeiders binnen dit systeem een stem hebben. Pathetisch bedelen aan de voeten van de uitbuiters en aan een kleine minderheid toe te vertrouwen al haar gevechten te voeren, brengt geen onafhankelijkheid en assertiviteit in de arbeidersklasse voort, alleen maar zwakte en onderwerping.”

[4] De sfeer van onwerkelijkheid zweeft ook boven de visie van DP over hoe de massapartij zich op het gebied van directe actie zal begeven: “Een massa-partij zal grote aantallen arbeiders moeten engageren met behulp van extra-parlementaire middelen voordat ze zelfs maar een kans zal hebben om in een verkiezingscampagne te winnen. Het bouwen van klasse-vakbonden, solidariteitsnetwerken, raden van werklozen, verenigingen van wederzijdse hulp, schietclubs, sportteams, enzovoort, moet in het kader van verkiezingsactie niet worden afgewezen”. Dit lijkt heel erg op een heimwee naar de goede oude tijd van de sociaaldemocratie, toen de arbeidersklasse haar eigen economische, politieke en culturele organisaties voor een langere periode in stand kon houden, zonder dat ze in handen vielen van de burgerlijke staat.

[5] Zie ons artikel over de parlementaire fouten van Engels en Kautsky: The revolutionary perpsective obscured by parliamentary illusions

[8] Opnieuw nemen de ‘Punten van Eenheid, gepubliceerd door de ‘Workers’ Offensive Group, een duidelijk standpunt in ten aanzien van de vakbondskwestie: “De vakbonden zijn, ongeacht hun interne structuur, niet de organisaties van de arbeiders maar de organen van de kapitalistische staat die het verzet van de arbeidersklasse tegen het uitbuitingssysteem door onderhandeling en door het opleggen van contracten met het kapitaal in de kiem smoren. In de hitte van de klassenstrijd moeten de arbeiders de vakbonden vernietigen en hun eigen gecentraliseerde massa- organisaties vormen om hun strijd te leiden en te voeren tegen het kapitalisme.