Over de kwestie van het populisme

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Het artikel dat hier volgt is een document dat momenteel in de IKS wordt bediscussieerd. Het is geschreven in juni van 2016, een paar weken voordat het ‘Brexit’-referendum in het Verenigd Koninkrijk plaatsvond. Het artikel ‘Brexit, Trump: Setbacks for the ruling class, nothing good for the proletariat, dat net als dit artikel  Over de kwestie van het populisme’ is verschenen in International Review nr.157, vormt een poging om de ideeën, zoals voorgesteld in deze tekst, toe te passen op de concrete gebeurtenissen, die zich voordoen door de uitslag van het referendum in Groot-Brittannië en de kandidatuur van Trump in de VS. 

We zijn momenteel getuige van een golf van politiek populisme in de oude centrale landen van het kapitalisme. In staten waar dit verschijnsel al langer bestaat, zoals Frankrijk of Zwitserland, zijn de rechtse populisten, op het electoraal niveau, de absoluut grootste politieke partij geworden. Opvallender is echter de opmars van het populisme in de landen die tot nu toe bekend stonden om hun politieke stabiliteit en om de efficiëntie van de heersende klasse: de VS, Groot-Brittannië, Duitsland. In deze landen is het populisme er pas zeer recent in geslaagd een directe en ernstige impact te verkrijgen.

De huidige opleving van het rechts populisme

In de Verenigde Staten werd de presidentiële kandidatuur van Donald Trump aanvankelijk sterk onderschat door het politieke establishment in de Republikeinse Partij. In de eerste instantie werd zijn kandidatuur min of meer openlijk bestreden door zowel de gevestigde partijhiërarchie als de religieuze rechterzijde. Ze waren allemaal onthutst over de populaire steun die hij zich verwierf zowel in de Bijbelgordel als in de oude stedelijke industriële centra, met name onder delen van de ‘blanke’ arbeidersklasse. De daaropvolgende mediacampagnes, die bedoeld waren om de omvang van zijn steun te doen verminderen, en die onder meer werden gevoerd door de Wall Street Journal, de media aan de Oostkust en financiële oligarchieën, deden zijn populariteit alleen maar toenemen. De gedeeltelijke ruïnering van belangrijke lagen van het middenklasse, maar ook van de arbeidersklasse, van wie velen hun spaartegoeden en zelfs hun huis verloren door de financiële en vastgoed crisis van 2007/2008, heeft aanleiding gegeven tot grote verontwaardiging ten opzichte van het oude politieke establishment, dat snel ingegreep om de banksector te redden, maar de kleine spaarders die hadden geprobeerd om eigenaar te worden van hun eigen woning, aan hun lot overlieten

De beloften van de Trump om de kleine spaarders steunen, de gezondheidszorg te handhaven, de aandelenbeurs en grote financiële zaken belasting op te leggen en de immigranten die door delen van de armen worden gevreesd als potentiële concurrenten geen toegang te verlenen, hebben een echo gevonden onder zowel christelijke religieuze fundamentalisten en meer linkse, traditionele democratische kiezers.  De laatsten hadden zich, slechts een paar jaar voordien, zelfs in hun stoutste dromen niet kunnen voorstellen dat ze ooit op zo’n politicus zouden stemmen.

Gedurende bijna een halve eeuw van burgerlijk politiek ‘reformisme’, zijn de kandidaten van links zowel op nationaal als op gemeentelijk/lokaal niveau, zowel in de partijen als in de vakbonden, gekozen om zogezegd op te komen voor de belangen van de arbeiders, maar steunden daarentegen voortdurend de belangen van het kapitaal. Dit burgerlijk politiek ‘reformisme’ heeft het terrein bereid voor de spreekwoordelijke ‘man in de straat’ in Amerika, om te overwegen een multi-miljonair zoals Trump, te steunen in de veronderstelling dat hij tenminste niet kan worden ‘omgekocht’ door de heersende klasse.

In Groot-Brittannië schijnt de belangrijkste uitdrukking van populisme op dit moment niet een bepaalde kandidaat of politieke partij te zijn (hoewel de UKIP [1]van Nigel Farage is uitgegroeid tot een belangrijke speler op het politieke toneel), maar de populariteit van het voorstel om de Europese Unie te verlaten door middel van een referendum. Het feit dat deze optie wordt afgewezen door de het grootste deel van de mainstream van de financiële wereld (City of London) en van de Britse industrie neigde, ook hier, om de oproep van de ‘Brexit’ onder delen van de bevolking te versterken. Afgezien van die specifieke belangen van delen van de heersende klasse, die veel nauwer zijn verbonden met de voormalige koloniën (de Commonwealth) dan met het vasteland van Europa, lijkt het dat een van de beweegredenen achter deze oppositionele stroming is om de wind uit de zeilen te nemen van nieuwe rechtse populistische bewegingen. Misschien zouden types als Boris Johnson en andere bepleiters van de ‘Brexit’ uit de Conservatieve Partij, in het geval van een eventuele Leave, degenen zijn die zouden moeten redden wat er te redden is, in een poging te onderhandelen over een soort van een nauwe associatie tot de Europese Unie, vermoedelijk op basis van dezelfde regels als Zwitserland (die de EU-verordeningen meestal aanvaardt, echter zonder enige zeggenschap over de formulering ervan).

Maar het is ook mogelijk dat politici van de Conservatieve Partij zelf zijn aangetast door de populistische stemming, die ook in Groot-Brittannië snel terrein heeft gewonnen na de financiële en vastgoedcrisis, die voor aanzienlijke delen van de bevolking negatieve gevolgen hebben gehad.

In Duitsland, waar de bourgeoisie er na de Tweede Wereldoorlog altijd in is geslaagd de oprichting van parlementaire partijen aan de rechterkant van de christen-democratie te voorkomen, is er een nieuwe populistische beweging op het toneel verschenen, zowel op straat (Pegida) als op het electorale vlak (Alternatieve für Deutschland). Dit gebeurde niet in antwoord op de ‘financiële’ crisis van 2007/2008 (die Duitsland relatief onbeschadigd onderging) maar op de daaropvolgende ‘Euro-Crisis’, die door een deel van de bevolking werd begrepen als een rechtstreekse bedreiging voor de stabiliteit van de gemeenschappelijke Europese munt, en dus voor de spaarcenten van miljoenen mensen.

Maar de crisis was nog maar nauwelijks bezworen, in ieder geval voor het moment, of er kwam een massale toestroom van vluchtelingen op gang, die met name werd veroorzaakt door de Syrische burgeroorlog en imperialistische oorlog en door het conflict met ISIS in het noorden van Irak. Deze ontwikkeling gaf nieuwe energie een populistische beweging, die eigenlijk al stond te wankelen . Hoewel een grote meerderheid van de bevolking nog steeds de ‘gastvrije cultuur’ van bondskanselier Merkel en van vele leiders van de Duitse economie steunt, zijn de aanvallen tegen asielcentra in vele delen van het land toegenomen, terwijl in delen van de voormalige DDR [2] zich een heuse pogromistische stemming heeft ontwikkeld.

De mate waarin de opkomst van populisme is gekoppeld aan het in diskrediet brengen van het partijpolitieke establishment wordt geïllustreerd door de recente presidentsverkiezingen in Oostenrijk, de tweede ronde die werd bestreden tussen kandidaten van de groenen en de populistische rechterzijde, terwijl de belangrijkste partijen, de sociaaldemocraten en christendemocraten, die sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog samen het land regeerden, beiden een historisch verkiezingsdebacle ondergingen.

In het kielzog van de Oostenrijkse verkiezingen hebben politieke waarnemers in Duitsland geconcludeerd dat een voortzetting van de huidige christelijke sociaal-democratische coalitie in Berlijn, na de volgende algemene verkiezingen, de opkomst van het populisme waarschijnlijk zal bevorderen. In ieder geval, of het nu is via grote coalities tussen linkse en rechtse partijen (of ‘cohabitations’ [met president en regering die niet behoren tot dezelfde partij], zoals in Frankrijk), of door de afwisseling tussen linkse en rechtse regeringen, na bijna een halve eeuw van chronische economische crisis en rond de dertig jaar kapitalistische ontbinding, geloven grote delen van de bevolking niet langer dat er een betekenisvol verschil bestaat tussen de gevestigde linkse en rechtse partijen. Integendeel, deze partijen worden gezien als een soort van kartel, die hun eigen belangen en die van de zeer rijken verdedigen, ten koste van die van de bevolking als geheel, en die van de staat. Omdat de arbeidersklasse er, na 1968, niet in slaagde haar strijd te politiseren en verdere betekenisvolle stappen te zetten in de richting van de ontwikkeling van haar eigen revolutionaire perspectief, stookt deze desillusie momenteel vooral het vuurtje op van het populisme.

In de Westerse industriële landen, in het bijzonder na 9/11 in de VS, is het islamitisch terrorisme een factor geworden waardoor het proces van populisme is versneld. Momenteel is dit een groot probleem voor de bourgeoisie, vooral in Frankrijk, dat wederom de focus is geworden van dergelijke aanvallen. De noodzaak om tegenwicht te bieden tegen de voortdurende stijging van het Front National was een van de motieven voor de anti-terroristische staat van beleg en voor de oorlogstaal van François Hollande. Na de recente aanslagen presenteerde hij zich als leider van een vermeende internationale coalitie tegen ISIS. Het verlies aan vertrouwen van de bevolking in de vastberadenheid en de capaciteit van de heersende klasse om haar burgers te beschermen (niet alleen economisch, maar ook) op het vlak van de veiligheid is een van de oorzaken van de huidige populistische golf.

De wortels van het hedendaagse rechtse populisme zijn dus divers en variëren van land tot land. In de voormalige stalinistische landen van Oost-Europa schijnen ze verband te houden met de achterstand en de bekrompenheid van het politieke en economische leven onder de vorige regimes, evenals de traumatiserende  wreedheid van hun overgang naar een meer doeltreffende, Westerse stijl van kapitalisme na 1989.

Een een dergelijk belangrijk land als Polen zit het rechtse populisme al in de regering, terwijl in Hongarije (een centrum tijdens de eerste golf van de proletarische wereldrevolutie in 1917-1923), het regime van Victor Orbán de pogromistische aanvallen min of meer openlijk bevordert en beschermt.

Meer in het algemeen zijn de reacties tegen de ‘globalisering’ een belangrijke factor voor de opkomst van het populisme. In West-Europa heeft de stemming ‘tegen Brussel’ en de EU lang behoord tot de hoofdschotel van deze bewegingen. Maar vandaag is een dergelijke stemming ook aan de oppervlakte gekomen in de Verenigde Staten, waar Trump niet de enige politicus is die ermee dreigt het TTIP [3] vrijhandelsakkoord af te schieten, waarover momenteel tussen Europa en Noord-Amerika wordt onderhandeld.

Deze reactie tegen de ‘globalisering’ mag niet worden verward met het soort van neo-Keynesiaanse correctie op de (werkelijke) uitwassen van het neoliberalisme dat wordt geopperd door vertegenwoordigers van links zoals ATTAC. Terwijl de laatstgenoemde een verantwoord coherent alternatief economisch beleid voor het nationale kapitaal vooropstelt, is de populistische kritiek meer een soort van politiek en economisch vandalisme, zoals dat zich al gedeeltelijk manifesteerde op het moment van de verwerping van het Verdrag van Maastricht in de referenda in Frankrijk, Nederland en Ierland.

De mogelijkheid van een regeringsdeelname door het huidige populisme en het machtsevenwicht tussen bourgeoisie en proletariaat

De populistische partijen zijn burgerlijke fracties, onderdeel van het totalitaire staatskapitalistische apparaat. Wat zij uitdragen is een burgerlijke en kleinburgerlijke ideologie en een overeenkomstig gedrag: nationalisme, racisme, vreemdelingenhaat, autoritarisme, cultureel conservatisme. Als zodanig vormen zij een versterking van de macht van de heersende klasse en haar staat over de maatschappij. Ze verruimen de werkingssfeer van het partij-apparaat van de democratie en voegen vuurwerk toe aan haar ideologisch bombardement. Ze blazen de verkiezingsmisleiding en de aantrekkelijkheid van de verkiezingen nieuw leven in, zowel via de kiezers die ze zelf mobiliseren als via degenen die tegenstemmers mobiliseren. Hoewel ze deels het gevolg zijn van de groeiende ontgoocheling over de traditionele partijen, kunnen ze ook helpen om het imago van deze laatsten te versterken die zich, in tegenstelling tot de populisten, kunnen presenteren als meer humanitair en democratisch. Naaarmate hun taal lijkt op die van de fascisten in 1930, neigt hun opmars naar een heropleving van het anti-fascisme. Dit is vooral het geval in Duitsland, waar het aan de macht komen van de ‘fascistische’ partij leidde tot de grootste ramp in de nationale geschiedenis, met het verlies van bijna de helft van zijn grondgebied en zijn status als belangrijke militaire macht, de vernietiging van de steden en de vrijwel onherstelbare schade aan zijn internationale prestige door het plegen van misdrijven die moeten worden beschouwd als de ergste in de geschiedenis van de mensheid.

Desondanks, en zoals we tot nu toe vooral in de oude centrale landen van het kapitalisme hebben gezien, hebben de toonaangevende fracties van de bourgeoisie hun best gedaan om de opkomst van populisme in te tomen en met name, zo mogelijk, zijn regeringsdeelname te voorkomen. Na jaren van meestal mislukte defensieve gevechten op haar eigen klasseterrein, lijken bepaalde sectoren van de arbeidersklasse vandaag zelfs te voelen dat ze meer druk kunnen uitoefenen en de heersende klasse meer schrik kunnen aanjagen door te stemmen voor de populistische rechtse partijen dan door arbeidersstrijd. De basis voor deze indruk is dat het ‘establishment’ echt met groot alarm reageert op het verkiezingssucces van de populisten. Waarom deze terughoudendheid van de bourgeoisie ten opzichte van ‘één van hen’?

We hebben tot nu toe de neiging om aan te nemen dat dit vooral wordt veroorzaakt door de historische koers (d.w.z. de nog onverslagen status van de huidige generatie van het proletariaat). Vandaag is het noodzakelijk om, geconfronteerd met de maatschappelijke werkelijkheid, dit kader opnieuw kritisch onder de loep te nemen.

Het klopt dat de oprichting van populistische regeringen in Polen en Hongarije onbelangrijk is vergeleken met wat er gebeurt in de oude westerse kapitalistische centrale landen. Opmerkelijker is echter dat deze ontwikkeling voor het moment niet heeft geleid tot een groot conflict van Polen en Hongarije met de Navo of de EU. Oostenrijk, daarentegen, onder aanvoering van een sociaal-democratische bondskanselier, imiteerde in de zomer 2015 aanvankelijk van de ‘cultuur’ van Angela Merkel. Weldra volgde het echter het voorbeeld van Hongarije door de installatie van hekken aan zijn grenzen. En de Hongaarse premier is uitgegroeid tot een favoriete gesprekspartner van de Beierse CSU, die deelneemt aan de regering Merkel. We kunnen spreken van een proces van wederzijdse aanpassing tussen de populistische regeringen en grote staatsinstellingen. Ondanks hun anti-Europese demagogie is er momenteel geen teken dat deze populistische regeringen Polen of Hongarije uit de EU willen terugtrekken. Integendeel, wat zij nu propageren is de verbreiding van het populisme binnen de Europese Unie. Wat dit betekent in termen van concrete belangen, is dat ‘Brussel’ zich minder moet mengen in nationale aangelegenheden, terwijl het moet doorgaan om evenveel of zelfs meer subsidies over te maken aan Warschau en Boedapest. Op haar beurt komt de EU tegemoet aan deze populistische regeringen, die soms worden geprezen voor hun ‘constructieve bijdragen’ tijdens ingewikkelde EU-topconferenties. En terwijl Brussel heeft aangedrongen op de handhaving van een bepaald minimum aan ‘democratische normen’, heeft het voor het moment afgezien van het opleggen van de sancties aan deze landen, waarmee ze wel had gedreigd.

Voor wat betreft West-Europa, moeten we eraan herinneren dat Oostenrijk een voorloper was bij het opnemen van de partij van Jörg Haider als junior partner in een coalitieregering. Het doel daarbij – het in diskrediet brengen van de populistische partij door deze verantwoordelijkheid te geven voor het regeren van de staat – is ten dele gelukt. Tijdelijk. Vandaag de dag is de FPÖ [4] electoraal gezien echter sterker dan ooit tevoren, en won onlangs bijna de presidentsverkiezingen. Natuurlijk speelt de president in Oostenrijk vooral een symbolische rol. Maar dit is niet het geval in Frankrijk, de tweede economische macht en de op een na grootste concentratie van het proletariaat op het vasteland van West-Europa. De wereldbourgeoisie kijkt bezorgd uit naar de komende presidentsverkiezingen in dat land, waar het Front National, electoraal gezien, de grootste partij is.

Vele politieke deskundigen van de bourgeoisie hebben uit de schijnbare mislukking van de Republikeinse Partij in de VS, om de kandidatuur van Trump te verhinderen, de conclusie getrokken dat de deelname van de populisten aan westerse regeringen, vroeg of laat, min of meer onvermijdelijk zal worden, en dat het beter zou zijn om te beginnen met de voorbereiding op een dergelijke situatie. Dit debat is een eerste reactie op de erkenning dat de pogingen tot uitsluiting of beperking van het populisme niet alleen hun limieten hebben bereikt, maar zelfs het tegenovergestelde effect beginnen te bereiken.

Democratie is de ideologie die voor de ontwikkelde kapitalistische samenlevingen het meest geschikt is en het enige en allerbelangrijkste wapen tegen het klassebewustzijn van het proletariaat. Maar vandaag wordt de bourgeoisie geconfronteerd met de paradox dat, door die partijen, die zich niet houden aan de democratische spelregels van ‘politieke correctheid’, op armlengte te houden, dit het risico in zich draagt haar democratische imago ernstig te beschadigen. Hoe kan men partijen, die een behoorlijk aantal of zelfs een meerderheid van stemmen behalen, eeuwig in de oppositie houden zonder zichzelf in diskrediet te brengen en verstrikt te raken in onontwarbare tegenspraken in de argumentatie? Bovendien is de democratie niet alleen een ideologie maar een zeer efficiënt middel tot klasseheerschappij - niet in het minst omdat ze in staat is om de nieuwe politieke impulsen, die uit de samenleving als geheel komen, te herkennen en zich daaraan aan te passen.

Dit is het kader waarin de heersende klasse vandaag, met het oog op de huidige krachtsverhouding met het proletariaat, het perspectief naar voren brengt van een mogelijke populistische deelname in de regering. De huidige tendensen wijzen erop dat de grote bourgeoisie zelf niet denkt dat zo’n optie, met een nog onverslagen arbeidersklasse, noodzakelijkerwijs wordt uitgesloten.

Om te beginnen betekent deze mogelijkheid niet de afschaffing van de burgerlijke parlementaire democratie, zoals het geval was in Italië, Duitsland of Spanje na de nederlaag van het proletariaat. Zelfs in Oost-Europa hebben de bestaande rechtse populistische regeringen vandaag niet geprobeerd andere partijen uit te sluiten of een systeem van concentratiekampen op te zetten. Dergelijke maatregelen zouden inderdaad niet worden geaccepteerd door de huidige generatie arbeiders, vooral in de westerse landen, en misschien zelfs niet in Polen of Hongarije.

Maar bovendien, en anderzijds, is de arbeidersklasse, hoewel niet definitief historisch verslagen, momenteel verzwakt op het vlak van haar klassebewustzijn, haar strijdvaardigheid en haar klasse-identiteit. De achterliggende historische context is hier vooral de nederlaag van de eerste wereldwijde revolutionaire golf aan het einde van de Eerste Wereldoorlog en de diepte en de lengte van de contrarevolutie, die daarop volgde.

In dit verband is de eerste reden voor deze verzwakking (gelegen in) het onvermogen van de klasse om in haar defensieve strijd, op dit moment, een adequaat antwoord te vinden op de huidige stand van het staatskapitalistische beheer, dat van ‘globalisering’. In hun defensieve strijd hebben de arbeiders, terecht, het gevoel dat ze direct geconfronteerd worden met het wereldkapitalisme als geheel. Want vandaag de dag is niet alleen de handel en het handelsverkeer geglobaliseerd maar ook - voor het eerst – de productie. De bourgeoisie kan snel antwoorden op elke proletarisch verzet op lokaal of nationaal niveau door productie naar elders over te brengen. Dit schijnbaar overweldigend instrument van de disciplinering van de arbeid kan alleen doeltreffend worden tegengegaan door internationale klassenstrijd, een niveau van strijd die de klasse niet bij machte is te bereiken in de nabije toekomst.

De tweede reden voor deze verzwakking is (gelegen in) het onvermogen van de klasse om haar gevechten, na de eerste impuls van 1968/1969, te blijven politiseren. Het resultaat is de afwezigheid in de ontwikkeling van een perspectief op een beter leven of een betere samenleving voor de huidige fase van ontbinding. In het bijzonder de ineenstorting van de Stalinistische regimes in Oost-Europa leek die onmogelijkheid van een alternatief voor het kapitalisme te bevestigen.

Gedurende een korte periode, misschien van 2003 tot 2008 zagen we gevoelige, relatief onopvallende eerste tekenen van een begin van een proletarisch herstel van deze tegenslagen, een proces dat noodzakelijkerwijs lang en moeizam is. Met name de kwestie van de klassesolidariteit, niet in het minst tussen de generaties, begon te worden gesteld. De anti-CPE [5] beweging van 2006 was het hoogtepunt van deze fase, omdat ze erin slaagde de Franse bourgeoisie terug te dringen en omdat het voorbeeld en succes van deze beweging delen van de jeugd in andere Europese landen inspireerden, waaronder Duitsland en Groot-Brittannië.

Maar deze eerste kwetsbare kiemen van een mogelijk proletarische herstel werden weldra in de knop  gebroken door een derde negatieve golf van gebeurtenissen van historische betekenis na 1968. Dit betekende een derde tegenslag voor het proletariaat: de economische crisis van 2007-2008, gevolgd door de huidige golf van oorlogsvluchtelingen en andere migranten - de grootste golf sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog.

De bijzonderheid van de crisis van 2007/2008 was dat het begon als een financiële crisis van enorme proporties. Daardoor was voor miljoenen arbeiders een van de ergste gevolgen, in sommige gevallen zelfs de belangrijkste, niet de directe loonsverlagingen, belastingverhogingen of massale ontslagen opgelegd door de ondernemers en de staat, maar het verlies van de eigen woning, de spaargelden, de verzekeringsgelden, enzovoort. Deze verliezen doen zich, in financieel opzicht, voor als die van de burgers van de burgerlijke samenleving, niet als iets specifieks voor de arbeidersklasse. De oorzaken blijven onduidelijk, en begunstigen dus de personalisering en de complottheorieën.

De bijzonderheid van de vluchtelingencrisis is dat deze plaatsvindt in het kader van ‘Fort Europa’ (en Fort Noord-Amerika). In tegenstelling tot de jaren 1930, gaat de kapitalistische crisis sinds 1968 gepaard met een internationaal staatskapitalistische beheer onder leiding van de bourgeoisie van de oude kapitalistische landen. Als gevolg daarvan, na bijna een halve eeuw van chronische crisis, schijnen West-Europa en Noord-Amerika nog steeds bolwerken te zijn van vrede, welvaart en stabiliteit, althans in vergelijking met de ‘wereld daarbuiten’. In een dergelijke context is het niet alleen de vrees voor de concurrentie van de immigranten die delen van de bevolking alarmeren, maar ook de vrees dat de chaos en de wetteloosheid - die wordt begrepen als iets dat van buiten komt - samen met vluchtelingen toegang zullen krijgen tot de ‘beschaafde’ wereld. Bij de huidige omvang van het klassebewustzijn is het voor de meeste arbeiders te moeilijk om te begrijpen dat zowel het chaotische barbarendom van de kapitalistische periferie als zijn toenemende inbreuk op de centrale landen het resultaat zijn van het wereldkapitalisme en de politiek van de leidende kapitalistische landen zelf.

Deze context van de financiële crisis, de Eurocrisis en daarna de vluchtelingencrises hebben op dit moment de eerste embryonale pogingen tot vernieuwing van de klassesolidariteit al in de kiem gesmoord. Dit is wellicht, ten minste ten dele, de reden waarom de strijd van de Indignados, hoewel die langer duurde en in sommige opzichten zich meer diepgaand leek te ontwikkelen dan de anti-CPE beweging, er niet in geslaagd is de aanvallen in Spanje te stoppen. Daardoor konden deze zo gemakkelijk door de bourgeoisie worden misbruikt om een nieuwe linkse politieke partij te scheppen: Podemos.

Het belangrijkste gevolg, op politieke niveau, van deze nieuwe golf van teruggang in solidariteit vanaf 2008 tot nu toe, is de versterking van het populisme. Dit laatste is niet alleen een symptoom van een verdere verzwakking van het klassebewustzijn en de strijdvaardigheid van het proletariaat, maar vormt er zelf een actieve factor van. Niet alleen omdat populisme is doorgedrongen in de rangen van het proletariaat. Eigenlijk verzetten de centrale sectoren van de klasse zich nog krachtig tegen deze invloed, zoals het Duitse voorbeeld illustreert. Maar ook omdat de bourgeoisie profiteert van deze heterogeniteit van de klasse om het proletariaat verder te verdelen en in verwarring te brengen. Vandaag lijken wij een situatie te naderen die, op het eerste gezicht, bepaalde overeenkomsten heeft met 1930. Natuurlijk is het proletariaat in geen van de centrale landen, noch politiek noch fysiek verslagen, zoals toentertijd in Duitsland gebeurde. Daardoor kan het anti-populisme niet exact dezelfde rol spelen als die van het antifascisme in de jaren 1930. Het schijnt een kenmerk te zijn van de fase van de ontbinding dat dergelijke valse alternatieven zichzelf minder scherp geprofileerd voordoen dan voorheen. Desalniettemin was er in een land als Duitsland, acht jaar geleden een kleine minderheid van zoekende jongeren, die onder invloed van de leuze ‘weg met het kapitalisme, de natie en de staat’, de eerste stappen zette tot politisering. Tegenwoordig vindt deze politisering plaats bij de verdediging van de vluchtelingen en de ‘gastvrije cultuur’ in confrontatie met de neo-nazi's en de rechtse populisme.

In de gehele periode vanaf 1968 werd het gewicht van antifascisme tenminste afgezwakt door het feit dat de concrete manifestatie van het fascistische gevaar in het verleden lag of werd vertegenwoordigd door min of meer gemarginaliseerde rechtse extremisten. Vandaag levert de opkomst van het rechtse populisme als een potentieel massaverschijnsel aan de ideologie van de verdediging van de democratie een nieuw, veel tastbaarder en belangrijke doel, waartegen zij kan mobiliseren.

We zullen dit deel besluiten met het argument dat de huidige groei van het populisme en de invloed ervan op het kleinburgerlijke politiek als geheel mede is mogelijk gemaakt door de huidige zwakheid van het proletariaat.

Het huidige debat binnen de bourgeoisie over de opkomst van populisme

Hoewel het debat binnen de bourgeoisie over hoe om te gaan met een heroplevend populisme slechts begint, kunnen we nu al een aantal parameters opnoemen die naar voren worden gebracht. Als we kijken naar het debat in Duitsland - het land waar de bourgeoisie misschien wel het meest bewust en waakzaam is ten aanzien van dergelijke kwesties - kunnen we drie aspecten identificeren.

Allereerst dat het een fout is van de ‘democraten’ om te proberen populisme te bestrijden door zijn taal en voorstellen over te nemen. Volgens dit argument was het deze vorm van kopiëren van de populisten die gedeeltelijk het fiasco verklaart van de regeringspartijen bij de recente verkiezingen in Oostenrijk, en die helpt de mislukking te verklaren van de traditionele partijen in Frankrijk om de opmars van de FN te stoppen. De populistische kiezers verkiezen het origineel boven een kopie. In plaats van toegevingen te doen, zeggen zij, is het noodzakelijk de nadruk te leggen op de tegenstellingen tussen het ‘grondwettelijk patriottisme’ en het ‘chauvinistische nationalisme’, tussen de kosmopolitische openheid en vreemdelingenhaat, tussen tolerantie en autoritarisme, tussen moderniteit en conservatisme, tussen humanisme en barbaarsheid. Volgens deze argumentatie zijn de westerse democratieën tegenwoordig ‘volwassen’ genoeg om het hoofd te bieden aan het moderne populisme, en tegelijkertijd een meerderheid te behouden voor ‘democratie’ wanneer ze hun standpunten op een ‘offensieve’ manier naar voren brengen. Dit is bijvoorbeeld het standpunt van de huidige Duitse Bondskanselier Angela Merkel.

Ten tweede is erop aangedrongen dat de kiezers opnieuw het verschil tussen rechts en links moeten kunnen herkennen, om de huidige indruk van een kartel van de gevestigde partijen te corrigeren. Dit idee, vermoeden we, was al de reden voor de voorbereiding, in de afgelopen twee jaar, door de CDU-SPD coalitie [6] van een mogelijke toekomstige christen-democratische samenwerking met de Groenen, na de volgende parlementsverkiezingen. Het verlaten van kernenergie na de ramp van Fukushima, niet aangekondigd in Japan maar in Duitsland, en de recente euforische steunbetuigingen van de Groenen voor een ‘gastvrije cultuur’ voor vluchtelingen die niet wordt geassocieerd met het SPD maar met Angela Merkel, waren de belangrijkste stappen in deze strategie. Maar de huidige onverwacht snelle verkiezingssuccessen van AfD vormt een bedreiging voor de verwezenlijking van een dergelijke strategie (de huidige poging om de liberale FDP [7] in het parlement terug te brengen is misschien een antwoord hierop, aangezien deze partij uiteindelijk zou kunnen deelnemen aan een ‘Zwart-Groene’ coalitie). De SPD, de partij die in Duitsland de ‘neoliberale revolutie’ leidde met haar Agenda 2010 onder Schröder, zou dan een meer ‘linkse’ opstelling kunnen aannemen. In tegenstelling tot de Angelsaksische landen, waar de rechtse conservatieven onder Thatcher en Reagan de nodige ‘neoliberale maatregelen’ oplegden, moest in vele landen van het Europese vastenland links (als de meer politieke, verantwoordelijke en gedisciplineerde partij) deelnemen of zelfs leiding geven aan de tenuitvoerbrenging daarvan.

Vandaag is duidelijk geworden dat de noodzakelijke fase van de neoliberale mondialisering werd vergezeld door uitwassen die vroeg of laat zullen moeten worden gecorrigeerd. Dit was vooral het geval na 1989, toen de ineenstorting van de Stalinistische regimes op een verpletterende wijze alle ordo-liberale [8] stellingen over de ongeschiktheid van een staatskapitalistische bureaucratie om de economie te leiden, leken te bevestigen. Door weldenkende burgerlijke commentatoren wordt nu steeds meer op dergelijke uitwassen gewezen. Het is bijvoorbeeld absoluut niet onontbeerlijk voor het voortbestaan van het kapitalisme dat een klein deel van de samenleving vrijwel alle rijkdom bezit. Dit kan schadelijk zijn, niet alleen maatschappelijk en politiek, maar ook economisch, omdat de zeer rijken, in plaats van het leeuwendeel van hun rijkdom te besteden, zich vooral bezorgd maken over het behoud van zijn waarde, de speculatie dus doen toenemen en de koopkracht afremmen. Het is evenmin absoluut noodzakelijk voor het kapitalisme dat de concurrentie tussen landen, naar de huidige omvang, de vorm aanneemt van een verlaging van de belastingen en de rijksbegroting, zodat de overheid niet langer de noodzakelijke investeringen kan doen. Met andere woorden, de bedoeling is dat door een eventuele terugkeer van een soort neo-Keynesiaanse correctie, links, zowel in zijn traditionele vorm als via nieuwe partijen zoals Syriza in Griekenland of Podemos in Spanje, misschien weer een bepaalde materiële basis herwint om als alternatief te dienen voor het ordo-liberale conservatieve rechts.

Het is wel belangrijk op te merken dat de hedendaagse overdenkingen binnen de heersende klasse over een mogelijke toekomstige rol van links niet in de eerste plaats zijn ingegeven door (een onmiddellijke) angst voor de arbeidersklasse. Sterker nog, veel elementen van de huidige situatie in de belangrijkste kapitalistische centra wijzen erop dat het probleem van het populisme, op dit moment, het voornaamste aspect is dat de politiek van de heersende klasse bepaalt.

Het derde aspect is dat de CSU [9], de ‘zuster’ partij van de CDU van Merkel, net als de Britse conservatieven rond Boris Johnson, denkt dat delen van het traditionele partij-apparaat zelf elementen van de populistisch politiek moeten gaan toepassen. We moeten echter constateren dat de CSU niet langer de uitdrukking van traditionele Beierse, kleinburgerlijke achterlijkheid is. Integendeel, samen met de aangrenzende zuidelijke provincie Baden-Württemberg, is Beieren momenteel economisch gezien het meest moderne deel van Duitsland, de ruggengraat van de high-tech en de exportindustrie, de productiebasis voor bedrijven zoals Siemens, BMW of Audi.

Deze derde optie, die wordt gepropageerd in München, botst natuurlijk met het eerste hierboven genoemde uitspraak van Angela Merkel. En de huidige frontale confrontatie tussen de twee partijen zijn niet alleen verkiezingsmanoeuvres of de uitdrukking van (reële) verschillen tussen bepaalde economische belangen, maar ook verschillen in aanpak. Gezien de huidige vastberadenheid van de kanselier om niet van gedachten te veranderen, zijn bepaalde vertegenwoordigers van de CSU zelfs al begonnen ‘luidop te denken’ om tijdens de volgende algemene verkiezingen in andere delen van Duitsland hun eigen kandidaten naar voren te schuiven tegen de CDU.

Het idee van de CSU, net als dat van delen van de Britse conservatieven, is dat het in zekere zin onvermijdelijk is geworden, dat populistische maatregelen worden genomen. En dan is het beter dat zij worden genomen door een ervaren en verantwoordelijke partij. Op deze wijze kunnen dit soort onverantwoorde maatregelen enerzijds ten minste worden beperkt en anderzijds gecompenseerd door extra maatregelen.

Ondanks de werkelijke wrijving tussen Merkel en Seehofer, zoals tussen Cameron en Johnson, mogen we niet voorbijgaan aan de arbeidsverdeling tussen beiden (een deel dat ‘op een offensieve manier’ de democratische waarden verdedigt, een ander deel dat de geldigheid van de ‘democratische uitdrukking van woedende burgers’ erkent).

In ieder geval, wat dit taalgebruik over het geheel genomen laat zien, is dat de grootste fracties van de bourgeoisie zich beginnen te verenigen over het idee van een zekere mate van regeringsdeelname van de populistische partijen, zoals dat nu al deels wordt beoefend door de Brexitaanhangers in de Tory Partij of door de CSU.

Populisme en Ontbinding

Zoals we gezien hebben, is er en blijven de belangrijkste fracties van de bourgeoisie in West-Europa en Noord-Amerika er een enorme terughoudendheid hebben ten opzichte van het populisme. Wat zijn de oorzaken? Hoe dan ook stellen deze bewegingen geenszins het kapitalisme in vraag. Niets van wat ze propageren is vreemd aan de wereld van de bourgeoisie. In tegenstelling tot het stalinisme, stelt het populisme zelfs niet de huidige vormen van kapitalistisch eigendom in vraag. Het is natuurlijk een ‘oppositionele’ beweging. Maar ja, in zekere zin, waren de sociaaldemocratie en stalinisme dat ook, maar dit verhinderde hen niet om op verantwoordelijke wijze deel te nemen aan de regeringen van de leidende kapitalistische staten.

Om deze terughoudendheid te begrijpen is het noodzakelijk om hier te erkennen dat er een fundamentele verschil is tussen het hedendaagse populisme en de linkse fracties van het kapitaal. Links, zelfs wanneer zij geen voormalige organisaties van de arbeidersbeweging zijn (De Groenen bijvoorbeeld), en hoewel ze de beste vertegenwoordigers van het nationalisme en de beste krachten kunnen zijn om het proletariaat te mobiliseren voor oorlog, baseren hun aantrekkingskracht op de propaganda van voormalige of vervormde idealen van de arbeidersbeweging, of in ieder geval van de burgerlijke revolutie. Anders gezegd, zo chauvinistisch en zelfs antisemitisch als ze kunnen zijn, ontkennen ze in principe niet de ‘broederschap van de mensheid’ en de mogelijkheid tot verbetering van de toestand in de wereld als geheel. In feite beweren zelfs de meest openlijk reactionaire neo-liberale radicalen dit doel na te streven. Dit is ook noodzakelijk. Vanaf het begin was de bewering van de bourgeoisie, dat ze de waardige vertegenwoordiger is van de maatschappij als geheel, altijd op dit perspectief gebaseerd.

Niets van dit alles betekent dat de linkse fracties van het kapitaal, als onderdeel van de verrotte maatschappij, niet ook racistisch, antisemitisch vergif vooropstellen van hetzelfde soort als de rechtse populisten!

In tegenstelling daarmee belichaamt het populisme de verloochening van een dergelijke ‘ideaal’. Wat het propageert is de overleving van sommigen ten koste van anderen. Al hun arrogantie draait rond dit ‘realisme’, waar het zo trots op is. Als zodanig is het een product van de bourgeoisie en haar kijk op de wereld - maar vooral van haar ontbinding.

Ten tweede, de linkse fracties van het kapitaal propageren een min of meer samenhangend en realistisch economisch, politiek en sociaal programma voor het nationale kapitaal. Het probleem met politiek populisme daarentegen is dat het geen concrete voorstellen doet, maar dat het zowel het ene als het tegenovergestelde voorstelt, de ene politiek vandaag en de andere morgen. In plaats van een politiek alternatief, vertegenwoordigt het de ontbinding van de burgerlijke politiek.

Daarom, althans in de betekenis waarop het begrip hier wordt gebruikt, heeft het weinig zin om te spreken van het bestaan van een links populisme als een soort pendant van het rechtse.

Ondanks de overeenkomsten en parallellen, herhaalt de geschiedenis zich nooit. Het populisme van vandaag is niet hetzelfde als het fascisme van de jaren 1920 en 1930. Echter, fascisme toen en populisme nu hebben, in zekere zin, vergelijkbare oorzaken. Zo zijn beiden met name de uitdrukking van de ontbinding van de burgerlijke wereld. Met de historische ervaring van het fascisme en vooral met het Nationaal Socialisme daarna, is de bourgeoisie van de oude centrale kapitalistische landen zich vandaag terdege bewust van deze overeenkomsten en van het mogelijke gevaar dat het betekent voor de stabiliteit van de kapitalistische orde.

Parallellen met de opkomst van het Nationaal Socialisme in Duitsland

Het fascisme in Italië en Duitsland hadden enkele dingen gemeen: de overwinning van de contrarevolutie en de krankzinnige fantasie van de oplossing van de klassen in een mystieke gemeenschap na de voorafgaande nederlaag (voornamelijk door de wapens van de democratie en de linkerfracties van het kapitaal) van de revolutionaire golf. Gemeen hadden ze ook hun open betwisting van de imperialistische opdeling en de irrationaliteit van vele van hun oorlogsdoeleinden. Maar ondanks deze gelijkenissen (op basis waarvan de Bilan in staat was de nederlaag van de revolutionaire golf te erkennen en de verandering in het historische kader, waarmee de weg openlag voor de bourgeoisie om het proletariaat te mobiliseren voor de wereldoorlog), loont het de moeite - teneinde een beter inzicht te krijgen in de huidige populisme - om nader in te gaan op enkele van de bijzonderheden van toenmalige historische ontwikkelingen in Duitsland, alsmede op de verschillen met het veel minder irrationele Italiaanse fascisme.

Ten eerste, het dooreenschudden van de gevestigde autoriteit van de heersende klasse, en het verlies aan vertrouwen van de bevolking in het traditionele politieke, economische, militaire, ideologische en morele leiderschap ging veel dieper dan ergens anders (behalve Rusland), aangezien Duitsland de grote verliezer was van de Eerste Wereldoorlog en opkrabbelde uit het in een toestand van economische, financiële en zelfs fysieke uitputting.

Ten tweede was er in Duitsland, veel meer dan in Italië, een echte revolutionaire situatie ontstaan. De manier waarop de bourgeoisie in staat was dit potentieel al in een vroeg stadium in de kiem te smoren moet ons niet de diepte van dit revolutionaire proces doen onderschatten alsmede de intensiteit van de verwachtingen en verlangens die het deed ontwaken, en die het vergezelde. Het koste de Duitse en de wereldbourgeoisie bijna 6 jaar, tot 1923, om alle sporen van deze beroering te liquideren. Vandaag de dag is het voor ons moeilijk om een beeld te vormen van de mate van teleurstelling die door deze nederlaag werd veroorzaakt en de bitterheid die ze in haar kielzog naliet. Het verlies aan vertrouwen van de bevolking in haar eigen heersende klasse werd spoedig gevolgd door de veel gruwelijker ontreddering van de arbeidersklasse over zijn eigen (voormalige) organisaties (sociaal-democratie en vakbonden) en de ontgoocheling over de jonge KPD [10] en de Kommunistische Internationale.

Ten derde speelde de economische rampspoed een veel centralere rol in de opkomst van het Nationaal Socialisme dan het geval was met het fascisme in Italië. De hyperinflatie van 1923 in Duitsland (en elders in Midden-Europa) ondermijnde het vertrouwen in de valuta als de universele equivalent. De grote depressie, die begon in 1929, vond dus pas zes jaar na het trauma van hyperinflatie plaats. Niet alleen raakte de grote depressie een werkende klasse in Duitsland waarvan het klassebewustzijn en het militantisme al waren neergeslagen; de manier waarop de massa’s, deze nieuwe episode van de economische crisis mentaal en emotioneel ervoeren was in belangrijke mate gewijzigd, geprefabriceerd, om zo te zeggen, door de gebeurtenissen van 1923.

De crises, in het bijzonder in de periode van de verval van het kapitalisme, raken elk aspect van het economische (en sociale) leven. Het zijn crises van (over)productie - van kapitaal, grondstoffen en arbeidskracht - en van toe-eigening en ‘distributie’, financiële en monetaire speculatie en crashes inbegrepen. Maar in tegenstelling tot uitingen van de crisis, die meer opduiken op de plaats van productie, zoals ontslag en looninlevering, zijn de negatieve gevolgen voor de bevolking op de financiële en monetaire terreinen veel abstracter en duister. Toch  kunnen hun effecten ook rampzalig zijn voor delen van de bevolking, net als hun gevolgen zelfs een meer wereldwijd karakter kunnen aannemen, en zichzelf sneller verspreiden dan diegene die dichter op de plaats van de productie zelf plaatsvinden. Met andere woorden, terwijl de laatstgenoemde uitingen van de crisis ertoe neigen om de ontwikkeling van klasse-bewustzijn te begunstigen, neigen uitingen op het financieel en monetair terrein er vaak toe het tegenovergestelde te doen. Zonder de steun van het marxisme is het niet eenvoudig om zicht te krijgen op de reële verbanden tussen bijvoorbeeld een financiële crash in Manhattan en de het gevolg ervan met betrekking tot een tekort van een verzekeringsmaatschappij of zelfs van een staat op een ander continent. Zulke dramatische systemen van wederzijdse afhankelijkheid, blindelings gecreëerd tussen landen, bevolkingsgroepen, maatschappelijke klassen, welke opereren achter de rug van de hoofdrolspelers, leidt gemakkelijk tot individualisering en sociale paranoia. Dat de recente verscherping van de crisis van het kapitalisme ook een financiële en bankencrisis was, gekoppeld aan speculatieve zeepbellen en hun uitbarsting, is niet alleen maar burgerlijke propaganda. Dat een speculatieve foute manoeuvre in Tokio of New York de ineenstorting kunnen veroorzaken van een bank in IJsland, of de onroerendgoedmarkt in Ierland dooreenschudden is geen fictie maar werkelijkheid. Alleen het kapitalisme creëert zo’n levenbedreigende wederzijdse afhankelijkheid tussen mensen, die volledig onverschillig tegenover elkaar staan, tussen hoofdrolspelers die zich niet eens bewust van zijn het bestaan van de ander. Het is heel moeilijk voor mensen om met dergelijke niveaus van abstractie om te gaan, zowel intellectueel als emotioneel. Eén manier om dit het hoofd te bieden is personalisering, het negeren van de echte mechanismen van het kapitalisme: het is allemaal de schuld van boze krachten die ons opzettelijk schade berokkenen. Het is daarom des te belangrijker om dit onderscheid te begrijpen tussen deze verschillende soorten aanvallen, omdat het vandaag niet langer voornamelijk de kleinburgerij en de zogenaamde middenklasse zijn die hun spaargeld verliezen, zoals in 1923, maar miljoenen arbeiders die proberen om hun eigen huizen te bezitten of al bezitten, spaargeld hebben, verzekeringenpolissen, enzovoort.

In 1932 werd de Duitse bourgeoisie, die zich reeds had voorgenomen om de oorlog te beginnen, met name tegen Rusland, geconfronteerd met een Nationaal Socialisme dat inmiddels een echte massale volksbeweging was geworden. Tot op zekere hoogte was de bourgeoisie in de val getrapt, de gevangene van een toestand die ze grotendeels zelf had geschapen. Zij had ervoor kunnen kiezen om een oorlog te voeren onder een sociaaldemocratische regering, met steun van de vakbonden, met een mogelijke coalitie met Frankrijk en zelfs Groot-Brittannië, aanvankelijk zelfs als junior partner. Maar dit zou hebben geleid tot een confrontatie of althans een neutralisering van de Nazistische beweging, die niet alleen te groot was geworden om in te tomen, maar vooral ook dat deel van de bevolking hergroepeerde dat verlangde naar de oorlog. In deze situatie heeft de Duitse bourgeoisie de fout begaan te geloven dat ze naar believen gebruik zou kunnen maken van de Nazistische beweging.

Het nationaalsocialisme was niet zomaar een regime van terreur, uitgeoefend door een kleine minderheid tegen de rest van de bevolking. Het had een massabasis van zichzelf. Het was niet alleen een instrument van kapitaal opgelegd aan de bevolking. Het was ook het omgekeerde: een blind instrument van een geatomiseerd, verpulverde en paranoïde massa die haar wil wilde opleggen aan het kapitaal.

Het nationaalsocialisme was dus voorbereid, voor een belangrijk deel door het ingrijpende verlies van vertrouwen van grote delen van de bevolking in de autoriteit van de heersende klasse en haar vermogen om de maatschappij daadwerkelijk te beheren en een minimum aan fysieke en economische veiligheid voor haar burgers te verzekeren. De burgerlijke samenleving werd op haar grondvesten dooreen geschud, eerst door de Eerste Wereldoorlog en daarna door economische catastrofe: de hyperinflatie als gevolg van de wereldoorlog (aan de kant van de verliezers) en de Grote Depressie van 1930. Het epicentrum van deze crisis bestond uit de drie keizerrijken - de Duitse, de Oostenrijk-Hongaarse en Rusland - die allemaal waren ingestort onder de slagen van de nederlaag in de oorlog en de revolutionaire golf.

Terwijl de revolutie aanvankelijk slaagde in Rusland, mislukte zij in Duitsland en in het voormalige Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk. Bij het ontbreken van een proletarisch alternatief voor de crisis van de burgerlijke samenleving, ontstond er een diepe leegte, gecentreerd rond Duitsland en, laten we zeggen, het Europese vasteland ten noorden van het Middellandse-Zeegebied, maar met wereldwijde vertakkingen. Zo ontstond er een uitbarsting van geweld en pogroms gecentreerd rond het thema van het antisemitisme en het anti-Bolsjewisme, culminerend in de Holocaust en de massale liquidatie van hele bevolkingsgroepen, met name op het grondgebied van de USSR dat bezet was door Duitsland.

Ook de vorm van de contrarevolutie in de Sovjet-Unie speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van deze situatie. Hoewel er was helemaal niets proletarisch meer was aan het Stalinistische Rusland, joeg de gewelddadige onteigening van de boerenmassa's (de collectivisatie van de landbouw en de liquidatie van de ‘Koelakken’) schrik aan niet alleen bij de kleine eigenaren en spaarders in de rest van de wereld, maar ook bij vele grote eigenaars. Dit was vooral het geval in continentaal Europa, waar deze eigenaren (waaronder ook de bescheiden eigenaars van een eigen woningen), in tegenstelling tot de Britse en Amerikaanse tegenhangers, door afwezigheid van zeeën of oceanen onbeschermd stonden tegenover het ‘Bolsjewisme’. Ze hadden weinig vertrouwen in de toenmalige onstabiele Europese democratische of autoritaire regimes aan het begin van 1930 om hen te beschermen tegen onteigeningen als gevolg van de crisis of door het ‘Joodse Bolsjewisme’.

Uit deze historische ervaring kunnen we de conclusie trekken dat, als het proletariaat niet in staat is haar eigen revolutionair alternatief voor het kapitalisme naar voren te schuiven, het verlies aan vertrouwen in het vermogen van de heersende klasse om ‘haar werk doen’ uiteindelijk leidt tot een opstand, een protest, een explosie van een heel ander soort: één die niet bewust is maar blind, niet gericht op de toekomst maar op het verleden, niet gebaseerd op vertrouwen maar vrees, niet op creativiteit maar op vernielzucht en haat.

Een tweede vertrouwenscrisis in de huidige heersende klasse

Dit proces, dat we  zojuist hebben beschreven, was al de ontbinding van het kapitalisme. En het is heel begrijpelijk dat vele marxisten en andere scherpzinnige waarnemers van de maatschappij in 1930 verwachtten deze tendens snel de hele wereld zou overspoelen. Maar het bleek, dat dit slechts een eerste fase was van deze ontbinding, niet haar terminale fase.

Vooral drie factoren van historisch belang hebben deze tendens tot ontbinding teruggedrongen:

- In de eerste plaats de overwinning van de anti-Hitler-coalitie in Tweede Wereldoorlog, die het prestige van de Westerse democratie aanzienlijk verhoogde, met name van het Amerikaanse model enerzijds en ‘socialisme in één land’ en de Sovjet-model anderzijds ;

- Ten tweede het ‘economische wonder’ dat na de Tweede Wereldoorlog vooral plaatsvond in het Westerse blok.

Deze twee factoren waren de verdienste van de bourgeoisie. De derde was de verdienste van de arbeidersklasse: het einde van de contrarevolutie, de terugkeer van de klassenstrijd tot het middelpunt van de geschiedenis, en daarmee het opnieuw verschijnen (echter verward en kortstondig) van een revolutionair perspectief. De bourgeoisie van haar kant, reageerde op deze gewijzigde situatie niet alleen met de ideologie van reformisme, maar ook met echte materiële (uiteraard tijdelijk) toegevingen en verbeteringen. Dit alles versterkte, onder de arbeiders, de illusie dat het leven zou kunnen verbeteren.

Zoals we weten, leidde de patstelling tussen de twee belangrijkste klassen, de ene die niet in staat was om de veralgemeende oorlog te ontketenen, de andere die niet in staat was de strijd te bewegen naar een revolutionaire oplossing,  tot de huidige fase van ontbinding. Met de mislukking van de generatie van 1968 haar strijd verder te politiseren, luidden de gebeurtenissen van 1989, op wereldschaal, dus de huidige fase van ontbinding in. Maar het is zeer belangrijk te weten dat deze fase geen stagnatie vormt, maar een proces. 1989 werd vooral gekenmerkt door het mislukken van de eerste poging van het proletariaat opnieuw haar eigen revolutionaire alternatief te ontwikkelen. Na 20 jaar chronische crisis en verergering van de toestand van de arbeidersklasse en de wereldbevolking als geheel, was het prestige en de autoriteit van de heersende klasse ook aangetast, maar niet in dezelfde mate. Aan het einde van het millennium bestonden er nog belangrijke tegen-tendensen ter verbetering van de reputatie van de leidende burgerlijke elite. Wij zullen er drie noemen.

Ten eerste, de ineenstorting van het stalinisme in het Oostblok berokkende totaal geen schade aan het imago van de bourgeoisie van het voormalige Westerse blok. Integendeel, wat dit bleek te ontkrachten was de mogelijkheid van een alternatief voor het westerse democratische kapitalisme. Natuurlijk werd een deel van de euforie van 1989 snel verdreven door de werkelijkheid, zoals de illusie van een vreedzamere wereld. Maar het bleef een waarheid dat1989 tenminste het zwaard van Damocles, de permanente dreiging van wederzijdse genocide in een nucleaire derde wereldoorlog, was opgeheven. Ook na 1989 konden de Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende Koude Oorlog tussen Oost en West, achteraf, op een geloofwaardige wijze worden voorgesteld als het product van de ‘ideologie’ en het ‘totalitarisme’ (dus het probleem van het fascisme en ‘kommunisme’). Op het ideologische vlak is het buitengewoon gelukkig voor de Westerse bourgeoisie dat Duitsland niet langer de nieuwe, min of meer openlijke, imperialistische uitdager is van de VS (tegenwoordig ook zelf ‘democratisch’) maar het ‘totalitaire China’, en dat een groot deel van de huidige regionale oorlogen en terroristische aanslagen kunnen worden toegeschreven aan ‘religieus fundamentalisme’.

Ten tweede maakte de fase van ‘globalisering’ van het staatskapitalisme, die reeds op voordien was doorgevoerd, een situatie mogelijk die zich na 1989 voordeed, een echte ontwikkeling van de productieve krachten mogelijk in wat tot dan toe de perifere landen van het kapitalisme waren. Natuurlijk vormen de BRICS landen [11] bijvoorbeeld allesbehalve een model van hoe mensen in de oude kapitalistische landen zouden willen leven. Maar aan de andere kant wekken ze de indruk van een dynamisch wereldkapitalisme. Vermeldenswaard is dat, gezien het belang van het vraagstuk van de immigratie voor het huidige populisme, deze landen op dit vlak worden beschouwd als een bijdrage aan de stabilisering van de situatie, omdat ze zelf miljoenen immigranten opvangen die anders wellicht naar Europa en Noord-Amerika zouden verhuizen.

Ten derde, de werkelijk adembenemende ontwikkelingen op technologisch niveau, die communicatie, onderwijs, geneeskunde, en het dagelijkse leven als geheel hebben gerevolutioneerd, wekken opnieuw de indruk van een bruisende samenleving (dit rechtvaardigt, tussen haakjes, ons eigen inzicht dat het verval van het kapitalisme niet betekent dat de ontwikkeling van de productiekrachten tot stilstand is gekomen of dat die van technologie is gestagneerd).

Deze factoren (en er zijn er waarschijnlijk meer) zijn er toch in geslaagd om sommige van haar effecten af te zwakken, hoewel ze de huidige fase van de ontbinding niet kunnen voorkomen (en daarmee reeds een eerste ontwikkeling van het populisme). In tegenstelling daarmee, wijst de huidige versterking de van ditzelfde populisme erop dat we wellicht bepaalde grenzen naderen van deze beperkende gevolgen, misschien zelfs wat we de opening zouden kunnen noemen van een tweede fase in de fase van ontbinding. Wij bepleiten dat deze tweede fase wordt gekenmerkt door een toenemend verlies, onder steeds meer delen van de bevolking, van vertrouwen in de bereidheid en capaciteit van de heersende klasse om hen te beschermen. Een proces van teleurstelling dat, in ieder geval voor het moment, niet proletarisch, maar diep anti-proletarisch is. Achter de financiën, de Euro en de vluchtelingencrises, die meer aansporende factoren dan werkelijke oorzaken zijn, is dit nieuwe stadium natuurlijk het resultaat van de decennialang geaccumuleerde gevolgen van dieper liggende factoren. Vooral eerst en vooral het ontbreken van een proletarisch revolutionair perspectief aan de ene kant. Aan de andere kant (dat van het kapitaal), is er zijn chronische economische crisis, maar ook de gevolgen van het steeds meer abstracte karakter van het functioneren van de burgerlijke maatschappij. Dit proces, inherent aan kapitalisme, liet een dramatische versnelling zien in de afgelopen drie decennia met de scherpe vermindering, in de oude kapitalistische landen, van de industriële en handenarbeid, en in het algemeen vervanging van lichamelijke activiteit door mechanisatie en de nieuwe media, zoals PC’s (personal computers) en Internet. Parallel hieraan is het middel van universele ruil grotendeels veranderd van metaal en papier in elektronisch geld, iets wat deel uitmaakt van een breder proces dat een radicale scheiding van het lichaam en zijn sensuele werkelijkheid impliceert.

Populisme en geweld

Aan de basis van de kapitalistische productiewijze ligt een zeer specifieke combinatie van twee factoren: economische mechanismen of ‘wetten’ (de markt) en geweld. Aan de ene kant: de voorwaarde voor de ruil van equivalenten is het afzien van geweld: ruil in plaats van diefstal. Bovendien is de arbeidsmarkt de eerste vorm van exploitatie waar de verplichting tot arbeid en de motivatie in het arbeidsproces zelf, in wezen een economisch is in plaats van opgelegd door directe fysieke kracht. Aan de andere kant, is in het kapitalisme het hele systeem van gelijkwaardige uitwisseling gebaseerd op een originele niet-equivalente ruil - de gewelddadige scheiding van de producenten van de productiemiddelen (‘primitieve accumulatie’), wat de voorwaarde is voor het systeem van loonarbeid, en dat is een permanent proces in het kapitalisme, aangezien de accumulatie zelf een min of meer gewelddadig proces is (zie het boek van Luxemburg; ‘De Accumulatie van Kapitaal’). Deze permanente aanwezigheid van beide polen van deze tegenspraak (geweld en het afzien van geweld) en de ambivalentie die dit schept, doordringt het hele leven in de burgerlijke samenleving. Zij begeleidt iedere daad van ruil, waar het alternatief van diefstal altijd aanwezig is. Inderdaad, een maatschappij die tot in de wortel gebaseerd is op ruil, en daardoor afstand doet van geweld, moet dit afzien ervan afdwingen met de dreiging van geweld, en niet alleen met bedreiging - met het daadwerkelijke gebruik van zijn wetten, grechtsapparaten, politie, gevangenissen, enzovoort. Deze tweeslachtigheid is altijd aanwezig in het bijzonder in de ruil tussen loonarbeid en kapitaal, waar de economische dwang door fysieke kracht wordt aangevuld. Het is vooral aanwezig overal waar het instrument van geweld bij uitstek van de burgerlijke maatschappij - de staat - direct bij betrokken is. In zijn relatie met zijn eigen burgers (dwang en afpersing) en met andere staten (oorlog), is het een instrument van de heersende klasse om diefstal en chaotisch geweld zelf te onderdrukken, en tegelijkertijd de algemene, gesanctioneerde roof te laten plaatsvinden.

Eén van de steunpunten van deze tegenspraak en tweeslachtigheid tussen geweld en ‘afzien van geweld’ in de burgerlijke maatschappij ligt in elk van zijn individuele subjecten. Een normaal, functioneel leven leiden in de huidige tijd, vereist het afzien van een overdaad, van een hele wereld van lichamelijke, emotionele, intellectuele, morele, artistieke, creatieve behoeften. Zodra het rijpe kapitalisme is overgegaan van het stadium van het formele tot dat van de echte overheersing, wordt dit afzien in eerste instantie niet meer hoofdzakelijk afgedwongen door extern geweld. Inderdaad wordt elk individu min of meer bewust geconfronteerd met de keus of zich aan te passen aan het abstracte functioneren van deze maatschappij of een ‘loser’ (pechvogel) te worden, en misschien in de goot te belanden. Discipline wordt zelfdiscipline, maar zodanig dat elk individu de onderdrukker van zijn eigen essentiële behoeften wordt. Natuurlijk bevat dit proces van zelfdisciplinering ook een potentieel voor emancipatie, voor het individu en vooral voor het proletariaat als geheel (als zelfgedisciplineerde klasse bij uitstek) om meester van zijn eigen lot te worden. Maar momenteel, in het ‘normale’ functioneren van de burgerlijke maatschappij, is deze zelfdiscipline hoofdzakelijk het verinnerlijken van het kapitalistisch geweld. Omdat dit het geval is, sluimert daar ook een andere optie naast de proletarische optie van de transformatie van deze zelfdiscipline in een middel tot realisering, de revitalisering van de menselijke behoeften en de creativiteit, namelijk die van blinde omkering van het verinnerlijkte geweld naar buiten toe. De burgerlijke maatschappij heeft altijd een ‘buitenstaander’ nodig en biedt hem ook aan om die zelfdiscipline te handhaven bij degenen die er zogenaamd bij horen. Vandaar dat de blinde veruiterlijking van het geweld door de burgerlijke subjecten (dat wil zeggen: voorbestemd of ‘gemaakt’ om zo te doen) zichzelf ‘spontaan’ tegen dergelijke buitenstaanders keert (pogromisme). [12]

Wanneer de open crisis van de kapitalistische maatschappij een bepaalde intensiteit bereikt, wanneer het gezag van de heersende klasse wordt beschadigd, wanneer burgerlijke individuen beginnen te twijfelen aan de capaciteit en de vastbeslotenheid van de autoriteiten om hun werk te doen, en in het bijzonder hen te beschermen tegen een wereld van gevaren, en wanneer een alternatief - dat slechts kan komen van het proletariaat - ontbreekt, beginnen delen van de bevolking te protesteren en zelfs te revolteren tegen de heersende elite, niet met het doel hun heerschappij uit te dagen, maar om hen te verplichten om hun eigen ‘respectabele’ burgers tegen ‘buitenstaanders’ te beschermen. Deze lagen van de samenleving ervaren de crisis van het kapitalisme als een conflict tussen de twee onderliggende grondbeginselen: tussen de markt en het geweld. Populisme is de optie voor geweld om de problemen op te lossen die de markt niet kan oplossen, en zelfs voor het oplossen van de problemen van de markt zelf. Bijvoorbeeld, als de wereldarbeidsmarkt de arbeidsmarkt van de oude kapitalistische landen dreigt te overspoelen met een golf van ‘havelozen’, dan is het hun oplossing om hekken plaatsen en politie aan de grens te posteren en iedereen neer te schieten die zonder toestemming probeert de grens over te steken.

Achter populistische politiek loert de lust voor moord. De pogrom is het geheim van haar bestaan.

Steinklopfer / 8 Juni 2016

Voetnoten

[1] United Kingdom Independence Party

[2] De Duitse Democratische Republiek, het oude Oost-Duitse regime

[3] Trans-Atlantic Trade and Investment Partnership

[4] Freiheitliche Partei Österreichs (Oostenrijkse Vrijheidspartij)

[5] Contrat Premier Emploi: zie onze Stellingen over de studentenbeweging van lente 2006 in Frankrijk http://nl.internationalism.org/internationalerevue/200709/472/stellingen-over-de-studentenbeweging-van-lente-2006-frankrijk

[6] Christlich Demokratische Union Deutschlands, momenteel de regerende partij in Duitsland in een “grote coalitie”met de “socialistische” Sozialdemokratische Partei Deutschlands

[7] Freie Demokratische Partei, een “liberal-democratische” partij die voorheen de balans in evenwicht hield tussen SPD and CDU.

[8] De Duitse versie van het neo-liberalisme, dat de nadruk legde op de vrije markt, maar ook op de rol van de staat om de vrije markt te beschermen.

[9] Christlich-Soziale Union

[10] Kommunistische Partei Deutschlands, de Duitse sectie van de Derde Internationale

[11] Brazilië, Rusland, India, China, Zuid-Afrika

[12] Zie de geschriften van de Duitse onderzoeker van het anti-semitisme Detlev Claussen.