Migranten en vluchtelingen: slachtoffers van het kapitalisme (deel I)

See also :

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

“Eén ding is zeker: de wereldoorlog betekent een ommekeer voor de wereld. […] na de uitbarsting van de kapitalistische vulkaan, heeft het tempo van de ontwikkeling zo’n geweldige stoot gekregen, dat de hevigheid van de botsingen in de maatschappij, de reusachtige omvang van de taken die onmiddellijk voor het socialistische proletariaat oprijzen, dat de hele geschiedenis van de arbeidersbeweging tot nog toe slechts een tere idylle schijnt te zijn geweest.” (Rosa Luxemburg; Juniusbrochure, 1916)

De plotselinge en heftige opstoot van het kapitalisme in verval, zoals door Rosa Luxemburg ter sprake gebracht, wordt op treffende wijze bevestigd door het tragische lot van de burgerbevolking in de 20e eeuw, die onderworpen wordt aan gebeurtenissen van een ongekende omvang: opsluiting in kampen, verplaatsingen, deportaties en massale liquidaties. Het gecombineerde effect van oorlogen, economische crisis en onderdrukking in de vervalperiode van het kapitalisme heeft een irrationele dynamiek van blind geweld, pogroms, ‘etnische zuivering’ en een buitensporige militarisering veroorzaakt. De 20e eeuw is inderdaad één van de meest barbaarse eeuwen van de geschiedenis!

1914: een nieuw tijdperk van geweld tegen de bevolkingen

Het jaar 1914, met zijn chauvinistische hysterie, vormde het begin van een spiraal van geweld zonder weerga. De oorlogen in de voorbije maatschappijvormen leidden vaak tot plaatselijke moordpartijen en onderdrukking, maar zij veroorzaakten nooit massale uittochten, de verplaatsing van hele bevolkingen en de paranoïde obsessie om deze laatste tot iedere prijs te onderwerpen aan een absolute controle door de staat. De moderne oorlog is een totale oorlog geworden. Hij mobiliseert jarenlang de hele bevolking en de economische machine van de oorlogvoerende landen, brengt de menselijke arbeid van decennia terug tot niets, offert tientallen miljoenen levens op, en laat honderden miljoenen mensen te prooi aan de hongersnood. Zijn gevolgen blijven niet meer beperkt tot de veroveringen op zich maar leiden, met hun nasleep van verkrachtingen en plunderingen, tot reusachtige vernietigingen op wereldschaal.

De kapitalistische maatschappelijke verhoudingen hebben geleid tot de ontworteling, de ontvolking van het platteland. De totale oorlog voegde daaraan de mobilisatie toe van de hele burgermaatschappij ten dienste van het front of direct in de loopgraven. Het gaat hier om een echte kwalitatieve omslag. De bevolkingen, waaronder een belangrijk deel van de jeugd, werden met geweld verplaatst om elkaar als soldaten, zonder enige keuze, in een bloedbad te lijf te gaan. Voor de burgers, in het achterland, vormden de oorlogsinspanningen een hele aderlating en de gevangenen van de vijandige volkeren vonden elkaar terug in de eerste kampen. Hoewel er tijdens de Grote Oorlog nog geen sprake was van vernietigingskampen, kunnen wij niettemin al spreken van massale internering en deportatie. Iedere buitenlander was onmiddellijk verdacht. In het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld, werden buitenlanders op de renbaan van Newbury of op het eiland Man opgesloten.

In Duitsland werden krijgsgevangenen en burgers opgesloten in de kampen van Erfurt, Munster of Darmstadt. In Frankrijk waren er 70 interneringskampen op de westkust (zoals op de rede van Brest) en in zuidelijke departementen die gebruikt werden van 1914 tot 1920. Het ging om bestaande gebouwen of terreinen die omgeven waren door prikkeldraad en goed bewaakt werden. Het transport van het ene naar het andere kamp gebeurde reeds met veewagens en elke opstand werd met geweld neergeslagen. Onnodig te zeggen dat iedere kommunistische militant werd opgesloten, net zoals de vrouwen die ‘met de vijand heulden’ en andere ‘ongewensten’. Een kamp, zoals dat van Pontmain, maakte het mogelijk om Turken, Austro-Hongaren of Duitsers (die het talrijkst waren) op te sluiten. Het gaat hier om de voorbode van de wereld van de concentratiekampen, die in de jaren 1930 werd opgezet en haar hoogtepunt bereikte tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Xenofobe vooroordelen werden aangemoedigd, en tegelijkertijd werden inheemse bewoners van verafgelegen streken door ronselaars opgejaagd en naar Europa gebracht, waar ze met geweld ingelijfd werden om zich als lammeren te laten afslachten. Vanaf 1917-1918 worden, op bevel van Clemenceau in Frankrijk, 190.000 mensen uit de Maghreb naar het front gestuurd. 170.000 mannen uit West-Afrika, bekend als de ‘Senegalese scherpschutters’, werden in de meeste gevallen met geweld gemobiliseerd. Chinezen werden eveneens ingelijfd door Frankrijk en Groot-Brittannië. Groot-Brittannië zond ook Afrikanen en Indiërs naar de slachtbank (van het Indische subcontinent alleen al 1,5 miljoen). De oorlogvoerende machten, zoals ook de ‘wilde divisies’ uit de Kaukasus van het Russische leger laten zien, gebruikten al deze ‘inheemsen’ als gespecialiseerd kanonnenvoer voor de gevaarlijkste militaire ondernemingen. Behalve de geïmporteerde soldaten, waren ook meer dan 12 miljoenen Europeanen genoodzaakt ‘vluchteling’ te worden om de oorlog te ontvluchten.

De Armeense genocide en de vervolging van minderheden

De Armeense bevolking onderging een van de opvallendste tragedies van de oorlog, die als de eerste ware genocide van de 20e eeuw wordt beschouwd. In de loop van de 19e eeuw vormde de drang tot zelfstandigheid van de Armeniërs (net als die van de Grieken) al een van de voornaamste redenen voor vervolging door de Ottomanen. Een politieke beweging, genaamd de ‘Jonge Turken’, die zich bediende van een sterk nationalisme en van de Panturkse ideologie, bereidde deze verschrikkelijke catastrofe voor. Bestempeld als zondebokken tijdens de oorlog, met name na de nederlaag tegen de Russen, werden de Armeniërs het slachtoffer van een zorgvuldig geplande en geprogrammeerde slachtpartij, die plaatsvond tussen april 1915 en de herfst van 1916.

Nadat eerst de intellectuelen waren gearresteerd, werd de rest van de Armeense bevolking systematisch gedeporteerd en massaal door de Turkse staat uitgeroeid. De vrouwen en kinderen werden per boot vervoerd en buiten de kust verdronken of als slaven verkocht. De spoorwegen en de lijn naar Bagdad werd gebruikt voor de massale deportatie naar de woestijn of de kampen, waarvan sommige reeds waren gebruikt om mensen uit te roeien.

Een groot aantal Armeniërs stierf van dorst in de woestijn van Mesopotamië. Degenen die konden ontkomen aan de moordpartij werden miserabele vluchtelingen, waaronder duizenden wezen. Zij vormden een ware diaspora (een groot aantal zijn bijvoorbeeld naar de Verenigde Staten gegaan, waar vandaag nog een belangrijke gemeenschap bestaat). Dat alles werd natuurlijk zeer snel vergeten door de ‘grote democratieën’. Nochtans werden meer dan een miljoen Armeniërs vermoord!

De ineenstorting van de laatste grote rijken, tijdens deze verschrikkelijke oorlog, schiep een veelheid van nationalistische spanningen met even rampzalige gevolgen voor talrijke andere minderheden. De vorming van natie-staten, die voor de Eerste Wereldoorlog zijn einde vond, ging gepaard met een fragmentatie van de oude stervende imperiums. Dat was met name het geval voor het Austro-Hongaarse en Ottomaanse rijk, die samengesteld en opgedeeld waren als een mozaïek, en omgeven werden door een stel hongerige gieren: de Europese imperialistische machten.

In de strijd om hun eigen voortbestaan hebben deze geruïneerde imperiums, in een laatste opwelling, geprobeerd om hun grenzen te versterken, wanhopige militaire allianties af te sluiten, een uitwisseling van bevolkingen te bewerkstelligen, geforceerde pogingen tot assimilatie door te voeren, die leidden tot nog grotere verdeling en vormen van ‘etnische zuivering’. Het Grieks-Turks conflict, dat vaak werd voorgesteld als het gevolg van een ‘spontane’ reactie van Turkse menigten, werd perfect georkestreerd door de nieuwe ontluikende staat en zijn moderne leider Mustafa Kemal Atatürk. Hij vestigde een Turkse natie die een lange en moorddadige oorlog voerde tegen de Grieken.

Tijdens dit conflict hebben de Grieken ook plunderingen begaan; Griekse bendes trokken naar de Turkse dorpen, staken deze in brand en begingen allerlei gruweldaden tegen hun inwoners. Van hun kant begingen de Turkse strijdkrachten, tussen 1920 en 1923, eveneens allerlei soorten machtsmisbruik en wrede moordpartijen tegen de Grieken en Armeniërs. Vanaf het begin vonden volksverhuizingen plaats, van Grieken die in Turkije leefden en omgekeerd (1.300.000 Grieken verlieten Turkije en 385.000 Turken verlieten Griekenland). In 1923 bekrachtigde het verdrag van Lausanne deze gewelddadige praktijken door een geheel van administratieve maatregelen. Door deze officiële uitwisseling werden duizenden Grieken en Turken dus uitgewezen en een groot aantal onder hen is tijdens deze uittocht gestorven.

Breder bekeken was het niet verwonderlijk dat in deze omstandigheden, met dergelijke volksverplaatsingen en een concentratie van een verzwakte en hongerige bevolking over het gehele continent, het aantal haarden van besmettelijke ziekten sterk toenam. Centraal en Oost-Europa werd snel door vlektyfus getroffen. Nog spectaculairder was de wijze waarop de wereld getroffen werd door de ‘Spaanse griep’. Door de wijdverbreide verzwakking van de bevolking als gevolg van de oorlog, verspreidde deze epidemie zich als lopend vuur en veroorzaakte tussen de 40 en 50 miljoen doden. De ergste epidemie die voordien had plaatsgevonden, was die van cholera in de 19e eeuw. We moeten teruggaan tot de Middeleeuwen, tot de pest (de zwarte dood), om een epidemie van een dergelijke grote omvang (30% van de bevolking werd uitgeroeid) terug te vinden.

Deze barbaarse werkelijkheid kon alleen ontstaan doordat de arbeidersklasse was ingekapseld door het nationalisme en bevuild met het patriottisme. Maar geconfronteerd met deze gruwelijke omstandigheden richtte het proletariaat zich weer op, bewees door zijn kracht dat het als enige in staat is een einde te maken aan het bloedbad, door de oorlogsmachine tot staan te brengen. Als gevolg van de  muiterijen van 1917 en de revolutionaire golf die in Rusland begon, door de arbeidersopstanden in Duitsland (de muiterij van de zeelieden van Kiel in 1918 en de opstanden in de grote steden, zoals in Berlijn) waren de voornaamste oorlogvoerende naties genoodzaakt de wapenstilstand te ondertekenen. Geconfronteerd met de dreiging van een op handen zijnde wereldrevolutie moest er snel een einde gemaakt worden aan de oorlog.

De contra-revolutie : een ware mensenjacht en de start van een keten van pogroms

De heersende klasse had slechts één obsessie tegenover de desertie, de demobilisatie en vooral tegenover het gevaar van de sociale ontbranding: de verplettering van de haarden van de kommunistische revolutie. Om het proletariaat te verpletteren werd een nieuwe golf van geweld ontketend. Een diepe haat dreef de reactie ertoe bolsjewistisch Rusland te omsingelen met de troepen van de Entente. De ‘Witte Legers’ lanceerden een verschrikkelijke burgeroorlog. De legers van de kapitalistische staten van Europa, de Verenigde Staten en Japan maakten met hun oorlog tegen de arbeidersklasse in Rusland ontelbare slachtoffers. Een blokkade veroorzaakte grote hongersnood in Rusland zelf.

Het proletariaat was de gemeenschappelijke vijand van alle kapitalistische machten geworden. Tegenover de proletarische dreiging, moest men ‘samenwerken’. Maar in tegenstelling tot die van de zegevierende landen, had de bourgeoisie en vooral de kleinburgerij van de overwonnen landen, zoals in Duitsland, een diep gevoel een ‘dolksteek in de rug’ te hebben gekregen, ‘vernederd’ te zijn door de ‘vijand van binnenuit’. De drastische voorwaarden van het verdrag van Versailles versnelden de zoektocht naar zondebokken. Dit leidde tot de ontwikkeling van het antisemitisme en de ontketening een ware mensenjacht op de kommunistische leiders (zoals de openlijke jacht op de Spartakisten), die eveneens verantwoordelijk gehouden werden voor al het kwaad.

De climax daarvan vond plaats in 1919, tijdens de Commune van Berlijn en de reeks van uiterst wrede slachtpartijen die daarop volgden: Zo gingen de beulen aan het werk. Hele huizenblokken stortten in onder het vuur van de artillerie en de mortieren, waarbij hele families onder het puin werden bedolven. Andere arbeiders vielen voor hun woningen, op de binnenplaatsen van de  scholen, in de stallen, gefusilleerd, gedood onder de slagen van geweerkolven, doorboord door bajonetten, meestal aangegeven door anonieme verklikkers. Tegen de muur gezet, alleen, met z’n tweeën, in groepen van drie en meer; of afgemaakt met een schot in de nek, in het midden van de nacht, aan de oevers van de Spree. Wekenlang wierp de rivier lijken op de oevers.”  [1]

De reeks van nederlagen van de arbeiders werd onderstreept door de moord op de grote figuren van de arbeidersbeweging, waarvan Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht de beroemdste waren. De wrede repressie tegen elke vorm van oppositie in de jaren 1920 kon des te gemakkelijker plaatsvinden door de stalinistische contrarevolutie, door uitwijzingen en moorden, de oprichting van werk- en interneringskampen, de Goelags, waarbij jacht werd gemaakt op de revolutionairen en arbeiders, verdacht van ‘opruiing’, op een steeds systematischer wijze gevangen werden gezet.

In het kader van het verval van het kapitalisme en de context van deze contrarevolutie, leidde de haat ten opzichte van het kommunisme en de assimilatie met de staatloze Jood tot een kwalitatieve verandering van de antisemitische pogroms. In de 19e eeuw vonden er reeds een hele reeks pogroms plaats tegen de Joden, met name in Rusland, na de annexatie van Polen. Golven van geweld tegen de Joden waren bijvoorbeeld een terugkerend fenomeen in Odessa, in de eerste helft van de 19e eeuw. Tussen 1881 en 1884 leidden heftige pogroms tot moordpartijen. De plaatselijke bevolkingen werden opgejut en aangemoedigd door de autoriteiten om zich te goed te doen aan de plunderingen, verkrachtingen en moorden.

In 1903 trof een verschrikkelijk golf van pogroms de stad Kichinev, nadat de Joden op volledig irrationale en obscurantiste wijze ervan waren beschuldigd ‘rituele misdaden te begaan’. Van 1879 tot 1914 zijn bijna 2 miljoen Joden vluchteling geworden. Aan het begin van de jaren 1920 trof een nieuwe golf van pogroms Europa. Tijdens de burgeroorlog in Rusland werden tienduizenden Joden, met name in de Oekraïne en in Wit-Rusland, door de ‘Witte Legers’ afgeslacht, in het bijzonder door de troepen van Denikin. [2] In deze periode leidden de pogroms in het voormalige Russische keizerrijk tot de dood van 60.000 tot 150.000 Joden. [3]

De nederlaag van het proletariaat in Duitsland leidde tot toenemende spanningen jegens de Joden, net zoals een beetje overal in Europa, waardoor de eerste golven van exodus ontstonden. Het programma van NSDAP (de nazi-partij), dat van 24 februari 1920 dateert, kon zich dus permitteren te onderstrepen dat alleen zij die van Duitsen bloede zijn, ongeacht hun geloof, kunnen tot de natie behoren. Joden kunnen derhalve geen deel uitmaken van de natie”.

De centrale rol van de staat: naar de totalitaire controle van de bevolking

Met de voorbereiding en de start van de oorlog was een nieuw tijdperk aangebroken: dat van de neergang van het kapitalisme en zijn universele tendens tot staatskapitalisme. Van toen af aan begon elke staat een bureaucratische controle uit te oefenen op het geheel van het maatschappelijk leven. In naam van de militaire belangen of van de veiligheid van de staat namen de verscherping aan de grenzen, de controles en de knevelarij van de verbannen bevolking en de vluchtelingen toe. In tegenstelling tot de periode die voorafging aan de Eerste Wereldoorlog, werden de migranten van toen af aan allerlei beperkingen onderworpen. Op dat moment werden de voornaamste administratieve maatregelen tegen de migratie in werking gesteld. De verplaatsing van bevolkingen tijdens de oorlog bracht de staat ertoe een echte identiteitscontrole in te voeren, buitenlanders systematisch onder verdenking te stellen en hen op te lijsten.

Bijvoorbeeld in Frankrijk: de instelling van een identiteitsbewijs, in 1917, is een echte ingrijpende verandering op het vlak van de administratie en de politie. Onze huidige mentaliteit heeft deze individuele stempel geïntegreerd, waarvan de politionele oorsprong niet meer als zodanig wordt begrepen. Het is nochtans niet neutraal, daar de instelling van het identiteitsbewijs eerst de buitenlanders betrof, met het oog op toezicht tijdens de staat van oorlog”. [4] Van het begin af aan hebben de legers de verplaatsingen van burgers (spontaan of uitgelokt) beschouwd als een reële bedreiging, een ‘belemmering’ voor de activiteiten van de troepen en de militaire logistiek. De staat heeft vanaf het begin getracht om evacuatie-orders uit te vaardigen, waardoor burgers of vluchtelingen ‘instrumenten’ werden; dat wil zeggen: ze werden ingezet als wapen in de oorlog, zoals het geval was bij het Grieks-Turkse conflict.

De ‘oplossing’ die zich begon te ontwikkelen en die zich steeds meer opdrong was, zoals wij hierboven gezien hebben, die van de toename van het aantal interneringskampen. Toen vluchtelingen de gevechtszones moesten ontvluchten (zoals het geval was met de Belgen in 1914 na de Duitse invasie), genoten die soms de solidariteit en de hulp van vrijwilligersorganisaties; maar een groot aantal burgers werd direct onder de controle van de autoriteiten geplaatst en kwam in kampen terecht. Gevangenen werden al naar gelang de nationaliteit of het ‘gevaar’ dat ze vertegenwoordigden in groepen opgedeeld. Dit waren beslissingen van de staten, die hun walgelijke kapitalistische belangen verdedigen, de meest ‘democratische’ voorop, die klaarstonden om als echte scherprechters van de burgerbevolking op te treden, die erdoor in gijzeling werd genomen.

Na de oorlog, na de ideologische en fysieke nederlaag van het proletariaat, werd een nieuwe stap gezet in de vergelding. Deze luidde een tijdperk in dat een nog moorddadiger en barbaars conflict voorbereidde. In een veld van ruïnes waren de staten in Europa, door het grote aantal arbeidskrachten dat was vernietigd, in een moeilijke situatie terechtgekomen. Overeenkomsten moesten het dus mogelijk maken om economische migratie te bevorderen. In de jaren 1920 heeft Frankrijk bijvoorbeeld Italiaanse, Poolse en Tsjecho-Slowaakse immigranten gerekruteerd, het voorspel tot een nieuwe xenofobe campagne als gevolg van de economische crisis en van de verschrikkelijke depressie die zou volgen, net voor de koers naar een nieuwe wereldoorlog zich opende.

Het begin van een tweede wereldwijde holocaust zou de barbaarsheid voor de burgerbevolking en de vluchtelingen tot ongekende hoogte opdrijven. In een tweede deel zullen wij deze tragedie behandelen.

WH, 28/06/2015

[1] Fröhlich , Lindau, Schreiner, Walcher, Révolution et contre-révolution en Allemagne 1918-1920, Ed. Science marxiste.

[2] Ten gevolge van deze pogroms moest onze kameraad MC en een deel van zijn familie bijvoorbeeld zijn toevlucht zoeken in Palestina. (zie Internationale Revue nr. 65 en nr. 66; (Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave) tweede en derde kwartaal 1991).

[3] Uit Le livre des pogroms, antichambre d'un génocide, uitgegeven onder leiding van Lidia Miliakova.

[4] P. J. Deschodt en F. Huguenin, La République xénophobe, Ed. JC Lattès.