Mededeling aan onze lezers: De strijd van de revolutionaire organisaties tegen provocatie en laster

Printvriendelijke versieVerstuur per e-mail

Sinds haar ontstaan heeft de arbeidersbeweging het hoofd moeten bieden aan de repressie van de bourgeoisie. Toch zou het een ernstige dwaling zijn ‑ getuigend van uiterste naïviteit ‑ om te geloven dat deze repressie alleen de vorm aanneemt van fysieke repressie die uitgeoefend wordt tegen stakingen of arbeidersopstanden.
De proletarische revolutie zal de eerste revolutie in de geschiedenis zijn waarvan het succes fundamenteel zal afhangen van het revolutionaire klassenbewustzijn van haar eigen doelstellingen, het uiteindelijke doel van haar strijd tegen het kapitalisme: het kommunisme. Dit historisch klassenbewustzijn ontwikkelt zich binnen de kapitalistische maatschappij onvermijdelijk op een heterogene manier binnen het proletariaat. Daarom kristalliseert het bewustzijn van de revolutionaire klasse zich allereerst in de politieke organisaties, de minderheidsvoorhoedes van de arbeidersklasse.

De politieprovocatie in de schoot van de revolutionaire organisaties

Als ironie van de geschiedenis heeft de bourgeoisie dikwijls scherpzinniger dan de massa’s zelf de fundamentele rol van de revolutionaire organisaties ingezien. Altijd al besteedde ze bijzondere aandacht aan de politieke organisaties die zich beroepen op de kommunistische revolutie, zelfs in de periodes waarin deze een uiterst kleine minderheid zijn, ja zelfs compleet onbekend zijn bij het proletariaat in zijn geheel. Dit geldt ongeacht het politieke regime van het moment. Om slechts twee voorbeelden te geven die ons direct aangaan:
‑ een belangrijk deel van ons boek over The Italian Communist Left is ontleend aan de geheime politiearchieven van Mussolini, die een spion had in het qua ledental onbetekenende groepje dat Bilan in de jaren dertig was;
‑ helemaal aan het begin van het bestaan van de groep die later onze afdeling in Frankrijk zou worden vernamen wij via een verklikker die spijt kreeg, dat onze organisatie al onder politiebewaking stond.
De revolutionairen hebben op één moment in de geschiedenis de methoden van de politieke politie op uitgebreide manier kunnen onderzoeken: na de revolutie van Oktober 1917, toen de archieven van de tsaristische geheime politie ‑ de Ochrana ‑ in handen vielen van de Bolsjewiki. Zich baserend op deze archieven schreef Victor Serge zijn boek “Wat elke revolutionair moet weten over de repressie”. Dit blijft een uitzetting van grote waarde voor het begrijpen van politiemethoden. Zoals Victor Serge zei was de Ochrana het “prototype van de moderne politieke politie”. Maar zoals we zullen zien ontstonden spionage en politieprovocatie niet met de Ochrana en hebben de revolutionairen niet op het boek van Serge gewacht om te begrijpen waarom ze zoveel in de belangstelling stonden.
Wat is het doel van deze politie‑interesse? Het gaat niet louter om het bespioneren, onderdrukken en vernietigen van revolutionaire organisaties. De bourgeoisie ‑ en haar politieke politie ‑ weten heel goed dat de politieke organisaties van het proletariaat niet ontstaan in de hoofden van de individuen die er deel van uitmaken maar uit de voorwaarden zelf van de klassenstrijd en de voortdurende oppositie tussen de arbeidersklasse en de kapitalistische maatschappij.
Het is geen toeval dat het personage van de provocateur altijd al veracht werd in de arbeidersbeweging, zowel in de politieke organisaties als in de organismes die de arbeidersklasse tot ontwikkeling brengt in haar strijd (algemene vergaderingen, fabriekcomités, enzovoort). Van hun ontstaan af aan hebben de politieke organisaties van de arbeidersklasse geprobeerd zich te wapenen tegen de activiteit van provocateurs. Zo is in de statuten van de London Corresponding Society (destijds één van de eerste werkelijke politieke arbeidersorganisaties) in 1795 de volgende zin te lezen: “Al diegenen die proberen om de orde te verstoren, onder het voorwendsel van het tonen van hun ijver, hun moed of om een andere reden, zijn verdacht. Een luidruchtig karakter is zelden een teken van moed, en een teveel aan ijver verbergt dikwijls verraad” (1). Op dezelfde manier vermeldde de Bond van Kommunisten, (waarvoor Marx het beroemde Manifest schreef in 1848) in artikel 42 van zijn statuten: “Aan de kant gezette individuen of geroyeerden, net als verdachte individuen in het algemeen, moeten door de Bond in de gaten worden gehouden en belet worden om schade te berokkenen”.
Toch kent de efficiëntie van de provocateur grenzen. Zoals Victor Serge nog eens onderstreept: “[...] De provocatie kan slechts schade berokkenen aan enkelingen of groepen [...] zij staat evenwel machteloos tegenover de revolutionaire beweging in haar geheel. Wij hebben een provocateur aan het werk gezien die zich belastte met het binnensmokkelen van bolsjewistische literatuur in Rusland (1912); een andere (Malinovski) die in de Doema (het Russisch Parlement) toespraken houdt die door Lenin waren geschreven [...]. Of een propagandabrochure verspreid wordt door een provocateur of door een toegewijde militant, het resultaat is hetzelfde: het wezenlijke is dat het gelezen wordt [...] Wanneer de geheime agent Malinovski in de Doema de woorden van Lenin laat weerklinken heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken geen reden om zich te verheugen op het succes van zijn betaalde agent. De woorden van Lenin hebben voor het land een veel groter belang dan de stem van die ene ellendeling op zichzelf”.

De verdachtmaking: een gesel voor de morele gezondheid van revolutionaire organisaties

Erger nog dan de provocatie op zichzelf zijn de verdachtmaking en het wantrouwen die zich binnen de organisatie kunnen nestelen wanneer haar leden het mikpunt worden van provocaties. Dat is des te meer het geval omdat ‑ buiten dit unieke geval waarbij de archieven van de Ochrana werden buitgemaakt ‑ de revolutionairen duidelijk niet over de middelen beschikken om naar bewijsstukken te zoeken in de politiearchieven, en de politie doet er alles aan om de sporen uit te wissen en de werkelijke spionnen te beschermen. Erger nog, de politie heeft er zelfs geen behoefte aan om te ageren, zij hoeft alleen het wantrouwen en de verdachtmaking binnen te laten sijpelen en de vruchten er van te plukken: de verlamming, zelfs het uiteenspatten van de revolutionaire organisatie. Het boek van Thompson geeft ons een treffend voorbeeld van deze verlamming die de London Corresponding Society trof: “In 1794 werd een zekere Jones, van Tottenham, (ten onrechte) aangeklaagd wegens spionage, wegens heftige resoluties, waarvan men verdacht dat deze _ten doel hadden de Society in de val te lokken’. Zoals ons Groves (de echte spion) niet zonder een zekere listige humor rapporteerde, beklaagde Jones zich over het volgende: _Als een burger een resolutie voorstelt die een beetje te energiek overkomt, dan wordt hij aangezien voor een door de regering gestuurde spion. Maar indien een burger in zijn hoekje gaat zitten en niets zegt, dan zou het zijn omdat hij gadeslaat wat er gebeurt en om er een rapport over te maken [...] de burgers weten niet meer wat te doen’” (2).
Het wantrouwen binnen een organisatie is een verlammende en splijtende factor voor een revolutionaire organisatie, maar de verdachtmaking is een verschrikkelijke en soms ondraaglijke last voor de individuele militant (Serge citeert het voorbeeld van militanten die zelfmoord pleegden of wanhoopsdaden begingen omdat ze er niet in slaagden ontlast te worden van een onterechte verdenking). Een kommunistisch militant gaat in oppositie tegen heel de burgerlijke maatschappij en alle kenmerken ervan. Hij wordt in de ban gedaan door de maatschappij, nagewezen door heel de burgerlijke propagandamachine, in het gunstigste geval als een fantast, in het ergste als een bloeddorstige misdadiger. Hij kan ongestraft als een beest worden opgejaagd. Om met opgeheven hoofd te blijven moet de kommunistische militant niet alleen een onwankelbare overtuiging behouden in de historische taak van het proletariaat, in de toekomst van de mensheid en in de noodzaak en mogelijkheid van de kommunistische revolutie. Hij moet ook zijn eer als militant bewaren, het respect en het vertrouwen van zijn strijdmakkers. Voor een kommunistisch militant bestaat er geen erger schaamte dan aangewezen te worden als verrader. Verdachtmakingen zijn gemakkelijk te verspreiden, maar heel moeilijk te weerleggen. Daarom hebben kommunistische militanten de plicht om hun waardigheid te verdedigen tegenover verdenkingen en laster, net zoals de organisatie de verantwoordelijkheid draagt dit vergif, dat de eenheid en de solidariteit onder kameraden vernietigt, niet in haar midden te tolereren.
Karl Marx publiceerde in 1860 niet zomaar zijn aanklacht tegen Karl Vogt, een agent van Napoleon III die Karl Marx er zelf van beschuldigd had een agent van de politie te zijn. De 'goed bedoelende’ burgerlijke commentatoren zien in deze tekst meestal een zwakheid van Marx, een zijsprong in zijn 'filosofisch’ werk om zich te verweren tegen een verachtelijk individu. En zij beschouwen zijn tekst ‑ met zijn minutieuze aandacht voor de meest lamentabele details van de activiteit van Vogt ‑ als een voorbeeld van het 'autoritarisme’ van een Marx die geen tegenspraak dulde. Zo wordt de houding van Marx, die er een hekel aan had om in het openbaar over zichzelf of zijn eigen zaken te praten, onbegrijpelijk. Maar toen zag hij zich gedwongen om een heel jaar te besteden aan dat onvermijdelijke werk van het verdedigen van zowel zijn eigen persoonlijke eer als revolutionair en van de beweging waarvan hij deel uitmaakte.
Victor Serge had wel degelijk gelijk toen hij schreef: “[...] Het is een traditie: de vijanden van de actie, de lafaarden, de goed geïnstalleerden, de opportunisten halen graag hun wapens uit de goot! Zij gebruiken verdachtmaking en laster om de revolutionairen zwart te maken”. Het gevaar van ongecontroleerde verdachtmakingen  binnen de organisatie werd goed begrepen door alle revolutionairen uit het verleden. Hiervan getuigen reeds de statuten van de Bond der Rechtvaardigen, de voorloper van de Bond van Kommunisten (het klad van de statuten dateert van 1843): “Indien iemand zich wil beklagen over personen of vraagstukken die de Bond aangaan, moet hij dat openlijk in de vergadering [van de afdeling] doen. Kwaadsprekers zullen worden uitgesloten”. (Punt 9).
Op het einde van de negentiende eeuw werd dit basisstandpunt nog verfijnd. Het volstaat niet langer om de kwaadspreker uit te sluiten, men moet het middel vinden om deze eventuele aanklachten te behandelen zonder dat ze schade kunnen berokkenen aan de organisatie wanneer zij ongegrond zijn. Deze methode van de arbeidersbeweging wordt vooropgesteld in de statuten van de Berlijnse afdeling van de Duitse sociaal‑democratische partij, die in 1882 verklaarde (toen de partij nog in de illegaliteit werkte): “Iedere militant – zelfs al is het een welbekende kameraad – heeft de plicht om discreet te blijven omtrent de onderwerpen die binnen de organisatie bediscussieerd worden – waar het ook over gaat. Indien een kameraad een klacht hoort over een andere kameraad, dan heeft hij in de eerste plaats de plicht om deze vertrouwelijk te behandelen. Bovendien moet hij hetzelfde eisen van de kameraad die hem geïnformeerd heeft over de aanklacht; hij moet de reden van de aanklacht onderzoeken en te weten komen waar zij vandaan komt. Hij moet de secretaris [van de afdeling] er van verwittigen, en deze dient het vraagstuk op te helderen in een confrontatie tussen aangeklaagde en aanklager [...]. Elke andere actie, zoals bijvoorbeeld het verspreiden van verdachtmakingen verdenkingen die niet bekend zijn bij de secretarissen [dat wil zeggen van de verantwoordelijken van de afdeling] zal ernstige schade veroorzaken. Aangezien de politie er een notoir belang bij heeft om de verdeeldheid in onze rangen te stimuleren door het rondstrooien van verdachtmakingen moet elke kameraad die zich niet houdt aan de hierboven beschreven procedure beschouwd worden als een persoon die in dienst staat van de politie” (3).
Het is overduidelijk dat de revolutionairen destijds onder de voorwaarden van de illegaliteit doorlopend bekommerd waren met het gevaar van infiltratie van de politie in hun rangen. Maar de verdachtmaking binnen de organisatie is niet altijd het werk van de politie, ze kan ook ontstaan zonder de minste provocatie. Zelfs wanneer deze aantijgingen gelanceerd worden met de beste bedoelingen om de organisatie te beschermen, kan het wantrouwen dat ze teweegbrengen nog gevaarlijker zijn voor de gezondheid van de organisatie, en voor de veiligheid van de militanten zelf, dan de werkelijke provocatie zelf. Dat is wat Victor Serge ook nog aantoont: “Aantijgingen worden gemurmeld, vervolgens worden ze luidop gezegd, meestal is het onmogelijk om ze na te trekken. Het heeft onnoemelijke kwalen tot gevolg, op sommige vlakken nog erger dan de kwalen die toegebracht worden door de echte provocatie [...]. Dit kwaad ‑ de verdachtmaking, de argwaan onder ons ‑ kan enkel ingeperkt worden door een grote wilsinspanning.
Nooit ‑ en dat is trouwens een absolute voorwaarde voor iedere zegevierende strijd tegen de werkelijke provocatie en waarvan elke lasterlijke aantijging waar een militant bij betrokken is de inzet vormt ‑ mag iemand lichtvaardig beschuldigd worden en nooit mag een geformuleerde aantijging tegen een revolutionair naar de prullenmand verwezen worden. Iedere keer als er iemand verdacht wordt van een dergelijke verdenking, moet er een jury van kameraden worden samengesteld die zich uitspreekt over de aantijging of de verdachtmaking. Het zijn eenvoudige regels die in acht moeten worden genomen met onwrikbare striktheid als men de morele gezondheid van de revolutionaire organisaties wil bewaren”.

In dit eerste deel hebben wij geprobeerd aan te tonen dat:
‑ ten eerste, de politieprovocatie bestaat sinds het begin van de arbeidersbeweging, en dat deze tot doel heeft de organisatie van de revolutionairen te vernietigen door in haar midden wantrouwen te zaaien;
‑ ten tweede, dat dit wantrouwen in het midden van de organisatie niet noodzakelijk het werk is van de politie maar dat het ook kan voortkomen uit eenvoudige ongegronde aantijgingen;
‑ ten derde, dat de revolutionairen dergelijke aantijgingen altijd als even gevaarlijk beschouwd hebben voor de gezondheid van hun organisaties als wanneer deze het werk van de politie waren;
‑ tenslotte, dat d revolutionaire organisaties een methode hebben uitgewerkt om dergelijke aantijgingen te behandelen. Die methode bestaat er eerst en vooral uit om ze af te bakenen in een welomschreven organisatorisch kader om te vermijden dat het wantrouwen zich als een virus, op ongecontroleerde wijze, verspreidt binnen de organisatie. De IKS heeft zich altijd ingespannen om deze methode, een erfenis van de arbeidersbeweging, toe te passen bij aantijgingen of verdenkingen tegen militanten.
De kommunistische organisatie heeft geen 'natuurlijke’ plaats binnen de burgerlijke maatschappij, in tegendeel, zij is een vreemd lichaam in deze maatschappij. De tegenstelling tussen de beginselen van het kommunisme en de burgerlijke ideologie spelen zich niet alleen af buiten de organisatie maar ook binnenin. De infiltratie van deze ideologie die vreemd is aan het proletariaat kan tot uiting komen in opportunistische politieke standpunten die een deel van de organisatie kunnen besmetten. Maar het kan ook gebeuren op een veel verraderlijker manier, via individueel gedrag dat ontleend is aan dat van de heersende klasse (of bepaalde sociale lagen zonder historische toekomst) en die diametraal tegengesteld zijn aan wat het gedrag van een kommunistische militant zou moeten zijn

De aantijging: een wapen om de revolutionaire organisaties zwart te maken

De IKS heeft altijd duidelijk gemaakt dat het politiek gedrag van militanten een vraagstuk is dat in verband staat met de beginselen van de klasse die de draagster is van het kommunisme. Tegen het gif van wantrouwen en verdachtmakingen bevestigen wij dat “de verhoudingen die de militanten van de organisatie met elkaar aanknopen onvermijdelijk de sporen vertonen van de kapitalistische maatschappij [...]. Toch mogen zij niet in flagrante tegenstelling staan tot het doel dat de revolutionairen nastreven en zijn noodzakelijkerwijs gebaseerd op onderlinge solidariteit en wederzijdse vertrouwen die duidelijk maken dat de organisatie deel uitmaakt van de klasse die het kommunisme in zich draagt”. (Platform van de IKS). Al in onze statuten legden we er de nadruk  op dat het gedrag van een militant niet in tegenstelling mag staan tot het doel waarvoor wij strijden, en dat de debatten binnen de organisatie “gevoerd moeten worden met de grootst mogelijke striktheid maar tegelijkertijd door zich te onthouden van persoonlijke aanvallen die niet de plaats mogen innemen van samenhangende politieke argumentatie”. Deze gedragsregels aan zijn laars lappen, zich laten inpalmen door de concurrentiegeest die ingelepeld wordt door de kapitalistische maatschappij kan er toe leiden dat militanten zich ver verwijderen van de geest van het debat tussen kommunisten. In bepaalde gevallen kan het hen er zelfs toe drijven om (bijvoorbeeld wanneer ze in de minderheid zijn geraakt of het hen in de loop van een debat aan argumenten ontbreekt) verdachtmakingscampagnes te uiten tegen hun eigen kameraden, die dan gezien worden als tegenstanders die gevloerd moeten worden.
Het gebruikmaken van verdachtmakingscampagnes tegen militanten binnen revolutionaire organisaties heeft de arbeidersbeweging heel de geschiedenis vanaf haar ontstaan begeleid. Het volstaat om de terug te kijken op de verdachtmakingen van Bakoenin tegenover Marx binnen de IAA (Eerste Internationale) die er van beschuldigd werd een 'dictator’ te zijn (omdat hij ... Jood en Duitser was!), de verdachtmakingen die de Mensjewieken verspreiden na het congres van de POSDR in 1903 tegen Lenin, die ervan werd beschuldigd _een terreurregime zoals Robespierre te willen laten heersen in de partij’. Wij kunnen ook het extreme geval aanalen van de verdachtmakingscampagnes tegen Rosa Luxemburg, die opgezet werden door de opportunistische elementen van de Duitse sociaal‑democratische partij, die later zouden verraad plegen tegen de beginselen van de arbeidersklasse in 1914. Zo werd Rosa Luxemburg er in de wandelgangen van de partij van beschuldigd er 'libertijnse’ zeden op na te houden (en zelfs een agente te zijn van de tsaristische politie, de Ochrana) door militanten die enkele jaren later in januari 1919 de moord op haar zouden organiseren: de bloedhond Noske en zijn spitsbroeders Ebert en Scheidemann.
Slechts één voorbeeld van onze voorlopers van de Kommunistische Linkerzijde in Frankrijk. Ook zij werden geconfronteerd met verdachtmakingen binnen de organisatie, zoals men kan lezen in de resolutie aangenomen op de conferentie van de GCF (Gauche Communiste de France) in 1945:
“Door goedkeuring van de resolutie op de algemene vergadering van 16 juni, die de breuk vaststelde met deze elementen van de organisatie [...] keert de conferentie zich vooral tegen de laaghartige verdachtmaking, die het geliefkoosde wapen geworden is van deze elementen tegen de organisatie en tegen de individuele militanten ervan.
Door hun toevlucht te nemen tot dergelijke methodes, scheppen deze elementen, als illustratie van hun zogenaamde politiek, een vergiftigde atmosfeer door wantrouwen te zaaien, de dreiging met pogroms (volgens hun eigen bewoordingen), het gangsterisme, en vereeuwigen zij aldus de laakbare traditie die tot op vandaag het voorrecht van het stalinisme was.
De conferentie oordeelt dat het dringend is om er een eind aan te maken, en niet langer toe te staan dat verdachtmakingen de plaats innemen van politieke debatten in de betrekkingen tussen de militanten. Daarom richt zij zich tot de andere revolutionaire groepen om hen te vragen een eretribunaal op te richten, zich uit te spreken over de revolutionaire moraal van de belasterde kameraden en het kwaadspreken en de kwaadsprekers elk bestaansrecht te ontzeggen binnen de rangen van het proletariaat”.

Door het uitsluiten van het kwaadspreken en van de kwaadsprekers uit de eigen rangen zet onze organisatie de strijd van de revolutionairen uit het verleden voort, ter verdediging van de organisatie, tegenover alle pogingen om haar te vernietigen. Verdachtmaking hoort niet alleen niet thuis in de rangen van het proletariaat maar bovendien is het één van de geliefkoosde wapens van de bourgeoisie om de kommunistische organisaties zwart te maken en een veralgemeend wantrouwen te zaaien tegenover de standpunten die zij verdedigen. Om zich daarvan te overtuigen volstaat het om bijvoorbeeld de campagnes te citeren die gevoerd werden tegen Lenin (door de regering Kerenski die hem er van beschuldigde een agent van de Keizer en van het Duitse imperialisme te zijn) om de bolsjevistische partij zwart te maken aan de vooravond van de revolutie in Rusland. Ook werden er campagnes gevoerd tegen Trozki (die er van beschuldigd werd een agent van Hitler en het fascisme te zijn) om in de jaren 1930 elke strijd tegen het stalinisme te bekladden.
De strijd tegen de verdachtmakingen is niet alleen van levensbelang voor de militanten en de organisatie waartoe zij behoren. Hij gaat alle organisaties van de kommunistische beweging aan. Tegenover dergelijk vernietigend gedrag, dat om het even welke burgerlijke staat in de kaart speelt, heeft de IKS de plicht om het geheel van het proletarisch politiek milieu te waarschuwen. “Wanneer dergelijk gedrag bewezen is, is het de plicht van de organisatie om maatregelen te nemen die niet enkel haar eigen veiligheid beogen maar ook die van de andere kommunistische organisaties” (International Review, nr. 33, Rapport over de structuur en het functioneren van de organisatie).


IKS / 21.02.02
(1) Geciteerd uit E.P.Tompson, The making of the English working class, hoofdstuk 14.2, A army of redressers.
(2) Thompson, op.cit.
(3) Geciteerd door Fricke, History of the German Workers’ Movement, 1869‑1917.