Cuba: Van de Granma tot het ‘Cubaanse Socialisme’, een herhaling van de grote Latijns-Amerikaanse leugen

Printvriendelijke versie

Binnen (1) het linkse apparaat van het kapitaal hoort men veelvuldig de bewering dat Cuba een socialistische maatschappij zou zijn, maar één met een paar bijzondere kenmerken. Het misbaar is zo oorverdovend dat vele jonge proletariërs er van overtuigd zijn dat dit werkelijk zo is en sympathie betonen met Castro. Bovendien is men deze, in verband met de mogelijkheid van zijn overlijden, nog eens gaan ophemelen. En er is gesproken over de toekomst van het zogenaamd ‘socialistische’ Cuba, door voor de zoveelste keer op te roepen tot de verdediging van het veronderstelde ‘laatste bastion van het socialisme’.

Cuba, een nationale bevrijdingsstrijd midden in de koude oorlog

De revolutionaire golf die de overwinning bracht van de revolutie in Rusland, leed een zware nederlaag in de jaren 1920. Dit veroorzaakte de opkomst van een enorme contrarevolutie met als gevolg dat de regimes, die zichzelf vervolgens uitriepen tot socialistisch, in werkelijkheid geen enkele continuïteit vertonen met de beweging van het proletariaat, noch een socialistisch karakter hebben. Het gaat om burgerlijke nationale bevrijdingsoorlogen, wat niet met zich meebrengt dat ze ook vooruitstrevend zijn. Wij hebben er steeds op aangedrongen dat het van groot belang is dat de arbeiders inzien dat er geen enkele continuïteit of verband bestaat tussen de revolutie in Rusland en de zogenaamde ‘Cubaanse revolutie’: “Terwijl in 1917 de arbeidersklasse in Rusland de macht zouden grijpen door de bourgeoisie ten val te brengen, als deel van een internationale revolutionaire golf die de wereld in die jaren dooreen schudde, nam bij de omwenteling in Cuba in 1959 één fractie van de bourgeoisie de plaats in van een andere, in haar drang om het nationaal kapitaal voort te stuwen.
Terwijl in de voormalige Sovjet-Unie de mythe van het ‘socialisme in één land’ opdook vertrekkend van de achteruitgang van de kommunisitische wereldrevolutie, van het isolement en de latere ontaarding van de revolutie in de Sovjet-Unie zelf, werd het ‘socialisme op zijn Cubaans’ daarentegen ‘per decreet’ afgekondigd door het regime van Castro, toen het zich midden in de periode van koude oorlog in de hoek gedreven voelde in de belangenstrijd tussen de twee toenmalige grootmachten die blokhoofden waren (de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten).”
(Revolución Mundial, nr. 9).
Het invoeren van het zogenaamde ‘Cubaanse socialisme’ kwam niet voort uit een bewuste revolutie van de arbeiders, maar het was een staatsgreep van de ‘barbudos’ (de bebaarde guerrillero’s). Het was enkel als gevolg van de mislukking van een toenadering van Castro tot het yankee-imperialisme dat zijn regering zich van de ene dag op de andere omvormde tot ‘socialistisch’ en dat Castro zich ‘marxist-leninist’ noemde.

De socialistische revolutie is een bewuste revolutie

De socialistische revolutie is een revolutie die voor het eerst in de geschiedenis een bewuste revolutie zal zijn. Dit wil zeggen dat in beginsel programma, doelstelling, tactiek en strategie die de socialistische beweging leiden, uitgestippeld worden in open debat en dat het helder en eenduidig moet zijn om geen strijdmakkers ‘af te schrikken’.
Daarom is het bedriegend vol te willen houden dat de Cubaanse revolutie een socialistisch karakter had; ondanks dat dit voor zichzelf sprak bij belangrijkste voorstanders die er niet aan twijfelden dat het programma, dat door de deelnemers aan de aanval op de Moncada-kazerne in 1953 was uitgewerkt, een heel verstandig programma was. Het was echter zodanig dubbelzinnig van inhoud om lagen van de kleinburgerij en anderen niet af te schrikken, en daarmee te bereiken dat deze beweging niet geïsoleerd zou komen te staan.
Hetzelfde geldt voor het tweede argument volgens hetwelk Castro in zijn studententijd al vertrouwd was met het marxisme terwijl Che al een overtuigde marxist zou zijn geweest. De argumentatiewaarde van een dergelijk idee is zo gering dat het zelfs niet waard is om er rekening mee te houden, ware het niet dat het steeds maar weer wordt opgevoerd. Bijvoorbeeld: er wordt beweerd dat Castro op organisatorisch vlak een leninistische geest had want dat hij schreef: “Ideologie, discipline en leiding. Dat zijn de drie wezenlijke zaken, maar leiding is fundamenteel, […] men kan geen beweging organiseren waarin allen denken dat zij het recht hebben om zo maar openbare verklaringen af te leggen zonder iemand te raadplegen; en men kan evenmin iets goeds verwachten van een beweging die wordt gevormd door mensen met een anarchistisch instelling die bij het eerste meningsverschil een andere weg inslaan die hen beter lijkt, en het voertuig ontmantelen en vernielen. Het propagandaparaat en de organisatie moeten in staat zijn om ongenadig diegenen te vernietigen, die proberen tendensen of pressiegroepen in het leven te roepen of in opstand komen tegen de beweging.” (2).
Het is overduidelijk dat dit in de verste verte niet lijkt op wat Lenin schreef in Eén stap voorwaarts, twee stappen terug. Deze Castristische argumentatie die door de Italiaan Tutino is overgenomen, is gemakkelijk herbruikbaar voor om het even welke strijd tussen burgerlijke klieken. Want daaruit spreekt enkel een simplistische logica van hoe men vecht om de leiding van de beweging zonder dat daardoor wordt aangetoond dat deze noodzakelijkerwijs een revolutionair karakter heeft.
De kommunistische revolutie is een revolutie met een massaal karakter waaraan de arbeiders massaal deelnemen. De strijdmethoden hebben niets te maken met de samenzwering van een kleine groep intellectuelen die zichzelf in de plaats stellen van de arbeidersbeweging en voor zichzelf een revolutionaire periode inluiden.
Op die manier doet de methode van de guerrillastrijd niets anders dan dit fundamentele beginsel met voeten te treden doordat zij een voorhoedegroep voortbrengt die wordt opgericht als reddingsleger, losstaand van de klasse zelf, zoals dat het geval was met het rebellenleger van Castro. In tegenstelling tot de bourgeoisie, verdraagt noch beschikt het proletariaat over een militaire macht die boven hem staat. Daarom is de revolutie geen product van een ‘volksleger’, maar van de arbeidersklasse zélf die op een bewuste, verenigde en georganiseerde manier naar de wapens grijpt.

Met of zonder Fidel blijft het kapitaal in Cuba aan de macht

Bij het bekend worden van de ziekte van Fidel en van de voorlopige aflossing door Raúl Castro, heeft de grote mythe van het socialisme in Cuba weer grote hoogten bereikt in de ideologische campagnes van de bourgeoisie.
In deze context wordt men voorbereid op de post-fidelistische overgang, om het staatskapitalisme in Cuba aan te zwengelen. En de Communistische Partij van Cuba (PCC) begint te ‘debatteren’ over de toekomst, om te zien of er zich een traditionele weg opdringt waarbij de zaken bij het oude gelaten kunnen worden, dan wel of er een meer marktgerichte opening moet komen in dezelfde richting als het kapitalisme in China. Het proletariaat heeft echter geen enkel gemeenschappelijk belang met de Cubaanse regering noch belang bij het ondersteunen van dit kapitalistische regime. En het zal zijn rol zijn om er alles te doen om de confrontatie aan te gaan met de Cubaanse bourgeoisie en ze van de kaart te vegen via een echte socialistische revolutie, die, deel uitmakend van een wereldrevolutie, een werkelijke macht van de arbeidersraden zal doorvoeren.

Vaina, December 2006

Noten

(1) Granma is de naam van het schip dat Castro vanuit Mexico naar Cuba bracht, en dat op 2 December 1956 aanmeerde, waarmee de bewapende beweging begon en die er in twee jaar in slaagde om de overwinning te behalen op Fulgencio Batista.
(2) Saverio Tutino, Breve historia de la revolución cubana, Serie Popular Era, p. 105.

Geografisch: 

Erfenis van de Kommunistische Linkerzijde: