13. De contra-revolutionaire aard van de ‘arbeiders’-partijen

Printvriendelijke versieSend by email

Het geheel van de partijen of organisaties die tegenwoordig, zelfs ‘voorwaardelijk’ of ‘kritisch’, bepaalde staten of bepaalde fracties van de bourgeoisie tegen andere verdedigen, of het nu is in naam van het ‘socialisme’, van de ‘democratie’, van het ‘anti-fascisme’, van de ‘nationale onafhankelijkheid’, van het ‘eenheidsfront’ of het ‘minste kwaad’, zij die hun politiek baseren op het burgerlijke spel van de verkiezingen, op de arbeidersvijandige activiteit van de vakbeweging of op de zelfbeheer-misleiding, zijn organisaties van het politieke apparaat van het kapitaal. Dat geldt in het bijzonder voor de ‘socialistische’ en ‘kommunistische’ partijen.

Deze partijen hebben immers op een bepaald moment echte voorhoedes van het wereldproletariaat gevormd, maar maakten daarna een heel proces van ontaarding door, dat hen in het kamp van het kapitaal heeft gebracht. De Internationales waartoe ze behoorden (de Tweede Internationale voor wat betreft de socialistische partijen, de Derde Internationale voor de kommunistische partijen), bestaan, ondanks het formele voortbestaan van hun structuur, als zodanig niet meer op een moment van historische nederlaag van het proletariaat. Toch zijn de partijen ieder op zich blijven voortbestaan om geleidelijk vaak belangrijke raderen te worden van het burgerlijke staatsapparaat in hun achtereenvolgende landen.

Dat gold voor de socialistische partijen toen de meerderheid van de belangrijkste van hen, in een afstervingsproces als gevolg van reformisme en opportunisme, ertoe kwamen om zich tijdens de Eerste Wereldoorlog (die de dood van de Tweede Internationale betekent), onder de leiding van hun ‘sociaal-chauvinistische’ rechtervleugel die toen naar de bourgeoisie overging, te verwikkelen in de politiek van ‘nationale verdediging’, zich vervolgens openlijk te keren tegen de revolutionaire golf van na de oorlog, om tenslotte de rol te vervullen van beul van het proletariaat zoals in Duitsland in 1919.

De uiteindelijke integratie van elk van deze partijen in hun achtereenvolgende nationale staten vond plaats op verschillende tijdstippen in de periode die volgde op het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, maar dit proces is definitief afgesloten aan het begin van de jaren twintig, toen de laatste proletarische stromingen werden buitengesloten of hun rangen verlieten door zich bij de Kommunistische Internationale aan te sluiten.

Op dezelfde wijze zijn de kommunistische partijen op hun beurt, na een soortgelijk proces van opportunistische ontaarding overgegaan naar het kamp van het kapitalisme. Dat proces, begonnen in het begin van de jaren twintig, werd voortgezet na de dood van de Kommunistische Internationale (gemarkeerd door de aanvaarding van de theorie van het ‘socialisme in één land’ in 1928) en liep, ondanks de verwoede strijd van hun linker fracties en na het uitschakelen daarvan, uit op een volledige integratie in de kapitalistische staat aan het begin van de jaren 1930 door hun steun aan het bewapeningsstreven van hun achtereenvolgende bourgeoisieën en hun deelname aan de ‘volksfronten’. Hun actieve deelname aan het ‘Verzet’ tijdens de Tweede Wereldoorlog en aan de daaropvolgende ‘nationale wederopbouw’ heeft bevestigd dat zij trouwe dienaren van het nationale kapitaal zijn en de zuiverste belichaming van de contra-revolutie.

Het geheel van de zogenaamd ‘revolutionaire’ stromingen, zoals het maoïsme – dat slechts een variant is van de partijen die al definitief zijn overgegaan naar de bourgeoisie –, het trotskisme – dat na een proletarische reactie te zijn geweest tegen het verraad van de kommunistische partijen in een soortgelijk ontaardingsproces gevangen is geraakt –, of het traditionele anarchisme – dat zich nu in het kader van eenzelfde politieke ontwikkeling bevindt omdat het een bepaald aantal standpunten van de socialistische en kommunistische partijen verdedigt zoals bijvoorbeeld de ‘anti-fascistische’ bondgenootschappen –, behoren tot hetzelfde kamp als de socialistische en kommunistische partijen: dat van het kapitaal. Het feit dat ze minder invloed hebben of dat ze een meer radicale taal aanslaan doet niets af aan het in wezen burgerlijke karakter van hun programma en hun aard, maar maakt ze tot nuttige ronselaars vóór of plaatsvervangers vàn deze partijen.