6. De strijd van het proletariaat tijdens de vervalperiode van het kapitalisme

Printvriendelijke versie

Sinds haar eerste optreden draagt de strijd van de arbeidersklasse voor de verdediging van haar eigen belangen het perspectief in zich van de vernietiging van het kapitaal en van de komst van de kommunistische maatschappij.

Het proletariaat streeft het uiteindelijke doel van zijn strijd echter niet na uit idealisme, geleid door een goddelijke ingeving. Als het ertoe komt zijn kommunistische taken op te nemen, dan is het omdat de materiele voorwaarden waarbinnen zijn onmiddellijke strijd zich afspeelt het uiteindelijk daartoe drijven omdat elke andere strijdvorm tot een ramp leidt.

Zolang de bourgeoisie er in slaagt, dankzij de geweldige uitbreiding van haar rijkdommen over de hele wereld tijdens de opkomstperiode van het kapitalisme, werkelijke hervormingen van de levensomstandigheden van het proletariaat te verlenen, ontbreekt het de arbeidersstrijd aan de objectieve voorwaarden nodig voor de verwezenlijking van zijn revolutionaire aanval.

Ondanks de revolutionaire, kommunistische wil die sinds de burgerlijke revolutie bij de meest radicale tendensen van het proletariaat naar voren komt, blijft de arbeidersstrijd tijdens deze historische periode beperkt tot de strijd voor hervormingen.

Het leren zichzelf te organiseren om door middel van parlementaire strijd en vakbeweging politieke en economische hervormingen af te dwingen wordt aan het eind van de negentiende eeuw één van de voornaamste hoofdlijnen van de proletarische activiteit. Daarom treft men binnen echte arbeidersorganisaties ‘reformistische’ elementen aan (voor wie iedere arbeidersstrijd beperkt moet blijven tot een strijd voor hervormingen) naast de revolutionairen (voor wie de hervormingsstrijd slechts een etappe, een moment kan zijn van het proces dat leidt naar de revolutionaire strijd).

Zo konden we in dezelfde periode ook zien dat het proletariaat bepaalde fracties van de bourgeoisie ondersteunde tegen andere, meer reactionaire fracties, met als doel de verandering van de maatschappij in haar voordeel af te dwingen, wat objectief gezien overeenkwam met de versnelling in de ontwikkeling van de productiekrachten.

Het geheel van deze voorwaarden verandert grondig in het kapitalisme in verval. De wereld is te nauw geworden om al de bestaande nationale kapitalen te omvatten. In elke natie wordt het kapitaal gedwongen zijn productiviteit, dat wil zeggen de uitbuiting van de arbeiders, tot het uiterste op te drijven.

De organisatie van de uitbuiting van het proletariaat is dan niet langer een kwestie tussen ondernemers en arbeiders. Het wordt een staatsaangelegenheid en de duizend nieuwe radertjes die worden geschapen om ze in te kaderen, te beheren, voortdurend te ontdoen van elk revolutionair gevaar, om ze te onderwerpen aan een even stelselmatige als verraderlijke onderdrukking.

De inflatie, die sinds de Eerste Wereldoorlog een permanent verschijnsel is geworden, knaagt aan elke ‘loonsverhoging’. De duur van de arbeidstijd blijft gelijk of vermindert alleen om de verlenging van de reistijden compenseren of om een volledige zenuwinstorting van de werkenden te voorkomen, die een steeds verder opgedreven levens- en arbeidsritme moeten ondergaan.

De strijd voor hervormingen is een platte utopie geworden. De arbeidersklasse kan tegen het kapitaal uiteindelijk slechts een strijd op leven en dood voeren. Zij heeft geen andere keuze dan ofwel het aanvaarden van haar versplintering in een optelsom van miljoenen verpletterde en ingekapselde individuen, óf de strijd aan te gaan door de staat zelf het hoofd te bieden door de strijd op de grootst mogelijke schaal uit te breiden, door te weigeren zich te laten opsluiten in het puur economische kader of in de plaatselijke begrenzing van fabriek en beroep, en door naar de organisatievormen te grijpen die de kiemen vormen van haar machtsorganen: de arbeidersraden.

Binnen deze nieuwe historische omstandigheden zijn veel vroegere wapens van het proletariaat ondoelmatig geworden. De politieke stromingen die het gebruik ervan aanprijzen doen dit enkel om het beter vast te ketenen aan de uitbuiting en om iedere strijdwil des te beter te breken.

Het onderscheid dat in de arbeidersbeweging van de negentiende eeuw werd gemaakt tussen maximum- en minimumprogramma heeft iedere betekenis verloren. Geen enkel minimumprogramma is nog mogelijk. De arbeidersklasse kan haar strijd enkel ontwikkelen door die in het vooruitzicht te plaatsen van een maximumprogramma: de kommunistische revolutie.