Mei 68 en het revolutionaire vooruitzicht (I): de studentenbeweging in de wereld in de jaren 1960

Printvriendelijke versieSend by email

Rubric: 

50 jaar na Mei 68

In januari 1969, bij de inauguratie van zijn eerste mandaat als president van de Verenigde Staten, verklaarde Richard Nixon: Wij hebben eindelijk geleerd om een moderne economie te beheren en zijn onafgebroken groei te waarborgen. Achteraf kan men vaststellen hoezeer een dergelijk optimisme wreed door de werkelijkheid werd verstoord: aan het begin van zijn tweede mandaat, nauwelijks vier jaar later, kenden de Verenigde Staten hun hevigste teruggang sinds de Tweede Wereldoorlog, een teruggang die gevolgd werd door talrijke andere, die steeds ernstiger waren. Maar men moet erkennen dat qua niet aflatend optimisme Nixon een jaar eerder door een ander meer ervaren staatshoofd was voorafgegaan: generaal de Gaulle, die tijdens de Tweede Wereldoorlog hoofd was van het “Vrije Frankrijk” en sinds 1958 President van de Franse Republiek.

Had de grand homme in zijn toespraak aan het volk niet verklaard: Ik begroet het jaar 1968 met een gerust gevoel.? We hebben geen vier jaar moeten wachten voordat dit optimisme werd weggeveegd; vier maanden volstonden opdat het geruste gevoel van de Général het veld ruimde voor de grootste verwarring. Het is waar dat de Gaulle niet alleen het hoofd moest bieden aan een bijzonder heftige en massale studentenrevolte, maar ook en vooral aan de grootste staking in de geschiedenis van de internationale arbeidersbeweging. Er is weinig verbeelding voor nodig om vast te stellen dat 1968 geen “rustig” jaar is geweest voor Frankrijk: het was en blijft tot nu toe zelfs het meest onrustige jaar sinds de Tweede Wereldoorlog. Maar het was niet alleen Frankrijk die in dat jaar grote beroeringen doormaakte, verre van dat. Twee auteurs die niet beticht kunnen worden van “franco-centrisme”, de Engelsman David Caute en de Amerikaan Mark Kurlansky, zijn duidelijk over dit onderwerp: “1968 was het meest turbulente jaar sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. Een keten van opstanden troffen Amerika en West-Europa en verspreidden zich zelfs tot Tsjecho-Slowakije; ze stelden de naoorlogse wereldorde in vraag.” [1] “Er was geen jaar dat leek op 1968 en het is waarschijnlijk dat er nooit meer iets gelijkaardigs zal komen. In een tijd waarin naties en culturen nog gescheiden waren en zich duidelijk aftekenden (...) ontvlamde er een geest van rebellie in de vier uithoeken van de wereld. Er waren andere jaren van revolutie geweest: 1848 bijvoorbeeld, maar in tegenstelling tot 1968 bleven die gebeurtenissen beperkt tot Europa...” [2]

Veertig jaar na dit “hete jaar”, wanneer we in een aantal landen getuige zijn van een vloedgolf van radio- en televisie-uitzendingen over dit onderwerp, is het de taak van de revolutionairen om terug te komen op de belangrijkste gebeurtenissen van dit jaar, niet om er een gedetailleerde of uitputtende beschrijving van te geven [3], maar om de ware betekenis ervan vast te stellen. Het is in het bijzonder hun taak om een oordeel te vellen over een idee dat vandaag de dag zeer wijdverbreid is en dat op pagina 4 van Kurlansky's boek staat: “Of het nu historici of politieke wetenschappers zijn, specialisten in de menswetenschappen over de hele wereld zijn het erover eens dat er een tijd vóór en een tijd na 1968 bestaat”.

Laten we maar meteen zeggen dat we dit oordeel volledig delen, maar zeker niet om de redenen die algemeen worden aangehaald: “seksuele bevrijding”, “bevrijding van de vrouw”, het in vraag stellen van het autoritarisme in familierelaties, de “democratisering” van bepaalde instellingen (zoals de universiteit), nieuwe artistieke vormen, enzovoort. In deze zin stelt dit artikel dan ook voor de aandacht te vestigen op de werkelijke verandering die zich volgens de IKS in 1968 heeft voltrokken.

Het jaar 1968 wordt naast een hele reeks vrij aanzienlijke feiten op zich (zoals het Tet-offensief van de Vietcong in februari dat, hoewel het uiteindelijk door het Amerikaanse leger werd afgeslagen, duidelijk heeft aangetoond dat de laatste er nooit in zou slagen de oorlog in Vietnam te winnen evenals de interventie van de Sovjettanks in Tsjecho-Slowakije in augustus), gekenmerkt door een geest van rebellie, die de vier uithoeken van de aardbol spontaan in lichterlaaie heeft gezet, zoals Caute en Kurlansky benadrukken.

En bij de invraagstelling van de bestaande orde is het belangrijk om twee componenten van ongelijke omvang en ook van ongelijk belang te onderscheiden. Aan de ene kant de studentenrevolte, die bijna alle landen van het westerse blok trof en zich zelfs op een bepaalde manier uitbreidde naar landen van het Oostblok. Aan de andere kant de massale strijd van de arbeidersklasse die dat jaar fundamenteel slechts één land trof, Frankrijk.

In dit eerste artikel gaan we alleen het eerste aspect behandelen, niet omdat het het belangrijkste is, verre van dat, maar omdat het grotendeels voorafgaat aan het tweede en omdat het tweede zelf een prominente historische betekenis heeft, die veel verder gaat dan die van studentenrevoltes.

De studentenbeweging in de wereld…

De grootste en belangrijkste bewegingen van deze periode vinden plaats op het grondgebied van de eerste wereldmacht, te beginnen in 1964. Met name aan de universiteit van Berkeley, in Noord-Californië, zal het studentenprotest voor het eerst een massaal karakter krijgen. De eis die de  studenten op de eerste plaats op de been brengt is die van de “free speech movement” (de beweging voor vrije politieke meningsuiting) ten gunste van de vrijheid van politieke expressie binnen de muren van de universiteit. Geconfronteerd met de ronselaars van het Amerikaanse leger willen de protesterende studenten propaganda maken tegen de Vietnam-oorlog en ook tegen rassenscheiding (het is één jaar na de “mars voor de burgerrechten” van 28 augustus 1963 in Washington, waar Martin Luther King zijn beroemde toespraak “I have a dream” hield).

Aanvankelijk reageren de autoriteiten uiterst repressief, met name door het inzetten van politie tegen de “sit-ins”, tegen de vreedzame bezetting van de gebouwen, waarbij 800 arrestaties worden verricht. Ten slotte staan de universitaire autoriteiten, begin 1965, politieke activiteiten toe aan de universiteit, die één van de belangrijkste centra zal worden van het studentenprotest in de Verenigde Staten. Tegelijkertijd wordt Ronald Reagan, met de leuze “de rommel opruimen op Berkeley”, eind 1965, tegen alle verwachtingen in gekozen tot gouverneur van Californië. De beweging zal zich de daaropvolgende jaren massaal ontwikkelen en radicaliseren rond het protest tegen de rassenscheiding, voor de verdediging van vrouwenrechten en vooral tegen de Vietnam-oorlog.

Terwijl jonge Amerikanen, vooral studenten, massaal naar het buitenland vluchten om te voorkomen dat ze naar Vietnam worden gestuurd, worden de meeste universiteiten van het land getroffen door massale anti-oorlogsbewegingen en ontstaan er ongeregeldheden in de zwarte getto's van de grote steden (het aandeel van jonge zwarten onder de soldaten, die naar Vietnam worden gestuurd, is veel hoger dan het nationale gemiddelde). Deze protestbewegingen worden vaak krachtig onderdrukt; eind 1967 worden 952 studenten veroordeeld tot zware gevangenisstraffen omdat ze weigeren naar het front te gaan en op 8 februari 1968 worden drie studenten gedood bij een betoging voor burgerrechten in Zuid-Carolina.

1968 is het jaar waarin de bewegingen hun grootste omvang zullen bereiken. In maart bezetten zwarte studenten van de Howard Universiteit in Washington 4 dagen lang de gebouwen. Van 23 tot 30 april 1968 wordt de Columbia Universiteit in New York bezet, uit protest tegen de bijdrage van haar faculteiten aan de activiteiten van het Pentagon en uit solidariteit met de bewoners van het naburige zwarte getto van Harlem. Eén van de elementen die de ontevredenheid radicaliseerde is de moord op Martin Luther King op 4 april, die werd gevolgd door talrijke gewelddadige rellen in de zwarte getto's van het land.

De bezetting van de Colombia Universiteit is een van de hoogtepunten van het studentenprotest in de Verenigde Staten, die nieuwe confrontaties op gang zal brengen. In mei zijn twaalf universiteiten in staking gegaan om te protesteren tegen racisme en de oorlog in Vietnam. Californië wordt in de zomer in vuur en vlam gezet, met gewelddadige botsingen, twee nachten lang, tussen studenten en politie aan de Universiteit van Berkeley, die de gouverneur van Californië, Ronald Reagan, ertoe brengt de noodtoestand uit te roepen en een uitgaansverbod in te stellen. Deze nieuwe golf van confrontaties zal zijn meest gewelddadige momenten beleven tussen 22 en 30 augustus in Chicago, met ernstige ongeregeldheden, tijdens de Conventie van de Democratische Partij.

De revoltes van Amerikaanse studenten breiden zich in de loop van dezelfde periode uit naar talloze andere landen

Op het Amerikaanse continent zelf zijn het Brazilië en Mexico waar de studenten het meest in beweging zijn.

In 1967 vinden er in Brazilië betogingen plaats tegen de regering en tegen Amerika. Op 28 maart 1968 komt de politie tussenbeide in een studentenvergadering waarbij één student, Luis Edson, wordt gedood en verscheidene anderen ernstig gewond raken, van wie er één enkele dagen later alsnog overlijdt. De begrafenis van Luis Edson op 29 maart leidt tot een grote demonstratie. Van de universiteit van Rio de Janeiro, waar een onbeperkte staking begint, breidt de beweging zich uit tot de universiteit van Sao-Paulo, waar barricades worden opgeworpen. Op 30 en 31 maart vinden in het hele land nieuwe betogingen plaats. Op 4 april worden in Rio 600 mensen gearresteerd. Ondanks repressie en de reeks van arrestaties vinden er tot oktober bijna dagelijks betogingen plaats.

Enkele maanden later wordt Mexico getroffen. Eind juli breekt de studentenrevolte uit in Mexico-Stad waarbij de politie reageert met de inzet van tanks. Het hoofd van de politie van het “Federale District” van Mexico-Stad rechtvaardigt de repressie als volgt: het gaat erom “een subversieve beweging” te blokkeren die “de neiging heeft om aan de vooravond van de 19e Olympische Spelen een sfeer van vijandigheid tegenover onze regering en ons land te scheppen”. De onderdrukking wordt voortgezet en geïntensiveerd. Op 18 september wordt de universiteitscampus bezet door de politie. Op 21 september worden 736 mensen gearresteerd tijdens nieuwe botsingen in de hoofdstad.

Op 30 september wordt de universiteit van Veracruz bezet. Op 2 oktober tenslotte laat de regering (met gebruik van paramilitaire troepen zonder uniform) het vuur openen op een betoging van 10.000 studenten op het Place des Trois-Cultures in Mexico-Stad. Deze gebeurtenis, die zal worden herinnerd als het bloedbad van Tlatelolco, leidt tot minstens 200 doden, 500 ernstig gewonden en 2000 arrestaties. Zo zorgt president Díaz Ordaz ervoor dat de Olympische Spelen vanaf 12 oktober “vreedzaam” kunnen plaatsvinden. Na de wapenstilstand van de Olympische Spelen zullen de studenten de beweging nog enkele maanden voortzetten.

Niet alleen het Amerikaanse continent wordt getroffen door deze golf van studentenrevoltes. In feite worden ALLE continenten erin betrokken.

In Azië is Japan het toneel van bijzonder spectaculaire bewegingen. Al in 1963 en gedurende de rest van de jaren zestig vinden er gewelddadige demonstraties plaats tegen de Verenigde Staten en tegen de Vietnam-oorlog, voornamelijk onder leiding van de Zengakuren (Nationaal Verbond van Autonome Comité’s van Japanse Studenten). Aan het eind van het voorjaar van 1968 belegeren de protesterende studenten massaal de scholen en de universiteiten. Er wordt een leuze gelanceerd: "Laten we Kanda [het universiteitsdistrict in Tokio] veranderen in een Quartier Latin”.

In oktober bereikt de beweging, versterkt door de deelname van arbeiders, haar hoogtepunt. Op 9 oktober leiden gewelddadige botsingen tussen politieagenten en studenten in Tokio, Osaka en Kyoto tot 80 gewonden en 188 arrestaties. De anti-oproerwet wordt opnieuw in leven geroepen en 800.000 mensen gaan de straat op om te protesteren tegen het besluit. In reactie op de inval van de politie in de universiteit van Tokio, teneinde de bezetting te beëindigen, gaan er op 25 oktober 6.000 studenten in staking. De Universiteit van Tokio, het laatste bastion dat nog in handen is van de beweging, valt midden januari 1969.

In Afrika zijn er twee landen die opvallen: Senegal en Tunesië.

In Senegal verwerpen de studenten de rechtse oriëntatie van de machthebbers en de neokoloniale invloed van Frankrijk en eisen een herstructurering van de universiteit. Op 29 mei 1968 wordt de algemene staking van studenten en arbeiders door Léopold Sédar Senghor, lid van de “Socialistische Internationale”, met de hulp van het leger hard onderdrukt De repressie veroorzaakt één dode en 20 gewonden aan de Universiteit van Dakar. Op 12 juni gaat een betoging van studenten en middelbare scholieren in de buitenwijken van Dakar gepaard met nog een slachtoffer.

In Tunesië begon de beweging in 1967. Op 5 juni wordt in Tunis, tijdens een betoging tegen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, die ervan beschuldigd worden Israël te steunen tegen de Arabische landen, het Amerikaanse culturele centrum geplunderd en de Britse ambassade aangevallen. Een student, Mohamed Ben Jennet, wordt gearresteerd en veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf. Op 17 november demonstreren studenten tegen de Vietnam-oorlog. Van 15 tot 19 maart 1968 gaan ze in staking en demonstreren ze voor de vrijlating van Ben Jennet. De beweging wordt onderdrukt door een reeks arrestaties.

… in Europa…

Maar in Europa maakte de studentenbeweging haar belangrijkste en meest spectaculaire ontwikkelingen door.

In Groot-Brittannië begint de beroering vanaf oktober 1966 in de zeer respectabele London School of Economics (LSE), één van de Mekka's van het burgerlijke economische denken, waar de studenten protesteren tegen de benoeming tot president van een figuur die bekend staat om zijn banden met de racistische regimes van Rhodesië (nu Zimbabwe) en Zuid-Afrika. Daarna wordt de LSE nog steeds geraakt door protestbewegingen. Zo is er in maart 1967 een vijfdaagse sit-in tegen de disciplinaire maatregelen die leiden tot de vorming van een “vrije universiteit”, naar het voorbeeld van de Amerikaanse universiteiten. In december 1967 vinden er sit-ins plaats aan het Regent Street Polytechnic en aan het Holborn College of Law and Commerce, beide met een eis tot studentenvertegenwoordiging in de bestuursinstellingen.

In mei en juni 1968 vinden er bezettingen plaats aan de Universiteit van Essex, aan het Hornsey College of Art, in Hull, Bristol en Keele, gevolgd door andere protestbewegingen in Croydon, Birmingham, Liverpool, Guildford en aan het Royal College of Arts. De meest spectaculaire betogingen (met veel mensen met verschillende achtergronden en met even uiteenlopende benaderingen) zijn die tegen de Vietnam-oorlog: in maart en oktober 1967, in maart en oktober 1968 (de laatste is de meest massale), die allemaal aanleiding geven tot gewelddadige botsingen met de politie met honderden gewonden en arrestaties voor de Amerikaanse ambassade op het Grosvenorplein.

In België gaan de studenten vanaf april 1968 verschillende keren de straat op om hun oppositie tegen de Vietnam-oorlog tot uiting te brengen en om een reorganisatie in het functioneren van het universitaire systeem te vragen. Op 22 mei bezetten zij de Vrije Universiteit van Brussel en verklaren deze “open voor het volk”. Eind juni, na het besluit van de Universiteitsraad om rekening te houden met een aantal van hun eisen, ontruimen ze het gebouw.

Vanaf 1967 vermenigvuldigen de studenten in Italië het aantal bezettingen van de universiteiten en vinden er regelmatig botsingen plaats met de politie. In februari 1968 is de universiteit van Rome bezet. De politie ontruimt het pand, wat de studenten doet besluiten om zich te installeren in de faculteit architectuur, in de Villa Borghese. Er vinden gewelddadige botsingen plaats, bekend als de “Slag om Valle Giulia”, met de politie, die charges uitvoert tegen de studenten. Tegelijkertijd ontstaan er spontane bewegingen van woede en revoltes in industrieën waar de vakbonden zwak staan (Marzotto-fabriek in Venetië). Dit brengt de vakbonden ertoe een algemene stakingsdag uit te roepen in de industrie, die massaal wordt opgevolgd. Ten slotte zullen de verkiezingen van mei een einde maken aan deze beweging, die vanaf het voorjaar begon af te brokkelen.

In het Spanje van Franco vinden er vanaf 1966 een golf van arbeidersstakingen en universitaire bezettingen plaats. De beweging komt in 1967 in een stroomversnelling en zet zich voort in 1968. Studenten en arbeiders tonen hun solidariteit, zoals op 27 januari 1967 als 100.000 arbeiders demonstreren in reactie op de wrede onderdrukking van een dag van betogingen in Madrid, die de studenten, die hun toevlucht hebben gezocht in het gebouw van de Economische Wetenschappen, ertoe aanzet om 6 uur lang het gevecht aan te gaan met de politie. De autoriteiten onderdrukken de demonstranten met alle middelen: de pers wordt gecontroleerd, activisten van clandestiene bewegingen en vakbonden worden gearresteerd. Op 28 januari 1968 stelt de regering in elke universiteit een “universiteitspolitie” in. Dit verhindert niet dat de onrust onder studenten weer oplaait, tegen het Franco-regime en ook tegen de Vietnam-oorlog, wat de autoriteiten noodzaakt de Universiteit van Madrid in maart voor onbepaalde tijd te sluiten.

Van alle landen in Europa heeft Duitsland de sterkste studentenbeweging.

In dit land wordt er eind 1966 een “buitenparlementaire oppositie” gevormd, met name als reactie op de deelname van de sociaal-democratie aan de regering. Deze is vooral gebaseerd op een groeiend aantal studentenvergaderingen aan de universiteiten, die worden geanimeerd door discussies over de doelstellingen en de middelen van het protest. In navolging van de Verenigde Staten worden tal van academische discussiegroepen opgericht; als tegenpool tegen de “gevestigde” burgerlijke universiteiten wordt er een “kritische universiteit” opgericht. Een oude traditie van debat, van discussies in openbare algemene vergaderingen, wordt nieuw leven ingeblazen.

Ook al worden veel studenten aangetrokken door spectaculaire acties, de belangstelling voor de theorie, voor de geschiedenis van de arbeidersbeweging duikt opnieuw op en, met die belangstelling, de moed om de omverwerping van het kapitalisme te overwegen. Veel elementen spreken de hoop uit op het ontstaan van een nieuwe samenleving. Vanaf dat moment wordt de protestbeweging in Duitsland op internationaal niveau beschouwd als het meest actief in de theoretische discussies, het meest diepgaand in deze discussies, het meest politiek.

Parallel aan deze overdenking vinden tal van manifestaties plaats. De Vietnam-oorlog is hiervan uiteraard de belangrijkste reden in een land wiens regering haar volledige steun geeft aan de Amerikaanse militaire macht, maar dat zelf ook bijzonder getekend was door de Tweede Wereldoorlog. Op 17 en 18 februari vond er in Berlijn een internationaal congres plaats tegen de Vietnam-oorlog, gevolgd door een betoging met zo'n 12.000 deelnemers. Maar deze betogingen, die in 1965 begonnen, hekelen ook de ontwikkeling van het politiekarakter van de staat, in het bijzonder het ontwerp van de uitzonderingswet die de staat de mogelijkheid geeft om de noodtoestand uit te roepen en de repressie te intensiveren. De SPD, die in 1966 de CDU vervoegt in een “grote coalitieregering”, blijft trouw aan haar beleid van 1918-1919, toen zij leiding gaf aan de bloedige verplettering van het Duitse proletariaat.

Op 2 juni 1967 wordt er een betoging tegen de komst van de sjah van Perzië naar Berlijn met het grootste geweld onderdrukt door de Duitse “democratische” staat, die met deze bloeddorstige dictator de beste betrekkingen onderhoudt. Een student, Benno Ohnesorg, wordt doodgeschoten door een schot in de rug, afgeschoten door een agent in uniform (die later werd vrijgesproken). Na deze moord worden de weerzinwekkende lastercampagnes tegen de protestbewegingen, vooral tegen hun leiders, geïntensiveerd. Bild-Zeitung, een tabloid met een grote oplage, eist dat “De terreur van de rode jeugd nu wordt gestopt”. Tijdens een door de Berlijnse Senaat georganiseerde pro-Amerikaanse demonstratie op 21 februari 1968 roepen de deelnemers Rudi Dutschke, de belangrijkste woordvoerder van de protestbeweging, uit “als vijand nr. 1 van het volk”.

Een voorbijganger, die op “Rode Rudi” lijkt, wordt door demonstranten aangevallen, die hem dreigen te vermoorden. Een week na de moord op Martin Luther King bereikt deze haatdragende campagne op 11 april haar hoogtepunt met de moordaanslag op Dutschke door Josef Bachmann, een opgewonden jongeman, duidelijk beïnvloed door de hysterische campagnes, die ontketend worden door de pers van magnaat Axel Springer, baas van de Bild-Zeitung [4]. Daarop volgen rellen tegen dit sinistere individu en zijn persgroep. Voordat de aandacht overging naar Frankrijk, heeft de studentenbeweging in Duitsland een aantal weken lang haar rol bevestigd als referentiepunt voor alle bewegingen die het merendeel van de Europese landen treffen.

... en in Frankrijk

De grootste episode van de studentenrevolte in Frankrijk begon op 22 maart 1968 aan de Universiteit van Nanterre, in de westelijke voorstad van Parijs. Op zich waren de gebeurtenissen van die dag niet uitzonderlijk: een ultra-linkse student van deze universiteit, die ervan verdacht wordt te hebben deelgenomen aan een aanval op American Express in Parijs tijdens een gewelddadige demonstratie tegen de Vietnam-oorlog wordt aangehouden. Uit protest tegen zijn arrestatie houden 300 van zijn kameraden een meeting in een amfitheater en besluiten 142 van hen om 's nachts de zaal van de Universiteitsraad, in het administratiegebouw, te bezetten. Het is niet de eerste keer dat de studenten van Nanterre uiting geven aan hun ontevredenheid.

Nog maar een jaar eerder had er aan deze universiteit al een krachtmeting plaatsgevonden tussen studenten en politie over de vrije toegang tot het universitaire meisjestehuis, wat voor jongens verboden was. Op 16 maart 1967 had een vereniging van 500 bewoners, ARCUN, de afschaffing van het huishoudelijk reglement afgekondigd, dat onder andere vrouwelijke studenten, ook al waren ze meerderjarig (toen was dat vanaf 21 jaar), als minderjarig beschouwde. Daarna had de politie, op verzoek van de universiteitsadministratie, op 21 maart 1967 het meisjestehuis omsingeld met het plan de 150 jongens die zich daar bevonden en zich op de bovenste verdieping van het gebouw hadden gebarricadeerd, te arresteren.

Maar de volgende ochtend werd de politie zelf omsingeld door enkele duizenden studenten en kregen uiteindelijk het bevel om de gebarricadeerde studenten vrijuit het gebouw te laten verlaten. Maar noch dit incident, noch andere uitingen van woede van studenten, in het bijzonder die van de herfst van 1967 tegen het “plan Fouchet” voor de hervorming van de universiteit, hadden verdere gevolgen. Dat was heel anders na 22 maart 1968. Enkele weken later zou een opeenvolging van gebeurtenissen niet alleen leiden tot de grootste studentenmobilisatie sinds de oorlog, maar vooral tot de grootste staking uit de geschiedenis van de internationale arbeidersbeweging.

Vóór de zaal van de universiteitsraad te verlaten besluiten de 142 bezetters om de agitatie in stand te houden en te ontwikkelen, en de “22 maart Beweging” (M22) op te richten. Het is een informele beweging, oorspronkelijk samengesteld uit trotskisten van de Ligue Communiste Révolutionnaire (LCR) en anarchisten (waaronder Daniel Cohn-Bendit), en waar zich eind april de maoïsten van de Union des jeunesses communistes marxistes-léninistes (UJCML), bij aansluiten en die in de daaropvolgende weken meer dan 1200 deelnemers zal bijeenbrengen.

De muren van de universiteit worden bedekt met affiches en graffiti: “Professoren, jullie zijn oud en jullie cultuur ook”, “Laat ons leven”, “Neem je verlangens voor werkelijkheid”. De M22 kondigt voor 29 maart een “kritische universiteitsdag” aan, naar het voorbeeld van de acties van de Duitse studenten. De rector besluit de universiteit tot 1 april te sluiten, maar de agitatie wordt hervat zodra de universiteit heropend wordt. Voor 1000 studenten stelt Cohn-Bendit: “Wij weigeren de toekomstige kaders te worden van de kapitalistische uitbuiting”.

De meeste professoren reageren conservatief: op 22 april eisen 18 van hen, waaronder mensen van “links” dat “maatregelen en middelen worden ingezet om de agitatoren te ontmaskeren en te straffen”. De rector laat een hele reeks repressieve maatregelen aannemen, in het bijzonder de vrije toegang van de politie tot de campus, terwijl er in de pers een campagne wordt ontketent tegen de “dollemannen”, de “kleine groepjes” en de “anarchisten”. De Franse “communistische” partij (PCF) volgt haar daarin: op 26 april houdt Pierre Juquin, lid van het centraal comité, een meeting in Nanterre: “Die agitatoren-rijkeluiszoontjes beletten de zonen van arbeiders te slagen voor hun examens”. Hij kan zijn toespraak niet afmaken en moet zich uit de voeten maken. In de l’Humanité van 3 mei gaat Georges Marchais, de nummer twee van de PCF, op zijn beurt ook te keer: “Die valse revolutionairen moeten met kracht ontmaskerd worden, aangezien ze objectief de belangen dienen van de Gaullistische machthebbers en de grote kapitalistische monopolies.”.

Op de campus van Nanterre wordt er steeds vaker gevochten tussen ultra-linkse studenten en de fascistische groepen van Occident, die naar Parijs komen om die “bolsjewiki in elkaar te slaan”. Geconfronteerd met deze situatie besluit de rector op 2 mei om de universiteit opnieuw te sluiten, die door de politie afgegrendeld wordt. De studenten van Nanterre besluiten de volgende dag een meeting te houden op de binnenplaats van de Sorbonne om te protesteren tegen de sluiting van hun universiteit en het voor de tuchtraad dagen van 8 leden van M22, waaronder Cohn-Bendit.

De meeting telt slechts 300 deelnemers: de meeste studenten zijn druk bezig met de voorbereiding van hun examens. De regering, die een einde wil maken aan de agitatie, besluit echter een grote slag toe te brengen door de Quartier Latin te bezetten en de Sorbonne te laten omsingelen door de politiediensten, die er ook binnengaat, wat in geen eeuwen meer was gebeurd. De studenten,  die zich in de Sorbonne verschanst hebben, krijgen de verzekering dat ze zonder problemen kunnen vertrekken. Maar terwijl meisjes vrij kunnen vertrekken, worden de jongens, zodra ze zich op de stoep begeven, systematisch naar de “boevenwagens” geleid.

Al snel verzamelen zich honderden studenten op het plein van de Sorbonne die de politie beginnen uit te jouwen. Het begint traangasgranaten te regenen: het plein wordt ontruimd, maar de steeds talrijker wordende groep studenten gaat dan de groepjes politieagenten en hun auto’s te lijf. De botsingen gaan 's avonds 4 uur lang door: 72 politieagenten raken gewond en 400 demonstranten worden gearresteerd. De dagen daarop grendelt de politie de Sorbonne volledig af, terwijl 4 studenten tot effectieve gevangenisstraffen worden veroordeeld. Deze politiek van harde aanpak zal de agitatie niet doen verstommen, maar haar juist een massaal karakter geven.

Vanaf maandag 6 mei worden de confrontaties met de politie die rond de Sorbonne wordt ingezet, afgewisseld met groeiende betogingen, waartoe wordt opgeroepen door M22, UNEF (studentenvakbond) en de SNESup (vakbond van het onderwijzend personeel van de hogescholen) en die 45.000 deelnemers tellen. In de betoging wordt geroepen: “De Sorbonne aan de studenten”, “De smerissen uit Quartier Latin” en in het bijzonder “Onze kameraden vrij”. Studenten worden vergezeld door een groeiend aantal middelbare scholieren, leraren, werkers en werklozen. Op 7 mei steekt de betoging bij verrassing de Seine over en kruist de Champs-Élysées, op een steenworp afstand van het presidentieel paleis. De internationale weerklinkt onder de Arc de Triomphe, waar meestal de Marseillaise of de Sonnerie aux Morts wordt gehoord. De demonstraties slaan ook over naar enkele steden in de provincie. 

De regering wil een blijk van goede wil tonen door… op 10 mei de universiteit van Nanterre te heropenen. Diezelfde avond staan tienduizenden betogers in het Quartier Latin oog in oog met de politie, die de Sorbonne afgrendelt. Om 21.00 uur beginnen enkele betogers barricades op te richten (het zullen er zo’n zestig worden). Om middernacht wordt een delegatie van 3 docenten en 3 studenten (waaronder Cohn-Bendit) ontvangen door de rector van de Academie van Parijs, maar deze laatste kan, terwijl hij de heropening van de Sorbonne toezegt, niets beloven over de vrijlating van de studenten die op 3 mei zijn gearresteerd. Om twee uur in de morgen begint de oproerpolitie CRS de barricades te bestormen nadat die overvloedig met traangas zijn bestookt.

De botsingen zijn buitengewoon gewelddadig en hebben aan beide zijden honderden gewonden tot gevolg. Bijna 500 betogers worden gearresteerd. In de Quartier Latin betuigen veel inwoners hun sympathie door de studenten thuis op te vangen of door water op straat te gooien dat hen moet beschermen tegen traangas en granaten. Al deze gebeurtenissen, en met name de getuigenissen over de wreedheid van de repressiekrachten, worden van minuut tot minuut op de radio gevolgd door honderdduizenden mensen. Om 6 uur in de morgen “heerst er orde” in de Quartier Latin, dat door een tornado lijkt te zijn getroffen.

Op zaterdag 11 mei is de verontwaardiging in Parijs en de rest van Frankrijk enorm. Overal vinden spontane optochten plaats, waaraan niet alleen studenten aan deelnemen, maar ook honderdduizenden betogers van allerlei komaf, waaronder veel jonge arbeiders of ouders van studenten. In de provincies worden talrijke universiteiten bezet; overal, op straat, op de pleinen, wordt het optreden van de repressiekrachten bediscussieerd en veroordeeld.

Geconfronteerd met deze situatie kondigt de eerste minister Georges Pompidou 's avonds aan dat de politie vanaf maandag 13 mei uit de Quartier Latin zal worden teruggetrokken, dat de Sorbonne zal worden heropend en dat de gevangengezette studenten zullen worden vrijgelaten.

Diezelfde dag roepen alle vakcentrales, waaronder de CGT (een centrale die tot dan toe door de PCF werd geleid en die “ultalinkse” studenten onophoudelijk bleef aanvallen) en de politievakbonden op tot een staking en betogingen op 13 mei om te protesteren tegen de repressie en de politiek van de regering.

Op 13 mei vinden in alle steden van het land de belangrijkste demonstraties plaats sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. Aan de zijde van de studenten is de arbeidersklasse massaal aanwezig. Een van de populairste leuzen is: “Tien jaar is genoeg!” onder verwijzing naar de datum van 13 mei 1958, toen de Gaulle opnieuw aan de macht kwam. Aan het eind van de betogingen worden bijna alle universiteiten bezet, niet alleen door de studenten maar ook door veel jonge arbeiders. Overal wordt vrijuit gesproken. De discussies beperken zich niet tot academische kwesties, of de repressie. Ze beginnen alle sociale problemen op te rakelen: de arbeidsomstandigheden, de uitbuiting, de toekomst van de maatschappij.

Op 14 mei worden de discussies in veel bedrijven voortgezet. Na de reusachtige betoging van de dag ervoor, met het enthousiasme en het gevoel van kracht dat eruit voortvloeit, is het moeilijk om weer aan het werk te gaan alsof er niets is gebeurd. In Nantes ontketenen de arbeiders van Sud-Aviation, meegevoerd door de jongsten onder hen, een spontane staking en besluiten de fabriek te bezetten. De arbeidersklasse is begonnen de fakkel over te nemen...

De betekenis van de studentenrevoltes in de jaren 1960

Kenmerkend voor al deze bewegingen is natuurlijk vooral de verwerping van de Vietnam-oorlog. Maar terwijl de stalinistische partijen, bondgenoten van het regime in Hanoi en Moskou, logischerwijs de leiding ervan hadden moeten nemen, in ieder geval in die landen waar ze een belangrijke invloed hadden, zoals het geval was bij de anti-oorlogsbewegingen tijdens de Koreaanse oorlog in het begin van de jaren 1950, is dat hier absoluut niet het geval.

Integendeel, deze partijen hebben vrijwel geen invloed en keren zich vaak compleet tegen deze bewegingen [5]. Dat is één van de kenmerken van de studentenbewegingen aan het eind van de jaren 1960 die de diepere betekenis ervan blootlegt. Dat is de betekenis die we nu gaan proberen vast te stellen. Daarvoor is het uiteraard noodzakelijk om in herinnering te roepen wat de belangrijkste thema's waren van de studenten in deze periode in beweging brachten.

De thema’s van de revolterende studenten in de Verenigde Staten in de jaren 1960.

Als het verzet tegen de oorlog gevoerd door de Verenigde Staten in Vietnam in alle westerse landen het meest verbreide en sterkst mobiliserende thema was, dan is het natuurlijk niet toevallig dat de eerste studentenrevoltes zich in dat land begonnen te ontwikkelen. De Amerikaanse jeugd werd rechtstreeks en onmiddellijk met het oorlogsvraagstuk geconfronteerd, aangezien zij het waren die werden uitgezonden om de “vrije wereld” te verdedigen. Tienduizenden jonge Amerikanen hebben met hun leven betaald voor de polotiek van hun regering, honderdduizenden keerden gewond of verminkt uit Vietnam terug, miljoenen zijn voor het leven getekend door wat ze in dat land hebben meegemaakt. Naast de verschrikkingen die ze ter plekke meemaakten en typisch zijn voor alle oorlogen, werden velen van hen geconfronteerd met de vraag: “Wat deden we in Vietnam?”

Het officiële discours was dat ze waren gestuurd om de “democratie”, de “vrije wereld” en de “beschaving” te verdedigen. Maar de realiteit die ze hadden meegemaakt, was flagrant in tegenspraak met deze argumenten: het regime dat ze moesten beschermen, het regime van Saigon, was allesbehalve “democratisch” of “beschaafd”: het was een militair, dictatoriaal en bijzonder corrupt regime. Op het terrein hadden Amerikaanse soldaten grote moeite om te begrijpen dat ze de “beschaving” verdedigden terwijl van hen verlangd werd om zich te gedragen als barbaren, die ongewapende arme boeren terroriseerden en afslachtten, waaronder vrouwen, kinderen en ouderen. Maar niet alleen de soldaten ter plekke waren aangeslagen door de verschrikkingen van de oorlog, dat was ook het geval voor een groeiend deel van de Amerikaanse jeugd.

Niet alleen waren de jongens bang om naar de oorlog te worden gestuurd en de meisjes om hun vrienden te verliezen, ook de “veteranen” die terugkwamen, of gewoon de televisiezenders [6], waren steeds meer op de hoogte van de barbaarsheid van de oorlog. De flagrante tegenstrijdigheid tussen de uitleg van de Amerikaanse regering over “de verdediging van de beschaving en de democratie” en haar acties in Vietnam was één van de voornaamste voedingbodems voor een revolte tegen de autoriteiten en traditionele waarden van de Amerikaanse bourgeoisie [7].

Deze revolte voedde in eerste instantie de Hippie-beweging, een vreedzame, geweldloze beweging die zich beriep op de “Flower Power” en waarvan één van haar leuzen “Make Love, not War” was. Het is waarschijnlijk geen toeval dat de eerste grootschalige studentenmobilisatie plaatsvond aan de Universiteit van Berkeley, in de buitenwijken van San Francisco, het Mekka van de hippies.

De thema's en vooral de middelen van deze mobilisatie vertoonden nog overeenkomsten met deze beweging: het gebruik van geweldloze “sit-ins” om de “Free Speech” te eisen. Maar zoals in veel andere landen daarna, en vooral in Frankrijk in 1968, was de repressie in Berkeley een belangrijke factor in de “radicalisering” van de beweging.

Vanaf 1967, met de oprichting van de Youth International Party, door Abbie Hoffman en Jerry Rubin, die een overgang had gemaakt naar de beweging van de geweldloosheid, gaf de revolterende beweging zichzelf een “revolutionair” perspectief tegen het kapitalisme. De nieuwe “helden” van de beweging waren niet langer Bob Dylan of Joan Baez, maar figuren als Che Guevara (die Rubin in 1964 in Havana had ontmoet). De ideologie van deze beweging was zeer verward.

Er zaten anarchistische ingrediënten in (zoals de cultus van vrijheid, met name seksuele vrijheid of drugsgebruik), maar ook stalinistische (Cuba en Albanië werden als een model beschouwd). De actiemiddelen waren grotendeels ontleend aan die van anarchisten, zoals bespotting en provocatie. Zo was één van de eerste wapenfeiten van het tandem Hoffman-Rubin het verspreiden van pakjes valse bankbiljetten op de Beurs van New York, wat een stormloop veroorzaakte onder de beursgangers om ze te bemachtigen. Eveneens stelden ze, tijdens de Democratische Conventie in de zomer van 1968, het varken Pigasus kandidaat voor het presidentschap van de Verenigde Staten [8], tegelijkertijd bereidden ze een gewelddadige confrontatie met de politie voor.

Om de belangrijkste kenmerken van de revoltebewegingen die de Verenigde Staten in de jaren zestig hebben geteisterd samen te vatten, kan men zeggen dat ze zich hebben gepresenteerd als een protest tegen de Vietnam-oorlog, tegen de rassendiscriminatie, tegen de ongelijkheid tussen de seksen en tegen de moraal en traditionele waarden van Amerika. Zoals de meesten van hun voornaamste persoonlijkheden (die zich als revolterende kinderen van de bourgeoisie presenteerden) vaststelden, had de beweging geenszins een proletarisch klassenkarakter. Het is geen toeval dat een van haar “theoretici”, de filosofieprofessor Herbert Marcuse, van mening was dat de arbeidersklasse “geïntegreerd” was en dat de krachten van de revolutie tegen het kapitalisme gezocht moesten worden bij onder de zwarte slachtoffers van discriminatie, boeren van de Derde Wereld of rebellerende intellectuelen.

…en in andere landen

In de meeste andere westerse landen vertonen de bewegingen, die de studentenwereld in de jaren 1960 op stelten hebben gezet, sterke gelijkenissen met die in de Verenigde Staten: verwerping van de Amerikaanse interventie in Vietnam, opstand tegen de autoriteiten, vooral de universitaire, tegen het gezag in het algemeen, tegen de traditionele moraal, vooral de seksuele moraal. Dit is één van de redenen waarom de stalinistische partijen, symbolen van het autoritarisme, geen weerklank vonden in deze revoltes terwijl ze toch deel uitmaakten van de aanklacht tegen de Amerikaanse interventie in Vietnam, tegen de strijdkrachten die ondersteund werden door het Sovjetblok, en zich beriepen op het “anti-kapitalisme”.

Het is waar dat het imago van de Sovjet-Unie ernstig was aangetast door de onderdrukking van de Hongaarse opstand van 1956 en dat het portret van de oude apparatsjik Brezjnev niet bijzonder inspireerde. De opstandelingen van de jaren 1960 hingen liever een poster op hun kamer van Ho Chi Minh (een andere oude apparatsjik, maar meer presentabel en “heldhaftiger”) en nog meer het romantische gezicht van Che Guevara (een ander lid van een stalinistische maar “exotische” partij) of van Angela Davis (ook lid van de Amerikaanse stalinistische partij, maar iemand die het dubbele voordeel had zwart en vrouw te zijn, met een knappe “look” zoals Che Guevara).

Deze component, die zowel anti-Vietnam en “libertair” is, vinden we in het bijzonder terug in Duitsland. De belangrijkste woordvoerder van de beweging, Rudi Dutschke, kwam uit de Oost-Duitse DDR, onder de heerschappij van de USSR. Daar had hij zich al op jonge leeftijd verzet tegen de onderdrukking van de Hongaarse opstand. Hij veroordeelde het stalinisme als een bureaucratische verdraaiing van het marxisme en beschouwde de Sovjet-Unie als deel van een en dezelfde keten van autoritaire regimes die de hele wereld regeerde. Zijn ideologische referenties waren zowel de “jonge Marx” als de Frankfurter Schule (waarvan Marcuse deel van uitmaakte), alsmede de Situationistische Internationale (waar de groep Subversive Aktion zich op beroept, waarvan hij in 1962 de Berlijnse afdeling opricht) [9].

In de loop van de discussies, die vanaf 1965 aan de Duitse universiteiten plaatsvonden, heeft de zoektocht naar een “echt anti-autoritair marxisme” een groot succes gekend, wat verklaart waarom veel teksten van de radenistische beweging op dat moment opnieuw werden gepubliceerd.

De thema’s en eisen van de studentenbeweging, zoals die zich in 1968 in Frankrijk ontwikkelt, zijn fundamenteel dezelfde. Toch zien we dat de verwijzingen naar de Vietnam-oorlog in de loop van de beweging plaats maken voor een hele reeks leuzen van situationistische of anarchistische (of zelfs surrealistische) signatuur, waarmee de muren bedekt raken (“Les murs ont la parole” – de muren hebben het woord).

Anarchistische thema's zijn met name terug te vinden in:

  • De passie van de vernietiging is een scheppende vreugde (Bakunin)
  • Het is verboden te verbieden
  • Vrijheid is het misdrijf dat alle misdrijven omvat
  • Verkiezingen, een valstrik voor idioten!
  • Vrijpostigheid is het nieuwe revolutionaire wapen

Ze worden aangevuld door hen die oproepen tot de “seksuele revolutie”:

  • Heb elkaar lief
  • Open je hersenen net zo dikwijls als je gulp
  • Hoe meer liefde ik bedrijf, hoe meer ik de revolutie wil voeren. Hoe meer ik de revolutie voer, hoe meer liefde ik wil bedrijven

De situationistische referentie is te vinden in:

  • Weg met de consumptiemaatschappij!
  • Weg met de commerciële spektakelmaatschappij!
  • Afschaffing van de vervreemding!
  • Werk nooit!
  • Ik neem mijn verlangens voor de werkelijkheid omdat ik geloof in de werkelijkheid van mijn verlangens.
  • Wij willen geen wereld waarin de zekerheid om niet van honger te sterven, wordt ingeruild voor het risico te sterven van verveling.
  • Verveling is contrarevolutionair
  • Leven zonder dode momenten en genieten zonder belemmeringen
  • Wees realistisch zijn, eis het onmogelijke.

Bovendien is het thema van het generatieconflict (dat wijdverbreid was in de Verenigde Staten en Duitsland) terug te vinden (zelfs in tamelijk weerzinwekkende vormen) in:

  • Ren, kameraad, de oude wereld zit achter je aan!
  • Jongeren bedrijven de liefde, ouderen maken obscene gebaren.

Ook in het Frankrijk van mei 1968, dat regelmatig bedekt is met barricades, is het niet verwonderlijk te vinden:

  • De barricade sluit de straat maar opent de weg
  • Het uitkomst van iedere gedachte is de straatsteen in je gezicht CRS
  • Onder de straatstenen ligt het strand!

Tot slot wordt de grote verwarring in het denken, die met deze periode kenmerkt, goed samengevat in deze twee leuzen:

  • Er zijn geen revolutionaire gedachten, alleen revolutionaire daden.
  • Ik heb iets te zeggen, maar ik weet niet wat.

Het klassenkarakter van de studentenbewegingen in de jaren 1960

Deze leuzen, net als de meeste leuzen die in andere landen naar voren zijn gebracht, geven duidelijk aan dat de studentenbeweging van de jaren 1960 geenszins een proletarisch klassekarakter had, ook al bestond er op verschillende plaatsen (zoals in Frankrijk natuurlijk, en ook in Italië, Spanje of Senegal) de wil om een brug te slaan met de strijd van de arbeidersklasse. Deze intentie verraadde overigens een zekere neerbuigendheid tegenover deze laatste, vermengd met een fascinatie voor dit mythische wezen, de arbeider in een blauwe overall, de held van de slecht verteerde lessen van de klassieken van het marxisme.

Fundamenteel was de studentenbeweging van de jaren 1960 kleinburgerlijk van aard, waarbij naast het anarchistische karakter ook de wil om het leven “onmiddellijk te veranderen” één van de duidelijkste kenmerken was van een sociale laag, zoals de kleine bourgeoisie, die op historisch vlak geen toekomst heeft.

Het “revolutionaire” radicalisme van de voorhoede van deze beweging, met inbegrip van de geweldcultus die door sommige van haar sectoren werd gepromoot, is een illustratie temeer van haar kleinburgerlijke aard [10]. De “revolutionaire” bekommernissen van de studenten van 1968 waren ontegenzeggelijk oprecht, maar ze werden sterk getekend door de “derde-wereld-ideologie” (guevarisme of maoïsme) of zelfs door het antifascisme. Ze hadden een romantische kijk op de revolutie zonder enig idee van het werkelijke ontwikkelingsproces van de beweging van de arbeidersklasse dat daartoe leidt.

Voor de studenten die zichzelf als “revolutionair” beschouwden, was Mei 68 in Frankrijk al dé Revolutie en werden de barricades, die dagelijks werden opgeworpen, voorgesteld als een erfenis van de opstand van Juni 1848 en van de Commune van 1871. Een van de componenten van de studentenbeweging van de jaren 1960 was het “generatieconflict”, de zeer belangrijke kloof tussen de nieuwe generatie en die van hun ouders, die talloze kritieken naar het hoofd geslingerd kregen. In het bijzonder werd deze generatie, vanwege het feit dat ze hard gewerkt had om te ontsnappen aan de ellende en zelfs de hongersnood, als gevolg van de Tweede Wereldoorlog, verweten dat ze zich alleen bekommerde om het materiële welzijn.

Vandaar het succes van fantasieën over de “consumptiemaatschappij” en leuzen als “Werk nooit!” Kind van een generatie die volop het juk van de contrarevolutie had ondergaan, verweet de jeugd van de jaren 1960 haar haar conformisme en haar onderwerping aan de eisen van het kapitalisme. Omgekeerd begrepen veel ouders niet, en konden het moeilijk accepteren dat hun kinderen de offers die ze hadden gebracht om hen een betere economische situatie te geven dan henzelf met misprijzen bejegenden. 

Achter de studentenrevolte van de jaren 1960 was echter ook een reële economische factor. Destijds bestond er, aan het einde van de studie, geen grote dreiging van werkloosheid of onzekerheid, zoals nu het geval is. De grootste ongerustheid die bij jonge studenten toen leefde, was dat zij niet langer dezelfde sociale status zouden kunnen genieten als de vorige generatie afgestudeerden.

In feite werd de generatie van 1968 als eerste, op een nogal wrede manier, geconfronteerd met de “proletarisering van de kaders”, iets wat door de sociologen van die tijd overvloedig werd bestudeerd. Dit fenomeen was enkele jaren eerder begonnen, nog voordat de open crisis zich manifesteerde, na een zeer aanzienlijke toename van het aantal studenten aan universiteiten (zo steeg het aantal studenten in Duitsland tussen 1964 en 1974 van 330.000 tot 1,1 miljoen)

Deze stijging was het gevolg van de behoeften van de economie, maar ook van de wil en de mogelijkheid van de oudere generatie om hun kinderen een betere economische en sociale situatie te verzekeren dan henzelf. Het was onder andere deze “massaliteit” van de studentenpopulatie die de groeiende malaise had veroorzaakt als gevolg van het permanente voortbestaan binnen de universiteit van structuren en praktijken uit een tijd waarin slechts een elite haar kon bezoeken, met name een sterk autoritarisme.

Maar als de studentenbeweging, die in 1964 begint, zich ontwikkelt in een periode van “welvaart van het kapitalisme”, is dat niet langer hetzelfde vanaf 1967 als de economische situatie ernstig begint te verslechteren en de malaise van de studentenjeugd versterkt. Dit is een van de redenen die ons in staat stelt om te begrijpen waarom deze beweging in 1968 haar hoogtepunt bereikt. Dat maakt het ons ook mogelijk om te verklaren waarom de beweging van de arbeidersklasse in mei 1968 het voortouw neemt.

Dat is wat we in het volgende artikel zullen doen

Fabienne /  29.03.08

 

Voetnoten:

[1] David Caute, 1968 dans le monde. Paris: Laffont, 1988; vertaald als Sixty-Eight: The Year of the Barricades, London: Hamilton, 1988; eveneens verschenen in de  VS onder de titel: The Year of the Barricades: A Journey through 1968, New York: Harper & Row, 1988.

[2] Mark Kurlansky, 1968 : l’année qui ébranla le monde. Paris: Presses de La Cité, 2005; vertaald uit: The Year That Rocked the World. New York: Ballantine Books, 2004.

[3] In een aantal van onze territoriale publicaties zijn al of zullen nog artikelen worden gepubliceerd over de gebeurtenissen die in hun respectievelijke landen hebben plaatsgevonden. 

[4] Rudi Dutschke heeft de aanslag overleefd, maar leed aan ernstige neurologische gevolgen die gedeeltelijk verantwoordelijk zijn voor zijn vroegtijdige dood op 39-jarige leeftijd, op 24 december 1979, 3 maanden voor de geboorte van zijn zoon, Rudi Marek. Bachmann werd veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf voor poging tot moord. Dutschke nam schriftelijk contact op met zijn aanvaller om uit te leggen dat hij geen persoonlijke wrok tegen hem koesterde en om te proberen hem te overtuigen van de juistheid van een socialistisch engagement. Bachmann pleegde op 24 februari 1970 zelfmoord in de gevangenis. Dutschke betreurde het dat hij hem niet vaker had geschreven: “De strijd om de bevrijding is net begonnen; helaas zal Bachmann er niet meer aan kunnen deelnemen...”. 

[5] Studentenbewegingen hebben ook landen getroffen met stalinistische regimes in 1968. In Tsjecho-Slowakije maken ze deel uit van de "Praagse Lente", die wordt gepromoot door een deel van de stalinistische partij. Ze kunnen daarom niet worden beschouwd als bewegingen die het regime in vraag stelden. De situatie in Polen is compleet anders. Betogingen van protesterende studenten, in gang gezet door het verbod van een show welke als anti-Sovjet wordt beschouwd, worden op 8 maart onderdrukt door de politie. In de maand maart neemt de spanning toe en vermenigvuldigen de studenten de bezettingen van de universiteiten en de betogingen. Onder leiding van de minister van Binnenlandse Zaken, generaal Moczar, leider van de “partizanen”-stroming in de stalinistische partij, worden zij wreed onderdrukt, terwijl de joden uit de partij worden gezet, beschuldigd van “zionisme”.

[6] Tijdens de Vietnam-oorlog waren de Amerikaanse media niet onderworpen aan de militaire autoriteiten. Het is een “fout” die de Amerikaanse regering niet opnieuw heeft begaan in de oorlogen tegen Irak in 1991 en vanaf 2003.

[7] Een dergelijk verschijnsel heeft zich niet voorgedaan in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog: Amerikaanse soldaten hadden ook de hel beleefd, in het bijzonder degenen die in 1944 in Normandië waren geland, maar hun offers werden door bijna ieder van hen en door de bevolking aanvaard, dankzij de onthulling, door de autoriteiten en door de media, van de barbaarsheid van het nazi-regime.

[8] Aan het begin van de 20ste eeuw hadden Franse anarchisten een ezel voorgedragen als kandidaat bij de parlementaire verkiezingen.

[9] Voor een samenvatting van de politieke standpunten van het situationisme, zie ons artikel “Guy Debord: The Second Death of the Situationist International” gepubliceerd in International Review No. 80, http://en.internationalism.org/node/3624.

[10] Opgemerkt moet worden dat de autoriteiten in de meeste gevallen (zowel in de “autoritaire” als de meer “democratische” landen) uiterst meedogenloos hebben gereageerd op studentenbetogingen, zelfs toen deze aanvankelijk vreedzaam verliepen. Bijna overal is de repressie, in plaats van het intimideren van demonstranten, een factor geweest tot massale mobilisatie en radicalisering van de beweging. Veel studenten die zichzelf aanvankelijk niet als “revolutionairen” beschouwden, aarzelden niet om zich na enkele dagen of weken zo te noemen als gevolg van de ontketening van een repressie die meer het ware gezicht van de burgerlijke democratie onthulde dan alle toespraken van Rubin, Dutschke of Cohn-Bendit.

Historische gebeurtenissen: 

Structuur van de site: 

Geschiedenis van de arbeidersbeweging: