Internationale Revue - 2004, nr. 16

Internationale Revue, nr. 16

De proletarische strijd tijdens de vervalperiode van het kapitalisme

“De traditie van alle dode geslachten drukt als een zware last op de hersenen van de levenden. En juist wanneer ze er mee bezig schijnen, zichzelf en de dingen om te wentelen, iets te scheppen dat nog niet eerder bestond, juist in zulke tijdperken van revolutionaire crisis roepen zij angstig de geesten van het verleden voor zich op, ontlenen aan hen namen, strijdparolen, kostuums, om in deze oude eerwaardige vermomming en in deze geleende taal het nieuwe bedrijf van de wereldgeschiedenis op te voeren.” (Marx, De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte, 1852).

In de huidige periode van heropleving van de klassenstrijd wordt het proletariaat niet alleen geconfronteerd met het hele gewicht van de ideologie, die rechtstreeks en vaak opzettelijk door de burgerlijke klasse wordt voortgebracht. Het wordt ook geconfronteerd met het gewicht van tradities die uit haar eigen voorbije ervaring voortspruiten. Wanneer de arbeidersklasse zichzelf wil bevrijden, dan moet het onverbiddelijk deze ervaringen verwerken. Alleen op die wijze kan het de wapens smeden voor de beslissende confrontatie die een einde aan het kapitalisme maakt. Er bestaat echter ook het gevaar dat het proletariaat voorbije ervaring verwart met dode tradities; dat het niet in staat is om een onderscheid te maken tussen wat levend blijft, wat permanent en alomvattend is in de methoden en de middelen van de voorbije strijd, en die aspecten die definitief tot het verleden behoren, die met bijzondere omstandigheden te maken hadden en tijdelijk van aard waren.

Zoals Marx vaak benadrukte, werd de arbeidersklasse tijdens zijn leven, in de negentiende eeuw, niet gespaard voor dit gevaar. In een maatschappij die zich snel ontwikkelde, was het proletariaat lange tijd belast met de oude tradities van zijn oorsprong: de overblijfselen van de gezellenverenigingen, van de periode Babeuf, van zijn strijd tegen het feodalisme aan de zijde van de bourgeoisie. De sektarische, samenzeerders- en republikeinse tradities van de periode vóór 1848 wogen zo nog door op de Eerste Internationale, die in 1864 werd opgericht. Ondanks de grote veranderingen die plaatsvonden bevond dit tijdperk zich in één en dezelfde fase van het leven van de maatschappij: de opkomstperiode van de kapitalistische productiewijze. Het geheel van deze periode legde heel specifieke voorwaarden op aan de strijd van de arbeidersklasse: de mogelijkheid om werkelijke en blijvende verbeteringen in de levensomstandigheden af te dwingen van een welvarend kapitalisme, maar tegelijkertijd de onmogelijkheid om het systeem te vernietigen juist omdat het welvarend was.

De eenheid van dit kader gaf de verschillende etappes van de arbeidersbeweging in de negentiende eeuw een aaneengesloten karakter. De methoden en werktuigen van de klassenstrijd werden in toenemende mate ontwikkeld en vervolmaakt, vooral de vakbondsorganisatie. Bij elk van deze etappes overschaduwden de overeenkomsten met de vorige etappe de verschillen. In deze omstandigheden was het blok aan het been van de traditie niet zo zwaar voor de arbeiders: in aanzienlijke mate toonde het verleden de weg die moest worden ingeslagen.

Maar de omstandigheden veranderden radicaal aan het begin van de twintigste eeuw. De meeste werktuigen die de arbeidersklasse in tientallen jaren had geschapen dienden nergens meer toe: erger nog, zij keerden zich tegen de klasse en ze werden wapens van het kapitaal. Dit was waar voor de vakbonden, de massapartijen, de deelname aan verkiezingen en aan het parlement. Dat kwam doordat het kapitalisme een totaal andere periode van zijn ontwikkeling was binnengetreden: die van zijn verval. De achtergrond van de proletarische strijd werd volslagen veranderd: voortaan had de strijd voor toenemende en blijvende verbeteringen binnen deze maatschappij geen enkele betekenis meer. Niet alleen kon een kapitalisme aan het eind van zijn Latijn nergens meer aan toegeven, maar de stuiptrekkingen ervan begonnen een aantal van de verbeteringen die het proletariaat in het verleden verworven had ter vernietigen. Geconfronteerd met een stervend systeem was de enige winst die het proletariaat nog kon boeken de vernietiging van het systeem.

De Eerste Wereldoorlog kondigde de breuk tussen de twee perioden uit het leven van het kapitalisme aan. Revolutionairen – en daardoor waren ze revolutionairen – werden zich ervan bewust dat het systeem zijn periode van neergang was binnengegaan. De Kommunistische Internationale verkondigde in zijn platform van 1919 dat: “Een nieuw tijdperk is geboren. Het tijdperk van de ontbinding van het kapitalisme, van zijn innerlijke aftakeling. Het tijdperk van de kommunistische revolutie van het proletariaat.” De meerderheid van de revolutionairen bleven echter nog aanzienlijk getekend door de tradities uit het verleden. Ondanks zijn enorme bijdrage was de Derde Internationale niet in staat om wat in zijn analyse lag opgesloten tot een logische conclusie te voeren. Geconfronteerd met het verraad van de vakbonden riep de Kommunistische Internationale niet op tot de vernietiging van de vakbonden, maar tot hun wederopbouw. Hoewel het verdedigde dat “parlementaire hervormingen iedere praktische betekenis verloren hebben voor de werkende massa’s” en dat “het centrum van de zwaartekracht van het politieke leven volledig en definitief is weggedreven van het parlement” (Stellingen van het Tweede Congres), riep de K.I. nog steeds op tot deelname aan deze instellingen. Zo werd Marx’ vaststelling uit 1852 meesterlijk maar tragisch bevestigd. Na de aftocht van het proletariaat veroorzaakt te hebben bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog , was het gewicht van het verleden daarna evenzo in aanzienlijke mate verantwoordelijk voor de mislukking van de revolutionaire golf die in 1917 begon, en voor de verschrikkelijke contra-revolutie die daarop een halve eeuw lang zou volgen.

‘De traditie van alle dode geslachten’, al een belemmering in de eerdere strijd, is een nog veel groter vijand in de strijd van ons tijdperk. Als het proletariaat uiteindelijk wil winnen, dan zal het de afgedragen uitdossingen van het verleden moeten weggooien om de kleren aan te trekken die passen bij de behoeften die het ‘nieuwe tijdperk’ van het kapitalisme voor de strijd schept. Het moet duidelijk de verschillen begrijpen die de opkomstperiode van het kapitalisme scheiden van zijn vervalperiode, met het oog op zowel het leven van het kapitaal als op de doelen en middelen van zijn eigen strijd.

De volgende tekst is een bijdrage tot dit begrip. Hoewel hij op een enigszins ongebruikelijke manier wordt gepresenteerd, vonden we het nodig om de kenmerken van de twee tijdperken naast elkaar te zetten, om zowel de eenheid van de uitingen van het maatschappelijk leven binnen elk van de twee perioden, als om de vaak aanzienlijke verschillen op dit vlak tussen de twee tijdperken te benadrukken.

 

Opkomstperiode van het kapitalisme

Vervalperiode van het kapitalisme

De Natie

Eén van de karakteristieken van de negentiende eeuw was de vorming van nieuwe naties (Duitsland, Italië...), of de bittere strijd om hen op te richten (Polen, Hongarije ...). Dit was geen toeval maar beantwoordde aan de drang van een dynamische kapitalistische economie die in de natie het meest geëigende kader voor zijn ontwikkeling vond. In dit tijdperk had nationale onafhankelijkheid een werkelijke betekenis: het vormde een onverbrekelijk deel van de ontwikkeling van de productiekrachten en van de vernietiging van de feodale rijken (Rusland, Oostenrijk) die bolwerken van de reactie waren.

In de twintigste eeuw is de natie een te nauw kader geworden om de productiekrachten te omvatten. Net als de kapitalistische productieverhoudingen is zij een ware dwangbuis geworden die de groei van de productiekrachten afremt. Bovendien is nationale onafhankelijkheid een luchtspiegeling aangezien de belangen van ieder kapitaal het ertoe drijft zich te integreren in een van de twee grote imperialistische blokken, en deze onafhankelijkheid dus op te geven. De voorbeelden van de zogenaamde ‘nationale onafhankelijkheid’ in deze eeuw komen neer op het overlopen van een land van de ene naar de andere invloedssfeer.


De ontwikkeling van nieuwe kapitalistische eenheden

Eén van de kenmerkende verschijnselen van de opkomstperiode van het kapitalisme was zijn ongelijke ontwikkeling per land en de bijzondere historische voorwaarden van elk van hen. De meest ontwikkelde landen toonden de weg vooruit aan de andere landen, waarvan het achteroplopen op het toneel niet noodzakelijkerwijs een onoverkomelijk nadeel was. Integendeel, het was mogelijk om de achterstand in te lopen en zelfs de koplopers voorbij te streven. Dit was eigenlijk een haast algemene regel:

“In de algemene context van deze verbazingwekkende opkomst vond de toename van de industriële productie in de verschillende landen plaats in volslagen verschillende mate. We zien na 1860 de laagste groeivoeten in de Europese industriële staten die vóór 1860 het meest ontwikkeld waren. De Britse productie verdriedubbelde ‘slechts’, de Franse productie verviervoudigde, terwijl de Duitse productie zevenvoudig toenam en in Amerika waren de productieniveaus in 1913 twaalf maal zo hoog als in 1860. Deze verschillende groeivoeten deden de hiërarchie van de industriële machten tussen 1860 en 1913 volledig omslaan. Rond 1880 verloor Groot-Brittannië haar plaats als koploper van de wereldproductie aan de Verenigde Staten. Tegelijkertijd streefde Duitsland Frankrijk voorbij. Rond 1890 viel Groot-Brittannië, ingehaald door Duitsland, terug naar een derde plaats.” (Fritz Sternberg, Le conflit du siècle. Ed. du Seuil, pp.13-14).

De periode van kapitalistisch verval wordt gekenmerkt door de onmogelijkheid van het verrijzen van nieuwe industriële naties. De naties die in hun ‘industriële vlucht’ voor de Eerste Wereldoorlog niet slaagden zijn er daarna toe veroordeeld om te stagneren in een toestand van volslagen onderontwikkeling of chronisch achterlijk te blijven in verhouding tot de landen die de lijst aanvoeren. Dit is ‘t geval met grote naties als India of China, wier ‘nationale onafhankelijkheid’ of zelfs hun zogenaamde ‘revolutie’ (lees het opzetten van een draconische vorm van staatskapitalisme), hen niet in staat stelde om weg te breken uit de onderontwikkeling of aan de schrijnende armoede te ontsnappen. Zelfs de Sovjet-Unie ontsnapte niet aan deze regel. De gruwelijke opofferingen opgelegd aan de boeren en vooral de arbeidersklasse in Rusland, het massaal gebruik van haast gratis arbeidskracht in de concentratiekampen, de staatsplanning en het monopolie over de buitenlandse handel, dingen die door de Trotskisten werden voorgesteld als ‘grote verworvenheden van de arbeidersklasse’, en als teken van de ‘afschaffing van het kapitalisme’; de stelselmatige economische plundering in de landen van de Oost-Europese buffer, al die maatregelen waren voor de USSR niet afdoende om de volledig geïndustrialiseerde landen in te halen en zich te ontdoen van de littekens van de onderontwikkeling en achterlijkheid (vergelijk het artikel over de crisis in de Sovjet-Unie in de Nederlandstalige Internationale Revue, nr. 11).

In dezelfde periode kwam er nog een ander land op als moderne industriële macht: Japan. Rusland maakte een proces van zeer snelle industrialisering door, maar dit werd gewurgd door het in verval raken van het kapitalisme.

Het vermogen van de achterlijker landen om zo in te lopen was het gevolg van de volgende factoren: Het onvermogen van de onderontwikkelde landen om zichzelf op te werken tot het niveau van de meest ontwikkelde landen kan verklaard worden uit de volgende feiten:

De onmogelijkheid dat er in deze periode nog nieuwe grote kapitalistische eenheden ontstaan komt evenzeer tot uiting in het feit dat de zes huidige grootste industriële naties (de Verenigde Staten, Japan, Rusland, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië), hoewel niet in dezelfde volgorde, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog al bovenaan stonden in de ranglijst.

1. Hun interne markten boden grote afzetmogelijkheden en dus ontwikkelingskansen voor het industriële kapitaal. Het bestaan van aanzienlijke en relatief welgestelde voor-kapitalistische sectoren (handwerkslieden, en vooral de agrarische sector) vormden de zo onmisbare vruchtbare bodem voor de groei van het kapitalisme.

1. De markten van de buiten-kapitalistische sectoren van de geïndustrialiseerde landen zijn volkomen uitgeput door het kapitalistisch worden van de landbouw en de nagenoeg volslagen ondergang van de handwerkers.

2. Het gebruik van protectionisme tegen de goedkopere waren van de ontwikkelde landen maakte het hen tijdelijk mogelijk de markt te beschermen voor de eigen nationale productie binnen de eigen grenzen.

2. In de twintigste eeuw leiden protectionistische maatregelen tot een volslagen mislukking gebleken. Verre van de minder ontwikkelde economieën in staat te stellen om lucht te scheppen, leiden ze tot de verstikking van de nationale economie.

3. Op wereldvlak bestond er nog steeds een grote buiten-kapitalistische markt, vooral in de koloniale gebieden die toen werden veroverd. Deze konden de ‘overdadige’ waren afnemen die in de industriële landen werden gemaakt.

3. Buiten-kapitalistische markten zijn verzadigd op wereldschaal. Ondanks de geweldige behoeften van de Derde Wereld, ondanks de uiterste armoede ervan, vormen de economieën die niet in staat waren een kapitalistische industrialisering door te maken geen koopkrachtige markt omdat ze volledig zijn geruïneerd.

4. De wet van vraag en aanbod werkte in het voordeel van een werkelijke ontwikkeling van de minder ontwikkelde landen. In de mate dat tijdens deze periode, algemeen gesproken, de vraag het aanbod overtrof, werden de prijzen van de waren bepaald door de hoogste productiekosten, dat wil zeggen die van de minder ontwikkelde landen. Dit maakte het voor het kapitaal in die landen mogelijk om voldoende winsten te boeken om daadwerkelijk te accumuleren (terwijl de meest ontwikkelde landen super-winsten opstreken).

4. De wet van vraag en aanbod werkt tegen de ontwikkeling van nieuwe landen. In een wereld waarin de markten verzadigd zijn is het aanbod groter dan de vraag en wordt de prijs bepaald door de laagste productiekosten. Daardoor worden de landen met de hoogste productiekosten gedwongen om hun waren tegen verminderde winsten of zelfs met verlies te verkopen. Dit zorgt ervoor dat ze een uiterst lage accumulatiegraad hebben en, zelfs met zeer goedkope arbeidskracht, zijn ze niet in staat om de investeringen bijeen te brengen die nodig zijn voor het massaal aankopen van moderne technologie. Het gevolg daarvan is dat de kloof die hen scheidt van de grote industriële machten steeds breder wordt.

5. In de opkomstperiode waren militaire uitgaven algemene kosten die betrekkelijk beperkt bleven. Ze werden gemakkelijk goedgemaakt, en waren zelfs winstgevend voor de ontwikkelde industriële landen, met name in de vorm van koloniale veroveringen.

5. In een wereld die steeds verder is overgeleverd aan voortdurende oorlog worden militaire uitgaven een steeds zwaarder last, zelfs voor de meest ontwikkelde landen. Zij leiden tot het volslagen economische bankroet van de onderontwikkelde landen.

6. In de negentiende eeuw vergde het niveau van de technologie, zelfs als het een aanzienlijke toename betekende in vergelijking met de voorafgaande periode, geen investering van grote hoeveelheden kapitaal.

6. Momenteel vereist de moderne industriële productie een, ten opzichte van de vorige eeuw, onvergelijkbaar ingewikkelder technologie. Dit betekent aanzienlijke investeringsniveaus die enkel de reeds ontwikkelde landen zich kunnen veroorloven. Technologische factoren verdiepen zo de puur economische.


De betrekkingen tussen de staat en de burgermaatschappij

In de opkomstperiode van het kapitalisme bestond er een duidelijke scheiding tussen politiek (een terrein voorbehouden aan specialisten in staatsmanschap) en economie, wat het gebied van het kapitaal en de afzonderlijke kapitalisten bleef.

In deze periode was de staat, hoewel hij er al toe neigde zich boven de maatschappij te verheffen, nog steeds voor het overgrote deel overheerst door belangengroepen en fracties van het kapitaal die zich vooral uiten in het wetgevende deel van de staat. De wetgevende macht overheerste nog steeds overduidelijk de uitvoerende: het parlementaire stelsel, de vertegenwoordigde democratie, bezaten een werkelijkheidsgehalte en vormden de arena waarbinnen de verschillende belangengroepen elkaar te lijf konden gaan.

Omdat de rol van de staat het behoud was van de sociale orde in het belang van het kapitalistische stelsel als geheel en op de lange termijn, kon hij ook enkele hervormingen doorvoeren ten gunste van de arbeidskrachten en tegen de barbaarse excessen in de uitbuiting van de arbeiders, te wijten aan de onverzadigbare onmiddellijke vraatzucht van de afzonderlijke kapitalisten (bijvoorbeeld de ‘Tien-Uren-Wet’ in Groot-Brittannië, de wettelijke beperking op de kinderarbeid, enzovoort).

De periode van het kapitalistisch verval wordt gekenmerkt door het opslorpen van de burgerlijke maatschappij door de staat. Daardoor verloor de wetgevende macht, die oorspronkelijk de rol had de maatschappij te vertegenwoordigen, iedere betekenis ten opzichte van de uitvoerende macht, die bovenaan de staatspiramide staat.

In deze periode worden politiek en economie verenigd: de staat wordt de belangrijkste kracht in de nationale economie, en zijn werkelijke beheerder.

Hetzij door geleidelijke integratie (de gemengde economie), hetzij door bruuske omwentelingen (de volslagen verstaatste economie) houdt de staat op een vertegenwoordiging van kapitalisten en belangengroeperingen te zijn: hij wordt de collectieve kapitalist die alle afzonderlijke belangengroepen onderwerpt aan zijn ijzeren wet.

De staat, als verwerkelijkte eenheid van het nationale kapitaal, verdedigt de nationale belangen binnen het blok waartoe het behoort en tegen het rivaliserende blok. Verder neemt hij rechtstreeks op zich de uitbuiting en de onderwerping van de arbeidersklasse te verzekeren.


Oorlog

In de negentiende eeuw had oorlog in het algemeen de functie iedere kapitalistische natie de eenheid en territoriale uitbreiding te verzekeren nodig voor z’n ontwikkeling. In die zin, ondanks de rampen die hij meebracht, vormde hij een onderdeel van de vooruitstrevende aard van het kapitaal.

Oorlogen waren dan ook van nature beperkt tot twee of drie meestal naburige landen en hadden ze de volgende kenmerken:

– ze duurden kort

– ze leiden niet tot veel vernietiging

– ze bewerkstelligden een nieuwe ontwikkelingssprong voor zowel de overwinnaar als de overwonnene.

Dit geldt bijvoorbeeld voor de Frans-Duitse, de Austro-  Italiaanse, de Austro-Pruisische en de Krim-Oorlogen.

De Frans-Duitse oorlog is kenmerkend voor dit soort van oorlogen:

– hij vertegenwoordigde een beslissende stap in de vorming van de Duitse natie, dat wil zeggen het scheppen van de grondslag voor een geweldige ontwikkeling van de productiekrachten en de vorming van het belangrijkste deel van het industrieel proletariaat in Europa (en zelfs van de hele wereld als we de politieke rol ervan in aanmerking nemen).

– tegelijkertijd duurde deze oorlog minder dan een jaar, was hij niet erg bloedig en vormde hij voor het verslagen land geen grote terugslag: na 1871 zette Frankrijk de industriële ontwikkeling verder die ingezet was onder het Tweede Keizerrijk en veroverde het ’t overgrote deel van zijn koloniale bezittingen.

Wat betreft de koloniale oorlogen, hun doel bestond uit het veroveren van nieuwe markten en voorraden grondstoffen. Ze waren het gevolg van een wedren tussen de kapitalistische landen, aangejaagd door hun behoefte tot uitbreiding, om nieuwe gebieden in de wereld te verdelen. Ze maken dus deel uit van de uitbreiding van het hele kapitalisme, van de ontwikkeling van de productiekrachten op wereldvlak.

In een periode waarin er geen sprake meer kan zijn van het vormen van nieuwe, levensvatbare nationale eenheden, waarin de formele onafhankelijkheid van nieuwe landen voor het overgrote deel het gevolg is van de betrekkingen tussen de grote imperialistische  machten, komen oorlogen niet langer voort uit de economische behoeften om de productiekrachten van de maatschappij te ontwikkelen, ze hebben daarentegen vooral politieke oorzaken: de krachtsverhoudingen tussen de blokken. Ze zijn niet langer ‘nationaal’ zoals in de negentiende eeuw: het zijn imperialistische oorlogen. Ze vormen geen momenten meer in de uitbreiding van de kapitalistische productiewijze, maar brengen de onmogelijkheid van die uitbreiding tot uiting.

Hun doel is niet langer het verdelen van de wereld, maar het herverdelen van de wereld in omstandigheden waarin een blok van landen voortaan de valorisatie van zijn kapitaal niet meer kan uitbreiden maar gewoon kan behouden rechtstreeks ten koste van de landen van het rivaliserend blok: het uiteindelijke resultaat bestaat uit de neergang van het wereldkapitaal als geheel.

Oorlogen veralgemenen zich nu over de hele planeet en eindigen in enorme vernietigingen voor de hele wereldeconomie, terwijl ze leiden tot veralgemeend barbarendom.

Net als in 1870 stond Frankrijk in de oorlogen van 1914 en 1939 tegenover Duitsland, toch is men onmiddellijk getroffen door de verschillen, en het zijn juist deze verschillen die de verandering van de aard van de oorlogen laten zien tussen die van de negentiende en die van twintigste eeuw:

– de oorlog treft onmiddellijk gans Europa en veralgemeent zich over de hele wereld

– het is een totale oorlog waarin enkele jaren lang de hele bevolking en de economische machine van de oorlogvoerende landen gemobiliseerd zijn, waarbij tientallen jaren van menselijke arbeid tot niets worden teruggebracht, tientallen miljoenen proletariërs worden weggemaaid en honderden miljoen mensen aan de honger worden overgeleverd.

De oorlogen van de twintigste eeuw waren geenszins een ‘verjongingskuur’ zoals sommigen beweren. Het zijn de oprispingen van de doodstrijd van een stervend systeem.


Crises

In een wereld van ongelijke ontwikkeling, met ongelijkwaardige interne markten, worden de crises bepaald door de ongelijke ontwikkeling van de productiekrachten in de verschillende landen en in de verschillende productietakken.

Zij zijn de uiting van het feit dat de oude markt verzadigd is en een nieuwe uitbreiding zich opdringt. Daardoor zijn ze periodiek (iedere 7 tot 10 jaar - de tijd van het afschrijven van het vaste kapitaal) en vinden ze hun oplossing in het openen van nieuwe markten.

Daaruit vloeien de volgende kenmerken voort:

1. Ze breken abrupt uit, over het algemeen na een beurs-crash.

2. Ze duren kort (één tot drie jaar op zijn hoogst).

3. Ze veralgemenen zich niet over alle landen. Zo:

– was de crisis van 1825 vooral Brits en spaarde Frankrijk en Duitsland;

– was de crisis van 1830 voornamelijk Amerikaans; Frankrijk en Duitsland ontsnapten er nog aan;

– de crisis van 1847 spaarde de Verenigde Staten en raakte Duitsland enkel in de marge;

– de crisis van 1866 raakte Duitsland nauwelijks;

– de crisis van 1873 spaarde Frankrijk.

Daarna neigen de industriële cycli ertoe te veralgemenen tot alle ontwikkelde landen maar zelfs toen ontsnapten de Verenigde Staten aan de recessie van 1900-1903 en Frankrijk aan de recessie van 1907. Anderzijds raakte de crisis van 1913, die tot de Eerste Wereldoorlog leidde, haast ieder land.

4. Ze veralgemenen zich niet tot alle takken van de industrie. Zo:

– is het vooral de katoenindustrie die door de crises van 1825 en 1836 wordt getroffen;

– daarna, terwijl de textielsector nog steeds door de crises getroffen wordt, zijn het vooral de metaalindustrie en de spoorwegen die het meest lijden (vooral in 1873).

Bovendien maken sommige takken een hoogconjunctuur door terwijl anderen door de recessie worden getroffen.

5. Ze leiden tot een nieuwe fase van industriële groei (de bovengenoemde groeicijfers, zoals geciteerd uit Sternberg spreken voor zich in dit opzicht).

6. Ze leggen niet de voorwaarden voor een politieke crisis van het systeem, en nog minder voor het uitbreken van een proletarische revolutie.

Wat betreft dit laatste punt, moeten we er op wijzen dat Marx een vergissing maakte toen hij na de ervaring van 1847-1848 schreef, “Een nieuwe revolutie zal alleen mogelijk zijn na een nieuwe crisis. Maar zij is even onvermijdelijk” (Neue Rheinische Zeitung, 1850). Zijn vergissing bestond niet uit het erkennen dat een crisis noodzakelijk is om de revolutie mogelijk te maken, noch uit de aankondiging dat er een nieuwe crisis op komst was (de crisis van 1857 was nog heviger dan die van 1847), maar uit het denkbeeld dat de crises in die periode al doodscrises van het systeem waren.

Later heeft Marx deze fout natuurlijk rechtgezet, en juist omdat hij wist dat aan de objectieve voorwaarden van de revolutie nog niet voldaan was, ging hij het gevecht aan met de anarchisten binnen de Internationale Arbeiders Associatie, omdat die de nodige stappen wilden overslaan. Om dezelfde redenen waarschuwde hij op 9 september 1870 de arbeiders van Parijs tegen “iedere poging om de nieuwe regering omver te werpen (...) [wat] volslagen waanzin zou zijn” (Tweede Adres van de Algemene Raad van de Internationale Werklieden Vereniging over de Frans-Duitse oorlog).

Momenteel moet je wel een anarchist of Bordigist zijn om je in te beelden dat ‘de revolutie altijd mogelijk is’ of dat de materiële voorwaarden voor de revolutie al in 1848 of 1871 bestonden.

Sinds het begin van de twintigste eeuw is de markt verenigd en internationaal. Interne markten hebben hun belang verloren (vooral door het uitschakelen van de voorkapitalistische sectoren). In deze omstandigheden zijn crises geen uiting meer van tijdelijk te beperkte markten, maar van de afwezigheid van enige mogelijkheid van een wereldwijde uitbreiding van de markt. Daardoor heeft de crisis momenteel een algemeen en permanent karakter.

De economische conjunctuur wordt niet langer bepaald door de verhouding tussen de productiecapaciteit en de omvang van de bestaande markt op een zeker moment, maar door vooral politieke oorzaken: de cyclus oorlog-vernietiging-wederopbouw-crisis. In die situatie zijn het niet langer de problemen van de afschrijving van het kapitaal die de lengte bepalen van economische ontwikkelingsfasen, maar, in grote mate, het vernietigingsniveau in de voorgaande oorlog. Zo kunnen we begrijpen dat de duur van de uitbreiding gebaseerd op de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog (17 jaar) twee keer zo lang was als die na de Eerste (7 jaar).

In tegenstelling tot de negentiende eeuw, die werd gekenmerkt door het ‘laisser faire’, wordt de omvang van de recessies in de twintigste eeuw beperkt door kunstmatige maatregelen van de staat en zijn onderzoeksinstituten, maatregelen gericht op het uitstellen van de algemene crisis. Het betreft de plaatselijke oorlogen, de ontwikkeling van de wapenproductie en de oorlogseconomie, het stelselmatig bijdrukken van bankbiljetten en de verkoop op krediet, de toenemende schuldenlast – het hele register van politieke maatregelen die ertoe neigen te breken met het zuiver economisch functioneren van het kapitalisme.

In die situatie hebben de crises van de twintigste eeuw de volgende kenmerken:

1. Ze breken niet langer plotseling uit maar ontwikkelen zich geleidelijk. In die zin vertoonde de crisis van 1929 nog in haar beginfase enkele kenmerken van de crises uit de vorige eeuw (een plotselinge ineenstorting na een beurs-crash). Dit was niet zozeer het gevolg van economische voorwaarden die geleken op die uit het verleden, maar van de achterstand van de politieke instellingen van het kapitaal op de veranderde economische omstandigheden. Toch zal later het massale staatsingrijpen (de New Deal in de Verenigde Staten, de oorlogsproductie in Duitsland, enzovoort) de gevolgen van crisis uitsmeren op een tiental jaren.

2. Eenmaal op gang duren ze lang. De verhouding tussen recessie en voorspoed was in de negentiende eeuw ongeveer 1:4 (twee jaar crisis in een cyclus van tien jaar), de verhouding tussen de duur van een depressie en de lengte van een heropleving in de twintigste eeuw wordt ongeveer 2:1. Tussen 1914 en 1980 zagen we tien jaar veralgemeende oorlog (zonder de permanente plaatselijke oorlogen te tellen), 32 jaar van depressie (1918-1922, 1929-1939, 1945-1950, 1967-1980), in totaal 42 jaar oorlog en crisis tegenover slechts 24 jaar wederopbouw (1922-1929 en 1950-1967). En de cyclus van de crisis is nog niet aan z’n einde...

Terwijl in de negentiende eeuw de economische machine aan het eind van iedere crisis op eigen kracht weer tot leven kwam, hebben de crises van de twintigste eeuw, kapitalistisch gezien, geen oplossing buiten de algemene oorlog.

Deze crises vormen het doodsgerochel van het systeem. Ze stellen voor het proletariaat de noodzaak en de mogelijkheid van de communistische revolutie.

De twintigste eeuw is inderdaad het “tijdperk van oorlogen en revoluties” zoals de Communistische Internationale tijdens zijn Oprichtingscongres verklaarde.


Klassenstrijd

De vormen die de klassenstrijd in de negentiende eeuw aanneemt worden bepaald door zowel de kenmerken van het kapitaal in die periode als door de kenmerken van de arbeidersklasse zelf.

De klassestrijd in de vervalperiode van het kapitalisme wordt, vanuit het oogpunt van het kapitaal, bepaald door de volgende kenmerken:

1. Het kapitaal is in de negentiende eeuw nog steeds erg versnipperd tussen vele kapitalen: fabrieken met meer dan honderd arbeiders zijn zeldzaam, halve handwerkplaatsen zijn heel wat gewoner. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw zien we, met de opkomst van de spoorwegen, de massale invoering van mechanisatie en de verspreiding van mijnen, een groeiende overheersing van de grootschalige industrie zoals we ze nu kennen.

1. Het kapitaal heeft een hoge graad van concentratie en centralisatie bereikt.

2. In deze omstandigheden vindt de concurrentie plaats tussen een groot aantal kapitalisten.

2. In vergelijking met de negentiende eeuw is er numeriek gezien minder concurrentie, maar wel met een veel hogere intensiteit en centralisatie.

3. Bovendien is de technologie nog weinig ontwikkeld. Een weinig vakkundige arbeidskracht, grotendeels aangeworven op het platteland, vormt de eerste generaties arbeiders. De meest bekwame arbeiders zijn handwerkslieden.

3. De technologie is hoog ontwikkeld. De arbeidskracht is steeds vakkundiger: de eenvoudigste taken worden door machines verricht. Er zijn opeenvolgende arbeidersgeneraties: nog maar een klein deel van de klasse wordt geworven op het platteland, de meerderheid bestaat uit arbeiderskinderen.

4. De uitbuiting vindt plaats door het onttrekken van absolute meerwaarde: lange werkdagen en lage lonen.

4. De belangrijkste grondslag van de uitbuiting wordt gevormd door het onttrekken van relatieve meerwaarde (verhoging van het werkritme en van de productiviteit).

5. Iedere baas, elk bedrijf, gaat zelf afzonderlijk de arbeiders te lijf die hij uitbuit. Er bestaat geen georganiseerde eenheid onder de patroons: pas in de laatste dertig jaar van de eeuw ontstaan er werkgeversbonden. Tijdens deze afzonderlijke conflicten zien we niet zelden dat kapitalisten speculeren op de moeilijkheden van concurrerende fabrieken die getroffen worden door arbeidsconflicten, en van de gelegenheid gebruik maken om de klanten van de concurrent af te pakken.

5. Ten opzichte van de arbeidersklasse hebben de kapitalisten een veel hoger graad van eenheid en solidariteit dan tevoren. De kapitalisten hebben specifieke organisaties geschapen opdat ze de arbeidersklasse niet elk op zich te lijf zouden gaan.

6. De staat blijft over het algemeen buiten deze conflicten. Hij grijpt enkel in laatste instantie in, wanneer het conflict een bedreiging dreigt te vormen voor de ‘openbare orde’.

6. De staat grijpt onmiddellijk in bij sociale conflicten, zelf als kapitalist, als ‘bemiddelaar’, dat wil zeggen als controle-element op zowel het economische als het politieke aspect van het conflict, om het te beperken tot wat ‘aanvaardbaar’ is, ofwel tenslotte als repressiemacht.

Vanuit het oogpunt van de arbeidersklasse kunnen we de volgende kenmerken waarnemen:

Vanuit arbeidersstandpunt, kunnen we de volgende toetsstenen naar voren brengen:

1. Net als het kapitaal is zij versplinterd. Het is een klasse in vorming. Haar strijdbaarste delen zijn nauw verbonden aan handwerk en worden dus gekenmerkt door het corporatisme.

1. De arbeidersklasse is verenigd en gekwalificeerd, op hoog intellectueel niveau. Ze heeft nog slechts zeer verre banden met handwerk. Het centrum van de strijdbaarheid ligt dus in de grote moderne fabrieken en de algemene tendens van de strijd is het voorbijstreven van het corporatisme.

2. Op de arbeidsmarkt werkt de wet van vraag en aanbod onmiddellijk en volledig. Alleen in perioden van hoogconjunctuur, van snelle uitbreiding van de productie, die een tekort aan arbeiders ten gevolge heeft, kunnen de arbeiders doeltreffend verzet aantekenen tegen de druk van het kapitaal en zelfs aanzienlijke verbeteringen afdwingen van lonen en arbeidsomstandigheden.

In perioden van laagconjunctuur verliezen de arbeiders hun kracht, raken ze ontmoedigd en laten ze zich enkele van de verworvenheden weer afnemen. Een uiting van dit verschijnsel is het feit dat de oprichting van de Eerste en Tweede Internationale – die een hoogtepunt van strijdbaarheid van de klasse uitdrukken – plaatsvinden in perioden van economische welvaart (1864 voor de Internationale Werklieden Vereniging, drie jaar vóór de crisis van 1867; 1889 voor de Socialistische Internationale, aan de vooravond van de crisis van 1890-1893).

2. In tegenstelling tot de vorige periode breken de beslissende gevechten uit en ontwikkelen ze zich als de maatschappij zich in crisis bevindt (de revoluties van 1905 en 1917 in Rusland kwamen voort uit die acute vorm van crisis die oorlog wordt genoemd; de grote internationale strijdgolf tussen 1917 en 1923 vond plaats in een periode van stuiptrekkingen – oorlog en vervolgens economische crisis – en ebde weg met het economisch herstel in het kader van de wederopbouw).

Daarom werd de Communistische Internationale, in tegenstelling tot de twee eerdere Internationales, opgericht in 1919, in de periode van de meest intensieve crisis van de maatschappij, die op zijn beurt had geleid tot de machtigste opleving van strijdbaarheid van de klasse.

3. In de negentiende eeuw is emigratie een uitweg voor de werkloosheid en de vreselijke armoede die het proletariaat treft tijdens de cyclische crises. Wanneer de levensvoorwaarden in de kapitalistische metropolen van Europa te ondraaglijk worden bestaat voor grote delen van de klasse de mogelijkheid om naar de nieuwe wereld te vluchten. Dat is een factor die voorkomt dat de cyclische crises tot een explosieve situatie leiden zoals in juni 1848. Ook doorheen het fenomeen van de emigratie in de 19e eeuw, blijken de expansiemogelijkheden van het kapitalisme een waarborg te zijn voor de globale stabiliteit van het systeem.

3. De verschijnselen van economische emigratie die we in de twintigste eeuw hebben gezien, met name na de Tweede Wereldoorlog, zijn in hun oorsprong noch hun gevolgen vergelijkbaar met de grote emigratiegolven uit de vorige eeuw. Ze brengen niet de historische uitbreiding van het kapitaal naar nieuwe gebieden tot uiting, maar integendeel de onmogelijkheid van economische ontwikkeling in de vroegere koloniën; de arbeiders en boeren van de voormalige koloniën worden, om aan hun ellende te ontvluchten, juist gedreven in de richting van de metropolen waaruit de arbeiders in het verleden wegtrokken. De emigratie is daarmee niet langer een veiligheidsklep wanneer het systeem in acute crisis geraakt. Wanneer de wederopbouw eenmaal is voltooid vormt emigratie geen antwoord meer op het probleem van de werkloosheid die zich uitbreidt in de ontwikkelde landen zoals het eerder de onderontwikkelde landen getroffen had. De crisis zet de arbeidersklasse met de rug tegen de muur en laat geen enkele uitweg open.

4. Deze bijzondere omstandigheden, zowel vanuit het oogpunt van het kapitaal als van het proletariaat,  bepalen de noodzaak voor de arbeiders om economische weerstandsorganisaties op te richten: de vakbonden. Deze kunnen alleen een plaatselijke en beroepsgerichte vorm aannemen van een minderheid van de arbeiders, waarvan de belangrijkste strijdvorm, de staking, specifiek gevoerd wordt en lang van te voren voorbereid. In het algemeen wordt er een welvaartsperiode afgewacht om deze of gene tak van het kapitaal, of zelfs één enkele fabriek te confronteren. Ondanks al deze beperkingen zijn de vakbonden niettemin authentieke organen van de arbeidersklasse. Ze zijn niet alleen onmisbaar in de economische strijd tegen het kapitaal, maar ook als middelpunten van het leven van de klasse, als scholen van solidariteit waar de arbeiders kunnen leren dat ze deel uitmaakten van eenzelfde gemeenschap, als ‘Scholen van het Kommunisme’, om de woorden van Marx te gebruiken, die open stonden voor revolutionaire propaganda.

4. De onmogelijkheid dat de arbeidersklasse blijvende verbeteringen afdwingt maakt het evenzeer onmogelijk om bijzondere, permanente organisaties in het leven te houden gebaseerd op de verdediging van haar economische belangen. De vakbonden verliezen de functie waarvoor ze waren opgericht. Omdat ze niet langer organen van de klasse, en nog minder ‘Scholen van het Kommunisme’ kunnen zijn, werden ze overgenomen door het kapitaal en binnen de staat geïntegreerd, een verschijnsel dat wordt vergemakkelijkt door de algemene tendens van de staat om het hele sociale leven op te slorpen.

5. In de negentiende eeuw duren stakingen over het algemeen lang; dit is een van de voorwaarden voor hun succes. Ze dwingen de arbeiders het risico van uithongering te nemen en daarmee de noodzaak om van te voren steunfondsen, ‘weerstandskassen’ op te bouwen, en tot financiële steun op te roepen van andere arbeiders. Juist het feit dat deze arbeiders aan het werk blijven kan een positieve factor vormen voor de doeltreffendheid van de strijd van de arbeiders in staking (bijvoorbeeld door de afzetmarkten van de kapitalist die in het conflict betrokken is te bedreigen).

5. De proletarische strijd neigt ertoe het strikte economische kader te overschrijden en ook een sociale strijd te worden, in directe confrontatie met de staat, zichzelf te politiseren en aan te dringen op massale deelname van de klasse. Dit maakte in 1906 reeds Rosa Luxemburg na de eerste Russische revolutie duidelijk in haar brochure ‘de massastaking’. Hetzelfde denkbeeld is vervat in Lenin’s formule: “Achter iedere staking schuilt het spookbeeld van de revolutie”.

6. In deze omstandigheden is het vraagstuk van de financiële, materiële, voorafgaande organisatie van het proletariaat een cruciaal onderwerp om in staat te zijn doelmatig strijd te leveren. Dit vraagstuk krijgt vaak voorrang boven de inhoud, boven de werkelijke winst die ermee geboekt kan worden, en het werd een doel in zichzelf, zoals Marx duidelijk maakte in antwoord op de bourgeois die niet begrepen waarom de arbeiders meer geld wilden besteden aan hun organisatie dan de organisatie op het kapitaal kon veroveren.

6. Dit type strijd, eigen aan de vervalperiode, kan niet van te voren worden voorbereid op organisatorisch vlak. Strijd breekt spontaan uit en neigt ertoe algemeen te worden. Zij vinden meer plaats op het lokale, territoriale vlak dan op dat van het beroep; hun ontwikkeling is eerder horizontaal dan verticaal. Deze kenmerken voorafschaduwen de revolutionaire confrontatie, waarin het geen categorieën van arbeiders per beroep zijn of van deze of gene onderneming die in actie komen, maar de arbeidersklasse als geheel op geo-politieke schaal (regio, natie).

De arbeidersklasse kan zich evenmin vooraf voorzien van de materiële middelen die voor de strijd nodig zijn. Gezien de wijze waarop het kapitalisme momenteel is georganiseerd in de lengte van de staking over het algemeen geen werkzaam wapen (de rest van de kapitalisten kunnen de getroffen kapitalist te hulp snellen). In die zin hangt het succes van een staking niet langer af van door de arbeiders ingezamelde financiële fondsen, maar fundamenteel van hun vermogen om de strijd uit te breiden: alleen zo’n uitbreiding kan een bedreiging vormen voor het hele nationale kapitaal.

In de huidige periode is solidariteit met arbeiders in strijd niet langer een vraagstuk van financiële ondersteuning door andere delen van de arbeidersklasse (dat is een ‘ersatzsolidariteit’ die gemakkelijk naar voren kan worden geschoven door de vakbonden om de arbeiders af te houden van hun werkelijke strijdmethoden). Deze andere delen van de arbeidersklasse kunnen zich solidair tonen door zich bij de strijd aan te sluiten.

 

7. Net zo min als de strijdorganisatie aan de strijd voorafgaat maar er uit wordt geboren, zo kan de zelfverdediging, de bewapening van het proletariaat ook niet vooraf worden voorbereid door een paar geweren in kelders te verbergen, zoals de Groupe Communiste Internationaliste denkt. Dit zijn etappes in een proces die niet bereikt kunnen worden zonder eerst de voorafgaand etappes te doorlopen.


De rol van revolutionaire organisaties

De organisatie van revolutionairen, voortgebracht door de klasse en zijn strijd, is een minderheidsorganisatie opgericht op basis van een programma.

Zijn functies behelzen:

1. de theoretische uitwerking van de kritiek van de kapitalistische wereld;

2. de uitwerking van het programma, de uiteindelijke doelen van de klassenstrijd;

3. de verspreiding van het programma binnen de klasse;

4. de actieve deelname aan alle fases van de onmiddellijke strijd van de klasse, aan haar verdediging tegen de kapitalistische uitbuiting.

Met betrekking tot dat laatste punt heeft de revolutionaire organisatie in de negentiende eeuw als functie de economische eenheidsorganisaties van de klasse uit te bouwen en te organiseren op basis van een zekere ontwikkeling van embryonale organisatievormen die uit vroegere strijd voortkomen.

Door deze functie, en gezien de context van de periode –l de mogelijkheid van hervormingen en een tendens naar verbreiding van reformistische illusies binnen de klasse &ndash- zijn de organisaties van revolutionairen (de partijen van de Tweede Internationale) zelf geïnfecteerd door het reformisme, dat het uiteindelijk revolutionaire doel inruilt tegen onmiddellijke hervormingen. Dat leidt ertoe dat het instandhouden en de ontwikkeling van de economische organisaties (de vakbeweging) als de bijna uitsluitende taak gezien wordt (dit staat bekend als economisme).

Alleen een minderheid binnen de organisatie van revolutionairen zal weerstand bieden aan deze ontwikkeling en verdedigt de gaafheid van het historische programma van de socialistische revolutie. Maar tegelijkertijd neigt een deel van deze minderheid ertoe, in reactie op de ontwikkeling van het reformisme, om een opvatting te ontwikkelen die het proletariaat vreemd is. Volgens deze opvatting is de partij de enige zetel van het klassenbewustzijn, de houder van het voltooide programma. De schema’s van de bourgeoisie en haar partijen volgend, wordt de functie van de partij gezien als een van het ‘vertegenwoordigen’ van de klasse, met het recht om het klasse-orgaan met beslissingsrecht te worden, met name op het ogenblik van de machtsovername. Deze opvatting, die we substitutionisme noemen, beïnvloedt de meerderheid van de revolutionaire linkerzijde binnen de Tweede Internationale en vindt in Lenin zijn belangrijkste theoreticus (Wat te doen? en Een stap voorwaarts, twee stappen terug).

In de periode van het verval behoudt de organisatie van revolutionairen de algemene kenmerken uit de voorafgaande periode, met het nieuwe gegeven dat de verdediging van de onmiddellijke belangen van het proletariaat niet langer gescheiden kan worden van het uiteindelijke doel dat nu op de historische agenda staat.

Anderzijds heeft zij daardoor niet langer de rol de klasse te organiseren: dit kan alleen het werk zijn van de klasse zelf als ze in strijd is, wat leidt tot een nieuw soort organisatie, zowel economisch (een organisatie van directe weerstand en verdediging), als politiek, gericht op de machtsovername. Deze organisatievorm is die van de arbeidersraden.

Door de oude slogan van de arbeidersbeweging: “De bevrijding van de arbeidersklasse kan alleen het werk van de arbeiders zelf zijn” weer op te nemen, moet de revolutionaire organisatie alle substitutionistische opvattingen bekampen als gebaseerd zijnde op een burgerlijke zicht op de revolutie. Als organisatie heeft de revolutionaire minderheid niet de taak een platform van onmiddellijke eisen uit te werken om de arbeidersklasse vooraf te mobiliseren. Anderzijds moet zij laten blijken te behoren tot de meest vastbesloten strijders, moet zij een algemene richting voor de strijd uitdragen, en alle vertegenwoordigers van de bourgeoisie en haar ideologie binnen de klasse ontmaskeren. Tijdens de strijd legt zij de nadruk op de noodzaak tot veralgemening, de enige weg die leidt tot het onontkoombare resultaat van de beweging: de revolutie. Zij is dus geen passieve toeschouwer noch een simpele waterdrager.

De organisatie van revolutionairen probeert de opkomst van arbeiderskringen of groepen te bevorderen en in hun midden actief te zijn. Daarvoor moet zij hen erkennen als kortstondige, onrijpe vormen die, in afwezigheid van enige mogelijkheid om vakbonden op te richten, beantwoorden aan de werkelijke behoefte binnen de klasse tot hergroepering en discussie zolang als het proletariaat nog niet in staat is om zijn volwassen eenheidsorganen, de arbeidersraden, te scheppen.

In overeenstemming met de aard van deze kringen moet de organisatie van revolutionairen vechten tegen iedere poging om ze kunstmatig op te zetten, tegen iedere gedachte om er de drijfriemen van te maken voor partijen, tegen iedere opvatting die hen ziet als embryo’s van arbeidersraden of andere politiek-economische organen. Al zulke opvattingen kunnen de ontwikkeling van het rijpingsproces van het klassebewustzijn en de eenheidsorganisatie enkel verlammen. Deze kringen hebben alleen waarde en zullen hun belangrijke maar voorlopige functie enkel vervullen als ze vermijden zich in zichzelf op te sluiten door halfbakken platforms aan te nemen, als ze een ontmoetingsplaats blijven die openstaat voor alle arbeiders geïnteresseerd in de problemen van hun klasse.

Tenslotte, in de situatie van uiterste versplintering  van de revolutionairen ten gevolge van de periode van contra-revolutie die een halve eeuw lang doorwoog op het proletariaat, heeft de organisatie van revolutionairen als taak om actief te werken aan het ontwikkelen van een politiek milieu op internationaal vlak, om discussies en confrontaties van standpunten aan te zwengelen, waarmee het proces van vorming van de internationale politieke partij van de klasse ingezet wordt.

Conclusie

De diepste contra-revolutie uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging vormde een gruwelijke test voor de organisatie van de revolutionairen zelf. De enige stromingen die in staat bleken te overleven waren die, die geconfronteerd met storm en ontij, de fundamentele beginselen van het communistische programma wisten te behouden. Deze houding, dit wantrouwen ten opzichte van alle ‘nieuwe opvattingen’, die over het algemeen het voorwendsel vormden voor het verlaten van het klasseterrein onder druk van de overwinnende burgerlijke ideologie, was op zich ongetwijfeld absoluut noodzakelijk. Toch had die houding ook vaak als gevolg dat revolutionairen werden verhinderd de veranderingen die in het leven van het kapitaal en in de strijd van de arbeidersklasse plaatsvonden in al hun omvang te begrijpen. De grootste karikatuur van dit verschijnsel is de opvatting dat de klassestandpunten ‘onveranderlijk’ zijn, dat aan het kommunistische programma, zogenaamd ‘als geheel’ geopenbaard in 1848, ‘geen punt of komma’ veranderd hoeft te worden.

De organisatie van revolutionairen moet voortdurend op z’n hoede zijn voor modernistische opvattingen die over het algemeen enkel oude wijn in nieuwe zakken stoppen. Toch moet ze, om opgewassen te zijn tegen de taken waarvoor de klasse haar voortbracht, in staat blijken om de veranderingen in het maatschappelijke leven te begrijpen en welke de gevolgen daarvan zijn voor de activiteit van de klasse en haar revolutionaire voorhoede.

Nu alle naties overduidelijk reactionair zijn moet de organisatie van revolutionairen vechten tegen ieder denkbeeld dat de zogenaamde ‘nationale onafhankelijkheidsbewegingen’ ondersteund moeten worden. Nu alle oorlogen een imperialistisch karakter hebben moet iedere deelname aan deze oorlogen, onder welk voorwendsel dan ook, veroordeeld worden. De burgermaatschappij wordt momenteel leeggezogen door de staat en het kapitalisme kan geen werkelijke hervormingen meer toelaten. Daarom moeten de organisaties van revolutionairen strijd leveren tegen wat voor deelname dan ook aan het parlement en de verkiezingsmaskerade.

Met alle nieuwe, economische, sociale en politieke voorwaarden waarmee de klassenstrijd momenteel wordt geconfronteerd, moet de organisatie van revolutionairen iedere illusie bevechten over het opnieuw leven inblazen van organisaties die enkel een obstakel kunnen vormen voor de strijd: de vakbonden. Zij moet de strijdmethoden en organisatievormen naar voren brengen die voortkwamen uit de ervaring van de klasse tijdens de eerste revolutionaire golf van deze eeuw: de massastaking, de algemene vergaderingen, de eenheid van het politieke met het economische, de arbeidersraden.

Tenslotte, als zij werkelijk haar rol van het stimuleren van de strijd wil vervullen, van het oriënteren ervan in de richting van revolutionaire perspectieven, moet de revolutionaire organisatie taken opgeven die haar niet langer toekomen: de taak van ‘organiseren’ of ‘vertegenwoordigen’ van de klasse.

De revolutionairen die volhouden dat er ‘sinds de vorige eeuw niets veranderd is’ verwachten dat het proletariaat zich gedraagt als Babine, een figuur in een verhaal van Tolstoi. Iedere keer dat Babine iemand tegenkwam die hij nog niet kende herhaalde hij wat hem geleerd was te zeggen tegen de vorige persoon die hij tegenkwam. Zo werd hij telkens in elkaar geslagen. Tot de gelovigen richtte hij woorden die bestemd waren voor de duivel; een beer sprak hij toe als ware het een kluizenaar. En de arme Babine betaalde met z’n leven voor zijn stompzinnigheid.

Het ‘actueel maken’ van de standpunten en de rol van revolutionairen, zoals we die hier weergeven, vertegenwoordigt niet in het minst een ‘opgeven’ of ‘herziening’ van het Marxisme. Zij is integendeel gebaseerd op een werkelijke trouw aan het wezenlijke in het Marxisme. Dit vermogen om tegenover de denkbeelden van de Mensjewiki de nieuwe voorwaarden van de strijd te begrijpen en de gevolgen ervan voor het programma, stelde Lenin en de Bolsjewiki in staat om actief en beslissend bij te dragen aan de revolutie van Oktober 1917.

Rosa Luxemburg nam in 1906 hetzelfde revolutionaire standpunt in toen ze tegen de ‘orthodoxe’ delen van de partij schreef:

“Als de Russische revolutie daardoor een fundamentele herziening van de oude standpunten van het Marxisme over de massastaking nodig maakt, dan is het opnieuw het Marxisme waarvan de algemene methoden en zienswijzen daarmee, zij het in nieuwe vorm, de overwinning behaalden.” (De massastaking).

Rapport over de functie van de revolutionaire organisatie

De versnelling van de gebeurtenissen en de ernst van de ‘jaren van de waarheid’ noodzaken de revolutionairen om hun opvattingen over de voorhoedeorganisatie van het proletariaat, over haar aard en functie, haar structuur en functioneringswijze te verdiepen.

Dit eerste rapport over aard en de functie van de organisatie werd aangenomen door de Internationale Conferentie van de IKS in januari 1982. Het tweede rapport gaat over de structuur en de functioneringswijze van de organisatie.

1. Sinds haar ontstaan, heeft de IKS altijd het doorslaggevend belang benadrukt van een internationale organisatie van revolutionairen voor de nieuwe opkomst van een wereldwijde klassenstrijd. Door haar tussenkomst in de strijd, zelfs als die van een nog bescheiden omvang is, door haar voortdurende pogingen om te werken in de richting van de schepping van een echt centrum van discussie tussen revolutionaire groepen, heeft ze in de praktijk aangetoond dat haar bestaan noch overbodig noch louter denkbeeldig is. Overtuigd van het feit dat haar functie beantwoordt aan een diepgaande behoefte in de klasse, heeft ze gestreden tegen zowel het dilettantisme als tegen de grootheidswaanzin binnen een revolutionair milieu, dat nog ernstig behept is met onverantwoordelijkheid en onrijpheid. Deze overtuiging is niet gebaseerd op een religieus begrip maar op een methode van analyse: de marxistische theorie. De redenen voor de opkomst van een revolutionaire organisatie kunnen niet begrepen worden buiten deze theorie, zonder welke er geen werkelijke revolutionaire beweging kan bestaan.

2. De recente splitsingen, die de IKS heeft doorgemaakt, kunnen niet worden beschouwd als een doodscrisis van de organisatie. Het zijn in wezen uitdrukkingen van de onbekwaamheid om de voorwaarden, en de richting van de klassenbeweging te begrijpen die de revolutionaire organisaties doen opkomen:

  • dat de strijd voor de revolutie een wereldwijd en geen plaatselijk verschijnsel is;

  • dat de omvang van de crisis en de strijd niet op een mechanische wijze een directe revolutionaire periode inluiden;

  • dat de noodzaak van organisatie niet een toevallige of plaatselijke behoefte is, maar een hele historische periode omvat tot aan de wereldwijde overwinning van het kommunisme aan toe;

  • dat, als gevolg daarvan, het werk van de organisatie op lange termijn moet begrepen worden, en zichzelf moet afschermen van alle kunstmatige pogingen die revolutionaire weg te bekorten. Pogingen die voortkomen uit kortzichtig ongeduld, en die de organisatie in gevaar brengen.

3. De onbekwaamheid de functie van een revolutionaire organisatie te begrijpen, heeft altijd geleid tot een ontkenning van haar noodzaak:

  • in de anarchistische en radenistische visie wordt de organisatie gezien als een inbreuk op de vrijheid van de individuele arbeider, en wordt ze teruggebracht tot een puur toevallige bundeling van individuen;
  • het klassieke bordigisme, dat de klasse identificeert met de partij, verwerpt indirect die noodzaak door de functie van de organisatie van de revolutionairen te verwarren met de functie van de algemene organisatie van de klasse.

4. De noodzaak van een organisatie van revolutionairen blijft nu net zo groot als in het verleden.Noch de periode van contrarevolutie, noch de reusachtige uitbarstingen van strijd waar geen georganiseerde revolutionaire fracties bij aanwezig waren (zoals nu in Polen), maken deze noodzaak overbodig:

  • sinds de vorming van het proletariaat als klasse in de negentiende eeuw, was en blijft de hergroepering van revolutionairen een vitale noodzaak. Iedere historische klasse, die het potentieel voor de omvorming van de maatschappij in zich draagt, moet een heldere visie hebben van de doeleinden en de methoden van de strijd, welke moet leiden tot een triomf van haar historische doeleinden;

  • de kommunistische doeleinden van het proletariaat doen een politieke organisatie ontstaan, die zich zowel theoretisch (programma) als praktisch (activiteit) inzet voor de verdediging van die algemene doeleinden van het proletariaat als geheel;

  • als een permanente voortbrenging van de klasse, overstijgt en dus negeert de revolutionaire organisatie zowel alle natuurlijke (geografische en historische) als de kunstmatige (beroepsmatige, corporatistische) verdelingen. Ze vertegenwoordigt de permanente tendens tot de ontwikkeling van een eenheidsbewustzijn in de klasse, dat zichzelf bevestigt door zich te stellen tegenover alle onmiddellijke verdelingen;

  • geconfronteerd met de systematische pogingen van de bourgeoisie om het bewustzijn van het proletariaat af te leiden en te vernietigen, vormt de revolutionaire organisatie een beslissend wapen in de strijd tegen de verderfelijke effecten van de burgerlijke ideologie. Haar theorie (het kommunistische programma) en haar militante actie in de klasse vormen een machtige antistof voor het vergif van de kapitalistische propaganda.

5. Het kommunistische programma waaruit het beginsel van de militante activiteit voortvloeit, vormt de basis van iedere revolutionaire organisatie die haar naam eer aan doet. Zonder revolutionaire theorie kan er geen revolutionaire functie bestaan, met andere woorden: geen organisatie voor de verwezenlijking van dit programma. Daarom heeft het marxisme altijd alle kortzichtige en economistische afwijkingen, die ertoe dienen de historische rol van de kommunistische organisatie te vervalsen en te ontkennen, verworpen.

6. De revolutionaire organisatie is een orgaan van de klasse. Een orgaan wil zeggen: een levend deel van een levend lichaam. Zonder dit orgaan zou het leven van de klasse beroofd zijn van een van zijn vitale functies, en zou ze dus tijdelijk gehandicapt en geschaad zijn. Dat is de reden waarom deze functie voortdurend weer te voorschijn komt, groeit, zich uitbreidt en onvermijdelijk het orgaan schept dat ze nodig heeft.

7. Dit orgaan is niet louter een materieel aanhangsel van de klasse, dat zich ertoe beperkt de onmiddellijke impulsen van de klasse te volgen. De revolutionaire organisatie is een deel van de klasse. Ze is noch gescheiden van, noch identiek aan de klasse. Ze is noch een bemiddelaar tussen het zijn en bewustzijn van de klasse. Ze is een bijzondere vorm van klassenbewustzijn, het meest bewuste deel. Ze hergroepeert dus niet het geheel van de klasse, maar haar meest bewuste en actieve fractie. De klasse is niet meer de partij dan de partij de klasse is.

8. Als een deel van de klasse is de organisatie van revolutionairen noch de som van haar delen (militanten), noch een associatie van sociale lagen (arbeiders, ambtenaren, intellectuelen). Het ontwikkelt zich als een levend geheel, wier verscheidene cellen geen andere functie hebben dan teverzekeren dat ze op de best mogelijke manier functioneert. Ze verleent geen privileges aan individuen en ook niet aan bijzondere categorieën. De organisatie ontstaat, naar het beeld van de klasse, als een collectief lichaam.

9. De voorwaarden die de revolutionaire rijping van het proletariaat als geheel mogelijk maken zijn dezelfde als die welke ten grondslag liggen aan de volledige ontplooiing van de revolutionaire organisatie:

  • haar internationale dimensie: naar het beeld van het proletariaat ontstaat en leeft de organisatie met het doorbreken van het nationale kader, opgelegd door de bourgeoisie. Tegen het nationalisme van het kapitaal verdedigt ze de internationalisatie van de klassenstrijd in alle landen;
  • haar historische dimensie: de organisatie als de meest geavanceerde fractie van de klasse, heeft een historische verantwoordelijkheid naar de klasse. Als het geheugen van de onvervangbare ervaring van de voorbije arbeidersbeweging, vormt ze de meest bewuste uitdrukking van de algemene, historische doeleinden van het wereldproletariaat.

Het zijn deze factoren die zowel de klasse als haar politieke organisatie haar eenheid verlenen.

10. De activiteit van de revolutionaire organisatie kan alleen worden begrepen als een ongedeeld geheel, waarvan de componenten niet gescheiden maar onderling afhankelijk zijn:

  • haar theoretische activiteit, wier ontwikkeling een voortdurende inspanning moet zijn en nooit volledig af is. Ze is zowel noodzakelijk als onvervangbaar;
  • haar tussenkomst in de economische en politieke strijd van de klasse. Ze is bij uitstek de praktijk van de organisatie waar theorie, door propaganda en agitatie, wordt omgezet in een wapen van de strijd;

  • haar organisatorische activiteit die leidt tot de ontwikkeling en versterking van haar organen, tot het behoud van haar organisatorische verworvenheden, zonder welke de kwantitatieve ontwikkeling (nieuwe leden) niet tot een kwalitatieve ontwikkeling zal leiden.

11. Veel van het politieke en organisatorische onbegrip, dat in de organisatie tot uitdrukking is gekomen, komt voort uit het vergeten van het theoretische kader dat de IKS bij zijn oorsprong had aangenomen. Ze is gebaseerd op een magere assimilatie van de theorie van het verval van het kapitalisme, en van de praktische implicaties van deze theorie voor onze tussenkomst.

12. Terwijl de aard van de organisatie van revolutionairen niet wezenlijk is veranderd, hebben haar kenmerken een kwalitatief ander karakter gekregen tijdens de overgang van de periode van opgang naar die van het verval van het kapitalisme. De revolutionaire woelingen, die volgden op de Eerste Wereldoorlog, hebben bepaalde bestaansvormen van de revolutionaire organisatie onbruikbaar gemaakt en anderen, die in de negentiende eeuw alleen maar in embryonale vorm bestonden, ontwikkeld.

13. In de periode van opgang van het kapitalisme namen de revolutionaire politieke organisaties de bijzondere vorm aan van die van een overgangsorganisatie:

  • een hybride vorm: coöperaties, vakbonden en partijen konden naast elkaar in dezelfde organisatie bestaan. Ondanks Marx’ pogingen werd de politieke functie van de organisatie naar de achtergrond verdreven, terwijl de vakbondsstrijd een centrale plaats innam;
  • het ontstaan van massa-organisaties, die belangrijke delen van bijzondere sociale categorieënhergroepeerden (jongeren, vrouwen, coöperatieleden), of in bepaalde landen zelfs de meerderheid van de arbeidersklasse, gaven de socialistische organisaties een losse vorm, die ertoe neigde de oorspronkelijke betekenis van de revolutionaire organisatie te verminderen.

De mogelijkheid van directe hervormingen, zowel op economisch als op politiek vlak, verlegde het actieterrein van de socialistische organisatie. De onmiddellijke, graduele strijd nam de overhand ten opzichte van de strijd voor het bredere perspectief van het kommunisme, dat uiteengezet was in het Kommunistisch Manifest.

14. De onrijpheid van de objectieve voorwaarden voor de revolutie leidde tot een specialisatie van taken, die eigenlijk organisch met elkaar verbonden zouden moeten zijn, en tot een atomisering van de functie van de organisatie:

  • theoretische taken werden gereserveerd voor specialisten (marxistische scholen, beroepstheoretici);
  • propagandistische en agitatorische taken werden vervuld door de permanente vakbonds- en parlementaire vertegenwoordigers (‘beroepsrevolutionairen’);

  • organisatorische taken werden uitgevoerd door functionarissen, betaald door de partij.

15. De onrijpheid van het proletariaat, grote aantallen die net van het platteland waren gekomen of uit ambachtelijke werkomstandigheden, de ontwikkeling van het kapitalisme dat zich net binnen nationale kaders had gevormd, maakten de werkelijke functie van de organisatie van revolutionairen moeilijk te doorzien:

  • de reusachtige groei van geproletariseerde massa’s zonder politieke en organisatorische tradities, nog beïnvloed door religieuze misleidingen, nog gevangen door de nostalgische hang naar vroegere omstandigheden als onafhankelijke producenten, gaf een ongewone rol aan het organisatorische en opvoedkundige werk van het proletariaat. De functie van de organisatie werd beschouwd als een injectie van bewustzijn en van ‘kennis’ in de klasse, die nog leed aan een gebrek aan cultuur en onder de illusies van zijn vroege kindsheid;

  • de groei van het proletariaat binnen het raamwerk van de geïndustrialiseerde landen bemoeilijkte het zicht op het internationale karakter van het socialisme (er werd meer gesproken van ‘Duits socialisme’ of van ‘Engels socialisme’ dan van internationaal socialisme. De Eerste en de Tweede Internationale functioneerden meer als een federatie van nationale afdelingen dan als één gecentraliseerd wereldorganisatie);

  • de functie van de organisatie werd beschouwd als een nationale: de opbouw van het socialisme in ieder land, bekroond door een associatie, federatie van ‘socialistische’ staten (Kautsky);

  • de organisatie werd beschouwd als de organisatie van het ‘democratische’ volk, die door verkiezingen, stap voor stap, voor het socialistische programma worden gewonnen.

16. De tijdelijke kenmerken van deze historische periode vervalste de verhoudingen tussen de partij en de klasse:

  • De rol van de revolutionairen leek er een te zijn van een leiderschap, in de zin van de vorming van een generale staf. De militaire discipline, de onderwerping aan de leiders werd daarbij beschouwd als de belangrijkste deugd van de klasse. Net als een leger kon het niet bestaan zonder ‘leiders’, waaraan de verwezenlijking van haar doeleinden (substitutionisme) en zelfs de vormen van strijd (vakbeweging) werden gedelegeerd. De partij was de partij van het ‘hele volk’, gewonnen voor de ‘socialistische democratie’. De klassenfunctie van de partij ging ten onder inhet moeras van het democratisme.

  • Tegen deze ontaarding van de functie van de partij werd gevochten door de Linkerzijde in de Tweede Internationale en in de eerste periode van de Derde Internationale. Het feit dat de Kommunistische Internationale sommige opvattingen van de oude failliete Internationale overnam (massapartij, frontisme, substitutionisme) is een werkelijkheid die niet moet worden gezien als een deugdelijk voorbeeld voor de revolutionairen van vandaag.

17. De revolutionaire periode, die volgde op de oorlog, betekende een diepgaande, onomkeerbare verandering in de functie van de revolutionairen:

  • de organisatie, of die nu nog beperkt in omvang is of al een ontwikkelde partij, heeft niet langer tot taak de klasse en dus de revolutie voor te bereiden of te organiseren, iets wat alleen maar gedaan kan worden door de klasse als geheel;
  • ze is noch een opvoeder noch een generale staf die de militanten van de klasse voorbereidt en leidt. In de revolutionaire strijd voedt de klasse zichzelf op en de ‘opvoeders’ zelf, die ook door haar zullen moeten worden ‘opgevoed’;
  • ze erkent niet langer bijzondere groepen (jongeren, vrouwen, coöperatieleden, enzovoort).

18. De revolutionaire organisatie heeft dus onmiddellijk een eenheidskarakter, zelfs als ze niet de eenheidsorganisatie van de klasse, de arbeidersraden, is. Het is een eenheid in een wijdere eenheid – het wereldproletariaat die haar heeft voortgebracht:

  • het ontstaat niet langer op een nationaal vlak, maar op wereldvlak, als een geheel dat haar verschillende ‘nationale’ vertakkingen voortbrengt;

  • haar programma is in alle landen hetzelfde, zowel in het oosten als in het westen, zowel in de ontwikkelde als in de onderontwikkelde landen. Ofschoon nationale ‘bijzonderheden’ vandaag de dag nog steeds bestaan, als een product van een ongelijkmatige kapitalistische ontwikkeling en het voortbestaan van voor-kapitalistische anachronismen, kan dit nooit leiden tot de verwerping van de eenheid van haar programma. Het programma is wereldwijd of het is niets.

19. De rijping van de objectieve voorwaarden voor de revolutie (concentratie van het proletariaat, grotere homogeniteit in het bewustzijn van de klasse die meer verenigd is, beter gekwalificeerd, met een intellectueel niveau, en een rijpheid die superieur is in vergelijking met voorgaande eeuwen) heeft zowel de vorm als de houding van organisatie van revolutionairen diepgaand veranderd:

a) wat betreft haar vorm:

  • ze is een meer beperkte minderheid dan in het verleden, maar meer bewust, uitgeschift door haar programma en haar politieke activiteit;
  • ze is onpersoonlijker dan in de negentiende eeuw en treedt niet langer op als een organisatie van leiders die de massa van militanten leidt. De periode van vermaarde leiders en grote theoretici is voorbij. Theoretische verdieping is een werkelijke collectieve taak geworden. Naar het beeld van miljoenen ‘anonieme’ proletarische strijders, ontwikkelt het bewustzijn van de organisatie zich door de integratie en overstijging van het individuele bewustzijn in één collectief bewustzijn;
  • ze is, meer gecentraliseerd in haar manier van werken, in tegenstelling tot de Eerste en Tweede Internationale, die voor een groot deel niet veel meer waren dan een optelling van nationale afdelingen. In de historische periode waarin de revolutie alleen maar kan plaatsvinden opwereldvlak, is ze de uitdrukking van tendens tot de hergroepering van revolutionairen. Deze centralisatie betekent niet, in tegenstelling tot de opvatting van de Kommunistische Internationale na 1921, de opslorping van de wereldwijde activiteit van revolutionairen door een bepaalde nationale partij. Ze vormt de zelfregulering van één enkel lichaam dat in een aantal landen bestaat, zonder dat een deel de ander overheerst. Het leven van de delen wordt bepaald door het feit dat het geheel primeert over de delen.

b) wat betref haar houding:

  • in de historische periode van oorlogen en revoluties ontdekt ze haar werkelijke einddoel: de strijd voor het kommunisme gebeurt niet langer door eenvoudige propaganda voor een lange termijn doel, maar door haar directe inmenging in de grote strijd voor de wereldrevolutie;
  • zoals de Russische revolutie laat zien, ontstaan en bestaan revolutionairen alleen in en door de klasse, waaraan ze noch rechten noch privileges kunnen ontlenen. Ze stellen zichzelf niet in plaats van de klasse en verkrijgen geen macht noch staatsmacht uit haar naam;
  • hun wezenlijke rol is de tussenkomst in alle gevechten van de klasse en, tot na de revolutie, de volledige vervulling van hun onvervangbare functie van het katalyseren van de rijping van het proletarische bewustzijn.

20. De triomf van de contrarevolutie, de totalitaire overheersing van de staat, maakte het bestaan van de revolutionaire organisaties moeilijker en beperkte de draagwijdte van haar tussenkomst. In deze periode van diepe teruggang had haar theoretische functie de overhand over die van tussenkomst en bewees ze van vitaal belang te zijn voor het behoud van de revolutionaire beginselen. De periode van contrarevolutie heeft aangetoond:

  • dat de revolutionaire organisaties, teruggebracht tot kleine kringen, kernen of onbetekenende minderheden, geïsoleerd van de klasse, zich alleen konden ontwikkelen na de intrede van een nieuwe historische koers naar de revolutie;
  • dat het ‘ronselen’ tot iedere prijs leidt tot een verlies van functie van de organisatie door het opofferen van de beginselen aan de waan van het aantal. Diegenen die toetreden moeten dat doen op vrijwillige basis, vanuit een bewuste overeenstemming met een programma;

  • dat het bestaan van de organisatie alleen kan worden gehandhaafd door vastberaden en rigoureus vast te houden aan het marxistische theoretische kader. Wat het verliest aan kwantiteit wint het aan kwaliteit door een strenge, theoretische, politieke en militante selectie;
  • dat het, meer dan in het verleden, de meest gunstige plaats is voor het verweer van de zwakke proletarische krachten tegen de reusachtige druk van een kapitalisme, versterkt door vijftig jaar van contrarevolutionaire overheersing.
  • Ofschoon ze niet voor zichzelf bestaat, is het daarom toch van vitaal belang de organisatie, die verwekt is door de klasse, resoluut te bewaren, te versterken en te werken aan de hergroepering van revolutionairen op wereldschaal.

21. Het einde van de periode van contrarevolutie heeft de bestaansvoorwaarden van revolutionaire groepen veranderd. Een nieuwe periode is begonnen, gunstig voor de ontwikkeling van de hergroepering van revolutionairen. Maar deze nieuwe periode is nog een tussenfase waar de noodzakelijke voorwaarden voor de oprichting van de partij – door een werkelijke kwalitatieve sprong – niet voldoende tot rijping zijn gekomen.

Daarom zullen zich, gedurende een hele periode, revolutionaire groepen ontwikkelen die, door deconfrontatie van standpunten, door de gemeenschappelijke actie, en uiteindelijk door in elkaar op te gaan, de tendens zullen manifesteren tot de vorming van een wereldpartij. De verwezenlijking van deze tendens hangt af van zowel de ontplooiing van een koers naar de revolutie als van het bewustzijn van de revolutionairen zelf.

Ofschoon bepaalde stadia al sinds 1968 bereikt zijn, ofschoon er een schifting in het revolutionaire milieu heeft plaatsgevonden, moet het duidelijk zijn dat de oprichting van de partij noch automatisch gaat noch het resultaat van voluntarisme is, rekening houdende met de langzame ontwikkeling van de klassenstrijd en de nog bestaande onrijpheid en soms onverantwoordelijkheid van het revolutionaire milieu.

22. Inderdaad, na de historische heropleving van het proletariaat in 1968, bleek het revolutionaire milieu te zwak en onrijp te zijn om om te gaan met de nieuwe periode. De verdwijning of verkalking van de oude Kommunistische Linkerzijde, die in de periode van contrarevolutie tegen de stroom had gevochten, vormde een negatieve factor in de rijping van de revolutionaire organisaties. Nog meer dan de theoretische verworvenheden van de Kommunistische Linkerzijde, die langzamerhand herontdekt en opnieuw geassimileerd werden, waren het de organisatorische verworvenheden (de organische continuïteit) die ontbraken, en zonder deze verworvenheden blijft theorie een dode letter. De functie van de organisatie, zelfs de noodzaak daarvan, werd vaak niet begrepen, als ze al niet het onderwerp was van spot.

23. Door de afwezigheid van deze organische continuïteit waren de elementen, die opkwamen in de periode na 1968, onderworpen aan de verpletterende druk van de studenten- en protestbeweging, wat zich vertaalde in:

  • individualistische theorieën over het dagelijkse leven en zelfverwerkelijking;

  • het academisme van de studiekringen waar marxisme ofwel wordt gezien als een ‘wetenschap’ of als een persoonlijk ethiek;

  • activisme/kortzichtigheid waarin arbeiderisme een onderwerping aan de druk van ultralinks dunnetjes toedekte.

De ontaarding van de studentenbeweging, de ontgoocheling die optrad, geconfronteerd met de langzame, ongelijke tred van de klassenstrijd, werd vertheoretiseerd in de vorm van het modernisme. Maar de werkelijke revolutionaire beweging zuiverde zichzelf van de minst vastberaden en serieuze elementen, voor wie het militantisme ofwel een zondagsbezigheid was of het opperste stadium van vervreemding.

24. Ondanks de duidelijke bevestiging, vooral sinds Polen, dat de crisis een tendens naar steeds omvangrijkere klassenuitbarstingen in gang zou zetten, hebben de revolutionaire organisaties, de IKS inbegrepen, zichzelf niet bevrijd van een ander gevaar, niet minder kwaadaardig dan modernisme en academisme: de kortzichtigheid, waarvan individualisme en dilettantisme de tweelingbroers zijn. De revolutionaire organisatie moet deze plagen nu zien te weerstaan, wil ze verder blijven bestaan.

25. In de afgelopen jaren heeft de IKS geleden onder de rampzalige effecten van de kortzichtigheid, de meest typische vorm van kleinburgerlijk ongeduld, de uiteindelijke incarnatie van de verwarde geest van Mei 1968. De meest treffende vormen van deze kortzichtigheid zijn geweest:

Activisme

, dat naar boven is gekomen in de tussenkomsten en vertheoretiseerd werd in de voluntaristische opvatting van ‘rekrutering’. Er werd vergeten dat de organisatie zich niet kunstmatig ontwikkelt, maar organisch, door een strenge schifting op basis van een platform. ‘Numerieke’ ontwikkeling is niet het loutere resultaat van de wil, maar van de rijping van de klasse en van de elementen die zij voortbrengt.

Localisme, kwam naar de oppervlakte in bepaalde tussenkomsten. We hebben gezien hoe bepaalde elementen in de IKS ‘hun’ lokale afdeling presenteren alsof ze hun persoonlijke eigendom zijn, een zelfstandig iets, terwijl ze alleen maar een deel van een geheel kan zijn. De noodzaak voor een internationale organisatie werd zelfs ontkend of belachelijk gemaakt, en beschouwd als niet meer dan een ‘bluf’, of in het gunstigste geval als een onbestemde reeks van ‘banden’ tussen afdelingen.

Economisme – waar Lenin al tegen vocht – heeft zichzelf tot uitdrukking gebracht in een tendens om iedere staking op zichzelf te zien in plaats van deze te plaatsen in het wereldwijde kader van de klassenstrijd. De politieke functie van onze stroming werd vaak naar de achtergrond gedrongen. Het beschouwen van de revolutionairen als ‘waterdragers’ of als ‘technici’ van de strijd in dienst van de arbeiders eindigt met het bepleiten van de materiële voorbereiding van de komende strijd.

‘Suivisme’ (of ‘queueisme’; lijdzame volgzaamheid), de uiteindelijke belichaming van dit onbegrip over de rol en functie van de organisatie, nam de vorm aan van een tendens tot het eenvoudig volgen van stakingen terwijl onze vaandels werden verborgen. Er waren aarzelingen in het duidelijk vastberaden hekelen van elke nieuwe vorm van syndicalisme. De principes werden opzij gezet om beter ‘aan te sluiten’ bij de beweging en een onmiddellijk ‘gehoor’ te krijgen – tegen elke prijs ‘erkend’ worden door de arbeidersklasse.

Arbeiderisme, was de uiteindelijke synthese van deze afdwalingen. Net als de ultralinksen, cultiveerden bepaalde elementen de grofste soort van demagogie over ‘arbeiders’ en ‘intellectuelen’, over ‘top’ en ‘basis’ in de organisatie.

Het vertrek van een aantal kameraden toont aan dat de kortzichtigheid een zeer ernstige kwaal is, en dat het onvermijdelijk leidt tot ontkenning van de politieke functie van de organisatie, als theoretisch en programmatisch geheel.

26. Al deze afwijkingen in de richting van ultralinks zijn niet het resultaat van een tekort aan theoretische ontwikkeling van het platform van de organisatie. Ze vormen de uitdrukking van een arme assimilatie van ons theoretische kader, en in het bijzonder van de theorie van het verval van het kapitalisme, welke de vormen van activiteit en tussenkomst van de organisatie van revolutionairen grondig verandert.

27. Daarom moet de IKS zich krachtig teweerstellen tegen ieder loslaten van het programmatische kader, welke alleen maar kan leiden tot kortzichtigheid in de politieke analyse. Het moet vastbesloten vechten:

  • tegen empirisme, waarbij de fixatie op de onmiddellijke gebeurtenissen en verschijnselen onvermijdelijk leidt tot de oude opvatting van de ‘bijzondere gevallen’, eeuwige bron van alle opportunisme;

  • tegen alle tendensen tot oppervlakkigheid, die de vorm aannemen van een routinegeest of tot intellectuele luiheid;

  • tegen een bepaald wantrouwen of aarzeling over theoretisch werk. Het ‘grijze’ imago van de theorie staat niet tegenover het ‘roze’ van de tussenkomst. Theorie moet niet worden beschouwd als iets dat toebehoort aan specialisten in marxisme. Ze is het resultaat van een collectieve overdenking en de deelname van iedereen in dit proces.

28. Om onze theoretische en organisatorische verworvenheden te behouden, moeten we de overblijfselen van dilettantisme, de kinderlijke vorm individualisme, vernietigen:

  • werken bij stukjes en beetjes, zonder methode en met een korte termijn visie;

  • individualistische manier van werken, de uitdrukking van ‘ambachtelijk dilettantisme’;

  • politieke onverantwoordelijkheid door de vorming van voortijdige of kunstmatige tendensen;

  • ontslagname en wegvluchten voor de verantwoordelijk.

De organisatie staat niet in dienst van de militanten op het vlak van hun dagelijks leven; integendeel, de militanten leveren een dagelijkse strijd om zich in te schakelen in het omvangrijke werk van de organisatie.

29. Een helder begrip van de functie van de organisatie in de periode van het verval is een noodzakelijke voorwaarde voor onze eigen ontwikkeling in de beslissende periode van de jaren 1980. Ofschoon de revolutie niet slechts een kwestie van organisatie is, moet ze organisatorische kwesties oplossen, onbegrip te boven komen opdat de revolutionaire minderheden als orgaan van de klasse kunnen bestaan.

30. Het bestaan van de IKS kan alleen worden gegarandeerd door een zich opnieuw eigen maken van de marxistische methode, die de meest zekere kompas vormt bij het begrijpen van de gebeurtenissen en in de tussenkomst. Al het werk van de organisatie kan alleen worden begrepen en ontwikkeld op basis van een lange termijn visie. Zonder methode, zonder een collectieve geest, zonder een permanente inspanning van alle militanten, zonder het nodige doorzettingsvermogen dat al het kortzichtig ongeduld uitsluit, kan er geen werkelijke revolutionaire organisatie bestaan. In de IKS heeft het wereldproletariaat een orgaan geschapen, wier bestaan een noodzakelijke factor is in de komende gevechten.

31. In vergelijking tot de afgelopen (negentiende) eeuw, is de taak van de revolutionaire organisatie moeilijker. Het vraagt meer van elk van haar leden; ze lijdt nog onder de laatste gevolgen van de contrarevolutie en de stempel die de klassenstrijd, nog gekenmerkt wordt door voor- en achteruitgang, drukt op de situatie.

Ofschoon ze niet langer hoeft te bestaan in de verstikkende, verwoestende atmosfeer van de lange contrarevolutionaire nacht, ofschoon haar huidige activiteiten plaatsvinden in een voor de klassenstrijd gunstige periode, waar zelfs massabewegingen op wereldschaal kunnen uitbreken, moet de organisatie ook weten hoe ze moet terugtrekken bij een tijdelijke teruggang van de klassenstrijd.

Daarom moet de revolutionaire organisatie, tot aan de revolutie aan toe, weten hoe ze vastbesloten moet strijden tegen het idee van onzekerheid en ontmoediging dat de klasse kan overkomen. De belangrijkste taak is de verdediging van de integriteit van de organisatie, van haar beginselen en haar functie. Leren hoe zich teweer te stellen, zonder zwakheid, zonder zich in zichzelf te keren – dit is voor de revolutionairen de manier om de voorwaarden voor de toekomstige overwinning voor te bereiden. Dit vraagt een bittere strijd tegen kortzichtige afwijkingen, zodat de revolutionaire theorie bezit kan nemen van de massa’s.

Door zich te bevrijden van de gevolgen van de kortzichtigheid, door zich de levende traditie vanhet marxisme opnieuw eigen te maken, bewaard en verrijkt door de Kommunistische Linkerzijde, zal de organisatie in de praktijk aantonen dat ze het onvervangbare instrument is, voortgebracht door de klasse, en dat ze is opgewassen tegen haar historische taken.

Toevoeging

De activiteit van de revolutionairen heeft vooral in perioden van veralgemeende strijd en revolutionaire bewegingen een rechtstreekse, zelfs beslissende impact, want:

  • dan staat de arbeidersklasse tegenover een beslissende confrontatie met haar dodelijke vijand. Ofwel legt haar ze eigen perspectief op ofwel geeft ze toe aan de misleidingen en provocaties en wordt ze verpletterd door de bourgeoisie;

  • de klasse is, in haar algemene vergaderingen en raden, onderworpen aan het sabotage- en ondermijningswerk, uitgevoerd door agenten van de bourgeoisie, die alle beschikbare middelen gebruiken om de strijd af te remmen en van richting te doen veranderen.

De aanwezigheid van revolutionairen, die heldere politieke oriëntaties voor de beweging moeten voorstellen en het proces van homogenisering van het klassenbewustzijn moeten versnellen, kan dan een beslissende factor vormen die de balans ofwel naar de ene ofwel naar de ander kant doen doorslaan, zoals is aangetoond in de Duitse en Russische revoluties. We moeten in het bijzonder de rol in herinnering roepen die in dit kader door de revolutionairen is gespeeld, zoals Lenin die formuleerde in de ‘Aprilstellingen’:

“Erkennen dat onze partij een minderheid en op dit moment slechts een kleine minderheid in de Sovjets van Arbeidersafgevaardigden vormt, geconfronteerd met alle opportunistische, kleinburgerlijke elementen die ten prooi zijn gevallen aan de invloed van de bourgeoisie en die deze invloed verspreiden in het proletariaat [...] Uitleggen aan de massa’s dat de Sovjets van Arbeidersafgevaardigden de enige mogelijk vorm van revolutionaire regering is en dat onze taak, zolang deze regering zich laat beïnvloeden door de bourgeoisie, dientengevolge alleen maar kan bestaan uit het geduldig en systematisch uitleggen van de fouten in hun tactieken aan de massa’s, daarbij uitgaande van hun praktische behoeften” (Stelling 4).

Het bestaan van de IKS en verwezenlijking van haar huidige taken vormen van nu af aan reeds een noodzakelijke voorbereiding om opgewassen te zijn tegen de taken van de toekomst. De bekwaamheid van de revolutionairen om hun rol te vervullen in de perioden van veralgemeende beweging wordt bepaald door haar huidige activiteiten.

1. Deze capaciteit ontstaat niet spontaan, maar wordt ontwikkeld door een proces van politieke en organisatorisch scholing. Samenhangende en helder geformuleerde standpunten, net zoals de bekwaamheid om deze te verdedigen, te verspreiden en te verdiepen, ontstaan niet vanzelf, maar moeten nu al voorbereid worden. De geschiedenis laat dus zien hoe de bekwaamheid van de Bolsjewiki hun standpunten te ontwikkelen, door rekening te houden met de ervaring van de klasse (van 1905 tot aan de oorlog), en hun organisatie te versterken, hen, in tegenstelling tot de revolutionairen in Duitsland bijvoorbeeld, in staat stelde een beslissende rol te spelen in de revolutionaire strijd van de klasse.

In dit kader moet een van de wezenlijke doelen van een kommunistische groep zijn om het ambachtelijke niveau van de activiteiten en organisatie te overstijgen, die in het algemeen kenmerkend is voor de beginfase van de politieke strijd. De ontwikkeling, systematisering, de regelmatige vervulling van taken als tussenkomst, publicatie, verspreiding, discussie en correspondentie met klassenelementen moet in het centrum van haar aandacht staan. Dit houdt in dat de organisatie regels voor het functioneren en bijzondere organen moet ontwikkelen die haar in staat stellen om te handelen, niet als een som van versnipperde cellen, maar als één geheel met een evenwichtige interactie.

2. De organisatie van revolutionairen vertegenwoordigt van nu af aan reeds een internationaal politiek samenhangende pool van hergroepering voor de politieke groepen, discussiekringen en arbeidersgroepen, die over de hele wereld ontstaan met de ontwikkeling van de strijd. Het bestaan van een internationale kommunistische organisatie met een pers en een tussenkomst, maakt het mogelijk voor deze groepen om zichzelf, door een confrontatie van standpunten en ervaringen, te situeren en de revolutionaire samenhang van hun standpunten te ontwikkelen. In sommige gevallen kunnen ze bij de internationale kommunistische organisatie vervoegen. Als zo’n pool niet bestaat, is het waarschijnlijker dat zo’n groep zal uiteenvallen, ontmoedigd en in verval zal raken (door, bijvoorbeeld, activisme, lokalisme en corporatisme). Met de ontwikkeling van de strijd en de nadering van een periode van revolutionaire confrontaties, zal deze rol steeds belangrijker worden naarmate meer elementen direct door de klassenstrijd voorgebracht worden.

De arbeidersklasse zal steeds meer genoodzaakt worden haar dodelijke vijand rechtstreeks te trotseren. Zelfs wanneer de omverwerping van de burgerlijke macht niet onmiddellijk is te verwezenlijken, zullen de schokken gewelddadig zijn en beslissend voor de uitkomst van de klassenstrijd. Daarom moeten de revolutionairen nu al, met de middelen die ze hebben, in de klassenstrijd tussenkomen:

  • om de arbeidersstrijd zover mogelijk voort te stuwen, zodat al het potentieel dat daarin vervat zit ook gerealiseerd wordt;
  • om te verzekeren dat een maximaal aantal vragen worden opgeworpen, en een maximaal aantal lessen worden getrokken in het kader van de algemene politiek perspectieven.

Eerder verschenen in Internationale Revue, Engels-, Spaans- en Franstalige uitgave, nr. 29, 2e kwartaal 1982.

Rapport over de structuur en het functioneren van de revolutionaire organisatie

(Internationale Conferentie – Januari 1982)

1. De structuur die een organisatie van revolutionairen aanneemt, correspondeert met de functie die ze op zich neemt binnen de arbeidersklasse. Omdat een revolutionaire organisatie taken moet vervullen die geldig zijn in alle stadia van de arbeidersbeweging en ook taken moet vervullen die meer geëigend zijn voor dit of dat tijdstip in de beweging, bestaan er zowel onveranderlijke kenmerken van de organisatie van revolutionairen als kenmerken die meer specifiek, meer bepaald worden door de historische omstandigheden waarin ze ontstaat en zich ontwikkelt.

De volgende blijvende kenmerken kunnen aangehaald worden:

  • het bestaan van een programma, dat geldig is voor de hele organisatie. Dit programma, dat een synthese is van de ervaring van het proletariaat waar de organisatie deel van uitmaakt en dat voortgebracht is door een klasse die niet alleen een onmiddellijk bestaan maar ook een historische toekomst heeft:
  • brengt deze toekomst tot uitdrukking door de doeleinden van de klasse te formuleren en de manier om die te bereiken;
  • brengt de essentiële punten bijeen, die de organisatie binnen de klasse moet verdedigen;
  • dient als basis voor een integratie in de organisatie;
  • haar eenheidskarakter, dat de eenheid van haar programma en van de klasse waar ze uit voortkomt tot uitdrukking brengt. De praktische manifestatie van deze eenheid is de centralisatie van haar structuur.

Onder de meer specifieke kenmerken moeten de volgende beklemtoond worden:

  • de grotere of minder grote omvang van de organisatie, afhankelijk van het feit of men haar beschouwt in de beginperiode van de arbeidersbeweging (geheime genootschappen, sektes), in het stadium van volle ontwikkeling binnen de kapitalistische maatschappij (massapartijen van de Tweede Internationale), of nog in de periode van directe confrontatie met het kapitalisme met de bedoeling het te vernietigen (de periode die ingeluid werd met de revolutie van 1917 en de oprichting van de Kommunistische Internationale), periode die aan de organisatie meer strikte en strenge selectiecriteria oplegt.
  • het niveau waarop haar programmatische en organische eenheid zich het meest direct manifesteert: het nationale vlak, toen de arbeidersklasse meer specifieke opgaven trotseerde binnen het kader van een zich uitbreidend kapitalisme in de verschillende landen waar de strijd plaatsvond (partijen van de Tweede Internationale); het internationale vlak, als het proletariaat nog slechts één taak moet vervullen: de wereldrevolutie.

2. De organisatiewijze van de IKS houdt rekening met deze verschillende gegevens:

  • een organische en programmatische eenheid op een internationaal vlak;
  • een ‘nauwe’ organisatie met strenge criteria voor lidmaatschap.

Maar dit internationale eenheidskarakter komt des te sterker tot uiting in de IKS omdat, in tegenstelling tot de organisaties die eerder in de periode van het verval van het kapitalisme ontstonden (Kommunistische Internationale, Linkse Fracties), er geen organische band is met de organisaties die voortkwamen uit de Tweede Internationale en die veel meer gekenmerkt werden door een structuur per land. Daarom ontstond de IKS rechtstreeks als een internationaleorganisatie die geleidelijk territoriale afdelingen deed ontstaan, en niet als een samenvoegingproces van organisaties die al op nationaal niveau bestonden.

Dit ‘positieve’ resultaat van de breuk in de organische continuïteit wordt echter opgeheven door een hele reeks van zwakheden, die verband houden met deze breuk en met het begrip van het vraagstuk van de organisatie. Ze beperken zich niet tot de IKS maar betreffen het hele revolutionaire milieu. Omdat deze zwakheden zich opnieuw hebben gemanifesteerd in de IKS werd besloten tot het houden van een internationale conferentie en het schrijven van deze tekst.

3. De kwestie van het centralisme staat in het centrum van onbegrip, dat op de IKS weegt. Het centralisme is geen facultatief of abstract beginsel voor de structuur van de organisatie. Het is de concretisering van haar eenheidskarakter. Het brengt het feit tot uitdrukking dat het één en dezelfde organisatie is die een standpunt inneemt en binnen de klasse opereert. In de verhouding tussen de verschillende delen van de organisatie en het geheel, is het altijd het geheel dat voorgaat. Tegenover de arbeidersklasse kunnen er geen politieke standpunten of opvattingen over interventie bestaan die eigen zijn aan deze of die territoriale of lokale afdeling. Deze laatste moet zichzelf altijd beschouwen als deel van een geheel. De analyses en standpunten, zoals die tot uiting komen in de pers, pamfletten, openbare bijeenkomsten, discussies met sympathisanten, de methoden zoals die gebruikt worden in onze propaganda en in onze interne leven zijn die van de organisatie als geheel, zelfs als er meningsverschillen zijn over dit of dat punt, in deze of gene plaats, of met deze of gene militant en zelfs als de organisatie in het openbaar de politieke debatten tot uitdrukking brengt, zoals die binnen haar organisatie plaatsvinden. De opvatting volgens welke dit of dat deel van de organisatie, in het aangezicht van de organisatie of van de arbeidersklasse, standpunten of gedragingen aan kan nemen, waarvan het denkt dat ze correct zijn in plaats van die van de organisatie, waarvan het denkt dat ze incorrect zijn moet absoluut verworpen worden om volgende redenen:

  • als de organisatie de verkeerde richting opgaat, is het de verantwoordelijk van de leden die denken dat ze de juiste positie verdedigen niet zichzelf te redden in hun eigen kleine hoekje, maar een strijd te voeren binnen de organisatie om te helpen haar weer ‘op het juiste pad’ te brengen (1);
  • een dergelijke opvatting leidt ertoe dat een deel van de organisatie eigenmachtig zijn eigen standpunt, met betrekking tot dit of dat aspect van haar werk (lokaal of specifiek), oplegt aan de hele organisatie

In de revolutionaire organisatie is het geheel niet de som van haar delen. Deze laatsten zijn gedelegeerd door de hele organisatie om bepaalde bijzondere activiteiten (territoriale publicaties, lokale interventies, enz.) uit te voeren, en zijn dus verantwoordelijk voor de hele organisatie waarvan ze een mandaat hebben gekregen.

4. Het uitverkoren moment waarin de eenheid van de organisatie ten volle tot uiting komt is het Internationale Congres. Op het Internationale Congres wordt het programma van de IKS omschreven, verrijkt of verbeterd; worden haar wijze van organiseren en functioneren vastgesteld, gepreciseerd, en veranderd; worden haar algemene oriëntaties en analyses aangenomen; worden een balans van haar voorbije activiteiten opgemaakt en perspectieven voor toekomstig werk opgesteld. Daarom moet de voorbereiding van een Congres door de hele organisatie met de grootste zorgvuldigheid en energie ter hand worden genomen. Daarom moeten de oriëntaties en beslissingen van een Congres dienen als een voortdurend referentiepunt voor het hele leven van de organisatie in de daaropvolgende periode.

5. De eenheid en de continuïteit van de organisatie tussen twee Congressen wordt tot uitdrukking gebracht door het bestaan van centrale organen, die benoemd worden door het Congres en daar ook verantwoording aan moeten afleggen. De centrale organen (of het nu internationale of territoriale organen zijn) hebben de verantwoordelijkheid:

  • de organisatie te vertegenwoordigen naar de buitenwereld;
  • standpunten in te nemen als dat noodzakelijk is, op basis van de oriëntaties vastgesteld door het Congres;
  • alle activiteiten van de organisatie te coördineren en oriënteren;
  • te waken over de kwaliteit van onze tussenkomst buiten de organisatie, met name in de pers;
  • het interne leven van de organisatie te animeren en stimuleren, met name door het rondsturen van interne discussiebulletins en zo nodig standpunten in te nemen ten aanzien van debatten;
  • de financiële en materiële reserves van de organisatie te beheren;
  • alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om de veiligheid van de organisatie en haar capaciteit haar taken uit te voeren te waarborgen;
  • de Congressen bijeen te roepen.

Het centrale orgaan is een deel van de organisatie en als zodanig moet het er verantwoording aan afleggen, als ze op haar Congres bijeenkomt. Toch is het een deel, wiens bijzonderheid erin bestaat het geheel tot uitdrukking te brengen en te vertegenwoordigen, en daarom hebben de standpunten en beslissingen van het centrale orgaan altijd voorrang ten opzichte van andere afzonderlijke delen van de organisatie.

In tegenstelling tot bepaalde opvattingen, met name de zogenaamde ‘Leninistische’, is het centraal orgaan een instrument van de organisatie, en niet andersom. Het is niet de top van een piramide, zoals in een hiërarchische en militaire opvatting van de revolutionaire organisatie. De organisatie wordt niet gevormd door een centraal orgaan plus militanten, maar is een stevig, verenigd netwerk waarin alle samenstellende delen in elkaar passen en samenwerken. Het centrale orgaan moet dus eerder worden gezien als de kern van een cel, die de stofwisseling van een levend organisch wezen coördineert.

In deze zin is de hele organisatie voortdurend betrokken bij de activiteiten van haar centrale orgaan, dat regelmatig rapporten moet maken van zijn activiteiten. Zelfs als zij alleen tijdens het Congres hun mandaat ter discussie stellen, moeten de centrale organen de hele tijd hun oren open houden voor het leven van de organisatie, en daar voortdurend rekening mee houden.

Al naar gelang de noodzaak en de omstandigheden, kunnen de centrale organen in hun midden subcommissies aanwijzen, die de verantwoordelijkheid hebben om de beslissingen te vervullen of te laten vervullen, die aangenomen worden tijdens de plenaire bijeenkomsten van de centrale organen, net als iedere andere taak die zich opdringt in de periode tussen de plenaire vergaderingen (zoals het innemen van standpunten).

Deze subcommissies zijn verantwoording verschuldigd aan de plenaire vergaderingen. Op een meer algemeen niveau is de verhouding tussen de organisatie als geheel en haar centrale orgaan van dezelfde aard als deze tussen de centrale organen en hun permanente subcommissies.

6. Deze zorg voor de grootst mogelijke eenheid in de organisatie is ook van toepassing bij de vaststelling van de procedures die moeten leiden tot het innemen van standpunten en tot de nominatie van centrale organen. Er bestaat geen ideale procedure, die de garantie biedt dat debeste keuze gemaakt zal worden als het erop aankomt standpunten in te nemen, oriëntaties aan te nemen of militanten aan te stellen in de centrale organen. Stemmen en kiezen zijn uiteindelijk de beste manieren om zowel de eenheid van de organisatie als de meest brede deelname van de hele organisatie in haar leven te verzekeren.

In het algemeen worden de beslissingen op alle niveaus (congressen, centrale organen, lokale afdelingen) genomen op basis van een eenvoudige meerderheid (als er geen unanimiteit is). Maar bepaalde beslissingen, die een onmiddellijke weerslag op de eenheid van de organisatie kunnen hebben (de verandering van het platform of de statuten, integratie of uitsluiting van militanten) worden genomen met meer dan een eenvoudige meerderheid (drievijfde, drievierde, enz.).

Aan de andere kant, nog steeds met dezelfde zorg voor de eenheid, kan een minderheid van de organisatie, als ze uitgegroeid is tot een beduidende minderheid (bijvoorbeeld tweevijfde), een buitengewoon Congres bijeenroepen. In het algemeen is het de taak van het Congres beslissingen te nemen in wezenlijke vraagstukken, en het bestaan van een aanzienlijke minderheid die vraagt om de bijeenroeping van een Congres is een aanwijzing dat er belangrijke problemen bestaan in de organisatie.

Tenslotte is het duidelijk dat stemmingen alleen betekenis hebben als de leden, die in de minderheid zijn, de beslissingen, die beslissingen van de organisatie worden, ten uitvoer brengen.

Bij de benoeming van de centrale organen moeten met de volgende drie dingen rekening gehouden worden:

  • de aard van de taken welke deze organen moeten vervullen;
  • de geschiktheid van de kandidaten met het oog op deze taken;
  • hun bekwaamheid om op een collectieve manier te werken.

In deze zin kan je zeggen dat de algemene vergadering (een Congres of een andere), die een centraal orgaan kiest eigenlijk een team nomineert; daarom legt het uittredende centrale orgaan in het algemeen een lijst met kandidaten voor. Het is echter het recht van deze vergadering (en dit is ook het recht van iedere militant) om andere kandidaten naar voren te schuiven als ze denkt dat dit nodig is, en ieder geval de leden voor de centrale organen op een individuele basis te verkiezen. Dit is de enige manier van verkiezing die de organisatie in staat stelt zichzelf te voorzien van organen die haar maximale vertrouwen hebben.

Het is de verantwoordelijkheid van de centrale organen om de beslissingen en oriëntaties van het Congres, dat hem verkoos, toe te passen en te verdedigen. In deze zin is het opportuun dat er in het orgaan een sterke meerderheid aan militanten zit die zich, tijdens het congres, uitgesproken heeft ten gunste van zijn beslissingen en oriëntaties. Dit betekent echter niet dat alleen zij die meerderheidsstandpunten verdedigden tijdens het congres, standpunten die dan standpunten van de organisatie geworden zijn, deel kunnen uitmaken van het centrale orgaan. De drie criteria, die hierboven zijn omschreven, blijven geldig, welke standpunten er ook tijdens de debatten verdedigd werden door deze of gene kandidaat. Dit betekent ook niet dat er een principe van vertegenwoordiging – bijvoorbeeld van proportionele verhouding – van de minderheidsstandpunten binnen het centrale orgaan bestaat. Dit een veelvoorkomende praktijk in bourgeoispartijen, met name sociaal-democratische, waarbij de leiding samengesteld is uit vertegenwoordigers van verschillende stromingen of tendensen in verhouding tot het aantal stemmen dat ze gekregen hebben op het Congres. Een dergelijke manier van benoemen van centrale organen beantwoordt aan het feit dat in een burgerlijke organisatie het bestaan van meningsverschillen gebaseerd is op de verdediging van deze of gene manier om het kapitalisme te regeren, of eenvoudigweg op de verdediging van de belangen van deze of gene sector van deheersende klasse of deze of gene kliek, oriëntaties en belangen die een lange termijn karakter hebben en die verzoend moeten worden door een ‘eerlijke’ verdeling van de posten onder de vertegenwoordigers. Dit is niet van toepassing op een kommunistische organisatie, waar de meningsverschillen geenszins de verdediging van materiele of persoonlijke belangen tot uiting brengen, of die van bijzondere groepen, maar de uitdrukking vormen van een levend en dynamisch proces van verheldering van vraagstukken gesteld door de klasse en die, als zodanig, opgelost kunnen worden door de verdieping van de discussie en in het licht van de ervaring. Een keuze voor een stabiele, permanente en proportionele vertegenwoordiging van de verschillende standpunten die tijdens het congres op verschillende punten van de agenda naar voren zijn gekomen, zou dus betekenen dat geen rekening zou worden gehouden met het feit dat de leden van de centrale organen:

  • als hun eerste verantwoordelijkheid de taak hebben de beslissingen en oriëntaties van het congres toe te passen;
  • met de ontwikkeling van het debat perfect hun persoonlijke opvattingen (in deze of gene richting) kunnen veranderen.

7. Het gebruik van de termen ‘democratisch’ of ‘organisch’ om de centralisatie van een revolutionaire organisatie te beschrijven moeten vermeden worden:

  • omdat het ons niet verder brengt in een goed begrip van het centralisme;
  • omdat deze termen zelf beklad worden door praktijken die zij in de geschiedenis gedekt hebben.

Inderdaad, het ‘democratisch centralisme’ (een term die we ontlenen aan Lenin) is getekend door de stempel die het Stalinisme erop drukte, dat het gebruikte om het proces toe te dekken dat ieder revolutionair leven in de partijen van de Kommunistische Internationale verstikte en uitroeide. Bovendien draagt Lenin daarvoor zelf ook enige verantwoordelijkheid doordat hij, tijdens het Tiende Congres van de Russische Kommunistische Partij (1921), vroeg om het verbieden van fracties, wat hij ook verkreeg, iets wat hij – ten onrechte, zelfs op een tijdelijke basis – als noodzakelijk beschouwde met het oog op de verschrikkelijke moeilijkheden die de revolutie doormaakte. Bovendien heeft de eis om een ‘werkelijk democratisch centralisme’, zoals toegepast werd in de Bolsjewistische partij, ook geen zin, omdat:

  • bepaalde opvattingen, zoals door Lenin werden verdedigd (met name in Eén stap voorwaarts, twee stappen terug) over de hiërarchische en ‘militaire’ aard van de organisatie, opvattingen die misbruikt zijn door het stalinisme om zijn methoden te rechtvaardigen, verworpen dienen te worden;
  • de term ‘democratisch’ op zichzelf niet meest geëigende term is, zowel etymologisch (‘macht van het volk’) als door de betekenis die hij heeft gekregen onder het kapitalisme, die hem veranderde in een formalistische fetisj om de burgerlijke overheersing over de maatschappij toe te dekken en te rechtvaardigen.

Tot op zekere hoogte zou de term ‘organisch’ (die we ontlenen aan Bordiga) juister zijn voor de omschrijving van het soort centralisatie dat bestaat in een organisatie van revolutionairen. Maar het feit dat de Bordigistische stroming deze term gebruikt heeft om een wijze van functioneren te rechtvaardigen, die de organisatie als geheel belet om enige vorm van controle uit te oefenen over haar centrale organen en over haar eigen leven, diskwalificeert deze term en maakt het voor ons noodzakelijk deze term eveneens te verwerpen. Het Bordigisme gebruikt het feit – op zichzelf juist – dat een meerderheid ten voordele van een standpunt geen garantie is dat het ook juist is, of dat de verkiezing van centrale organen geen perfect middel is om hen te beschermen tegen enigevorm van ontaarding, om een opvatting van de organisatie te verdedigen waar stemmen en verkiezen is uitgebannen. In haar opvatting dringen de juiste standpunten en de ‘leiders’ zich ‘vanzelf’ op door een zogenaamd ‘organisch’ proces, iets wat in de praktijk erop neerkomt dat aan het ‘centrum’ de taak wordt toebedeeld alles alleen te beslissen en ieder debat af te handelen, en ertoe leidt dat dit ‘centrum’ zichzelf schaart achter de standpunten van een ‘historische leider’ die een soort van heilige onfeilbaarheid verwerft. Daar de revolutionairen tegen iedere vorm van religieuze of mystieke opvatting zijn, kan het niet de bedoeling zijn de hogepriester uit Rome te vervangen door die van Napels of  Milaan.

Nogmaals, stemmen en verkiezen, hoe weinig perfect deze methoden ook mogen zijn, vormen in de huidige omstandigheden nog de beste manier om het maximum aan eenheid en leven in de organisatie te garanderen.

8. In tegenstelling tot het Bordigistische standpunt, kan de organisatie van revolutionairen niet ‘monolithisch’ zijn. Het bestaan van meningsverschillen in haar midden vormt een uitdrukking van het feit dat ze een levend lichaam is, die nog geen volledig ontwikkelde antwoorden heeft die onmiddellijk kunnen worden toegepast op vraagstukken die in de klasse opkomen. Het marxisme is noch een dogma noch een catechismus. Het is het theoretische instrument van een klasse, die door haar ervaring en met haar historische toekomst als doel, stapje voor stapje vooruit gaat, door ups en downs, in de richting van een zelfbewustzijn, die de onmisbare voorwaarde vormt voor haar eigen emancipatie. Zoals bij elk menselijke denken, is het denkproces waardoor het proletarisch bewustzijn zich ontwikkelt geen lineair of mechanisch, maar een contradictoir en kritisch proces: het veronderstelt noodzakelijkerwijs een confrontatie van argumenten. In feite is het befaamde ‘monolithisme’ of de ‘onveranderlijkheid’ van de Bordigisten een lokaas (zoals gezien kan worden in de standpunten die ingenomen worden door de Bordigistische organisaties en hun verschillende afdelingen): ofwel is de organisatie volkomen verkalkt en wordt ze niet langer geraakt door het leven van de klasse, ofwel is ze niet monolithisch en zijn haar standpunten niet onveranderlijk.

9. Terwijl het bestaan van meningsverschillen binnen de organisatie een teken van leven is, kunnen de discussies, die daaromtrent plaatsvinden, enkel een werkelijke bijdrage vormen tot de versterking van de organisatie en tot een verbetering van de taken waarvoor de klasse haar heeft voortgebracht, als ze een aantal regels respecteren. We kunnen enkele van deze regels opnoemen:

  • het organiseren van regelmatige vergaderingen van de lokale afdelingen en het op de agenda zetten van de belangrijkste kwesties die in de organisatie worden bediscussieerd: in geen geval mag deze discussie worden verstikt;
  • de grootst mogelijke verspreiding van de verschillende bijdragen binnen de organisatie via de geschikte kanalen (de interne bulletins);
  • als gevolg daarvan de verwerping van geheime of bilaterale correspondentie die, in plaats van het debat te verhelderen, haar alleen maar kunnen toedekken door het bevorderen van misverstanden, wantrouwen en een tendens tot de vorming van een organisatie binnen de organisatie;
  • respect bij de minderheid voor de onmisbare organisatorische discipline (zoals we zagen in het punt 3);
  • de verwerping van iedere disciplinaire of administratieve maatregel van de kant van de organisatie ten opzichte van leden die meningsverschillen naar voren brengen: net zoals een minderheid moet weten hoe zich als minderheid te gedragen binnen de organisatie, zo moet ook de meerderheid weten hoe een meerderheid zich moet gedragen, en ze moet met name geen misbruik maken van het feit dathaar standpunt het standpunt van de organisatie is geworden om het debat op alle mogelijke manieren kapot te maken, bijvoorbeeld door de leden van de minderheid te dwingen als woordvoerder op te treden voor standpunten die ze niet aanhangen;
  • de hele organisatie heeft belang bij een discussie (zelfs als ze te maken heeft met meningsverschillen over beginselen die slechts kunnen leiden tot een organisatorische splitsing) die zo open en helder als mogelijk is (zonder dat dit natuurlijk de taken van de organisatie zou lamleggen of verzwakken). De doelstelling is immers om elkaar te overtuigen van de geldigheid van de respectieve analyses, of  het ten minste mogelijk te maken dat de grootst mogelijke helderheid ontstaat over de aard en de betekenis van deze meningsverschillen.

Daar de debatten die plaatsvinden in de organisatie over het algemeen het hele proletariaat aangaan, moeten ze publiekelijk worden gemaakt met in achtneming van de volgende voorwaarden:

  • deze debatten moeten algemene politieke vraagstukken betreffen en voldoende tot rijping gekomen zijn, opdat hun publicatie een werkelijke bijdrage vormt tot de ontwikkeling van het klassenbewustzijn;
  • de plaats die aan deze debatten wordt gegeven moet het algemene evenwicht in de publicaties niet verstoren;
  • het is de organisatie als geheel die over de publicatie van zulke bijdragen beslist en ze ten uitvoer brengt. Ze baseert zich daarbij op criteria die toegepast worden op ieder ander artikel voor de pers: of het goed en helder geschreven is, of ze een zeker belang hebben voor de arbeidersklasse, enz. We moeten daarom de publicatie verwerpen van teksten die verschijnen buiten de organen die hiervoor voorzien zijn, als ‘privé-initiatief’ van een bepaald aantal leden van de organisatie. Er bestaat ook geen formeel ‘recht’ voor niemand in de organisatie (een individu of een tendens) om een tekst gepubliceerd te krijgen als de verantwoordelijke organen er het nut of de opportuniteit niet van inzien.

10. De meningsverschillen die bestaan in een organisatie van revolutionairen kunnen leiden tot het ontstaan van georganiseerde vormen van minderheidsstandpunten. Als bij zo’n proces geen enkele administratieve maatregel (zoals het verbod van zulke georganiseerde vormen) de plaats kan innemen van de meest grondige discussie, is het niettemin belangrijk dat dit proces op een verantwoorde manier wordt aangepakt, wat betekent:

  • dat deze georganiseerde vorm van meningsverschillen slechts gebaseerd kan zijn op een positief en samenhangend standpunt, niet op een allegaartje van punten van oppositie en verwijten;
  • dat de organisatie in staat is de aard van zo’n proces te begrijpen, dat ze met name in staat is het verschil in te zien tussen een tendens en een fractie.

Een tendens is vooral een uitdrukking van het leven van een organisatie, van het feit dat het denken nooit op een rechtlijnige manier verloopt, maar doorheen een contradictoir proces van discussie en confrontatie van ideeën. Als zodanig is een tendens er in het algemeen toe bestemd om opnieuw door de organisatie te worden opgenomen op het ogenblik dat een vraagstuk voor de hele organisatie voldoende helder is geworden zodat een enkele analyse naar voren geschoven kan worden, ofwel als het resultaat van discussie ofwel als resultaat van nieuwe ontwikkelingen die het ene standpunt bevestigen en het andere verwerpen.

Verder ontwikkelt een tendens zich met name rondom punten die de oriëntatie en de tussenkomst van de organisatie bepalen. Ze wordt niet direct gevormd rondom theoretische kwesties of analyses. Deze laatste opvatting van een tendens zou leiden tot een verzwakking van de organisatie en een absolute versnippering van de militante energie.

Een fractie is een uitdrukking van het feit dat de organisatie in crisis is, doordat er zich een proces van ontaarding, van capitulatie voor de heersende ideologie in haar midden ontwikkelt.  In tegenstelling tot de tendens, die ontstaat met betrekking tot meningsverschillen over oriëntaties rondom bijzondere vraagstukken, wordt een fractie gevormd rondom programmatische meningsverschillen wat alleen maar kan leiden ofwel tot de verwijdering van burgerlijke standpunten uit de organisatie, ofwel in het vertrek van de Kommunistische fractie. Daar de fractie de scheiding in zich draagt van twee standpunten die onverenigbaar met elkaar zijn geworden binnen dezelfde organisatie, tendeert ze ertoe een georganiseerde vorm aan te nemen met haar eigen propagandaorganen.

Daar de organisatie van de klasse niet immuun is voor ontaarding, is het de rol van de revolutionairen om er voortdurend voor te strijden dat ze niet ten prooi valt aan burgerlijke standpunten die zich in haar midden kunnen ontwikkelen. En als ze zich in deze strijd in een minderheidspositie bevinden, dan is het hun taak om zich in een fractie te organiseren, ofwel om de hele organisatie te winnen voor de kommunistische standpunten en de burgerlijke standpunten buiten te sluiten, ofwel, omdat de strijd steriel is geworden daar de organisatie – in het algemeen in een periode van teruggang van strijd – het proletarische terrein heeft verlaten, een brug te vormen naar het weer oprichten van de klassenpartij, die alleen maar kan ontstaan in een periode van opkomende klassenstrijd.

In al deze gevallen moet de zorg van de revolutionairen geleid worden door de bekommernis die ook in de klasse als geheel bestaat: de al minieme revolutionaire energieën, die de klasse bezit, niet te verspillen; er voortdurend over waken dat een instrument dat zo onmisbaar en tegelijkertijd zo kwetsbaar is – de organisatie van revolutionairen – behouden blijft en zich ontwikkelt.

11. Terwijl de organisatie in het geval van meningsverschillen tegen het gebruik van iedere administratieve of disciplinaire maatregel moet zijn, betekent dit niet dat ze deze maatregelen in geen enkel geval kan gebruiken. Integendeel, het is onvermijdelijk dat ze terugvalt op maatregelen zoals tijdelijke schorsing of definitieve uitsluiting als ze geconfronteerd wordt met houdingen, gedragingen of handelingen die een gevaar vormen voor het bestaan van de organisatie, voor haar veiligheid en haar bekwaamheid om taken uit te voeren. Dit geldt voor gedrag binnen en buiten de organisatie dat onverenigbaar is met dat van een kommunistische organisatie.

Bovendien is het belangrijk dat de organisatie alle maatregelen neemt om zich te beschermen tegen pogingen tot infiltratie of vernietiging door agentschappen van de kapitalistische staat, of door elementen die, zonder dat ze direct worden gemanipuleerd door deze organen, zich op een manier gedragen die het werk van deze laatsten vergemakkelijken. Als dergelijk gedrag aan het licht treedt, is het de plicht van de organisatie om maatregelen te nemen, niet alleen voor de verdediging van haar eigen veiligheid, maar ook voor de verdediging van de veiligheid van de andere kommunistische organisaties.

12. Een fundamentele voorwaarde voor een kommunistische organisatie, die in staat wil zijn haar taken binnen de klasse uit te voeren, is een juist begrip in haar midden van de verhoudingen die behoren te bestaan tussen de organisatie en haar militanten. Dit is in ons tijdperk een bijzonder moeilijke kwestie om te begrijpen, vanwege het gewicht van de organische breuk met vroegere fracties en de invloed van elementen van het studentenmilieu in de revolutionaire organisaties na 1968. Dit heeft het mogelijk gemaakt dat een van de loden lasten die de arbeidersbeweging in de negentiende eeuw moest dragen – individualisme – opnieuw de kop heeft opgestoken.

In het algemeen zijn de verhoudingen tussen de militanten en de organisatie gebaseerd op dezelfde beginselen als de hierboven aangehaalde verhoudingen tussen de delen en het geheel van de organisatie. Meer bepaald dienen de volgende punten te worden aangestipt in dit verband:

a. de arbeidersklasse brengt geen revolutionaire militanten voort maar revolutionaire organisaties: er bestaat geen directe relatie tussen de militanten en de klasse. De militanten nemen deel in de klassenstrijd in zoverre zij leden worden van de organisatie en daar taken voor uitvoeren. Ze hoeven geen bijzondere ‘zegening’ te verwerven tegenover de klasse of tegenover de geschiedenis. De enige ‘zegening’ die voor hen telt is die van de klasse en van de organisatie die door haar is voortgebracht.

b. Dezelfde verhoudingen die bestaan tussen een bijzonder orgaan (groep of partij) en de klasse bestaan ook tussen de organisatie en de militanten. En net zoals de klasse niet bestaat om te beantwoorden aan de behoeften van de kommunistische organisatie, zo bestaan kommunistische organisaties niet om de problemen van de individuele militant op te lossen. De organisatie is niet het product van de behoeften van de militant. Men is een militant voorzover men de taken en functies van de organisatie heeft begrepen en er mee instemt.

c. Hieruit volgt dat de verdeling van de taken en de verantwoordelijkheden binnen de organisatie niet gericht is op de ‘verwezenlijking’ van de individuele militanten. Taken moeten verdeeld worden op een manier die de organisatie als geheel in staat stelt op een optimale wijze te functioneren. Als de organisatie zoveel mogelijk zorgt voor het we