Wereldrevolutie, nr. 114 - mei-augustus 2008

Arbeidersstrijd in Duitsland: Groeiende strijdbaarheid

De laatste vijf jaar zijn we getuige van een internationale ontwikkeling van de klassenstrijd. Deze strijd heeft zich ontwikkeld als antwoord op de omvang van de kapitalistische crisis. En de dramatische verslechtering van de arbeids- en levensomstandigheden van de arbeidersklasse in de hele wereld.
Momenteel zijn we in Duitsland getuige van het begin van een nieuwe etappe in deze dynamiek. In dit belangrijke industrieland van Europa zijn talrijke stakingen gevoerd in de hoofdsectoren van de economie. Massale ontslagen, sterke loonsdalingen en drastische verslechtering van de arbeidsvoorwaarden zijn het gist voor de ontwikkeling van deze strijd in een land waar de arbeidersklasse nog maar enkele jaren geleden bekend stond voor de hoogste levensstandaard van Europa.

Een nieuw jaar van onvrede

Het jaar 2008 begon ermee dat de spoorwegmaatschappij ‘Deutsche Bahn’ een loonsverhoging moest toekennen van 11% en een verkorting van de werkweek voor machinisten. Dit was het resultaat van een tien maanden durend conflict, dat nóch door het buiten de wet stellen van de staking op nationaal vlak, nóch de verdeling van de arbeiders van de DB door de vakbonden, werd ondermijnd.
Deze staking werd gevolgd door een grote mobilisering in het Ruhr-gebied, met de lamleggen van de productie van draagbare telefoons bij Nokia. Op een solidariteitsdag met het kantoorpersoneel van Nokia in Bochum bijvoorbeeld kwamen arbeiders van verschillende sectoren op de been en er werden afvaardigingen uit verschillende delen van Duitsland gestuurd. Met name de arbeiders van de automobielfabrieken van Opel in Bochum gingen die dag in staking gegaan als steun aan de ‘Nokianers’. De rol van de automobielfabriek in Bochum kan niet onderschat worden want het is waar dat het kantoorpersoneel van Nokia zich gedemoraliseerd en geïntimideerd voelden door de provocerende brutaliteit waarmee de sluiting van het bedrijf werd aangekondigd. En het was juist met het massale ingrijpen van de Opel-arbeiders dat – met oproepen tot strijd en de belofte zich daarbij aan te sluiten zodra het begon – dat de mobilisering mogelijk werd.
Maar het is de opening van de jaarlijkse loononderhandelingen, die vanaf midden februari talrijke uitingen van arbeidersstrijdbaarheid teweegbracht. Daarmee sneuvelde de mythe van een ‘model van Duits sociaal overleg’, dat de bourgeoisie zo na aan het hart lag. De beurtstakingen van de arbeiders in de staalnijverheid werden gevolgd door verrassingsstakingen van tienduizenden arbeiders in de openbare diensten. Sinds januari neemt de spanning haast overal toe. Zo riep de vakbond Verdi het kantoorpersoneel van de ziekenhuizen, en zelfs de artsen, het personeel van spoorwegen en streektransport (niet beheerd door de DB), van de kinderopvang, van de spaarbanken en talrijke openbare administraties, van luchthavens, piloten inbegrepen, op om in staking te gaan en te betogen voor een loonsverhoging van 12%. De regering daarentegen wil slechts een verhoging van 4% toekennen, terwijl de reële lonen officieel met 3,5% gedaald zijn, gepaard gaand met een verlenging van de werkweek met twee uur!
Verdi was oorspronkelijk van plan om de loonarbeiders de pil van dit akkoord te laten slikken, maar de kracht van de vijandigheid tegen dit akkoord was zo groot en de risico’s van overrompeling van de vakbonden zodanig dat deze zich gedwongen zag om een stap terug te doen en zich te haasten voorop te lopen in het ongenoegen door op te roepen tot staking, maar dan wel streek per streek.

De staking van het stadsvervoer in Berlijn

Maar het was vooral de onbeperkte algemene staking van de transportarbeiders in Berlijn waarmee sinds het einde van de eerste week van maart die liet zien dat dit jaar in loononderhandelingen het kapitalistisch offensief tegen de arbeidersklasse een halt werd toeroepen. Deze staking van 10.000 arbeiders – nu al de meest massale en langdurigste van deze sector in de Duitse naoorlogse geschiedenis – heeft een strijdbaarheid en vastberadenheid laten zien die bij de bourgeoisie als een verrassing is aangekomen. Dit conflict barstte op een moment dat de Duitse spoorwegen een laatste poging deden om de concessies aan de treinbestuurders van de DB ongedaan te maken, die er vervolgens mee dreigden om opnieuw in staking te gaan, en dat op het moment waarop de onderhandelingen met de ambtenaren dreigden stuk te lopen. Deze staking van het stadsvervoer, met uitzondering van de buurtspoorwegen (S-Bahn, die behoort tot de DB) werd zorgvuldig afgezonderd van de stakingen die zich in het hele het land ontwikkelden en in andere bedrijfstakken in Berlijn zelf. In de context van gelijktijdige strijd die zich in heel Duitsland ontwikkelde op basis van dezelfde looneisen, en na sterke uitingen van solidariteit binnen de arbeidersklasse, zoals wij zagen bij de sluiting van Nokia, moesten de ondernemers en de vakbonden aan de alarmbel trekken. Als afleidingsmanoeuvre plande Verdi een actiedag op een zaterdag eind februari in een poging om het akkoord met de BVG, de patroon van het personeel van het stadsvervoer, aanvaard te krijgen. Dit akkoord voorzag in het bevriezen van de lonen tot in 2007, met enkel verhogingen voor wie sinds 2005 waren aangenomen. Maar de woede van de arbeiders was zo groot dat zij 24 uur voor de voorziene datum in staking gingen, zonder te wachten op de ‘toestemming’ van de vakbonden. De verontwaardiging was zo groot, niet alleen over de lonen, maar ook over de overduidelijke poging om verdeeldheid te zaaien tussen ‘jonge’ en ‘oudere’ arbeiders, dat Verdi zijn poging om tot een ‘onderhandeld en hartelijk akkoord’ te komen moest opgeven en in een oogwenk het geweer van schouder verwisselde door met radicale taal tot staking op te roepen… maar er daarbij wel voor zorgend dat de arbeiders in werkelijkheid werden opgesloten in ‘hun’ strijd en hen te isoleren van hun klassenbroeders. Terwijl de stakingsbeweging in de luchthavens massaal voelbaar was in Stuttgart, Keulen, Bonn, Hamburg en Hannover, zorgde Verdi er voor dat de luchthaven van Berlijn geen staking noch werkonderbreking kende, onder het voorwendsel het Duitse toerismebeurs niet te willen ‘saboteren’. In dergelijke omstandigheden deed ook de DB al snel een stap terug enkele uren voor de hervatting van een algemene staking van Berlijnse treinbestuurders. Het was een staking die feitelijk de pogingen van de directie verijdelde om de akkoorden die in januari waren afgesloten over de 11% en werkvermindering weer op de helling te zetten. Deze staking liet het begin zien van verzet tegen de vakbonden en leidde tot een openlijke botsing met de coalitie van het stadsbestuur in Berlijn, namelijk van de linkervleugel van de sociaal-democratie met de ‘Linkspartei’. Die laatste komt voort uit de Stalinistische SED en stond vroeger aan het hoofd van de DDR (Oost-Duitsland). Ze wint nu terrein in het voormalig West-Duitsland, met steun van de oude leider van de SPD, Oskar Lafontaine, en veroordeelde de staking als uiting van de ‘mentaliteit van bevoorrechting’ van de ‘verwende’ West-Berlijners!
Als gevolg van deze ontwikkeling verschenen er meerdere blogs op internet, waarin spoorwegarbeiders alsook piloten en verplegend personeel hun bewondering voor, en hun solidariteit uitdrukten met de staking bij de BVG. Dat is van groot belang omdat in deze bedrijfstakken, waar het gewicht van het corporatisme bijzonder sterk is en krachtig gevoed wordt door de vakbonden, want ze brengen een diepgaande tendens tot uiting in de richting van éénheid en solidariteit voor de komende periode.

Wilma / 21.03.2008

De Midlands discussiekring in Groot-Brittannië: Een plek ter verheldering van het klassenbewustzijn

Wij publiceren hier lange uittreksels van een artikel uit World Revolution, nr. 258 van oktober 2002 (orgaan van de IKS in Groot-Brittannië) over de dynamiek van een discussiegroep die in the Midlands werd opgericht in 2000. Het laat de behoefte zien aan dit soort groepen voor het verhelderen van het bewustzijn binnen de arbeidersklasse. Van de MDG (Midlands Discussion Group) maken sinds acht jaar mensen deel uit van Leicester en Birmingham afkomstig uit uiteenlopende politieke middens (links-kommunisten, radenisten, anarchisten, ecologische beweging, ultra-links). Doel van deze groep was het bediscussiëren van het proletarisch alternatief tegenover het kapitalisme naar het voorbeeld van discussiegroepen die bestaan hebben in Mexico, in India, in Frankrijk, in Spanje, in Zwitserland en in Australië.
Discussiekringen kunnen slechts opduiken in de context van de historische ontwikkeling van het klassenbewustzijn. Zij maken deel uit van de inspanning van het proletariaat om het klassenbewustzijn te ontwikkelen door te proberen de betekenis en de gevolgen te begrijpen van de crises van het kapitalisme vanuit van de politieke standpunten van het proletariaat.
In de huidige historische context, dat wil te zeggen van toenemende imperialistische en economische chaos wordt het proces van de ontwikkeling van het klassenbewustzijn steeds moeilijker, vooral na de ineenstorting van het Oostblok. Het werk van discussiekringen is dan ook van groot belang voor de toekomstige ontwikkeling van het inzicht van het proletariaat over zijn eigen historische rol.

Een tribune voor discussie en verheldering

De MDG is oorspronkelijk ontstaan als een discussiegroep uit Leceister (LDG) met mensen die in die regio discussieerden en al lang in contact waren met de IKS (Internationale Kommunistische Stroming). Deze discussies werden versterkt door vragen over de oorlog in Kososvo. Om daaraan een systematischer en vruchtbarer vorm te geven, stelde de IKS voor dat ze een discussiekring zouden oprichten. De eerste discussies van de MDG gingen over een artikel waarin de IKS de politieke lessen trok uit een discussiegroep die had bestaan in Zürich, Zwitserland, in de jaren 1990. Daarin werd gesteld dat “een kring een open maar geen permanente verzameling is van arbeiders die samenkomen om te discuteren en politieke vraagstukken te verhelderen. Deze kringen vormen een plaats die het proletariaat in het leven roept opdat haar bewustzijn er op zou vooruitgaan, vooral op momenten waarin er geen enkele partij of arbeidersraad bestaat [...] Wij beschouwen ze als een concrete uiting van de klasse. Zij zijn een uitdrukking van de bewustwording en tonen aan dat ze niet zomaar bereid zijn om de crisis en het bankroet van het kapitalisme te ondergaan zonder blijk van verzet; zij laten de wil zien van om zich te verdedigen tegen de aanvallen van het kapitalistisch systeem. Tezelfdertijd zijn ze de uiting van een poging tot het uitzoeken van strijdmiddelen en van het ontwikkelen van een revolutionair perspectief” (Discussiekringen in de arbeidersklasse: een verschijnsel op wereldvlak, in World Revolution, nr. 202, september 1997). Omdat een discussiekring geen organisatie is die zich schaart rond een politiek platform kan hij ook geen permanente of stabiele bestaan leiden. Het vormt een moment van politieke verheldering dat de militanten in staat stelt om, door deelname aan een proces van collectieve discussie, uit te zoeken waar zij politiek staan ten opzichte van de uitgebuite klasse en van de historische stromingen die in het internationalistisch marxistisch proletarisch milieu al bestaan.

Een proces van verheldering en openheid

Een belangrijk punt in de discussies van de MDG was de wil om beter de voornaamste theoretische en historische vraagstukken van de arbeidersbeweging te begrijpen en dit te laten samengaan met het bediscussiëren van belangrijke nationale en internationale gebeurtenissen.
Zo debatteerde de kring na 11 september 2001 ook over de pamfletten en communiqués van de IKS en van andere groepen de Kommunistische Linkerzijde. Tijdens een buitengewone bijeenkomst kenschetste de groep deze aanslag als een uitdrukking van de verergering van de imperialistische spanningen. Deze wil om de imperialistische oorlog te veroordelen vanuit proletarisch standpunt was een grote kracht van de groep. Alle deelnemers gaven duidelijk blijk van hun verzet tegen de oorlog in Kosovo en Afghanistan net zoals alle imperialistische oorlogen.
Het publiceren in World Revolution, nr. 257 van het verslag van een discussie over de Commune van Parijs laat de diepgang en kwaliteit van deze discussies zien. De MDG discussieerde onder andere over de anti-kapitalistische beweging, over de Russische revolutie (die door de groep als proletarisch wordt beschouwd, ook al zijn er meningsverschillen over de rol van de Bolsjewieken en de oorzaken van haar ontaarding), over het bewustzijn van de bourgeoisie en over de rol van de linkse partijen tegenover de arbeidersklasse.
Vanaf het begin heeft de MDG de Kommunistische Linkerzijde als referentiepunt genomen. Hij heeft groepen van de Kommunistische Linkerzijde uitgenodigd om aan het debat deel te nemen. Dat stelde de deelnemers niet alleen in staat om een beter inzicht te krijgen in de standpunten van de verschillende groepen maar ook om ervaring op te doen in discussies met politieke organisaties van het proletariaat. De IKS is sinds de oprichting van de groep aanwezig op de bijeenkomsten en ook de CWO (Communist Workers Organisation, afdeling van de IBRP) was onlangs aanwezig.

De vooruitgang werd geboekt door vastbesloten politieke strijd

De MDG heeft volop zijn belangrijkste rol vervuld, die van de verheldering. Maar hij heeft een groot politiek debat moeten leveren om zover te komen. Vooral moest hij het hoofd bieden aan verwarring over zijn eigen aard en de rol die hij te spelen heeft.
De MDG baseerde zijn functioneren aanvankelijk op de lessen uit de langste ervaring van de arbeidersklasse, namelijk die van de discussiekring in Zürich. Toch werd het geheel en al opnemen van deze lessen belemmerd door verwarringen binnen de groep over zijn verhouding tot de IKS. Sommige mensen die in het begin de noodzaak inzagen van een open debat, begonnen de rol van de MDG te zien als een plaats van discussie over de standpunten van de IKS. Die visie neigde ertoe de groep te beschouwen als een soort wachtkamer voor de IKS. De IKS heeft deze visie fel verworpen en er bij de groep vaak op aangedrongen de geschieenis van de arbeidersbeweging meer in het algemeen te bediscussiëren net als de standpunten van de andere kommunistische organisaties.
De IKS heeft altijd verdedigd dat discussiekringen plaatsen vormen van verheldering en geen aanhangsels, ‘privaat eigendom’ of ‘jachtgebied’ zijn van proletarische politieke organisaties. Deze discussiekringen moeten openstaan voor eenieder die op zoek is naar verheldering. De enige redenen die zouden kunnen rechtvaardigen dat iemand (of een groep) kan worden uitgesloten van het debat moeten gebaseerd zij op bepaalde elementaire grondbeginselen van proletarisch gedrag: sabotagemanoeuvres of pogingen om de controle te verwerven over deze discussiekringen (evenals het verklikken).
Ook mensen die voortkwamen uit het ultra-linkse milieu namen deel aan de bijeenkomsten van de MDG, wat een politieke confrontatie mogelijk maakte met de standpunten van de burgerlijke ideologie. Verre van een misser te zijn leidden dergelijke discussies tot verheldering over aard en rol van ultra-links.
Net zoals bij de MDG kunnen discussiekringen heel heterogeen zijn. Daar is niets mis mee. Proberen criteria op te leggen (andere dan diegene die hierboven werden vermeld) voor deelname aan discussiekringen komt neer op het afzwakken van hun fundamentele kracht: hun open aard die een debat tussen verschillende standpunten mogelijk maakt. Dergelijke criteria zouden inderdaad met zich meebrengen dat er vooraf overeenstemming zou bestaan over politieke standpunten – dat wil zeggen een bepaald niveau van verheldering, waarmee het paard achter de wagen zou worden gespannen. Elke poging dergelijke criteria op te leggen leidt tot het bevriezen van het proces van verheldering. De politieke ontwikkeling van de deelnemers aan de discussie kan enkel het resultaat zijn van de confrontatie met uiteenlopende standpunten. De IKS, van haar kant, heeft altijd vertrouwen gehad in het oordeelsvermogen en het ‘gezond verstand’ van diegenen die loyaal willen discussiëren, zonder beperkingen en zonder vooroordelen (en daarbij inbegrepen diegenen die militant geweest zijn in burgerlijke partijen).
Als een kring geen ‘eigendom’ kan zijn van een organisatie, dan is hij evenmin een politieke groep of een organisatie als dusdanig.
Dat wil niet zeggen dat proletarische politieke organisaties het opkomen van dergelijke groepen niet moeten stimuleren of daaraan niet zouden moeten deelnemen om bij te dragen tot de meest doeltreffende verheldering. Het uitgangspunt van de IKS bestaat uit “De georganiseerde, verenigde en gecentraliseerde tussenkomst op internationaal vlak om bij te dragen tot het proces dat leidt naar de revolutionaire actie van de arbeidersklasse” (Basisstandpunten van de IKS). Het behoort tot de taak van de IKS en van andere proletarische politieke organisaties om het woord te voeren binnen discussiekringen met als doel de deelnemers beter vertrouwd te maken met de historische groepen van de Kommunistische Linkerzijde en stelling in te nemen, door de debatcultuur te ontwikkelen.
De MDG heeft ook te maken gehad met een persoonlijke spanningen in zijn rangen. Toch waren alle deelnemers, na een vrije en vranke discussie, het erover eens feit dat de belangen van de groep voorop staan en het personaliseren verworpen moet worden.
Toen die problemen waren overstegen kon de groep zich ontplooien en werden de debatten rijker. Begin 2002 hield de MDG een bijeenkomst over het proletarisch verzet tegen de imperialistische oorlog. Deze bijeenkomst trok mensen aan die nooit eerder waren gekomen, vergezeld van de CWO en van de SPGB (Socialist Party of Great-Britain) (zie hiervoor World Revolution, nr. 252). De meeste van die mensen zijn vervolgens blijven deelnemen aan het debat van de MDG.
De MDG vormde in Groot-Brittannië een grote inspanning van het proletariaat om zijn klassenbewustzijn te ontwikkelen. De dynamiek die de deelnemers bleven behouden toonde de politieke vitaliteit van deze groep aan. De mensen die er de kern van uitmaken doorliepen een daadwerkelijk proces van politieke verheldering. Dat wil niet zeggen dat iedereen reeds een perfect en helder bewustzijn heeft van wat er op spel staan in de historische situatie. Maar het betekent wel dat de deelnemers helderder zijn over wat zij verdedigen, over de wijze waarop zij hun eigen politieke toekomst bezien.
Sommige mensen van de MDG (een kleine minderheid) willen lid worden van de IKS terwijl de discussiegroep verder gaat met regelmatig bijeenkomen. Ze voeren een politiek van openheid naar de anderen door informatie op de site libcom.org en nemen deel aan bijeenkomsten van anarchistische groepen. De mensen van de groep komen ook regelmatig naar onze bijeenkomsten in Birmingham. En wij, van onze kant, blijven deelnemen aan de bijeenkomsten van de discussiegroep.

Naar World Revolution, nr. 258 (oktober 2002)

Hoe Stalin de militanten van de Oktoberevolutie 1917 heeft uitgemoord

Ter gelegenheid van de verjaardag van de Russische Revolutie van Oktober 1917, hebben de pennenlikkers van de heersende klasse ons regelmatig hetzelfde refreintje voorgezongen: de dictator Stalin zou de erfgenaam zijn van Lenin; zijn misdaden zouden het gevolg zijn van de politiek van de Bolsjewieken vanaf 1917. Moraal: de kommunistische revolutie kan enkel leiden tot de terreur van het stalinisme (1).
Het zijn de mensen die de geschiedenis maken, maar zij doen dat in bepaalde omstandigheden die doorwegen op hun daden. Zo bestond de belangrijkste reden van het instellen van het terreurregime in de Sovjet-Unie uit het tragische isolement van de Oktoberrevolutie van 1917. Want zoals Engels schreef vanaf 1847, in zijn Beginselen van het Kommunisme, kan de proletarische revolutie enkel zegevieren op wereldschaal:
“De kommunistische revolutie [...] zal geen zuivere nationale revolutie zijn ; ze zal tegelijkertijd plaatsvinden in alle beschaafde landen [...] Ze zal ook op alle andere landen van de wereld een aanzienlijk invloed uitoefenen en ze zal het verloop van hun ontwikkeling volledig omvormen en versnellen. Ze is een universele revolutie ; ze zal bijgevolg een universeel terrein bestrijken.”
De Russische revolutie werd niet overwonnen door de legers van de bourgeoisie, tijdens de burgeroorlog (1918-1920), maar van binnenuit, door de geleidelijke identificatie van de Bolsjewistische Partij met de Staat. Dat heeft de bourgeoisie in staat gesteld om de grootste leugen uit de geschiedenis te verspreiden, dat wil zeggen de Sovjet-Unie voor te stellen als een proletarische staat, ofwel wijs te maken dat de proletarische revolutie enkel kan leiden tot een regime van het stalinistische type.

De politiek van Stalin was niet die van Lenin

In tegenstelling tot wat de ideologen van de bourgeoisie beweren, was er geen continuïteit tussen de politiek van Lenin en die van Stalin na diens dood. Het fundamenteel verschil dat hen onderscheidde berustte in de sleutelkwestie van het internationalisme. De stelling van het ‘Socialisme in één land’, in 1925 aangenomen door Stalin, betekende een werkelijk verraad aan de grondbeginselen van de proletarische strijd en van de kommunistische revolutie. In het bijzonder betekende deze stelling die door Stalin werd voorgesteld als één van de ‘beginselen van het leninisme’, het volledige tegendeel van het standpunt van Lenin. Het onverzettelijke internationalisme van Lenin, dat zijn volledige aanhankelijkheid betoonde aan de strijd van het proletariaat voor zijn ontvoogding, was een constante in zijn leven (2). Zijn internationalisme was niet uitgedoofd met de zege van de Russische revolutie van Oktober 1917. Integendeel, hij beschouwde deze enkel als een eerste stap en een opstap naar de wereldrevolutie: “De Russische revolutie is slechts een detachement van het socialistische wereldleger, en het succes en de zege van de revolutie die wij hebben doorgevoerd hangen volledig af van de activiteit van dit leger. Dat is een feit dat niemand onder ons vergeet [...]. Het Russische proletariaat is zich bewust van zijn revolutionair isolement, en het ziet duidelijk dat het verenigde ingrijpen van de arbeiders wereldwijd, de onmisbare voorwaarde en de fundamentele premisse zijn voor zijn zege” (Rapport voor de Conferentie van Fabriekscomités van de provincie van Moskou).
Om die reden speelde Lenin, met Trotski, een beslissende rol in de stichting van de Kommunistische Internationale (KI, Komintern) in maart 1919. Het was vooral Lenin die één van de fundamentele teksten van het stichtingscongres van de KI heeft geredigeerd: de Stellingen omtrent de burgerlijke democratie en de dictatuur van het proletariaat.
Ten tijde van Lenin leek de KI helemaal niet op wat ze geworden is onder de controle van Stalin: een instrument van de diplomatie van de Russische kapitalistische staat en de speerpunt van de contra-revolutie op wereldvlak.
In tegenstelling tot Lenin beweerde Stalin dat het mogelijk was om het socialisme in één land op te bouwen. Deze nationalistische politiek van verdediging van het ‘socialistisch vaderland’ in Rusland vormde een verraad aan de proletarische grondbeginselen die door Marx en Engels geformuleerd werden in het Kommunistisch Manifest: “De arbeiders hebben geen vaderland. Proletariërs alle landen verenigt U!” Deze politiek diende om het staatskapitalisme te versterken in de Sovjet-Unie door het aan de macht komen van een klasse van bevoorrechten, de bureaucratie, die teerde op de wrede uitbuiting van de arbeidersklasse. Stalin was de gewapende arm en het boegbeeld van de contra-revolutie.
Als hij tot beul kon worden van de Russische revolutie, dan was het ook omdat hij bepaalde karaktertrekken had die hem meer dan andere leden van de Bolsjewistische Partij, geschikt maakten om deze rol te spelen. Het waren juist deze karaktertrekken die Lenin gedoodverfd had in zijn testament:
“Kameraad Stalin heeft door algemeen secretaris te worden een onmetelijke macht geconcentreerd in zijn handen en ik ben er niet zeker van of hij daar altijd met voldoende omzichtigheid mee weet om te gaan [...].”
En in een naschrift, aan de vooravond van zijn dood, voegde hij er aan toe:
“Stalin is te brutaal, en dit gebrek is volkomen te verdragen onder ons, kommunisten, maar wordt onverdraaglijk in de functie van algemeen secretaris. Daarom stel ik aan de kameraden voor om een middel te bedenken om Stalin uit deze post te verwijderen en in zijn plaats iemand te benoemen die zich op alle vlakken superieur is aan Stalin, dat wil zeggen, dat hij geduldiger is, loyaler, beleefder en bezorgder voor de kameraden, minder wispelturig, enzovoort. Deze omstandigheid kan een onbetekenende peulschil lijken, maar ik denk dat om een afsplitsing te voorkomen, en vanuit het gezichtspunt van de verhoudingen tussen Stalin en Trotski die ik hierboven heb onderzocht, dat het geen kleinigheid is, tenzij een kleinigheid die van doorslaggevende betekenis kan worden” (Testament van Lenin, 4 januari 1924).
Vanaf het midden van de jaren 1920 voerde Stalin een politiek van ongenadige politieke liquidering van alle oude medestrijders van Lenin door tot het uiterste misbruik te maken van de repressieorganen die de Bolsjewistische Partij had doorgevoerd om verzet te plegen tegen de witte legers (voornamelijk de politieke politie, de Tsjeka).

De grote stalinistische ‘zuivering’ innen de Bolsjewistische Partij

Na het overlijden van Lenin in januari 1924, haastte Stalin zich om zijn bondgenoten te plaatsen op sleutelposten in de partij. Hij had het vooral gemunt op Trotski, het alter ego van Lenin tijdens de Oktoberevolutie van 1917. Stalin sloot op opportunistische wijze een bondgenootschap met Boecharin, die de fatale vergissing maakte van het vertheoretiseren van de mogelijkheid van het socialisme in één land (later zou Stalin geen enkele scrupule vertonen om Boecharin te laten terechtstellen).
Vanaf 1924 kwamen een hele reeks meningsverschillen aan het licht binnen de Bolsjewistische Partij. Verschillende opposities vormden zich waarvan de belangrijkste geleid werd door Trotski waarbij andere militanten van de oude Bolsjewistische garde zich aansloten (namelijk Kamenev en Zinoviev). Met de opkomst van de bureaucratie binnen de partij had de Linkse Oppositie begrepen dat de Russische revolutie aan het ontaarden was.
Stalin bekleedde een sleutelpost. Hij controleerde het apparaat van de partij evenals de promotie van de leiders. Dat stelde hem in staat om zijn mannetjes te plaatsen en de Bolsjewistische Partij om te vormen tot een verbrijzelingsmachine. Hij begunstigde in het bijzonder de toetreding tot de partij van een grote massa arrivisten. Dat soort mensen, waar Stalin op steunde, waren er enkel op uit om carrière te maken binnen het staatsapparaat.
Hij had van toen af de handen vrij om de grote zuivering op te zetten binnen de partij, met als voornaamste doel het weren uit de leiding van de belangrijkste figuren van de Oktoberrevolutie (Kanenev, Zinoviev, Boekharin en vooral Trotski) om ze tenslotte allemaal uit de weg te ruimen.
Geleidelijk aan onttrok Stalin aan Troski al zijn politieke bevoegdheden tot op het moment dat hij hem liet uitsluiten uit de partij in1927 en uit Rusland in 1928. Dat was de periode waarin de tegenstanders van Stalin en de verdachten de ‘goelags’ vulden. De processen van Moskou (1936-1938) stelden Stalin in staat om de oude Bolsjewistische garde uit de weg te ruimen onder het voorwendsel van het verdrijven van ‘terroristen’, als gevolg van de moord op de partijchef van Leningrad, Sergeï Kirov, op 1 december 1934.
Tienduizenden Bolsjewieken werden aldus vervolgd, gevangen gezet, en tenslotte uitgeroeid in de meest verschrikkelijke omstandigheden. Dat was het tijdperk van de grote stalinistische campagne van de aanklacht tegen de ‘Hitler-Trotskisten’. In naam van hun gebrek aan ‘trouw’ aan ‘het socialistische vaderland’ liet Stalin ook duizenden Bolsjewistische militanten terechtstellen, waaronder diegenen die het nauwst betrokken waren bij de Oktoberrevolutie. Het kwam er op aan om definitief allen te muilkorven die vasthielden aan hun internationalistische en kommunistische overtuigingen. Alles wat ook maar in de verste verte herinnerde aan de Oktoberrevolutie van 1917 moest uit het geheugen gewist worden. Alle getuigen, die geacht werden de ‘officiële’ versie van de geschiedenis tegen te spreken, moesten verdwijnen omdat zij zijn grootste leugen konden blootleggen: het idee volgens hetwelk Stalin de uitvoerder zou geweest zijn van het testament van Lenin, het idee van een continuïteit tussen de politiek van Lenin en die van Stalin (3).

De democratische bourgeoisie medeplichtige van Stalin

Wat was de reactie van de grote democratieën op de barbaarse stalinistische repressie? Toen Stalin vanaf 1936 de schandelijke ‘processen van Moskou’ organiseerde, waarbij te zien was hoe de oude medestrijders van Lenin, gebroken door foltering, zichzelf beschuldigden van de meest verwerpelijke misdaden en voor zichzelf een voorbeeldige straf eisten, liet diezelfde democratische pers betaald door het kapitaal verstaan dat er ‘geen rook was zonder vuur’ (zelfs indien bepaalde kranten enkel schuchtere kritieken hadden opgeworpen ten overstaan van de politiek van Stalin door te beweren dat hij ‘overdreef’).
Het was met de medeplichtigheid van de bourgeoisie van de grootmachten dat Stalin zijn monsterlijke misdaden pleegde, dat hij in zijn gevangenissen en in zijn concentratiekampen, honderdduizenden kommunisten en miljoenen arbeiders en boeren uitroeide. En de sectoren van de bourgeoisie die blijk geven van de grootste ijver in deze medeplichtigheid, waren de ‘democratische’ sectoren (en in het bijzonder de sociaal-democratie), diezelfden die vandaag de stalinistische misdaden met uiterste heftigheid aanklagen en zich voordoen als modellen van deugdelijkheid.
Het was wel degelijk omdat het regime dat zich vestigde na de dood van Lenin en het neerslaan van de revolutie in Duitsland (1918-23), slechts een variant was van het kapitalisme, en zelfs een speerpunt van de contra-revolutie, dat het een warme steun kreeg van alle bourgeoisieën die enkele jaren voordien de macht van de sovjets wreedaardig hadden bestreden. Inderdaad, in 1934 aanvaarden diezelfde ‘democratische’ bourgeoisieën de Sovjet-Unie in de Volkerenbond (de voorloper van de Verenigde Naties), die door revolutionairen als Lenin bij zijn oprichting gekwalificeerd was als een ‘rovershol’. Het was het teken dat Stalin een ‘respectabele Bolsjewiek’ geworden was in de ogen van de heersende klasse van alle landen, diezelfde die de Bolsjewieken in 1917 voorstelde als barbaren met het mes tussen de tanden. De imperialistische rovers hebben in dit personage een van de hunnen herkend. Diegenen die van toen af vervolgd werden door heel de wereldbourgeoisie, zijn de kommunisten die zich verzetten tegen het stalinisme.
In een dergelijke internationale context wordt Trotski uitgewezen, van land tot land, elk moment onderworpen aan politiebewaking, moet hij het hoofd bieden aan de meest smerige kwaadsprekerij die de stalinisten tegen hem ontketenen en die met veel voldaanheid wordt overgenomen door de bourgeoisieën van het ‘democratische’ Westen.
Maar daar waar de medeplichtigheid van de democratische grootmachten het meest duidelijk werd lag in het feit dat geen enkele onder hen bereid was om Trotski asiel te verlenen, toen hij verbannen werd uit de Sovjet-Unie. Overal werd de oude leider van het Rode Leger beschouwd als een ongewenst persoon (persona non grata). De wereld was voor Trotski een ‘planeet zonder visa’ geworden.
Tijdens zijn verblijf in Frankrijk in 1935, zou de intelligentsia samengesteld uit journalisten en andere leden van de Franse Academie (zoals Georges Lecomte) zelfs zo ver gaan om het gerucht de ronde te laten gaan dat Trotski een ‘terroristische staatsgreep’ aan het voorbereiden was. Als gevolg van die geruchten werd Trotski uitgewezen door de ‘democratische’ Franse staat. Om te beletten dat hij overgeleverd zou worden aan de politieke politie van Stalin, bood de Noorse staat hem voorlopig politiek asiel aan, vooraleer ook zij hem uiteindelijk uitwees.
Na meer dan tien jaar omzwervingen werd Trotski tenslotte verwelkomd door de Mexicaanse regering in 1939, dankzij de schilder Diego Rivera die sympathieën koesterde voor het trotskisme. Na een eerste poging tot moordaanslag, door een commando geleid door de stalinistische schilder Siqueiros, werd Trotski op 20 augustus 1940 vermoord door een agent van Stalin, Ramón Mercader, die was geïnfiltreerd in zijn entourage door één van de medewerksters van de oude revolutionair te verleiden.
Trotski viel onder de slagen van de stalinistische repressie op het moment dat hij begon in te zien dat de Sovjet-Unie geen ‘proletarische staat met bureaucratische afwijkingen’ was, een visie die zo dierbaar is aan de Vierde Internationale (waarop bepaalde trotskistische organisaties, zoals de LCR, Lutte Ouvrière en de LSP/MAS (het CWI) zich beroepen).
Onze goeie hedendaagse democraten (zoals Marc Ferro en Stéphane Courtois) schreeuwen altijd moord en brand over de afschuwelijke misdaden van de Bolsjewistische Partij. Zij zullen er niet toe in staat zijn om deze geschiedkundige feiten uit ons geheugen te wissen: het is wel degelijk met de medeplichtigheid en de goedkeuring van hun voorgangers dat Stalin zijn lage streken heeft kunnen uitvoeren.
Deze herinnering aan één van de meest tragische episodes van de twintigste eeuw brengt, als dat nog nodig was, aan het licht dat er geen enkel continuïteit bestaat, maar wel degelijk een radicale breuk tussen de politiek van Lenin en die van Stalin (4). Op zijn sterfbed had Lenin juist geoordeeld: Stalin had te veel macht geconcentreerd in zijn handen. Zijn vervanging zou evenwel de loop van de geschiedenis niet hebben gewijzigd: een ander leider van zijn kaliber zou de rol op zich genomen hebben van beul van de Revolutie. Maar dat hij zich heeft weten op te dringen lag aan zijn persoonlijkheid, die hem het meest geschikt maakte om deze rol te spelen. Net zoals bij Hitler, die in de gunst kwam van de Duitse bourgeoisie die belust was op revanche na haar nederlaag van 1918 en na de schrik die haar in de benen was geslagen met de proletarische revolutie tussen 1918 en 1923.
In tegenstelling tot de leugens die door de ‘democratische’ propaganda ten overvloede verspreid worden, zat de worm niet in de vrucht vanaf Oktober 1917. Het Bolsjewisme van het eerste uur bevatte niet in de kiem de terreur van het stalinisme. Want het is wel degelijk de verplettering van de revolutie in Duitsland die de weg wijd geopend heeft voor de contra-revolutie in Rusland. Net zo heeft het overlijden van Lenin op 20 januari 1924 de laatste hindernissen opgeruimd voor de machtsgreep van Stalin in de Bolsjewistische Partij.
Deze laatste werd tot de stalinistische partij met de aanvaarding van de theorie van het ‘socialisme in één land’.
Het Bolsjewisme behoort toe aan het proletariaat, niet aan zijn beul, het stalinisme.

Sylvestre / 20.01.2008

(1) Zie hiervoor het artikel op onze web-site: Groet aan de proletarische revolutie! (http://fr.internationalism.org/ri386/Russie_Octobre_1917_Salut_à_l-a_Révolution_prolétarienne.htm).
(2) Zie hiervoor ons artikel in Révolution International, nr. 344, Lenin, een groot strijder van het wereldproletariaat (http://fr.internationalism.org/ri344/Lenine.htm).
(3) Om elk spoor van het verleden, elke getuigenis uit te wissen, heeft Stalin zelfs geprobeerd om buitenlandse militanten die in de Sovjet-Unie verbleven, zoals Victor Serge, gevangen te zetten. Deze laatste was een schrijver die een zekere bekendheid genoot. Als hij kon gered worden dan was dat dank zij een campagne van internationale mobilisering.
(4) Het is trouwens om deze reden dat de geneesheer van Lenin, op bevel van Stalin, oordeelde dat het niet langer nodig was zijn doodstrijd te verlengen en tot euthanasie werd overgegaan (dit ‘humanitaire’ gebaar had de ‘verdienste’ te verhinderen dat Lenin zijn laatste richtlijnen zou kunnen geven betreffende de ontsporingen van de partij).

In Zuid-Amerika wordt de oorlogstrom geroerd: Communiqué over de spanningen tussen Colombia, Equator en Venezuela

In dit communiqué analyseert Internacionalismo, de IKS-afdeling in Venezuela, de gebeurtenissen die zich afspelen in Zuid-Amerika sinds het binnendringen van Colombiaanse troepen in Equatoriaans grondgebied.

De feiten

Op zaterdag 2 maart bombardeerde het Colombiaanse leger een kamp van de FARC, dat gelegerd was op Equatoriaans grondgebied, op luttele kilometers van de grens met Colombia. Het doel van de actie was het uit de weg ruimen van een guerrillastrijder, Raúl Reyes, een belangrijk lid van het secretariaat van de FARC, die samen met zestien andere guerrillastrijders werd gedood. De president van Colombia (Álvaro Uribe, die de operaties tijdens de nacht volgde, verwittigde de president van Ecuador (Rafael Correa), die bij het in ontvangst nemen van de informatie louw reageerde op de uitleg die door de Colombiaanse president werd gegeven.
Op zondag echter veranderde Correa van houding en besloot de Colombiaanse ambassadeur uit Ecuador uit te wijzen. Op maandag besliste Ecuador de diplomatieke betrekkingen met Colombia te verbreken en het beschuldigde president Uribe ervan een ‘oorlogsstoker’ te zijn, nadat de directeur van de Colombiaanse politie verklaarde dat de documenten die waren buitgemaakt bij de computers van de guerrillastrijders, bewezen dat er banden bestonden tussen de FARC en de regeringen van Ecuador en Venezuela (1).
Op zondag drie maart meldde Chávez, tijdens zijn zondagse mediashow ‘Aló, Presidente’, nadat hij Uribe er van had beschuldigd een ‘maffia-lakei te zijn van het imperium’, dat hij ermee gedreigd had hem een Russische Sukhoi jachtbommenwerper te zullen sturen, als hij het aandurfde om een gelijkaardige actie te ondernemen op Venezolaans grondgebied. Hij nam het besluit tot de terugtrekking van het ambassadepersoneel uit Bogotá en de mobilisatie van tien militaire bataljons naar de grens naar de grens met Colombia. Maandag beval de Venezolaanse kanselier de uitwijzing van de ambassadeur van Colombia en ook werd er beslist om vanaf die dag (alhoewel niet officieel gemaakt) de grens met Colombia te sluiten (2).
Zoals zich laat raden riep deze toestand spanning op in de regio en bezorgdheid bij de bevolking, voornamelijk aan de grens tussen Colombia en Venezuela.

Chávez voert de spanning op

De reactie van de regering van Venezuela was buiten proporties, want Colombia geen had geen enkele militaire actie op Venezolaans grondgebied ondernomen. De commentatoren signaleerden dat de reactie van Venezuela heviger was dan die van Ecuador, het ‘binnengevallen’ land.
Men speculeert dat Chávez, na de eerste gematigde reactie van Correa (die achter het chavistisch project van de ‘Boliviaanse revolutie’ staat), druk uitoefende op de laatstgenoemde om de betrekkingen met Colombia te verbreken en als één front op te treden tegen de agressie van Uribe.
Deze overtrokken reactie van Venezuela hoeft ons niet te verbazen. De linkse regering van Chávez heeft een politieke strategie ontwikkeld om zich op te werpen als een regionale macht, gebaseerd op zijn olie, waarvoor het een op de spits gedreven anti-Amerikanisme uitbaat, waarbij het gebruik maakt van de politieke en sociale problemen van de regio en van de politieke moeilijkheden van de Verenigde Staten in de wereld. Deze opstelling heeft het er toe gedreven om linkse groepen en partijen in de regio politiek en financieel te steunen, waarvan sommigen aan de macht zijn gekomen zoals Evo Morales in Bolivia of Correa in Ecuador. De reactie van Chávez en zijn druk op Ecuador zijn te wijten aan het feit dat de actie van Colombia de steun heeft blootgelegd van beide landen aan de Colombiaanse guerrilla, die haar in staat stelden om kampen te installeren op hun grondgebied om de acties van de Colombiaanse regering te kunnen ontwijken. De beslissing van de regering van Venezuela om troepen te mobiliseren aan de grens met Colombia diende als antwoord op een reële mogelijkheid voor het geval dat het Colombiaanse leger de guerrillakampen zou aanvallen op Venezolaans grondgebied.
Chávez heeft voortdurend politieke en diplomatieke aanvaringen met Colombia, dat omgevormd is tot de belangrijkste militaire basis van de Verenigde Staten in de regio, onder het mom van het bestrijden van de guerrilla en de drugshandel, via het Plan Colombia, ingevoerd sinds het jaar 2000.
Als een poging tot destabilisatie van de Colombiaanse regering verleent het chavisme steeds openlijker steun aan de guerrillaorganisaties (FARC en ELN) door te weigeren hen te betitelen als terroristische organisaties. Het verleende ook politieke (en financiële) steun aan Polo Democrático Alternativo, een linkse Colombiaanse partij die het bolivariaans project verdedigt tegenover de uribistische partij die aan de macht is.
De botsing tussen Chávez en Uribe bleef min of meer in een onstabiel evenwicht tot november vorige jaar, toen Chávez opzij werd gezet als bemiddellaar voor de ‘humanitaire ruil’ van verschillende gegijzelden die in handen waren van de FARC (3), in ruil voor militanten van deze organisatie. Het kan niet worden uitgesloten dat de onverklaarbare beslissing van de Colombiaanse regering om Chávez te laten optreden als bemiddelaar voor de ruil van gegijzelden voor militanten van de FARC voortsproot uit een strategie van de Colombiaanse bourgeoisie en van de Verenigde Staten om de mobilisatie van de FARC beter te leren kennen en om hen strategisch te kleineren en te verzwakken, zoals nu ook gebeurt.
Het is een feit dat de guerrilla verzwakt is als gevolg van de kordate actie van Uribe (4); een toestand die verklaart waarom Chávez er zo op aandringt om haar te verdedigen als oorlogvoerende kracht, wat de deur zou kunnen openzetten om haar om te vormen tot een politieke partij. De recente actie van Colombia in Ecuador kan beantwoorden aan de noodzaak om deze optie te blokkeren en de eenzijdige overhandiging van gegijzelden aan Chávez te doen afknappen en de banden tussen de Venezolaanse regering en de FARC openbaar te maken. De Colombiaanse regering, die gebruik maakte van informatie van inlichtingendiensten (gesteund door de hoogtechnologische Noord-Amerikaanse militaire technologie), heeft bij verschillende gelegenheden het bestaan aangekondigd van guerrillakampen in de landen die grenzen aan Colombia, voornamelijk in Venezuela en Ecuador. Feitelijk had president Uribe al maanden aangekondigd dat de Guerrillaleider Raúl Reyes zich schuil hield op Equatoriaans grondgebied. Het lijkt er op alsof men wachtte op het geschikte moment om hem uit de weg te ruimen (5).

De oorlogscampagne

De Verenigde Staten en de Colombiaanse regering zijn bekend met de verzwakking van Chávez op binnenlands vlak, die werd weerspiegeld in de nederlaag bij het referendum van 2 december van vorig jaar, waarmee hij zijn herverkiezing voor onbepaalde termijn beoogde. De massa’s die hun hoop op hem gesteld hadden zijn wanhopig aan het worden. Vandaar dat de regering van Chávez het onmogelijke doet om de bevolking mee te sleuren in een oorlogscampagne tegen de buitenlandse vijand (de Verenigde Staten en Colombia), als een vorm om de aandacht van de massa’s af te leiden van haar werkelijke en dagelijkse problemen (gebrek aan bevoorrading, misdadigheid, werkloosheid, enzovoort).
Het was de strategie van de Verenigde Staten om het chavisme geleidelijk uit te putten en daarom werd het vermeden om in te gaan op zijn voortdurende provocaties, een toestand die Chávez er toe heeft genoopt om zijn nationalistisch geschut te richten op Uribe. De Verenigde Staten en de ‘meer bewuste’ bourgeoisieën uit de regio weten dat de hoge olieinkomsten niet toereikend zullen zijn voor het stillen van de vraatzucht van de bolivariaanse bourgeoisie (de zogenaamde ‘bolibourgeois’), die kolossale inkomsten nodig heeft voor haar wettige en onwettige handeltjes (gevolg van de hoge corruptiegraad die heerst in de bolivariaanse rangen). Welnu, een anti-Amerikaanse strategie ondersteunen (die ten tijde van de blokken werd gefinancierd door de Sovjetunie) kost wel wat geld. Het is net zo met het onderhouden van populistische politiek, die vele uitgaven vergt, reden waarom deze afgezwakt zijn vanaf 2006 (iets dat de meest verarmde bevolkingsgroep sterk aan den lijve ondervindt).
Te wijten aan het sociaal ongenoegen (6) hebben de botsing met Colombia en de oorlogsmobilisaties geen steun gekregen van de bevolking van Venezuela. Tegenover de oproepen van Chávez, van de Nationale Vergadering en de hoge leiders van het chavisme aan de bevolking om op de been te komen richting Colombiaanse grens, was het antwoord onverschilligheid, tegenstand tegen de oorlog ofwel dat de beide regeringen het zelf maar moesten uitzoeken hoe ze hun conflicten regelden. De regering heeft amper de steun gekregen van de lumpenleidster Lina Ron, die haar troep van 2000 man ter beschikking heeft gesteld van de ‘commandante’! Deze maken deel uit van de betaalde stoottroepen die het chavisme gebruikt om tegenstanders te onderdrukken, net zoals zij worden ingezet tegen de massa’s of arbeiders die protesteren of strijden voor hun eisen. Anderzijds hebben in het geval van Venezuela de oppositiesectoren van de bourgeoisie en hun partijen de rangen gesloten tegen Chávez, terwijl de Colombiaanse bourgeoisie een eenheidsfront vormde rond Uribe.
Er is een niet minder belangrijke factor die speelt tegen de oorlogstendensen van het chavisme: de verdeling binnen de strijdkrachten, een weerspiegeling van de verdeling die de fracties van de bourgeoisie hebben opgedrongen aan de burgerbevolking. Ook al komt dit niet openlijk tot uiting, dan is het toch duidelijk dat er militaire sectoren zijn die niet akkoord gaan met de betrekkingen van de regering met de guerrilla, die de Venezolaanse strijdkrachten verschillende keren hebben aangevallen, met als balans verschillende doden bij militairen en burgers. Volgens verklaringen van diegene die tot voor kort nog minister van Landsverdediging was, Raúl Baduel, die zich vorig jaar bij de oppositiekrachten tegen Chávez heeft aangesloten, en die een hoge rang heeft in de strijdkrachten, kan de regering niet rekenen op de steun van de middenkaders, die het commando van de troepen onder hun bevel hebben.

De dynamiek van de ontbinding

Ondanks het feit dat verschillende landen (7) en de OAS proberen om de spanningen in de regio te verminderen is het overduidelijk dat het Venezuela goed uitkwam om de crisis te laten aanslepen. In deze zin zal de druk op Ecuador aanhouden: op het moment dat dit communiqué wordt geschreven beëindigde president Correa net een bezoek aan Caracas, moment waarvan hij en Chávez gebruik maakten om de vlam van het conflict nieuw leven in te blazen. Vervolgens ging Correa verder naar Nicaragua, een moment waarvan Daniel Ortega gebruik maakte om de diplomatieke betrekkingen te verbreken met Colombia.
Het is mogelijk dat het conflict niet verder gaat dan de mediaschermutselingen van de verschillende kampen. Toch bestaat er een context van ontbinding die onvoorspelbaar maken wat er kan gebeuren:
– Via het Plan Colombia hebben de Verenigde Staten factoren van onstabiliteit binnengebracht in de regio die niet omkeerbaar zijn: Colombia is militair uitgerust en kan rekenen op een gewapende macht die sterk getraind is en volgens specialisten viermaal groter is dan die van Venezuela en Ecuador samen, gesteund door de meest verfijnde oorlogstechnologie, een toestand die de militaire balans in de regio uit haar evenwicht brengt.
– Met de beslissing van Uribe om Chávez aan te klagen voor het Internationaal Gerechtshof wegens steun aan terroristische groepen, is het mogelijk dat Colombia gaat steunen op de actuele conjunctuur om de aanklacht en de ongeloofwaardigheid van Chávez op internationaal vlak verder te zetten: bijvoorbeeld door de steun van laatstgenoemde aan de FARC openbaar te maken en door aan te tonen dat er guerrillakampen aanwezig zijn op Venezolaans grondgebied.
– Van zijn kant kan het chavisme is zijn vlucht naar voren, zijn toevlucht nemen tot om het even welk middel om een militaire botsing met Colombia te rechtvaardigen. In een van zijn recente verklaringen dreigde Chávez ermee om verschillende Colombiaanse bedrijven te nationaliseren.

Intenacionalismo / Maart 2008

NOOT: Op vrijdag 7 maart, tijdens een vergadering van gezagsdragers van verschillende landen van Zuid-Amerika in de Dominicaanse Republiek, liep het er op uit dat Uribe, Chávez, Correa en Ortega elkaar uiteindelijk omhelsden, wat natuurlijk een eind maakte aan het conflict. Wij weten echter heel goed regeringsleiders elkaar omhelzen, terwijl zij hun dolk klaar houden voor de tegenstander. Vanuit ons standpunt gezien heeft Uribe de plannen van zijn tegenstanders blootgelegd en restte er deze geen andere optie dan hem te omhelzen. Het is mogelijk dat de spanningen tijdelijk gaan verminderen, maar de toestand van confrontatie blijft aanwezig. Chávez heeft behoefte aan een buitenlandse vijand, en anderzijds heeft Ecuador beslist om de diplomatieke betrekkingen met Colombia niet te herstellen.

(1) Er werden onder andere bewijzen gevonden van een gift door Venezuela van 330 miljoen dollar en wapens aan de FARC; ook dat deze in 1992 het equivalent van 50.000 dollar aan Chavez had gegeven toen deze gevangen zat na een poging tot staatsgreep.
(2) Colombia is de tweede handelspartner van Venezuela na de Verenigde Staten. Via de Colombiaanse grens komt 30% van de invoer van het land, onder andere een belangrijk percentage van het voedsel. Het sluiten van de grens zal de voedselschaarste in het land, die al sinds eind 2007 is toegenomen, nog verergeren. Dit feit is een uiting van de irrationaliteit en van de vlucht naar voren van het chavisme.
(3) De ‘humanitaire ruil’ heeft een storm van schijnheiligheid opgewekt van de burgerlijke krachten die met elkaar overhoop liggen en proberen om het meeste voordeel te slaan uit de toestand van de gegijzelden (in het bijzonder Chávez en de FARC). Verschillende landen hebben zich aangesloten bij dit ‘humanitaire’ feest (onder andere Frankrijk). Niemand geeft een zier om het leven van de gegijzelden. Men dient daarbij aan te stippen dat verschillende gegijzelden behoren tot de burgerlijke instellingen (zoals parlement en politieke partijen). We veroordelen volop het uitbaten van het sentimentalisme bij de massa’s ten gunste van de geopolitiek belangen van de bourgeoisie in de regio.
(4) De militaire inzet van de FARC is sinds Uribe in 2002 aan de macht kwam verminderd van 17.000 naar 11.000. Er zij ongeveer 7.000 guerrillastrijders omgebracht en meer dan 45.000 zijn gedemobiliseerd bij de FARC, de ELN (Ejercito de Liberación Nacional) en de AUC (Autodefensas Unidas de Colombia). Bron: El Nacional van 9 maart 2008.
(5) Volgens de laatste berichten werd de juiste verblijfplaats van de guerrillero Raúl Reyes verkregen, na het aftappen van een telefoongesprek van Chávez met zijn sateliet-telefoon.
(6) De protesten van de bevolking namen steeds meer toe. Er waren plunderingen in enkele steden door gebrek aan voedselvoorraden. Protesten tegen moorden zijn frequent. Sinds vorig jaar zijn er arbeidersmobiliseringen begonnen (zelfs door vakbonden die door pro-chavisten worden gecontroleerd) voor sociale eisen en voor looneisen, zoals in de olie-industrie, in ijzermijnen, bij de autobandenproductie en in de gezondheidssector.
(7) Een van de landen die een belangrijke rol kan spelen is Brazilië, aangezien Lula een ‘vriend’ is van alle landen in het conflict, vooral van Chávez. Frankrijk, dat ‘bemiddelde’ rond de gijzelaarster Ingrid Betancourt, speelt een dubbelzinnige rol, waarvoor het werd bekritiseerd omdat de houding ten opzichte van de FARC verwarring schiep: eerst betreurde Frankrijk het incident gezien de rol die Reyes speelde in de bevrijding van de gegijzelden; vervolgens werd het nodig geacht uit te leggen dat de relatie met Reyes slechts tot midden vorig jaar had bestaan. In recente verklaringen werd er mee ‘gedreigd’ het FARC te betitelen als terroristisch als Betancourt gewond zou raken.

Kenia op zijn beurt in vuur en vlam

Kenia, met een lange reputatie als “haven van vrede” of “exotische safari” bij uitstek, gepromoot in grootschalige Hollywood films, is verwikkeld geraakt in één van de verschrikkelijkste chaossen waarop het Afrikaanse continent het trieste monopolie heeft.
“Lang bekend als één van de stabielste democratieën in Afrika, trekt Kenia meer dan een miljoen toeristen per jaar. Dit beeld werd doorprikt in minder dan een seconde voor een koppel Amerikanen die om een vliegticket smeekten. ‘We zagen net voor onze ogen een vrouw levend verbrand worden. We moeten absoluut vertrekken’ pleit de man (…) Want voor Westerlingen is Kenia belangrijk. Het enige Afrikaanse land dat vreedzaam genoeg wordt beoordeeld om verschillende agentschappen van de Verenigde Naties te herbergen, herbergt ook de zetels van een honderdtal NGOs, multinationals, banken en medias. Haar snelgroeiende economie leek de motor te worden van de welvaart in de regio.” (Courrier International, 16 januari 2008).
Inderdaad, na de bekendmaking van de uitslagen van de presidentiële verkiezingen van december jongstleden die de president (Mwai Kibaki) met zijn rivaal (Raila Odinga) tegenover elkaar stelden, heeft de eerstgenoemde snel zijn “overwinning” uitgeroepen en heeft de tweede hierop onmiddellijk geantwoord door zichzelf eveneens “overwinnaar” te noemen. Terwijl deze twee politiekers samen konden regeren in 2002 zonder enige verwijzing naar hun etnische oorsprong, heeft ieder nu op een cynische wijze zijn “ethnie” gemobiliseerd om de moordpartijen te ontketenen die gaande zijn en al bijna 1000 doden en meer dan 250 000 vluchtelingen tot gevolg hadden. En vele huizen branden nog steeds met in sommige gevallen hun inwoners er binnen. Kortom, we zijn getuige van afschuwelijke massa-afslachtingen die de media “etnische oorlogen” of “genocide” normen.
Omdat de kandidaten volledig ongeloofwaardig zijn en niet in staat zijn om de behoeften van de bevolking te bevredigen, manipuleren ze de menigten en maken ze onhoudbare beloftes om zich te laten herverkiezen. Wanneer ze daarin niet slagen, besluiten ze op een smerige wijze hun onderlinge rekeningen te verheffen middels het tegen elkaar opstoken van uitgebuite klassen en bevolkingsgroepen.
Hier nog een illusie die in rook is opgegaan: Kenia, eilandje van “vreedzame democratieën” is plotseling tot een nachtmerrie geworden, niet alleen voor de bevolking die slachtoffer is van de barbarij die er zich afspeelt, maar ook voor alle internationale instituten van de bourgeoisie die de auteurs van deze misdaden afdekken of ondersteunen. Eerlijk gezegd zien we niet in hoe een land als Kenia, dat chronisch onderontwikkeld is en dat omringd wordt door landen die met elkaar op een permanente voet van oorlog staan - waarin het op zijn beurt is verwikkeld - een “vreedzame democratie” kan worden genoemd, of het moet wel op een tijdelijke basis zijn. Sinds zijn onafhankelijkheid in 1963 overleeft deze staat met voortdurende bloedige interne conflicten.
Dat alles zijn niets anders dan leugens en propaganda van de bourgeoisie die de wereld, en de arbeidersklasse in het bijzonder, wil misleiden om haar te verhinderen zich bewust te worden van de fundamentele oorzaken van de chaos: het wegzinken van Kenia en het hele Afrikaanse werelddeel in de dodelijke crisis van het kapitalisme. De sociale ontbinding vertaalt zich in een extreme ellende voor de bevolking, waarvan meer dan de helft ondervoed is, met een massale werkloosheid zonder uitkeringen. Er heerst een chronisch tekort aan zorg voor de massa zieken, waarvan meer dan twee miljoen door AIDS is aangetast, zonder enige zorg, zorgvuldig ver van camera's en toeristen weggehouden in de immense en spookachtige krottenwijken rond Naïrobi.
Op het moment van het schrijven van dit artikel gaat het bloedbad door en zijn de vertegenwoordigers van de Verenigde Naties, van de Afrikaanse Unie en van de imperialistische grootmachten, net als de Verenigde Staten onder-secretaris voor Afrikaanse zaken, bezig met hun gebruikelijke diplomatieke balletten door huichelachtig op te roepen tot “terughoudendheid.”
Het is duidelijk dat de imperialistische grootmachten zoals de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk een zware verantwoordelijk dragen in de tragedie die zich in Kenia afspeelt: “[...] Ze hebben zich gedragen als de peetvaders van de opeenvolgende regeringen die ze overspoeld hebben met complimenten en met financiële hulp (16 miljard dollar in 4 jaar tijd). Het feit dat de economische stagnatie, de ongelijke verdeling van het land en van de rijkdom en de corruptie overal aanwezig is, heeft ze nooit gestoord. In tegendeel: ze hebben enkel lof gehad voor “deze haven van rust, vrijheid en democratie”. Tot en met George W. Bush die de regering van Kibaki heel vanzelfsprekend heeft geronseld voor de oorlog tegen het terrorisme.” (Jeune Afrique, januari 2008).
Een dergelijke verergering van de bloedige confrontaties in Kenia zijn geen onschuldig feit. Men moet zich inderdaad herinneren dat de eerste slag tussen de eerste wereldmacht en Bin Laden plaatsvond in Kenia in 1998, toen de Amerikaanse ambassade in Nairobi verwoest werd door een terroristische aanslag die werd opgeëist door de leider van Al Qaeda. Sinds toen is Kenia één van de voorposten van de Verenigde Staten geworden in hun strijd tegen de islamisten, eerst in Soedan vervolgens in Somalië en in de rest van het Afrikaanse continent.
Als voormalige Britse kolonie (van 1887 tot 1963) verkreeg zij de ‘onafhankelijkheid’ met de wapens en door een bloedbad waar de bevolking het slachtoffer van was. Kenia is nooit uit de onderontwikkeling geraakt (net als de rest van Afrika), met alle gevolgen van een absolute ellende voor de bevolking. De ‘onafhankelijkheid’ van Kenia is een illusie want het land is nooit iets anders geweest dan een pion van de voormalige Britse koloniale grootmacht, om vervolgens geleidelijk de voornaamste bondgenoot van de Verenigde Staten in de Hoorn van Afrika te worden. De gebeurtenissen die dit land treffen zijn geen geïsoleerde en kortstondige verschijnselen, maar zijn de voorbode van een chaos van het type Rwanda en Ivoorkust; dit houdt in dat we genocidaire slachtingen van nog grotere omvang moeten verwachten, en een verdeling van het land in oorlogsgebieden onder controle van criminele bendes die elkaar van tijd tot tijd uitmoorden en die de bevolking teisteren.
Kenia is dus net toegetreden tot de trieste ‘club’ van landen waar een permanente barbarij heerst die wordt versterkt door de rivaliteiten tussen de imperialistische grootmachten, die hen willen beheersen, zoals dat al het geval is in zijn buurlanden Soedan en Somalië. Achter deze gruweldaden schuilt de verantwoordelijkheid van de ontwikkelde, ‘democratische’ landen die deze bloeddorstige klieken bewapenen en financieel steunen om onderhands het vuile werk voor hen te doen.

Amina / 18.01.2008

Staking en betoging op 24 april 2008 in Groot-Brittannië: Voor eenheid in de strijd

Wij publiceren een pamflet dat door onze afdeling in Groot-Britanië op 24 april uitgedeeld is tijdens de algemene staking van de leerkrachten. Het toont overduidelijk aan dat de problemen en de arbeidersstrijd die we in belgië meemaken in alle europese landen op de dagorde staan.

Op 24 april zullen 250.000 leraren en onderwijzers een ééndags-staking houden tegen het laatste loonbod van de regering. Ander personeel uit het onderwijs, ambtenaren en gemeentearbeiders sluiten zich daar bij aan. In een groot aantal steden worden betogingen en bijeenkomsten gehouden.
Er zijn zeker goede redenen om in actie te komen, niet alleen in deze sectoren, maar in de hele arbeidersklasse:
– loonaanbiedingen onder de inflatie;
– prijsstijgingen voor basisbehoeften als voedsel en benzine;
– toenemende werkloosheid, om te beginnen de 6.500 banen die in gevaar zijn bij de zojuist genationaliseerde bank Northern Rock;
– aanvallen op de pensioenen en andere uitkeringen;
– oplopende gezinsschulden;
– achteruitgang van diensten als gezondheidszorg en onderwijs.

Al deze en vele andere aanvallen op de levensomstandigheden worden onder toezicht van of direct opgelegd door niet alleen afzonderlijke ondernemers maar door de staat, zowel op nationaal als plaatselijk vlak. Geconfronteerd met een verscherpende economische crisis die duidelijk van globaal karakter is ontmaskerd de nationale staat zichzelf steeds meer als de enige kracht die in staat is de maatregelen te nemen die voor het kapitalistische systeem noodzakelijk zijn: het verlagen van de loonkosten om markten te behouden en winsten veilig te stellen. Vandaar dat de staat bankroete banken in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten op de been houdt, terwijl hij arbeiders ‘loonmatiging’ oplegt, nieuwe wetten aanneemt om in de gezondheidszorg, de sociale zekerheid en het onderwijs te kappen (anders gezegd, verslechtering van de levensomstandigheden), en komen er nieuwe wetten om de pensioenen te verlagen en ons arbeidsleven te verlengen. En omdat economische concurrentie leidt tot militaire concurrentie, zoals in de Balkan, Afghanistan of Irak, is het ook de staat die de sociale welvaart op grote schaal ombuigt in de richting van de wapenindustrie en oorlogsvoering.
Deze politiek is niet het gevolg van kwaadaardige enkelingen of van bepaalde regeringspartijen. Rechtse zowel als linkse regeringen voeren fundamenteel dezelfde politiek. In Noord-Amerika verheerlijkt de regering Bush het vrije ondernemerschap en houdt het toezicht op een economie waarin 28 miljoen voedselbonnen nodig zijn om te overleven. In Zuid-Amerika veroordeelt Chávez Bush, heeft hij het over ‘socialisme van de 21ste eeuw’ – en zet hij bendes ‘Bolivariaanse revolutionairen’ in om stakende staalarbeiders te onderdrukken.
Geconfronteerd met deze gecentraliseerde, door de staat uitgevoerde aanval op hun arbeids- en levensomstandigheden hebben arbeiders overal dezelfde belangen: verzet tegen loonsdalingen en ontslagen, te reageren op de afbraak van hun uitkeringen. Maar ze kunnen dat niet doen door afzonderlijk de strijd aan te gaan, per sector of bedrijf. Geconfronteerd met de macht van de kapitalistische staat moet zij een eigen macht opbouwen, gebaseerd op hun eenheid en solidariteit over allen verdelingen heen van bedrijfstakken, vakbonden of nationaliteit.
Na jaren van versplintering en wanorde zijn de arbeiders nog maar net begonnen om in de praktijk te herontdekken wat eenheid en solidariteit betekenen. Ze moeten elke gelegenheid te baat nemen om deze algemene beginselen in de praktijk te brengen. Als de vakbonden oproepen tot stakingen en demonstraties rond zaken die hen onmiddellijkraken, zoals op 24 april, dan dienen arbeiders zo massaal mogelijk te reageren – door naar massabijeenkomsten te gaan, zich bij demonstraties aan te sluiten, deel te nemen aan poortblokkades, te debatteren en ideeën uit te wisselen met arbeiders uit andere bedrijven en bedrijfstakken.

Arbeiderseenheid kan niet worden georganiseerd door de vakbeweging

Maar pas op: de vakbonden, die zichzelf voordoen als vertegenwoordigers van de arbeiders, dienen er in werkelijkheid toe ons verdeeld te houden. Dat wordt nergens duidelijker dan in de onderwijswereld. De staking op 24 april betreft leden van de NUT in lager- en middelbaar onderwijs. Het betreft niet de leraren in het hoger onderwijs die ‘andere’ bazen hebben. Ook worden leraren van andere vakbonden er niet in betrokken, zoals van de NAS/UWT die beweert dat het niet over loon gaat, maar over werkdruk. Net zo min worden duizenden werkenden in het onderwijs die geen les geven er in betrokken, zoals assistenten, onderhoudspersoneel, schoonmakers, kantinepersoneel enzovoort, hoewel die eveneens reden tot klagen hebben. En hoewel de NUT nu harde taal gebruikt riep het in 2006, toen veel van dit personeel in staking ging, op om zich daarbij niet aan te sluiten.
Hetzelfde verhaal geldt bij de ambtenarij, bij de gemeentelijke diensten, bij de metro en de spoorwegen, en heel veel andere bedrijfstakken waar arbeiders verdeel worden over verschillende categorieën en vakbonden. De Britse staat heeft het allang onwettig gemaakt dat wie voor verschillende ondernemers werken uit solidariteit met elkaar in staking gaan. Door arbeiders aan deze wetten te houden voeren de vakbonden het werk van de staat op de bedrijfsvloer uit. Datzelfde geldt voor de wetten waardoor het de arbeiders verboden wordt om in massabijeenkomsten over stakingsacties te beslissen. Met het gedaas over vakbondsstemmingen worden de handen van de arbeiders op hun rug gebonden en wordt er voorkomen dat ze beslissingen nemen als één collectieve kracht.
Daaruit volgt dat als we zo’n macht willen opbouwen we de strijd in eigen hand moeten nemen en niet overlaten aan de vakbonds-‘specialisten’. Gemeentelijke arbeiders in Birmingham stemden in een massabijeenkomst voor deelname aan de stakingen rond 24 april. Dat is een voorbeeld om te volgen: we hebben bijeenkomsten nodig in alle bedrijven waar alle arbeiders, al dan niet vakbondslid en van alle vakbonden, deelnemen aan de besluitvorming. En we dienen er op aan te dringen dat besluiten die in massabijeenkomsten worden genomen bindend zijn, niet afhankelijk van vakbondsverkiezingen, besloten bijeenkomsten of vakbondsvertegenwoordigers.
Eenheid op de werkvloer is onverbreekbaar verbonden aan het opbouwen van eenheid met arbeiders van andere bedrijven en bedrijfstakken, of we dat nu doen door het sturen van delegaties naar hun bijeenkomsten, door deel te nemen aan hun poortblokkades of door tezamen te komen bij manifestaties en demonstraties.
Alle arbeiders oproepen gezamenlijk bijeen te komen, te staken en te demonstreren voor gezamenlijke eisen is natuurlijk ‘onwettig’ voor een straat die de ware klassensolidariteit buiten de wet wil stellen. Dit kan in het begin afschrikwekkend lijken, een al te grote stap. Maar het is precies die stap van de dingen in eigen hand nemen en zich te verenigen met andere arbeiders waaruit we vertrouwen en moed kunnen putten om de strijd voort te zetten.
En gezien het onheilspellende vooruitzicht dat het wereldwijde kapitalistische systeem ons biedt – een toekomst van crisis, oorlog en ecologische rampen – is er geen twijfel dat de strijd moet voortgaan. Hij moet vertrekken van de verdediging van onze fundamentele levensomstandigheden om deze hele sociale orde ter discussie te stellen en uit te dagen.

Amos / 05.04.2008

Vijf jaar Irak, zeven jaar Afghanistan, chaos in het Midden-Oosten: Discussie: Waarom deze oorlogen? Hoe er een eind aan maken?

Op 26 maart vond een discussie plaats te Antwerpen naar aanleiding van de vijf jaar oorlog in Irak op initiatief van enkele jongeren. Iedereen was welkom om mee te discussiëren en visies te delen omtrent de oorzaken van de oorlogen die de wereld maar niet lijken te verlaten. De bedoeling was zoals op de uitnodiging te lezen viel “een vrije discussie te houden, waar oprecht wordt gezocht naar antwoorden”. De IKS steunt dit iniatief. De inleiding en de discussie bevestigen andermaal de stelling van ons laatste Internationaal Congres waar we vaststelden dat er een nieuwe generatie van revolutionairen opkomt. Een toenemend aantal mensen in alle uithoeken van de planeet stellen zich dezelfde fundamentele vragen over de aard van de kapitalistische maatschappij en willen debatteren over de manier waarop een alternatief gevestigd kan worden. Als organisatie willen we aan dit proces bijdragen overal en zoveel als we kunnen, met de middelen die ons ter beschikking staan. We publiceren hier de inleiding en een korte synthese van het debat dat volgde dat we van een der iniatiefnemers ontvingen.

Inleiding tot het debat

Naar aanleiding van de vijf jaar oorlog in Irak houden we vandaag een discussieavond over de oorlogen die deze wereld teisteren en waar geen eind aan lijkt te komen. In de eerste plaats denken we aan de oorlog in Irak, maar ook die in Afghanistan, Israël-Palestina, Sudan, Tsjaad, Congo, Somalië, Kenya, Tsjetsjenië en onlangs nog de spanningen tussen Venezuela, Ecuador en Colombia. Voor de discussie van vanavond vertrekken we van de situatie in Irak, maar het is niet uitgesloten dat die andere ook aan bod komen. We kunnen ons bijv. de vraag stellen of er een verband bestaat tussen deze oorlogen en of er een gemeenschappelijke voedingsbodem voor deze oorlogen is.
Ik begin met een kleine schets van de toestand vandaag in Irak, om toch maar niet te vergeten wat deze oorlog concreet is: 94.000 doden, 4,4 miljoen vluchtelingen, 3000 miljard $ aan militaire kosten, vernieling van elektriciteit- en watervoorzieningen, rampzalige gezondheidszorg, ‘elke dag’ wel een aanslag (bijv. midden maart blies een vrouw zich op en maakte tientallen doden en gewonden), elke buurt in Bagdad weerspiegelt de militie waardoor ze wordt gecontroleerd, corruptie alom (bijv. verkopers moeten Iraakse legerposten omkopen als ze hun goederen aanvoeren “We zijn er slechter aan toe dan de mensen in Gaza – als ze me niet doorlaten daar, moet ik het hele gebied rond om een andere controlepost te bereiken. 99 procent kans dat ik dan dood ben.”)
Ten opzichte van deze feiten is de eerste vraag van de meeste mensen hoe deze waanzin te stoppen. Om dit te weten dienen we een andere vraag te stellen: ‘waarom deze oorlog?’ Ik stel voor van deze twee hoofdvragen – ‘waarom deze oorlog?’ en ‘hoe de oorlog stoppen?’ – te vertrekken om de discussie op gang te brengen.

Een oorlog door persoonlijkheden?

Hoe is zo’n oorlog mogelijk, niemand wil zoiets toch? Toch beweren velen dat de oorlogen in Irak en Afghanistan door enkele mannen van “slechte” wil worden gevoerd: Bush, Donald Rumsfeld, Blair… of Osama Bin Laden, Saddam Hoessein, Moqtada El Sadr… Maar worden oorlogen wel gemaakt door individuen? Maken enkele personen de geschiedenis? Kan meneer Bush de koers van de machtigste staat in de wereld op zijn eentje bepalen? Is hij de leider of is hij de vertegenwoordiger van de VS haar politiek? En brengt de maatschappij waarin we leven, het kapitalisme, niet de leiders voort die ze nodig heeft?

Een oorlog door slecht beleid?

Als het dan geen kwestie is van persoonlijkheden, is het dan misschien een kwestie van slecht beleid? Hebben de leiders ‘verkeerde’ beslissingen genomen? Of was de oorlog een goede zaak, maar werd ze verkeerd gevoerd? Dat is althans wat vele politiekers en media ons opdringen. Maar waarom oorlog voeren?

Een preventieve oorlog?

Vijf jaar geleden argumenteerde de Verenigde Staten samen met Groot-Brittannië dat Irak massavernietigingswapens bezat. Sinds wanneer steekt een staat miljarden in een oorlog enkel om een land te ontwapenen? Wie vindt de rationaliteit achter ‘een oorlog om de vrede te bewaren’ ? (“War is peace, freedom is slavery, ignorance is strength”, de leuze van de totalitaire staat uit George Orwels’ boek 1984) Na vijf jaar is het al voldoende bewezen dat dit argument hol is en niet de ware beweegreden was van de oorlog.

Welke drijvende krachten?

Wordt de geschiedenis, en dus ook oorlogen, gestuwd door persoonlijkheden, door mensen van slechte wil, een toevallig ‘slecht bestuur’ of een willekeurige goesting om een oorlog te starten? Ik denk van niet. De vragen die ik me stel zijn: Welke maatschappelijke krachten maken dat deze oorlog(en) moet(en) worden gevoerd? Wat zijn de drijfveren die de heersende klasse stuwen tot oorlog voeren? (Want zelfs de bourgeoisie wil vrede, maar wegens haar natuur als verdediger van het kapitalisme kan ze niet anders dan hypocriet zijn en de oorlog blijven mennen.) Wat is de voedingsbodem van deze oorlog(en)? Waar liggen de wortels van de oorlog? Dit zijn denk ik de essentiële vragen die ons leiden naar een antwoord gestoeld op materiële argumenten.

Een imperialistische oorlog?

Volgens de antiglobalisten, altermondialisten of vele linkse organisaties zou de oorlog gevoerd worden om de olie in Irak, voor verdere verkoop of voor eigen gebruik. Hetzelfde argument geldt trouwens voor sommige oorlogen in Afrika: multinationals en/of grootmachten zouden oorlogen steunen om de grondstoffen. Maar ik kan me moeilijk inbeelden dat een oorlog waarin 3000 miljard $ in gepompt is, wordt gevoerd om de onmiddellijke winst of het eigen gebruik. Daarenboven heeft de Verenigde Staten zelf verschillende olievelden en heeft ze voldoende akkoorden met Midden- en Zuid-Amerikaanse landen om zich van petroleum te voorzien. Een ander argument is dat de Verenigde Staten en andere landen Irak binnenvielen, niet om de olie zelf, maar om de controle over de olie en de regio. Werd de oorlog gevoerd om de invloedssfeer van ieder land te vergroten? Maar invloed over wat en waarom? Invloed over een economie die er amper is? Een afzetmarkt zijn de bezette landen ook zeker niet. Zijn het dan militaire, strategische belangen die de oorlog bepalen? Maar is het kapitalisme niet in de eerste plaats een productiewijze gericht op economisch profijt? Waarom dan Irak aanvallen? Welke belangen wegen er door: economische of strategische?

Hoe de oorlog stoppen?

“Hoe de oorlog stoppen?” is misschien de meest gestelde of in ieder geval de meest prangende vraag. Tienduizenden protesteerden recent te Londen tegen de oorlog, tienduizenden protesteerden in de Verenigde Staten. Ook in andere landen kwamen mensen op straat. Toch houden zij en de miljoenen betogers van de afgelopen jaren de oorlog niet tegen. Hoe komt dit? Kan de oorlog wel gestopt worden zonder vernietiging van het kapitalistisch systeem? Draagt het kapitalisme de oorlog niet in zich? Wie kan de oorlog tegenhouden en hoe? We kunnen enkele historische voorbeelden aanhalen om te begrijpen wie en wat een oorlog wel en niet kan stoppen:
- Aan de vooravond van Eerste en de Tweede Wereldoorlog werden eveneens pacifistische betogingen georganiseerd en toch braken beide oorlogen uit.
- De Eerste Wereldoorlog werd niet uitgevochten tot het bittere einde zoals de Tweede Wereldoorlog, maar kwam tot stilstand. Er was massale desertie en verbroedering tussen soldaten van beide kampen, zowel aan het Oostfront als aan het Westfront. De Russische Revolutie brak uit in 1917 en in 1918 braken er stakingsgolven uit in Duitsland. Bestaat er tussen deze gebeurtenissen een verband? Ik geloof van wel.
- De oorlog in Vietnam werd gestopt, wegens enerzijds gewijzigde allianties tussen de Verenigde Staten, China en de Sovjet-Unie, maar anderzijds door een druk vanuit het Amerikaanse leger zelf, waar duizenden GI’s zich organiseerden tegen de oorlog en vanuit de Verenigde Staten, waar arbeiders in staking gingen tegen de oorlog. We kunnen ons afvragen in hoeverre het laatste het eerste bepaalde, maar dat zou ons misschien te ver brengen.
Moeten we kamp kiezen in deze oorlog(en)? Moeten we kiezen tussen terroristen, Iraakse nationalisten en imperialisten? Of zijn ze allen even imperialistisch? Ikzelf weiger te kiezen en denk dat geen enkel nationalisme, of het nu Iraaks, Amerikaans, Turks of Koerdisch is, nog iets te bieden heeft buiten nog meer oorlog, nog meer bloedvergieten. Enkel het tegenovergestelde, het internationalisme, biedt volgens mij een uitweg.

De discussie zelf

Tijdens de discussie die volgde bleken er meningsverschillen te zijn over een aantal punten. Zo bleef de vraag open of economische of strategische beweegredenen doorwogen om de oorlog te voeren. Was de oorspronkelijke bedoeling van de oorlogvoerende landen om olie te winnen en is dit uitgemond in een rampzalige mislukking? Maar wat met Afghanistan, waarvan we weten dat er economisch, buiten opium, niets te winnen valt? Strategische belangen nemen hier de overhand. Of was dit enkel een “oefenterrein” voor de latere oorlog in Irak? Is Irak dan ook een voorbereiding op een volgende oorlog?
Ook de manier om een oorlog te stoppen werd bediscussieerd. Is af en toe een ‘actiedag’ genoeg om druk te zetten op staten en hun oorlogspolitiek te wijzigen? Door zulke eenmalige acties zonder enigszins diepgaande overdenking wordt de oorlog en de maatschappij zelf die ze voortbrengt niet echt in vraag gesteld. Is het pacifisme daarbij zo onschuldig als ze lijkt?
De aanwezigen hebben tezamen op een dynamische wijze door uitwisseling van argumenten verschillende vraagstukken verhelderd. Maar nieuwe vragen dringen zich op. Het debat is duidelijk een deel van een ophelderingproces. Een ongedwongen gevoel en een werkelijke zoektocht naar antwoorden zorgden voor een aangename discussiesfeer.

en van de initiatiefnemers / 26.03.08

Cijfers en citaten:
- De Standaard, 19.03.08
- http://archive.intal.be/nl/article.php?articleId=267&menuId=1
- http://www.nrc.nl/buitenland/article976972.ece/Internationale_Rode-_Kruis_Irak_humanitair_drama
- http://www.icrc.org/Web/Eng/siteeng0.nsf/htmlall/iraq?OpenDocument
- http://www.indymedia.be/fr/node/26620

Wankelende economie, prijsstijgingen, ... Tegenover de ellende van het kapitalisme: de solidariteit van de arbeiders

Ondanks de talloze campagnes en media-hypes die de bourgeoisie over ons uitstort, bevestigen de arbeiders in Nederland, evenals hun klassebroeders elders, langzaam maar zeker hun strijdwil. In de diverse gevechten maakten de arbeiders in de kleinmetaal, die bij de postkantoren, de schoonmakers en de leraren duidelijk dat de arbeidersklasse zich steeds meer bevestigt als zelfstandige historische kracht. Zij laat zien dat ze de enige sociale factor is die de maatschappij een vooruitzicht kan bie­den, tegenover de bourgeoisie, die in Nederland nu al niet meer te bieden heeft dan hogere uitgaven, lagere inkomens en een steeds onzeker wordende toe­komst voor iedereen.

Herwonnen strijdbaarheid

Tegen de achtergrond van de voortdurende aanvallen op haar levensvoorwaarden, en met het voor­uitzicht van een diepe economische recessie (1), laten de acties van het afgelopen voorjaar ons zien, dat er voor de arbeidersklasse geen andere keuze overblijft dan opnieuw de weg van de strijd op te gaan.
Natuurlijk willen links en de vakbonden ons doen geloven dat we niet teveel belang moeten hechten aan de stakingen, demonstraties en werkonderbrekingen van de afgelopen maanden. Die zouden een normaal onderdeel vormen van het spel dat nu eenmaal bij cao-onderhandelingen hoort... Ook wil­len ze ons maar al te graag voorhouden dat het de betrokken arbeiders niet gaat om de ver­dediging van hun inkomen, maar veeleer om betere bijscholingsmogelijkheden, meer op­leidingskansen voor jongeren, emancipatie van de inkomens voor vrouwen en allochtonen, enzo­voort.
Maar een ieder die de ontwikkelingen volgt, goed komt algauw tot de conclusie dat dit leu­gens zijn. Niet voor niets hebben de arbeiders in de afgelopen periode, in verschillende sectoren achtereen, openlijk hun afkeuring duidelijk gemaakt over een door de vakbonden en ondernemers gesloten cao-akkoord. Eerder gebeurde dat al in het najaar van 2006 door de arbeiders bij de ECT en bij de RET. Vervolgens, in februari 2008, door de arbeiders bij de KPN, en zelfs bij de politie-agenten. Niet voor niets hebben de arbeiders de vakbonden zodanig druk gezet, dat deze gedwongen werden om de stakingsacties en demonstraties weken- (in de kleinmetaal) en soms maandenlang (onder de schoonmakers) voort te zetten. Niet voor niets slaagde de bourgeoisie er maar met grote moeite in om de gevechten van de schoonmakers, in de kleinmetaal en onder de politieagenten uit elkaar te houden, en in tijd en ruimte van elkaar te schei­den. Al deze aspecten samen laten zien dat er veel meer op het spel staat dan een eenvoudige vorm van vakbondsactie in het kader van cao-onderhand­elingen.
De stakingen van de afgelopen maanden in Nederland volgen op arbeidersgevechten die elders in Europa zijn uitgebroken, zoals vanaf het najaar 2007 in Frankrijk, Duitsland en Bel­gië (2), en die de strijdbaar­heid hier de weg hebben gewe­zen. Dat willen zeggen: de enige weg die ons uiteindelijk een vooruitzicht biedt, is die van de verdediging van onze levensvoorwaarden, en dus van de solida­riteit, van de groeiende eenheid, en van het toenemende bewustzijn van onze kracht als klasse.
Dat betekent niet dat dit een gemakkelijke weg is. Naarmate het kapitalistische systeem steeds dui­delijker en openlijker zijn falen prijsgeeft, wordt de arbeidersklasse zich steeds meer bewust dat de inzet van de strijd heel hoog is. Steeds meer wordt het de arbeiders dui­delijk dat ze in de strijd tegen de economische crisis van het kapitalisme een beslissende rol spelen, dat wil zeggen dat ze als enige een perspectief kunnen bieden aan de groeiende ellende waar iedereen zo langzamerhand onder ge­bukt gaat. Dat maakt de aarzeling om de strijd aan te gaan vooreerst groter.
Maar de arbeiders ontkomen er niet aan om hun verzet op te voeren. De verdieping van de crisis dwingt hen daartoe. In die zin is de economische crisis de bondgenoot van de arbeidersklasse. Wan­neer de arbeidersklasse een­maal de strijd opneemt, is zij wel gedwongen om hem te ontwikkelen, en op een hoger plan te brengen, wil zij werkelijke vooruitzichten scheppen voor haar eigen toekomst en voor die van heel de mensheid. De crisis van het kapitalisme biedt slechts het voor­uitzicht van meer ellende en vernietiging.

De moeilijke weg naar de hervatting van de strijd

Net als de arbeidersklasse over de gehele wereld ondervond zij ook in Nederland lange tijd de nega­tieve gevolgen van de ineenstorting van het Oostblok, en vooral de druk van de enorme campagne over de dood van het communisme (de dood van ieder zelfstandig perspectief van de arbeidersklas­se). In het begin van deze eeuw be­gon ze de weg naar overdenking en strijd opnieuw in te slaan, maar toch had ze de grootste moeite om haar klassensolidariteit handen en voeten te geven in con­crete gevechten tegen de aanvallen op haar levensvoorwaarden.
In Nederland slaagde de arbeiders er uiteindelijk in oktober 2004 in om een duidelijk teken van le­ven te ge­ven, toen ze hun strijd­wil en solidariteit als klassebroeders tot uitdrukking brachten in een massale demonstratie op het Museumplein in Amsterdam, als protest tegen de aanvallen op de pen­sioenvoorwaarden door de toenmalige regering Balkenende-2. (3)
Maar terwijl de arbeidersklasse nog enigszins beduusd zat na te genieten van de kracht die ze op die tweede oktober tot uiting had gebracht, greep de bourgeoisie de moord op ci­neast Theo van Gogh aan om een in Nederland nog niet eerder vertoonde mediacampagne tegen het islamitisch terrorisme te lanceren. Deze was van een dermate grote omvang en intensiteit dat ze kan worden gezien als een huisgemaakte variant van de internationale campagne die op 11 september 2001 begon, waarbij ze naadloos aanhaakte. (4)
De moord op Van Gogh, en vooral het politieke- en mediageweld dat hierdoor werd ontketend, had­den een dermate grote impact, dat men op­nieuw vrij gemakkelijk werd meegesleept in het idee dat alleen de burgerlijke staat onze veilig­heid, en dus indirect ook onze levensvoorwaarden in het algem­een, kan ‘garanderen’. Ieder ander idee was op dat moment weer naar de achtergrond gedron­gen. Opnieuw werd het perspectief van arbeidersstrijd in Nederland nage­noeg uit ieders gedachten ver­drongen.
Het arbeidersverzet had in de volgende jaren lange tijd niet meer dezelfde betekenis als in 2004. Hoewel er op internationaal vlak, en met name in Europese landen als Duitsland, Engeland en Fran­krijk, belangrijke strijd plaatsvond, waarbij de arbeidersklasse veel vertrouwen in haar eigen be­kwaamheid tot uitdrukking bracht, bleef hij in Nederland beperkt tot een aantal ver­spreid opflakke­rende reacties binnen enkele sectoren.
Al met al kostte het de arbeidersklasse grote moeite om de uitwerkingen van de campagne te­gen het islamitisch terrorisme te boven te komen. Het duurde tot in het najaar van 2007, toen zich met een staking onder de middelbare scholieren een nieuwe generatie aanmeldde. Deze staking vormde een cruciaal moment, een soort scharnierpunt in de verandering van de situatie aan het klassenfront in Nederland. Op dat moment werd er in de arbeidersklasse in Nederland een nieuw sig­naal afgegeven. Het kondigde aan dat ze, bij momenten, opnieuw in staat is om het voortouw te ne­men.
In de loop van de afgelopen maanden is deze tendens bevestigd geworden door de acties onder het schoonmaakpersoneel, van de metaalarbeiders en van de leraren en de ar­beiders bij de postkantoren. Zelfs bij de politieagenten, die eerder hadden deelgenomen aan gewelddadig optreden tegen actie­voerende scholieren, konden de cao-onderhandelingen niet tot te­vredenheid leiden.

Gevit over het filmpje van Geert

De reactie van de bourgeoisie liet ook deze keer niet lang op zich wachten. Al in november 2007 deed zich de ge­legenheid voor om een omvangrijke campagne te lanceren. De extreem-recht­se Geert Wil­ders lanceerde het plan om een anti-islamfilm uit te brengen. Terwijl daarmee olie op het vuur gegooid werd van de campagne die imperialistische oorlogen en terrorisme voorstelt als louter een uitwas van verkeerde religieuze opvattingen, vormde de extreme toon van Wilders voor de bourgeoisie aanlei­ding om een verhitte tegencampagne te starten.
De campagne was er op gericht het bewustzijn binnen de arbeidersklasse te vertroebelen en haar een rad voor ogen te draaien. Nadat jarenlang de xenofobe en anti-islam campagnes de boventoon heb­ben gevoerd, steekt de wind vervolgens uit de meer ‘verantwoordelijke’, ‘weldenkende’ ‘democrati­sche’, en ‘tolerante’ sectoren van de bourgeoisie op, precies zoals de koningin het in haar kersttoe­spraak naar voren had gebracht, en zoals Doekle Terpstra, ex-voorzitter van het CNV, het al vorig najaar had uitgebazuind.
Het was tevens een poging van de bourgeoisie om het gewicht van de ontbin­ding op haar eigen poli­tieke apparaat in te perken. Extreem-rechts populisme is een verschijnsel dat vooral de laatste tien jaar in Nederland de kop heeft opgestoken. Het is een fenomeen dat het politieke spel voor de bour­geoisie steeds moeilijker controleerbaar maakt, en dat haar met het probleem opzadelt dat steeds grotere de­len van het parlement zichzelf als volkomen onverantwoordelijk ontpoppen. We hebben dit vanaf het najaar 2002 gezien met Pim Fortuyn en de rattenclub ‘LPF’. Na het stran­den van Bal­kenende-2 zit de bourgeoisie tenslotte zowel met ex-VVD’er Wilders als met ex VVD’er Verdonk opgescheept, die elk hun eigen soepje koken aan de rechter rafelrand van haar politieke spectrum.
Hoezeer de bourgeoisie haar best ook deed, de voortdurende heisa rond Wilders en zijn filmpje sloeg bij de grote massa van de bevolking niet echt aan en begon zelfs weerzin op te wekken. Zo trok de mani­festatie van het zeer democratische Nederland bekent kleur op zaterdag 22 maart in Amsterdam tegen het gedrijf van Wilders en de zogenaamd ‘gevaarlijk’ lauwe reacties van ‘de ge­vestigde partijen’ daarop (nog voor het maakwerk ook maar ergens was vertoond), nog geen 5000 deelnemers. Onder de manifestanten bestond er zelfs belangstelling voor onze pers, die handelde over onderwer­pen als de uitholling van onze inko­mens en de scholierenstaking.
Door Wil­ders als een onverantwoordelijk element aan te klagen, kon de rest van “de politiek” zich als ‘goede en verantwoordelijke democraten’ van hem onderscheiden. Het was voor de bourgeoisie tenslotte een koud kunstje om de heetgebakerde populist in de Tweede Kamer in de hoek te zetten en de bokkenpruik te laten dragen. Maar het is de bourgeoisie niet gelukt om de aandacht in de klas­se af te leiden van de verdieping van de economische crisis, de vierkante uitholling van onze inko­mens en arbeidsvoorwaarden, dreigende ontslagen, de toespitsing van militaire en oorlogsconfronta­ties over de hele wereld, en problemen als de vernietiging van het milieu.
Verwoede pogingen van linkse activisten, zoals de Interna­tionale Socialisten, om de schoonma­kers mee te slepen in de voortdurende ‘democratische’ campagnes van de bourgeoisie, onder het voorwendsel dat het vooral om een bijzondere categorie van vrouwen en buitenlanders zou gaan, in plaats van om arbeidersstrijd, sorteerden geen noemenswaardig effect. Ook de schoonmakers lieten zich niet in groten getale verleiden aan de demonstratie van Nederland bekent kleur deel te nemen.
Dit maal heeft de arbeidersklasse zich dus niet van de wijs laten brengen. Ze heeft haar pogingen tot strijd gewoon doorgezet, dwars door alle campagnes heen. Het bevestigt haar vastberadenheid om ook in Nederland het pad van de klassenstrijd weer op te gaan.

Fernando & Daniel / 19.04.2008

(1) Volgens Minister van Financiën, Wouter Bos, is “de huidige financiële crisis de ergste sinds die van 1929”.
(2) - Over de strijd in Duitsland, zie elders in deze uitgave, en: Wereldrevolutie, nr. 113 (januari-april 2008).
- Over de beweging in België zie: Internationalisme, nr. 335 (15 januari-15 maart 2008).
- Over de stakingen bij het openbaar vervoer in Frankrijk eind 2007, zie: IKS online (febr. 2008).
- Voor een overzicht van strijdbewegingen wereldwijd, zie International Review, nr.132 (Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, 1e kwartaal 2008).
(3) Zie onze Balans van 2 oktober 2004: samen strijden, de enige keuze! (Bijlage bij Wereldrevolutie, nr. 103).
(4) Voor onze regelmatige beoordelingen van de xenofobe campagnes en van de pogingen tot arbeidersstrijd in Nederland verwijzen we graag naar onze pers en website. Voor een beschouwing over de situatie na de afgang van Balkenende-2, zie het artikel Nieuwe bewindsploeg = nieuwe aanvallen: Alleen arbeiderssolidariteit loont! in Wereldrevolutie, nr. 110 (januari-april 2007).