Begin dit jaar heeft de IKS de beslissing genomen het Vijftiende Congres van haar afdeling in Frankrijk om te vormen tot een Buitengewone Internationale Conferentie.
De voornaamste taak van die Conferentie bestond erin een organisatorische crisis het hoofd te bieden, de ernstigste sinds het ontstaan van de IKS. Die crisis was plots uitgebarsten meteen na haar Veertiende Internationale Congres in april 2001.
Onze lezers hebben er in onze pers kennis van kunnen nemen dat een ex-militant, Jonas, uit de IKS gesloten werd wegens politiek onwaardig gedrag, dat er onder meer in bestond het organisatorisch weefsel te vernietigen door voortdurend en onderhands de ergste roddels te verspreiden over kameraden van de organisatie, teneinde verwarring te zaaien in verschillende afdelingen van de IKS.
Dit individu heeft, vooral op basis van die roddels, andere militanten rond zich verzameld, die in beweging gekomen zijn voor een totale oorlog tegen de organisatie, waarbij ze de statutaire principes van een gecentraliseerde werking probeerden te vernietigen en zo het bestaan zelf van de IKS bedreigden.
Die ‘camarilla’ geleid door het individu Jonas heeft zichzelf tot ‘fractie’ uitgeroepen, hoewel ze geenszins in staat was ook maar het minste programmatisch meningsverschil op te werpen dat het gebruik van de titel ‘fractie’ zou kunnen rechtvaardigen. Het enige ‘principe’ dat de politiek van die elementen voortgedreven heeft, was de ontketening van een vernietigende haat en een onstilbare honger naar wraak. Omdat ze in de minderheid kwamen en omdat ze zichzelf in diskrediet brachten doordat ze niet de minste politieke argumentatie konden ontwikkelen, bestond heel hun optreden uit het smeden, in geheime vergaderingen, van een complot tegen het centraal orgaan van de IKS, en daarna uit het systematisch saboteren van de activiteit van de organisatie door manoeuvres, provocaties, roddelcampagnes, met de chantage en het dreigement hun roddels naar buiten te brengen, zoals blijkt uit de inhoud van hun beruchte ‘interne bulletins’ die nu naar bepaalde groepen en sympathisanten van de Kommunistische Linkerzijde opgestuurd worden.
Na een jaar lang vernietigend gedrag dat de organisatie moest destabiliseren (een lid van de ‘fractie’ zei het letterlijk op een geheime vergadering: “We moeten ze destabiliseren”) en dat militanten aanzette tot rebellie tegen de centrale organen van de IKS, beging de ‘camarilla’ van Jonas haar nieuwste en ellendigste actie tegen de organisatie. Ze weigerde op de Internationale Conferentie te verschijnen, tenzij de organisatie schriftelijk de ‘fractie’ zou erkennen en de sancties zou intrekken die ze in overeenstemming met haar statuten genomen had (en met name de uitsluiting van Jonas). Hoewel de delegaties van de IKS bereid waren de argumenten van die elementen in beroep te horen (ze hadden daartoe trouwens, net voor de Conferentie zou gehouden worden, een internationale commissie van beroep ingesteld, samengesteld uit militanten van verschillende afdelingen van de IKS, teneinde de vier Parijse leden van de ‘fractie’ de gelegenheid te geven hun argumenten naar voor te brengen), hadden ze in deze situatie geen andere keuze dan vast te stellen dat deze elementen zichzelf buiten de organisatie geplaatst hadden. Tegenover hun weigering zich voor de Conferentie te verantwoorden en zich te veredigen voor de beroepscommissie, heeft de IKS acte genomen van hun desertie en kon ze hen niet langer beschouwen als leden van de organisatie.
De conferentie heeft eveneens unaniem de misdadige methodes veroordeeld die de ‘camarilla’ van Jonas gebruikt heeft, en die erin bestond twee afgevaardigden van de Mexicaanse afdeling en leden van de ‘fractie’, die naar de Conferentie gekomen waren om er de standpunten van de ‘fractie’ te verdedigen, bij hun aankomst op de luchthaven te ‘kidnappen’ (met hun medeweten?). Terwijl de IKS hun reis had betaald zodat ze de werkzaamheden van de Conferentie zouden kunnen bijwonen en er de standpunten van de ‘fractie’ te verdedigen, werden de twee Mexicaanse afgevaardigden ontvangen door twee Parijse leden van de ‘fractie’ die hen meenamen en verhinderden naar de Conferentie te gaan. Toen wij protesteerden en terugbetaling van de tickets eisten als de Mexicaanse afgevaardigden (die een mandaat gekregen hadden van hun afdeling) niet op de Conferentie zouden verschijnen, lachte een Parijs lid van de ‘fractie’ (en voormalig lid van het centraal orgaan van de IKS) ons in het gezicht uit en zei met ongelooflijk cynisme “dat is jullie probleem!” Alle militanten van de IKS hebben hun diepe verontwaardiging geuit over dat achteroverdrukken van geld van de organisatie en de weigering beide door de organisatie betaalde tickets aan de IKS terug te betalen. Ze keurden een resolutie goed die dat gedrag veroordeelt dat de gangstermethodes blootlegt die de ‘camarilla’ van Jonas gebruikt. Die methodes, die geen haar beter zijn dan die van Chénier (die in 1981 materiaal van de organisatie stal), overtuigden tenslotte de laatste kameraden die nog aarzelden over de parasitaire en anti-proletarische aard van de zogenaamde ‘fractie’.
De Conferentie stond dus voor twee taken. De eerste en dringendste was de IKS en haar organisatorische principes zonder enige toegeving te blijven verdedigen tegen de herhaalde aanvallen en provocaties door die parasitaire groepering. De tweede was op diepgaande wijze de lessen te trekken uit deze gebeurtenissen: op welke zwakheden van de organisatie bouwde deze parasitaire groepering, die op aanstichten van Jonas ontstond en waarom kon zij zich zo snel en vernietigend ontwikkelen? Dit tweede aspect willen we in dit artikel ontwikkelen (voor het eerste aspect verwijzen we de lezers naar het artikel Een parasitaire aanval gericht tegen de IKS dat op onze internetsite staat).
Volgens de burgerlijke propaganda zijn de revolutionaire organisaties van het proletariaat tot mislukken gedoemd omdat de kommunistische principes die hun samenhang verzekeren, proletarische solidariteit en wederzijds vertrouwen binnen het proletariaat, onvermijdelijk in conflict treden met de egoïstische motieven en de wedijver die de individuen die er deel van uitmaken bewegen. Volgens die visie kunnen de revolutionaire organisaties niets anders dan de corruptie weerspiegelen die heerst binnen de politieke partijen van de bourgeoisie. De bourgeoisie beperkt er zich niet toe voortdurend propaganda te maken voor de ideologie van het ‘elk voor zich’, maar levert die ideologie ook nog praktische steun door openlijke repressie - als dat noodzakelijk blijkt - en door tweedracht te zaaien in de revolutionaire organisaties, door rechtstreeks of indirect de activiteit aan te moedigen van provocateurs, avonturiers en parasieten.
Dat de arbeidersklasse een uitgebuite klasse is, maakt haar revolutionaire organisaties bijzonde kwetsbaar voor de vernietigende druk van de burgerlijke maatschappij. De opbouw van revolutionaire organisaties vergt altijd voortdurende inspanning, constante waakzaamheid, een kritische houding, en zelfkritiek, zoniet lopen ze het risico vernietigd te worden, waarbij jaren van inspanningen verloren zouden gaan en het revolutionair proces uitgesteld zou worden.
De strijd van de marxisten in de Eerste Internationale voor het principe van de centralisatie en tegen de vernietigende intriges van Bakoenin; de strijd van Lenin en de bolsjewieken tegen het opportunisme op organisatorisch vlak en tegen het ‘grote heren anarchisme’ van de mensjewieken in 1903; de strijd van de Kommunistische Linkerzijde tegen de ontaarding van de Derde Internationale in de jaren 1920 en 1930; al die gevechten waren voorlopers van de strijd die de IKS sinds haar ontstaan gevoerd heeft voor het intern toepassen van de regels van een gecentraliseerde werking, tegen de sekte- en clangeest, tegen het individualisme en het kleinburgerlijk democratisme.
In dezelfde geest heeft de IKS, in tegenstelling tot de andere groepen van de Kommunistische Linkerzijde die ook door elkaar werden geschud door afscheuringen, altijd verslag gedaan van haar interne problemen, zodat de revolutionaire beweging er de lessen uit zou kunnen trekken die kunnen bijdragen tot de versterking van het gehele proletarisch politiek milieu. We zijn er ons volop van bewust dat de groepen en elementen van het parasitaire milieu zich weer eens als gieren op deze organisatorische crisis van de IKS zullen storten om hun roddels te voeden over de zogenaamde ‘stalinistische ontaarding’ van onze organisatie, maar wij blijven bevestigen dat de IKS uit elke crisis die haar getroffen heeft de lessen getrokken heeft en dat zij er telkens politiek versterkt uit is gekomen. Gezien de moeilijkheid een revolutionaire organisatie op te bouwen, spreekt het vanzelf dat het bijzonder gevaarlijk is te geloven dat ze geïmmuniseerd zou kunnen worden tegen opportunistische ontaarding - op programmatisch of organisatorisch vlak -, dat ze zich vredig en zonder problemen zou kunnen ontwikkelen.
Het is precies de ontwikkeling van zulke illusies binnen de IKS, het idee dat de organisatie voortaan zou kunnen worden uitgebouwd zonder noemenswaardige politieke strijd in haar schoot, die door de Internationale Conferentie op de korrel genomen werd. De IKS heeft blijk gegeven van een zekere naïviteit en een gebrek aan waakzaamheid inzake het voortbestaan in haar midden van de kliekjesgeest. Ze koesterde de illusie dat die zwakheid, voortgekomen uit de historische omstandigheden waarin de IKS opgericht werd (getekend door het gewicht van de kleinburgerlijke ideeën van mei 1968 met hun ultra-linkse en anarchiserende componenten), voor eens en altijd uitgeroeid was dankzij de strijd die we in 1993-1995 gevoerd hebben.
Die zwakheid legde niet alleen geheugenverlies bloot wat betreft de geschiedenis van de marxistische beweging, maar ook dat de uiterst moeilijke omstandigheden uit het oog verloren werden, waarin de IKS zich in stand houdt in de huidige periode van sociale ontbinding van het kapitalisme.
In feite was één van de factoren die de recente crisis van de IKS aan de oppervlakte bracht een discussie over het vertrouwen en de solidariteit binnen de organisatie, discussie die van meet af aan door de meerderheid van de leden van het Internationale Secretariaat (de permanente commissie van het centraal orgaan) een oriëntatie kreeg met een methode die vreemd is aan de wijze waarop de IKS haar debatten steeds gevoerd heeft. Vanaf de opening van de discussie hebben deze laatsten inderdaad een ware campagne ontwikkeld die tot doel had de kameraden die in de minderheid waren te in diskrediet te brengen om hen “uit de IKS” te zetten (in de woorden van een lid van de zogezegde ‘fractie’). Zij begonnen in de organisatie een monolithische opvatting, volledig vreemd aan de principes van de IKS, in te voeren in het centraal orgaan, en gingen zelfs zover zich te verzetten tegen de publicatie in de interne bulletins van bijdragen van kameraden die meningsverschillen hadden met de politiek van de meerderheid van het Internationale Secretariaat. Tegenover zo’n ernstige afwijking, die kon leiden tot het opgeven van de functioneringsbeginselen van de IKS en tot organisatorische ontaarding, nam het centraal orgaan van de IKS de beslissing, bekrachtigd door het Veertiende Internationale Congres, een onderzoekscommissie in te stellen die klaarheid moest scheppen over het slechte functioneren van zijn Secretariaat.
Toen de politiek van het Internationale Secretariaat afgekeurd werd, heeft Jonas onmiddellijk terugtreding aangekondigd, waarbij hij zich voorstelde als slachtoffer van een ‘slopersoperatie van de organisatie’. Volgens Jonas kon zo’n afkeuring van het Internationale Secretariaat (waarvan hij deel uitmaakte) door het centraal orgaan van de IKS enkel het werk zijn van een ‘agent’. Meteen na zijn aftreden heeft Jonas (die niet de moed had op het Veertiende congres zijn standpunten te komen verdedigen) meteen zeven naaste kameraden ertoe aangezet in het geheim bijeen te komen om een ‘fractie’ te vormen. Aan een delegatie van het Internationale Bureau heeft hij verklaard: “Omdat we de leiding niet meer hebben, is de IKS verloren”. De visie die Jonas vooropstelt (”de leiding” te hebben) is niet de opvatting die de IKS heeft over de rol van de centrale organen. Zijn visie is die van de burgerlijke klieken, van de kleine bureaucraten, van de avonturiers en de stalinisten die geen enkel meningsverschil kunnen dulden en die bij gebrek aan argumenten de methode van de roddel gebruiken om twijfel te zaaien in de organisatie en nu ook in het proletarisch politiek milieu.
Tegenover die politiek van manoeuvres van Jonas en zijn medestanders, die elk meningsverschil wil verstikken in naam van het ‘vertrouwen’ in de meerderheid van het Internationale Secretariaat (in feite ging het erom de IKS op te roepen het Internationale Secretariaat een blind en principeloos vertrouwen te schenken), moest het centraal orgaan het debat over vertrouwen en solidariteit meteen na het Veertiende Congres een nieuwe oriëntatie geven, vanuit een historisch en theoretisch kader dat door de ‘camarilla’ van Jonas voortdurend en zonder enige politieke argumentatie afgekraakt werd, zoals de Conferentie heeft kunnen vaststellen. Die oriëntatie heeft de Conferentie de kans gegeven een ernstig en beargumenteerd debat te beginnen, waarin alle militanten zonder uitzondering hun standpunt hebben kunnen verdedigen, hun twijfels of meningsverschillen uitspreken, in een opbouwende en kameraadschappelijke geest, die er niet op uit is kameraden zwart te maken omdat ze een standpunt niet delen, maar die de meningsverschillen wil uitklaren met als enige doel de organisatie te versterken als eengemaakt en dus gecentraliseerd politiek lichaam.
Onder de andere zwakheden van de organisatie waarop Jonas en zijn ‘camarilla’ zich konden baseren, heeft de Conferentie niet alleen gewezen op het gewicht van de kringgeest, maar ook op dat van de democratistische ideologie binnen de organisatie. In de IKS heeft het democratisme zich recent geuit in een opportunistische tendens tot het op de helling zetten van onze centralisatieprincipes, met name door het idee dat het vertrouwen zich in de organisatie enkel omgekeerd evenredig met de centralisatie kan ontwikkelen.
Toen de IKS zich eenmaal bewust werd van het gevaar dat onze centralisatieprincipes opgedoekt zouden worden onder het gewicht van de democratische ideologie, bleef alleen de clan van Jonas over om die revisionistische en liquiderende visie te verdedigen, die hen tot dit ellendig resultaat gebracht heeft. Zo heeft de zogenaamde ‘fractie’ vanaf 31 januari aan alle IKS-militanten een verklaring gestuurd (gepubliceerd in haar intern bulletin) waarin ze bevestigt elke loyaliteit met de IKS te verbreken. In plaats van een gecentraliseerd debat, dat in overeenstemming met de statuten van de IKS de meningsverschillen duidelijk stelt, eiste deze ‘camarilla’ dat al de militanten van de IKS haar litanie zouden overnemen van beledigingen en roddels tegen de centrale organen van de IKS en enkele van hun leden. Kortom: de vriendenclan van Jonas eiste een hele reeks burgerlijke rechten op. Het recht om de ergste leugens en roddels te verspreiden tegen militanten en tegen de centrale organen, in naam van het recht op ‘vrije meningsuiting’; het recht de organisatie te destabiliseren door achter haar rug complotten te smeden; het recht alle werkingsregels van de IKS aan hun laars te lappen; het recht maar 30% van hun contributies te betalen, het recht weg te blijven van vergaderingen waarvoor ze uitgenodigd waren, het recht de adressenbestanden van onze abonnees te stelen, het recht de nota’s van de centrale organen te stelen om ze te vervalsen, het recht geld van de IKS te stelen en twee afgevaardigden van de Mexicaanse afdeling af te houden van deelname aan de Conferentie (uit angst dat deze hen zou overtuigen). En dat alles in naam van de ‘vrije meningsuiting’, in feite de vrijheid tot sabotage en vernietiging! De Conferentie heeft duidelijk blootgelegd dat de manoeuvres van Jonas militanten te gronde gericht heeft door hen te veranderen in een bende bedriegers en vervalsers. Die elementen hebben de naïviteit zover gedreven dat ze geloofden dat ze, door zichzelf tot ‘fractie’ uit te roepen, hun kleinburgerlijk democratisme en hun vernietigend individualisme verborgen zouden kunnen houden voor onze centralisatieprincipes. Met andere woorden: de clan van Jonas volgde de libertaire ordewoorden van de studenten van mei 1968: hij nam zijn wensen voor werkelijkheid. En wanneer de IKS zich verdedigt, zich niet wil laten vernietigen door hun putschistische methodes, en de sancties toepast die door haar statuten voorzien zijn, wordt zij hysterisch aangeklaagd als ontaardende, stalinistische sekte die gemanipuleerd wordt door een ‘agent’ en door ‘Torquemada’s’ (in de woorden van Jonas)! Dat is de laag-bij-de-grondse motor die de vorming aangedreven heeft van die zogenaamde ‘fractie’, die in feite niets anders is dan het oorlogswapen van burger Jonas tegen het proletarisch politiek milieu, de schandelijkste en gevaarlijkste clan uit de hele geschiedenis van de IKS. De Buitengewone Conferentie van de IKS is begonnen aan de taak de ideologische en politieke wortels van die clan te analyseren.
De debatten van deze Conferentie waren heel vruchtbaar en toonden dat, in tegenstelling tot de roddels van de ‘fractie’ en van heel het anti-IKS parasitair milieu, onze organisatie geenszins meningsverschillen verstikt, maar integendeel al haar militanten opgeroepen heeft hun verantwoordelijkheid op te nemen en hun meningsverschillen uit te drukken. De politieke diepgang en de gedrevenheid die de debatten van de Conferentie aangevuurd hebben, tonen de vastberadenheid van de IKS zich te mobiliseren ter verdediging van de organisatie en haar principes. En tenslotte heeft de Conferentie zich rekenschap gegeven van het gevaar dat de methodes van de ‘camarilla’ van Jonas inhouden voor het proletarisch politiek milieu (hij probeert nu het IBRP te infiltreren om het mee te slepen in zijn politiek van vernietiging van de IKS).
Hoewel de IKS in de loop van haar geschiedenis verschillende scheuringen meegemaakt heeft, heeft ze steeds weten te weerstaan aan de negatieve gevolgen daarvan. Ondanks de numerieke verliezen is de IKS in staat gebleken een gecentraliseerde organisatie op wereldvlak, met afdelingen in veertien landen, in stand te houden en op politiek vlak te versterken. Hoewel de huidige crisis de ernstigste is uit heel de geschiedenis van de IKS en de manoeuvres van de ‘camarilla’ van Jonas onze afdelingen in de Verenigde Staten en Mexico bijna vernietigd hadden (net zoals de tendens Chénier tijdens de crisis van 1981 de hele IKS-afdeling in Groot-Brittannië bijna vernietigd had), is de IKS in staat gebleken de schade te beperken en zijn onze numerieke verliezen betrekkelijk klein in vergelijking met de ambities van de ‘fractie’ van Jonas. We hebben enkele militanten verloren, maar we hebben de organisatie en haar principes gered.
Met grote ontzetting heeft de Conferentie vastgesteld in welke vernietigende en zelfmoordzuchtige waanzin Jonas de militanten heeft meegesleurd die gedurende vele jaren onze strijdmakkers waren. Eén van hen in het bijzonder, die vanaf zijn toetreding tot de organisatie begin jaren 1970 altijd blijk heeft gegeven van de grootste loyaliteit ten opzichte van de IKS, het grootste vertrouwen in zijn centraal orgaan, en van een voorbeeldig doorzettingsvermogen in de verschillende gevechten voor de verdediging en opbouw van de organisatie. De IKS heeft slechts twee kameraden kunnen redden die actief deelgenomen hadden aan de geheime bijeenkomsten van het ‘collectief’ (dat later ‘fractie’ geworden is). Toen ze inzagen hoe bijzonder vernietigend en suicidair hun misstap was, hebben beide kameraden in detail verslag gedaan aan de Onderzoekscommissie over de wijze waarop ze meegetrokken werden in dat smerig avontuur. Twee andere militanten die Jonas voorstelde als ‘centristen’ en die eveneens aan de geheime vergaderingen van het ‘collectief’ hadden deelgenomen, gaven er de voorkeur aan zich terug te trekken, liever dan bij de ‘fractie’ aan te sluiten en het ellendig pad te volgen van die parasitaire groepering.
Wij zijn er ons ten volle van bewust dat wat de IKS volbracht heeft erg bescheiden is tegenover de kapitalistische vijandigheid die ons omringt. Maar dat doet niets af aan het feit dat het werk van verdediging van de organisatie dat pas door de Buitengewone Conferentie gerealiseerd werd niet alleen belangrijke lessen inhoud voor de versterking van de IKS, maar ook voor de voortzetting van een breder debat binnen het proletarisch politiek milieu over de gevaren die vandaag wegen op de revolutionaire organisaties. Heel het milieu moet in staat zijn te weerstaan aan de vernietigende krachten van de burgerlijke maatschappij, aan de verleiding van het opportunisme en de lokroep van het parasitisme waarmee het vandaag en in de toekomst geconfronteerd wordt.
IKS / 19.04.2002
Honderd dertig jaar geleden, in september 1872, werd in Den Haag het Vijfde Congres gehouden van de IWV, de Internationale Werklieden Vereniging (Eerste Internationale). Het gaat zeker om één van de meest belasterde episodes uit de geschiedenis van de arbeidersklasse. Bekend door de beslissing om Bakoenin, James Guillaume en de Jurafederatie de IWV uit te sluiten is dit congres voor sommigen zonder betekenis omdat het zich uitsluitend bezig zou hebben gehouden met ‘interne strubbelingen’. Voor anderen (zoals de anarchisten, maar ook burgerlijke geschiedschrijvers) ging het om een “oorlog tussen leiders” waarbij Marx zich van administratieve maatregelen bediend zou hebben om meningsverschillen te regelen over theoretische vraagstukken (zoals dat van de staat). Niets is minder waar.
Dit congres is juist één van de belangrijkste uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging. Het vormde het hoogtepunt van een lange strijd binnen de Internationale Werklieden Vereniging voor de opbouw van een organisatie in overeenstemming met de klassenaard en de historische behoeften van het proletariaat. Het draagt lessen over aan de volgende generaties van revolutionairen die tot op heden fundamenteel blijven:
De oprichting van de IWV in 1864 in Londen betekent een nieuwe etappe waarin de arbeidersbeweging zich doet gelden. Door de lessen te trekken uit de voorbije periode scheiden nieuwe proletarische elementen zich af van de bourgeoisie door de noodzaak van de zelfstandigheid van de arbeidersklasse ten opzichte van de andere klassen in de maatschappij te bevestigen, niet alleen op politiek gebied door een eigen programma aan te nemen maar ook op organisatorisch vlak door de proletarische beginselen die in sommige eerdere organisaties al bestonden over te nemen en verder te ontwikkelen. Zij definiëren de organisatie als een bewust organisme, collectief, eensgezind en gecentraliseerd. De eerdere fase van politieke sekten die hun activiteit opvatten als een scheiding tussen de onbewuste basis van het werkelijke politieke leven van de organisatie en de leiding van beroepssamenzweerders was voortaan voorbij. De nieuwe organisatie voorzag zichzelf onmiddellijk van een gecentraliseerde structuur die in 1866 de naam kreeg van Algemene Raad.
Tot aan de Commune van Parijs van 1871 verenigde de IWV een groeiend aantal arbeiders en vormde ze een van de belangrijkste factoren in de ontwikkeling van de twee fundamentele wapens van het proletariaat, zijn organisatie en bewustzijn. Daardoor werd zij het doelwit vansteeds meer verbeten aanvallen van de kant van de bourgeoisie: laster in de pers, infiltratie door verklikkers, vervolgingen tegen haar leden, enzovoort. Maar de aanvallen waardoor de IWV het grootste gevaar liep waren de aanvallen die kwamen van haar eigen leden en die zich keerden tegen de organisatiewijze van de Internationale zèlf.
Al tijdens de stichting van de IWV werden de voorlopige statuten ervan door de Parijse afdelingen, die sterk beïnvloed waren door de federalistische opvattingen van Proudhon, vertaald in een richting die het gecentraliseerde karakter van de Internationale gevoelig afzwakte. Maar de gevaarlijkste aanvallen komen later met de toetreding tot de IWV van de ‘Alliantie van de Socialistische Democratie’, gesticht door Bakoenin. Deze zou in belangrijke delen van de Internationale een vruchtbaar terrein vinden doordat op haar nog het gewicht rustte van de politieke onrijpheid van het proletariaat in die tijd. Het was een proletariaat dat zich nog niet geheel ontdaan had van de resten van de voorbije etappe in zijn ontwikkeling en dan voornamelijk van de sectaire bewegingen.
Deze zwakte was vooral toegespitst in de meest achtergebleven sectoren van het Europese proletariaat, daar waar het nog nauwelijks uit ambacht en boerenbedrijf was losgekomen, vooral in de Zuid-Europese landen. Dit zijn de zwakheden waarvan Bakoenin, die pas in 1868 tot de Internationale toetrad, gebruik wist te maken om te proberen haar te onderwerpen aan zijn ‘anarchistische’ opvattingen en om haar onder de controle te krijgen. Het middel van deze operatie werd gevormd door de ‘Alliantie van de Socialistische Democratie’, die hij opgericht had als een minderheid van de ‘Liga van de Vrede en de Vrijheid’. Deze laatste was een organisatie van burgerlijke republikeinen, gesticht op initiatief van met name Garibaldi en Victor Hugo, en waarvan een van de voornaamste doelstellingen het beconcurreren van de IWV onder de arbeiders was. Bakoenin maakte deel uit van de leiding van de ‘Liga’ waaraan hij ‘een revolutionaire stimulans’ beweerde te geven en waarbinnen hij had aangedrongen om de IWV een samensmelting voor te stellen, wat deze tijdens haar Congres van Brussel in 1868 afwees. Pas na de mislukking van de ‘Liga van e Vrede en de Vrijheid’ besloot Bakoenin toe te treden tot de IWV, niet als een gewone militant, maar om de leiding over te nemen.
“Om zich te laten erkennen als leider van de Internationale, moest hij zich voordoen als leider van een ander leger waarvan de absolute toewijding aan van zijn persoon door een geheime organisatie verzekerd moest worden. Na openlijk zijn genootschap in de Internationale geïmplanteerd te hebben rekende hij er op om er in alle afdelingen vertakkingen te krijgen en zo de absolute leiding te verwerven. Met dit doel stichtte hij in Genève de (de openbare) Alliantie van de Socialistische Democratie. [...] Maar achter deze openbare Alliantie ging een andere schuil, die op haar beurt geleid werd door de nog geheimere Alliantie van de Internationale Broederschap, de Honderd Wachters van dictator Bakoenin”. (1).
De Alliantie was dus een genootschap dat zowel openbaar als geheim was en dat in werkelijkheid het vormen van een Internationale binnen de Internationale beoogde. Haar geheime structuur en de ruggespraak die daardoor mogelijk was tussen haar leden moesten de ‘infiltratie’ verzekeren in zoveel mogelijk afdelingen van de IWV, daar waar de anarchistische opvattingen de grootste weerklank vonden. Op zichzelf vormde het bestaan van meerdere denkrichtingen geen enkel probleem. De intriges van de Alliantie daarentegen, die zichzelf wilde opleggen aan de officiële structuur van de Internationale, vormden een ernstige factor van ontwrichting van deze laatste en waren levensgevaarlijk voor haar. De Alliantie had gepoogd om op het Congres van Bazel in september 1869 de leiding van de Internationale over te nemen door, tegen de motie voorgesteld door de Algemene Raad, een motie in stemming te brengen ten gunste van de afschaffing van het erfrecht. Met dit doel voor ogen hadden haar leden, vooral Bakoenin en James Guillaume trouwens met hart en ziel een administratieve resolutie gesteund die de macht van de Algemene Raad zou versterken. Maar toen dit mislukt was begon de Alliantie, die zelf beschikte over geheime statuten gebaseerd op uiterste centralisatie, een campagne te voeren tegen de ‘dictatuur’ van de Algemene Raad waarvan zij de rol wilde beperken tot “een bureau voor correspondentie en statistieken” (volgens de eigen termen van de Alliantieleden), van ’brievenbus’ (zoals Marx hen antwoordde). Tegenover het beginsel van de centralisatie die de uitdrukking was van de eenheid van de Internationale van het proletariaat, stelde de Alliantie het ‘federalisme’, de volledige ‘autonomie van de afdelingen’ en het niet bindend karakter van congresbesluiten. In feite wilden ze in staat zijn om hun eigen gang te gaan in de afdelingen die zij onder controle hadden. Dat opende meteen de deur voor de volledige desorganisatie van het IWV. En het was dat gevaar dat het Congres van Den Haag van 1872 moest afweren. (2).
Als de strijd van de IWV dikwijls werd aangehaald als die van Marx en Engels, dan was dat vooral omdat de onverzettelijkheid van deze twee leden binnen de Algemene Raad voorbeeldig was voor de collectieve strijd van de hele organisatie. De vastbeslotenheid van de Algemene Raad had in de strijd tegen Bakoenin op zichzelf niet succesvol kunnen zijn indien deze niet de steun had gekregen - en gestimuleerd had - van de organisatie in haar geheel. Het geheime karakter van de Alliantie kan trouwens voor een deel worden verklaard door het feit dat haar stichters “heel goed wisten dat de grote massa van de internationalen zich nooit willens en wetens zouden onderwerpen aan een organisatie als de hunne als zij van het estaan daarvan op de hoogte waren geweest” (4). Toen de Alliantie tegenover het Congres van Den Haag haar laatste machtsgreep wou uitvoeren, door op de Conferentie van Rimini in augustus 1872 een congres voor te stellen tegenover dat van de IWV, moest dit project weldra worden afgeblazen omdat er weinig krachten in dit avontuur konden worden meegesleept.
Zwitserland, waar Bakoenin zijn meest solide thuishavens had, is een van de voorbeelden van de actieve strijd van alle militanten. Toen Bakoenin zijn manoeuvers lanceerde voor de overname van de Zwitserse afdeling in april 1870, botste hij op het verzet van de arbeidersafdelingen van Genève. Het opeisen door Bakoenin van de naam van het centraal orgaan voor zijn groep van intriganten bracht de Zwitserse militanten er toe om hem uit te sluiten (toen al!), hem en zijn meest actieve handlangers van de Jurafederatie.
Anderzijds, toen de Algemene Raad de manoeuvres van de leden van de Alliantie in de organisatie openbaar had gemaakt om hen aan te klagen en machteloos te maken, was de strijd van de voormalige alliantie-aanhangers die hun trouw aan de IWV bevestigden, beslissend voor het losweken van een maximum aan militanten die bedrogen waren door de parasitaire invloed van Bakoenin en om in Spanje opnieuw een federatie op te bouwen die loyaal was aan het IWV.
En de afdeling Ferré van Parijs die niet vertegenwoordigd was op het Congres van Den Haag suurde deze krachtdadige boodschap:
“Burgers, nooit was een congres plechtiger en belangrijker dan datgene dat u heden in Den Haag bijeenbrengt. Waar het hier werkelijk om draait is niet de een of andere onbelangrijke formele kwestie, het een of andere banaal reglementsartikel, maar het overleven van het Verbond. [...] de intriganten die tot hun schande uit ons midden werden verbannen, de Bakoenins, de Malons, de Gaspard Blancs en de Richards proberen om het even welke belachelijke federatie uit de grond te stampen, die volgens hun ambitieuze projecten het Verbond moet verpletteren. Wel burgers, het is deze kiem van tweedracht, die grotesk is door zijn hoogmoedige streven, maar gevaarlijk door zijn gewaagde manoeuvres, die we ten koste van alles moeten verdelgen. Haar bestaan is onverzoenbaar met het onze en wij rekenen op uw ongenadige energie om daarbij een beslissende en klinkende overwinning te behalen”.
De voortdurende manoeuvres van de alliantie-aanhangers zijn er verantwoordelijk voor dat het congres drie dagen moest uittrekken aan de verificatie van de mandaten van de afgevaardigden, dat wil zeggen controleren of iedere afdeling had voldaan aan de statutaire verplichtingen van de IWV (en in het bijzonder de allereerste daaronder: het overmaken van de lidmaatschapsgelden aan de organisatie) voordat ze hun rechten als lid konden laten gelden. Het Congres moest de afgevaardigden van verschillende afdelingen die onder controle van de Alliantie stonden en die weigerden hun lidmaatschapsgelden aan de Algemene Raad te betalen, bedreigen met het intrekken van hun mandaat om ze de schuld van hun afdeling te laten vereffenen.
Nadat de voorstellen van de Conferentie van Londen, die het jaar daarvoor was gehouden rond de noodzaak voor de arbeidersklasse om een politieke partij op te richten (wat een grotere centralisatie en meer beslissingsmacht voor de Algemene Raad noodzakelijk maakte) waren aangenomen, debatteerde het Congres over het vraagstuk van de Alliantie op basis van een rapport van een Onderzoekscommissie die hiervoor benoemd was.
Bepaalde leden van de Alliantie weigerden samen te werken met de verkozen Commissie, ja elfs haar te erkennen, en behandelden haar als “Heilige Inquisitie”.
Wat het Congres aan de Alliantie verweet was niet de propaganda voor haar standpunten, maar de flagrante schending van de statuten en toelatingsvoorwaarden van de IWV, evenals de openlijke vijandigheid en de manifeste wil om de organisatie te schaden. In de houding van de Alliantie identificeerde de IWV voor het eerst in de arbeidersbeweging de bedreiging van het politiek parasitisme. “Voor het eerst in de geschiedenis van de strijd van de arbeidersklasse botsen wij op een geheime samenzwering beraamd in de schoot zelf van deze klasse en er op gericht niet om het bestaande uitbuitingsregime te ondermijnen maar wel het Verbond zelf, die dit regime op de meest energieke wijze bestrijd”. (4). De arbeidersklasse werd geconfronteerd met parasieten die beweerden te behoren tot het kamp van het kommunisme en haar programma te onderschrijven, maar die al hun krachten wijdden aan het belasteren van de kommunistische organisatie en beginselloos en zonder geringste aarzeling streefden naar haar vernietiging. Wat er op het spel stond op het Congres was: “eens en voor altijd een einde te maken aan alle interne strijd binnen ons Verbond zoals die steeds veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van dit parasitair lichaam. Deze strijd is niet anders dan de verspilling van krachten die bestemd zijn voor het bestrijden van het huidige burgerlijke regime. In zoverre de Alliantie de actie van de Internationale tegen de vijanden van de arbeidersklasse verlamt is zij van bewonderenswaardig nut voor de bourgeoisie en de regeringen” (3).
Het Congres veroordeelde de geheime organisatie van de Alliantie die was opgezet om de controle over de organisatie over te nemen door de militanten op te delen in twee categorieën waarbij de enen de anderen moesten leiden zonder dat die het wisten, evenals de houding van haar aanhangers die systematische gebruik maakten van leugens en veinzerij om de IWV te om de tuin te leiden over het bestaan van de clandestiene organisatie en over het doel van hun woorden en daden.
Er werd geen enkele sanctie genomen tegen afgevaardigden die verklaarden te breken met de Alliantie.
De werkelijke strijd binnen de IWV vond dus plaats tussen:
De actie van de marxisten bestond er ook in de politieke zeden van de Alliantie aan te klagen die “Om haar doelstellingen te bereiken [...] voor geen enkel middel, geen enkele trouweloosheid terugschrok; leugens, laster, intimidatie, hinderlagen komen hen ook van pas. Tenslotte neemt ze [de Alliantie] in Rusland volledig de plaats van de Internationale in en begaat ze in haar naam misdaden volgens het burgerlijk recht, afpersingen, een moord, waarvoor de regeringspers ons Verbond verantwoordelijk heeft gesteld” (1). Deze actie bestond er ook uit om de klasseninhoud er van te bepalen (“gedeclaseerden die voortkomen uit de hogere lagen van de maatschappij”) en de politieke moraal te verwerpen die hen tot basis diende: de jesuitenmoraal volgens welke “het doel alle middelen heiligt” en die neergeschreven staat in de geheime statuten van de Alliantie die, gefascineerd door de onderwereld, “de avontuurlijke wereld van de misdaad” beschouwt als “de enige werkelijk revolutionaire” en daaraan zijn actiemethodes ontleent.
In tegenstelling daartoe moet het proletariaat niet alleen zijn eigen wapens ontwikkelen maar voor hem zijn het doel dat uit zijn aard voortspruit, het kommunisme, en de middelen om dit te bereiken, onderling afhankelijk. Net zoals Marx, stellen wij samen met Trotzki dat “slechts die middelen toelaatbaar en verplichtend zijn die de samenhang van het proletariaat doen groeien [...] die het doordrenken met het bewustzijn van zijn eigen historische missie [...]. Daaruit vloeit juist voort dat niet alle middelen zijn toegestaan. [...] en dat resulteert voor ons in het feit dat het grote revolutionaire doel alle onwaardige middelen, werkwijzen en methodes verwerpt die een deel van de arbeidersklasse opzetten tegen de anderen; [...] of die het vertrouwen van de massa’s in zichzelf en in de organisatie verminderen en vervangen door een verheerlijking van de ‘leiders’.” (5).
Dit Congres, het belangrijkste van de IWV, was tezelfdertijd “haar zwanenzang als gevolg van de verplettering van de Commune van Parijs en de ontmoediging die deze nederlaag veroorzaakte binnen het proletariaat. Marx en Engels waren zich van deze werkelijkheid bewust. Daarom stelden ze ook voor, buiten de maatregelen om het IWV te onttrekken aan de greep van de Alliantie, dat de Algemene Raad in New York geïnstalleerd zou worden, ver van de conflicten die de Internationale steeds verder verdeelden. Het was ook een middel om de IWV een rustige dood te laten sterven (voltrokken door de Conferentie van Philadelphia in juli 1876) zonder dat haar prestige kon worden overgenomen door de bakoeninistische intriganten” (2).
Het laat ook zien dat de opbouw van de proletarische organisatie een voortdurende strijd is en dat het geen vreedzaam proces is dat vrij zou zijn van de vernietigende invloed van de vijanden van de arbeidersklasse, evenmin als het buiten de kapitalistische sociale verhoudingen zou staan die het proletariaat moet opheffen. Toen het proletariaat de nederlaag van de Commune eenmaal te boven was gekomen dienden de bijdragen van de IWV, haar standvastigheid in het verdedigen van de proletarische beginselen betreffende organisatievraagstukken, als basis voor de oprichting van de revolutionaire partijen van de Tweede Internationale. De politieke lessen die de IWV gesmeed heeft moeten de strijd van de huidige revolutionairen blijven inspireren en ze zullen van fundamenteel belang zijn voor de opbouw van de partij van morgen.
FR
(1) De Alliantie van de Socialistische Democratie en de Internationale Arbeiders Associatie, rapport geschreven door Marx, Engels, Lafargue en andere militanten onder mandaat van het Congres van Den Haag.
(2) Internationale Revue, Engels-, Frans-, en Spaanstalige uitgave, nr. 110.
(3) De Algemene Raad aan alle leden van het IWV, 4-6 augustus 1872.
(4) Rapport voorgesteld aan het Congres van Den Haag door Friedrich Engels.
(5) Trotzki, Hun moraal en de onze.
De nieuwe regering Balkenende is geïnstalleerd en de verhoudingen tussen de verschillende fracties van de bourgeoisie zijn voorlopig enigszins genormaliseerd. Na de oorverdovende ideologische aanval van het laatste half jaar wordt nu de frontale aanval op de arbeids- en levensomstandigheden ingezet.
Het afgelopen half jaar werd niet alleen Nederland, maar heel Europa geconfronteerd met een ideologische aanval op de arbeidersklasse. Een campagne die tot doel had om het proletariaat nog meer te binden aan de democratische staat en haar eigen strijdperspectief op klassenbasis tegen de verscherpte uitbuiting en onderdrukking bij voorbaat te vertroebelen. Daarbij werd het voorgesteld alsof het ging om een strijd tegen het gevaar van de extreem-rechtse racistische partijen dan wel om een zogenaamde nieuwe politieke koers tegen de gevestigde orde. Naast Frankrijk stond Nederland daarbij in het middelpunt van de politieke arena, wat alleen nog maar versterkt werd door de moord op de hoofdrolspeler.
“De opkomst van Pim Fortuyn net als zijn liquidatie toonden vooral de maatschappelijke verrotting, een tijdelijk controleverlies door de bourgeoisie in een land dat nu juist bekend stond om zijn grote democratische stabiliteit. Niet Fortuyn als het ‘rechtse gevaar’, maar de democratisch partijen werden er zèlf van beschuldigd een ‘heksenjacht’ te hebben geopend en ‘haat te hebben gezaaid’ door de democraat Fortuyn als ‘fascist’ te verketteren. Toch slaagde de bourgeoisie erin globaal de controle over de situatie te behouden en deze meer dan ooit te gebruiken ter versterking van democratische illusies en ter voorbereiding van nieuwe draconische maatregelen tegen de arbeidersklasse” (Internationalisme, nr.-286).
Er werd maandenlang over bijna niets anders gesproken dan over Fortuyn, over zijn onconventioneel optreden en het feit dat hij de ‘oude garde’ flink bij de neus wist te nemen. De LPF verzamelde onder haar paraplu de elementen die een grondige afkeer hadden gekregen van de bestaande politiek. Sindsdien is die campagne voor de democratie, met als belangrijkste doel om met name de arbeidersklasse aan de burgerlijke staat te binden, wel enigszins van karakter veranderd, maar nauwelijks verflauwd. Want het is de bourgeoisie die zoveel mogelijk wil profiteren van de verwarring die de hele heisa van de afgelopen maanden in het bewustzijn van de arbeiders teweeg heeft gebracht. Ze heeft zich voorgenomen volop van de gelegenheid gebruik te maken en de nieuwe regering Balkenende een ongekend harde aanval in te laten zetten op de levensomstandigheden van iedereen en van de arbeidersklasse in het bijzonder. Er hoeft niet aan getwijfeld te worden dat ze daarbij net zozeer kan rekenen haar linkerfracties en de vakbewegig als onder de paarse regering.
Nederland staat niet alleen voor wat betreft de noodzaak van harde aanvallen op de inkomens van de arbeidersklasse. In de centrale landen van het kapitalisme zijn ze aan de orde van de dag nu de wereldeconomie al sinds de zomer van 2000 in de recessie wegglijdt en de gevolgen zich steeds steviger doen voelen (zie het artikel elders in dit blad). Na jaren van schijnopleving op krediet wordt de situatie met de dag ernstiger:
Deze factoren tezamen laten zien hoezeer de Nederlandse economie wordt meegesleept in de diepe en zeker langdurige wereldrecessie.
Werd er tijdens de verkiezingscampagne iets duidelijk, dan is het wel hoezeer het zo geroemde Poldermodel bankroet is. Was het voor de arbeidersklasse al duidelijk dat het Poldermodel niet de zegeningen bracht die de bourgeoisie er aan toedichtte, nu kon de bourgeoisie zelfs de schijn niet meer ophouden. De dijken bezweken onder de druk van de enorme tekorten die zich opstapelen en tegenover de groeiende onvrede die zich ontwikkelt in verschillende bevolkingslagen die zich aan hun lot voelen overgelaten.
De noodzaak om het roer drastisch om te gooien drong zich al geruime tijd op. Maar de partijen van de paarse coalitie hadden zich gebonden aan een politiek van ‘algemene consensus’. Dat wil zeggen: voorzichtige matiging, waarbij aan de ene kant geprofiteerd werd van de schijn-opleving van de economie die gevoed werd door speculatieve investeringen en aan de andere kant groeiende tekorten in veel sectoren van de economie die niet of maar met mondjesmaat werden opgevuld; ondertussen werd de onvrede murw gemaakt in eindeloze ‘overlegstructuren’.
Zo is het de LPF die nu de onvermijdelijkheid van grove bezuinigingen mag aankondigen. Terwijl de VVD zich in de luwte opstelt en het CDA zich als ‘redelijk alternatief’ voordoet, mag de LPF, als verzamelpunt van afkeer, frustratie, ongenoegen en rancune van middenklasse en lompenproletariaat de kastanjes voor de hele bourgeoisie uit het vuur halen. Het moet zien waar te maken dat het met reden van het ene moment op het andere de tweede partij van Nederland werd. Het moet daartoe de argumenten leveren om nieuwe aanvallen te rechtvaardigen en deze nietsontziend doordrukken.
Na de val van de regering Kok werden onmiddellijk berichten’gelekt’ over de slechtere economische situatie, over sombere vooruitzichten, niet-verwachte tegenvallers, onbetaalde rekeningen en tekorten in de staatskas. Hiermee bereidde de bourgeoisie welbewust het terrein voor om maatregelen te treffen die vervolgens door de LPF kunnen worden voorgesteld als ingrepen tegen bureaucratisering en verkwisting van de staatsfinanciën.
De plannen die de regering Balkenende nu, aan de vooravond van de derde dinsdag in september, op stapel heeft staan, liegen er dan ook niet om: de grootste bezuinigingsgolf ooit, maar liefst 7 miljard euro ofwel haast 500,- per modaal gezin, waaronder verhoging van de ziekenfondspremie met 85 euro op jaarbasis, vermindering van subsidie voor openbaar vervoer en verlaging van steun aan de hoge scholen en universiteiten. Bij een verwachte toename van de werkloosheid met 30%, de afschaffing van 20.000 ‘Melkert-banen’ (en 200 ontslagen bij de FNV) daarbij inbegrepen, worden uitkeringen en lonen zoveel mogelijk losgekoppeld terwijl ontslagregelingen direct in mindering worden gebracht op de uitkering. Daar komen de bezuinigingen en belastingverhogingen van de lagere overheden nog bovenop, net als de bedrijfssluitingen en inkrimpingen in de privé-sector.
En dat alles, wanneer het doorgevoerd kan worden, zal slechts de inleiding vormen op nog veel directer aanvallen op de inkomens zoals aangekondigd in de voorziene loonscorrecties die al duidelijk onder de inflatie blijven. De bezuinigingen zijn zó grof, dat het nu de werkgevers van VNO-NCW zijn die klagen dat ze bijdragen tot de economische inkrimping (NRC, 13 september). Zo wordt het kabinet in de ‘extreme’ hoek gedrukt terwijl heel de bourgeoisie van de resultaten kan profiteren.
De voorbereiding van aanvallen van een dergelijke omvang maakt het noodzakelijk dat de ideologische aanvallen op de arbeidersklasse onverminderd doorgaan en dat de bourgeoisie haar linkse apparaat heeft klaarstaan om de reacties op zijn minst op te vangen en te neutraliseren.
Aan de ene kant:
Aan de andere kant:
Zo wordt er een schijn-polarisatie gekweekt. Er moet genoeg krediet worden opgebouwd om komende arbeiderswoede in officiële vakbewegingskanalen te laten wegsissen, of beter nog, direct om te buigen in nieuwe democratische campagnes. Als preventieve slag heet de FNV daartoe voor de komende weken grootscheepse ‘ledenraadplegingen’ aangekondigd: enerzijds om de temperatuur op te nemen, anderzijds om zichzelf op te werpen als ware verdediger van de ‘verliezers’, om de arbeiders het gevoel te geven dat ze zonder vakbonden niet eens gehoord worden, en vervolgens om de zo gehavende PvdA weer geloofwaardig te maken.
De perspectieven voor de arbeidersstrijdWant dat er reacties zullen komen is duidelijk. Maar het is nu moeilijk zichzelf als klasse te zien en de strijd gaatde laatste jaren nagenoeg nooit het vakbondskader te buiten. De meeste recente voorbeelden daarvan zijn de cao-stakingen in de zuivelindustrie van de eerste helft van juni en de ‘wilde’ staking van de grondtechnici van de KLM op 27 juli. In beide gevallen slaagde de bourgeoisie er in om de strijd in een doodlopend straatje te laten lopen en de stakers in verwarring achter te laten.
In het eerste geval werden de boeren, die natuurlijk verontwaardigd waren dat hun melk niet meer opgehaald en verwerkt werd, tegen de staking opgezet. Na verloop van enkele dagen leidde dat tot de belegering van het stakingscentrum, het vakbondskantoor van de CNV in Heerenveen. Alhoewel de stakers zelf zich noch bedreigd, noch in de verdediging gedrukt voelden, vormde deze boerenbelegering voor het CNV-strijdcomité een afdoende voorwendsel om de staking af te blazen. Adagio: staken geeft alleen maar problemen en leidt uiteindelijk nergens toe.
In het tweede geval werd een ‘wilde’ staking geprovoceerd door het telkens vooruit schuiven van de beloofde salarisaanpassing aan het niveau van buitenlandse collega’s. En toen deze uitbrak werd de gelegenheid aangegrepen om de van meet af aan geïsoleerde arbeiders met hun kop tegen de muur te laten lopen om ze vervolgens een flinke veeg uit te pan te geven. Dit diende als een voorbeeld voor wat de hele arbeidersklasse te wachten staat: het is slikken of stikken.
Deze twee voorbeelden maken duidelijk dat de arbeidersklasse in Nederland op dit moment zwak staat tegenover de manoeuvres van de bourgeoisie. Maar er is geen andere keus dan de strijd aan te gaan, want het kapitalisme biedt enkel nog meer ellende. En het trekken van de juiste lessen uit gedeeltelijke nederlagen, en deze te verbinden aan de historische ervaring van de arbeidersklasse, vormt de onvermijdelijke voorwaarde voor toekomstige overwinningen.
D.&M. / 14.9.2002
In de discussies die gevoerd werden door de verschillende afdelingen van de IKS tijdens de openbare bijeenkomsten, de discussiebijeenkomsten of de verkoop van de pers waren onze gesprekspartners het in het algemeen nogal vlug eens met onze inschatting van de wereldtoestand en erkenden dat het kapitalisme de mensheid naar de afgrond sleurt. Maar wanneer het er om gaat te begrijpen dat de arbeidersklasse de enige kracht vormt die, door haar revolutionaire opstand, in staat is om de mensheid uit dit doodlopende straatje te halen, duiken er vlug heel grote twijfels op: “De arbeidersklasse is vandaag zelf wanhopig verdeeld. De centrale sectoren leven niet meer op de grens van het levensminimum zoals in de negentiende eeuw, maar hebben toegang tot de ‘verworvenheden’ van onze moderne cultuur en welvaart, zelfs al is dat op beperkte schaal. Het merendeel van de arbeiders voelt zich geen arbeider, meer en voelt de uitdrukking ‘arbeider’ aan als beledigend. De ‘echte proletariërs’ zoals honderd jaar geleden zijn vandaag voor een deel geëlimineerd en vervangen door bedienden van de dienstensector die niet meer productief zijn, en in elk geval geen ‘echte’ arbeiders meer zijn. Met de ineenstorting van het Oostblok, evenals de door de media aangehouden identificatie van kommunisme en stalinisme, is het laatste restje sympathie van de arbeiderswereld voor de theorie van de klassenstrijd en de ongebreidelde vijandschap tegen het kapitaal definitief uitgedoofd.”
Wij denken dat we krachtdadig moeten antwoorden op dergelijke argumenten. Een van de belangrijkste taken van de hedendaagse revolutionairen bestaat er juist in om deze argumenten te ontkrachten. En dan vooral omdat dergelijke ideeën niet langer verspreid worden door de gebruikelijke kleinburgers die zich verheven voelen, maar ook door enigzins bewuste en strijdvaardige arbeiders, door kameraden die opstaan voor de verdwijning van dit systeem. Bovendien leiden deze argumenten tot een zogenaamde ‘weerlegging van het marxisme’, wiens verdediging in de eerste plaats de taak is van de kommunistische organisatie.
De opvatting die actueel in zwang is, beweert dat de interpretatie door Marx en Engels omtrent de aard en de rol van het proletariaat weliswaar kon beantwoorden aan de werkelijkheid van de negentiende eeuw, maar vandaag niet meer opgaat. Een dergelijke opvatting steunt niet alleen op het gangbare misprijzen van de heersende burgerlijke ideologie voor de productieve klasse, een misprijzen dat nieuwe toppen scheert in het zwartmaken van het socialisme door de identificatie ervan met het stalinisme. Ze steunt ook op een sterk verspreide onwetendheid van wat Marx, Engels en de arbeidersbeweging effectief gezegd hebben over de aard van de klasse. Zo zou hun overtuiging dat het proletariaat de laatste klasse in de geschiedenis van de mensheid is, en de meest revolutionaire, geenszins gegrondvest zijn op de bijzonderheden van diens uitbuiting in dat tijdperk. Vandaag verspreidt men overal de bewering als zou, in de optiek van Marx, de grondslag van de revolutionaire roeping van het proletariaat berust hebben op het feit dat de arbeiders uit zijn tijdperk zich moesten uitsloven tot 18 uur per dag, zware fysieke arbeid moesten verrichten, terwijl zij over geen enkele soort van ziekteverzekering beschikten, noch over pensioenregeling en jaarlijks verlof. Het feit dat dit niet meer opgaat voor het merendeel van de arbeiders, ten minste in de industrielanden, zou betekenen dat de revolutionaire dromen uit zijn. Dat is de valse gevolgtrekking die men ons probeert te doen slikken. Zolang men op het armzalige terrein blijft van dit soort ‘verklaringen’ die de burgerlijke critici over Marx koesteren, is het onmogelijk om vooruit te komen. Wat heeft het marxisme werkelijk gezegd omtrent dit onderwerp?
In een der basisteksten, de ‘Anti-Dühring’, heeft Engels de tegenstelling van het kapitalisme gekenschetst tussen het sociale karakter van het productieproces en de kapitalistische private toeëigening ervan: ”De sociale productie wordt toegeëigend door individuele kapitalisten, (een) fundamentele tegenstelling waaruit alle tegenstellingen voortspruiten waardoor de maatschappij voortgedreven wordt en die de grootindustrie openlijk aan het daglicht heeft gebracht.”
Dit punt is absoluut beslissend voor het begrip van de revolutionaire aard van de arbeidersklasse. Het kapitalisme heeft niet alleen een omwenteling teweeg gebracht in het productieproces, in de technische en wetenschappelijke productiemiddelen, maar het heeft daardoor ook, voor het eerst, de voorwaarden geschapen voor een wereld zonder schaarste noch materiële achterstelling. Daarmee verbonden heeft het de aard en van de uitgebuite, productieve klasse radicaal omgevormd en gerevolutioneerd, zowel door de socialisering van de arbeid als door de complete scheiding van de producenten ten aanzien van de productiemiddelen. Via deze twee gedaantewisselingen verschilt het proletariaat fundamenteel van de productieve klassen die eraan voorafgingen zoals de slaven en de lijfeigenen, die zonder enige twijfel werden uitgebuit, maar geen revolutionaire klassen waren die een nieuwe maatschappij in zich droegen.
Slaven of lijfeigenen produceerden fundamenteel niet in het perspectief van de ruil, van de markt, maar om aan de locale en persoonlijke behoeften te voldoen van hun meesters. In de maatschappijen van slaven en lijfeigenen, waren de werktuigen individuele instrumenten. De basis van de productie was bijgevolg, geïsoleerde arbeid, lokaal en individueel beperkt. De producenten werden voornamelijk gewelddadig verplicht tot werken. Deze laatsten hadden geen enkele belangstelling voor hun werk en bezaten geen enkele werkelijk opleiding. En bovenal waren ze nauwelijks onder elkaar verenigd, aangezien ze aan hun meesters onderworpen waren via een persoonlijke verhouding.
De grootste omwenteling die door het kapitaal werd teweeggebracht komt juist voort uit de vervanging, als overwegende basis voor de productie, van de individuele arbeid door de collectieve arbeid. Dat betekent dat, voor het eerst in de geschiedenis, bijna alle producenten, door de steeds verder voortschrijdende ruil en werkverdeling, in het productieproces met elkaar verbonden zijn. In plaats van de individuele geïsoleerde arbeid, wordt het voortbrengen van goederen ontwikkeld via de geassocieerde arbeid van miljoenen menselijke wezens, meestal vergezeld van een werkverdeling die uitgespreid is op wereldschaal (een moderne auto bijvoorbeeld, is samengesteld uit afzonderlijke stukken die geproduceerd worden in ontelbare fabrieken en landen). Met de komst van de mechanisatie, heeft het kapitaal de individuele arbeidswerktuigen vervangen door collectieve productiesystemen, die in beweging gezet worden door werkelijke arbeidslegers. Op die manier heeft het kapitaal, in plaats van de verspreide uitgebuitenen, die geïsoleerd waren ten opzichte van elkaar, een klasse geschapen, die verenigd is doorheen haar collectieve arbeid (en dat op wereldschaal) en die slechts kan leven en werken dank zij deze eenheid. Het is vooral deze socialisatie van de arbeid die het kapitaal in staat heeft gesteld om zowel de competitiviteit van zijn productie op te drijven als om de andere vormen van voorkapitalistische productiewijzen te doen wijken. Alleen daardoor heeft het zijn triomfantelijke mars kunnen beginnen in de productie en zijn geografische uitbreiding. Maar tezelfdertijd heeft het, met het moderne proletariaat, zijn eigen doodgraver voortgebracht.
Door de veralgemening van de warenproductie, heeft het kapitaal tezelfdertijd de politieke verhoudingen tussen de klassen overhoop gehaald. De kapitalisten produceren niet langer voor de persoonlijke behoeften maar voor de markt. Daardoor worden de verhoudingen tussen de uitbuiters en uitgebuitenen totaal gedepersonaliseerd, en tezelfdertijd hoogst politiek. De verhoudingen van de slaven en de lijfeigenen met hun meesters waren voornamelijk persoonlijke verhoudingen, dat wil zeggen de uitbuitingsvoorwaarden hingen in de eerste plaats af van het feit of de uitbuiter in staat was om een zeker aantal soldaten en wachters te mobiliseren om de arbeidskrachten aan zich te binden en hen te dwingen tot producertie. In het kapitalisme daarentegen, hangen de productie-, arbeids-; en uitbuitingsvoorwaarden fundamenteel af van de markt, dat wil zeggen naargelang de economie in volle bloei is, in recessie, of naargelang de arbeidskrachten de markt overspoelen of slechts in beperkte hoeveelheden ter beschikking staan. Fundamenteel worden de arbeiders niet langer uitgebuit en geknecht door individuen maar, in tegendeel, door het systeem zelf. Daaruit vloeit voort dat de klassenstrijd tussen uitbuiters en uitgebuitenen in zijn huidige vorm, klasse tegen klasse, ten volle tot ontwikkeling gekomen, is mogelijk geworden. Tezelfdertijd heeft de volledige scheiding tussen de producenten (als loonarbeiders) en de productiemiddelen (als kapitaal) de vervanging teweeggebracht van het geweld door een economische dwang in de verplichting tot arbeid. De arbeiders moeten hun arbeidskracht verkopen om te kunnen werken en leven.
Het is slechts door het ontstaan van een ‘vrije’, ‘mobiele’ arbeidskracht die ‘vrijwillig’ gemotiveerd is door de economische dwang, dat de mogelijkheid kan voortvloeien van het veralgemenen en systematisch uitbuiten van de wetenschap en de techniek in het productieproces. Daaruit vloeit voort dat het moderne proletariaat zich niet onderscheidt door zijn boertigheid en onwetendheid (zoals de nostalgiekers van de romantische revoluties die denken dat de verdwijning van de arbeiders uit het vroege kapitalisme gelijkstaat met de onmogelijkheid van de revolutie), maar door hun hoog opleidingspeil en opvoeding. De auto, de ziekteverzekering en het jaarlijks verlof zijn geen geschenken noch pogingen tot omkoperij door het kapitaal, maar de minimale voorwaarden opdat de arbeiders zouden kunnen produceren en hun krachten reproduceren in de arbeidswereld van vandaag, die zeer complex is en veeleisend.
Volgens Marx en Engels berust de voornaamste tegenstelling van het kapitalisme in de tegenspraak tussen enerzijds, de overheersing van de sociale arbeid en anderzijds, de totaal privaat gerichte oriëntatie naar de grootst mogelijke winst van het economisch leven, gebaseerd op het privaat eigendom. In schijn gaat het om een zakelijke tegenstelling. In werkelijkheid gaat het om een tegenstelling die tot uiting komt binnen de maatschappij, tussen de klassen.
Zo wordthet sociale karakter van de arbeid belichaamd door het proletariaat. De arbeidersklasse onderscheidt zich door haar collectief karakter, georganiseerd, gedisciplineerd, methodisch, eensgezind, en vóór alles bewust, een kenmerk dat zowel merkbaar is in het arbeidsproces zelf als in de collectieve strijd. De hedendaagse maatschappij, privaat, individualistisch, chaotisch, anarchistisch, met haar concurrentie en oorlogskarakter, vertegenwoordigd door de bourgeoisie, vormt daarvan de tegenpool.
Terwijl de productie steeds systematischer, rationeler en wetenschappelijker wordt aangepakt vervalt het kapitalisme onder druk van de concurrentie in anarchie. Elke kapitalistische sector, en in het bijzonder elk nationaal kapitaal, zet zijn oorlog tegen alle anderen voort, en dat neemt steeds vernietigendere vormen aan. Uiteindelijk gaat het om het voortbestaan van de mensheid die bedreigd wordt door het overleven van een dergelijk systeem.
Deze tegenstelling tussen de steeds productievere arbeid en de steeds vernietigendere private toeëigening kan slechts geregeld en overstegen worden door de klassenstrijd. Aan het proletariaat valt de taak toe om deze tegenstelling op te lossen door het sociale karakter van de productie en de sociale toeëigening ervan te samen te brengen.
Dat betekent dat, om te komen tot een revolutionair bewustzijn, het er voor de arbeidersklasse niet om gaat om in haar schoot een theorie te laten doorsijpelen die van buitenaf komt of van gegevens die vreemd zijn aan haar eigen levenswijze. Voor haar gaat het er ‘enkel’ om haar eigen aard te begrijpen.
Aangezien het proletariaat niet de bezitter is van de productiemiddelen en aangeien het ingeschakeld is in een wereldnetwerk van sociale arbeid, kan het zijn taak slechts vervullen door de productiemiddelen te controleren en te socialiseren als vertegenwoordiger van de mensheid, niet door individualistisch maar door een collectief optreden. In tegenstelling tot de lagen die nog produceren op grond van een individuele organisatie van de arbeid, zoals de boeren, de ambachtslui, de vrije beroepen, de ‘intellectuele producenten’, en die nog de vruchten opeisen van hun individuele arbeid - en op die manier het rad van de geschiedenis willen terugdraaien, is het proletariaat, uit de aard van de zaak, gericht op de toekomst. Aangezien het geen oplossing kan vinden voor de crisis van het kapitaal, want zo’n oplossing bestaat er niet, ziet het zich er toe verplicht om op zoek te gaan naar het vinden van een oplossing buiten dit systeem.
Het moet duidelijk zijn dat noch zijn uitbuitingsvoorwaarden, noch zijn tijdelijke (sociologische) samenstelling, noch de aard van de werktuigen die het gebruikt op het werk, noch de opinie die de ‘gemiddelde’ arbeider van zichzelf of van zijn klasse heeft, hem in staat stellen om de diepere aard van het proletariaat te vatten. Het is iets veel belangrijker dat het proletariaat dat recht verleent: zijn collectieve, bewuste, massale en internationale aard die gericht is op de toekomst. Een aard die spontaan tot uiting komt in zijn revolutionaire theorie, maar die eveneens tot uiting komt in zijn gigantische strijdbewegingen. De klasse in haar geheel, kan haar ware aard niet zomaar om het even wanneer en in om het even welke omstandigheden aan het licht brengen. Daarvoor is het noodzakelijk dat zij haar theorie en haar programma verdiept; dat zij massaal in beweging komt tegen de slagen van de crisis; dat er creatieve massa-acties ontstaan tijdens de strijd. Er bestaat absoluut geen waarborg voor dat het proletariaat zijn weg zal vinden vóór het kapitalisme de mensheid vernietigt. Wat wij nochtans weten is dat, indien de subjectieve en objectieve voorwaarden in dit perspectief samenvallen, indien de klasse in een revolutionaire opwelling geraakt, haar aard zich zal ontluiken zoals het wetenschappelijk socialisme dat honderd vijftig jaar geleden heeft aangekondigd.
De korte levensduur van het kabinet Balkenende is de uitdrukking van een veel breder probleem dan alleen dat van de regering. Het zal niet verdwijnen door nieuwe verkiezingen of de electorale afgang van de LPF.
De economische recessie sinds het begin van het nieuwe millennium deed de onvrede groeien en tastte de populariteit van de paarse coalitie en vooral van de PvdA in hoog tempo aan. Het poldermodel, geschapen om onvrede te neutraliseren in uitzichtloze inspraakrondes over allang genomen beslissingen, liep stuk op de omvang van de te nemen maatregelen. Bij gebrek aan een tijdige aanpassing van de koers werd een stabiele regeringscoalitie na de chaotische verkiezingen van 15 mei 2002 onmogelijk. In Nederland, waar de bourgeoisie bij uitstek pocht op een wereldwijde reputatie van democratische stabiliteit, is een dergelijke crisis ongehoord.
De ontbinding van het kapitalisme brengt een verstikkende opeenstapeling van onoplosbare en voortwoekerende sociale problemen met zich mee die de geloofwaardigheid van de staatsinstellingen aantasten. Maar na de jarenlange campagnes over het verdwijnen van de arbeidersklasse is ook het zelfvertrouwen ondermijnd in een eigen strijdperspectief; de arbeidersklasse heeft de grootste moeite om haar woede om te zetten in strijdbaarheid. De onvrede blijft daardoor opgesloten in vaak individuele, ongerichte woede uitbarstingen en tijdens de verkiezingen in richtingloze 'protest' stemmen. Dat vormt de voedingsbodem voor een demagogisch populisme waarin niet alleen de wanhoop van een gefrustreerde kleine burgerij en de perspectiefloosheid van het lompenproletariaat tot uiting komt, maar waarin ook delen van de arbeidersklasse worden meegesleurd.
De bourgeoisie weet telkens weer de symptomen van haar innerlijke ontbinding tegen de arbeidersklasse te keren. De strategie tegenover de chaos binnen het staatsapparaat was een viervoudige. In de eerste plaats werd iedereen opgeroepen om zich achter de 'democratische' staat op te stellen. Vervolgens kreeg het rechtse populisme op de korte termijn alle kans om zichzelf tot in de schoenen af te branden; de PvdA werd in de gelegenheid gesteld om in de oppositie aan te sterken ter voorbereiding van een nieuwe regeringsperiode; en ondertussen konden, “onder druk van de verkiezingsuitslag”, de ongekend harde aanvallen op de arbeids en levensomstandigheden, die al onder Paars waren voorbereid, onmiddellijk worden doorgevoerd.
In juni 2002 schreven we: “Een nieuwe regering zonder de Lijst Pim Fortuyn, die met 26 zetels van niets tot tweede fractie werd, is echter haast onmogelijk en zou ook volslagen ongeloofwaardig zijn. De nieuwe regering riskeert echter van de ene crisis naar de andere te gaan”, en: “Als stuurloze groep zonder leiding, zonder samenhangend programma en met kandidaten die op het laatste moment werden bijeengeharkt zijn er mogelijkheden te over om in het parlement de Fortuyn fractie uiteen te laten vallen, het land 'onregeerbaar' te verklaren en nieuwe verkiezingen uit te schrijven mocht dit nodig blijken”. Het CDA VVD LPF kabinet Balkenende hield het inderdaad nog geen drie maanden vol en op 15 oktober, de dag waarop de 'linkse' prins Claus werd bijgezet, liet de bourgeoisie de regering vallen (1).
Geholpen door de rivaliteiten binnen de LPF zelf, waarbij de zij elkaar voor heel televisiekijkend Nederland publiekelijk afmaakten, werd de volstrekte onverantwoordelijkheid van deze groepering breed uitgemeten. Het hele politieke toneel diende zich steeds openlijker aan als een wanstaltige klucht waarbij ook de geloofwaardigheid van CDA en VVD en van minister president Balkenende op het spel kwamen te staan. Het strovuurtje tussen de twistbroeders Heinsbroek en Bomhof hoefde nauwelijks te worden aangewakkerd om de hele LPF in de opiniepeilingen weg te vagen en vervolgens “de stekker uit het stopcontact te trekken”.
Toch is met 'zwevende kiezers' in de orde van 40% van de kiesgerechtigden het leed niet geleden. Een nooit vertoond aantal 'burgers' ziet geen verschil meer tussen de partijen, is het vertrouwen in het politieke bedrijf kwijt, weet niet of het wel gaat stemmen en zo ja, waarop!
Na de schrik over de politieke steekvlam Pim Fortuyn en de verkiezingen van 15 mei doen de burgerlijke politici dan ook hun uiterste best om aan te tonen dat ze de kiezer weer “au serieux” nemen, en van links tot rechts houden ze een wedstrijd in wie het best “de erfenis van Fortuyn” in ere houdt, wie de 'vragen' die hij opwierp het beste verwoordt en daarvoor de betere 'antwoorden' te bieden heeft.
Wanneer dat in het geheel niets verandert voor de globale politiek van de bourgeoisie is het wel de presentatie die een ander tintje kreeg. Een 'rechtse' regering vormde een gelegenheid om ongekend harde maatregelen te nemen zonder dat daarbij het “sociale gezicht” van burgerlijk links direct in het geding kwam. Maar het dilemma dat zich stelde was dat tegelijkertijd het 'sociale gezicht' van links des te harder nodig was om de maatregelen door te drukken en voor te stellen als het “minste kwaad in moeilijke omstandigheden”.
Zelfs in de officiële ramingen komt het moment van economische herstel na de wereldwijde recessie steeds verder weg te liggen. Onafhankelijk van wie er in de regering zit zal de bourgeoisie keiharde maatregelen nemen.
Paars werd vooral gekenmerkt door het 'afschatten' en 'korten' van invaliden, door maatregelingen tegen vluchtelingen, door saneringen en fusies in gezondheidszorg en onderwijs, door gettovorming, verkrotting en criminalisering in de grote steden en het bedelven van de gezinnen onder enorme schuldenlasten (2).
In de herfst van 2002 maakte de nieuwe regering Balkenende onmiddellijk duidelijk dat daar bovenop aanzienlijke inkomensdalingen over een lengte van jaren op de dagorde stonden. Tegelijkertijd gaan de tarieven en eigen bijdragen voor allerlei vaste uitgaven omhoog, niet in de laatste plaats voor ziektekostenverzekeringen en pensioenen. Daarbij komt nog een hele stoet van hogere afdrachten en belastingen aan de lagere overheden.
De ontmanteling van het toch al kaalgeschoren stelsel van sociale uitkeringen wordt voortgezet met verdere loskoppeling van de lonen (3). Het verkrijgen of behouden van een uitkering wordt gebonden aan steeds meer voorwaarden en hatelijke sancties terwijl de uitkeringen richting fysiek bestaansminimum gaan. Voor de WAO ligt het invoeren van een drastische toetredingsstop in het verschiet (de beruchte referte eis van 3 jaar, de beperking van de definitie tot “meetbare beroepsziekten”). Tegelijkertijd dienen WAO ers tot op hogere leeftijd te solliciteren voor baantjes die doorgaans een inkomensdaling betekenen.
Bij overheid en bedrijfsleven blijven massale ontslagen op de agenda staan. In de eerste plaats slaat de recessie toe bij banken en verzekeringen en in de technologische spitssectoren. Van CMG, Cap Gemini, Getronics via IBM tot Pink Roccade en Worldcom voert een hele rij gerenommeerde namen in de ICT sector drastische ontslagen door. In de elektronica ontslaat ASM Lithography massaal; in de telecom sector bijt het in hoge schulden stekende KPN Telecom de spits af. Ook hightech laboratoria in Nederland, zoals van Lucent (Philips en AT&T) en Ericsson voor draadloze communicatie staan op de nominatie om te worden opgedoekt. Philips kondigt in volle verkiezingscampagne een nieuwe ronde van massale ontslagen aan, zowel in de productie als bij de ondersteunende stafdiensten. De gevolgen van de recessie beperken zich geenszins tot bijzonder risicodragende of conjunctuurgevoelige sectoren: ontslagdreiging en voort-durende reorganisaties zijn er ook bij de post, bij personen-vervoersbedrijven (Connexion, NS reizigers) en in de kunstvezels (AKZO Nobel; Accordis). De massale ontslagen zullen worden begeleid door ontslagpremies die voortaan in mindering worden gebracht op de uitkering.
Onder de noemer 'veiligheid' valt een hele reeks van repressiemaatregelen. Daarbij lost een “lik op stuk beleid” de “gedoogcultuur” af en krijgt de criminaliteit een huidskleur. De opheffing van het wettelijke briefgeheim, de permanente legitimatieplicht, de mogelijkheid van het fouilleren en controleren van ook onverdachte personen, ze staan allemaal op de agenda, net als de wettelijke invoering van minimumstraffen. In toenemende mate wordt een hele generatie van een brede laag van de bevolking de criminaliteit ingedreven en vervolgens worden er harde sancties gesteld op wetsovertreding. Kregen de immigranten van enkele tientallen jaren geleden nog de mogelijkheid te 'integreren', dat wil zeggen de kans uitgebuit te worden, en hun kinderen een minimum aan onderwijs, nu is uitzichtloosheid troef en worden de verschillende groepen paria's tegen elkaar opgestookt. Het probleem is niet dat “Nederland vol is”, maar dat op een verzadigde wereldmarkt met moordende concurrentie de uitbuiting, zelfs tegen heel lage lonen, niets meer rendeert en steeds meer mensen maatschappelijk worden uitgesloten.
Andermaal wordt de reactie daartegen weggeleid naar de stembus. Dit keer, krijgen we te horen, zou het stemrecht “meer verantwoordelijk” gebruikt moeten worden, waarbij de boodschap met betrekking tot het huidige beleid is: eigen schuld, dikke bult!
In afwezigheid van arbeidersstrijd keren al die maatregelen zich niet tegen de bourgeoisie maar dragen ze eerder bij tot het succes van de verkiezingen. Andermaal wordt er campagne gevoerd om de bevolking als geheel en vooral de arbeidersklasse wijs te maken dat zij het zijn die als 'burger' uitmaken wat er in Den Haag gebeurt. Meer dan ooit wordt de schijn gewekt dat de belangrijke beslissingen nog niet in achterkamertjes zijn genomen maar in het stemhokje vallen. Waaróp gestemd wordt is van een tweede orde, áls er maar gestemd wordt; als de geloofwaardigheid van de 'democratische' staatsinstellingen als “het minst slechte van alle systemen” maar wordt opgepoetst!
Zolang Paars nog te vers in het geheugen ligt kan de PvdA moeilijk in de regering terugkeren maar is een 'populaire' campagne van die kant al even onmogelijk. Groen Links, dat zich onder Rosenmöller naar het voorbeeld van Duitsland en België opmaakte voor een plaats in de regering kon de taak van oppositionele stemmentrekker, ondanks de wissel aan de top, ook moeilijk op zich nemen. Wat overbleef was noodgedwongen een links populisme dat tijdelijk de 'protestvlag' van Fortuyn overnam.
Vandaar de geweldige mediacampagne rond de SP waarbij de kop van Marijnissen niet meer van het beeldscherm was te branden. Bij tijdelijk gebrek aan beter werd het populisme van extreem rechts overgeheveld naar ultra links wat voor de bourgeoisie twee voordelen had: het linkse populisme liep geen risico in de regering te belanden en het kon op termijn enkel de positie van de meer 'verantwoordelijke' PvdA versterken.
De PvdA, met fundamenteel hetzelfde programma als onder Paars, past, in de woorden van oud minister Pronk, enkel haar “stijl en beeld” aan. Wouter Bos, het nieuwe uithangbord van de partij, wil “de fouten van zijn voorgangers vermijden” en “de mensen er van overtuigen dat de PvdA zijn les geleerd heeft”. Van arrogante regentenpartij gaat het naar een meer 'bescheiden' en 'volkse' partij; maar dat komt er enkel op neer dat de functies van partijleider en regeringsleider niet langer, zoals onder Kok, in één persoon verenigd blijven. Toen diezelfde Bos, een bewonderaar van Joop den Uijl, op 13 februari aan de tand werd gevoeld door Balkenende en VVD boegbeeld Zalm, maakte hij niet alleen duidelijk dat de oude garde niet weerkeert, maar ook dat de PvdA 'zich sterk maakt' voor algemene inkomensverlagingen en de oorlog tegen Irak.
Het vooruitzicht blijft een terugkeer van de PvdA in de regering, aansluitend bij de politiek in de ontwikkelde landen, zoals in Duitsland, België en Groot Brittannië. Maar de bourgeoisie in Nederland moet voor het moment wel opteren voor een centrum rechtse regering met een krappe parlementaire meerderheid zodat de PvdA nog verder haar wonden kan likken. Zij loopt echter het risico dat de PvdA, met een onverwachte sterke opkomst in de peilingen in de laatste weken voor de verkiezingen, voortijdig weer in de regering moet worden opgenomen en zichzelf dan opnieuw voor de voeten loopt. De PvdA moet dan ook haar best doen, zoals Jan Blokker het verwoordde, om een te grote verkiezingsoverwinning te vermijden (4).
Het gat in het politieke landschap van de bourgeoisie ontstond met de desillusie over eerst de PvdA onder Paars, vervolgens over het LPF avontuur. Dat gat werd in zes maanden opgevuld wat duidelijk maakt dat de bourgeoisie de globale controle over de gebeurtenissen niet verloor. Toch is het tijdperk 'Pim Fortuyn', een periode van politieke instabiliteit, niet voorbij. Van de arbeiders wordt, niet echt geloofwaardig, gevraagd vertrouwen te schenken aan een 'realistische' PvdA die nog niet kan regeren, die ook geen oppositie kan voeren, maar die het er alleen van moet hebben dat ze, anders dan CDA en VVD, geen populistische vrijerij achter de rug heeft.
Welke regeringsploeg er na 22 januari ook wordt gevormd, de marsroute van de aanvallen van de bourgeoisie wordt niet door de stembusuitslag bepaald, maar door de recessie en de krachtsverhouding tussen de klassen. In grote lijnen is de koers vastgelegd in “het strategisch akkoord” van het kabinet Balkenende. De rol van de PvdA zal er, in de regering of in de oppositie, vooral uit bestaan om die aanvallen, die harder dan ooit zullen zijn, aan de bevolking te verkopen.
De arbeidersklasse heeft niets te winnen bij het verkiezingscircus. Het moet de strijd aangaan voor de verdediging van haar levensomstandigheden, op haar eigen klassenterrein. Daarvoor is een geweldige inspanning nodig om weer richting te vinden en vooral het vertrouwen in eigen kracht terug te winnen en de verontwaardiging om te zetten in gezamenlijke strijdbaarheid.
T&M / 16.01.2003
(1) Zie Nederland: De democratische campagnes maken nog meer aanvallen op de arbeidersklasse mogelijk, in Internationalisme, nr. 286, 3 juni 2002.
(2) Zie Ongekende aanvallen onder democratische voorwendsels, in Wereldrevolutie, nr. 97, najaar 2002.
(3) Kok gaf bij het aantreden van zijn eerste kabinet in 1994 al te kennen dat de achterstand die de uitkeringen vanaf begin jaren 1980 hadden opgelopen ten opzichte van de loonontwikkeling nooit meer zal worden ingelopen.
(4) De Volkskrant, 13 februari 2002. Na de vorige verkiezingen werd de PvdA door veel mensen helemaal afgeschreven; we noteerden toen: “de bourgeoisie gooit geen werktuigen weg die al een eeuw het nut van hun diensten hebben bewezen”, in Internationalisme, nr. 286, 3 juni 2002.
De aanwezigheid van extreem rechtse groeperingen in de anti-globaliseringsbeweging en het openlijke nationalisme van ultra-links daarin vormde voor De Fabel van de illegaal uit Leiden aanleiding om de kwestie van het nationalisme binnen een veel breder kader te plaatsen (1). Er bestond een tendens om afstand te nemen van het blinde activisme in een poging dat probleem uit te diepen. In de loop van het jaar 2000 probeerden we een debat met de medewerkers aan te gaan.
De internationalistische standpunten die wij verdedigen en de historische achtergrond daarvan wekten de interesse van sommige medewerkers, waarbij enkelen van hen zich erover verbaasden dat er al heel lang gedacht en gestreden was in richtingen die ook zijzelf leken in te slaan en dat ze blijkbaar niet alleen stonden. We drongen er dan ook vooral op aan verder te zoeken naar zowel een historische als collectief kader om dat debat te verdiepen en in onze pers en correspondentie hebben we geprobeerd daaraan bij te dragen.
Onze stelling was dat standpunten alleen ontwikkeld kunnen worden door bewust aan te sluiten bij de historische ervaring en het internationale debat daarover, en we legden er de nadruk op dat een activistische houding onvermijdelijk leidt tot kortzichtigheid.
Zoals blijkt uit onderstaande brief wijst De Fabel verdere discussie af. Geen woord meer over het gemeenschappelijke uitgangspunt, de afwijzing van nationalisme, terwijl de aanvankelijke breuk met de anti-globaliseringsbeweging wordt weggepoetst als louter “afstand nemen”. Daarmee verstrikken de medewerkers van De Fabel zich in de tegenspraken van de groep. De naderende oorlog in Irak stelt echter de keuze: proletarisch internationalisme of inschakeling in het kamp van één van de strijdende partijen.
Leiden, 29 oktober 2002
Beste mensen van de IKS,
Enkele jaren geleden zochten jullie contact met ons, omdat wij afstand namen van de gangbare analyses binnen de zogeheten anti-globaliseringsbeweging. We besloten tijdelijk op jullie uitnodigingen in te gaan, om jullie beter te leren kennen en wie weet wat er zich zou kunnen ontwikkelen. We waren ons er vanaf het begin af aan wel erg bewust van dat er fundamentele ideologische verschillen zijn tussen jullie en onze analyses. Volgens de IKS is er een enkele wereldwijde hoofdtegenstelling tussen bourgeoisie en arbeidersklasse. De strijd tussen kapitalisten-klasse en arbeidersklasse zou daarbij de allesbepalende motoriek van de gesciedenis zijn en zou uiteindelijk de hele gang van zaken in de wereld verklaren. Voor ons is dat een onbevredigende analyse met allerlei theoretische tekortkomingen en blinde vlekken. Zelf gaan wij uit van een analyse waar naast kapitalistische verhoudingen ook de racistische en patriarchale machtsverhoudingen een centrale rol spelen. In gesprekken en schriftelijke uitwisselingen met jullie hebben we dat steeds geprobeerd te benadrukken. Maar van een echte discussie, met wederzijdse openheid, is helaas nooit sprake geweest. Jullie redeneren vanuit een gesloten wereldbeeld en lijken er enkel en alleen, heel paternalistisch, op uit om jullie analyse aan ons uit te leggen. Zo zijn jullie bijvoorbeeld nooit werkelijk in gegaan op onze brief, waarin we pleiten voor het integreren van anti-racisme en anti-patriarchale analyses in jullie vertoog. En dat is uiteindelijk toch ook onze belangrijkste aanbeveling aan de anti-globaliseringsbeweging.
Ook jullie brief van 6 juli was weer een toonbeeld van zulk paternalisme. Jullie stellen je op als schoolmeesters die onze ontwikkeling willen sturen en beoordelen. Om jullie eens te laten merken hoe dat overkomt, zullen we de zaken eens omdraaien en zullen we jullie ontwikkeling eens beoordelen. Dat zou als volgt kunnen gaan: We hebben jullie inmiddels al een aantal keer uitgelegd hoe jullie verder zouden kunnen komen in jullie analyses, maar de laatste tijd lijkt het er helaas toch op dat jullie zijn blijven stilstaan. Het zag er twee jaar geleden nog zo veel belovend uit vanwege de stappen die jullie toen gezet hebben. Toen zochten jullie contact met critici rond de anti-globaliseringsbeweging, en leken een eerste stap te maken uit jullie uiterst eenzijdige anti-kapitalistische vertoog in de richting van een meer dimensionale analyse van de wereldproblemen. Het leek erop dat jullie een zoektocht waren begonnen naar de dieperliggende oorzaken van de huidige crisis. Maar helaas, nu ziet het er naar uit dat jullie je weer terugtrekken in de achterhaalde en eenzijdige anti-kapitalistische studeerkameranalyses die links al zo lang parten spelen. Al jullie bijdragen aan lopende linkse discussies zijn volledig voorspelbaar gebleven: alle problemen zouden sowieso altijd op “het kapitalisme in verval” terug te voeren zijn. Over de belangrijke invloeden van het patriarchaat, racisme en antisemitisme, met elk hun eigen dynamiek, reppen jullie met geen woord. Kortom, jullie zijn in de anti-kapitalisme val gelopen, of beter gezegd: vast blijven zitten. Wij menen dat het van belang is om helder en duidelijk te zijn over anti-racisme en anti-seksisme zodat jullie niet meegesleurd worden in de vloed van autoritair communistische en eenzijdig anti-kapitalistische propaganda die de anti-globaliseringsbeweging de laatste jaren is gaan domineren en die de stappen die jullie twee jaar geleden gezet hebben zouden teniet doen.
Om deze redenen heeft voor ons de discussie met jullie geen zin meer. Hierbij maken wij er van onze kant dus een einde aan. We gaan dus ook niet meer reageren op de artikelen in jullie kranten.
Met vriendelijke groet,
De Fabel van de illegaal
Het is mogelijk een debat uit de weg te gaan, maar niet om de feiten te ontlopen. In het artikel Niet meer thuis op anti-oorlogsdemonstraties lezen we over de demonstratie van 26 oktober 2002: “Onder de duizenden betogers bevonden zich helaas ook heel wat Arabische nationalisten, autoritaire communisten, libertariërs, antisemieten, anti-Amerikanisten en zelfs neo-Nazi's. [...] De Fabel van de Ilegaal voelt zich in ieder geval steeds minder thuis op dit soort demonstraties” en: “Kortom, het gaat om een complexe kwestie. De Fabel weet daar ook niet direct een antwoord voor. [...] Om daar uit te komen moet er van onderop een alternatief standpunt over oorlog ontwikkeld worden.” (2).
Eerlijk is dat in ieder geval, maar de oplossing ligt zeker niet in het zich afsluiten van debat en het zich verliezen in blind activisme. Want ondanks alle mooie woorden dreigen de medewerkers van De Fabel toch te worden meegezogen in de oorlogshetze. Zo lezen we over de Tweede Wereldoorlog: “Weliswaar hadden de geallieerden veeleer imperialistische dan anti-fascistische bedoelingen bij de Tweede Wereldoorlog, maar het resultaat was voor veel mensen toch een enorme kwalitatieve vooruitgang: burgerlijke democratieën in plaats van nationaal socialisme. Hoewel De Fabel dus in principe tegen elke oorlog en tegen het militarisme is, kan het niet ontkend worden dat oorlogen soms onbedoeld wel goede gevolgen kunnen hebben. In kringen van Iraakse vluchtelingen, ook communistische die niets van de VS moeten hebben, wordt het via de oorlog verdrijven van Hoessein soms nog als enige kans gezien om in Irak mogelijk weer wat op te bouwen.”
Het anti-nationalisme van De Fabel gaat hier voluit op de knieën voor het ‘mindere kwaad’ van een ‘democratisch’ nationalisme. Is het zo moeilijk in te zien dat het ‘anti-fascisme’ niets anders was dan de ideologische dekmantel van het Amerikaanse imperialisme (3)? Het ‘theoretische’ anti-nationalisme van De Fabel dreigt hier om te slaan in een praktische stellingname voor een oorlog in Irak die, weliswaar “onbedoeld”, toch nog een weldaad zou kunnen zijn, zoal niet voor de mensheid als geheel, dan toch in ieder geval voor de overlevenden in Irak!
In een ander artikel in hetzelfde blad wordt er verzekerd: “We zullen het er snel over eens zijn dat de huidige politiek van Israël volop bediscussieerd mag worden.” Vanwaar deze “snelle” beperking van “de discussie” tot louter de “huidige politiek van Israël” en ten koste van een principieel debat over nationalisme in het algemeen? Het antisemitisme vormt net zo min een rechtvaardiging voor het zionisme als dat de daden van Palestijnse terroristen kunnen worden goedgepraat met de misdaden van de Israëlische staat. Vanwaar die eenzijdige terughoudendheid in de veroordeling van het zionisme en de Israëlische staatsterreur (4)?
Voor het wereldproletariaat maakt het geen enkel verschil hoe de kapitalistische staat zich noemt waardoor het wordt uitgebuit. Het heeft geen enkel belang bij welk racisme of nationalisme dan ook. Internationalisten klagen alle imperialistische kampen in gelijke mate aan en roepen het wereldproletariaat op de strijd te ontwikkelen die een einde kan maken aan de barbarij. De strijdbaarheid van het wereldproletariaat beëindigde in 1918 de Eerste Wereldoorlog; voorkwam dat er een Derde Wereldoorlog uitbrak tussen de Amerikaanse en Russische blokken; en ook nu vormt het de enige rem op de imperialistische bloedorgieën.
Wanneer onze “eenzijdige propaganda” als “anti-kapitalistisch” wordt aangemerkt is onze ongetwijfeld onbeholpen uitleg toch nog enigszins begrepen. In de propaganda van De Fabel wordt echter nooit gesproken over het wezen van het kapitalisme, nooit over de loonarbeid waaraan de overgrote meerderheid van de bevolking van de kapitalistische centra onderworpen is. De ‘propaganda’ richt zich “tweezijdig” tegen racisme en patriarchalisme en nulzijdig tegen de kapitalistische uitbuiting. Toch ligt het bestaan van een klassenmaatschappij juist ten grondslag aan zowel de geïnstitutionaliseerde xenofobie als aan het imperialisme.
Zoals we eerder lieten zien stelt De Fabel kapitalistische, racistische en patriarchale verhoudingen voor als drie naast en onafhankelijk van elkaar bestaande verhoudingen die bijgevolg elk op zich, los van de anderen, bevochten zouden kunnen worden. Maar het is pas in en door de strijd van de arbeidersklasse, als uitgebuite en revolutionaire klasse, dat er een eind kan worden gemaakt aan alle klassenheerschappij, en alleen in die strijd kan ook worden afgerekend met xenofobie omdat het regelrecht ingaat tegen de behoeften en noodzakelijkheden ervan. De klassenstrijd is het beste medicijn tegen de xenofobische koorts.
Omdat De Fabel zich nooit op de arbeidersklasse beroept heeft het ook geen enkel kader om de problemen concreet te stellen en blijft alles steken in abstracte morele verontwaardiging vol van innerlijke tegenspraken. Het resultaat is dat nóch racisme, nóch patriarchalisme, nóch kapitalisme daadwerkelijk worden bevochten en dat eerder het één wordt toegedekt onder het mom van het ándere te bestrijden. Een debat over bijvoorbeeld xenofobie kan niet blijven steken in eindeloos herhaalde slogans waarmee de xenofobie niet uit de kolommen van De Fabel wordt geweerd.
De irrationele angst in De Fabel voor de arbeidersklasse komt tot uiting in de volgende redenering: “Sommige linkse activisten richten zich uiteindelijk tegen het kapitalisme. Wanneer het kapitalisme overwonnen is, verdwijnen vanzelf ook de patriarchale verhoudingen. De geschiedenis leert dat dit een sprookje is.” (5). Heel het argument komt voort uit het trauma van het voormalige, zogenaamd socialistische Oostblok en China. Wanneer medewerkers van De Fabel een paar mythes doorzien dan geloven ze nog altijd in de meest fundamentele en verwarren ze de revolutionaire strijd van 1917 met de stalinistische contra-revolutie.
De ineenstorting van het stalinistische Oostblok in 1989 leidde tot grote verwarring. De bourgeoisie kon oorverdovende campagnes voeren over de dood van het kommunisme, het bankroet van het marxisme en het verdwijnen van de arbeidersklasse. Het resultaat was de groei van een activisme langs populistische lijnen, zoals de anti-globaliseringsbeweging, en de ontwikkeling van anarchistische trends zonder enig klassenperspectief. Daarbinnen bestaat er uiteindelijk geen andere keuze dan die ten gunste van het ene of andere imperialisme omdat de enige sociale kracht die een alternatief kan bieden wordt gewantrouwd.
De breuk met de anti-globaliseringsbeweging was misschien moedig maar zeker niet grondig genoeg om onder druk van de gebeurtenissen stand te kunnen houden. De gigantische mediacampagnes tegen ‘links extremisme’ rond de moord op Pim Fortuyn en de aanslag door een paar neo-nazi's op het gebouw van De Fabel hebben bijvoorbeeld zeker bijgedragen tot de terugslag; er is veel politieke standvastigheid nodig om te midden van zoveel ideologisch en fysiek geweld niet een moment terug te deinzen. Daarom betreuren we het des te meer dat De Fabel niet inging op onze uitnodiging om daarover te debatteren (6).
Het activisme van De Fabel staat er borg voor dat de groep telkens weer wordt meegesleept in de politieke hoofdstroom van burgerlijk links. Het begin van een fundamentele en strijdbare kritiek van het linkse nationalisme raakt zo in het defensief tegenover de tendens om zich te gaan specialiseren in het doen van nederige “aanbevelingen” met betrekking tot racisme en patriarchalisme aan de anti-globaliseringsbeweging. Het ‘anti-kapitalisme’ raakt daarbij helemaal uit het zicht. Het nationalisme wordt dan vooral weer aangevallen in zijn ‘rechtse’ vorm onder vergoeilijking van het nationalisme van links (7). Wat daar achter op de loer ligt is de sluimerende tendens tot rechtvaardiging van het Amerikaanse en Israëlische imperialisme. De innerlijke tegenspraken van de groep dreigen zo aan de oppervlakte te komen, en dát moet het zijn wat De Fabel, in een poging de medewerkers ten koste van het debat bijeen te houden, héél discreet een “open wereldbeeld” noemt.
Achterop het blad vinden we: “Wij streven naar een vrij socialistische en feministische samenleving, zonder racisme, nationalisme of fascisme. Dat kan alleen via een fundamentele omwenteling van de sociale en bezitsverhoudingen op wereldschaal. Internationale solidariteit staat daarom centraal.” Maar in mei 2000 gaf De Fabel te kennen: “De Fabel van de illegaal is een basisgroep die bestaat uit zowel anarchistische als andere radicaal linkse mensen. Onze gemeenschappelijke basis vinden wij dan ook niet in één uitgewerkte ideologie, zoals bijvoorbeeld het anarchisme, maar in onze gezamenlijke afkeer van kapitalisme, patriarchaat, racisme en nationalisme.”
Wat de groep vooral verenigt is activisme, de wil om “iets te doen”, “uit afkeer”, zonder goed te weten wat of waarvoor. Ook zijn er medewerkers die het debat willen uitdiepen, maar zonder goed te weten hoe of in welke richting. Enerzijds moet de ervaring dienen als discussiemateriaal, anderzijds kan het debat richting geven aan de actie. Maar de dynamiek van het geheel kan niet komen uit beperkte, plaatselijke actie, niet uit wat De Fabel “van onderop” noemt, niet uit een poging het wiel opnieuw uit te vinden. Wat nodig is, dat is vooral de aansluiting bij heel de historische ervaring en openheid voor een debat dat internationaal wordt gevoerd, en dat veronderstelt een breuk met het blinde activisme.
Er is een zo breed mogelijke discussie nodig waarin verschillende standpunten kunnen worden ontwikkeld. Maar alles wat zweemt naar samenhang en duidelijkheid wordt kennelijk opgevat als uiting van dogmatisme en intolerantie. Er wordt de voorkeur gegeven aan het scheppen van een beschermd milieu waarin onsamenhangende standpunten vrij naar voren kunnen worden gebracht zonder dat er kritiek op mag worden uitgeoefend. Discussie is zo niets anders dan vrijblijvende uitwisseling van individuele ‘meningen’ in plaats van het zoeken naar gezamenlijke verheldering in een openbaar debat. In een confrontatie van verschillende standpunten voelen sommige medewerkers zich duidelijk nog minder “thuis” dan op zogenaamde vredesdemonstraties waar nationalisten van links en rechts de grote trom van de haat kunnen slaan (8).
Wanneer met ons “gesloten wereldbeeld” wordt bedoeld dat wij als politieke organisatie een samenhangend geheel van standpunten hebben dat we standvastig proberen te verdedigen bedanken we voor het compliment. Wanneer er echter wordt bedoeld dat voor ons alles vooraf vast ligt is het een schromelijke vergissing. Het marxisme maar moet zijn juistheid bewijzen in confrontatie met de werkelijkheid en in voortdurend debat.
De naderende oorlog in Irak zal een zware beproeving vormen voor het tere anti-nationalisme. We roepen dan ook op tot een nieuw, breed en principieel debat in open geest.
Manus / 08.01.2002
(1) Zie Brochure over het Baskische vraagstuk: Een gezonde reactie op het nationalistische gif in Wereldrevolutie, nr. 92 en Internationalisme, nr. 270, Briefwisseling: Het nationalisme kan niet meer bijdragen aan de sociale vooruitgang in Internationalisme, nr. 274 en Attac: De Fabel van de illegaal geeft toe aan burgerlijk links nationalisme in Wereldrevolutie, nr. 96.
(2) De Fabel van de illegaal, nr. 56, januari-februari 2002.
(3) Nadat het Duitse proletariaat eerst ideologisch en vervolgens ook fysiek was verslagen kon het in gijzeling worden genomen door de Nazi’s. Daarna werd het gedecimeerd door de Brits-Amerikaanse bombardementen en het Russische leger. Vervolgens diende het dankbaar te zijn voor de stembus en de rol die het werd toebedacht als kanonnenvoer in de voorpost aan de twee zijden van de Koude Oorlog, terwijl het natuurlijk ook nog opdraaide voor de wederopbouw.
(4) Men vergelijke dat met de lekkere generalisatie die Pim Fortuyn niet mistaan zou hebben en die er zonder enig commentaar in nr. 56 tegenaan wordt gegooid: “De zogenaamd vrome mannen met baarden die iedere dag naar de moskee gaan en roepen dat homoseksualiteit duivels is, staan op de Zeedijk als eersten in de rij om een nummertje te maken bij de hoeren.” Wat hier door het flinterdunne anti-nationalisme breekt is een mooi staaltje van xenofobie achter anti-seksistisch vijgenblad. “De strijd van de Palestijnen voor gelijke rechten is niet gebaat bij het aanleunen tegen ranzige antisemitische publicaties”. Welke strijd van Palestijnen, wat voor gelijke rechten? Worden hier soms de corrupte kliek van Arafat en de terroristische Hamas en andere Islam-fundamentalisten, deze kampioenen van de ‘gelijke rechten’, vriendelijk verzocht om hun antisemitisme achterwege te laten? En als ze daar niet op ingaan, is dat dan een reden om de Israëlische staatsterreur toe te juichen?
(5) De Fabel van de illegaal, nr. 38/39, 2000; zie vooral Patriarchaat en klassenmaatschappij in Internationalisme, nr. 275, en De arbeidersbeweging en het vraagstuk van de onderdrukking van de vrouw in Internationalisme, nr. 289; dat waren antwoorden op de enige serieuze discussiebijdrage van De Fabel.
(6) In de gewraakte brief van 6 juli 2002 schreven we: “Het lijkt ons daarom een beetje vreemd dat jullie stilstaan na de stap die gezet was en jullie terugtrekken in het activisme en dat terwijl jullie standpunten zowat twee jaar geleden heel wat discussie hebben opengegooid. Wij betreuren dat omdat jullie bijdrage in het debat al bewezen had dat het mensen kon aanspreken die naar dieper liggende oorzaken van de huidige crisis en haar gevolgen wilden zoeken.”
(7) Zo snelt De Fabel van de illegaal in nr. 56 de Filippijnse stalinist Sison, die dissidente partijleden met executie bedreigt, te hulp. SP, SAP en IS worden bekritiseerd, terwijl niet met name genoemde loten van dezelfde stam, “meer democratische communisten”, milder worden beoordeeld, “Kritiek op Hoessein kwam er helaas ook uit die hoek nauwelijks.”
(8) We hebben talrijke discussies gevoerd met medewerkers van De Fabel en de reacties van de groep in onze pers geplaatst alvorens er op te antwoorden. In De Fabel van de illegaal verscheen in het geheel niets, het debat werd doodgezwegen, en zelfs de parodie van onze standpunten is niet afgedrukt. Terwijl de gezamenlijke basis voor discussie, afwijzing van het nationalisme, ongenoemd blijft, wordt er plotseling voorafgaande overeenstemming geëist op andere punten die nu juist níet als gemeenschappelijk uitgangspunt van debat kunnen dienen.
Tegenover de wil van de Verenigde Staten om hun wereldoverheersing andermaal te bevestigen horen we stemmen opgaan in alle rivaliserende staten van regeringen die het Amerikaans ‘imperialisme’ aanklagen als een factor van oorlog en destabilisatie. De voormalige bondgenoten van de Verenigde Staten zien geen reden meer om zich te onderwerpen aan de Amerikaanse voogdij sinds de ineenstorting van het Oostblok en de verdwijning van de gemeenschappelijk vijand. Deze rivalen maken gebruik van het feit om de Verenigde Staten, die als hoofd van het westers blok hebben deelgenomen aan het merendeel van de oorlogen sinds 1945 en die zich momenteel vastbesloten tonen om hun leiderschap en de wereldorde die in hun voordeel georganiseerd is, te verdedigen, te doen doorgaan voor de enige imperialistische staat. Dit idee dat enkel de machtigste staat van de planeet imperialistisch zou zijn, vormen slechts voor de smaak van de dag opgewarmde prakken van de stalinistische ideologie van de koude oorlog en de propaganda van het Russische blok tijdens de botsing tussen de blokken. Trotskisten, anarchisten en maoïsten hebben ruimschoots bijgedragen tot het voeden van deze mythe sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog via het steunen van de zogenaamde bevrijdingsbewegingen. Sinds de ineenstorting van de Sovjet-Unie, is dit begrip niet verdwenen maar heeft het zich ruim verspreid op een bredere grond van anti-Amerikanisme in de officiële propaganda van de meeste staten.
Sinds de intrede van het kapitalistisch systeem in zijn vervalperiode, vormen het militarisme en de oorlog een fundamenteel gegeven in het leven van het kapitalisme. Sedert de wereldmarkt gevormd werd in het begin van de twintigste eeuw en verdeeld werd in handels- en invloedszones tussen de ontwikkelde kapitalistische staten, heeft de verheviging en de ontketening van de wedijver tussen de naties die er het gevolg van was, geleid tot de verscherping van de militaire spanningen, tot de ongekende ontwikkeling van bewapening en de groeiende onderwerping van het geheel van het economisch en sociaal leven aan de militaire dwang van de permanente oorlogsvoorbereiding.
Rosa Luxemburg heeft brandhout gemaakt van de basis van de misleiding die maakt dat een staat, of een bepaalde groep staten, die beschikken over een zekere militaire macht, de enige veroorzakers zouden zijn van de oorlogsbarbarij. Ook al beschikken alle staten niet over dezelfde middelen, dan voeren ze toch allemaal dezelfde politiek. Ook al kunnen de ambities tot wereldoverheersing slechts ontluiken bij de machtigste staten, dan is het niet minder waar dat de kleinere met dezelfde imperialistische honger behept zijn. Net zoals in het maffiamilieu waar enkel de grote peetvader de hele stad kan overheersen terwijl de pooier van de wijk slechts heerst over één enkele straat. Hun aspiraties en methodes verschillen dus in niets van die van de gangsters. Daardoor komt het dat alle kleine staten zoveel energie besteden als de anderen aan hun ambitie om een grotere natie te worden ten koste van hun buren.
Daarom is het ook onmogelijk om een onderscheid te maken tussen de onderdrukkende en de onderdrukte staten. In de krachtsverhouding die zich opdringt tussen de verschillende imperialistische haaien, zijn zij inderdaad allemaal concurrenten in de wereldarena. De burgerlijke mythe van de aanvallende staat of van het ‘agressieve blok’ dat met militarisme beheptis, dient enkel ter rechtvaardiging van de ‘defensieve’ oorlog. De stigmatisatie van het agressiefste imperialisme komt slechts neer op de propaganda van elke tegenstander om de bevolkingen te kadreren in de oorlog.
Het militarisme en de het imperialisme vormen de steeds openlijkere uitingen van de intrede van het kapitalistisch systeem in zijn vervalperiode, zodanig dat ze van bij het begin van de twintigste eeuw de oorzaak zijn van een debat tussen de revolutionairen.
Na de periode van oorlogen voor de vorming van de nationale eenheid van de burgerlijke staten, en tegenover de groeiende stijging van de tegenstellingen tussen de kapitalistische grootmachten en de vorming van militaire bondgenootschappen in Europa die zouden leiden tot de ‘gewapende vrede’ vóór 1914, voorzag Engels vanaf 1887 een oorlog van nieuwe omvang: “Het zou een wereldoorlog zijn van een ongekende omvang en kracht. Acht tot tien miljoenen soldaten zouden elkaar doden [...]. In de tijd van drie tot vier jaar zou dat kunnen leiden tot een verwoesting zo groot als die van de Dertigjarige Oorlog en uitgedeind over een heel continent, met honger, epidemieën, terugkeer tot de staat van wildheid, zowel van de troepen als van de volksmassa’s, als gevolg van een diepe ellende [...]”.
Omtrent het verschijnsel van het imperialisme zijn er verschillende theorieën ontwikkeld door de arbeidersbeweging om dit uit te leggen, voornamelijk door Lenin en Rosa Luxemburg. Hun analyses zijn gesmeed aan de vooravond en tijdens de Eerste Wereldoorlog tegen de visie van Kautsky die van het imperialisme één van de andere mogelijke opties maakte voor de kapitalistische staten en dat zou kunnen uitmonden in een “fase van superimperialisme, van eenheid en niet van strijd tussen de wereldimperialismes, een fase waarin de oorlogen zouden gestaakt worden onder kapitalistisch regime, een gemeenschappelijke uitbuitingsfase van de hele wereld door het financiëel kapitaal verenigd op wereldschaal” (2).
De theorieën hebben gemeenschappelijk dat ze het imperialisme niet alleen beschouwen als een product van de tegenstellingen van het kapitalisme maar als een noodzaak die inherent is aan de wetten van het kapitalistisch systeem dat een specifieke fase bereikt heeft in zijn evolutie : zijn eindfase. Ze definiëren het wezenlijk als concurrentieverhoudingen tussen de kapitalistische staten, eerst economisch, en vervolgens militair.
De theorie van Lenin was van bijzonder belang want ze maakte het hem enerzijds mogelijk om tijdens het eerste wereldconflict een strikt internationalisme te verdedigen dat vervolgens het officiële standpunt werd van de Kommunistische Internationale in verband met het nationaliteitenvraagstuk en dat van de kolonies. Nochtans benadert Lenin het vraagstuk van het imperialisme vooral vanuit een beschrijvend gezichtspunt zonder er in te slagen de oorsprong van de imperialistische expansie duidelijk te verklaren. Voor hem is het in wezen een beweging uitgaande van de ontwikkelde landen dat als voornaamste kenmerk heeft van in de kolonies het kapitaal van de metropolen ‘in overvloed’ is uit te baten om ‘superwinsten’ te verkrijgen door te profiteren van een arbeidskracht die minder duur is en van de overvloedig aanwezige grondstoffen.
In deze opvatting worden de kapitalistische landen parasieten van de kolonies ; het verkrijgen van ‘superwinsten’, die onmisbaar zijn voor hun overleving, verklaart de botsing op wereldvlak omwille van het behoud of de verovering van kolonies. Ze heeft tot gevolg dat de wereld opgedeeld wordt in onderdrukkende naties, imperialistische enerzijds en onderdrukte naties in de kolonies anderzijds. “Het aandringen van Lenin op het feit dat de koloniale bezittingen een ander kenmerk zouden dragen en zelfs onmisbaar zouden zijn voor het imperialisme heeft de tand des tijds niet doorstaan. Ondanks het vooruitzicht dat het verlies van de kolonies, gedreven door de nationale opstanden in deze regio’s, het kapitalistische systeem tot op zijn grondvesten zou doen daveren, heeft het imperialisme zich gemakkelijk helemaal aangepast aan de ‘dekolonisatie’. De dekolonisatie [na 1945] heeft alleen maar de neergang bevestigd van de oude imperialistische grootmachten en de triomf verzekerd van de imperialistische reuzen die niet werden gehinderd door een groot aantal kolonies op het moment van de Eerste Wereldoorlog. Zo konden de Verenigde Staten en de USSR een cynische ‘anti-koloniale’ politiek ontwikkelen om hun eigen imperialistische doelstellingen te realiseren. Steunend op de nationale bewegingen konden zij deze onmiddellijk omvormen in inter-imperialistische oorlogen via de ‘volkeren’ die er tussen gekneld werden” (3).
Vertrekkend van de analyse van het geheel van de historische periode en de kapitalistische evolutie als globaal systeem, kwam Rosa Luxemburg tot een veel completer en dieper begrip van het verschijnsel van het imperialisme. Zij heeft aangetoond dat de historische basis van het imperialisme ligt in de tegenstellingen zelf van het kapitalistisch systeem. Terwijl Lenin zich blindstaarde op het constateren van het verschijnsel van de uitbuiting van de kolonies, analyseert Rosa Luxemburg dat de koloniale veroveringen die constant vergezeld gaan van de kapitalistische ontwikkeling die zich laaft aan de onverzadigbare nood aan kapitalistische expansie en dat via het doordringen tot nieuwe markten, de invoering betekende van de kapitalistische verhoudingen in die geografische zones waar tot dn toe nog niet bestonden: “De accumulatie is onmogelijk in een uitsluitend kapitalistisch milieu. Daaruit vloeit van bij het ontstaan van het kapitaal de nood aan expansie voort in het land en bij de niet-uitbuitende lagen, het bankroet van de ambacht en het boerenbedrijf, de proletarisering van de middenlagen, de koloniale politiek (de politiek van het ‘openen’ van de markten), de kapitaalexport. Het bestaan en de ontwikkeling van het kapitalisme vanaf zijn ontstaan is slechts mogelijk geweest door een constante expansie op het gebied van de productie en van nieuwe landen” (4).
Zo werd het imperialisme geboren uit de tegenstellingen van het kapitaal in het laatste kwart van de negentiende eeuw, van zodra de kapitalistische verhoudingen veralgemeend waren in de oorspronkelijke kapitalistische landen. “Het kapitalisme dat ongevoelig en koortsachtig op zoek is naar grondstoffen en kopers die zelf geen kapitalisten zijn, noch loontrekkenden, vloog vooruit, de koloniale bevolkingen decimerend en uitmoordend. Dat was het tijdperk van het binnendringen en het uitbreiden van Engeland in Egypte, van Frankrijk in Marokko, Tunis en Tonkin, van Italië in Oost-Afrika, aan de grenzen met Abessinië, van tsaristisch Rusland in Centraal-Azië en in Mandchoerije, van Duitsland in Afrika en Azië, van de Verenigde Staten in de Filippijnen en Cuba, en tenslotte van Japan op het Aziatisch continent” (5).
Maar deze evolutie sluit het kapitalisme op in een fundamentele tegenstelling: hoe meer de kapitalistische productie zijn invloed uitbreidt over de wereld, hoe enger de grenzen worden van de markt die geschapen is voor de ongebreidelde zoektocht naar de winst, met betrekking tot de kapitalistische expansie. Buiten de concurrentie omwille van de kolonies identificeert Rosa Luxemburg een keerpunt in het leven van het kapitalisme namelijk de verzadiging van de wereldmarkt en het inkrimpen van de niet-kapitalistische afzetmarkten: het bankroet en de historische impasse van dit systeem dat “zijn functie van historische hefboom van de ontwikkeling van de productiekrachten niet meer kan ontwikkelen” (4) wat in de uiteindelijke analyse meteen de oorzaak aanwijst van de oorlogen die sedertdien de levenswijze van het kapitalisme in verval kenmerken.
Eenmaal de limieten bereikt zijn van de wereld door de kapitalistische markt, zet de inkrimping van de solvabele markt en van de nieuwe markten de permanente crisis in van het kapitalistisch systeem, terwijl de noodzaak aan expansie van levensbelang blijft voor elke staat. Voortaan zal deze expansie enkel nog gaan ten koste van de andere staten in een strijd om de herverdeling van de wereldmarkt.
“In het bloeitijdperk van het kapitalisme waren de oorlogen (nationale, koloniale en imperialistische veroveringen) de uitdrukking van de stijgende voortgang, van de gisting, van de uitbreiding en de expansie vaan het kapitalistische economische systeem. De kapitalistische productie vond in de oorlog de voortzetting van zijn economische politiek met andere middelen. Elke oorlog werd gerechtvaardigd en droeg vruchten omdat hij een nieuw veld opende van nog grotere expansie, die de ontwikkeling van een grotere kapitalistische productie verzekerde. [...] De oorlog was een onmisbaar middel dat voor het kapitalisme de mogelijkheden opende voor latere ontwikkelingen in het tijdperk waarin die mogelijkheden bestonden en slechts met geweld opengebroken konden worden” (6).
Voortaan “wordt de oorlog het enige middel, niet voor de oplossing van de internationale crisis, maar het enige middel waarmee elk nationaal kapitaal probeert te ontsnappen aan de moeilijkheden waarin het gevangen zit, ten koste van de imperialistische rivaliserende staten” (6). Deze nieuwe historische toestand dringt in alle landen de ontwikkeling van het staatskapitalisme op.
Elk nationaal dat zich beroofd ziet van de bases voor een krachtige ontwikkeling, wordt veroordeeld tot imperialistische wedijver en vindt in de staat de enige structuur die sterk genoeg is om heel de maatschappij te mobiliseren met het oog op het aanvallen van zijn economische rivalen op het militair vlak.
De functie van het staatskapitalisme is dus, onder andere, het vasthouden in een stalen korset van cohesie van de maatschappij die dreigt uit elkaar te vallen door de verloedering van haar economische fundamenten, en het op getouw zetten van de onmisbare militaire macht ter verdediging van zijn belangen in de wereldarena.
“De permanente crisis stelt de onafwendbaarheid, de onvermijdelijkheid, van het regelen van de imperialistische geschillen door de gewapende strijd. De oorlog en oorlogsdreiging zijn latente of manifeste aspecten van een permanente oorlogstoestand in de maatschappij. De moderne oorlog is een totale oorlog. Met het oog op de oorlog is een monsterachtige mobilisatie nodig van alle technische en economische bronnen van het land nodig. De oorlogsproductie wordt aldus de industriële spil van de productie en tot het belangrijkste economische werkvlak van de maatschappij” (6). Dat is de reden waarom de technische vooruitgang volledig bepaald wordt door het militaire: de luchtvaart wordt eerst militair ontwikkeld tijdens de Eerste Wereldoorlog, de atoomkracht als bom in 1945, de informatica en Internet werden door de NAVO opgevat als militaire hulpmiddelen. Het gewicht van de militaire sector in alle landen slorpt alle levende krachten van de nationale economie op, met het oog op het ontwikkelen van een bewapening om tegen de andere naties te gebruiken. De totale greep van de militaire sector op de puntsectoren van de economie vertegenwoordigt een aanzienlijke sterilisatie van productieve krachten. En het is ook daadwerkelijk zo, het kapitaal dat bestemd wordt voor de militaire productie wordt uit het productieproces weggezogen. Het is kapitaal dat vernietigd is: de geproduceerde wapens of goederen zijn ofwel voorbestemd om weg te roesten als ze niet opgebruikt worden, of gaan in de rook op in de vernietigende heksensabbat van de imperialistische botsing.
Bij de aanvang van het imperialisme, aan de dageraad van het verval, werd de oorlog beschouwd als middel ter herverdeling van de markten.
Maar als uitdrukking van het historisch bankroet van het kapitalistisch systeem, verliest de imperialistische oorlog steeds meer elke economische rationaliteit. Van bij het begin van het verval neemt de strategische dimensie de overhand op de strikt economische vraagstukken. Het gaat om het veroveren van geostrategische stellingen tegen alle andere imperialismes in, om de strijd voor de alleenheerschappij, met de bedoeling zich op te dringen als grootmacht en zijn rangorde te verdedigen. In deze periode van neergang van het kapitalisme vertegenwoordigt de oorlog steeds meer een economische en sociale ramp. Deze afwezigheid van economische rationaliteit van de oorlog betekent niet dat elk nationaal kapitaal er zich zou van onthouden om de productiekrachten van de tegenstander of de overwonnene te plunderen. Getuige hiervan is bijvoorbeeld de roofzucht van Frankrijk bij de demontage van fabrieken en de inbeslagname van gekwalificeerde arbeidskrachten in zijn bezettingszone in Duitsland na 1945. Maar deze ‘roof’ vormt niet langer het hoofddoel van de oorlog, in tegenstelling tot wat Lenin dacht.
Wanneer de USSR haar militaire macht gebruikte om dit brutale plunderregime op te leggen… aan haar eigen bondgenoten, om zich staande te houden in de imperialistische competitie met het westerse blok, dan lag dat aan het feit dat zij een bijzonder karikaturale vorm was van staatskapitalisme, gebrandmerkt door een diepe economische achterstand.
Op het einde van de twee wereldoorlogen, hebben twee overwinnende grootmachten Frankrijk en Groot-Brittannië een belangrijke terugval gekend van hun economie en hun militaire macht in de wereldarena. De Verenigde Staten bevestigen hun rang van eerste wereldmacht maar in een context waarin het wereldkapitalisme als een geheel zijn historisch bankroet ontsluiert.
De intrede in de fase van de ontbinding leidt tot het witheet worden van de tegenstellingen die vervat zitten in het verval. Voor alle landen betekent elk bijzonder conflict waarin zij betrokken zijn een aderlating die ruimschoots de voordelen overstijgt die ze er uit kunnen puren. Zonder te spreken over de afslachtingen, hebben de oorlogen enkel massale vernietigingen tot resultaat. Ze laten de landen waar ze zich afspelen leeggebloed en in ruines achter en zullen nooit meer heropgebouwd worden. Maar geen enkele rekensom of verlies kan de staten er van weerhouden om hun imperialistische aanwezigheid in de wereld te verdedigen, van saboteren van de ambities van hun rivalen, of van het verhogen van hun militaire budgetten. Wel in tegendeel, ze worden meegesleurd in een irrationele spiraal vanuit economisch gezichtspunt en vanuit de kapitalistische rendabiliteit. De irrationaliteit van de bourgeoisie miskennen komt er op neer dat men de werkelijke dreiging onderschat van de pure en simpele vernietiging, die weegt op de toekomst van de mensheid.
Scott
(1) Marx-Engels, Werke, deel 21, p. 361.
(2) Lenin, Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme.
(3) Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 19, p. 11.
(4) Rosa Luxemburg, Anti-kritiek. In De accumulatie van het kapitaal toont ze aan dat de totaliteit van de onttrokken meerwaarde van de uitbuiting van de arbeidersklasse niet kan gerealiseerd worden binnen de kapitalistische sociale verhoudingen, want de arbeiders wier lonen lager zijn dan de waarde die gecreëerd wordt door hun arbeidskracht, kunnen niet alle waren kopen die zij produceren. De kapitalistische klasse kan niet alle meerwaarde consumeren, aangezien een deel ervan moet dienen voor de uitgebreide productie van het kapitaal en moet geruild worden. Het kapitalisme is dus, van globaal gezichtspunt constant gedwongen om op zoek te gaan naar kopers van zijn waren buiten de kapitalistische sociale verhoudingen.
(5) Het probleem van de oorlog door Jehan, 1935, geciteerd in Internationale Revue, Engels- Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 19.
(6) Rapport op de conferentie van juli 1945 van de Gauche Communiste de France.
Bij alle grotere conflicten die de planeet sinds het verdwijnen van de blokken in vuur en vlam gezet hebben waren de voornaamste mogendheden van het voormalige Westers Blok betrokken. Er werd ons een beeld voorgeschoteld van een hechte eenheid tussen die landen, op politiek vlak zowel in militaire operaties ten dienste van de verdediging van het internationaal recht, van de mensenrechten, van de strijd tegen het ‘internationaal terrorisme’. Toen de huidige Iraakse crisis bijna een jaar geleden opdook, ontdekt de wereld met verbijstering hoe sterk de onenigheid is die nu zo brutaal aan het licht komt tussen die landen. Allianties die als een historisch gegeven beschouwd werden, zoals die tussen Frankrijk en de Verenigde Staten, worden verbroken. We zien ook de ontwikkeling van anti-Amerikaanse of anti-Franse xenofobe campagnes, die door de media in dienst van de staat georganiseerd worden, en die herinneringen oproepen aan de vreselijkste momenten uit de geschiedenis van de twintigste eeuw.
In feite waren de tegenstellingen tussen de grootmachten al aanwezig voor de huidige crisis, maar ze zijn aanzienlijk verscherpt tot op het punt waarop de huichelachtige schijn wegvalt die de oorlogen respectabel leek te maken. Het wordt voor de bourgeoisie moeilijk nog langer te verzwijgen “wie de ware vijand van wie is”, maar haar oorlogszuchtige propaganda kan niet langer verbergen wat de werkelijke inzet van de oorlog is: de controle over essentiële strategische posities in de krachtsverhouding tussen de mogendheden.
De voornaamste imperialistische gangsters zijn het niet eens over de manier waarop ze de wereld gaan verdelen, en voor de peetvader, de sterkste onder hen, de Verenigde Staten, kan er natuurlijk geen sprake van zijn hun wereldheerschappij met anderen te delen.
Eigenlijk heeft gedurende heel de twintigste eeuw de kwestie van de verdeling van de wereld tussen de verschillende imperialisten, de machtigste bijgestaan door de minder sterke, aan de oorsprong gelegen van alle bondgenootschappen, van de blokken, van beide wereldoorlogen en van de lokale oorlogen die uitgevochten zijn gedurende de drie decennia van de Koude Oorlog.