IKSonline - 2008

23 augustus 2008: IKS discussie- en ontmoetingsdag

Download hier de uitnodiging voor de IKS discussie- en ontmoetingsdag van 23 augustus 2008.

http://nl.internationalism.org/files/nl/Uitnodiging080823.pdf

Bestaat er een uitweg uit de crisis? (deel 1)

Sinds augustus 2007, met het ineenstorten van de hypothecaire leningen die bekend staan onder de naam ‘subprimes’, beleven we een nieuwe episode van stuiptrekkingen die het gehele wereldkapitalisme aantasten. De slechte berichten volgen elkaar op: de inflatie versnelt (in de Verenigde Staten was het jaar 2007 het slechtste sinds 1990), de werkloosheid neemt opnieuw toe, de banken kondigen miljarden verlies aan, en de groei-indicatoren voor 2008 worden voortdurend herzien en verlaagd... Die negatieve gegevens vertalen zich concreet in het dagelijkse leven van de arbeiders in tragedies zoals het verlies van zijn baan, of uit zijn huis gezet worden omdat de hypotheek niet meer kan worden afbetaald, in herhaaldelijk onder druk gezet en bedreigd worden op het werk, in pensioenen die hun waarde verliezen en van de oude dag een groter lijden en een miserie maken... Miljoenen naamloze mensen, wier gevoelens, zorgen en angsten geen stof zijn voor de journalistiek, worden hard getroffen.

In welke etappe van de historische evolutie van het kapitalisme bevinden we ons?

Wat vertellen ons de personaliteiten en instellingen die als ‘deskundig’ beschouwd worden bij deze nieuwe uitbarsting van de crisis? Er zijn er in alle soorten en kleuren: er zijn de onheilsprofeten die een apocalyptische instorting voorspellen bij het volgende kruispunt; er zijn de optimisten die zeggen dat alles te wijten is aan de speculatie, maar dat het de reële economie goed doet... Maar de meest gehoorde uitleg is dat we te maken hebben met een ‘cyclische crisis’ zoals het kapitalisme er in de loop van zijn geschiedenis al zo veel heeft doorgemaakt. Bijgevolg raadt men ons aan kalm te blijven, de rug te krommen tot de storm is overgewaaid en de tijd van de vette jaren van een nieuwe voorspoed aanbreekt...
Die ‘verklaring’ lijkt op een vergeelde foto, ze kopieert en vervormt een beeld uit de negentiende en begin twintigste eeuw, maar dat niet meer toepasbaar is op de realiteit en de voorwaarden van het kapitalisme in het grootste deel van de twintigste in deze eeuw.
De negentiende eeuw was de periode van expansie en groei van het kapitalisme, dat zich als een olievlek over de gehele wereld verspreidt. Maar periodiek wordt het door elkaar geschud door de crisis, zoals het Communistisch Manifest beschrijft: “In de handelscrises wordt een groot gedeelte niet slechts van de voortgebrachte produkten, maar ook van de reeds geschapen produktiekrachten regelmatig vernietigd. In de crises breekt een maatschappelijke epidemie uit, die voor alle vroegere tijdperken iets onzinnigs zou hebben geleken - de epidemie van de overproduktie. De maatschappij ziet zich plotseling in een toestand van tijdelijke barbaarsheid teruggebracht; een hongersnood, een algemene verdelgingsoorlog schijnen haar van alle bestaansmiddelen te hebben afgesneden; de industrie, de handel schijnen vernietigd, en waarom? Omdat zij te veel beschaving, te veel middelen van bestaan, te veel industrie, te veel handel bezit.”
Dat de kapitalistische maatschappij periodiek perioden van ineenstorting meemaakt had twee hoofdoorzaken die ook nu nog aanwezig zijn. In de eerste plaats de tendens tot overproductie – zoals het manifest die beschrijft – die honger, werkloosheid en ellende meebrengt, niet omdat er een tekort aan waren zou zijn (zoals het geval was in de voorafgaande maatschappijvormen), maar juist om de tegengestelde reden, omdat er een overschot aan productie is (!), omdat er teveel industrie is, teveel handel, teveel grondstoffen! In de tweede plaats omdat het kapitalisme op een anarchistische manier functioneert, door een felle concurrentie die de een tegen de ander opzet. Dat veroorzaakt een opeenvolging van momenten van ongecontroleerde wanorde. Omdat er echter nieuwe gebieden te veroveren waren voor loonarbeid en handelsproductie, kwam het die momenten vroeg of laat te boven dankzij een nieuwe uitbreiding van de productie die de kapitalistische verhoudingen verder uitbreidde en verdiepte, vooral in de centrale landen van Europa en Noord-Amerika. In die periode waren de crisismomenten als de kloppingen van een gezond hart en de magere jaren maakten plaats voor een nieuwe etappe van voorspoed. Maar ook toen al ontwaarde Marx in die periodieke crises iets meer dan een eenvoudige eeuwigdurende cyclus die telkens op grotere voorspoed moest uitmonden. Hij zag er de uiting in van diepe tegenstellingen die het kapitalisme ondermijnen tot in zijn eigen wortels en die het naar zijn ondergang zullen brengen.
In het begin van de twintigste eeuw bereikt het kapitalisme zijn hoogtepunt, het heeft zich over de hele planeet verbreid, het grootste deel van de wereld leeft onder de heerschappij van de loonarbeid en de handelsruil. Zo treedt het binnen in zijn vervalperiode: aan de oorsprong van dit verval, zoals voor dat van de andere economische systemen, bevindt zich de groeiende discrepantie tussen de ontwikkeling van de productiekrachten en de productieverhoudingen. Voor het kapitalisme, waarvan de ontwikkeling wordt bepaald door de verovering van buitenkapitalistische markten, betekent dat concreet dat de Eerste Wereldoorlog de eerste uiting van betekenis is van zijn verval. Met het einde van de koloniale en economische verovering van de wereld door de kapitalistische metropolen worden deze ertoe gedreven met elkaar in botsing te komen om zich elkaars markten te betwisten. Van dan af treedt het kapitalisme binnen in een nieuwe periode van zijn geschiedenis, die door de Kommunistische Internationale in 1919 wordt omschreven als “de periode van oorlogen en revoluties” (1). De wezenlijke kenmerken van deze periode zijn enerzijds het uitbreken van imperialistische oorlogen als uitdrukking van de strijd op leven en dood die de verschillende kapitalistische staten onderling voeren om hun invloedszone uit te breiden ten koste van de anderen, en van de strijd om de controle over een wereldmarkt die steeds krapper wordt en niet meer voldoende afzetmogelijkheden biedt voor zo’n overvloed aan rivalen; aan de andere kant is er de haast chronische tendens tot overproductie, zodanig dat de economische stuiptrekkingen en catastrofes steeds toenemen. Anders gezegd: wat de 20e en 21e eeuw globaal kenmerkt, is een tendens tot overproductie – die in de negentiende eeuw tijdelijk en gemakkelijk te boven kon worden gekomen was – die chronisch wordt en zo de gehele wereldeconomie onderwerpt aan een haast permanent risico op instabiliteit en vernietiging. Anderzijds wordt de concurrentie – een aangeboren kenmerk van het kapitalisme – extreem, en omdat ze af te rekenen heeft met een wereldmarkt die voortdurend neigt tot verzadiging, verliest ze haar kenmerk als stimulans van de uitbreiding om enkel nog haar negatieve en vernietigende karakter te behouden van chaos en confrontatie. De Wereldoorlog van 1914-1918 en de Grote Depressie van 1929 zijn de twee meest spectaculaire uitdrukkingen van de nieuwe periode. De eerste veroorzaakte meer dan twintig miljoen doden, veroorzaakte onbeschrijflijk lijden en zadelde enkele generaties op met morele en psychologische trauma’s. De tweede was een brutale ineenstorting met werkloosheidspercentages van 20-30% en een vreselijke armoede die de arbeidersmassa’s van de ‘rijk’ genoemde landen trof, de Verenigde Staten voorop. De nieuwe situatie van het kapitalisme op economisch en imperialistisch vlak bracht belangrijke wijzigingen mee op politiek vlak. Om de samenhang te verzekeren van de maatschappij die door een chronische tendens tot overproductie en door gewelddadige imperialistische conflicten wordt getroffen, grijpt de staat, het laatste bolwerk van het systeem, op massale wijze in in alle aspecten van het sociaal leven, en vooral in de meest gevoelige ervan: economie, oorlog en klassenstrijd. Alle landen richten zich op een staatskapitalisme dat twee vormen kan aannemen: wat men leugenachtig ‘socialistisch’ noemt (een haast complete verstaatsing van de economie) en wat ‘liberaal’ heet, op basis van een min of meer openlijk samengaan van de klassieke privé-bourgeoisie en de staatsbureaucratie.
Deze korte en schematische schets van de algemene kenmerken van de huidige historische periode van het kapitalisme helpt ons nu om de crisis van vandaag te plaatsen, door haar op een overdachte manier te analyseren, ver van het alarmistisch en kortzichtig catastrofisme en evenzeer en vooral ver van de optimistisch demagogie van de ‘cyclische crisis’ (2).

Veertig jaar crisis

Na de Tweede Wereldoorlog slaagt het kapitalisme erin, alvast in de grote metropolen, een tamelijk lange periode van voorspoed door te maken. Het doel van dit artikel is niet de oorzaken ervan te analyseren (3), maar wat zeker is, is dat deze fase een einde neemt vanaf 1967 (in tegenstelling tot wat de regeerders, de syndicalisten, de economisten en zelfs sommige schijn-‘marxisten’ beweerden, die volhielden dat het kapitalisme definitief aan zijn crisissen ontgroeid was). Eerst was er de devaluatie van het Pond sterling, dan was er de dollarcrisis van 1971 en de eerste ‘oliecrisis’ van 1973. Vanaf de recessie van 1974-1975 opent zich een nieuwe etappe waarin de stuiptrekkingen toenemen. Om een snel overzicht te geven vermelden we: de inflatiecrisis van 1979 die de voornaamste industrielanden treft, de schuldencrisis in 1982, de beursval van Wall Street in 1987 met de daarop volgende recessie van 1989, de nieuwe recessie van 1992-1993 die alle Europese munten in moeilijkheden brengt, de crisissen van de Aziatische ‘tijgers’ en ‘draken’ van 1997 en de crisis van de ‘nieuwe economie’ van 2000-2001. Kan men deze opeenvolging van stuiptrekkingen verklaren door met alle geweld het schema van de ‘cyclische crises’ te gebruiken? Nee, duizend keer nee! De ongeneeslijke ziekte van het kapitalisme is de dramatische zeldzaamheid van koopkrachtige markten, een probleem dat nooit opgehouden heeft te bestaan en in de loop van de twintigste eeuw steeds verergerd is en dat op geweldige wijze opnieuw opdook vanaf 1967. Maar anders dan in 1929 heeft het kapitalisme vandaag af te rekenen met een situatie die geketend is aan het mechanisme van de massale staatstussenkomst, waarbij de staten de crisis begeleiden om een ongecontroleerde ineenstorting te ontlopen.
Wat is het voornaamste middel dat de staat gebruikt om te proberen het op hol geslagen paard van de crisis in te tomen die hem meesleurt en vertrappelt, om te proberen haar te verzachten, terug te drijven, om haar meest rampzalige gevolgen te vermijden – minstens in de centrale landen? De ervaring toont ons dat dit middel het stelselmatig teruggrijpen naar krediet is. Dankzij de schuldenlast, die in enkele jaren tijd een bodemloze put is geworden, hebben de kapitalistische staten een kunstmatige markt gecreëerd die min of meer een afzetmogelijkheid biedt voor een groeiende overproductie. Gedurende veertig jaar is de wereldeconomie erin geslaagd een verlammende ineenstorting te vermijden door haar toevlucht te nemen tot steeds massalere schulden. De schuldenlast is voor het kapitalisme wat heroïne is voor een drugsverslaafde. De drug van de schuldenlast zorgt ervoor dat het kapitalisme overeind blijft, door te steunen op de arm van het staatsmonster; of dat nu ‘liberaal’ of ‘ socialistisch’ is. Met de drug bereikt het momenten van euforie waar men de indruk heeft te leven in de beste van alle mogelijke werelden (4), maar steeds vaker duiken omgekeerde periodes op, periodes van stuiptrekkingen en crisis, zoals degene die we meemaken sinds de zomer van 2007. Naarmate de doses verhoogd worden heeft de drug steeds minder effect op de verslaafde. Er is een steeds grotere dosis nodig om een steeds zwakkere stimulans te bekomen. Dat is wat er vandaag gebeurt met het kapitalisme! Na veertig jaar inspuitingen met de ‘kredietdrug’ in een lichaam vol naaldenprikken heeft de kapitalistische wereldeconomie steeds grotere moeilijkheden om te reageren en om een nieuwe periode van euforie te bereiken.
Dat is wat er op dit moment gebeurt is. In augustus 2007 zei men ons dat alles weer normaal was dankzij de leningen die de centrale banken aan de financiële organismen verstrekt hadden. Sindsdien werd niet minder dan 500 miljard euro in drie maand ingespoten zonder het minste tastbaar effect. De ondoeltreffendheid van dergelijke maatregelen heeft tenslotte paniek gezaaid en in januari 2008 begon met de val van de beurzen wereldwijd. Om de bloeding te stelpen kondigden in de Verenigde Staten regering en oppositie samen, hand in hand met de Federale Reserve (FED) op 17 januari het ‘wondermiddel’ aan dat erin bestaat elk huishouden een cheque van $800 te geven. Maar zo’n maatregel, die in 1991 nog erg doeltreffend was, veroorzaakt op maandag 21 januari een nieuwe val van de beurzen op wereldvlak, even erg als de ineenstorting van 1987. Maar op 23 januari – wanneer we dit artikel schrijven – ondergaan de beurzen van de wereld – met uitzondering van Wall Street – een nieuwe ineenstorting. Wat is de oorzaak van deze opeenvolging van stuiptrekkingen, ondanks de enorme kredietinspanningen die door de centrale staten geleverd worden en waarvoor ze alle middelen waarover ze beschikken inzetten: leningen aan de banken tussen augustus en november, daling van de rentevoeten, fiscale cadeaus? De banken, die door de staten massaal als lokaas gebruikt worden om de bedrijven en huishoudens ertoe te brengen zich in de schuldenspiraal te laten opnemen, zitten er zeer slecht bij, de ene na de andere, te beginnen met de grootste (zoals de Citygroup), met de aankondiging van reusachtige verliezen. We spreken van een verschijnsel dat de situatie nog erger kan maken: een aantal verzekeringsorganismen, die zich er in gespecialiseerd hebben om de banken de gelden van hun ‘dubieuze debiteuren’ verbonden aan de ‘subprimes’ terug te betalen, hebben blijkbaar grote moeite om dit te doen. Maar er is nog een probleem, veel verontrustender, dat als een tsunami de wereldeconomie aantast: het opnieuw opwakkeren van de inflatie. Gedurende de jaren 1970 werden de bescheiden inkomens hard getroffen door de inflatie, en ze keert nu met grote kracht terug. In feite hadden de valkuilen van het krediet en de staatskapitalistische maatregelen haar niet geëlimineerd, maar enkel uitgesteld. Heel de wereld vreest nu dat ze gaat toenemen en dat de reusachtige leningen van de centrale banken, de fiscale cadeaus of die van de rentevoeten, er enkel zullen toe leiden de motor nog verder te laten doordraaien zonder dat de productie aangezwengeld wordt. De algemene vrees is dat de wereldeconomie in een fase van zogenaamde ‘stagflatie’ zal geraken, anders gezegd een gevaarlijke combinatie van recessie en inflatie, wat voor de arbeidersklasse en de meerderheid van de bevolking een nieuwe duik in de werkloosheid betekent, in de ellende die hoort bij een pijlsnelle stijging van de prijzen van alle basisproducten. Bij dat drama voegt zich, bij wijze van voorbeeld, nog eens dat dan twee miljoen Amerikaanse huishoudens hun schulden niet meer kunnen afbetalen.
Zoals een drug vernietigt het wanhopig teruggrijpen naar krediet stukje bij beetje de fundamenten van de economie, ze maakt ze zwakker en veroorzaakt in het systeem een verrottings- en ontbindingsproces dat steeds heviger wordt. We kunnen uit deze korte analyse van de situatie van de laatste maanden afleiden dat we nu voor de ergste en langste stuiptrekking van het kapitalisme staan van de laatste veertig jaar. Dat wordt bevestigd door de analyse van deze laatste vier maanden, niet op zichzelf genomen, zoals de ‘deskundigen’ doen die niet verder kunnen kijken dan hun neus lang is, maar door rekening te houden met de laatste veertig jaar. Dat zullen we meer in detail in het tweede deel van dit artikel zien. We zullen aantonen in welke mate de bourgeoisie op een steeds brutalere wijze de gevolgen van haar crisis afwentelt op de rug van de arbeiders en we zullen dan tenslotte proberen antwoorden op de beginvraag: Bestaat er een uitweg uit de crisis?

(1)17e congres van de IKS, 2007. Resolutie over de internationale situatie, gepubliceerd in Internationale Revue (Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave), nr. 130.
(2) In de verkiezingscampagne die we dezer dagen ondergaan in Spanje (parlementaire verkiezingen van april 2008), rivaliseren beide tegenstanders door elk op een andere toonaard te spelen: de Partido Popular (rechts) zwaait met de vlag van het catastrofisme, de socialisten (PSOE) van hun kant herhalen het refrein ‘kalmte, niets te melden’. Beiden liegen en het is goed mogelijk dat de één noch de ander goed weten waar ze naar toe gaan.
(3) Zie de hierboven aangehaalde Resolutie over de internationale situatie.
(4) Dat gevoel van euforie wordt aangewakkerd door alle verdedigers van het kapitalisme, niet alleen door politici, bazen en vakbonden, maar ook in het bijzonder door wat men de ‘opiniemakers’ noemt, de media. De positieve aspecten worden opgedreven en onderstreept en de negatieve worden onderschat of opzij geduwd, wat natuurlijk bijdraagt tot het verspreiden van dat gevoel van euforie.
(5) Om zich een idee te vormen: volgens de IESE 89 miljard euro op twintig dagen in Spanje. Men schat dat het op de internationale beurzen volgens de meest optimistische cijfers gedurende de maand januari 15% bedroeg.

Stakingen bij het openbaar vervoer in Frankrijk

Na een massale strijd van meer dan een week hebben de spoorwegmannen en de arbeiders van de RATP het werk hervat terwijl anderzijds ook de studentenbeweging ten einde lijkt te lopen. Toch heeft de regering op geen enkel belangrijk punt toegegeven. Alle aanvallen blijven behouden en Sarkozy heeft in zijn presidentiële toespraak van 29 november zelfs aangekondigd dat het ritme van de hervormingen (dat wil zeggen de aanvallen) in 2008 opgedreven zal worden.

Is het dan een overwinning voor de bourgeoisie? Zeker niet! De werkhervatting bij SNCF en RATP en ook de ‘terugkeer van de rust’ aan de universiteiten betekenen een Pyrrusoverwinning voor de heersende klasse. De orde van de gummiknuppel, van de chantage, van de intimidatie en de georganiseerde leugen heeft het volle licht geworpen op het ware gelaat van de burgerlijke democratie: dat van een onverzoenlijke terreur van het kapitaal. Als de staat geen stap teruggedaan heeft, noch inzake de speciale regimes, noch inzake de LRU, dan is dat ten koste van een toenemend in diskrediet raken van zijn voornaamste instellingen, met name van de media en vooral van de vakbonden, een verlies aan geloofwaardigheid waarvan de gevolgen nog niet te overzien zijn.

Enkele wezenlijke lessen


De arbeiders en studenten moeten bijeenkomen en samen discussiëren, ook met arbeiders uit andere sectoren, om beter te begrijpen in wat voor situatie we ons vandaag bevinden. De banden daartoe werden al gelegd, het gaat erom ze aan te halen en te uit te breiden. We moeten onze ervaringen uitwisselen en met elkaar delen, we moeten er collectief over discussiëren om er alle lessen uit te trekken en ons op de komende strijd voor te bereiden.
Om te beginnen moet de arbeidersklasse een eerste les trekken uit de strijd van de spoormannen: wanneer de regering verplicht werd de spoormannen enkele kruimels toe te werpen, is dat omdat ze de strijd aangingen. Maar dat is niet het belangrijkste, want de kruimels die de bourgeoisie uitdeelde worden later toch teruggenomen. De ergste nederlaag zou erin bestaan hebben niet in beweging te zijn gekomen. In de klassenstrijd tussen bourgeoisie en proletariaat is de strijd zelf de eerste overwinning voor de arbeiders, de weigering de wet van het kapitaal te aanvaarden, de ervaring van de solidariteit van de uitgebuiten tegenover alle pogingen om hen te verdelen, per bedrijf of per sector. Ondanks hun moeilijkheden hebben de spoormannen (net als de studenten in de strijd tegen de LRU) met opmerkelijke moed gevochten. Door “37,5 annuïteiten voor iedereen” te eisen, hebben ze getoond dat de solidariteit als uitgebuite klasse de enige weg is waarlangs een perspectief geopend kan worden voor de komende strijd. De staking van de spoormannen gaf steeds duidelijker te zien dat het nodig is allen samen te vechten. De beweging van de studenten heeft dat getoond door haar solidariteit met de spoormannen te betuigen, zoals blijkt uit het eisenplatform waarin niet alleen het intrekken van de LRU geëist werd, maar de verwerping van alle aanvallen door de regering. Het idee dat verschillende delen van de arbeidersklasse elkaar wederzijds moeten steunen is iets dat de jongere generaties geleerd hebben uit de strijd in het voorjaar van 2006 tegen het eerste-baan-contract, de CPE (1). Het blijkt ook uit het feit dat onder de jongere spoormannen de grootste wil aanwezig was om zich te bevrijden van het corporatisme dat nog op hun oudere makkers weegt.
Vervolgens hebben ze, door de heersende klasse ertoe te verplichten op grote schaal haar vakbondarsenaal te ontplooien, ertoe bijgedragen dat volop duidelijk wordt dat de vakbonden organen van de kapitalistische orde zijn (ook al bestaan er nog veel illusies over de mogelijkheid de vakbonden te hervormen). Dat is duidelijk te zien aan het feit dat massa’s arbeiders de vakbonden in verschillende sectoren van de ambtenarij de rug toekeren, en aan het groeiend wantrouwen jegens de vakbonden in het algemeen. Het wordt ook bevestigd door het feit dat Chérèque met de staart tussen de benen op de vlucht gegaan is tijdens de betoging van 20 november, toen de arbeiders hem voor ‘verrader’ uitmaakten en door de commentaren die de leider van de CGT op dezelfde plaats naar zijn hoofd geslingerd kreeg: “Thibault is verkocht! Jij hebt het hier niet voor het zeggen, maar wij!”, of een dag later door de leden van de CGT: “We halen Thibault onderuit” (2). Dat is allemaal maar het topje van de ijsberg van de diepe ontevredenheid die er bij de arbeiders leeft met betrekking tot de organen die hen zogenaamd verdedigen.
En tenslotte bleken de spoormannen en de RATP-arbeiders in staat om de valstrik van het doodbloeden en het isolement te vermijden, waarin vakbonden zoals Sud of FO hen wilden opsluiten met leuzen als ‘doorgaan tot het bittere eind’. In de algemene vergaderingen stemden ze tegen de voortzetting van de staking.
Dat zijn enkele lessen uit de strijd die zich zopas afgespeeld heeft, die van wezenlijk belang zijn. Maar die eenvoudige vaststelling werpt meteen bredere en diepere vragen op, waarop de arbeidersklasse in een collectief debat een antwoord moet proberen te vinden:

Moeten de vakbonden vernieuwd worden om tegen ellende en uitbuiting te kunnen vechten?


Bestaat, gezien het verraad van de vakbonden, het alternatief erin de verrotte bureaucratie weg te sturen, of zich aan te sluiten bij ‘radicalere’ vakbonden die minder rechtstreeks verbonden zijn met het patronaat, of in het opbouwen van nieuwe ‘strijdende’ vakbonden?
Het ‘radicalisme’, de superstrijdbare aard van een vakbond of de eerlijkheid van zijn kaderleden zijn nooit het bewijs geweest dat een vakbond een verdedigingsorgaan van de arbeiders is.
Wat vandaag van belang is, is niet het opbouwen van nieuwe vakbonden, maar in de eerste plaats inzien welke middelen we ons moeten geven om een krachtsverhouding in het voordeel van de arbeidersklasse op te bouwen tegen de bourgeoisie.
Het is een pure illusie en een valstrik om de oude schelp van de vakbonden te willen vernieuwen, meer strijdbare vakbonden op te bouwen met minder corrupte en eerlijker kaderleden (die zoals een Thibault al snel specialisten in het ‘onderhandelen’ en in het vuil spel zullen worden). Alle voorbije gevechten van de arbeidersklasse hebben aangetoond dat de vakbonden sinds 1914 definitief geïntegreerd zijn in het staatsapparaat van de bourgeoisie.
De syndicalistische ideologie steunt op de illusie dat het kapitalisme:
- een systeem is dat nog verbeterd en hervormd kan worden en dat het de mensheid nog duurzaam welzijn kan brengen;
- een eeuwigdurend en almachtig systeem is, dat niet vernietigd kan worden.
Dat wil zeggen dat de arbeiders nooit een einde zullen kunnen maken aan de uitbuiting. De syndicalistische ideologie is in wezen een fatalistische ideologie, een ideologie van capitulatie en onderwerping aan de wrede wetten van het kapitaal.

Hoe de strijd uitbreiden?


Vandaag worden steeds meer arbeiders zich bewust van het feit dat men niet langer op de specialisten van het geheime ‘onderhandelen’ kan vertrouwen om hun strijd te leiden. Allemaal samen moeten de arbeiders die in beweging zijn beslissen over hoe de strijd te voeren. De algemene vergaderingen die door de vakbonden geleid worden stellen zich er niet langer mee tevreden voor of tegen het voortzetten van de staking te stemmen zonder dat daar een reëel debat aan voorafgaat. En wanneer de AV eenmaal is afgelopen, zijn het weer de vakbonden die zich met alles bemoeien zonder dat de stakers daar enige controle over hebben.
De algemene vergaderingen kunnen niet langer een simpele registratiekamer zijn van het al of niet hervatten van het werk. Het zijn de organen van het collectief in handen nemen van de strijd door de arbeiders zelf. En dat wil zeggen:
- Dat de AV het soevereine orgaan is van de strijd. In die zin worden de afgevaardigden verkozen op basis van een mandaat dat door de AV gestemd wordt. Ze zijn op elk moment afzetbaar door de AV als ze het mandaat dat hen gegeven werd niet vervullen. In die zin moeten de stakingscomités, die tot taak hebben de beslissingen van de AV in praktijk te brengen (informatie, uitbreiding, uitgeven van pamfletten, het woord voeren in het openbaar, enz.) verkozen worden door de algemene vergadering en onder haar controle blijven. De algemene vergaderingen kunnen hun soevereiniteit niet uit handen geven. Ze moeten garant staan tegen alle gekonkel door de vakbonden.
- Dat de AV’s moeten discussiëren over het uitsturen van massale delegaties naar andere ondernemingen die geografisch het dichtste bij liggen om er de betekenis van hun strijd uit te leggen en de arbeiders van andere sectoren op te roepen tot actieve solidariteit. In de strijd van de spoormannen en van de studenten was dat des te belangrijker omdat de bourgeoisie een hele campagne ontketend had om de stakers als criminelen voor te stellen en zo elke solidariteit van de arbeidersklasse tegen te houden.
- De uitbreiding van de strijd moet onmiddellijk ondernomen worden, vanaf de eerste dagen van de beweging, om te verhinderen dat de vakbonden met hun manoeuvres de beweging binnen een sector of beroep opsluiten (zoals we konden zien met het openen van onderhandelingen per categorie of per bedrijf). Zoals we in onze pers steeds vooropstelden in de loop van de jaren 1980, is een staking die zich niet snel uitbreidt veroordeeld om uiteen te vallen of zelfs te verrotten. De corporatistische opsluiting leidt slechts naar de nederlaag. Om de strijd uit te breiden moeten de arbeiders verenigende eisen centraal stellen, die gemeenschappelijk zijn voor iedereen, en waarin alle arbeiders zich kunnen herkennen. De algemene vergadering moeten dus onmiddellijk een eisenplatform uitwerken dat leidt tot de grootst mogelijke eenheid en solidariteit van de arbeidersklasse.
- Onderhandelingen met regering en patronaat moeten niet gebeuren in het geheim van ministerkabinetten. Na de slagen onder de gordel die ze geïncasseerd heeft moet de arbeidersklasse eisen dat het openen van die onderhandelingen in het openbaar plaatsvindt, teneinde ze onder de controle van de strijd te kunnen houden, en na te gaan dat de afgevaardigden die door de AV werden afgevaardigd hen geen dolkstoot in de rug geven, zoals we hebben gezien in de strijd bij de SNCF, RATP en bij de studenten.
- De algemene vergaderingen moeten vanaf het begin van de strijd openstaan zodat alle voorstellen en uitdrukkingen van solidariteit vanuit andere sectoren en ondernemingen er verwelkomd kunnen worden. Kortom, de algemene vergaderingen moeten belangrijke plaatsen van ‘politisering’ zijn, of mijnheer Thibault dat nu graag heeft of niet.

Speelt de transportsector geen bijzondere rol in tijden van staking?


In het geval van het vervoer kan het compleet blokkeren van treinen, metro’s en bussen een hindernis worden voor de uitbreiding van de strijd. Zo'n blokkering kan inderdaad in de kaart van de bourgeoisie spelen die eropuit is de arbeiders tegen elkaar op te zetten door haar campagnes te lanceren rond het ‘gijzelen van de reizigers’. Bovendien beperkt zo'n complete blokkering van het vervoer de  mobiliteit van de arbeiders die zich niet meer kunnen verplaatsen om hun solidariteit te komen bewijzen aan de stakers (door naar hun algemene vergadering te komen en aan betogingen deel te nemen). Ze maakt ook de verplaatsing van stakersdelegaties naar andere bedrijven moeilijk. In feite bevordert de totale vervoersblokkering de opsluiting in het corporatisme en het isolement.
De meest ontwikkelde arbeidersstrijd heeft nooit geleid tot een blokkering van het transport, wel integendeel. Tijdens de massastaking van de arbeiders in Polen in augustus 1980 functioneerde alle vervoer gratis. Het argument dat de vakbonden altijd opwerpen is dat gratis vervoer ‘illegaal’ is. Maar de arbeiders weten maar al te goed dat elke oppositie tegen de wetten van de kapitalistische uitbuiting sowieso ‘illegaal’ is want de wetten van de heersende klasse zijn gemaakt voor en door het kapitaal, niet voor wie door haar wordt uitgebuit. De straffen op het niet respecteren van de ‘wettelijkheid’ maken deel uit van de repressie van de arbeidersstrijd, net zoals de ontslagen. Dreigen met repressie heeft er de arbeidersklasse niet van weerhouden de strijd aan te gaan om haar bestaansvoorwaarden te verdedigen tegen de aanvallen door het kapitaal. Dankzij de gevechten van de eerste generaties proletariërs hebben de arbeiders vandaag een kortere arbeidsduur, loonsverhogingen, wekelijks verlof, een verbetering van hun woonsituatie, het recht zich te verenigen, vrije meningsuiting, enzovoort (sic!) De Britse regering heeft een wet laten goedkeuren die elke solidariteitsstaking onwettig maakt. Maar dat heeft niet belet dat gedurende de zomer van 2005 het bagagepersoneel van de Londense luchthaven in staking ging uit solidariteit met de arbeiders van het restauratiebedrijf van Heathrow, die massaal ontslagen waren (3).
Het beste middel om repressie te vermijden is de grootst mogelijke eenheid en solidariteit. De ware kracht van de arbeidersklasse ligt in haar solidariteit tegenover de aanvallen door het kapitaal. Hoe meer de arbeidersklasse haar rug kromt en toegeeft aan intimidatie, hoe meer de bourgeoisie de handen vrij heeft om aan te vallen en te onderdrukken. Omdat de arbeidersklasse de enige kracht in de maatschappij is die een perspectief kan openen voor het geheel van de mensheid, kan over die solidariteit tegenover de kapitalistische onderdrukking niet ‘onderhandeld’ worden. Zoals de arbeiders in Polen in 1980 hebben bewezen, moeten alle andere sectoren van de klasse meteen in staking gaan en de repressie afwijzen wanneer de stakers een haar gekrenkt wordt.
De strijd van de vervoersarbeiders en de studenten in Frankrijk is dus een belangrijke stap vooruit voor het proletariaat. Hij heeft de weg geopend naar een groeiende tendens tot politisering van de strijd van de arbeidersklasse. In het bijzonder was het een ervaring rijk aan lessen voor de jonge generaties van de arbeidersklasse die zich binnenkort op een verzadigde arbeidsmarkt zullen begeven. Tegenover de verzwaring van de aanvallen door de bourgeoisie zullen die jonge generaties geen ander keus hebben dat de fakkel van de strijd over te nemen van de generaties proletariërs die hen voorafgegaan zijn.
Om die komende strijd met succes te kunnen voeren, moet de arbeidersklasse voor alles verder gaan met het opbouwen van haar zelfvertrouwen, het vertrouwen in haar eigen krachten en haar zeer reële vermogen (dat al zo vaak in het verleden bewezen werd) om haar strijd en haar lot in eigen handen te nemen. Zij kan en moet vertrouwen stellen in het historisch perspectief dat ze in haar strijd meedraagt; dat van de afschaffing van de uitbuiting en van de beestachtige onderdrukking door het kapitalisme, in het vooruitzicht van de opbouw van een nieuwe samenleving. Deze weg is niet gemakkelijk, hij bestaat uit stappen vooruit en terugslagen. Dat werd al duidelijk gesteld in het midden van de negentiende eeuw:
“Proletarische revoluties [...] bekritiseren zichzelf gestadig, onderbreken voortdurend hun eigen loop, komen op het schijnbaar volbrachte terug om er weer opnieuw aan te beginnen, honen met meedogenloze grondigheid de halfheden, de zwakheden en de armzaligheid van hun eerste pogingen, schijnen hun tegenstander alleen neer te werpen, opdat hij nieuwe krachten uit de aarde zal kunnen opzuigen en zich nog reusachtiger tegen hen zal kunnen verheffen, schrikken steeds opnieuw terug voor de onbepaalde geweldigheid van hun eigen doeleinden, totdat de situatie is geschapen die elk omkeren onmogelijk maakt, en de omstandigheden zelf roepen: Hic Rhodus, hic salta! Hier is de roos, dans hier!” (Karl Marx, De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte, 1852) (4).

Abel / 30.11.2007

(1) In 2006, toen de studenten zagen dat steeds meer loonarbeiders van alle generaties zich in de manifestaties bij hen aansloten, kon men uitspraken horen als: “De loontrekkers hebben ons hun solidariteit betuigd. Wanneer zij gaan staken, moeten wij ons ook bij hen aansluiten.”

(2) Dit wordt gemeld in het blad Marianne, nr. 553.

(3) Zie de artikelen over de beweging tegen de CPE in onze pers en op onze website. In druk verkrijgbaar zijn o.a.: het supplement bij Wereldrevolutie, nr. 107 / Internationalisme, nr. 324 en de Stellingen over de studentenbeweging van de lente 2006 in Frankrijk (Internationale Revue (Nederlandstalig), nr. 19, voorjaar 2007).

(4) Vertaling volgens de uitgave van Pegasus, Amsterdam 1976 (3de druk, p. 23).

Stakingen in Dubaï

Midden november 2007, toen de arbeiders van Dubai weer aan het werk gingen na een massale en spontane revolte, behandelden de pers en de media als belangrijkste nieuws de geschiedenis van de neef van koning Abdallah van Dubai, Al Walid Ibn Talal, die voor persoonlijk gebruik net een Airbus 380 gekocht had.
Geen woord over de massale stakingsbeweging! Geen woord over deze open rebellie van honderdduizenden over-uitgebuite arbeiders! Eens te meer legde de bourgeoisie een black-out op aan haar internationale media.

Tegen de onmenselijke uitbuiting door de bourgeoisie…

Dubai is de laatste jaren veranderd in een immense bouwwerf, waar grote wolkenkrabbers, de ene nog ongelooflijker dan de andere, oprezen als paddestoelen. Dit Emiraat is één van de symbolen van de bourgeoisie van het ‘economische mirakel’ van het Oosten en het Midden-Oosten. Maar achter dit uitstalraam ligt een heel andere werkelijkheid: niet de werkelijkheid die wordt voorgesteld aan toeristen en zakenlui, maar de werkelijkheid van de arbeidersklasse die bloed, zweet en tranen gelaten heeft voor deze ‘architectendromen’.
Van het miljoen inwoners van het Emiraat is meer dan 80% arbeiders van vreemde afkomst, in meerderheid Indisch, maar ook Pakistaans, Bengaals en, recentelijk Chinees. Het schijnt dat zij nog goedkoper zijn dan de Arabische arbeiders! Voor een habbekrats gaat de bouwvak 24 uur per dag en 7 dagen in de week door. Zij verdienen het equivalent van 100 tot 150 Euro’s per maand. Zij bouwen deze prestigieuze torens en paleizen, maar leven zelf in cabines, met meerdere per kamer en geparkeerd in de woestijn. Zij worden opgehaald voor het werk in veewagens die men bussen noemt. Alles zonder medische zorg of pensioen… en om elk gevaar van verzet te voorkomen, nemen de bazen hun paspoorten in beslag, je weet maar nooit. Natuurlijk wordt er op geen enkele manier rekening gehouden met de familie van die arbeiders die thuis moet blijven. De arbeiders kunnen hen maar om de twee of drie jaar bezoeken omdat het te moeilijk is om het geld voor de reis bijeen te krijgen.
Maar je kan de mensen niet onbeperkt op die manier behandelen en toch buiten schot blijven.

… de massale strijd van het proletariaat

In de zomer van 2006 lieten de arbeiders van Dubai al zien dat ze in staat waren om massaal en collectief te strijden. Ondanks de repressie die er op volgde, hebben ze het nu weer aangedurfd om op te staan tegen hun uitbuiters en martelaars. Door deze strijd hebben zij hun moed laten zien, hun buitengewone vechtersgeest, zich verenigend tegen dit soort leven van ellende en slavernij. Zoals hun klassenbroeders in Egypte hebben zijn de gevestigde macht getrotseerd ondanks de risico’s die daar aan verbonden zijn. Want in de Emiraten zijn stakingen verboden en gaat de straf onmiddellijk in: intrekking van arbeidsvergunningen en een levenslange ban om daar nog te werken.
Maar nu waren zij het beu om maandenlang geen loon meer te hebben ontvangen: “Op zaterdag 27 oktober kwamen er meer dan 4.000 bouwvakkers op straat, blokkeerden de straten die leidden naar de industriezone van Jebel Ali, en wierpen stenen naar de politiewagens. Zij eisten meer bussen voor het vervoer naar het werk, minder overbevolkte logementen en lonen die het hen mogelijk zouden maken om een waardig leven te leiden.” (Courier International, 2.11.07). Omdat zij zich konden vinden in deze massale strijd, sloten duizenden arbeiders van andere bedrijven zich bij de stakers aan.
Het was geen verrassing dat de bourgeoisie en de staat gewelddadig reageerden. De anti-oproerbrigade gebruikte waterkanonnen om de betogers uiteen te drijven en sleurde verschillende onder hen in de politiewagens. “De minister van Arbeid die dit ‘barbaarse gedrag’ aankloeg, stelde hen voor de keuze van terug aan het werk te gaan en het opzeggen van hun contracten, deportatie en verlies van compensatie.” (http://www.lemaroc.org/economie/article 8622.htm). Ondanks de politierepressie en de dreigementen van de regering ging de stakingsbeweging verder en verspreidde zich over drie andere gebieden in Dubai. Volgens een artikel in Associated Press van 5 november waren er meer dan 400.000 arbeiders in staking!
De dreigementen met straffen en repressie werden uitgevaardigd onder het voorwendsel dat politievoertuigen beschadigd waren, iets dat nu eenmaal onaanvaardbaar is voor de burgerlijke orde! Maar wie is er verantwoordelijk voor de ergste vorm van geweld? Het antwoord is duidelijk: degenen die de levens van honderdduizenden arbeiders tot een ware hel maken.

Wat is het vooruitzicht voor een dergelijke strijd?

In Dubai heeft het proletariaat zijn kracht en vastbeslotenheid getoond. De bourgeoisie werd er eigenlijk toe gedwongen om tijdelijk een stap terug te zetten en moest haar zuiver repressieve tactiek terzijde schuiven: “de toon was de volgende woensdag eerder verzoenend” (AFP). De massale schaal van deze strijd had “de regering van Dubai een beetje doen buigen, door aan de ministers en de bedrijven de opdracht te geven om de lonen te herzien en een minimumloon in te voeren”… officieel natuurlijk. In werkelijkheid zal de bourgeoisie haar aanvallen voortzetten. De sancties tegen de stakingsleiders schijnen gehandhaafd te worden. En het lijdt geen twijfel dat de bourgeoisie alles in een stevige houdgreep zal houden en zal proberen om het vreselijke uitbuitingspeil te behouden dat zij in Dubai oplegt.
Desalniettemin moet de heersende klasse rekening houden met het opkomen van het militantisme bij dit deel van de arbeidersklasse, ondanks haar gebrek aan strijdervaring. Dat is de reden waarom zij een andere pijl op haar boog heeft gezet: buiten de repressie, zoekt zijn nu ook meer naar het gebruik van ideologische middelen. De eerste poging echter was eerder belachelijk en ondoeltreffend. Geconfronteerd met de vermenigvuldiging van conflicten in de laatste twee jaren “hebben de gezaghebbers een commissie in het leven geroepen bij de politie die tot taak heeft om met de eisen van de arbeiders om te gaan, en zij hebben de arbeiders een gratis telefoonnummer ter beschikking gesteld om te gebruiken voor het indienen van klachten, voor het merendeel in verband met achterstallig loon.” Maakt jullie klachten direct over aan de repressiekrachten – je kan moeilijk nog provocatiever optreden! Handiger dan dit zijn de pogingen van de regering om een vakbond op te zetten in de bedrijven om in de toekomst de strijd ‘van binnenuit’ onder controle te houden.
Het vraagstuk ligt niet zozeer in perspectief voor de strijd in een mini-staat als Dubai, maar in het feit dat deze strijd deel uitmaakt van een veel wijdere beweging: de internationale strijd van de arbeidersklasse. “De arbeiders hebben geen vaderland”, zeiden Marx en Engels in het Kommunistisch Manifest van 1848. De huidige strijd van het proletariaat maakt deel uit van dezelfde keten van strijd tegen de kapitalistische uitbuiting. Van India tot Dubai, via Egypte en het Midden-Oosten, het Afrikaanse continent of Latijns-Amerika, tot de landen van Europa en Noord-Amerika, overal is de arbeidersstrijd in opkomst. De internationale ontwikkeling van de arbeidersstrijd is een massale aanmoediging voor de arbeiders om het even waar de beweging uitbreekt. In het bijzonder het opduiken van massale bewegingen zoals die van Dubai, Bangla Desh of Egypte moeten een stimulans zijn voor de arbeiders van de meest ontwikkelde landen. Ondertussen dragen de laatstgenoemden een bijzondere verantwoordelijkheid in het aan kondigen van een strijd tegen het heel het systeem van uitbuiting, door hun historisch opgebouwde ervaring te delen, door in de praktijk te tonen hoe de strijd in eigen handen te nemen en uit te leggen waarom wij niet op de vakbonden en links kunnen rekenen om dat voor ons te doen.
De bourgeoisie en haar media doen wat ze kunnen om het nieuws van arbeidersstrijd van over heel de wereld te smoren om te beletten dat deze ervaringen en deze bewustwording gedeeld worden. De strijdbewegingen in Dubai zijn het bewijs dat de arbeidersklasse overal te lijden heeft onder de vernietigende gevolgen van de economische wereldcrisis en dat zij in antwoord daarop overal de wapens van haar bewustwording en solidariteit aan het smeden is.

Map / 18.11.2007