Het jaar 2004 werd gekenmerkt door een groeiende ongerustheid over de toekomst en een begin van strijdbaarheid binnen de arbeidersklasse. De mobilisaties in dat najaar liepen uit op de massale demonstratie van 2 oktober in Amsterdam, groots georganiseerd en met meer deelnemers dan verwacht. Dit drukte ook in Nederland een keerpunt uit in de klassenstrijd, dat zich internationaal aftekent na ruim een decennium van ontmoediging en verwarring (1). De demonstratie was door de vakbonden en burgerlijk links dan ook vooral bedoeld om de ontwikkeling naar strijdbaarheid af te remmen en om voor zichzelf het monopolie op solidariteit op te eisen. Door het succes daarvan is de situatie sindsdien gewijzigd. De ideologische campagnes rond de moord op Theo van Gogh (2) maakten het voor de vakbonden nog gemakkelijker om snel een akkoord te sluiten met de werkgevers, en een dag na diens begrafenis ook met de regering, om de maatregelen in stilte door te voeren en verdere acties af te blazen. De CAO-onderhandelingen van dit voorjaar stonden vervolgens op de agenda om verdere strijdbaarheid in sector en bedrijf op te sluiten en naar de nederlaag te leiden, om de ontmoediging en de verwarring te vergroten.
Aan de rechterkant van het burgerlijke politieke spectrum wordt sinds 2 oktober 2004 met verdubbelde energie, vroom en populistisch, de nadruk gelegd op ‘zelfwerkzaamheid’, op ‘normen en waarden in de samenleving’ en op ‘persoonlijke verantwoordelijkheid’. De toenemende maatschappelijke ontbinding, de verpaupering en de onveiligheid worden toegeschreven aan etnische, culturele en religieuze achtergronden die spanningen veroorzaken waartegen de staat hard zou moeten optreden. Tegelijk wordt iedere verantwoordelijkheid van de burgerlijke staat en het kapitalisme verontwaardigd van de hand gewezen. Maar het is met de verdere ontwikkeling van de al veertig jaar durende overproductiecrisis van het kapitalisme dat de samenleving inderdaad steeds verder verloedert en het sociale weefsel van het ‘poldermodel’ tot op de draad is versleten. Het kapitalisme zelf is de oorzaak van de problemen en het heeft er geen enkele oplossing voor. Wat de bourgeoisie wel kan doen, is die problemen tegen de arbeidersklasse uitspelen, om binnen de arbeidersklasse te stoken, verdeeldheid te zaaien en schuldgevoelens aan te praten. Zo spelen regering en parlement een spel van problemen zonder oplossingen door op het ene moment met boude uitspraken olie op het populistische vuur gooien en op het andere ogenblik met een beroep op het ‘gezonde verstand’ te manen de situatie niet nóg verder te laten escaleren. Omdat de bourgeoisie geen sociale chaos wil oogsten zaait ze volop ideologische verwarring. Wat ze ook beweert om die campagne over door haarzelf vergiftigde sociale kwesties aan de gang te houden, het is de proletarische solidariteit die haar angst inboezemt en niet zozeer het moslim-extremisme waarmee zij kan ‘verdelen en heersen’.
Fractievoorzitter Jan Marijnissen van de links-populistische SP denkt bij ‘solidariteit’ vooral aan de sociale verzekeringen: “Het is één van de grote misverstanden van deze tijd: te denken dat wanneer de door de overheid georganiseerde solidariteit afneemt, de spontane, maatschappelijke solidariteit zal toenemen. Niets is minder waar gebleken.” Als hij met nadruk wijst op de ‘ieder-voor-zich’ mentaliteit en eraan toevoegt dat we leven in een tijdsgewricht van hedonisme en individualisme dan is het vooral om de burgerlijke staat aan te prijzen als de enige uitweg, omdat de arbeidersklasse zelf geen antwoord zou hebben.
Zo horen we van alle kanten dat onze solidariteit alleen tot uitdrukking kan komen door middel van dezelfde kapitalistische staat die de pensioenen en de sociale uitkeringen ondergraaft, die de ‘herstructureringen’, de bedrijfsverplaatsingen en de ontslagen orkestreert, en die de levens- en arbeidsomstandigheden afbreekt. Maar de campagnes zijn minder dan voorheen gericht op het direct mobiliseren van ‘de burger’ achter de kapitalistische staat en meer op het zaaien van verwarring om de groei van het bewustzijn in de klasse over de noodzaak om de strijd aan te gaan af te remmen en de arbeiders van hun eigen strijdterrein weg te houden.
Om een terugkeer van de strijdbaarheid zover mogelijk naar de toekomst te verschuiven heeft de bourgeoisie een waar spervuur van ideologische campagnes geopend, waarin de ‘verdediging van de democratie’ wordt toegespitst op een geperverteerd idee van solidariteit tussen staatsburgers. Zo wordt er een rookgordijn opgetrokken om te voorkomen dat de arbeiders hun eigen solidariteit tot ontwikkeling brengen en zich vereenzelvigen met hun klasse.
De maatschappelijke uitzichtloosheid daagt steeds meer uit tot het aanhangen van extremistische standpunten en archaïsche ideologieën. De vroegere thema’s van de ‘verzuiling’, die na de Eerste Wereldoorlog werd georganiseerd om de arbeidersklasse opgedeeld te houden naar ‘levensbeschouwelijke richting’, kunnen zo in nieuwe vorm worden uitgekauwd.
De ‘roep om veiligheid’ en het populistisch zoeken naar zondebokken voor sociale spanningen worden tegenover de ‘verdediging van de rechtsstaat’ gesteld, zoals met de strafprocessen tegen islam-extremisten van het slag Mohammed B. Zo worden we, aangespoord door protesterende rechters en advocaten, opgeroepen de burgerlijke ‘rechtsstaat’ in verdediging te nemen tegen de gevaren van een ‘politiestaat’. Daarbij horen het nieuwe ‘grondrechtendebat’, het doorvoeren van ‘anti-terreur-maatregelen’ zoals de legitimatieplicht vanaf veertien jaar en de striktere controle van het betalingsverkeer, het toelaten van AIVD-informatie als bewijs in de rechtszaal, het afluisteren van de communicatie tussen aangeklaagde en advocaat. Het ‘discriminatieverbod’ komt plotseling op gespannen voet te staan met de ‘vrijheid van meningsuiting’. De ‘verworvenheden van de multiculturele samenleving’ komen onder druk te staan door thema’s als eerwraak, ‘vrouwenbesnijdenis’ en het dragen van hoofddoekjes. Tegelijk mobiliseren gemeentebesturen onder verwijzing naar de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog schoolkinderen om op te komen tegen het uitzettingsbeleid voor de 26.000 uitgeprocedeerde asielzoekers. De verdediging van de ‘vrijheid van godsdienst en geweten’ wordt gecombineerd met het uit het land zetten van imams als ‘gevaar voor de Nederlandse staat en samenleving’, zoals die van de Al-Fourkaan-moskee in Eindhoven, en met het verbieden van de islamistische stroming van het salafisme. Ondertussen wordt een beroep gedaan op imams om de islamitische achterban onder controle te houden en de rol van politieverklikker te spelen, terwijl er tegelijk stemmen opgaan om ‘godslastering’ weer strafrechtelijk te vervolgen en bijvoorbeeld de productie van ‘Submission-2’ van Ayaan Hirsi Ali te laten verbieden. De ‘vrijheid van onderwijs’ wordt aangevuld met het onder strenger toezicht plaatsen van islamitische scholen om hun ‘democratisch gehalte’ te toetsen. De vrije toegankelijkheid van informatie wordt geamendeerd door campagnes tegen ‘extremistische literatuur’ in moskeeën en scholen, waarbij ook de openbare bibliotheken een veeg uit de pan krijgen en daarop reageren met protest tegen de snuffeltoegang van de politie op alles wat geleend en gelezen wordt.
Het zijn allemaal campagnes om het gevoel op te wekken verloren te lopen in onoplosbare problemen, en gericht op een zekere ontreddering binnen een arbeidersklasse teweeg te brengen om ondertussen de nieuwe bezuinigingsmaatregelen te kunnen doorvoeren. Zo worden alle kwesties door elkaar gehusseld en de gemoederen verhit. De bourgeoisie in Nederland heeft altijd op intelligente wijze gebruik gemaakt van illusies over de democratie - het vertrouwen in de redelijkheid van de burgerlijke staat en de wet, de vereenzelviging daarmee - en keert deze tegen de bevolking in het algemeen, en tegen de arbeidersklasse in het bijzonder. In dit kader kan de verdere onttakeling van de ‘sociale voorzieningen’ worden voorgesteld als het ‘betaalbaar houden van de solidariteit’, kunnen loonsdalingen tot het hoogst bereikbare resultaat worden verklaard van vakbondsonderhandelingen in naam van ‘solidariteit met de minder draagkrachtigen’ en vooral met de nationale economie. Zelfs ontslagen kunnen worden doorgevoerd onder het mom van het ‘redden van arbeidsplaatsen’.
Het werkelijke probleem is dat de bourgeoisie er steeds minder in slaagt de arbeidskracht winstgevend uit te buiten. Met officieel 535.000 werklozen voor 2005 en een economische groei van 1% is het duidelijk dat het slecht gaat en na een kwart eeuw van bezuinigingspolitiek voorspelt het geklaag over de hoge arbeidskosten in Nederland ook al weinig goeds. De al dan niet vervroegde pensioenen blijven onder druk staan en er komen belastingverhogingen op vooral het eigen woningbezit - nadat de sociale huisvesting voor een groot deel is afgebouwd. Ondertussen is de bourgeoisie er wel in geslaagd 60.000 WAO-ers administratief uit de statistieken te laten verdwijnen.
De beroepsonderhandelaars van de vakbeweging, Lodewijk de Waal en Doekle Terpstra, maakten na 2 oktober, waar ze zich in de massa weinig op hun gemak voelden, snel plaats voor de nieuwe FNV-voorzitter Agnes Jongerius, wat populistischer maar uit dezelfde stal: ze bepleit zelfs het achter ons laten van de ‘verzorgingsstaat’, ze wil af van het ‘klassieke’ sociale zekerheidsstelsel en vraagt zich hardop af of de overheid nog wel de WAO en WW moet regelen. Dat bevestigt nog maar eens dat de vakbonden niet uit zijn op een ‘compromis’ in het belang van het proletariaat, maar bestaan om maatregelen door te drukken in het belang van de nationale staat en haar heersende klasse.
Met de versterking van de ideologische campagnes ontwikkelde de bourgeoisie ook een offensief middels de collectieve arbeidsovereenkomsten. Daarin zouden volgens de vakbeweging goedwillende werkgevers enige compensatie moeten bieden voor de maatregelen van de slechtwillende regering of anders tot goedwilligheid gedwongen moeten worden. In het najaarsoverleg van 2004 waren er achter de rug van de arbeiders om echter allang duidelijke CAO-afspraken gemaakt. De arbeiders, versplinterd per bedrijf en sector, wordt een nog groter gevoel van machteloosheid opgelegd. Feitelijk konden de vakbonden hun acties tot één enkele sector beperken: die van de metaal- en elektrotechnische industrie. En binnen die sector werd er op 18 maart eerst een afzonderlijk akkoord gesloten bij Corus in IJmuiden, verreweg het grootste bedrijf, om daarna in de rest van de sector op vrijdag 1 april een goed gecontroleerde ééndags-staking te laten plaatsvinden, met 18.000 stakers verdeeld over 180 bedrijven en bedrijfjes, van de in totaal 180.000 werknemers die onder de CAO vallen. De vakbondsmanifestaties werden verdeeld over Rotterdam, Hengelo en Eindhoven. Toch was het de eerste grote staking in deze sector in tien jaar, en de sector had zijn strijdbaarheid al bewezen op 27 oktober met manifestaties bij vooral Corus in IJmuiden, maar ook in Almere, Rotterdam en Hengelo. Op de dag van de aangekondigde vervolgacties, 7 april, werd plotseling een CAO-akkoord voor heel de sector afgesloten en verdere actie overbodig verklaard.
Desondanks kunnen de aanvallen en manoeuvres op termijn de verontwaardiging alleen maar laten toenemen. Als de vakbeweging er in slaagt om de strijdbaarheid in één sector tijdelijk uit te blussen, dan laait deze onder druk van de onophoudelijke aanvallen en de ongerustheid over de werkzekerheid in andere sectoren en bedrijven weer op. Er blijven ontslagen vallen die de arbeiders er onmiddellijk toe brengen te reageren. De werkloosheid vormt een cruciaal vraagstuk in de ontwikkeling van de arbeiderssolidariteit. Bij de zorgverzekeraars verdwijnen weer drie- tot vijfduizend banen. De Friese scheepswerf Arrels en de Campinafabriek te Uitgeest sluiten; Akzo en de Kadasters rationaliseren samen nog eens 700 banen weg. Een fusie van het Algemeen Dagblad met zeven regionale kranten zal zo’n 325 arbeidsplaatsen kosten. KPN Telecom kondigt aan om in vijf jaar 8.000 van de 12.000 banen in de vaste telefonie te willen schrappen wegens sanering.
Bij ENCI in Maastricht en Atoglas in Friesland vonden stakingen plaats tegen ontslagen en bedrijfssluiting. Hoewel ze geïsoleerd bleven, snel werden ingekaderd en zonder vervolg bleven konden ze niet worden voorkomen. De staking bij het cementbedrijf ENCI in februari werd door de vakbeweging teruggebracht tot de vraag of de directie ‘gedwongen’ kon worden naar de vakbonden te luisteren zodat er geen 270 maar ‘slechts’ 170 banen verloren zouden gaan (de eerste honderd had de directie dus al binnen). De directie aanvaardde minzaam het ‘alternatieve plan’ van de vakbonden, wat natuurlijk als een vakbonds-overwinning werd uitgebazuind. Maar voor de arbeiders was er niets te vieren ondanks dat ze op het NOS journaal van 21 februari hossend in beeld werden gebracht. Niet zonder toeval begon één dag later, netjes gescheiden, het vakbondsvervolg bij de kunststoffenfabriek Atoglas in Leeuwarden waar de vakbonden de eerste 40 van de 130 arbeidsplaatsen bij voorbaat opofferden. Schuld van de intussen voldongen bedrijfssluiting krijgt de ‘totaal onredelijke’ bedrijfsleiding van het Franse moederbedrijf Total, net als eerder het Duitse moederbedrijf van de ENCI. Bovendien wordt beweerd dat ‘het sociaal plan beter is dan dat van vóór de staking’. Kortom: niet de kapitalistische crisis, maar buitenlandse bedrijfsleidingen zouden verantwoordelijk zijn en die zouden alleen door de vakbonden tot rede kunnen worden gebracht. Vanuit het standpunt van de ‘BV Nederland’ en haar staat is dat logisch - vanuit het standpunt van de arbeidersklasse daarentegen openen zich heel andere vooruitzichten.
De aarzelend ontluikende strijdbaarheid kan weliswaar nog gemakkelijk worden opgevangen in de netten van de vakbeweging omdat de arbeiders nog niet goed weten wat te doen of wat te denken - maar ook is het duidelijk dat de bourgeoisie er niet gerust op is dat dit zo blijft. Het sociaal front beweegt in reactie op de onophoudelijke afbraak van arbeids- en levensomstandigheden, groeiende werkdruk en toenemende gevaren en spanningen. Wanneer de strijdbaarheid nog weinig gericht is en per sector sterk verschilt, dan laat ze in kiemvorm toch al zien waaruit de solidariteit van de arbeidersklasse bestaat, en dat zij een beslissende factor in haar strijd is. Een aanval op een deel van de klasse is een aanval op de hele klasse. Dat is één van de belangrijkste lessen van de bewegingen in de openbare sector in Frankrijk en Oostenrijk in 2003 rond de pensioenen en in Duitsland in 2004 tegen ontslagen verhoogde werkdruk en loondalingen bij Daimler-Chrysler en Opel en rond de drastische kortingen op uitkeringen volgens ‘Harz IV’.
Solidariteit bestaat niet uit het volgen van de staatsmanoeuvres, uit louter financiële solidariteit of het sturen van vakbondsdelegaties. Zij bestaat eruit het isolement te doorbreken, actief deel te nemen aan de strijd, die uit te breiden over de grenzen van bedrijven en sectoren heen. Dat is de strijdtraditie van de arbeidersklasse waarbij weer moet worden aangeknoopt. Dan ook kunnen de arbeiders zich weer deel voelen uitmaken van de klasse die een maatschappelijk alternatief voor het kapitalisme te bieden heeft aan de hele maatschappij. Alleen wanneer ze weer aanknopen bij hun eigen tradities van solidariteit, de strijd uitbreiden en dagelijkse algemene vergaderingen organiseren, kunnen ze de bourgeoisie onder druk zetten en de aanvallen tijdelijk terugdringen.
Manus/ 09.04.2005
(1) Zie Balans van 2 oktober 2004: samen strijden, de enige keuze!, bijlage bij Wereldrevolutie, nr. 103, 30 oktober 2004.
(2) Zie het artikel Terrorisme, xenofobie en de verdediging van de ‘democratie’: Een aanslag op het bewustzijn van de arbeidersklasse, in Wereldrevolutie, nr. 104, januari 2005.
Vandaag bazuinen de westerse media uit dat er een democratische wind van verandering door de wereld waait. Van Irak tot Libanon, via de landen die deel uitmaakten van de voormalige ‘sovjet’-ijsvelden tot aan de republieken in de Kaukasus en Centraal-Azië; de oppermachtige drang naar een ‘vrije’ wereld zou een ongekende vlucht nemen.
De verkiezingen die plaatsgehad hebben of op komst zijn in Afghanistan, in Irak, in Saoedi-Arabië, in Centraal-Azië; de ‘democratische’ revoluties in Georgië, Oekraïne en nu in Kirghizistan; de betogingen van het Libanese volk tegen de aanwezigheid van de Syrische troepen; het weer op gang brengen van het Israëlisch-Palestijnse vredesproces. Dat alles zou de uitdrukking zijn van een wil van de volkeren om zich aan te sluiten bij het democratisch paradijs. De promotoren van deze aangekondigde idyllische wereld zijn de Westerse grootmachten en in het bijzonder de Verenigde Staten, die beweren dat “de dooi heeft ingezet” in de landen van het ‘Grote Midden-Oosten’ en dat “de hoop en de vrijheid zich uitbreiden over de hele planeet”. Deze visie van ongebreideld optimisme van de toekomstige kapitalistische wereld is een grove illusie die tot doel heeft voor het wereldproletariaat te verbergen dat de toestand die de mensheid vandaag beleeft nog nooit zo ernstig is geweest. Want achter de circuseffecten van de wereldbourgeoisie, te beginnen met die van de ontwikkelde landen, is een zeer duidelijke verscherping van de imperialistische spanningen werkzaam. En het zijn juist de landen die geprezen worden omwille van hun ‘strijd voor de democratie’ die in het centrum van het oorlogsgestook tussen de grootmachten bevinden en van het offensief dat door de Verenigde Staten is ingezet na de herverkiezing van Bush.
De tweede verjaardag van de bezetting van Irak door het Amerikaanse leger behoeft geen commentaar: meer dan 100.000 Irakezen zijn gedood, waarvan een groot deel onschuldige burgerbevolking, 1.520 Amerikaanse soldaten zijn gedood en 11.300 gewond, tientallen steden en dorpen vernield, en met hen de infrastructuur die voorzag in water, elektriciteit en een deel van de brandstof. 200 Miljard dollar is er al uitgegeven voor deze barbarij. En het is wel degelijk omdat de Bush-administratie zich bewust is van het wegzakken in het Irakese moeras en de nefaste gevolgen van deze toestand voor hun positie als eerste wereldmacht dat ze zo’n alzijdig tegenoffensief ontplooit.
Wie ook de verantwoordelijken zijn van de aanslag die 19 doden eiste, waaronder de leider van de oppositie Hariri, wij moeten ons de vraag stellen: wie haalt er voordeel uit de misdaad? Zeker Syrië niet. Niet alleen wordt het door het geheel van de ontwikkelde landen op de beklaagdenbank gedwongen, maar het wordt ook door landen van de Arabische Liga zoals Saoedi-Arabië en Egypte met de vinger gewezen. Bovendien heeft de internationale druk hen er toe verplicht zich terug te trekken uit de militaire stellingen die ze met zoveel moeite hadden verworven in Libanon tijdens de jaren 1980. Ze moeten hun greep verslappen op het politieke leven in Libanon om vrij spel te laten aan de Franse en Amerikaanse inmenging.
Deze aanslag blijkt eerder een ‘buitenkans’ voor Bush en Chirac, dezelfden die in september 2004 aan de wieg stonden van de stemming over resolutie 1559, die de terugtrekking van het Syrische leger eiste uit Libanon. Het werkelijke doel van de luidruchtige bijval die door Frankrijk en de Verenigde Staten verleend werd aan de gigantische betogingen van de Libanese oppositie, die opkomt voor de verandering van de pro-Syrische regering en voor het zo snel mogelijk houden van verkiezingen, betekende in werkelijkheid het doordringen in het politieke leven van Libanon om er hun eigen prerogatieven te verdedigen.
Frankrijk mikt voor zijn part op het terugwinnen van de invloed die het in het verleden in Libanon had, tijdens de Koude Oorlog toen het de belangen van het Westers Blok verdedigde. Deze invloed was vervolgens geleidelijk omgeslagen om helemaal te verdwijnen met het aan de dijk zetten van de christelijke generaal Michel Aoun, de stroman van Parijs. Nu de nieuwe situatie gunstig is, beoogt Chirac diens terugkeer naar Libanon. Het spel is echter nog niet gewonnen voor Frankrijk, dat sinds de eliminatie van Hariri nog meer gebrek heeft aan steunpunten. En het is wel degelijk om deze reden dat Chirac hals over kop naar Beiroet gevlogen is daags na de dood van deze ‘vriend’ van Frankrijk. Bovendien ziet Frankrijk zich verplicht tot de gevaarlijke exercitie om van alle walletjes te eten. Zo vermijdt het zorgvuldig om Hezbollah te veroordelen als terroristische groep, om niet met de rug naar Syrië toe te komen staan, aan wie de “partij Gods” steun verleent, en om zich ook niet van Iran af te keren. Parallel daaraan doet het inspanningen om de verschillende bestanddelen van de Libanese oppositie te steunen, zoals de christelijke milities. En tenslotte ziet het zich genoodzaakt om zijn kritiek op het Witte Huis in te tomen, aangezien zij voor wat betreft het Libanese probleem bepaalde gelijklopende belangen hebben. Wat de Bush-administratie betreft kan men er zijn kop op verwedden dat ze niet zal nalaten om deze spagaat van de Franse diplomatie op het geschikte moment aan te stippen, want het gaat er voor haar om de aanspraken van Frankrijk op een terugkeer in te regio in te dammen.
Ook profiteren vooral de Verenigde Staten en hun Israëlische bondgenoten van de dood van Hariri. Deze heeft een toestand geschapen die zou kunnen uitdraaien op een beslissend voordeel voor de Bush-administratie tegenover de ‘as van het kwaad’ in het Midden-Oosten: Syrië, de Hezbollah en Iran. Sinds de lente van vorig jaar wordt Syrië door Uncle Sam openlijk bedreigd onder het voorwendsel dat het aan de terroristen van Al Qaïda onderdak verleent en als uitvalsbasis dient voor de oude getrouwen van Saddam Hussein. In dezelfde zin zijn de Israëlische verantwoordelijken een diaboliseringscampagne gestart tegen de pro-Iraanse Hezbollah die door Syrië wordt gesteund. Voor Washington moet Syrië weg uit Libanon. Maar het uiteindelijke doel is het regime in Damascus te destabiliseren om het een regering op te dringen van soennitische strekking met het oog op het isoleren van de Hezbollah en het sjiïtische Iran. Zo richten de Verenigde Staten, achter Syrië, hun vizier op Iran, dat een steeds nadrukkelijker rol gaat spelen als regionale macht, nota bene door zich tegen de eerste wereldmacht op te stellen en bezig om zich te voorzien van het atoomwapen.
Zo maakt de druk van de Bush-administratie op Syrië deel uit van hetzelfde plan als de gespierde redevoeringen tegen Iran. Als het Amerikaanse offensief tegen Iran vandaag via Syrië verloopt, dan is dat vanwege het feit dat een militaire tussenkomst in Iran op enorme moeilijkheden zou stuiten, die nog groter zijn dan in Irak. Ondanks het bekendmaken van de Israëlische oorlogsplannen om de Iraanse installaties te bombarderen, wanneer Iran niet zou afzien van het verwerven van het atoomwapen, is het toch weinig waarschijnlijk dat het Amerikaanse leger, gezien het Irakese moeras, in de nabije toekomst in staat zou zijn om een nieuw militair front te openen. Niettemin betekent dit niet dat er rust komt in de regio. In Libanon gaan zich waarschijnlijk moordende botsingen ontwikkelen tussen de verschillende gemeenschappen, die worden opgehitst door de verschillende aanwezige klieken die zelf voor rekening van naburige machten of grootmachten optreden. De verklaringen van Nasrallah, de leider van de Hezbollah, voor wie de terugtrekking van Damascus zal neerkomen op de burgeroorlog, zijn geen bluf zoals al wordt aangetoond door de aanslagen die elkaar beginnen op te volgen in Libanon. De Amerikaanse druk op Syrië kan trouwens niet anders dan Syrië er toe brengen om de banden met Iran nauwer aan te halen en nog actiever het verzet tegen de aanwezigheid van de Verenigde Staten in Irak te ondersteunen. Om het duidelijk te zeggen, maken we een nieuwe etappe mee in het uitwaaieren van de chaos naar andere geografische zones en van naar nieuwe bloedbaden.
De Amerikaanse diplomatie is ook aan het stoken in het vroegere sovjetimperium, in de Kaukasische republieken en in Centraal-Azië. In naam van de democratie en de vrijheid, financiert en moedigt het Witte Huis de oppositiebewegingen aan tegen de regeringen die banden hebben met de Russische staat. Na de ‘rozenrevolutie’ in Georgië in 2003, vervolgens de ‘oranje revolutie’ in Oekraïne, werpt de heel recente ‘tulpenrevolutie’ in Kirghizistan een nieuwe steen van de Verenigde Staten op de defensieopstelling van het Russisch imperialisme.
Washington gaat er trouwens openlijk prat op. De Amerikaanse ambassadeur in Bisjkek, de Kirghizische hoofdstad verklaarde, daags na de vlucht van president Akaïev, het volgende voor de CNN: “Wat er gebeurt beroert het Kirghizische volk en zijn beslissingen, en de Verenigde Staten zijn er trots op daarin een steunende rol te spelen”. Duidelijker kan het niet.
Het is via de regeringsorganismes en verenigingen die gespecialiseerd zijn in de promotie van de democratie over heel de wereld zoals de Soros-stichting of de NED dat de Verenigde Staten al deze oppositiebewegingen steunen. We wijzen erop dat de laatstgenoemden buiten hun actieve deelname aan de anti-Russische “revoluties”, een werkelijke invloed hebben in Moldavië en dat de Amerikaanse senaat pas een motie over de democratie heeft aangenomen die in Wit-Rusland moet worden verwezenlijkt.
Zo maken we een regelrechte omsingelingsbeweging mee van heel Rusland, of het nu gaat om zijn grenzen in het Westen, het Oosten of het Zuiden, een omsingeling die het gevolg is van de militaire inval in Afghanistan.
Zoals we al eerder in onze pers hebben uiteengezet (zie Révolution Internationale, nr. 354), wordt Rusland sinds de ineenstorting van het Oostblok, geconfronteerd met de voortdurende afkalving van zijn invloed in Centraal- en Oost-Europa. Dit vertaalt zich door het feit dat het geheel van de landen die deel uitmaakten van het Warschaupact nu toegetreden zijn tot de NAVO en tot Europa. En het geheel van de landen van het GOS, die in 1991 onder controle van Rusland geplaatst werden, dat vandaag in de maalstroom zit en zich onvermijdelijk losscheurt.
Wanneer de Russische beer tegenwoordig één voor één de resten van zijn rijk ziet verdwijnen, is dat omdat de Verenigde Staten Rusland proberen te verzwakken, vooral nadat het geweigerd heeft om in de pas te lopen tijdens de laatste tussenkomst in Irak. Een dergelijke opstelling van Rusland had inderdaad in grote mate bijgedragen tot de vastbeslotenheid van Frankrijk en Duitsland om het hoofd te bieden aan de Verenigde Staten. Nu oogst Rusland het dividend van zijn niet-alliantie met Washington.
Maar de belangrijkste motivatie van de Verenigde Staten in hun politiek om de landen van het GOS aan hun invloed te onderwerpen, is om te vermijden dat ze in de invloedssfeer zouden terechtkomen van de Europese grootmachten, en in de eerste plaats van Duitsland dat traditioneel een oostwaarts gerichte as van imperialistische uitbreiding kent. In feite maakt dit wezenlijke doel van het Amerikaanse offensief deel uit van het vervolg van een omsingelingsstrategie van datzelfde Europa, waarvan de inval in Afghanistan in 2003 de eerste steen is geweest.
Wat er op het spel staat is van die aard dat het slechts de spanning tussen de grootmachten kan opdrijven. De uitgangssituatie wordt ingewikkelder en de situatie wordt alsmaar onstabieler door het belang dat tweederangs machten als Turkije of Iran stellen in bepaalde grondgebieden van de voormalige Sovjet-Unie. Dezen oordelen dat zij ook een kaart te spelen hebben om, in de buurt van hun eigen grenzen, aanspraken te maken op dit of dat grondgebied.
Voor Rusland staat het buiten kijf dat het zich niet passief zal laten reduceren tot de status van een tweederangs regionale macht. In dat verband moet worden onderstreept dat voor Rusland het verlies van bepaalde van zijn voormalige satellieten van het GOS een aanzienlijke verzwakking inhoudt van zijn nucleair potentieel. Het voorbeeld van Oekraïne, dat belangrijke Russische bases heeft op zijn grondgebied, is veelbetekenend voor deze situatie.
Zo kan de wind van de “democratisering” die door de oude sovjetrepublieken waait, verre van de regio te stabiliseren, Rusland alleen maar in een vlucht naar voren in de oorlog storten. De moord van de Russische veiligheidsdiensten op de Tsjetsjeense onafhankelijkheidsleider Maschadov, de enige persoon die over voldoende legitimiteit beschikte om een proces van politieke regeling van het conflict mogelijk te maken in dit land, gaat duidelijk die richting uit. Door Maschadov uit de weg te ruimen belet Rusland in feite de Verenigde Staten om deze te gebruiken om een nog een ‘democratisch proces’ aan te zwengelen in Tsjetsjenië.
De groeiende druk van de Verenigde Staten, zowel tegen Rusland als tegen bepaalde landen van Europa, kan niet anders dan een toenemende oppositie van deze laatsten teweegbrengen tegen de Amerikaanse plannen. Verre van zich te ‘onderwerpen’, hebben Frankrijk, Duitsland en Rusland, vergezeld door het Spanje van Zapatero, op hun recente ‘top’ een verharding te kennen gegeven van hun standpunten tegenover Amerika, in het bijzonder via hun oproep tot militaire terugtrekking uit Irak.
Een dergelijke dynamiek is niet zonder invloed op het militaire engagement van de eerste wereldmacht die, op haar beurt, de vorm aanneemt van een vlucht naar voren.
Vijftien jaar geleden, bij de ineenstorting van het Oostblok, beloofde de Westerse bourgeoisie ons een “tijdperk van vrede in een Nieuwe Wereldorde”. Van Irak tot voormalig Joegoslavië, via Rwanda, Somalië, het Nabije en Midden-Oosten, West- en Centraal-Azië, is de planeet het toneel geweest van een verdubbeling van geweld en wreedheden. Vandaag heeft al de propaganda van de bourgeoisie over de “wind van democratie en vrijheid” niets van een verfrissende lucht. Het is lucht die meer dan ooit is bedorven, net zoals het kapitalistische systeem de stank verspreidt van dood en barbarij.
Donald / 25.03.2005
De wereld zakt voortdurend verder weg in de chaos: de armoede verbreidt zich tot in het hart van de meest ontwikkelde landen toe, de massale en langdurige werkloosheid spaart niemand meer, de oorlog tussen staten raakt haast alle continenten. Toch blijft de bourgeoisie ondanks deze voortdurende vernietiging spreken over welzijn, voorspoed, vooruitgang: waar is de vooruitgang in de oorlog die praktisch overal de bevolking neermaait en steden, velden en bossen vernietigt? Waar is het welzijn wanneer elke dag duizenden mensen de hongerdood sterven? Waar is de voorspoed wanneer geen enkele arbeider op deze aarde kan weten hoe zijn toekomst eruit ziet?
Geconfronteerd met die paradox kan men zich afvragen hoe een maatschappij die vooruitgang boekt en steeds meer welzijn en veiligheid biedt, juist het tegengestelde over de mensheid uitstort. Waardoor komt dat? Is het een noodlot? De bourgeoisie heeft haar antwoorden klaar: ze vertelt ons dat het komt omdat de mensen ‘slecht’ zijn, omdat er een gebrek is aan democratie, dat het om tijdelijke economische moeilijkheden gaat tengevolge van een slechte regeling van de geldstromen, van een prijsstijging van de grondstoffen op de markten, van immorele speculatie op diezelfde markten, enzovoort.
Dat alles vloekt met de werkelijke omstandigheden. Bovendien horen we die argumenten al jaren, zonder dat de situatie ooit verbeterd is, integendeel. Dus: waarom zo’n rampspoed na al de vooruitgang die de mensheid heeft mogen beleven? Waarom zoveel ellende terwijl er zoveel rijkdom tot onze beschikking staat? In feite gaan die zogenaamde verklaringen - opzettelijk - voorbij aan de enige realiteit die ons in staat stelt de zaak te begrijpen. Die realiteit, dat is de economische wereldcrisis. En wanneer wij, revolutionaire marxisten, vandaag van crisis spreken, dan is dat niet op dezelfde gronden als de bourgeoisie. Wij hebben het over een onoverkomelijke crisis, die het failliet tekent van het kapitalistisch systeem.
Voor die bewering steunen we ons niet op een eenvoudige ‘fotografische’ observatie, maar op heel de marxistische analyse van de ontwikkeling van het kapitalisme. Op basis daarvan stellen we dat het kapitalisme zich al bijna een eeuw in zijn vervalfase bevindt, en dat in deze fase - in tegenstelling tot de fase van opkomst - de kapitalistische crisis een onoverkomelijk element wordt, waarvan de uitkomst alleen kan zijn: ofwel de vernietiging van de mensheid en van alle verwezenlijkingen van haar ontwikkeling doorheen de geschiedenis, ofwel het overstijgen van de dodelijke tegenstellingen van het kapitalisme door de arbeidersklasse in haar gevecht voor de opbouw van een nieuwe maatschappij.
In die zin is het verval voor ons, marxisten, het fundamentele raamwerk van de analyse om de huidige situatie te begrijpen. Zonder dat raamwerk is het niet alleen onmogelijk de realiteit van de huidige wereld te begrijpen, het is dan ook onmogelijk van een realistisch perspectief uit te gaan, Want verre van ons tot demoralisatie, tot ‘no future’ te brengen, legt de marxistische theorie van het verval de grondslag van het perspectief van het kommunisme, dat niet het resultaat is van de goede wil van de mensen, maar dat steunt op een complete analyse van de ontwikkeling van de menselijke maatschappijen: het historisch materialisme.
De vervaltheorie is geen uitvinding van de IKS. Het is integendeel een concept dat centraal staat in de marxistische analyse van de ontwikkeling van de menselijke maatschappijen, centraal in het historisch materialisme. Bij de ontwikkeling van hun werkmethode begonnen Marx en Engels ermee de sociale ontwikkeling van de mensheid te analyseren als sleutel voor het begrip van de ontwikkeling van de hedendaagse samenleving. In hun onderzoek ontdekten beide grondleggers van het marxisme dat de menselijke samenleving zich organiseert rond de productie, rond de eerste en centrale activiteit van de mens. Daarom tekenen de sociale verhoudingen zich af in de organisatie van de productiemiddelen.
Door het vraagstuk meteen op historisch vlak te bekijken, kwamen ze tot een analyse van hoe de ontwikkeling van de productiemiddelen en hun organisatie de maatschappelijke ontwikkeling [organisation] beïnvloedden. Kort samenvattend kunnen we stellen dat de ontwikkeling van de productiemiddelen, nodig voor de hoeveelheid te bevredigen behoeften een dergelijk niveau bereikte dat de organisatie van die middelen voor de productie onaangepast werd, en tenslotte zelfs een belemmering. De organisatie van de productie moest diepgaand worden veranderd opdat de bestaande productiemiddelen maximaal zouden kunnen worden aangewend en hun ontwikkeling voortgezet.
Die aanpassing was niet zachtzinnig: zoals we al zeiden tekent de maatschappelijke organisatie zich af rond de productie, en tot op heden moet de mensheid de schaarste beheren. Daaruit ontstaat noodzakelijkerwijze het bezit, de eigendom, de uitbuiting... Rond de productie kristalliseren zich dus belangen en macht. Het in vraag stellen van de organisatie van de productie komt dus neer op het in vraag stellen van de economische, politieke en sociale posities van de heersende klassen. Pas door een min of meer gewelddadige breuk kan die verandering plaatsvinden.
Daarom verloopt de ontwikkeling van de productie-middelen niet op een rechtlijnige manier, zonder breukpunten, in een voortdurende opgang. Daarom doorloopt elk productiesysteem een fase van verval, waarin de ontwikkeling van de productiemiddelen in botsing komt met hun organisatie zonder dat dit tot een oplossing komt, terwijl zich in de maatschappij de revolutionaire krachten loskomen tegenover de reactionaire krachten die vasthouden aan hun privileges.
In de Romeinse maatschappij was de productie georganiseerd rond de slaven, die werkten, en de meesters, die hen lieten werken. Die productiewijze maakte de ontwikkeling van de productie mogelijk tot op een niveau waarop problemen ontstonden: om te blijven produceren, waren meer slaven nodig, slaven die in feite oorlogsgevangenen waren, maar de geografische limieten van de oorlog, met de middelen waarover men toen beschikte, werden bereikt. Bovendien vereiste de ontwikkeling van de productietechnieken een meer geperfectioneerde arbeidskracht, die niet door de slavernij kon leveren... Men ziet in dit voorbeeld dat de wijze waarop de productie georganiseerd was steeds minder was aangepast aan de productie, en dat om de productie te kunnen blijven ontwikkelen, die organisatie, die tot dan toe de ontwikkeling mogelijk gemaakt had, deze nu gaat belemmeren, ze wordt er een hindernis voor.
Daarom werden de slaven bevrijd en werden ze lijfeigenen. Op zijn beurt heeft het feodale systeem de ontwikkeling van de productie mogelijk gemaakt totdat deze zo’n hoogte bereikte dat ze opnieuw op een hindernis stuitte. Het zijn de kapitalistische verhoudingen die de middeleeuwse producent omvormen tot de vrije mens die zijn arbeidskracht verkoopt aan de kapitalist. Opnieuw krijgt de productie een organisatie die haar ontwikkeling mogelijk maakt. Het is een ongekend snelle ontwikkeling die de mensheid voor het eerst in de gelegenheid stelt zich te bevrijden van de schaarste.
De overgang van de ene productiewijze naar de andere verloopt niet rechtlijnig of zonder horten en stoten, als het ware van de ene opgang naar de andere. Want de productiewijze vertaalt zich in sociale verhoudingen en in een eigen sociale organisatie. Daarin verdedigt de heersende klasse met alle middelen haar belangen tegen het perspectief op omverwerping van de gevestigde orde. Gedurende die tijd leidt de groeiende onverenigbaarheid tussen het niveau dat door de productie werd bereikt en de wijze waarop zij is georganiseerd tot steeds sterker stuiptrekkingen. Het verval begint dus wanneer de productieverhoudingen een belemmering gaan vormen voor de ontwikkeling van de productie. Het verval duurt voort zolang er geen nieuwe productieverhoudingen kunnen worden ingevoerd. Het verval is de periode van failliet van de oude maatschappij, zolang een nieuwe niet kan worden gegrondvest.
Het kapitalisme ontsnapt zoals we hebben gezien natuurlijk niet aan deze regel. Maar het verval van het kapitalisme onderscheidt zich van de vervalperiodes uit het verleden door het feit dat in de vorige maatschappijen de kiemen van de nieuwe maatschappij al bestonden en zich konden ontwikkelen binnen de oude maatschappij. Binnen de feodale maatschappij veroverde de bourgeoisie geleidelijk de economische macht en vormde zij de productie tegelijkertijd al voor een groot deel om voordat ze aan de politieke macht kwam. In het kapitalisme niets van dat alles. De revolutionaire klasse, het proletariaat, kan geen nieuwe productie-verhoudingen instellen zonder de bestaande te vernietigen. Daarin schuilt heel de ernst van het kapitalistisch verval.
We zien dus duidelijk dat voor marxisten verval geen moreel begrip is. De marxisten ontwikkelen het begrip verval als een wetenschappelijk, materialistisch concept, dat wil zeggen steunend op de materiële ontwikkeling van de menselijke maatschappijen. Dat die periodes gekenmerkt worden door de hebzucht en de ontbindende moraal van de heersende klassen, zullen we niet ontkennen: we beseffen heel goed dat de historische blokkering van de ontwikkeling van de productiekrachten worden weerspiegeld op alle vlakken van de menselijke maatschappij. Maar het verval is geen economische theorie en Marx heeft zich nooit beperkt tot de kritiek van de economie. Maar dat neemt niet weg dat de verklaring ervan zich duidelijk op materialistisch terrein bevindt.
Toen de Kommunistische Internationale van “het tijdperk van oorlogen en revoluties” sprak kon ze niet beter samenvatten wat het kapitalisme in verval de mensheid zou bieden. Het kapitalisme schiep in de loop van zijn opgang inderdaad het ideale raamwerk voor zijn ontwikkeling, dat van de natie. Het is rond de naties dat het kapitalisme zijn eigen ontwikkeling verzekerde, vanuit dat raamwerk stortte het zich in de verovering van de kolonies, en binnen dat raamwerk vallen de concurrentieverhoudingen die momenteel door de crisis op de spits worden gedreven. De enige oplossing voor de bourgeoisie om uit de overproductiecrisis te geraken is de oorlog. Oorlog mondt uit op een periode van wederopbouw, die stukloopt op een nieuwe crisis van overproductie.
We kunnen de intrede van het kapitalisme in zijn vervalperiode moeiteloos plaatsen aan het begin van de twintigste eeuw: de Eerste Wereldoorlog, de eerste in de geschiedenis van de mensheid, geeft duidelijk uiting aan de nieuwe situatie. De wederopbouw die erop volgt leidt al snel tot een crisis zonder voorgaande, in de jaren 1930, en daarna op een Tweede Wereldoorlog. We zien hoe zich de cyclus “crisis-oorlog-wederopbouw-nieuwe crisis” aftekent, maar dit is geen cyclus die zich eindeloos kan herhalen. Integendeel, het is een helse spiraal die alles op haar weg meesleurt. Want terwijl het kapitalisme in zijn opgaande fase de overproductiecrises te boven kon komen door zich uit te breiden en door grotere delen van de bevolking te proletariseren, dan zijn vandaag de limieten bereikt en is de crisis permanent. De enige ‘uitweg’ is de oorlog.
Het gaat dus om een tijdperk van oorlogen. Maar zoals de Komintern vanaf zijn oprichting in 1919 aankondigt, gaat het ook om een tijdperk van revolutie. Inderdaad, het kapitalisme heeft in zijn ontwikkeling ook zijn eigen doodgraver voortgebracht: het proletariaat, de enige sociale kracht die in staat is het kapitalisme omver te werpen en een toekomstige maatschappij op te bouwen. Wanneer het kapitalisme op zijn grenzen stuit, opent het de poort voor zijn overstijging. Op de dagorde van het proletariaat staat vervolgens de immense taak om op de ruïnes van het kapitalisme dat door zijn strijd vernietigd wordt een nieuwe maatschappij op te bouwen die in staat is de overvloed te beheren en de productiekrachten een gepast raamwerk voor hun ontwikkeling te bieden.
Het kommunistisch perspectief is niet nieuw. Het idee een maatschappij te bouwen ontdaan van onderdrukking en onrecht is al te vinden in de Oudheid en in de Middeleeuwen. Maar het volstaat niet een betere maatschappij te wensen om haar ook te kunnen instellen. Aan de materiële voorwaarden die dat mogelijk maken moet ook zijn voldaan. Ook de revolte van de onderdrukten is niets nieuws: de slaven schreven belangrijke bladzijden van de menselijke geschiedenis door hun positie te verwerpen. Toch waren die opstanden tot mislukken gedoemd omdat de materiële situatie, het niveau van de productie, het de mensheid niet mogelijk maakte de indeling van een maatschappij met klassen en uitbuiting achter zich te laten. Zolang de mensheid de schaarste moest beheersen, kon ze geen rechtvaardige maatschappij opbouwen. Het kapitalisme biedt de mensheid de mogelijkheid dat vooruitzicht in ogenschouw te nemen. Vandaag heeft de productie een niveau bereikt dat het mogelijk maakt de schaarste uit te bannen, de voorgeschiedenis kan nu eindigen. Het kommunistisch perspectief is geen ideaal of utopie, het is een materiële mogelijkheid, en meer nog: het is een noodzaak voor het voortbestaan van de menselijke soort. Het is noodzakelijk om de destructieve spiraal van het kapitalisme een halt toe te roepen waardoor de mensheid dreigt terug te vallen in het stenen tijdperk.
Dat maakt de kapitalistische vervalperiode nu juist tot een bijzondere vervalperiode: ze betekent het einde van de voorgeschiedenis, het einde van de lange mars van de mensheid van schaarste naar overvloed. Maar dat einde staat niet bij voorbaat vast: het einde van de voorgeschiedenis zou ook het einde van de geschiedenis als zodanig kunnen zijn als er geen einde wordt gemaakt aan de barbarij die de planeet overspoelt. Het kommunisme is geen zekerheid: enkel door harde strijd zal de arbeidersklasse het kunnen instellen, en de uitkomst van die strijd staat niet bij voorbaat vast. Daarom moeten de revolutionairen zo goed mogelijk bewapend zijn om de arbeidersklasse te kunnen wapenen in haar strijd tegen de bourgeoisie en voor de opbouw van een nieuwe maatschappij.
Het begrip van de analyse van het verval maakt deel uit van die politieke bewapening. Het is het fundamenteel raamwerk dat door het marxisme vanaf zijn ontstaan werd ontwikkeld. In De Duitse ideologie spreken Marx en Engels inderdaad al van verval, nog voor het Manifest geschreven werd. Het verval doordrenkt heel de marxistische analyse van de ontwikkeling van de menselijke maatschappijen. Door de opeenvolging van opgaande en vervalfases in de geschiedenis te belichten, stelt het marxisme ons in staat te begrijpen hoe de mensheid zich heeft kunnen organiseren en vooruitgang kon boeken. Het marxisme maakt het mogelijk te begrijpen hoe en waarom de wereld is zoals ze momenteel is, en tenslotte geeft het marxisme ons een begrip van hoe deze situatie kan worden overstegen en een andere wereld op te bouwen.
G / 17.12.2004
(1) Dat is door Marx en Engels, sprekend over het kapitalisme, in de Grundrisse der Kritik der politischen Ökonomie in deze zin samengevat: “Vanaf een bepaald punt wordt de ontwikkeling van de productieve krachten een hinderpaal voor het kapitaal, en bijgevolg wordt de kapitaalsverhouding een hinderpaal voor de uitbreiding van de productieve krachten van de arbeid. Op dit punt aangeland komt het kapitaal, of juister de loonarbeid, in dezelfde verhouding te staan tot de ontwikkeling van de maatschappelijke rijkdom en van de productiekrachten als het systeem van gilden, lijfeigenschap en slavernij, en is het nodig om er zich als een belemmering van te ontdoen. De laatste vorm van onderschikking die de menselijke activiteit aanneemt - die van loonarbeid enerzijds en het kapitaal anderzijds- wordt dan afgeschud, en dat afschudden is zelf het resultaat van de productiewijze die overeenstemt met het kapitaal. Het is juist het productieproces van het kapitaal dat de materiële en geestelijke voorwaarden doet ontstaan voor de negatie van loonarbeid en kapitaal, die zelf de negatie vormden van eerdere vormen van onvrije sociale productie. De toenemende onverenigbaarheid tussen de productieve ontwikkeling van de maatschappij en de productieverhoudingen die daar tot dan toe kenmerkend voor waren, komt tot uiting in acute tegenspraken, crises, stuiptrekkingen.” (Frans: Oeuvres, II, p. 272-273, Engels: Collected Works, 29, p. 133-134).
Na al de campagnes over het verdwijnen van de arbeidersklasse, de dood van het kommunisme en het bankroet van het marxisme is wereldwijd een nieuwe generatie op zoek naar revolutionaire standpunten: standpunten vertrekkend van de arbeidersklasse als uitgebuite en revolutionaire klasse en van de verdediging van het proletarisch internationalisme. De ontwikkelingen van het kapitalisme drijven zelf in de richting van fundamentele vraagstellingen. Een minderheid binnen de arbeidersklasse ontdekt daarbij met enthousiasme de bijdragen van de Kommunistische Linkerzijde en begrijpt ook dat debat de voorwaarde vormt voor verheldering en bundeling van krachten. We hebben de oprichting van discussieforums en -groepen meegemaakt in bijvoorbeeld Rusland, Duitsland en Argentinië; we zien een toename van deelnemers aan onze openbare en discussiebijeenkomsten, waarbij ook anderen zijn uitgenodigd om er inleidingen te houden, en we ontvangen meer schriftelijke reacties. Er leven meer algemene vragen over crisis, rampen, oorlog en de perspectieven van het kapitalisme en over de aard van de arbeidersklasse; vragen over het verleden: hoe de Oktoberrevolutie van 1917 in Rusland te begrijpen en wat deze ons leert; vragen over het heden: hoe nu te strijden en tussen te komen binnen de arbeidersstrijd; vragen over de toekomst: welk alternatief voor het kapitalisme volgt er uit al de ervaringen van het verleden (1)?
Een open en broederlijk debat over die vragen, over de kwesties die de deelnemers eraan kunnen verdelen en verenigen, is niet alleen noodzakelijk voor de verheldering van de beginselen en de actie van de arbeidersklasse, maar ook om het heersende isolement te doorbreken, vertrouwen te scheppen en te leren begrijpen wat het betekent om samen te werken als strijders van één en dezelfde klasse. De ontwikkeling van een debat stuit niettemin op grote moeilijkheden, waarbij een manifest wantrouwen ten opzichte van revolutionaire organisaties wel één van de grootste is. Toen de IKS werd buitengesloten van de anarchistische boekenmarkten in Utrecht en Gent voelde een anarchistisch-radenistisch geïnspireerde kameraad zich er zelfs toe geroepen daarop als volgt te reageren: “De IKS staat inderdaad zeer kritisch tegenover het anarchisme, maar dat spreekt voor zich: het zijn nu eenmaal marxisten. Hun visie op een bepaald historisch conflict binnen de Eerste Internationale is even plat en eenzijdig als dat wat ik soms van een enkele bakoeninist mag vernemen. Voor wie belangstelling heeft voor hun standpunten staan ze echter open voor discussie. Hun bijeenkomsten zijn openbaar en je mag er ongehinderd je anarchistische standpunten komen toelichten.” (2).
Sommigen proberen hun eigen terughoudendheid te begrijpen in godsdienstige termen. In plaats van het open debat op te zoeken spreken ze van de behoefte van organisaties om ‘zieltjes te winnen’ in een ‘bekeringsdrift’. In plaats van het te hebben over de bundeling van de weinig revolutionaire krachten spreken ze van ‘sektarisme’. Of ze formuleren het in militaire termen, met ‘indoctrinatie’ voor debat en ‘rekrutering’ voor organisatie. Zo schreef een lezeres ons: “Voor jullie is het dus een noodzaak dat ik met jullie in contact blijf, omdat ik anders nooit tot werkelijk bewustzijn kan komen. Vandaar jullie zeer actieve rekruteringspolitiek, of liever gezegd 'bekeringsdrift' ten opzichte van mij.”, en: “Dan immers zou ik jullie argumenten moeten accepteren op basis van jullie autoriteit als meest bewuste deel van de klasse. En ik heb nu juist in mijn brief betoogd dat ik argumenten op basis van mijn EIGEN inzicht wil accepteren (of juist verwerpen).”
Waaruit bestaat de tegenspraak tussen het willen ontwikkelen van eigen inzichten en het aangaan van een debat? Het proces van theoretische verdieping en politieke vorming boekt niet veel voortgang als iedereen alleen probeert in zijn eigen hoekje zichzelf te verhelderen. De arbeidersklasse brengt geen revolutionaire enkelingen voort maar revolutionaire organisaties. Zelfs een organisatie kan niet alles weten en alles begrijpen. De arbeidersklasse als geheel kan ook niet verder kijken dan haar blikveld reikt. Maar een collectief debat voert veel verder dan de enkeling alleen kan komen. Zo heeft het Russische discussieforum, dat in 2004 door verschillende groepen in het leven werd geroepen, als uitgangspunt: “Het forum is daarom een open plek voor de discussie en confrontatie van politieke ideeën, met als enig doel de verheldering door politieke argumentatie waarbij de proletarische methode wordt gehanteerd die iedere benadering uitsluit die in tegenspraak is met het belangenloze doel van de bevrijding van de arbeidersklasse. Het is vooral geen ‘jachtgebied’ voor beginselloze rekrutering zoals die bijvoorbeeld wordt bedreven door organisaties die zich bevinden aan de uiterst linkerzijde van het politieke apparaat van de bourgeoisie (trotskisten, enz.)” (3).
De bestaande vrees om het debat aan te gaan en deel uit te maken van een proces van collectieve verheldering heeft een driedubbele grond.
Op de eerste plaats is er de druk van de burgerlijke ideologie via de media en door het dagelijks leven binnen het kapitalisme met al zijn beslommeringen die pogingen om tot klassenbewustzijn te komen stelselmatig ondermijnt en de propaganda die voorkomt dat kapitalistische toekomst in al zijn huiveringwekkendheid onder ogen wordt gezien. De campagnes over het verdwijnen van de arbeidersklasse, de dood van het kommunisme en het bankroet van het marxisme, vooral door de vereenzelviging van marxisme met stalinisme waarin de voornaamste slachtoffers als de beulen worden voorgesteld, verklaart veel van het wantrouwen en de terughoudendheid. Standhouden tegenover die druk is alleen mogelijk door het scheppen van een collectief kader. De bourgeoisie kenschetst marxisme, de marxisten en marxistische organisaties maar al te graag als iets ‘sektairs’ op zoek naar ‘willoze volgelingen’ voor ‘abstracte leerstellingen’, zoals die van de verschillende stalinistische organisaties en hun ‘kritische’ trotskistische aanhangsels. Vandaar dat de revolutionairen voortdurend het bestaande wantrouwen moeten afbreken en een vertrouwen op basis van ervaring met proletarische debat moeten winnen; ervaringen die heel anders zijn dan met burgerlijke organisaties die inderdaad rekruteren, monddood maken, dom houden en die onverantwoordelijkheid en passiviteit in de hand werken.
Dan is er de opportunistische angst voor revolutionaire helderheid en samenhang; en de wil om uit ongeduld en in naam van ‘onmiddellijke successen’ compromissen te sluiten met de burgerlijke ideologie. In plaats van successen op te leveren worden er zo vooral illusies versterkt zonder ook maar iets fundamenteels te verhelderen. Vandaar de wil om zichzelf als individu of als groepje af te grenzen en de eigen ‘autonomie’ te bewaren. Vandaar ook de opportunistische pogingen van het IBRP tot beginselloze samenwerking, onder de belofte van het bieden van een liefdevol huis maar zonder werkelijke overeenstemming of debat, wat enkel leidt tot het in gevaar brengen van de standpunten en organisatie (4). Pogingen om zonder wederzijdse kritiek op de korte termijn goede vrienden te blijven zijn gedoemd het wederzijds vertrouwen op termijn te ondergraven. De consequente revolutionairen daarentegen werken vooral voor de lange termijn en zoeken het debat op waar het tot verheldering kan leiden zelfs wanneer hun eigen invloed daardoor op het onmiddellijke vlak niet wordt vergroot en de tegenstand heftig is. Daarbij moeten ze soms op tenen gaan staan en kunnen niet alle gevoeligheden worden vermeden.
Tenslotte is er het terugschrikken voor de omvang van de taak die eerst verpletterend kan lijken en die een geweldige verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Alleen kunnen we ons daartegenover enkel nietig voelen terwijl er ook geen onmiddellijke resultaten kunnen worden verwacht. De angst om zich te binden is groot en het opnemen van een verantwoordelijkheid voor de lange termijn kan worden gevoeld als een aanslag op de persoonlijke vrijheid. Voor de enkeling geldt echter: ‘van ieder naar vermogen’ en er worden geen onmogelijke dingen geëist die enkel kunnen ontmoedigen. Maar de mens is een sociaal wezen en de enkeling kan zijn vermogens pas werkelijk tot ontwikkeling brengen binnen een collectief kader. Binnen de arbeidersklasse worden argumenten niet aanvaardt op basis van autoriteit, maar net zo min kan er een ‘anti-autoritaire’ houding zijn. In een debat wordt geen blind vertrouwen gevraagd maar geprobeerd te overtuigen en overtuigend te zijn. Als er geen ‘reputaties’ gered behoeven te worden, maar de collectieve verheldering en de belangen van de arbeidersklasse centraal gaat, hoeft er ook geen angst te zijn het mis te hebben, verworven standpunten ter discussie te moeten stellen en waar nodig te corrigeren. De kameraadschappelijke confrontatie van standpunten is een voortdurende ideologische strijd waarin niet het onverschillige burgerlijk-democratische beginsel van het ‘ieder-zijn-mening’ geldt, maar waar geprobeerd wordt tot overeenstemming te komen of meningsverschillen af te bakenen op grond van zo duidelijk mogelijke argumenten.
Indoctrinatie, rekrutering, bekeringsijver en sektarisme
Het verwijt van indoctrinatie, rekrutering, bekeringsijver, sektarisme en de andere termen die worden gebruikt gaan als regel niet vergezeld van steekhoudende argumentatie tegenover politieke standpunten. Het is veeleer een middel om die kritiek, en bijgevolg het debat, uit de weg te gaan. Bovendien worden er begrippen aan een organisatie toegedicht die regelrecht ingaan tegen de proletarische moraal omdat ze het doel niet dichterbij brengen maar juist versperringen zijn op de weg: de organisatie heeft weinig aan kritiekloze meelopers, maar des te meer aan overtuigde, kritische en verantwoordelijke militanten. Opvallend in deze was bijvoorbeeld de houding van medewerkers van De Fabel van de Illegaal die eerst het debat met ons begroeten als een gesprek ‘tussen volwassen mensen’ om vervolgens te klagen over onze ‘paternalistische houding’, maar zonder ooit serieus in te gaan op onze politieke standpunten of daarvan in hun pers iets te laten doorklinken (5).
De IKS is een revolutionaire organisatie die natuurlijk probeert om zijn opvattingen te verspreiden en zich niet alleen politiek maar ook getalsmatig probeert te versterken door nieuwe leden te werven (6). Dat kan het resultaat van debat zijn, maar het is er geen voorwaarde voor. De IKS heeft duidelijke en samenhangende standpunten, verdedigt die in openbare vergaderingen die in het algemeen voor ieder toegankelijk zijn en door middel van haar pers. Zij is niet bang voor tegenspraak, gaat geen onderwerpen uit de weg, beantwoordt vragen en reageert op kritieken. Ze zoekt de polemiek met andere groepen en organisaties op bijeenkomsten en in de pers. Dat debat maakt deel uit van de ondergrondse rijping van het klassenbewustzijn dat in de hele klasse plaatsvindt en waarvan de organisatie van revolutionairen nu juist de hoogste uitdrukking is: een minderheid van de klasse die zich bewust aaneensluit om op georganiseerde en stelselmatige wijze de historische en wereldwijde ervaringen samenhangend bijeen te brengen om de beweging als geheel voort te stuwen.
De revolutionaire organisaties van de arbeidersklasse komen voort uit de arbeidersklasse zelf, zijn het product van de strijd en overdenking van de klasse. Mensen met gelijkgezinde denkbeelden sluiten zich van nature aaneen om zo de grondslag te leggen voor de maatschappij van de toekomst en daarmee de huidige strijd richting te geven. Helderheid over doelen en middelen is geen gegeven, maar moet voortdurend door strijd worden verworven en telkens opnieuw worden verdedigd tegen het binnensijpelen van de burgerlijke ideologie. Organisaties kunnen verdwijnen, in opportunistisch vaarwater terechtkomen en overgaan naar de bourgeoisie. Historisch is dat gebeurd met de partijen van de Tweede en de Derde Internationale en met de anarchistische en trotskistische groepen door hun houding ten opzichte van revolutie en oorlog, door hun verraad aan het proletarische internationalisme waartegen de marxisten altijd strijd hebben geleverd. Er bestaan geen blijvende verworvenheden, er is geen eeuwige, onveranderlijke leer die onvermijdelijk en zeker naar het doel leidt. Vandaar dat er voortdurend strijd is die ook onvermijdelijk tot uiting komt in organisatorische crises.
Maar er bestaat wel een methode, een methode die zelf ook verworven moet worden, en die voortdurend uitgediept en verbreed moet worden. Die methode bestaat eruit zich op stelselmatige wijze, in confrontatie met de werkelijkheid en met nieuwe ervaringen, zich te baseren op de historische en wereldwijde lessen die al zijn getrokken om zo de beweging als geheel voort te stuwen in de richting van het uiteindelijke doel. Die methode zelf is het product van een historische continuïteit sinds de Bond van Kommunisten uit 1847. De enkeling komt niet ver, vandaar dat de meest bewuste delen van de arbeidersklasse voortdurend hebben geprobeerd zich aaneen te sluiten en zich eveneens te oriënteren op het bestaande revolutionaire milieu.
We proberen de open debat-cultuur van de arbeidersklasse op bredere schaal te herstellen omdat dit een voorwaarde vormt voor het scherpen van de kritische geest en om de strijd van de arbeidersklasse voor haar zelfbevrijding niet alleen te bevorderen maar ook richting te geven. In die geest nemen we deel aan debatten waar die ook plaatsvinden. Het is onze militante overtuiging dat het marxisme de enig juiste methode biedt voor de kameraadschappelijke confrontatie tussen de verschillende standpunten die binnen de arbeidersklasse ontwikkeld zijn en leven: uitgaande van de ervaring van de arbeidersklasse en de bijdragen van de revolutionaire minderheden van de klasse en we willen dat in het debat zelf aantonen. De openbare bijeenkomsten van de IKS proberen we dan ook zodanig te organiseren dat ze kunnen fungeren om de breedst mogelijke overeenstemming te bereiken op grond van de grootst mogelijke politieke helderheid.
Manus / 12.03.2005
(1) Zie bijvoorbeeld het artikel over discussiekringen in Internationalisme, nr. 267.
(2) Open brief aan de anarchistische marktmeester, te vinden op onze website en op de site van De Dolle Hond.
(3) Zie voor het Russische discussieforum http://russia.internationalist_forum.org en Internationalisme, nr. 310-311; voor het milieu in Argentinië de artikelen over de Níºcleo Comunisto Internacionalista op onze website, voor het milieu in Duitsland de vele artikelen in onze Duitstalige pers en ook Heeft het marxisme een religieuze visie van de historische opdracht van de arbeidersklasse?, in Internationalisme, nr. 301, over de openbare bijeenkomsten in Amsterdam Internationalisme, nr. 308-309.
(4) Zie De bluf van een hergroepering, in Internationale Revue (Engels-, Spaans-, en Franstalige uitgave), nr. 40 en 41 en de Open brief van de IKS aan de militanten van de IBRP, 7 december 2004, in: Internationale Revue (Engels-, Spaans-, en Franstalige uitgave), nr. 120.
(5) Zie over De Fabel van de Illegaal onder andere Internationalisme, nr. 270, 274, 289, 298, en Wereldrevolutie, nr. 92, 96 en 98
(6) Zie het artikel Hoe militant worden van de IKS?, in Wereldrevolutie, nr. 102 en op onze website.
Met hart en ziel zetten in Frankrijk de voorstanders van Ja en Neen zich in om met de meest leugenachtige argumenten de arbeiders er van te overtuigen dat de aanvaarding van de Europese grondwet een inzet is voor hun toekomst en om hen er van te overtuigen hun verantwoordelijkheid als burgers op te nemen op dit ‘historisch moment’.
Voor de enen moet men voorstemmen want “de tekst consolideert een werk van vrede, van vrijheid en democratie van 50 jaar Europese opbouw. Het bevestigt een model van economische en sociale ontwikkeling gegrondvest op solidariteit en het aanmoedigen van het initiatief en de groei”. Wat de tegenstanders van het voorstel van Grondwet betreft, stelt de bourgeoisie een Neen-front voor, gaande van een deel van de Socialistische Partij tot het trotskistische Lutte Ouvrière, en via de stalinistische Parti Communiste Français en de trotskistische Ligue des Communistes Révolutionnaires, de vakbonden, de stalinistische CGT voorop, en de altermondialisten (ATTAC) proberen de arbeidersklasse er van te overtuigen zich te mobiliseren voor de Neen “opdat het voor eens en voor altijd duidelijk zou zijn dat er een overduidelijke afwijzing is van de ultra-liberale politieke oriëntatie die verantwoordelijk is voor de sociale verloedering, het stukslaan van de sociale zekerheid”.
Allen richten ze zich op hetzelfde doel: bijeentrommelen, een maximum aan arbeiders naar het verkiezingsterrein lokken terwijl ze de reformistische illusies oprakelen waarin de strijd ter verdediging van de levensvoorwaarden zou verlopen via de strijd tegen het liberalisme. Het gaat tezelfdertijd om een operatie waarin iedere proletariër wordt opgeroepen om zich achter één van de kampen te scharen: dat van het Ja of dat van het Neen.
Als we de pseudo-verdedigers van leefomstandigheden de arbeiders aanhoren, zouden de ‘liberale’ oriëntatie van de Europese Grondwet en de Europese regeringen verantwoordelijk zijn voor de ‘anti-sociale’ politiek en zouden die er naar streven om de sociale wetgevingen te ontmantelen en de zogenaamde ‘verworvenheden van de arbeiders’ laten vallen. Hun gemeenschappelijk standpunt is om één soort politiek, het ultraliberalisme, verantwoordelijk te stellen voor de verloedering van de levensvoorwaarden van het proletariaat, en dat die dringend zou moeten worden bestreden.
Partijen van links en vakbonden in heel Europa mobiliseren voortdurend tegen de richtlijnen van Bolkenstein, die een liberalisering voorstaat van de diensten volgens “het principe dat de Europese aanbieders van diensten die hun diensten aanbieden in een ander land van de Unie uitsluitend zouden vallen onder de wetten van hun eigen land” (1). Het voorbeeld van een Lets bedrijf, dat Letse arbeiders laat werken tegen Letse lonen (de laagste in Europa) om een school te bouwen in Zweden, wordt gebruikt als boeman om de arbeiders in het Westen af te schrikken met de toevloed van arbeiders uit Oost-Europa die hun arbeidskracht komen verkopen tegen prijzen die elke concurrentie aan diggelen slaan. De bourgeoisie onderwerpt het proletariaat aan de chantage van de concurrentie die uit het Oosten komt om hen lagere lonen te laten aanvaarden. Dat is een dezelfde chantage als die ze overal ter wereld uitoefent met de bedreiging met de delocalisaties, zonder op de richtlijnen van Bolkenstein te hebben gewacht.
In Frankrijk wordt door allen dezelfde heisa opgevoerd (de voorstanders van het JA maar vooral die van het Neen) tegen de richtlijnen van Bolkenstein die het spook doet ronddwalen van de ‘geprogrammeerde vernietiging van de arbeidswetgeving’ en het risico van de privatisering van de Openbare Werken. Het is toch niet pas met deze richtlijnen dat er een ontwikkeling aan de gang is van het op de helling zetten van de ‘welvaartsstaat’ en van de aanvallen op de arbeidscontracten in de privé zowel als in de overheidssector? Dat is al meer dan dertig jaar aan de gang en de toename van tijdelijke en deeltijdse baantjes bij het aannemen van nieuw personeel nemen toe, de overheidsbanen daarbij inbegrepen.
De economische crisis zat niet zitten wachten op het Verdrag van Maastricht van 1992, noch op het voorstel van Europese grondwet om de gevolgen ervan te laten voelen in alle landen van de wereld. Welk doel hebben de voorstanders van het anti-liberalisme dan voor ogen?
De PS, PCF, LCR net als de vakbonden en de alter-mondialisten van ATTAC staan op de eerste rij van de tamtam ter verdediging van een “beweging van collectief verzet tegen de ontmanteling van de Openbare Werken die indruist tegen het algemeen belang”.
Links, de PS en de PCF op kop, proberen aldus onze herinnering uit te wissen aan het feit dat juist zij het waren die aan de oorsprong lagen van een aantal van deze aanvallen toen zij in de regering zaten!
Het gaat er blijkbaar om de genomen en komende maatregelen van de verloedering van de levens- en werkvoorwaarden te laten doorgaan voor een omzeiling van de democratische staat en het gebrek aan de lokale democratie. Het gaat er ook om op te roepen tot een strijd tegen “op de helling zetten van de rechten van elke burger(es) om toegang te hebben tot de post, tot energie, en misschien morgen tot gezondheidszorg en onderwijs” (2). Dat alles dient alleen om de arbeidersklasse er toe aan te zetten bescherming en waarborgen voor haar levensvoorwaarden te zoeken bij de staat terwijl deze juist borg staat voor de belangen van de heersende klasse en de promotor is van alle aanvallen tegen de arbeiders!
Dat is dan de grote dam tegen de anti-sociale maatregelen en tegen de zogenaamde uitglijders van het ultra-liberalisme die de arbeiders wordt voorgehouden: verdediging van de staat en de Openbare Werken! Wanneer Besancenot en de LCR en zijn vrienden van ATTAC voorstellen om “de strijd te laten samenvloeien en burgerlijke ongehoorzaamheid te plegen tegenover de aanvallen op de Openbare Werken” (3), stellen ze voorop dat “verdediging van de Openbare Werken een beweging is van het geheel van de bevolking die de loontrekkenden van de verschillende Openbare Werken associeert met de gebruikers en de gekozenen” (4). Het is moeilijker om een recept te vinden dat nog demagogischer is, in een poging de noodzaak van klassenstrijd uit de weg te gaan en strijd af te leiden naar het terrein van klassensamenwerking waar de illusie wordt verspreid dat de hele bevolking, uitgebuiten en uitbuiters door elkaar, zich samen zouden kunnen vinden in de verdediging van een meer democratische staat ‘in dienst van de burgers’.
Al deze praatjesmakers spannen zich in om ons wijs te maken dat de aanvallen van de regering voortkomen uit het feit dat de privé-bazen en de multinationals greep zouden hebben op de staat (het tegendeel is waar). Ze mikken er slechts op om de ontevredenheid van de arbeiders die veroorzaakt wordt door de systematische sluitingen van postkantoren, sociale instellingen, treinstations, enzovoort weg te lokken in het doodlopende straatje van het nationalisme, “de afwijzing door Frankrijk van een maatschappij in de stijl van Tony Blair”.
De werkelijkheid zet het kapitalisme echter voor gek net als de propagandaleugens die sinds de Tweede Wereldoorlog al tientallen jaren wordt opgeklopt. Volgens die leugen maakten de gewaarborgde Sociale Minima, de Sociale Zekerheid, de Openbare Werken, als peilers van de welvaartsstaat, het mogelijk om de achtereenvolgende belangen van de twee tegenover elkaar staande klassen met elkaar te verzoenen in dienst van de verdediging van het nationale kapitaal.
Daar laat de PS heel efficiëntie tegen de arbeiders zien. Zelfs haar eigen verdeeldheid wordt uitgespeeld ter meerdere eer en glorie van de bourgeoisie en om de globale belangen van het Franse kapitaal te verdedigen (als een ‘verantwoordelijke’ partij waarvan de meerderheid zich inzet voor het Europese JA) en het proletariaat te misleiden (door de oproep van de fractie van Emmanuelli en consorten om Europees Neen te stemmen).
De opstelling van de bourgeoisie zou niet compleet zijn als Lutte Ouvrière er niet was om zijn meningsverschillen openbaar te maken, zogenaamd uitgaand van de arbeiders en van de ‘klassenstrijd’: “Wij zullen Neen stemmen”, en ondertussen klagen ze aan dat “het niet het ‘ja’ of het ‘neen’ is van dit referendum, dat het lot van de arbeiders zal verbeteren” (5). Lutte Ouvrière heeft het lef om te proberen ons achter haar ronkende frasen te laten vergeten dat door haar deelname aan het referendum, ook zij haar steentje bijdraagt aan het in stand houden van de illusie dat de arbeidersklasse haar toestand kan veranderen dank zij het stembiljet! Door te herhalen dat “de werkelijke vijanden hier binnen handbereik zijn [...] Het is niet Brussel, het zijn onze eigen kapitalisten, onze eigen regering die ons aanvallen!” (6), verdoezelt de goochelaar Lutte Ouvrière de werkelijke aard van de aanvallen om ze toe te schrijven aan de regering Raffarin en het patronaat als enig verantwoordelijke.
Dat komt doordat de huidige aanvallen de werkelijkheid van de klassentegenstellingen blootleggen; de voortdurende verslechtering van de toestand van het proletariaat in de maatschappij stemt de klasse tot nadenken. Dit zet de zogenaamde ‘vrienden van de arbeidersklasse’, links en ultra-links, er toe aan om dit embryo van bewustwording onmiddellijk in de kiem te smoren en de actiebereidheid van de arbeiders te gebruiken om ze in een impasse op te sluiten.
Dat de heersende klasse haar toevlucht neemt tot de boeman van het ‘ultra-liberalisme’ is een machtig middel om de toestand ondoorzichtig te maken en het bewustzijn van het proletariaat te benevelen. Want de werkelijke toestand van de kapitalistische economie moet voor het proletariaat verborgen blijven net als de ware oorzaak van het onvermijdelijke bankroet van het kapitalistisch systeem als geheel.
De doodlopende weg waarin het kapitalisme zich bevindt, maakt dat in alle landen de ‘welvaartstaat’ versneld wordt ontmanteld. Dat leidt tot de drastische verlaging van de kosten van de arbeidskracht, zowel door de verlaging van de lonen van diegenen die nog aan het werk zijn als door te besparen op de lasten van het onderhoud van de arbeidskracht die overtollig is geworden (de werklozen) of die niet meer productief genoeg zijn (de oudere arbeiders). Het is dezelfde logica die wordt opgelegd door de economische crisis waaraan sectoren als gezondheidszorg en onderwijs worden onderworpen. Gegrepen door de maalstroom van tegenstellingen die voortkomen uit de dodelijke crisis van haar systeem heeft de bourgeoisie slechts één politiek te bieden: die van de overuitbuiting, de grenzeloze toename van de armoede en de uitbreiding van de oorlogsbarbarij. In de hele wereld passen de regeringen van links en rechts hetzelfde type van maatregelen toe. Maatregelen die de regeringen van rechts en links, naargelang hun opeenvolgende regeringswissels, alleen vereeuwigen en verhevigen.
Voor de bourgeoisie dient het verbergen van de werkelijkheid om te verdoezelen dat zij niet eeuwig is, dat er een werkelijk alternatief bestaat, namelijk de revolutionaire opstand van het proletariaat. Tegenover de verheviging van de crisis is het voor haar absoluut noodzakelijk om te doen geloven, via de afschuw die het ‘ultra-liberalisme’ opwekt, dat er andere keuzen zouden bestaan voor een beter beheer van het kapitalistisch systeem, andere mogelijke oplossingen of wat verder nog bedacht kan worden om het te hervormen, om het mogelijk te maken dat het zijn innerlijke tegenstellingen te boven zou komen.
De arbeidersklasse mag zich niet laten vangen in de illusie dat er een alternatief bestaat binnen het kapitalisme, dat ze eraan zou kunnen sleutelen via een stembiljet of door vertrouwen te schenken aan diegenen die haar een betere toekomst beloven binnen het systeem. De arbeidersklasse mag zich niet laten afleiden van de noodzaak om zo verenigd en solidair mogelijk de strijd aan te gaan tegen alle aanvallen die ze te verduren krijgt.
De opbouw van Europa is geen inzet voor het proletariaat, het is er een voor zijn uitbuiters, voor de bourgeoisie. Wat er voor de bourgeoisie op het spel staat is de rol die Frankrijk en het Franse nationale kapitaal spelen in het Europese theater, zowel op economisch vlak als op dat van zijn imperialistische rangorde tegenover de andere machten van het werelddeel. Hun belangen zijn zeker niet die van het proletariaat. Het gaat om een zaak onder bourgeois. Al die poeha dient enkel om te verdelen, en tenslotte om de arbeidersklasse te vast te binden aan het nationaal belang en aan de staat, dat wil zeggen op het terrein van de burgerlijke orde waar haar eigen belangen altijd worden en zullen worden opgeofferd.
(1) Libération van 15 maart.
(2) Verklaring van Marie-George Buffet, algemeen secretaris van de PCF.
(3) Allen naar Guéret!, oproep van lcr-rouge.org van 3 maart.
(4) Olivier Besanemot, woordvoerder van de LCR, geciteerd door het AFP, 5 maart.
(5) Toespraak te Lille door A. Laguiller, geciteerd op het Forum van de vrienden van LO op Internet.
(6) Idem.
Na de openbare bijeenkomst van 2 oktober 2004 van het Internationaal Bureau voor de Revolutionaire Partij (IBRP) in Parijs, die werd gehouden met “politieke en materiële ondersteuning” van de ‘Interne Fractie van de IKS’ (IFIKS) - en waarover wij al verslag deden in het artikel Het IBRP in gijzeling genomen door herrieschoppers - werd de IKS opnieuw het slachtoffer van een lastercampagne. Deze campagne wordt internationaal georganiseerd, niet enkel door de parasitaire groep, de IFIKS, maar ook door het IBRP en een Argentijnse groep, die zichzelf onder de naam ‘Círculo de Comunistas Internacionalistas’ voorstelt en die beweert de opvolger te zijn van de ‘Núcleo Comunista Internacional’ (NCI), van wie de IKS meerdere bijdragen heeft gepubliceerd in haar pers. Zo zijn er:
Ook heeft het IBRP onlangs een antwoord gepubliceerd op ons artikel Het IBRP in gijzeling genomen door schooiers. Dit artikel getiteld Een antwoord op de stompzinnige beschuldigingen van een organisatie die uit elkaar valt is een ware oorlogsverklaring aan de IKS. In dit artikel bevestigt het IBRP, dat haar contact met de IFIKS “bestaat en verder zal worden aangehaald”. Deze tekst verdedigt niet alleen de zaak van de IFIKS, maar rechtvaardigt ook de diefstal van ons abonnementenbestand door deze zogenaamde fractie en keurt deze goed. Tegelijkertijd beweert het IBRP, dat het niet van plan is om tegenover de IKS of wie dan ook rekenschap af te leggen over zijn handelwijze. Dat betekent dat het weigert te antwoorden op vragen in onze brief van 2 Oktober, verspreid op de openbare bijeenkomst van het IBRP in Parijs en gepubliceerd op onze website: “Hoe is het mogelijk dat de uitnodiging van het IBRP voor de openbare bijeenkomst van 2 oktober in Parijs is terechtgekomen in de brievenbus van onze abonnees, die hun adres alleen aan de IKS hebben gegeven?”. Ons antwoord Diefstal en laster zijn geen methoden van de arbeidersklasse, in antwoord op die stellingname, verscheen eveneens op onze website en in Internationalisme, nr. 314-315. Verschillende andere punten die met deze aangelegenheid te maken hebben, vooral de briefwisseling met het IBRP, zijn al eerder op onze website gepubliceerd.
Onze abonnees hebben ook de weerzinwekkende tekst van de ‘Círculo’ over de IFIKS ontvangen, die onze adreslijsten heeft gestolen om zijn lastercampagne te kunnen ontwikkelen. Vandaag dwingen deze campagnes, waarbij het IBRP, de IFIKS en de ‘Círculo’ elkaar gevonden hebben, ons ertoe om opnieuw strijd te leveren tegen praktijken die vreemd zijn aan het proletariaat, zoals diefstal, verklikking en laster.
Op grond daarvan willen wij nogmaals herhalen wat we reeds op onze website stelden:
1. dat de drie verklaringen van de ‘Círculo’ uit Argentinië een web van leugens vormen;
2. dat deze ‘Círculo’ in tegenstelling tot wat hij beweert geen voortzetting van de NCI is. Hij is uit het niets ontstaan want hij heeft nergens het minste politieke argument geleverd om te kunnen verklaren waarom de NCI ertoe besloot van naam en standpunten te veranderen. Net zo min is er enig argument ter verklaring van de plotselinge bocht van 180 graden ten opzichte van de stellingname van de NCI waarin het destructieve gedrag van de IFIKS werd veroordeeld. Deze stellingname van de NCI is gepubliceerd in onze kranten en op onze website. Bovendien tonen de jongste verklaringen van de NCI, dat de ‘Círculo’ niet werd gevormd door alle kameraden van de NCI, maar slechts van één vroeger medelid, dat achter de rug van de overige kameraden om handelde. Bovendien bekrachtigt de jongste tekst van de NCI de politieke solidariteit met de IKS. Deze tekst werd met een inleiding van de IKS in onze kranten en op de website gepubliceerd. Een verdere bevestiging van de houding van de NCI kan men vinden in het jongste bericht van de IKS-delegatie in Argentinië, dat als bijlage op de website is te vinden.
Er dient ook op te worden gewezen dat de ‘Círculo’, die zich solidariseert met de IFIKS en het IBRP, op zijn website links maakt naar alle mogelijke stalinistische en ultralinkse groeperingen. Als de kameraden deze website raadplegen kunnen ze er zich van overtuigen dat wat wij zeggen klopt. Zo bestaat er voor de ‘Círculo’ een continuïteit van ‘marxistische schrijvers’ die reikt van Marx tot Mao en Che Guevara! De IKS verzekert hier andermaal dat het met de ‘Círculo’ niets gemeen heeft. Integendeel, we hebben hem van meet af aan aan de schandpaal genageld.
3. Als het IBRP, een organisatie van de Kommunistische Linkerzijde, er nu toe overgaat om campagnes tegen de IKS over te nemen en te ondersteunen die al twee jaar door de IFIKS worden gevoerd, dan volgt dit uit zijn opportunisme. En dit opportunisme heeft het IBRP er toe gebracht om een bondgenootschap aan te gaan met parasitaire groepen als de IFIKS.
Wij moeten een onderscheid maken tussen het opportunistische karakter van het IBRP en het parasitaire wezen van de IFIKS.
Alhoewel de IKS aan alle kanten omgeven wordt door dergelijke laster zal het zich door deze herrie niet van de wijs laten brengen. Dit verschijnsel is niet nieuw. De geschiedenis van de arbeidersbeweging staat vol van zulke gebeurtenissen, waarbij militanten als Marx, Lenin, Trotzki en revolutionaire organisaties het slachtoffer van laster werden. Dat maakt deel uit van de strijd niet alleen tegen het kapitalisme, maar ook tegen de infiltratie van burgerlijke methoden in de organisaties van het proletarische kamp (zoals dat vandaag bij het IBRP het geval is). De IKS zal zonder toegevingen en met geduld en volharding strijden voor de verdediging van de proletarische beginselen. Het is onze verantwoordelijkheid, deze strijd te voeren, niet alleen om ons zelf tegen zulke aanvallen zelf te verdedigen, maar ook om met de wapens van de kritiek, met het wapen van de marxistische methode te proberen het IBRP te redden zonder ons daarover al te veel illusies te maken, omdat wij niemand kunnen dwingen een andere weg in te slaan.
Wij roepen de kameraden die al lang aan onze zijde staan, op om hun vertrouwen in de IKS te behouden en ons te ondersteunen in deze strijd, zoals ze dat altijd hebben gedaan.
IKS / november 2004
Zie verder op deze website: