Internationale Revue - 2007, nr. 19

De Russische Revolutie van 1905: De Sovjets openen een nieuwe periode in de geschiedenis van de klassenstrijd (deel 1)

We publiceren hieronder het vervolg op het eerdere artikel dat in Internationalisme, nr. 316 en 317/318 verscheen. In dat eerste deel werd de verandering van periode benadrukt in de ontwikkeling van het kapitalisme die de achtergrond vormde voor de verloop van de gebeurtenissen in 1905 in Rusland, de omslag van opgang naar neergang. We legden tevens de nadruk op de gunstige omstandigheden voor een radicalisering van de strijd in Rusland: het bestaan van een modern, samengebald en buitengewoon bewuste arbeidersklasse geconfronteerd met aanvallen van een kapitalisme waarvan de omstandigheden verslechterd waren door de rampzalige gevolgen van de oorlog met Japan. Om haar levensomstandigheden te verdedigen kwam de arbeidersklasse zo in directe confrontatie met de staat en voor deze nieuwe historische fase van haar strijd organiseerde ze zichzelf in sovjets. Het eerste deel van dit artikel somde op hoe de eerste arbeidersraden werden gevormd en aan welke behoeften deze beantwoordden. In dit tweede deel wordt de vorming van de sovjets meer in detail geanalyseerd, hoe ze verbonden waren aan de strijd van de hele arbeidersklasse en wat hun band was met de vakbonden. Eigenlijk speelden de vakbonden, die in 1905 niet meer overeenkwamen met de organisatorische behoeften van de arbeidersklasse in de nieuwe periode, enkel een positieve rol voorzover als ze werden voortgedreven door de dynamiek van de beweging, in het kielzog van de sovjets en onder hun gezag.

De revolutie van 1905 brak uit toen het kapitalisme aan zijn periode van verval begon. De arbeidersklasse stond niet voor strijd om hervormingen binnen het kapitalisme maar voor politieke strijd tegen het kapitalisme en voor zijn omverwerping, waarbij het vraagstuk van de macht eerder centraal stond dan dat van economische hervormingen. Het proletariaat beantwoordde deze uitdaging door het smeden van de wapens van zijn politieke strijd: de massastaking en de arbeidersraden (sovjets). In een eerder deel van dit artikel in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 120, en in het Nederlands gepubliceerd in Internationalisme, nr. 316 en 317-318, beschreven we hoe de revolutie zich ontwikkelde van een verzoek tot de Tsaar in januari 1905 tot aan het openlijk uitdagen van de macht van de heersende klasse in december. We lieten zien dat het een proletarische revolutie was die de revolutionaire aard van de arbeidersklasse bevestigde en die zowel uitdrukking was van, en een versnellingsfactor in de ontwikkeling van het bewustzijn van de revolutionaire klasse. We lieten zien dat de massastaking van 1905 niets te maken had met de verwarringen daarover van de anarcho-syndicalistische stroming die zich in dezelfde tijd ontwikkelden (zie de artikels in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 119-120) en waarin de massastaking werd opgevat als een middel voor de onmiddellijke economische omvorming van het kapitalisme. Rosa Luxemburg zag in dat de massastaking zowel economische strijd van de arbeidersklasse als haar politieke strijd verenigde. Daarmee vertegenwoordigde deze een kwalitatieve ontwikkeling van de klassenstrijd, zelfs als het op dat moment nog niet mogelijk was om geheel en al te begrijpen dat dit een gevolg was van de historische verandering van de kapitalistische productiewijze: “De revolutionaire strijd in Rusland, waarin de massastakingen als het belangrijkste wapen worden gebruikt, wordt door het werkende volk en op de eerste plaats door het proletariaat gevoerd voor juist diezelfde politieke rechten en voorwaarden, waarvan de noodzakelijkheid en het belang in de strijd voor de ontvoogding van de arbeidersklasse door Marx en Engels als eersten was aangetoond en binnen de Internationale tegenover het anarchisme met alle kracht bepleit. Zo heeft de historisch dialectiek, de rots waarop heel de leer van het socialisme van Marx berust, er nu toe geleid dat het anarchisme, waarmee het idee van de massastaking onafscheidelijk verbonden was, met de praktijk van de massastaking in tegenspraak is geraakt, terwijl omgekeerd de massastaking, die bestreden werd als in strijd zijnde met de politieke activiteit van het proletariaat, naar voren treedt als het machtigste wapen van de politieke strijd voor politieke rechten” (1).
De sovjets vormden de uitdrukking evenzeer een belangrijke verandering in de wijze waarop de arbeidersklasse georganiseerd was. En net zo min als de massastaking waren ze een zuiver Russisch verschijnsel. Leo Trotski en Rosa Luxemburg onderstreepten deze kwalitatieve omslag, zelfs al was Leo Trotski, net als Rosa Luxemburg, niet in staat om de gehele betekenis daarvan te vatten: “De sovjet organiseerde de werkende massa’s, leidde de politieke stakingen en betogingen, bewapende de arbeiders en beschermde de bevolking tegen pogroms. Gelijkaardig werk werd ook gedaan door andere revolutionaire organisaties vóór de sovjet tot stand kwam, samenvallend ermee en daarna. Maar dit gaf ze niet hetzelfde gezag dat de sovjet uitoefende. Het geheim van dit gezag lag in het feit dat de sovjet groeide als het natuurlijke orgaan van het proletariaat in zijn onmiddellijke strijd om de macht zoals die bepaald werd door de feitelijke loop van de gebeurtenissen. De naam van ‘arbeidersregering’ die de arbeiders enerzijds en de reactionaire pers anderzijds aan de sovjet gaven, was een uitdrukking van het feit dat de sovjet in werkelijkheid in de kiem een arbeidersregering was. De Sovjet vertegenwoordigde de macht voorzover de macht werd verzekerd door de revolutionaire kracht van de wijken van de arbeidersklasse; hij streed om de macht voorzover de macht nog in handen bleef van de militaire-politieke monarchie. Voorafgaand aan de sovjet vinden we onder de industriearbeiders een veelvoud van revolutionaire organisaties, die hoofdzakelijk geleid werden door de sociaal-democratische partij. Maar dit waren organisaties binnen het proletariaat en hun onmiddellijk doel bestond uit het verwerven van invloed over de massa’s. De sovjet was van meet af aan de organisatie van het proletariaat, en zijn doelstelling was de strijd om de revolutionaire macht.
Omdat de sovjet het brandpunt werd van alle revolutionaire krachten van het land, stond hij niet toe dat zijn klassenaard werd ontbonden in revolutionaire democratie: het was en bleef de georganiseerde uitdrukking van de klassenstreven van het proletariaat”
(2).
De ware betekenis van zowel de massastaking als de sovjets kan enkel worden begrepen door ze te plaatsen in de concrete historische context, door te begrijpen hoe de verandering van de feitelijke voorwaarden van het kapitalisme de taken en middelen van zowel bourgeoisie als proletariaat bepaalde.

Een keerpunt in de geschiedenis

In de laatste tien jaar van de negentiende eeuw begon het kapitalisme aan een periode van historische verandering. Het dynamisme van het kapitalisme waarmee het zich over de aardbol verspreidde was nog altijd overduidelijk, met nieuwe kapitalistische landen zoals Japan en Rusland die een sterke economische groei doormaakten. Maar in verschillende delen van de wereld waren er toenemende tekenen van stijgende spanning en van ontwrichting van de kapitalistische maatschappij als geheel.
Het min of meer regelmatige patroon van economische op- en neergang dat door Marx in het midden van de eeuw was geanalyseerd begon te veranderen met dieper gaande en langer durende inzinkingen.
Na tientallen betrekkelijk vredige jaren ontstonden er aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw groeiende spanningen tussen de rivaliserende imperialismes omdat de strijd om markten en grondstoffen steeds meer enkel kon worden gevoerd doordat de ene macht ze afnam van de andere. Tekenend daarvoor was het ‘Gedrang om Afrika’ waar in twintig jaar een heel continent werd opgedeeld en onderworpen werd aan één van de meest brutale uitbuiting ooit. Het ‘gedrang’ leidde tot veelvuldige diplomatieke confrontaties and militaire impasses, zoals het Fashoda-incident van 1898 toen het Britse imperialisme zijn Franse rivaal dwong om de weg vrij te maken in het Opper-Nijl-gebied.
Gedurende dezelfde periode begon de arbeidersklasse veel meer stakingen die omvangrijker en heviger waren dan in het verleden. In Duitsland bijvoorbeeld steeg het aantal stakingen van 483 in 1896 tot 1.468 in 1900, terugvallend op 1.144 en 1.190 in achtereenvolgens 1903 en 1904 (3). In Rusland in 1998 en in België in 1902 kwamen massastakingen tot ontwikkeling die vooruitliepen op die van 1905. De ontwikkeling van revolutionair en anarcho-syndicalisme was gedeeltelijk het gevolg van deze groeiende strijdbaarheid, maar het nam die vorm aan als gevolg van het toenemende opportunisme in vele delen van de arbeidersbeweging, zoals wij duidelijk maken in de serie artikels die we over dit onderwerp schrijven (4).
Voor elk van de twee belangrijkste klassen was de periode er een van enorme verandering waarbij nieuwe uitdagingen kwalitatief nieuwe antwoorden vereisten. Voor de bourgeoisie tekende dit het einde van de periode van koloniale expansie en het begin van groeiende imperialistische rivaliteit die in 1914 leidde tot de wereldoorlog. Voor de arbeidersklasse betekende dit het einde van de periode waarin hervormingen konden worden afgedwongen binnen het wettelijke of half-wettelijke kader dat was gegeven door de heersende klasse, en het begin van een periode waarin haar belangen allen nog konden worden verdedigd door het kader van de burgerlijke staat in de waagschaal te gooien. Dit leidde uiteindelijk tot de strijd om de macht in 1917 en de wereldwijde revolutionaire golf die daar op volgde. 1905 was de ‘generale repetitie’ van deze confrontatie, met veel lering voor het moment zelf en nu voor wie het interesseert.

De omstandigheden in Rusland

Rusland vormde geen uitzondering op deze historische tendens, maar de aard van de ontwikkeling van de Russische maatschappij betekende dat het proletariaat sneller en duidelijker werd geconfronteerd met sommige van de gevolgen van de komende periode. Maar hoewel we in het kort bij deze bijzondere aspecten zullen stilstaan, is het nodig om eerst nadruk te leggen op het feit dat de onderliggende oorzaak van de revolutie voorkwam uit de gelijkaardigheid van de voorwaarden die door de arbeidersklasse als geheel werd ervaren, zoals Rosa Luxemburg benadrukte: “[...] er ligt een grote mate van overdrijving in het denkbeeld dat het proletariaat in het Tsarenrijk van vóór de revolutie doorlopend de levensstandaard van een pauper zou hebben gehad. Juist de nu in economische en politieke strijd meest actieve en ijverigste laag van het groot-industriële arbeiders in de grote steden stond met betrekking tot hun materiële levensniveau nauwelijks veel lager dan een vergelijkbare laag van het Duitse proletariaat en in vele beroepen kan men in Rusland vergelijkbare, hier en daar zelfs hogere lonen vinden dan in Duitsland. Ook wat betreft de arbeidstijd zal het verschil tussen de groot-industriële bedrijven daar en hier nauwelijks van meer betekenis zijn. Vandaar dat de denkbeelden die uitgaan van een vermeende materiële en culturele staatsslavernij van de Russische arbeidersklasse behoorlijk uit de lucht gegrepen. Dit denkbeeld zou bij enig nadenken al in tegenspraak zijn met het feit van de revolutie zelf en met de uitnemende rol van het proletariaat daarin. Met paupers worden geen revoluties gemaakt van een dergelijke politiek rijpheid en scherpzinnigheid van geest, en de industriearbeiders van Sint-Petersburg en Warschau, van Moskou en Odessa, die in de vuurlijn van de strijd staan, staan cultureel en geestelijk veel dichter bij het West-Europese type dan diegenen zich inbeelden die het burgerlijk parlementarisme en de onmiddellijke vakbondspraktijk als de enige school van cultuur van het proletariaat beschouwen.” (5). Het is waar dat de ontwikkeling van het kapitalisme in Rusland gebaseerd was op een brutale uitbuiting van de arbeiders, met lange werkdagen en slechte arbeidsvoorwaarden die deden denken aan het begin van de negentiende eeuw in Groot-Brittannië; maar de arbeidersstrijd ontwikkelde zich snel tegen het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw.
Deze ontwikkelingen waren vooral te zien in de Putilov fabriek in Sint Petersburg, die wapens fabriceerde en schepen bouwde. Het bedrijf stelde tienduizenden arbeiders te werk en was in staat om op zo grote schaal te produceren dat het kon wedijveren met zijn meer ontwikkelde rivalen. De arbeiders daar ontwikkelden een traditie van strijdbaarheid en stonden in het centrum van de revolutionaire strijd van het Russische proletariaat in zowel 1905 als 1917. Als de Putilov-fabriek uitblonk door de omvang, dan maakte dit niettemin deel uit van een algemene tendens in de richting van de ontwikkeling van grotere fabrieken die in heel Rusland plaatsvond. Tussen 1863 en 1891 steeg het aantal fabrieken in Europees Rusland van 11.810 naar 16.770, een toename van 42%, terwijl het aantal arbeiders steeg van 357.800 tot 738.100, een toename van 106% (6). In gebieden als Sint Petersburg daalde het aantal fabrieken zelfs terwijl het aantal arbeiders toenam, wat neerkwam op een nog sterkere tendens naar de concentratie van de productie, en, daardoor, van het proletariaat (7).
De omstandigheden van de spoorwegarbeiders in Rusland ondersteunt het argument van Rosa Luxemburg over de plaats van de meest vooroplopende delen van de Russische arbeidersklasse. Op materieel vlak hadden zij een paar grote vorderingen gemaakt: tussen 1885 en 1895 stegen de reële lonen bij de spoorwegen met gemiddeld 18%, alhoewel achter dit gemiddelde grote verschillen schuilgingen tussen arbeiders met verschillend werk en tussen de verschillende delen van het land. Op cultureel vlak was er een traditie van strijd die terugging tot de jaren 1840 en 1850, toen lijfeigenen voor het eerst werden geronseld om spoorwegen aan te leggen. Tegen het laatste kwart van de eeuw waren de spoorwegarbeiders een belangrijk deel geworden van het stadsproletariaat met een aanzienlijke strijdervaring: tussen 1875 en 1884 waren er 29 ‘incidenten’ en in het daaropvolgende decennium 33. Toen de lonen en arbeidsvoorwaarden na 1895 begonnen te dalen namen de spoorwegarbeiders de handschoen op: “[...] tussen 1895 en 1904 was het aantal spoorwegstakingen drie keer hoger dan in de voorafgaande twee decennia tezamen [...] De stakingen van het eind van de jaren 1890 werd zelfbewuster en minder defensief [...]. Na 1900 beantwoordden de arbeiders het begin van de economische crisis met toenemend strijdbaarheid waarbij de metaalarbeiders van de spoorwegen vaak optraden in overleg met vakmensen uit de private industrie, en politieke agitators, doorgaans sociaal-democraten, wonnen aanzienlijk aan invloed.” (8). In de revolutie van 1905 zouden de spoorwegarbeiders een grote rol spelen, doordat zij hun kunde en ervaring ten dienste stelden van de arbeidersklasse als geheel en streefden naar de uitbreiding van de strijd en overgingen van stakingen naar opstand. Dit was geen strijd van paupers die door honger tot rellen werden gedreven of van boeren in arbeidersoveralls, maar een vitaal en klassenbewust deel van de internationale arbeidersklasse. Het was tegen deze achtergrond van gemeenschappelijke omstandigheden en strijd dat de bijzondere kenmerken van de toestand in Rusland, de oorlog met Japan elders en de politieke onderdrukking thuis, hun invloed uitoefenden.

Het vraagstuk van de oorlog

De Russisch-Japanse oorlog van 1904-1905 was een gevolg van de imperialistische rivaliteit tussen deze twee nieuwe kapitalistische machten aan het eind van de negentiende eeuw. De confrontatie begon in de jaren 1890 rond het vraagstuk van de invloed in China en Korea. Aan het begin van het decennium begon het werk aan de Trans-Siberische spoorlijn, die Rusland toegang moest verschaffen tot Mantsjoerije terwijl Japan zijn economische belangen in Korea vergrootte. Spanningen liepen tijdens het decennium op doordat Rusland Japan dwong zijn posities op het vasteland op te geven; en ze stegen ten top toen Rusland zijn eigen belangen begon te ontwikkelen in Korea. Japan stelde voor dat de twee landen overeen zouden komen om elkaars invloedssfeer te eerbiedigen. Toen Rusland daarop geen antwoord voerde Japan in januari 1904 een verrassingsaanval uit op Port Arthur. De grote ongelijkheid tussen de militaire kracht van de twee tegenspelers zorgde er eerst voor dat de afloop van de oorlog onvermijdelijk leek, en het uitbreken ervan werd in Rusland aanvankelijk begroet met een uitbarsting van vaderlandslievende begeestering, met veroordelingen van ‘onbeschofte Mongolen’ en met studentenbetogingen als steun aan de oorlog. Maar er kwam geen snelle overwinning. De Trans-Siberische spoorweg was nog niet voltooid zodat troepen niet snel naar het front gebracht konden worden; het Russische leger werd teruggeslagen; in mei was het garnizoen afgesneden en de Russische vloot die het ter hulp was gestuurd werd vernietigd; en op 20 december, na een beleg van 156 dagen, viel Port Arthur. Op militair vlak was de oorlog ongezien. Miljoenen soldaten werden in het veld gestuurd: 1.200.000 reservisten werden in Rusland opgeroepen; de industrie werd op de oorlog gericht, wat leidde tot inzinking en verdieping van de economische crisis. Bij de slag om Mukden in maart vochten twee weken lang 600.000 man, met 160.000 doden als gevolg. Het was de grootste slag in de geschiedenis en een voorteken van wat op komst was in 1914. De val van Port Arthur betekende het einde van de Russische Vloot in de Stille Oceaan en een vernedering voor de autocratie. Lenin schetste de bredere betekenis hiervan: “Maar het militaire debacle dat de autocratie heeft geleden heeft verder gaande gevolgen; het betekent het in elkaar storten van ons hele politieke systeem. De dagen dat oorlogen werden uitgevochten door huurlingen of door vertegenwoordigers van een kaste die half geïsoleerd was van het volk is voorgoed voorbij… Nu worden oorlogen door volkeren uitgevochten, dit brengt nu meer dan ooit een groot bijverschijnsel van de oorlog met zich mee, namelijk dat het de ogen opent van miljoenen voor de tegenstelling tussen volk en regering, dat tot dusverre alleen duidelijk was voor een kleine klassenbewuste minderheid. De kritiek op de autocratie door alle vooruitstrevende Russen, door de sociaal-democraten, door het Russische proletariaat, wordt nu bevestigd door de kritiek met de Japanse wapens, bevestigd in de zin dat de onmogelijkheid om nog verder te leven onder de autocratie steeds meer wordt aangevoeld zelfs door niet wetenden, maar die het toch van ganser harte zouden wensen. De onverzoenlijkheid van de autocratie met de belangen van de sociale ontwikkeling, met de belangen van het hele volk (afgezien van een handjevol bureaucraten en hoge pieten) werd overduidelijk zodra het volk daadwerkelijk voor de autocratie moest betalen met zijn eigen bloed. Haar krankzinnig en misdadig koloniaal avontuur bracht de autocratie in een impasse, waaraan het volk alleen op eigen kracht kan ontsnappen en enkel door het vernietigen van het tsarisme” (9).
In Polen waren de economische gevolgen van de oorlog wel heel vernietigend, met 25 tot 30% van de arbeiders in Warschau die hun werk kwijt raakten en de lonen die met een derde tot de helft werden verlaagd. In mei 1904 waren er schermutselingen tussen arbeiders en politie, met Kozakken die deze laatste versterkten. De oorlog begon steeds sterkere tegenstand op te roepen. Gedurende ‘Bloedige Zondag’ zelf, toen de troepen de arbeiders begonnen af te slachten die een petitie aan de tsaar wilden aanbieden, “schreeuwden de arbeiders van Sint-Petersburg het uit [...] tegen de officieren dat zij beter waren in het bevechten van het Russische volk dan van de Japanners” (10). Later kwamen sommige delen van het leger in opstand tegen hun omstandigheden en begonnen de kant van de arbeiders te kiezen: “Het moreel van de soldaten was door de nederlagen in het Oosten en de overduidelijke onbekwaamheid van het leiderschap sterk gedaald. Nu nam het ongenoegen toe door de tegenzin van de regering om de belofte na te komen van spoedige demobilisatie. Het resultaat was muiterijen in vele regimenten en bij tijd en wijle hevige strijd. Verslagen over dit soort van onrust kwamen binnen uit plaatsen zo uiteenlopend als Grodno en Samara, Rostov en Kursk, van Remebertov bij Warschau, van Riga in Letland en Viborg in Finland, van Vladivostok en Irkutsk.”
“Tegen de herfst won de revolutionaire beweging ook in de zeemacht aan kracht, met als gevolg dat er in oktober muiterij uitbrak op de marinebasis van Kronstadt in de Baltische Zee, die enkel met geweld kon worden neergeslagen. Daarop volgde een andere muiterij bij de vloot van de Zwarte Zee in Sebastopol, die op een bepaald moment dreigde de hele stad onder controle te krijgen” (11).
In hun oproep tot de arbeidersklasse in mei 1905 bundelden de Bolsjewieken het vraagstuk van oorlog en revolutie samen: “Kameraden! Wij staan nu in Rusland aan de vooravond van grote gebeurtenissen. Wij zijn verwikkeld in de laatste wanhopige strijd tegen de autocratische tsaristische regering, wij moeten deze strijd tot zijn glorieuze einde brengen. Zie wat voor rampen deze regering van bruten en tirannen, van veile hovelingen en klaplopers van het kapitaal over het gehele Russische volk heeft gebracht! De tsaristische regering heeft het Russische volk in een waanzinnige oorlog gestort met Japan. Honderdduizenden jonge levens zijn uit het volk weggerukt en omgekomen in het Verre Oosten. Woorden volstaan niet om alle rampen te beschrijven die deze oorlog ons brengt. En waarvoor dient hij? Voor Mantsoerije, dat onze vraatzuchtige tsaristische regering heeft afgenomen van China! Russisch bloed wordt vergoten en ons land geruïneerd terwille van vreemd territorium. Het leven wordt steeds zwaarder voor arbeiders en boeren; de kapitalisten en functionarissen trekken het strop strakker om hun nek aan terwijl de tsaristische regering het volk uitzendt om vreemd grondgebied te plunderen. Klungelende generaals en corrupte functionarissen hebben geleid tot de vernietiging van de Russische vloot, waarbij honderdduizenden miljoenen van de rijkdom van het land vergooid werd en hele legers verloren gingen. Maar de oorlog woedt nog steeds verder en eist nieuwe slachtoffers. Het volk raakt geruïneerd, industrie en landbouw vallen stil, en honger en cholera dreigen; maar de autocratische regering gaat in haar blinde waanzin verder op dezelfde weg; ze is bereid om Rusland te ruïneren als ze daarmee een handvol bruten en tirannen kan redden. Naast de oorlog tegen Japan is ze nu begonnen met het voeren van een andere oorlog – een oorlog tegen heel het Russische volk.” (12).

De onderdrukking door de staat

De oorlog diende ook om een andere draai te geven aan de groeiende campagne tegen de onderdrukkende politiek van de autocratie. In December 1903 werd er bericht dat Plehve, de minister van Binnenlandse Zaken gezegd had: “Om revolutie te vermijden hebben we een kleine triomferende oorlog nodig.” (13).
De macht van de autocratie was versterkt na de moord op tsaar Alexander II in 1881, door leden van de Volkswil, een groep die tegen de autocratie gebruik maakte van terrorisme (14). Nieuwe ‘uitzonderingsmaatregelen’ werden ingevoerd om alle politieke actie buiten de wet te stellen, en in plaats van uitzonderlijk te zijn werden deze de norm. “Het is waar om zeggen [...] dat er tussen het uitroepen van het Decreet van 14 Augustus 1881 en de val van de dynastie in Maart 1917, geen moment was waarin de ‘uitzonderingsmaatregelen’ niet van kracht waren in een paar delen van het land – en vaak in grote delen ervan” (15). Onder het ‘Versterkt Decreet’ konden de gouverneurs van het betreffende gebied mensen zonder proces drie maand gevangen zetten, alle besloten of openbare bijeenkomsten verbieden, fabrieken en winkels sluiten en mensen uit hun huis verbannen. Het ‘Buitengewoon Decreet’ plaatste het betreffende gebied eigenlijk onder militair gezag met willekeurige arrestaties, gevangenschap en boetes. Het gebruik van soldaten tegen stakingen en arbeidersprotesten werd gemeengoed en vele arbeiders werden in de strijd neergeschoten. Het aantal mensen in de gevangenissen en strafkolonies steeg over heel Rusland, net als het aantal dat werd verbannen naar verafgelegen delen van het land.
Gedurende deze periode steeg het aantal arbeiders onder diegenen die beschuldigd werden van misdaden tegen de staat. In 1884-1890 was slechts een kwart daarvan handarbeiders; tegen 1901-1903 was dit gestegen tot drievijfde. Dit weerspiegelde de verandering in de revolutionaire beweging van één die overheerst werd door intellectuelen naar één die uit arbeiders bestond, van een gevangenbewaarder werd verteld dat hij als commentaar gaf: “Hoe komt het dat steeds meer politieke plattelanders worden binnengebracht? Het plachten heren te zijn, studenten en jonge dames, maar nu zijn het grauwe landarbeiders zoals wijzelf.” (16).
Naast deze formele, ‘wettelijke’ vormen van onderdrukking gebruikte de Russische staat twee aanvullende vormen. Enerzijds moedigde de staat het anti-semitisme aan, en sloot de ogen voor pogroms en slachtpartijen, en er voor zorgend dat de organisaties die zich met dit werk bezighielden, zoals de Vereniging van de het Russische Volk, beter bekend als Zwarte Honderd, en die openlijk gesteund werd door de tsaar, bescherming genoten. Revolutionairen werden er openlijk van beschuldigd deel uit te maken van een georkestreerd joods complot om de macht over te nemen. Deze strategie zou tegen de revolutie van 1905 worden gebruikt en om arbeiders en boeren achteraf af te straffen.
Anderzijds probeerde de staat de arbeidersklasse te sussen door het oprichten van ‘politievakbonden’ geleid door kolonel Zubatov. Deze vakbonden waren ontworpen om de revolutionaire gemoederen binnen de grenzen van de onmiddellijke economische eisen te houden, maar de arbeiders in Rusland begonnen eerst deze grenzen te verleggen om ze in 1905 te overspoelen. Lenin beargumenteerde dat de politieke situatie in Rusland waar “de omstandigheden [...] van de arbeiders verwikkeld in economische strijd hen er toe ‘aanzetten’ zich met politieke vraagstukken bezig te houden” (17), wat betekende dat de arbeidersklasse van deze vakbonden gebruik konden maken zolang als de valstrikken die voor hen worden gespannen door de heersende klasse door de revolutionairen werden blootgelegd. “In die zin kunnen en  moeten wij tot de Zoebatov’s en Ozerow’s zeggen: gaat u voort, mijne heren, doet uw best! Iedere keer gij een val opstelt op de weg van de arbeiders [...] zorgen wij ervoor dat u ontmaskerd wordt. Maar telkens als gij een ware stap voorwaarts zet – zij het ook als een allerschuchterst ‘zigzag’, dan zullen we zeggen – Gaat voort! En de enige stap die een ware stap voorwaarts betekent is een werkelijke zij het zelfs kleine uitbreiding van het handelingsbereik van de arbeiders. Iedere dergelijke uitbreiding zal in ons voordeel zijn en bijdragen aan het ontstaan van wettige verenigingen, waarin niet de provocateurs socialisten opsporen, maar socialisten aanhangers zullen winnen.” (18). Eigenlijk, toen de revolutie er aan kwam, eerst in 1905 en dan in 1917, waren het niet de vakbonden die aan kracht wonnen maar een nieuwe organisatie, aangepast aan de revolutionaire taak die voor het proletariaat was weggelegd: de sovjets.

De bewapende confrontatie met de staat

Terwijl de factoren die we hierboven in beschouwing namen ons helpen bij het verklaren van de gebeurtenissen die in 1905 in Rusland plaatsvonden, heeft de ware betekenis van de gebeurtenissen niets met Rusland te maken. Hiervan uitgaande, wat is dan zo belangrijk van 1905? Waardoor wordt het bepaald?
Een in het oog springend kenmerk werd gevormd door de ontwikkeling van gewapende strijd in december. Trotski biedt een sterk verslag van de strijd die in Moskou plaatsvond toen de arbeidersklasse barricades opwierp om zich te verdedigen tegen de tsaristische troepen terwijl de Sociaal-Democratische Strijd Organisatie een guerrillastrijd voerde op straat en vanuit de huizen: “Hier is een typisch voorbeeld van een strijd. Vierentwintig man die een van de meest onverschrokken en moedige Georgische Druzhina (19) uitmaken marcheren tamelijk openlijk in groepjes van twee. De menigte waarschuwt hen dat zestien dragonders met hun officiers hun kant op komen. De Druzhina stopt , sluit de gelederen halen hun Mausers boven en bereiden zich voor om te vuren. Zodra de bereden eenheid verschijnt, vuurt de Druzhina. De officier is gewond, de paarden in de voorste linie die gewond zijn steigeren, de dragonders die bij verrassing gepakt zijn kunnen niet terugschieten. Dit stelt de Druzhina in staat om bijna 100 kogels af te vuren en de dragonders vluchten in wanorde en laten verschillende doden en gewonden achter. ‘Maakt nu dat jullie wegkomen’, schreeuwt het volk, ‘de artillerie is op komst’. Zij hebben het bij het juiste eind. De artillerie verschijnt onmiddellijk op het toneel, veroorzaken verschillende tientallen doden en gewonden onder de onbewapende menigte, die nooit vermoedde dat er op haar geschoten zou worden. Ondertussen begonnen de Georgiërs een andere schietpartij met troepen op een andere plaats. De Druzhina is haast onkwetsbaar omdat zij beschut zijn door het schild van de volks-sympathie.” (20). Maar het is het niet de gewapende strijd, hoe moedig ook, die 1905 kenmerkte. De gewapende strijd was inderdaad een uiting van de machtsstrijd tussen de klassen, maar het kenmerkte de laatste fase, die opkwam toen het proletariaat geconfronteerd werd met het succes van de tegenaanval van de heersende klasse. Eerst probeerden de arbeiders de troepen aan hun kant te krijgen, maar de botsingen ontwikkelden zich geleidelijk aan en werden bloediger. De gewapende strijd was eerder een poging om de wijken van de arbeidersklasse te beschermen dan de revolutie uit te breiden. Twaalf jaar later, toen de arbeiders weer geconfronteerd werden met de militaire apparaat, was het hun succes in het aan kun kant krijgen van een aanzienlijk deel van leger en vloot, waardoor het overleven en de vooruitgang van de revolutie verzekerd werd.
Verder hebben de botsingen tussen de arbeidersklasse en de bourgeoisie een lange geschiedenis. De eerste periode van de arbeidersbeweging in Groot-Brittannië werd gekenmerkt door gewelddadige botsingen. In 1800 en 1801 bijvoorbeeld was er een hele golf van voedselrellen, waarvan sommige van te voren gepland leken door gedrukte strooibiljetten waarin de arbeiders werden opgeroepen zich te verzamelen. Een jaar later waren er verslagen over arbeiders die oefenden met hooivorken en over geheime organisaties die complotteerden om tot revolutie te komen. In de daaropvolgende tien jaar was de Luddieten-beweging, of het Leger van Herstellers, om de naam te gebruiken die de beweging zichzelf gaf, die een antwoord vormde op de verarming van tienduizenden wevers. Weer een paar jaar later was er opnieuw de Chartisten van de Fysieke Kracht die plannen maakte voor een opstand. Tijdens se Commune van Parijs van 1871 barstte de gewelddadige confrontatie tussen de klassen openlijk uit. In Amerika lokte de brutale uitbuiting die gepaard ging met de snelle industrialisering van het land gewelddadige oppositie uit, zoals in het geval van de Molly Maguires die gespecialiseerd waren in het ombrengen van bedrijfsleiders en die stakingen omvormde tot bewapende conflicten (21). Wat 1905 zo bijzonder maakte was niet de bewapende confrontatie maar de organisatie van het proletariaat op klassenbasis om zijn algemene doelen te bereiken. Dit mondde uit in een nieuw type van organisatie, de sovjet, met nieuwe doelen die noodzakelijkerwijze de vakbonden overvleugelden.

De rol van de sovjets

In een van de eerste en belangrijkste studies van de sovjets voert Oskar Anweiler aan dat “het realistischer beeld is dat de sovjets van 1905 en van 1917 zich gedurende lange tijd ontwikkelden onafhankelijk van de Bolsjevistische Partij en haar ideologie, en dat hun doel aanvankelijk niet was de staatsmacht over te nemen” (22). Dit is een nauwkeurige vaststelling voor het eerste stadium van de sovjets, maar het geldt niet voor de latere fases waarin de arbeidersklasse zich niet langer tevreden stelde met het voortmarcheren achter Vadertje Gapon en zijn verzoekschriften. Tussen januari en december 1905 veranderde er iets. Begrijpen wat er veranderde en hoe het veranderde vormt de sleutel tot het begrip van 1905.
In het eerste artikel (zie Internationalisme, nr. 316 en 317-318) legden we de nadruk op het spontane karakter van de revolutie. De stakingen van januari, oktober en december leken uit de lucht te komen vallen, en waren ontstaan uit ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenissen, zoals het ontslag van twee arbeiders in één fabriek. De acties overspoelden zelfs de meest ogenschijnlijke radicaliteit van de vakbonden: “Op 30 september begon het te gisten in de werkplaatsen van de spoorwegen van Moskou-Kursk en Moskou-Kazan. Deze twee spoorwegen stonden klaar om de campagne op 1 oktober te openen. Ze werden tegengehouden door de spoorwegvakbond. Zich baserend op de ervaring van de stakingen van februari, april en juli van verschillende afzonderlijke lijnen, bereidde de vakbond een algemene spoorwegstaking voor die moest samenvallen met het samenkomen van de staatsdoema; voor het moment was hij tegen de gedeeltelijke actie. Maar de gisting ging onverminderd door. Op 20 september was een officiële conferentie van spoorwegafgevaardigden begonnen met het bespreken van pensioenfondsen. Deze conferentie verbrede spontaan de agenda en vormde zichzelf, onder applaus van de hele spoorwegwereld, om tot een onafhankelijke vakbond en politiek congres. Van alle kanten kwamen er steunbetuigingen. De gisting nam nog toe. Het idee van een onmiddellijke algemene spoorwegstaking begon vaste grond te vinden in de streek rond Moskou.” (23).
De sovjets ontwikkelden zich op een grondslag die de reikwijdte van de vakbond te buiten ging. Het eerste lichaam dat kan als sovjet kan worden ingedeeld dook op in Ivanovo-Voznesensk in Centraal Rusland. Op 12 mei brak er een staking uit in één fabriek in de stad, die bekend stond als Russische Manchester, en binnen enkele dagen was iedere fabriek gesloten en waren er meer dan 32.000 arbeiders in staking. Op voorstel van een fabrieksinspecteur werden er afgevaardigden gekozen om de arbeiders in gesprekken te vertegenwoordigen. De Vergadering van Afgevaardigden, samengesteld uit ongeveer 110 arbeiders, kwam in de daaropvolgende weken regelmatig bijeen. Haar taak bestond uit het leiden van de staking, afzonderlijke acties en onderhandelingen te voorkomen, orde en georganiseerd gedrag van de arbeiders te verzekeren en het werk enkel te hervatten op haar bevel. De sovjet bracht een aantal eisen naar voren, zowel economische als politieke, waaronder de achturendag, een hoger minimumloon, betaald ziekteverlof, betaald zwangerschapsverlof, vrijheid van vergadering en vrijheid van meningsuiting. Daarop vormde zij een arbeidersmilitie om de arbeidersklasse te beschermen tegen de Zwarte Honderd, om te vermijden dat stakers slaags raakten met de nog werkenden en om in contact te blijven met de arbeiders in verafgelegen gebieden. De autoriteiten weken oorspronkelijk terug voor de georganiseerde kracht van de arbeidersklasse maar begonnen tegen het einde van de maand te reageren met een verbod op de milities. Een massameeting begin juni werd door kozakken aangevallen, waarbij enkele arbeiders om het leven kwamen en andere gevangen werden genomen. De toestand tegen het einde van de maand uit de hand met rellen en verdere botsingen met de kozakken. Een nieuwe staking werd afgekondigd in juli, waarin 10.000 arbeiders betrokken waren, maar deze werd na drie maanden verslagen, met de verkorting van de arbeidsdag als enig tastbare winst.
Bij deze allereerste poging werd de fundamentele aard van de sovjets al zichtbaar: een samengaan van de economische en politieke belangen van de arbeidersklasse die, omdat hij de arbeiders verenigde op een klassenbasis eerder dan per bedrijfstak, er onvermijdelijk toe neigde om in de loop der tijd meer uitdrukkelijk politiek te worden, leidend tot een confrontatie tussen de gevestigde macht van de bourgeoisie en de opkomende macht van het proletariaat. Dat het vraagstuk van de arbeidersmilities centraal stond in het bestaan van de sovjet van Ivanovo-Voznesensk was niet gelegen in de onmiddellijke militaire dreiging maar omdat daarmee het vraagstuk van de klassenmacht werd gesteld.
Deze tendens tot het scheppen van een rivaliserende macht loopt als een rode draad door heel Trotzki’s relaas van 1905 en werd na 1917 uitdrukkelijk gesteld met de situatie van dubbele heerschappij: “Indien de staat de organisatie van de klassenheerschappij, de revolutie echter de val van de heerschende klasse is, dan moet de overgang van de macht van de ene klasse op de andere noodzakelijk tegenstrijdige staatkundige verhoudingen in het leven roepen, voor alles in de vorm van de dubbele heerschappij. De verhouding der klassenkrachten is geen wiskundige grootheid, welke van te voren te berekenen is. Indien het oude régime aan het wankelen gebracht is, kan de nieuwe machtsverhouding slechts als resultaat van een krachtmeting in de strijd ontstaan. Dit is juist de revolutie.” (24). De situatie van dubbele heerschappij werd in 1905 nog niet bereikt, maar het vraagstuk werd van meet af aan gesteld: “Vanaf het uur dat hij ontstond tot aan het uur waarin hij ten onder ging, stond de Sovjet onder de machtige, elementaire druk van de revolutie [...]. Elke stap van de arbeidersvertegenwoordiging was op voorhand bepaald. Haar ‘tactiek’ was duidelijk. De strijdmiddelen hoefden niet besproken te worden; er was nauwelijks tijd om ze te verwoorden.” (25). Dit is het belangrijkste kenmerk van de sovjet en het is wat deze onderscheidt van de vakbonden. De vakbonden zijn een wapen in de proletarische strijd binnen het kapitalisme; de sovjets zijn een wapen in de strijd tegen het kapitalisme. In aanleg zijn de twee niet tegengesteld, doordat beiden voortkomen uit de feitelijke voorwaarden van de klassenstrijd van hun tijd en in elkaars verlengde liggen voorzover ze strijd leveren voor de belangen van de arbeidersklasse. Maar ze raken met elkaar in tegenspraak als de vakbondsvorm voortbestaat nadat zijn klasseninhoud – zijn rol in het organiseren van de klasse en in het ontwikkelen van haar bewustzijn – is overgegaan naar de sovjets. In 1905 kwam deze tegenstelling nog niet aan de oppervlakte; sovjets en vakbonden konden naast elkaar bestaan en elkaar in zekere zin versterken, maar ze lag al opgesloten in de wijze waarop de sovjets de vakbonden voorbijstreefden.
De massastakingen die in oktober 1905 tot ontwikkeling kwamen leidden tot het in het leven roepen van nog veel meer sovjets, waarbij de sovjet van Sint-Petersburg de weg vooruit toonde. Alles bij elkaar zijn er zo’n veertig tot vijftig sovjets geteld, evenals enkele boeren- en soldatensovjets. Anweiler benadrukt hun uiteenlopende oorsprong: “Sommige werden gevormd naar het voorbeeld van oudere organisaties zoals stakingscomités en vergaderingen van afgevaardigden; andere werden onmiddellijk opgericht, op aanzet van sociaal-democratische partijorganisaties, die toen een aanzienlijke invloed uitoefenden binnen de sovjet. De grenzen tussen een eenvoudig stakingscomités en een volledig ontwikkelde raad van arbeidersafgevaardigden waren vaak vaag, en alleen in de voornaamste revolutionaire centra met aanzienlijke arbeidersconcentraties – zoals (behalve Sint-Petersburg), Moskou, Odessa, Novorossisysk, en het Donetz-bekken – waren de raden grondig georganiseerd.” (26). Dit kan feitelijk wel juist zijn maar het doet niets af aan hun betekenis als directe uitdrukkingen van de revolutionaire strijd van het proletariaat. In al hun nieuwheid vloeiden ze onvermijdelijk mee in de eb en vloed van het revolutionaire getij: “De kracht van de sovjets lag in deze revolutionaire stemming van de massa’s, in de oorlogszuchtige sfeer van het kapitaal, en in de onzekerheid van het regime. Gedurende de politieke zegeroes van de ‘vrijheidsdagen’ beantwoordde de arbeidersklasse bereidwillig de oproep van haar verkozen orgaan; zodra die stemming wegebde en plaats maakte voor uitputting en ontmoediging, verloren de sovjets een deel van hun invloed en gezag.” (27).
De sovjets en de massastaking kwamen voort uit de feitelijke voorwaarden van het bestaan van de arbeidersklasse, juist zoals de vakbonden vóór hen: “De sovjet ontstond als antwoord op een feitelijke behoefte – een behoefte die voortvloeide uit de loop der gebeurtenissen. Het was een organisatie die wel gezag maar nog geen tradities had; die onmiddellijk een versplinterde massa van honderdduizenden mensen kon meeslepen terwijl hij nauwelijks over enige organisatorische structuur beschikte; die de revolutionaire stromingen binnen het proletariaat verenigde; die in staat was tot initiatief en tot spontane zelfcontrole – en het allerbelangrijkste, die binnen de vierentwintig uur uit de ondergrond naar boven kon worden gebracht.” (28). Dit is de reden waarom in de eeuw sinds 1905 de sovjetvorm, in de kiem of daadwerkelijk, telkens opnieuw is opgedoken wanneer de arbeidersklasse in het offensief gaat: “De beweging in Polen heeft door haar massaal karakter, haar snelheid, haar uitbreiding over de categorieën en streken heen, niet allen de noodzaak maar ook de mogelijkheid bevestigd van de veralgemening en zelforganisatie van de strijd.” (29). “[...] de autoriteiten die gewoon waren om propaganda te voeren op grond van massale en systematische verdraaiing van de werkelijkheid ,net zoals op de totalitaire controle door de staat, dreven de Poolse arbeiders ertoe om een graad van zelforganisatie te ontwikkelen die een onmetelijke stap vooruit betekende in vergelijking met wat bereikt was welke eerdere strijd dan ook.” (30).

North, 14 juni 2005.

(Eerder verschenen in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 122, derde kwartaal 2005.)

Noten

(1) Rosa Luxemburg, Massenstreik, Partei und Gewerkschaften, I, in Gesammelte Werke, Berlin, Dietz Verlag, 1972, Bd. 2, p. 96-97.
(2) Leon Trotzky, 1905, hoofdstuk 22, Summing up.
(3) The International Working Class Movement, Vol. 2, Chapter 8, Moscow, Progress Publishers, 1976.
(4) Internationale Revue, Engels-, Frans-, en Spaanstalige uitgave, nr. 118, Wat is revolutionair syndicalisme?, en nr. 120, Anarcho-syndicalisme geconfronteerd met een verandering van periode: de CGT tot aan 1914.
(5) Rosa Luxemburg, Massastreik, Partei und Gewerkschaften, V, in Gesammelte Werke, Berlin, Dietz Verlag, 1972, Bd. 2, p. 136.
(6) Zie Lenin: The development of capitalism in Russia, Appendix II, in Collected Works, Vol. 3.
(7) Ibidem, Appendix III.
(8) Henry Reichman, Railwaymen and Revolution. Russia, 1905,  University of California Press, 1987.
(9) Lenin, The Fall of Port Arthur, in Collected Works, Vol. 8.
(10) Lenin, Revolutionary days, 8, The number of killed or wounded, in Collected Works, Vol. 8.
(11) David Floyd, Russia in Revolt, Chapter 6.
(12)  Lenin, The First of May, in Collected Works, Vol. 8.
(13) Een nieuwer werk verwerpt dit gezichtspunt met het argument dat het bewijs “enkel laat zien dat [...] Plehve geen bezwaar leek te hebben tegen het feit dat Rusland in oorlog ging met Japan, ervan uitgaande dat een militair conflict de massa zou afhouden van politieke aspiraties.” (Ascher, The Revolution of 1905, Chapter 2, War and Political Upheaval).
(14) Lenin’s broer maakte deel uit van een groep die haar inspiratie haalde uit de “Volkswil”. Hij werd in 1887 opgehangen na een poging om tsaar Alexander III te vermoorden.
(15) Edward Crankshaw, The Shadow of the Winter Palace, Chapter 16, The Peace of the Graveyard.
(16) Teodor Shanin, Russia 1905-1907, Revolution as a Moment of Truth, Chapter 1, A revolution comes to the boil.
(17) Lenin, Wat te doen?, Amsterdam, Pegasus, 1976, p. 133.
(18) Lenin, Ibid., p. 133.
(19) Dit was de naam die gegeven werd aan de individuele strijdeenheden. Trotski beschrijft hen collectief als “Druzhinniki”.
(20) Leon Trotzki, 1905, Chapter 21, December.
(21) Zie Louis Adamic, Dynamite, Rebel Press, 1984.
(22) Oskar Anweiler, The Sovjets and the Russian Revolution of 1905.
(23) Leon Trotzki, 1905, Chapter 7, The strike in October.
(24) Leo Trotski, Geschiedenis van de Russische Revolutie, Amsterdam, Van Gennep, 1978, Deel 1, Dubbele heerschappij, p. 263.
(25) Oskar Anweiler, The Soviets and the Russian Revolution of 1905, Chapter 2, The Soviets and the Russian Revolution.
(26) Oskar Anweiler, Ibidem.
(27) Oskar Anweiler, Ibidem.
(28) Leon Trotzki, Ibidem.
(29) Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 23, Massastakingen in Polen 1980: het proletariaat slaat een nieuwe bres.
(30) Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 24, De internationale uitstraling van de arbeidersstrijd in Polen.

De Russische Revolutie van 1905: De Sovjets openen een nieuwe periode in de geschiedenis van de klassenstrijd (deel 2)

De tendensen die we zagen in Ivanovo-Voznesensk kwamen tot volle bloei in de Sovjet van Arbeidersafgevaardigden in Sint-Petersburg.
De sovjet kwam voort uit de ontwikkeling van de arbeiderstrijd in Sint-Petersburg. Oppervlakkig gezien verschilde hij van die van Ivanovo-Voznesensk doordat de allereerste bijeenkomst was bijeengeroepen op initiatief van de Mensjewieken eerder dan dat hij direct uit de strijd was voortgekomen. In werkelijkheid was hij even diep geworteld in de arbeidersstrijd, maar dan eerder uit de beweging als geheel dan uit een afzonderlijke deel daarvan. Dit was een stap vooruit en in het idee dat hij minder echt proletarisch zou zijn of op de een of andere manier een schepping zou zijn van de sociaal-democratie laat enkel het oppervlakkige formalisme zien van diegenen die over dat punt willen twisten. De revolutionairen werden juist vooruit gedreven door de stormloop van de gebeurtenissen en door de spontane ontwikkeling van de strijd met een tred die ze niet altijd behaaglijk vonden.
Van meet af aan bleek de politieke aard van de sovjet: “Er werd onmiddellijk besloten om tot een oproep aan het proletariaat van de hoofdstad om een politieke algemene staking uit te roepen en afgevaardigden te kiezen. De proclamatie die op de eerste bijeenkomst werd opgesteld verklaart: ‘De arbeidersklasse heeft haar toevlucht genomen tot het uiteindelijke, machtige wapen van de wereldwijde arbeidersbeweging – de algemene staking [...]. In de komende dagen zullen er in Rusland beslissende gebeurtenissen plaatsvinden. Ze zullen het lot bepalen van de arbeidersklasse voor vele komende jaren; wij moeten deze gebeurtenissen met volle toewijding tegemoet treden, verenigd in onze gezamenlijke sovjet [..]’.” (1). De tweede vergadering van de sovjet ging er al toe over om eisen te stellen aan de heersende klasse: “Een speciale afvaardiging kreeg opdracht om de volgende eisen over te brengen aan de stadsdoema: 1) dat er onmiddellijk maatregelen moesten worden genomen om de voedselbevoorrading van de arbeiders veilig te stellen; 2) dat er gelegenheid zou worden gegeven voor vergaderingen; 3) dat de hele voedselbevoorrading, het toewijzen van gelegenheden en fondsen voor de politie, de rijkswacht, enzovoort., met onmiddellijke ingang zouden worden opgeschort; 4) dat er fondsen ter beschikking werden gesteld voor de bewapening van het proletariaat van Sint-Petersburg in zijn strijd voor vrijheid.” (2). De sovjet werd heel snel de verzamelplaats van de strijd en de leider van de massastaking, waarbij vakbondscomités en afzonderlijke stakingscomités gehouden waren aan zijn beslissingen. Het grondwettelijk manifest, door de Tsaar ondertekend op 18 oktober, was op zichzelf geen bijzonder radicaal document maar in de politieke context van de periode was het een uiting van de krachtsverhouding tussen de klassen tijdens de revolutie, en als zodanig was het van groot belang: “Op 17 oktober capituleerde de tsaristische regering, besmeurd door het bloed en de eeuwenlange banvloeken, voor de revolutionaire staking van de werkende massa’s. Geen enkele poging tot restauratie kan dit feit wegpoetsen uit de geschiedenisboeken. De gewijde kroon van het absolutisme van de tsaar draagt voor eeuwig de sporen van de laars van de proletariër.” (3).
De volgende twee en een halve maand gaf een krachtmeting te zien tussen het revolutionaire proletariaat, geleid door de sovjet die het in het leven had geroepen, en de bourgeoisie. Op 21 oktober, geconfronteerd met een verloop van de staking, maakte de sovjet er een eind aan, en toonde daarmee zijn kracht door alle arbeiders te organiseren om op hetzelfde uur weer aan het werk te gaan. Eind oktober werden de plannen voor een betoging om amnestie te eisen voor de gevangenen van de staat afgelast met het oog op de voorbereidselen die door een deel van de heersende klasse waren gemaakt om een confrontatie uit te lokken. Deze acties waren pogingen van de klassen om een gunstige omstandigheden te scheppen omdat ze op een onvermijdelijke botsing afstevenden: “Dat was de algemene trend van de politiek van de sovjet; hij stevende met de ogen wijd open af op het onvermijdelijke conflict. Maar hij voelde zichzelf er niet toe gedwongen het conflict te versnellen. Hoe later, hoe beter.” (4). Eind oktober werd er een golf van pogroms georganiseerd, waarbij zowel de Zwarte Honderd als niets ontziende berooide en criminele elementen van de maatschappij werden ingezet. Dat resulteerde in ongeveer 3.500 tot 4.000 doden en 10.000 gewonden; en zelfs in Sint-Petersburg werden er voorbereidingen gemaakt door met incidentele afranselingen en mishandelingen. De arbeidersklasse beantwoordde dit door haar milities te versterken, het beslag leggen op wapens en het opzetten van patrouilles, en dwongen de regering er op haar beurt toe soldaten in de stad te brengen.
In November brak er een nieuwe staking uit, gedeeltelijk in reactie op de instelling van de staat van beleg in Polen en de krijgswet voor de soldaten en matrozen uit Kronstadt die oproer maakten. Wederom geconfronteerd met een verloop na enkele toegevingen te hebben afgedwongen, blies de sovjet de staking af en de arbeiders gingen als een gedisciplineerd geheel weer aan het werk. Het succes van de staking was dat nieuwe sectoren van de arbeidersklasse er in betrokken werden en dat hij contact legde met soldaten en matrozen: “Met een enkele klap stuwde dit het bewustzijn omhoog van veel kringen binnen het leger en, in een bestek van een paar dagen, zagen een aantal politiek bijeenkomsten het licht in de barakken van het garnizoen in Sint-Petersburg. In het Uitvoerend Comité en zelfs op de bijeenkomsten van de sovjet zelf begonnen niet enkel afzonderlijke soldaten maar ook soldatenafgevaardigden op te dagen, toespraken houdend en om steun vragend; de revolutionaire band onder de troepen werd versterkt; proclamaties werden wijd en zijd gelezen.” (5). Evenzo kon ook een poging om de achturendag af te dwingen niet volgehouden worden en de winst die was bereikt ging snel weer verloren toen de campagne was afgelast. Maar de invloed op het bewustzijn van de arbeidersklasse was bleef voortleven: “De rapporteur van het Uitvoerend Comité die belast was met het verdedigen van de resolutie in de sovjet om de campagne te beëindigen, vatte de campagne in de volgende bewoordingen samen: ‘Wij hebben niet de achturendag verkregen voor de massa’s, maar wij hebben zeker de massa’s gewonnen voor de achturendag. Voortaan zal de oorlogskreet: Acht uren en een geweer! leven in het hart van iedere arbeider in Sint-Petersburg.’” (6).
De stakingen gingen verder, meer in het bijzonder een nieuwe spontane beweging onder de arbeiders van de spoorwegen en de telegraaf, maar de contrarevolutie won ook geleidelijk aan kracht. In 26 november werd de voorzitter van de sovjet, Georgiy Nosar, gearresteerd. De erkende nu dat de confrontatie onvermijdelijk was en stemde een resolutie waarin verklaard werd dat het zou doorgaan om een bewapende opstand voor te bereiden. Arbeiders, boeren en soldaten kwamen bijeen in de sovjet, en bevestigden zijn oproep om de wapens op te nemen en voorbereidingen te treffen. Maar op 6 december werd de sovjet omsingeld en zijn leden gearresteerd. Nu kwam de sovjet van Moskou op de voorgrond met een oproep tot algemene staking en met een poging om die in een bewapende opstand om te vormen. Maar op dat ogenblik mobiliseerde de reactie al op massale schaal en de poging tot opstand werd een achterhoedegevecht, een defensieve actie. Tegen het midden december was hij verslagen. In de reactie die daarop volgde werden 14.000 mensen gedood tijdens het gevecht, 1.000 geëxecuteerd, 20.000 gewond en 70.000 gearresteerd en gevangengezet dan wel verbannen.
De bourgeoisie was verbijsterd door de gebeurtenissen van 1905. Omdat enig begrip van de revolutionaire aard van de arbeidersklasse haar vreemd is lijkt de ontwikkeling van de strijd naar een bewapende confrontatie en de nederlaag van het proletariaat een daad van waanzin:
“Overspoeld door succes, bezweek de sovjet van Petersburg door overmoed (7). In plaats van zijn resultaten te bestendigen werd hij steeds strijdbaarder, en zelfs roekeloos. Veel van zijn leiders redeneerden dat als de autocratie zo gemakkelijk op zijn knieën kon worden gebracht, zou het dan niet mogelijk zijn om steeds meer concessies af te dwingen voor de arbeidersklasse en een socialistische revolutie door te drukken? Zij gingen er liever aan voorbij dat de algemene staking alleen maar was geslaagd omdat het een verenigde inspanning was van verschillende sociale groepen; en ze begrepen niet dat zij alleen op de sympathie van de middenklasse konden rekenen zolang de sovjet zijn vuurkracht tegen de autocratie richtte.” (8). Voor revolutionairen ligt de betekenis van 1905 niet in de onmiddellijke winst maar in de lessen die er uit geleerd kunnen worden voor de ontwikkeling van de voorwaarden voor revolutie, de rol van het proletariaat en van de revolutionaire organisatie en, vooral, voor de middelen die het proletariaat zal aanwenden om strijd te leveren: de sovjets. Deze lessen konden alleen worden geleerd door de ‘overmoed’ en ‘roekeloosheid’ van het proletariaat; dat zijn eigenschappen die het volop nodig zal hebben om het kapitalisme met goed gevolg omver te werpen. De bolsjewieken waren niet zeker van zichzelf toen ze met de sovjets in aanraking kwamen. In Sint-Petersburg, hoewel ze deelnamen aan de oprichting van de sovjet, stemde de organisatie van de bolsjewieken van de stad een resolutie waarin werd opgeroepen een sociaal democratisch programma aan te nemen. In Saratov verzetten ze zich nog in november 1950 tegen de oprichting van de sovjet, terwijl ze in Moskou, met enige vertraging, actief deelnamen aan de sovjet. Lenin had een veel helderder begrip van de mogelijkheden die de sovjets boden en in een onuitgegeven brief aan Pravda van begin november bekritiseerde hij degenen die de partij tegenover de sovjets stelden: “[...] het besluit moet zijn: zowel de Sovjet van Arbeidersafgevaardigden als de partij” en hij bepleitte: “het zou onverstandig zijn als de sovjet van één enkele partij zou toetreden.” (9). Hij argumenteerde verder dat de sovjet voortkwam uit de strijd en het product was van het proletariaat als geheel en dat de rol ervan bestond de krachten van het proletariaat  en zijn revolutionaire krachten te bundelen, ondanks dat de opname van de boerenstand en elementen van de burgerlijke intelligentsia dit aanzienlijk vervaagde. “In mijn opvatting is de Sovjet van Arbeidersafgevaardigden, als het revolutionaire centrum, niet een te brede organisatie, maar, integendeel, een te smalle. De sovjet moet zichzelf uitroepen tot voorlopige regering of overgaan tot de vorming van een dergelijke regering, en het moet daartoe zeker de deelname van afgevaardigden van niet alleen de arbeiders, maar op de eerste plaats van matrozen en soldaten inroepen [...] op de tweede plaats, van de revolutionaire boerenstand, en ten derde, van de revolutionaire burgerlijke intelligentsia [...] We zijn niet bang voor een zo brede en gemengde samenstelling – we willen die zelfs, want tenzij het proletariaat en de boerenstand zich verenigen en tenzij de sociaal-democraten en revolutionaire democraten een bondgenootschap in de strijd aangaan, kan de grote Russische revolutie niet volledig slagen.”
Het standpunt van Lenin tijdens de revolutie en vlak daarna was niet altijd duidelijk, niet in het minst omdat hij de sovjets in verband bracht met de burgerlijke revolutie en ze zag als een basis voor een voorlopige revolutionaire regering. Maar hij begreep een paar van de meest fundamentele karakteristieken van de sovjets: dat zij een vorm waren die voorkwam uit de strijd zelf, vanuit de massastaking; dat zij de krachten van de klasse bundelde; dat zij een wapen waren voor de revolutionaire strijd en de opstand en dat ze op en neer deinde met de strijd. “Sovjets van Arbeidersafgevaardigden zijn organen van de onmiddellijke massastrijd. Ze ontstonden als organen van de stakingsstrijd. Door de omstandigheden gedwongen werden zij heel snel de organen van de algemene revolutionaire strijd tegen de regering. De loop der gebeurtenissen en de omvorming van staking tot opstand vormde ze onafwendbaar om in organen van een opstand. Dat precies dit de rol was die een aantal ‘sovjets’ en ‘comités’ in december speelden is een absoluut ontegenzeggelijk feit. De gebeurtenissen bewezen op de meest treffende en overtuigende wijze dat de kracht en het belang van dergelijke organen in tijden van strijdbare actie geheel en al afhangen van de kracht en het succes van de opstand.” (10). In 1917 hielp dit begrip Lenin om de centrale rol te begrijpen die de sovjets speelden.

De vakbonden en de sovjets

Eén van de belangrijkste lessen van 1905 betrof de functie van de vakbonden. We vermeldden al het fundamentele punt dat de ontwikkeling van de sovjets liet zien dat de ontwikkeling van de geschiedenis de vakbondsvorm oversteeg, maar het is van belang om dit meer in bijzonderheden te beschouwen.
In Rusland waren de onmiddellijke omstandigheden zodanig dat de arbeidersverenigingen jarenlang door de staat verboden waren. Dat contrasteerde met de meer ontwikkelde kapitalistische landen waar de vakbonden het recht op bestaan hadden veroverd en honderdduizenden, zo al niet miljoenen arbeiders bijeen hadden gebracht. De bijzondere omstandigheden in Rusland weerhield de arbeiders er niet van om strijd te leveren maar betekende wel dat hun verzet ertoe neigde een spontaan karakter aan te nemen en, vooral, dat hun organisaties, zoals stakingscomités, onmiddellijk uit de strijd zelf voortkwamen en verdwenen met de stakingen zelf. De enige wettige vorm bestond uit inzamelingen voor hulpkassen.
In 1901 werd in Moskou door Sergei Zubatov een Maatschappij voor Wederzijdse Steun voor Arbeiders in de Mechanische Industrie opgericht wat een weerklank vond in de oprichting van vergelijkbare organisaties in andere steden. Het doel van dergelijke door de politie georganiseerde vakbonden was, zoals we al vermeldden, het scheiden van de economische grieven van de arbeidersklasse van de politieke en om voor wat betreft de eerste enige verbetering aan te brengen zodat de andere onder controle kon worden gehouden. Dat mislukte, enerzijds omdat de staat geenszins bereid was om ook maar enige concessie te doen die er enige geloofwaardigheid aan zou hebben gegeven en, anderzijds, omdat de arbeidersklasse en de revolutionairen probeerden om ze voor hun eigen doeleinden te gebruiken. “De Zubatovisten van Moskou vonden navolging in de werkplaatsen van de Moskou-Kursk [spoorweg] lijn, maar anders dan wat deze ‘politie-socialisten’ in gedachte hadden moedigden de contacten die in de gezelschapsruimten en bibliotheken werden gelegd ook het organiseren van sociaal-democratische groepen aan [...]” (11). Geconfronteerd met de stakingsgolf van 1902-1903 waarin zo’n 225.000 arbeiders deelnamen werden de vakbonden van Zubatov opgeheven.
In hun plaats stond de staat voor onderhandelingen met de directie de aanstelling toe van “starosti”, ofwel fabriekswijzen (12). Dergelijke delegaties waren in het verleden opgekomen in afwezigheid van andere vormen van organisatie, maar onder de nieuwe wet, en om te voorkomen dat er afgevaardigden kwamen die daadwerkelijk de arbeidersbelangen verdedigden, konden dergelijke mensen alleen worden aangesteld met toestemming van de ondernemer. Ze hadden geen onschendbaarheid en konden door de ondernemers worden ontslagen of uit hun functie worden ontzet door de regionale gouverneur die door de staat was aangesteld.
Toen de revolutie uitbrak waren de vakbonden nog altijd onwettig. Desondanks waren er vele vakbonden opgericht as gevolg van de eerste strijdgolf. Tegen het eind van september waren er 16 vakbonden opgericht in Sint-Petersburg, 24 in Moskou en nog een paar meer in verschillende delen van het land. Tegen het eind van het jaar was dit toegenomen tot 57 in Sint-Petersburg en 67 in Moskou. De intelligentsia en de hogere kaders richtten eveneens vakbonden op, waaronder advocaten, medisch personeel, ingenieurs and technici, en op 14 mei richten veertien van deze vakbonden het Verbond van Vakbonden op.
Waaruit bestond vervolgens het verband tussen de vakbonden en de socjets? Heel eenvoudig, het waren de sovjets die de strijd leidden, de vakbonden werden meegesleept en geradicaliseerd door dat leiderschap. “Toen de staking in oktober tot ontwikkeling kwam kwam de sovjet als vanzelf steeds meer op de politieke voorgrond te staan. Het industriële proletariaat verzamelde zich als eerste rondom de sovjet. Zijn belang groeide letterlijk met het uur. De vakbond van spoorwegpersoneel werkte er nauw mee samen. Het Verbond van Vakbonden, dat vanaf 14 oktober deelnam aan de staking, werd er haast vanaf het begin toe gedwongen zichzelf onder het gezag van de sovjet te plaatsen. Vele stakingscomités – die van ingenieurs, advocaten, ambtenaren – pasten hun acties aan de besluiten van de sovjets aan. Door vele losse organisaties onder haar gezag te brengen bracht de sovjet de revolutie bijeen rond  zichzelf.” (13).
Het voorbeeld van de vakbond van spoorwegpersoneel in leerzaam omdat het zowel de ware betekenis als de beperkingen van de rol van de vakbonden in een revolutionaire periode laat zien.
Zoals we al zagen, stonden de spoorwegarbeiders al voorafgaand aan 1905 bekend als heel strijdbaar, en revolutionairen, waaronder de bolsjewieken, hadden onder hen een aanzienlijke invloed. Aan het eind van januari kwamen stakingsgolven tot ontwikkeling, eerst in Polen en Sint-Petersburg, vervolgens in Wit-Rusland, de Oekraïne en de lijnen rond Moskou. De autoriteiten deden eerst enkele concessies en probeerden vervolgens de staat van beleg af te kondigen maar dat alles bracht de stakers niet in het gareel. In april werd in Moskou het Al-Russisch Verbond van Spoorwegpersoneel en -arbeiders opgericht. In het begin lijkt de vakbond te zijn overheerst door het beroeps- en kantoorpersoneel terwijl handarbeiders afstand hielden, maar dit veranderde in de loop van het jaar. In juli ging een nieuwe staking uit van de basis en, veel betekend, deze nam onmiddellijk een politieke vorm aan. In september, zoals al vermeld, vormde de conferentie van de pensioenen zich om in het “Eerste Al-Russische Afgevaardigden Congress van Spoorwegpersoneel”. Deze opkomend tij van strijdbaarheid begon eerst de grenzen van de vakbond te verruimen met het uitbreken van spontane stakingen in september die de vakbond dwongen tot optreden, zoals een afgevaardigde meldde: “begrijpend dat een staking van de Moskou-Kazan Spoorweg onvermijdelijk was ging het personeel spontaan in staking, de vakbond vond het nodig om de staking te ondersteunen op de overige wegen van het knooppunt van Moskou.” (14).
Deze stakingen vormde de vonk die de massastaking van oktober in brand zette: “Op 9 oktober, tijdens een buitengewone bijeenkomst van het congres van afgevaardigden van spoorwegpersoneel van Stin-Petersburg werden de slagzinnen van de spoorwegstaking verwoord en onmiddellijk per telegraaf naar al de lijnen verzonder. Het waren de volgende: achturendag, burgerlijke vrijheden, amnestie, Constituerende Vergadering. De staking begon vol vertrouwen het land over te nemen. Het zei eindelijk vaarwel tegen de besluitenloosheid. Het zelfvertrouwen van de deelnemers groeide met hun aantal. Revolutionaire klasseneisen werden naar voren gebracht voorafgaand aan de economische eisen van de afzonderlijke beroepen. Uit de plaatselijke en beroepsgrenzen gebroken, begon de staking het gevoel van een revolutie te geven – en verkreeg daarmee een ongekende durf. De staking raasde langs de spoorweg en maakte er een eind aan ieder vervoer. Hij kondigde zijn komst aan over de telegraaflijnen. ‘Staking!’ stond op de agenda in iedere uithoek van het land.” (15).
De gewone arbeiders kwamen op de voorgrond, waarbij ze de vakbond door hun revolutionaire gloed overstegen: “Tussen 9 en 18 oktober is er geen teken van ook maar een enkele verordening naar plaatselijke vakbondsvertegenwoordigers, en de memoires van de leiders zijn opmerkelijk stil over de gebeurtenissen van die dagen. De opleving van organisatie van de gewone arbeiders veroorzaakt door de staking neigde ertoe de invloed te versterken van zowel het plaatselijke leiderschap als van revolutionaire partijen ten koste van het formeel onafhankelijke Centrale Bureau, vooral omdat de staking new beroepscategorieën in beweging bracht.” (16). Zelfs de tsaristische politie viel het op dat “tijdens de staking werden er comités opgericht door de stakers op elk van de spoorwegen om organisatie en leiderschap te bieden.” (17). Eén van de kenmerken van de staking was het opdoemen van ‘treinen van afgevaardigden’ die werden ingezet om de staking uit te breiden en om communicatie te onderhouden tussen de centra van de strijd.
Tussen oktober en december werden er veel nieuwe vakbonden opgericht maar, zoals een regeringsrapport vaststelde, deze namen onmiddellijk de politieke strijd op: “vakbonden werden aanvankelijk opgericht om de economische verhoudingen van het personeel te reglementeren, maar al snel, onder invloed van staatsvijandige propaganda, namen zij politieke aspecten op en begonnen ze te streven naar het overwerpen van de bestaande staat en sociale orde.” (18). Dit is zeker een nauwkeurige omschrijving van de spoorwegarbeiders die op de voorgrond van de revolutie stonden en die deelnamen aan de staking en gewapende opstand van december in Moskou.
In de nadagen van de revolutie takelde de vakbond snel af. Op zijn derde congres in december 1906, terwijl het aantal vertegenwoordigde arbeidersogenschijnlijk was verdubbeld in vergelijking met het vorige jaar, was de activiteit sterk teruggelopen. In februari 1907 trokken de sociaal-democraten zich er uit terug en in 1908 stortte hij in.
In Groot-Brittannië in de negentiende eeuw leverde de arbeidersklasse strijd om vakbonden op te richten. Aanvankelijk bundelden deze enkel de meest geschoolde arbeiders en in de tweede helft van de eeuw moest er zware strijd worden geleverd om de ongeschoolde arbeiders hun verbrokkeling en zwakheden te boven te laten komen zodat ze hun eigen vakbonden oprichtten. In Rusland in 1905 waren het eveneens de meest geschoolden die als eersten vakbonden oprichten, maar in tegenstelling tot Groot-Brittannië was het gebrek aan deelname van de ongeschoolde, gewone arbeiders geen uiting van een gebrek aan klassenbewustzijn of strijdbaarheid maar van het hoge niveau daarvan. De afwezigheid van vakbonden voorkwam de toename van geen van beide, en in 1905 stegen ze tot nieuwe hoogten, strevend naar de massastaking en de sovjet. De vakbondsvorm verscheen, maar zijn inhoud neigde naar de nieuwe strijdvormen. In de revolutionaire gisting schiepen de arbeiders nieuwe strijdvormen maar gaven de oude ook een nieuwe inhoud , ze daarbij overtstijgend om in de revolutionaire vloed op te gaan.
Het revolutionaire bestaan van de arbeidersklasse verhelderde in de praktijk de omstandigheden vele jaren voordat deze in theorie werd begrepen: in 1917 grepen de arbeiders weer terug op de sovjets toen ze de poorten van het kapitaal bestormden.

1905 kondigt het einde aan van vakbondsorganisatie

De revolutie van 1917 bevestigde zo dat de sovjets de enige organisatie vorm waren die was toegesneden op de behoeften van de strijd van de arbeiders in het “tijdperk van oorlogen en revoluties” (zoals de Kommunistische Internationale de periode na de Eerste Wereldoorlog omschreef: zie het artikel over de politieke gevolgen van het verval van het kapitalisme in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 123).
De massastaking van 1905 en de poging tot opstand lieten zien dat de arbeidersraden in staat waren om al de wezenlijke taken op zich te nemen die tot dan toe door de vakbonden werden vervuld: gelegenheiden bieden waar het proletariaat zich kon verenigen en zijn klassenbewustzijn kon ontwikkelen, vooral dankzij de invloed van de revolutionaire activiteit daarin (19). Maar terwijl tijdens de voorafgaande periode de arbeidersklasse zich nog in een proces van wording bevond, waarin de vakbonden hun bestaan vaak dankten aan de activiteit van revolutionairen die hun klasse organiseerden, kwam de spontane schepping van de sovjet door de werkende massa’s in strijd overeen met de ontwikkeling van de arbeidersklasse, met haar rijpheid en toenemend bewustzijn, en met de nieuwe strijdomstandigheden. Terwijl de vakbonden in het algemeen werden opgevat op de grondslag van strijd voor hervormingen, vaak in nauwe samenwerking met de massale parlementaire partijen, kwamen de arbeidersraden overeen met de noodzaak van een strijd die zowel economisch als politiek is, in directe confrontatie met de staatsmacht die niet bij machte was aan de verlangens van de arbeiders tegemoet te komen. Anders gezegd, een strijd waarin niet langer gebruik kon worden gemaakt van de vakbondsvorm van organisatie omdat hij steeds meer en uiteenlopende delen van de arbeidersklasse in de actie zélf bijeenbracht en verenigde, en daarmee de smeltkroes vormde voor de algemene ontwikkeling van hun bewustzijn.
De gebeurtenissen van 1905 lieten in de praktijk zien dat de vakbonden, voor de opbouw waarvan de arbeiders tientallen hadden gevochten, hun nut voor de arbeidersklasse begonnen te verliezen. Als de vakbonden in 1905 nog een positieve rol konden vervullen dan was dit alleen te danken aan de sovjets waarvan zij het aanhangsel werden. De geschiedenis zou in de komende jaren veel verder worden toegespitst. In 1914 begon de eerste grote slachtpartij en de heersende klasse van de oorlogvoerende landen zouden de vakbonden in dienst stellen van de burgerlijke staat om de arbeidersklasse te controleren ten gunste van de oorlogsvoorbereidingen.

Conclusie

De revolutie van 1905 bevat veel lessen die nu nog van groot belang zijn over de noodzaak om de historische periode en de taken en de vorm van revolutionaire strijd te begrijpen. De belangrijkste gegevens van de strijd van het proletariaat in de periode van verval van het kapitalisme kwamen naar voren tijdens de strijd van 1905. Door het op gang komen van de crisis van het kapitalisme werd de revolutionaire omverwerping van het kapitalisme het doel van de strijd, terwijl de gevolgen van de crisis – oorlog, armoede en opgedreven uitbuiting – betekende dat iedere daadwerkelijke strijd een politieke vorm moest aannemen. Daarin lagen de wortels van de sovjets. Geen van deze waren specifiek voor Rusland; ze kwamen op verschillende manieren en op verschillende plaatsen overal tot ontwikkeling in de belangrijkste kapitalistische landen. In het volgende deel van deze serie zullen we ingaan op de internationale betekenis van de revolutie en de lessen die de arbeidersbeweging daaruit leerde.

North 14/06/05

(Eerder verschenen in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 123, vierde kwartaal 2005.)

 

Noten

(1) Trotsky, 1905, Chapter 8, The creation of the Soviet of Workers’ Deputies.
(2) Ibid.
(3) Trotsky, 1905, Chapter 10, Witte’s ministry.
(4) Trotsky, 1905, Chapter 11, The first days of the ‘freedoms’.
(5) Trotsky, 1905, Chapter 15, The November strike.
(6) Trotsky, 1905, Chapter 16, Eight hours and a gun.
(7) Er stond “hubris”; een uitdrukking afkomstig uit het oude Griekenland, en die betrekking had op een aanmatigende trots, die door de goden werd afgestraft als het ertoe leidde dat mensen zich als hun gelijken gingen zien.
(8) Abraham Ascher, The Revolution of 1905, Chapter 10, The days of liberty; Stanford University Press, 1988.
(9) Collected Works, Vol.10, Our tasks and the Soviet of Workers’ Deputies.
(10) Collected Works, Vol.11, Dissolution of the Duma and tasks of the proletariat.
(11) Henry Reichman, Railwaymen and Revolution: Russia, 1905, Chapter 5, First Assaults and Petitioning.
(12) De uitdrukking “starost” had oorspronkelijk betrekking op de dorpswijzen of dorpsouderen, gekozen door de boeren om het dorp te besturen, om geschillen te beslechten, en hun belangen te verdedigen. De traditie wilde dat besluiten van de “starost” gerespecteerd dienden te worden.
(13) Trotsky, 1905, Chapter 8, The creation of the Soviet of Workers’ Deputies.
(14) Henry Reichman, Railwaymen and Revolution: Russia, 1905, Chapter 7, The Pension Congress and the October Strike.
(15) Trotsky, 1905, Chapter 7, The strike in October.
(16) Reichman, ibid.
(17) Ibid.
(18) Ibid, Chapter 8, The Rush to Organise.
(19) De houding van de revolutionairen week af van vooral die van de reformisten omdat ze in gedeeltelijke en plaatselijke strijd de gemeenschappelijke belangen van het proletariaat als een wereldwijde en historische revolutionaire klasse naar voren brachten, en niet in enig vooruitzicht van een ‘sociaal’ kapitalisme.

Over het imperialisme

In deze tekst (van eind 1979) wordt geprobeerd een samenhangende, globale visie te ontwikkelen van het imperialisme van de negentiende eeuw tot op heden via de kritiek op de onvolkomenheden van de theoretische standpunten van Lenin en Boecharin. Steunend op de geschriften van Rosa Luxemburg worden de grondige veranderingen geschetst die plaatsvonden in de periode van de Eerste Wereldoorlog toen het imperialisme in alle delen van de wereld de levenswijze werd van het kapitalisme in verval. De politieke standpunten van de IKS over de nationale bevrijdingsstrijd vloeien voort uit deze veranderingen.

Marxisme en imperialisme

Met de wildgroei van ‘nationale bevrijdingsstrijd’ over de hele planeet, met het toenemend aantal lokale oorlogen tussen kapitalistische staten, met het versnellen van de voorbereidingen van de twee grote imperialistische blokken op een uiteindelijke confrontatie - allemaal verschijnselen die een uitdrukking zijn van de onomkeerbare ontbinding van de kapitalistische wereldeconomie - wordt het met de dag belangrijker voor de revolutionairen om een helder inzicht te verwerven over de betekenis van het imperialisme. Marxisten hebben ingezien dat we sinds de laatste zeven decennia (sinds 1910) leven in het tijdperk van het imperialistisch verval en ze hebben gepoogd om alle gevolgen hieruit te trekken voor de klassenstrijd van het proletariaat. Toch - vooral door de contrarevolutie die het proletariaat in de jaren 1920 trof - werd de historische taak van het definiëren en het begrijpen van het imperialisme ernstig belemmerd door de bijna onbetwiste triomf van de burgerlijke ideologie in al zijn vormen. Zo werd de werkelijke betekenis van het woord imperialisme verdraaid en ondermijnd. Dit misleidingswerk werd op verschillende fronten uitgevoerd: door de traditionele burgerlijke ideologen die verklaren dat het imperialisme had opgehouden toen Groot-Brittannië zijn ‘Empire’ omvormde tot een ‘Commonwealth’ of toen de grote mogendheden hun koloniën opgaven; door horden sociologen, economisten en andere academici die met elkaar wedijveren in het produceren van steeds hogere stapels van onleesbare literatuur over de ‘Derde Wereld’, ‘ontwikkelingslanden’, ‘het nationalistische ontwaken van de kolonieën’, enzovoort... Maar het zijn vooral de pseudo-marxisten van kapitalistisch links, die luidkeels de moorden veroordelen van het imperialisme van de Verenigde Staten terwijl ze beweren dat de Sovjet-Unie of China geen imperialistische of zelfs anti-imperialistische grootmachten zouden zijn. Deze oorverdovende kogelregen heeft de revolutionaire beweging niet onbeschadigd achtergelaten. Sommige revolutionairen, die aan het twijfelen werden gebracht door de ‘ontdekkingen’ van de burgerlijke academici, hebben elke verwijzing naar de imperialistische activiteit laten vallen en zien het imperialisme als een ouderwets en overstegen verschijnsel in de geschiedenis van het kapitalisme. Anderen, in een poging om zich te verzetten tegen het oprukken van de burgerlijke ideologie, veranderen de geschriften van de vroegere marxisten liever in Heilige Boeken. Dit is bijvoorbeeld het geval met de Bordigisten, die Lenin’s “vijf fundamentele kenmerken van het imperialisme” op mechanische wijze toepassen op de moderne wereld, en daarbij al de ontwikkelingen terzijde schuiven die in de laatste zestig jaren hebben plaatsgevonden.
Maar marxisten kunnen noch voorbijgaan aan de theoretische traditie waaruit ze voortkomen, noch deze omvormen tot een dogma. Het gaat er om de klassiekers van het marxisme kritisch te verwerken en de belangrijkste bijdragen toe te passen bij het analyseren van de huidige werkelijkheid. De bedoeling van deze tekst is de werkelijke en hedendaagse betekenis uit te werken van de elementaire formulering: in dit tijdperk overheerst het imperialisme de hele planeet. Ons doel is de betekenis te verklaren van de stelling uit het platform van de IKS dat “het imperialisme, een politiek [is] waartoe elke natie, ongeacht haar omvang, wordt gedwongen om te overleven”, en aan te tonen dat, onder het moderne kapitalisme, alle oorlogen een imperialistische aard hebben, op één na: de burgeroorlog van het proletariaat tegen de bourgeoisie. Maar om daartoe te komen is het eerst noodzakelijk om te verwijzen naar de oorspronkelijke debatten over het imperialisme in de arbeidersbeweging.

Marxisme tegen revisionisme

In de periode die leidde naar de Eerste Wereldoorlog vormde het ‘theoretische’ vraagstuk van het imperialisme een breuklijn tussen de revolutionaire internationalistische vleugel van de sociaal-democratie en al de revisionistische en reformistische elementen in de arbeidersbeweging. Met het uitbreken van de wereldoorlog, bepaalde het standpunt over het imperialisme aan welke kant van de barricade men stond. Het was een hoogst praktisch vraagstuk, aangezien daarvan heel de houding afhing ten overstaan van de imperialistische oorlog, en van de revolutionaire omwentelingen die werden veroorzaakt door die oorlog.
Rond deze kwestie waren er bepaalde ankerpunten waarover alle revolutionairen het eens waren. Deze punten blijven de grondvesten voor elke marxistische definitie van het hedendaagse imperialisme.
1) Voor marxisten was het imperialisme gedefinieerd als een specifiek product van de kapitalistische maatschappij; ze vielen hardnekkig de visie aan van de openlijk reactionaire burgerlijke ideologieën die het imperialisme afschilderden als een biologische noodzakelijkheid, als een uitdrukking van de aangeboren drang van de mens naar territorium en verovering (het soort van theorie dat vandaag weer opbloeit met het concept van ‘territoriaal imperatief’ waarmee sociale zoölogen als Robert Ardrey en Desmond Morris leuren). De marxisten vochten met evenveel hardnekkigheid tegen racistische thema’s over de ‘maatschappelijke taak van de Blanke’, en tegen al de warrige samenraapsels van elke vorm van veroverings- en annexatiepolitiek in alle soorten van sociale formaties. Zoals Boecharin schreef:
“de laatste weids verbreide ‘theorie’ van het imperialisme definieert het in het algemeen als een veroveringspolitiek. Vanuit dit oogpunt kan men met evenveel recht spreken van het imperialisme van Alexander de Grote als dat van de Spaanse veroveraars, van het imperialisme van Carthago en van Joao III, van het oude Rome en het moderne Amerika, van Napoleon en van Hindenburg.
Zo eenvoudig als deze theorie mag zijn, toch is hij absoluut onjuist. Hij is onjuist omdat het alles uitlegt en daardoor absoluut niets. [...] hetzelfde kan gezegd worden van oorlog. Oorlog dient om bepaalde productieverhoudingen te reproduceren. De veroveringsoorlog is een middel tot uitgebreide reproductie van deze verhoudingen. Oorlog echter eenvoudigweg definiëren als veroveringsoorlog is totaal onvoldoende om de eenvoudige reden dat als we dat doen, we de belangrijkste zaak terzijde laten, namelijk welke productieverhoudingen versterkt en uitgebreid worden door de oorlog, wat voor basis er uitgebreid wordt door een bepaalde ‘veroveringspolitiek’”
(Imperialism and World Economy, Merlin Press, Chapter 9, p. 112-113).
Hoewel Lenin zei “Koloniale politiek en imperialisme bestonden vóór dit nieuwste stadium van het kapitalisme en zelfs vóór het kapitalisme. Rome, dat op slavernij was gegrondvest, voerde een koloniale politiek en was imperialistisch”, stemt hij overeen met Boecharin wanneer hij daaraan toevoegt: “Maar ‘algemene’ beschouwingen over het imperialisme, waarbij het radicale verschil tussen de maatschappelijjk-economische formaties vergeten of op de achtergrond geschoven wordt, ontaarden onvermijdelijk in lege banaliteiten of snoeverij [...].” (Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme, hoofdstuk VI, in Keuze uit zijn werken, deel 2, Moskou, Progres, 1973, p. 325).
2) Ten tweede definiëren de marxisten het imperialisme als een noodzaak voor het kapitalisme, als een direct resultaat van het accumulatieproces, van de meest innerlijke wetten van het kapitaal. In een gegeven stadium in de ontwikkeling van het kapitaal was het de enige uitweg waardoor het systeem zijn leven kon rekken. Het was dus onomkeerbaar. Alhoewel de uitleg van het imperialisme als een uitdrukking van kapitaalaccumulatie helderder is bij sommige marxisten dan bij andere (een punt waarop we terugkomen), verwierpen alle marxisten de stelling van Hobson, Kautsky en anderen die het imperialisme zagen als een loutere ‘politiek’ verkozen door het kapitalisme of eerder door bepaalde fracties van het kapitalisme. Deze stelling ging logisch vergezeld van het idee dat je kon aantonen dat imperialisme een slechte, kortzichtige en dure politiek was en dat je op zijn minst de meest verlichte delen van de bourgeoisie kon overtuigen dat ze beter af zouden zijn met een edelmoedige, niet-imperialistische politiek. Dit opende de weg voor allerlei soorten reformistische, pacifistische voorschriften om het kapitalisme minder brutaal en agressief te maken. Kautsky ontwikkelde zelfs het idee dat het kapitalisme gradueel en vreedzaam de richting opging van een fase van ‘ultra-imperialisme’, waarbij het zou opgaan in één grote trust zonder tegenstellingen, waarbij oorlogen een zaak van het verleden zouden zijn. Tegen deze utopische visie (die gehoor vond tijdens de hausse na de Tweede Wereldoorlog bij mensen als Paul Cardan), drongen de marxisten er op aan dat, verre van een te boven komen van de tegenstellingen van het kapitalisme te vertegenwoordigen, het imperialisme een uiterste toespitsing van deze tegenstellingen betekende. Het imperialistisch tijdperk was er onvermijdelijk een van wereldcrises, politiek despotisme en van wereldoorlog. Geconfronteerd met dit catastrofale perspectief kon het proletariaat enkel antwoorden met de revolutionaire vernietiging van het kapitalisme.
3) Het imperialisme werd dus gezien als een specifieke fase in het bestaan van het kapitalisme: zijn ultieme fase en eindfase. Alhoewel men kan spreken van Brits of Frans imperialisme in het eerste deel van de negentiende eeuw, begint de imperialistische fase van het kapitaal als een wereldsysteem pas vanaf 1870, toen verschillende hoog gecentraliseerde en geconcentreerde nationale kapitalen begonnen te wedijveren om koloniale bezittingen, invloedsferen en overheersing van de wereldmarkt. Zoals Lenin zei: “is het typerend voor het imperialisme, dat enkele grote mogendheden wedijveren in hun streven naar de hegemonie.” (Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme, t.a.p., hoofdstuk VII, p. 333). Imperialisme is dus wezenlijk een concurrentieverhouding tussen kapitalistische staten in een bepaald stadium in de ontwikkeling van het wereldkapitaal. Bovendien kan de ontwikkeling van deze verhouding zelf gezien worden als bestaande uit twee fasen, direct verbonden met veranderingen in de globale context waarin de imperialistische wedijver plaatsvindt.
“De eerste periode van het imperialisme was het laatste kwart van de negentiende eeuw en volgde op een tijdperk van nationale oorlogen waardoor grote nationale staten werden gevormd, met als eindpunt van dit tijdperk de Frans-Pruisische oorlog. Ook al droeg de lange periode van economische depressie die volgde op de crisis van 1873 reeds het zaad in zich van het verval van het kapitalisme, toch kon het kapitaal nog gebruikmaken van de korte heroplevingen die plaatsvonden tijdens de depressie om de uitbuiting van achtergebleven gebieden en volkeren te voltooien. Het kapitalisme in zijn roofzuchtige en koortsachtige jacht op grondstoffen en op kopers die noch kapitalisten, noch loontrekkers waren, beroofde, decimeerde en moordde de koloniale bevolkingen uit. Dit was het tijdperk van het doordringen en uitbreiden van Groot-Brittannië in Egypte en Zuid-Afrika, van Frankrijk in Marokko, Tunis en Tonkin, van Italië in Oost-Afrika tot aan de grenzen van Abessinië, van tsaristisch Rusland in Centraal-Azië en Mandsjoerije, van Duitsland in Afrika en Azië, van de Verenigde Staten in de Filippijnen en Cuba en van Japan in het Aziatisch continent.
Maar toen deze grote imperialistische groeperingen de verdeling van al het bruikbaar land voltooid hadden, van alle uitbuitbare weelde, van alle invloedssferen, kortom van alle hoeken van de wereld waar het mogelijk was om arbeidskracht te plunderen, dat, in goud omgezet, in de nationale banken van de metropolen werd opgestapeld, toen kwam de progressieve missie van het kapitaal ten einde [...] en het is dan dat de algemene crisis van het kapitalisme moest uitbarsten.”
(Le problème de la guerre, 1935, door Jehan, een militant van de Belgische Kommunistische Linkerzijde).
De beginfase van het imperialisme gaf weliswaar al een voorproefje van het kapitalisme in verval door de wijze waarop het bloed en ellende bracht over de volkeren van de kolonieën, maar het droeg nog een progressief aspect in zich. Het vestigde de wereldwijde overheersing van het kapitaal - de voorwaarde voor de kommunistische revolutie. Maar toen deze wereldwijde heerschappij bereikt was hield het kapitalisme op nog langer een progressief systeem te zijn, en de rampen die het teweeg had gebracht bij de koloniale volkeren vonden een weerklank in het hart van het systeem, zoals bevestigd werd door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog:
“Het huidige imperialisme is niet [...] het voorspel van de expansie van het kapitaal, maar slechts het laatste hoofdstuk van zijn historisch proces van expansie; het is de periode van algemene verscherpte concurrentie op wereldvlak tussen de kapitalistische staten om de laatste resten van de niet-kapitalistische omgeving op aarde. De economische en politieke catastrofe is in deze slotfase evenzeer een bestaanselement, de normale bestaanswijze van het kapitaal als de ‘oorspronkelijke accumulatie’ dat was voor zijn ontstaansfase. Zoals de ontdekking van Amerika en de zeeroute naar Indië niet enkel een Prometeïsche krachttoer van de menselijke geest en van de cultuur was, zoals volgens de liberale legende, maar, onverbrekelijk daaraan verbonden, een reeks van Herodische massamoorden op de oorspronkelijke bevolkingen uit de Nieuwe Wereld en een grandioze  slavenhandel met de volkeren van Azië en Afrika, zo is in de imperialistische eindfase van de economische expansie van het kapitaal onafscheidelijk van een reeks koloniale veroveringen en wereldoorlogen die we nu meemaken. Het kenmerk van het imperialisme als de laatste concurrentiestrijd om de kapitalistische wereldheerschappij is niet slechts de bijzondere energie en alzijdigheid van de expansie, maar - deze is een specifieke teken dat de ontwikkelingscirkel begint te sluiten - het terugslaan van de beslissende strijd om de expansie vanuit de gebieden waarom het te doen is , naar hun landen van oorsprong. Zo brengt het imperialisme de catastrofe als bestaansvorm terug van de periferie van de kapitalistische ontwikkeling naar zijn uitgangspunt. Nadat de expansie van kapitaal vier eeuwen lang het bestaan en de cultuur van alle niet-kapitalistische volkeren in Azië, Afrika, Amerika en Australië overgeleverd aan onophoudelijke stuiptrekkingen en massale ondergang had prijsgegeven, stort het nu de beschaafde volkeren van Europa zelf in een reeks van rampen waarvan het uiteindelijke resultaat enkel kan bestaan uit de ondergang van de beschaving of de overgang naar de socialistische productiewijze.” (Luxemburg, Anti-Kritik, in Gesammelte Werke, Bd. 5, p. 520-521).
Kapitalisme in zijn imperialistische eindfase werd door de Kommunistische Internationale bestempeld als het “tijdperk van oorlogen en revoluties”, een tijdperk waarin de mensheid geconfronteerd wordt met de schrille keuze tussen socialisme en barbarij. Voor de arbeidersklasse betekende dat het uithollen van alle hervormingen die het in de negentiende eeuw had verworven en een toenemende aanval op zijn levenstandaard via soberheid en oorlog. Politiek gezien betekende dat de vernietiging of overname van haar vroegere organisaties en de ongenadige onderdrukking door de Leviathan, de imperialistische staat, die, gedreven door de logica van de imperialistische concurrentie en door de ontbinding van het sociale weefsel, elk aspect van het sociaal, politiek en economisch leven onder controle nam. Tegenover de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog kwam de revolutionaire Linkerzijde dan ook tot de conclusie dat de historische rol van het kapitalisme definitief was uitgespeeld, en dat het tot de onmiddellijke taak van de internationale arbeidersklasse behoorde om de imperialistische oorlog om te vormen in een burgeroorlog, het kapitalisme omver te werpen door de wortels van de zaak aan te pakken: het kapitalistisch wereldsysteem. Het spreekt vanzelf dat dit een complete breuk inhield met de sociaal-democratische verraders, zoals de Scheidemanns en de Millerands, die openlijk chauvinistische pleitbezorgers van de imperialistische oorlog waren geworden, of met de ‘sociaal -pacifisten’, zoals Kautsky, die verder gingen met het verspreiden van de illusie dat het kapitalisme zou kunnen bestaan zonder imperialisme, zonder dictatuur of oorlog.

Het debat onder de marxisten

Tot daar kon er geen meningsverschil bestaan onder de marxisten, en deze basispunten voor overeenstemming waren in feite een voldoende basis voor de krachtenbundeling van de revolutionaire voorhoede in de Kommunistische Internationale. Maar de meningsverschillen die toen bestonden en ook nu nog voortbestaan in de revolutionaire beweging kwamen op toen de marxisten probeerden een nauwkeuriger analyse te maken van de drijvende krachten achter het imperialisme en van zijn concrete uitingen, en als ze de politieke gevolgen uitstippelden van hun analyse. Deze meningsverschillen neigden er toe overeen te stemmen met uiteenlopende theorieën over de kapitalistische crisis en de historische neergang van het systeem, aangezien het imperialisme een poging was van het kapitaal om zijn dodelijke innerlijke tegenstellingen te boven te komen, een stelling waarmee ze allen instemden. Zo leggen Boecharin en Luxemburg bijvoorbeeld in hun theorieën over de crisis de nadruk op verschillende innerlijke tegenstellingen, en bijgevolg gaven ze uitlopende verklaringen voor de drijvende kracht achter de imperialistische expansie. Dit debat werd verder bemoeilijkt doordat het gros van Marx’ werk over economie was geschreven voordat het imperialisme werkelijk was gevestigd, en deze leemte in zijn werk gaf aanleiding tot verschillende interpretaties van de manier waarop Marx’ geschriften zouden moeten worden toegepast op de analyse van het imperialisme. Het is onmogelijk om in deze tekst terug te komen op al deze debatten over crisis en imperialisme, waarvan de meeste tot op heden onopgelost blijven. Wat we proberen te doen is in het kort de twee belangrijkste definities van het imperialisme, die gedurende die periode ontwikkeld werden, te onderzoeken - die van Lenin/Boecharin en die van Rosa Luxemburg - en te oordelen hoe bruikbaar deze twee definities zijn zowel voor die tijd alswel voor de huidige periode Door zo te werk te gaan willen we proberen om onze eigen opvatting over het huidige imperialisme meer vorm te geven.

Lenin’s opvatting van het imperialisme

Voor Lenin waren de kenmerkende trekken van het imperialisme de volgende:
“1. Een concentratie van productie en kapitaal, die een zo hoge trap van ontwikkeling heeft bereikt, dat zij monopolies voortbrengt, welke een beslissende rol in het economisch leven spelen; 2. een versmelting van bank- en industrieel kapitaal en het op grondslag van dit ‘financierskapitaal’ ontstaan van een financiersoligarchie; 3. de kapitaalexport krijgt, in tegenstelling met de warenexport, een bijzonder grote betekenis; 4. er vormen zich internationale monopolistische verbonden van kapitalisten, die de wereld onder elkaar verdelen, en 5. de territoriale verdeling van de hele wereld onder de grote kapitalistische mogendheden is voltooid” (Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme, t.a.p., hoofdstuk VII, p. 331).
Hoewel Lenin’s definitie van imperialisme een aantal belangrijke kenmerken bevat, ligt zijn belangrijkste zwakte in het feit dat het meer neerkomt op een beschrijving van enkele van de uitwendige verschijnselen van het imperialisme dan een analyse van de wortels van het imperialisme binnen het accumulatieproces. De organische of intensieve ontwikkeling van het kapitaal naar steeds meer geconcentreerde eenheden en de geografische of extensieve ontwikkeling van zijn werkingsterrein (de strooptocht naar koloniën, de territoriale verdeling van de aardbol) zijn fundamenteel uitdrukkingen van het innerlijke proces van accumulatie. Het is de groeiende organische samenstelling van het kapitaal, met de tendentiële daling van de winstvoet en het inkrimpen van de markt, die het kapitaal er toe dwongen om nieuwe rendabele afzetmarkten te zoeken voor het investeren van kapitaal en om de markt voor zijn waren voortdurend uit te breiden. Maar terwijl de onderliggende dynamiek van het imperialisme niet verandert, zijn de uiterlijke manifestaties van deze dynamiek onderhevig aan veranderingen, zodat vele aspecten van Lenin’s definitie van imperialisme momenteel niet meer opgaan, en zelfs toentertijd al niet toen hij ze uitwerkte. Zo effende de periode waarin het kapitaal gedomineerd zou zijn door een oligarchie van ‘financierskapitaal’ en door ‘internationale monopolieverbanden’ reeds de weg voor een nieuwe fase tijdens de Eerste Wereldoorlog - de periode van het staatskapitalisme, van de permanente oorlogseconomie. In de periode van chronische inter-imperialistische rivaliteiten op de wereldmarkt, neigt het hele nationale kapitaal tot concentratie rond het staatsapparaat, dat alle bijzondere fracties van het kapitaal ondergeschikt maakt en disciplineert voor de behoeften van de militair-economische overleving. Het begrip dat het kapitalisme een nieuw tijdperk was binnengetreden van gewelddadige strijd tussen de nationale ‘staatskapitalistische trusts’ was bij Boecharin veel helderder dan bij Lenin (zie Imperialism and World Economy) alhoewel Boecharin nog gevangen bleef in de band tussen imperialisme en financierskapitaal, zodat zijn ‘staatskapitalistische trusts’, in grote mate worden voorgesteld als een ‘werktuig’ van de financiersoligarchie, terwijl in werkelijkheid de staat in dit tijdperk het opperste leidinggevende orgaan van het kapitaal is. Meer nog, zoals Bilan stelt:
“Het imperialisme definiëren als een ‘product’ van het financierskapitaal, zoals Boecharin deed, betekent het leggen van een verkeerde band en vooral het uit het oog verliezen van de gemeenschappelijke oorsprong van deze twee aspecten van het kapitalistisch proces: de productie van meerwaarde” (Mitchell, Crisis en cycli in de economie van het kapitalisme in doodstrijd, in Bilan, nr. 11, 1934).
Lenin’s falen om de betekenis te vatten van het staatskapitalisme zou op een aantal vlakken ernstige politieke gevolgen hebben: illusies over de progressieve aard van bepaalde aspecten van het staatskapitalisme, toegepast met rampzalige gevolgen door de Bolsjewieken in de Russische Revolutie; het onvermogen om de opslorping van de oude arbeidersorganisaties door de staat te zien, en de verwarde theorie van de ‘arbeidersaristocratie’, van de ‘burgerlijke arbeiderspartijen’ en van de ‘reactionaire vakbonden’ die niettemin te onderscheiden zouden zijn van de staatsmachine (het probleem met deze organisaties was toen niet meer dat leiders - verraders omgekocht door ‘imperialistische superwinsten’, zoals Lenin argumenteerde - maar dat het ganse apparaat ingelijfd was in de kolos van de imperialistische staat). De tactische gevolgtrekkingen die werden gemaakt van deze verkeerde theorieën zijn alom bekend: het eenheidsfront, het werk in de vakbond, enzovoort. Zo ook heeft Lenin’s nadruk op het feit dat koloniale bezittingen een onderscheiden en zelfs onmisbaar kenmerk zijn van het imperialisme de tand des tijds niet getrotseerd. Ondanks zijn verwachting dat het verlies van koloniën, versneld door de nationale opstanden in deze regio’s, het imperialistische systeem op zijn grondvesten zou doen schudden, heeft het imperialisme zich vrij gemakkelijk aangepast aan de ‘dekolonisatie’. De dekolonisatie was eenvoudigweg de uitdrukking van de neergang van de oudere imperialistische grootmachten, en de triomf van imperialistische reuzen die niet geremd waren door veel koloniën in de periode rond de Eerste Wereldoorlog. Zo waren de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie in staat om een cynische ‘anti-koloniale’ lijn te ontwikkelen ten voordele van hun eigen imperialistische doeleinden, om te teren op de nationale bewegingen in de koloniën en ze onmiddellijk om te vormen tot inter-imperialistische oorlogen via de betrokken ‘volkeren’.
Lenin’s theorie van het imperialisme werd het officiële standpunt van de Bolsjewieken en de Kommunistische Internationale, in het bijzonder met betrekking tot het nationale en koloniale vraagstuk, en het is hier dat de gebreken van de theorie de meest verstrekkende gevolgen zouden hebben. Indien het imperialisme wezenlijk omschreven wordt door zijn bovenbouwkenmerken, wordt het gemakkelijk om de wereld te verdelen in enerzijds imperialistische, onderdrukkende naties en anderzijds in niet imperialistische, onderdrukte naties, en zelfs voor bepaalde imperialistische machten om ineens ‘op te houden’ imperialistisch te zijn wanneer ze één of meer van deze definiërende kenmerken niet meer hebben. Hiermee ging de tendens gepaard om de klassenverschillen in de ‘onderdrukte naties’ te verdoezelen en te argumenteren dat het proletariaat - als de nationale kampioen van alle onderdrukten - deze onderdrukte naties achter zijn revolutionaire vlag moest scharen. Dit standpunt werd vooral toegepast op de koloniën, maar in zijn kritiek op het de Junius-brochure (Die Krise der Sozialdemokratie van Rosa Luxemburg, in Gesammelte Werke, Bd. 4, p. 49-164), argumenteerde Lenin dat zelfs de ontwikkelde kapitalistische landen in het moderne Europa, onder bepaalde omstandigheden, een gerechtvaardigde strijd voor nationale onafhankelijkheid zouden kunnen voeren. In de Eerste Wereldoorlog leidde dit tweeslachtige idee niet tot negatieve gevolgen omdat Lenin’s correcte inschatting van de algemeen geldende imperialistische context van de oorlog het voor het proletariaat onmogelijk maakte om een politiek van nationale verdediging te ondersteunen in één van de oorlogvoerende kampen. Maar de zwakte van de theorie kwam sterk tot uiting na de oorlog, vooral met de neergang van de revolutionaire golf en het isolement van de Sovjetstaat. Het idee van het anti-imperialistisch karakter van de ‘onderdrukte naties’ werd weerlegd door de gebeurtenissen in Finland, Oost-Europa, Perzië, Turkije en China, waar de pogingen om een politiek van ‘nationale zelfbeschikking’ en van ‘anti-imperialistisch eenheidsfront’ te voeren machteloos waren om de bourgeoisie van deze landen te verhinderen een alliantie aan te gaan met de imperialistische grootmachten en elk initiatief tot kommunistische revolutie in de kiem zou smoren (1).
De wellicht meest groteske toepassing van de ideeën die Lenin had voorgesteld in zijn Over de Junius-brochure was misschien het ‘Nationaal Bolsjevistische’ experiment in Duitsland in 1923: overeenkomstig deze ongegronde opvatting was Duitsland plots geen imperialistische macht meer omdat het was beroofd van zijn koloniën en geplunderd werd door de Entente. Een anti-imperialistisch bondgenootschap met fracties van de Duitse bourgeoisie stond daarom op de agenda. Natuurlijk is er geen rechte lijn van Lenin’s theoretische zwakte naar dit regelrecht verraad; tussen deze twee momenten ligt er een heel proces van ontaarding. Desalniettemin is het belangrijk voor kommunisten om aan te tonen dat het juist de vergissingen zijn van de vroegere revolutionairen die misbruikt worden door de ontaardende contra-revolutionaire partijen om hun verraad te rechtvaardigen. Het is niet toevallig dat de contra-revolutie, in haar stalinistische, maoïstische of trotskistische vormen, overvloedig gebruik maakt van Lenin’s theorie van het imperialisme en de nationale bevrijding om te bewijzen dat Rusland of China niet imperialistisch zouden zijn (cfr de typische linkse truc: “Waar zijn de monopolies en de financiële oligarchieën in de USSR?”); of evenzeer om te ‘bewijzen’ dat de talloze bendes in de onderontwikkelde landen ondersteund moeten worden in hun ‘anti-imperialistische’ strijd. Het is waar dat zij vele aspecten van Lenin’s theorie verdraaien en vervalsen, maar kommunisten kunnen geen angst hebben om toe te geven dat talrijke elementen in Lenin’s opvatting min of meer ‘rechtstreeks’ overgenomen kunnen worden door deze burgerlijke krachten. En wij moeten juist in staat zijn die elementen te bekritiseren en te boven te komen.

Imperialisme en de tendentiële daling van de winstvoet

Bij Lenin staat eerder impliciet dat de imperialistische expansie geworteld is in het accumulatieproces - in de noodzaak om de dalende winstvoet te compenseren door goedkope arbeidskrachten en grondstoffen te zoeken in de koloniën. Dit element werd uitdrukkelijker naar voren gebracht door Boecharin en het is misschien niet toevallig dat Boecharin’s strakkere analyse van het imperialisme, aanvankelijk tenminste, vergezeld ging van een duidelijker standpunt over het nationale vraagstuk (tijdens de Eerste Wereldoorlog en de eerste jaren van de Russische Revolutie bevocht Boecharin Lenin’s standpunt over de nationale zelfbeschikking. Later veranderde hij van standpunt. Het was Luxemburg’s standpunt over het nationale vraagstuk - nauw verbonden met haar theorie van het imperialisme (2) - dat het meest consistent bleek te zijn. Ongetwijfeld was de behoefte tot het neutraliseren van de dalende winstvoet een fundamenteel element in het imperialisme, omdat het imperialisme juist begint in een stadium wanneer een groot aantal nationale kapitalen met een hoge organische samenstelling op de wereldmarkt verschijnen. Alhoewel we dit vraagstuk hier niet uitgebreid kunnen uitdiepen (3), vinden we dat de verklaringen voor het imperialisme die min of meer uitsluitend verwijzen naar de dalende winstvoet aan twee ernstige zwakheden lijden:
1. Dergelijke verklaringen neigen er toe om het imperialisme te kenschetsen als een uitdrukking van enkele hoog ontwikkelde landen - landen met een hoge organische samenstelling van kapitaal, gedwongen om kapitaal uit te voeren om te ontkomen aan de dalende winstvoet. Dit gezichtspunt heeft een karikaturaal peil bereikt bij de CWO (nu deel uitmakend van de IBRP), die het imperialisme gelijkstelt met economische en politieke onafhankelijkheid en tot het besluit komt dat er nu nog maar twee imperialistische grootmachten bestaan in de wereld - de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie - aangezien zij als enige werkelijk ‘onafhankelijk’ zijn (andere landen hebben louter ‘imperialistische tendensen’ die ze nooit kunnen verwezenlijken). Dit is de logische uitkomst wanneer men het probleem bekijkt vanuit het gezichtspunt van de afzonderlijke kapitalen, eerder dan vanuit dat van het globaal kapitaal. Want zoals Rosa Luxemburg onderstreepte:
“De imperialistische politiek is niet het product van deze of gene staat, zij is het product van een bepaald stadium van rijpheid in de ontwikkeling van kapitaal op wereldvlak, een van huis uit internationaal verschijnsel, een ondeelbaar geheel, dat enkel te vatten is in zijn wederzijdse verhoudingen en waaraan geen enkele natie zich kan onttrekken” (Junius-brochure, t.a.p., p. 137).
Dit betekent niet dat de conclusie van de CWO het onvermijdelijke gevolg is van het feit dat ze het imperialisme enkel verklaart door te verwijzen naar de dalende winstvoet. Als men uitgaat van het standpunt van het globaal kapitaal wordt het duidelijk dat, aangezien het de winstvoet van de meest ontwikkelde kapitalen is die de globale winstvoet bepaalt, het daaruit volgende imperialistische gedrag van de ontwikkelde kapitalen ook zijn weerklank moet vinden bij de zwakkere kapitalen. Maar als men daadwerkelijk het probleem beschouwt vanuit het oogpunt van het globaal kapitaal, treedt een andere tegenspraak in de accumulatiecyclus naar voren - het onvermogen van het globaal kapitaal om al zijn meerwaarde te realiseren binnen zijn eigen productieverhoudingen. Dit probleem, dat gesteld wordt door Luxemburg in Die Akkumulation des Kapitals, werd door Lenin, Boecharin en hun volgelingen ontkend en gezien als het verlaten van het marxisme. Toch is het niet moeilijk om aan te tonen dat Marx zich bezig hield met hetzelfde probleem (4):
“dat de kapitalistische productie geenszins op willekeurige schaal produceert, maar naarmate zij tot ontwikkeling komt steeds meer gedwongen is om op een schaal te produceren die met de onmiddellijke vraag niets te maken heeft, maar die van een voortdurende uitbreiding van de wereldmarkt afhangt. Hij [dat wil zeggen Ricardo] neemt zijn toevlucht in de afgezaagde vooronderstelling van Say dat de kapitalist niet onmiddellijk produceert voor de winst, voor de meerwaarde, maar voor de consumptie, de gebruikswaarde - voor zijn eigen consumptie. Hij veronachtzaamt dat de waar moet worden omgezet in geld. De vraag van de arbeiders volstaat niet, omdat de winst juist daaruit voortkomt, dat de vraag van de arbeiders kleiner is dan de waarde van hun product, en des te groter is naarmate deze vraag relatief kleiner is. De vraag van de kapitalisten onderling volstaat evenmin.” (Marx, Ricardos Profittheorie, in Theorien über den Mehrwert, Kapitel XVI; MEW, Bd. 26.2, p. 469).
2. Bijgevolg moet elke serieuze analyse van het imperialisme rekening houden met deze noodzaak tot ‘voortdurende uitbreiding van de wereldmarkt’. Een theorie die het probleem uit de weg gaat is niet in staat om te verklaren waarom, juist op het ogenblik dat de wereldmarkt niet meer in staat is om uit te breiden - met de integratie van de belangrijkste sectoren van de voor-kapitalistische economie in de kapitalistische wereldeconomie rond het begin van de twintigste eeuw - het kapitalisme gestort wordt in de permanente crisis van zijn uiteindelijke imperialistische periode. Kan de historische gelijktijdigheid van deze twee verschijnselen afgedaan worden als een zuiver toeval? Terwijl alle marxistische analyses van het imperialisme de jacht op goedkope grondstoffen en arbeidskracht zagen als het centrale aspect van de koloniale verovering, kon alleen die van Luxemburg het doorslaggevende belang aantonen van de voorkapitalistische markten van de koloniën en de half-koloniën, aangezien ze  tot in de vroege jaren van de twintigste eeuw de grondslag vormden voor de ‘voortdurende uitbreiding van de wereldmarkt’. En juist dit element is de ‘variabele’ in de analyse. Het kapitaal kan altijd goedkope arbeidskracht en grondstoffen vinden in de onderontwikkelde streken: dit was het geval zowel vóór als na het inlijven van de koloniën en half-koloniën in de kapitalistische economie, zowel in de bloei- als in de vervalperiode van het kapitaal. Maar als de koopkrachtige vraag van deze streken eenmaal ophoudt ‘buiten-kapitalistisch’ te zijn, als het gros ervan is ingelijfd in de kapitalistische productieverhoudingen, heeft het globaal kapitaal geen nieuwe afzetmarkten voor de realisatie van een deel van de meerwaarde dat bestemd is voor de accumulatie. Het is niet langer in staat om de wereldmarkt voortdurend uit te breiden. Nu worden de ‘koloniale regio’s’ zelf producenten van meerwaarde en wedijveren met de metropolen. Arbeidskracht en grondstoffen in deze regio’s blijven nog altijd goedkoop, ze blijven gebieden van productieve investering, maar ze helpen het wereldkapitaal niet meer bij de problemen van de realisatie: ze zijn tot een deel van het probleem geworden. Bovendien berooft dit onvermogen om de wereldmarkt uit te breiden in de mate die vereist wordt door de productiviteit van het kapitaal de bourgeoisie van een van haar belangrijkste tegenwichten voor de dalende winstvoet: de winstmassa opvoeren door een groeiende hoeveelheid waren te produceren en te verkopen. Zo kwamen de voorspellingen uit van het Kommunistisch Manifest:
“De instellingen van de burgerlijke maatschappij zijn te eng geworden om de rijkdom die door hen wordt voortgebracht te bevatten. En hoe geraakt de bourgeoisie uit deze crises? Enerzijds door gedwongen vernietiging van een massa van productiekrachten; anderzijds door de verovering van nieuwe markten, en door een grondigere uitbuiting van de oude. Met andere woorden, ze plaveit de weg voor nog uitgebreidere en vernietigendere crises, terwijl ze de middelen inperkt waarmee deze crises kunnen voorkomen worden.”
Het is Rosa Lxemburg’s theorie van het imperialisme die op de beste manier Marx’ gedachtegang over dit vraagstuk heeft verder gezet.

Luxemburg’s opvatting van het imperialisme - en haar critici

“Het imperialisme is de politieke uitdrukking van het proces van kapitaalsaccumulatie in zijn concurrentiestrijd om de resten van het nog niet in beslag gelegde niet-kapitalistische wereldomgeving. Geografisch omvat deze omgeving nog altijd het grootste deel van de wereld. Gemeten naar de geweldige massa van het al geaccumuleerde kapitaal van de oude kapitalistische landen, die om de afzetmogelijkheden van hun meerproduct net als om kapitaliseringsmogelijkheden voor zijn meerwaarde worstelen, gemeten verder naar de snelheid waarmee de huidige voorkapitalistische culturen in kapitalistische worden omgezet, met andere woorden: gemeten naar de al bereikte hoge graad van ontplooiing van de productiekrachten van het kapitaal, verschijnt het voor de expansie overblijvende veld als een kleine rest. Dienovereenkomstig krijgt het internationale oprukken van het kapitaal op het wereldtoneel daarmee vorm. Bij de hoge ontwikkeling en de steeds scherper concurrentie van de kapitalistische landen om de niet-kapitalistische landen in handen te krijgen nemen de energie en de gewelddadigheid van het imperialisme toe, zowel in zijn agressieve optreden tegen de niet-kapitalistische wereld als in de verscherping van de tegenstellingen tussen de concurrerende kapitalistische landen. Maar hoe gewelddadiger, energieker en grondiger het imperialisme de niet-kapitalistische beschavingen tot de ondergang brengt, des te sneller verdwijnt de bodem onder de voeten van de kapitaals-accumulatie. Het imperialisme is evenzeer een historische methode om het bestaan van het kapitalisme te verlengen, als het zekerste middel om het bestaan daarvan op de korte termijn een objectief eind aan te maken. Dit wil niet zeggen dat dit eindpunt schoolmeesterachtig bereikt moet zijn. De loutere tendens in de ontwikkeling van het kapitalisme naar dit eindpunt neemt vormen aan die van de eindfase van het kapitalisme tot een periode van catastrofen maken.” (Rosa Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Kapitel XXXI, in Gesammelte Werke, Bd. 5, p. 391).
Zoals we uit deze passage kunnen merken concentreert Luxemburg’s definitie van imperialisme zich op de basisaspecten van het probleem, namelijk het accumulatieproces, en in het bijzonder de fase van het proces met betrekking tot de realisatie, eerder dan op de bovenbouwvertakkingen van het imperialisme. Daarnaast echter toont zij aan dat het politieke uitvloeisel van de imperialistische uitbreiding bestaat uit de militarisering van de maatschappij en de versterking van de staat: de uitputting van de burgerlijke democratie en de ontwikkeling van openlijke despotische vormen van de kapitalistische overheersing; de brutale verslechtering van de levensstandaard van de arbeiders om de vet aangezwollen militaire sector van de economie in stand te houden. Alhoewel Die Akkumulation des Kapitals enige tegenstrijdige ideeën bevat over militarisme dat beschreven wordt als een ‘provincie van de accumulatie’, had Luxemburg in wezen gelijk toen zij de oorlogseconomie beschouwde als een onmisbaar kenmerk van het imperialistisch, in verval zijnde kapitalisme. Maar Luxemburg’s basisanalyse van de drijvende kracht achter het imperialisme is onderhevig geweest aan talrijke kritieken. De belangrijkste ervan was deze geschreven door Boecharin in zijn Imperialism and Accumulation of Capital (1924). Het overgrote deel van zijn argumenten tegen Luxemburg’s theorie weerklonk onlangs weer bij de CWO (zie Revolutionary Perspectives, nr. 6, The Accumulation of Contradictions). We willen het hier hebben over de twee belangrijkste kritieken die door Boecharin zijn aangevoerd.

1. Volgens Boecharin is het gevolg van Luxemburg’s theorie dat het imperialisme wordt gedreven door de jacht op nieuwe markten dat de imperialistische periode niet meer kan worden onderscheiden van alle eerdere tijdperken van het kapitaal:
“Handelskapitalisme en mercantilisme, industrieel kapitalisme en liberalisme, financierskapitaal en imperialisme - al deze fasen van de kapitalistische ontwikkeling verdwijnen of worden opgelost in het kapitalisme als zodanig.” (Imperialism and the Accumulation of Capital, Chapter 4, p. 253).
En voor de CWO:
“[...] haar grondgedachte van imperialisme gebaseerd op ‘verzadiging van de markten’ is uiterst zwak en ongeschikt. Als, zoals Luxemburg zelf toegaf, [...] de kapitalistische metropolen nog altijd voorkapitalistische enclaves hadden (bv. lijfeigenen, boeren) waarom moet het kapitalisme dan overzees uitbreiden en ver van de kapitalistische metropolen en dat vanaf het prille begin van zijn bestaan? Waarom worden niet eerst alle streken die dichtst bij de hand liggen in de verhouding kapitaal-loonarbeid opgenomen als het louter op zoek is naar nieuwe markten? De verklaring moet gezocht worden, niet in de behoefte aan nieuwe markten, maar in de zoektocht naar grondstoffen en de maximalisatie van de winst.
Ten tweede houdt Luxemburg theorie in dat imperialisme een permanent kenmerk is van het kapitalisme. Aangezien kapitalisme, volgens Luxemburg, altijd op zoek is geweest naar uitbreiding van de markt om te kunnen accumuleren, kan haar theorie geen onderscheid maken tussen de oorspronkelijke uitbreiding van handel en geldeconomie aan de dageraad van het kapitalisme in Europa en zijn latere imperialistische uitbreiding [...] mercantiel kapitaal was noodzakelijk voor de oorspronkelijke accumulatie van kapitaal maar dit was een verschijnsel dat kwalitatief verschillend is van de kapitalistische drang om te accumuleren zodra het zichzelf gevestigd heeft als de heersende productiewijze.”
(Revolutionary Perspectives, nr. 6, p. 18-19).
In deze passage overtreft de venijnigheid van de CWO tegen het ‘luxemburgisme’ zelfs Boecharin’s scherpe polemiek. Voor we verder kunnen gaan moeten een paar punten duidelijk worden gemaakt. Eerst en vooral heeft Luxemburg nooit beweerd dat de kapitalistische uitbreiding ‘louter ten doel had nieuwe markten te vinden: zij heeft duidelijk de planetaire zoektocht naar goedkope arbeidskracht en grondstoffen geschetst, zoals de CWO dat zelf vaststelt op dezelfde bladzijde van Revolutionary Perspectives, nr. 6. Ten tweede is het verbazingwekkend dat de kapitalistische behoefte aan ‘uitbreiding van de markt om te accumuleren’ wordt voorgesteld als een ontdekking van Luxemburg, terwijl het al een fundamenteel standpunt was dat Marx zelf tegen Say en Ricardo verdedigde, zoals we al zagen. Boecharin zelf ontkende geenszins dat het imperialisme op zoek was naar nieuwe markten; in feite identificeert hij deze als één van drie drijfveren achter de kapitalistische uitbreiding:
“We hebben drie fundamentele drijfveren blootgelegd voor de veroveringspolitiek van de moderne kapitalistische staten: toegenomen wedijver op de verkoopmarkt, op de grondstoffenmarkt, en op het vlak van kapitaalinvestering [...] Deze drie wortels van de politiek van het financierskapitaal vertegenwoordigen echter wezenlijk slechts drie facetten van hetzelfde verschijnsel, namelijk het conflict tussen de toename van de productieve krachten enerzijds en anderzijds de ‘nationale’ grenzen van de organisatie van de productie.” (Imperialism and World Economy, Chapter VIII, p. 104).
Toch blijft het verwijt: voor Lenin, Boecharin en anderen onderscheidt de ‘export van kapitaal’ eerder dan die van ‘waren’ de imperialistische fase van het kapitaal van de voorafgaande fasen. Laat Luxemburg’s theorie dit onderscheid links liggen en houdt dit bijgevolg in dat het imperialisme een kenmerk was van het kapitalisme vanaf zijn ontstaan?
Als we terug verwijzen naar de passages van Luxemburg die in deze tekst geciteerd worden, vooral het lange citaat uit de Anti-Kritik, dan kunnen we zien dat Luxemburg zelf heel duidelijk onderscheid maakt tussen de fase van oorspronkelijke accumulatie en de imperialistische fase, die ontegenzeggelijk wordt voorgesteld als een duidelijk afgebakend stadium in de wereldwijde ontwikkeling van het kapitaal. Zijn dit slechts holle woorden of stemmen ze overeen met de kern van Luxemburg’s theorie?
In feite is er hier geen tegenspraak in Luxemburg’s analyse. Het eigenlijke imperialisme begint na de jaren 1870 wanneer het wereldkapitalisme een belangrijke nieuwe samenstelling bereikt: de periode waarin de vorming van nationale staten in Europa en Noord-Amerika voorbij is, en in plaats van een toestand te kennen waarin Groot-Brittannië de ‘werkplaats van de wereld’ is zijn er meerdere hoog ontwikkelde nationale ‘werkplaatsen’ die wedijveren voor de heerschappij op de wereldmarkt - niet alleen concurrerend op elkaars thuismarkten maar ook op de koloniale markt. Het is deze toestand die leidt tot de depressie van de jaren 1870 - de ‘zaden van het kapitalistische verval’, juist omdat de neergang van het systeem gelijkstond aan de verdeling van de wereldmarkt tussen de concurrerende kapitalen - met de omvorming van het kapitaal tot een ‘gesloten systeem’ waarbinnen het probleem van de realisatie onoplosbaar wordt. Maar in loop van de jaren 1870 bestond de mogelijkheid om uit de gesloten cirkel te breken natuurlijk nog, en dit verklaart grotendeels de wanhopige spoed van de imperialistische uitbreiding in deze periode.
Het is waar, zoals de CWO uitspelt, dat het kapitaal altijd op zoek was naar koloniale markten, maar daar heeft niets mysterieus. Kapitalisten zullen altijd uitkijken naar gebieden van winstgevend in gebruik kunnen worden genomen en voor gemakkelijke verkoop, zelfs al zijn de beschikbare markten ‘thuis’ niet volledig verzadigd. Het zou absurd zijn te verwachten dat het kapitalisme een glad ontwikkelingsverloop zou kennen - alsof de vroege kapitalisten bij elkaar kwamen en met elkaar afspraken: “Eerst zullen we alle voorkapitalistische sectoren in Europa uitputten, dan zullen we uitbreiden naar Azië, dan Afrika, enzovoort.” Desalniettemin wordt achter de chaotische groei van het kapitalisme een duidelijk patroon zichtbaar: de koloniale plundering van het vroege kapitalisme, het gebruik van deze plundering om de industriële revolutie in de metropolen te versnellen; en dan, op de basis van het industriekapitaal, een nieuwe streven richting koloniale regio’s. De eerste periode van koloniale uitbreiding vormde weliswaar geen antwoord op de overproductie thuis, maar stemde overeen met de behoeften van de oorspronkelijke accumulatie. We kunnen het pas hebben over imperialisme als de koloniale uitbreiding een antwoord vormt op de tegenstellingen van de volledig ontwikkelde kapitalistische productie.
In die zin kunnen we het begin van het imperialisme zien wanneer de handelscrises van het midden van de negentiende eeuw optreden als een prikkel tot de uitbreiding van het Britse kapitaal naar de koloniën en de half-koloniën. Maar zoals gezegd betekent imperialisme in de volle betekenis van het woord een concurrentieverhouding tussen de kapitalistische staten; en de imperialistische uitbreiding wordt pas een onvermijdelijke noodzaak voor het kapitaal wanneer de markt van de metropolen definitief door verschillende kapitalistische reuzen is opgedeeld. Dit is de verklaring voor de snelle verandering in de Britse koloniale politiek in het laatste deel van de negentiende eeuw. Voorafgaand aan de depressie van de jaren 1870, voor de verscherping van de concurrentie uit de Verenigde Staten en Duitsland, vroegen de Britse kapitalisten zich af of het wel de moeite waard was om de bestaande koloniën in stand te houden en ze waren terughoudend om nieuwe koloniën in bezit te nemen; maar nu raakten ze ervan overtuigd dat Groot-Brittannië zijn koloniale politiek moest handhaven en uitbreiden.
Het ‘gedrang om de koloniën’ aan het einde van de negentiende eeuw was niet het gevolg van een plotse verstandsverbijstering bij de bourgeoisie, of van en verwaande jacht naar nationaal prestige, maar vormde een antwoord op de fundamentele tegenspraak in de accumulatiecyclus: de groeiende concentratie van kapitaal en het opdelen van de markt in de metropolen, die tegelijk het dalen van de winstvoet en de kloof tussen productiviteit en koopkrachtige markt verergerden, dat wil zeggen het probleem van de realisatie.
Het idee dat de noodzaak om nieuwe markten open te breken een beslissend element vormde in de imperialistische uitbreiding staat, in tegenstelling tot wat de CWO beweert in Revolutionary Perspectives (nr. 6, p. 19), niet in tegenstelling tot het feit dat het overgrote deel van de wereldhandel in deze periode plaatsvond werd tussen de kapitalistische metropolen zelf. Dit verschijnsel werd door Luxemburg zelf opgemerkt:
“[...] met de internationale ontwikkeling van het kapitalisme wordt de kapitalisatie van de meerwaarde steeds dringender en wisselvalliger, zo wordt de overgrote basis van de massa van het constante en variabele kapitaal en in verhouding tot de meerwaarde steeds kolossaler. Vandaar het tegenstrijdige verschijnsel dat de oude kapitalistische landen voor elkaar een steeds groter markt vormen, voor elkaar steeds onmisbaarder worden en tegelijk elkaar steeds afgunstiger bestrijden als concurrenten in betrekkingen met niet-kapitalistische landen.” (Die Akkumulation des Kapitalis, Kapitel XXVI, p. 316).
De ‘externe’ markt was voor het globaal kapitaal een adempauze in een gevangenis die steeds overbevolkter raakte. Hoe minder adempauze er overbleef ten opzichte van de overvolle gevangenis, des te wanhopiger de gevangenen daarom vochten.
Het feit dat in deze periode een aanzienlijke toename van kapitaalexport tot stand kwam betekent evenmin dat de imperialistische uitbreiding niets te maken had met een marktprobleem. De kapitaalexport naar de koloniale regio’s was noodzakelijk niet alleen omdat deze het kapitaal in staat stelde te produceren in streken waar de arbeidskracht goedkoop was en bijgevolg de winstvoet kon stijgen. Het breidde ook de wereldmarkt uit:
a) omdat kapitaalexport ook uitvoer van productiegoederen bevat die zelf waren zijn die verkocht moeten worden;
b) omdat het exporteren van kapitaal - om het even in de vorm van geldkapitaal voor investering of van productiegoederen - diende om de hele markt uit te breiden voor de kapitalistische productie door het te laten nestelen in nieuwe gebieden en door steeds meer koopkrachtige kopers binnen zijn werkingsgebied te brengen. Het duidelijkste voorbeeld daarvan is de bouw van spoorwegen, die dienden voor de uitbreiding van de verkoop van kapitalistische waren naar vele miljoenen nieuwe kopers.
Het probleem van de ‘markt’ kan ons helpen bij een van de meest opvallende kenmerken van de wijze waarop het imperialisme de kapitalistische productie over de wereld uitbreidde: het ‘scheppen’ van onderontwikkeling. Want wat de kapitalisten wilden was een gebonden markt - een markt van kopers die geen concurrenten zouden worden van de metropolen door zelf kapitalistische producenten te worden. Vandaar het tegenstrijdige verschijnsel waarbij het imperialisme de kapitalistische productiewijze uitvoerde en stelselmatig de voor-kapitalistische economische structuren vernietigde - terwijl het tegelijkertijd de ontwikkeling van inheems kapitaal afremde door onbarmhartig de koloniale economieën te plunderen, door hun industriële ontwikkeling ondergeschikt te maken aan de specifieke behoeften van de economie van de metropolen, en doo