Internationale Revue - 1993, nr. 15

De ergste crisis in de geschiedenis van het kapitalisme

Een steekhoudende bevestiging van het marxisme


Terwijl het kapitalisme de ernstigste crisis in zijn geschiedenis doormaakt verkondigen alle verdedigers van de gevestigde orde de dood van het marxisme, van de enige theorie die in staat is de werkelijkheid van deze crisis te begrijpen, en die haar ook voorzag. Zij wringen de laatste druppel uit die walgelijke en oude leugen die het marxisme gelijkstelt aan het stalinisme, en revolutie aan contra-revolutie. De heersende klasse wil zo het bankroet van het stalinistisch staatskapitalisme aankleden als het bankroet van het kommunisme en van zijn theorie, het marxisme. Het gaat hierbij om een van de meest gewelddadige ideologische aanvallen waaraan de arbeidersklasse in decennia is blootgesteld. Maar hysterische duivelbezwering van de burgerlijke broodschrijvers kan niet verhullen dat hun theorieën geheel niet in staat bleken de huidige economische ramp te verklaren. Daarentegen ziet de marxistische analyse van de kapitalistische crises zichzelf op verpletterende wijze bevestigd.

De onmacht van de burgerlijke ‘theorieën’


Het is opmerkelijk om te zien hoe de meest heldere ‘denkers’ en ‘commentatoren’ van de heersende klasse de omvang van de ramp die de planeet in haar greep heeft alleen nog maar kunnen gadeslaan, zonder dat zij in staat zijn om ook maar het begin van een verklaring ervoor te geven. Zij besteden er uren televisie aan en vullen er bladzij na bladzij mee in de dagbladen: de verwoestingen die armoede en ziekten in Afrika aanrichten; de vernietigende anarchie die het oude ‘Sovjet’-imperium met hongersnood bedreigt; de ecologische verwoesting van de planeet, die het overleven zelf van de menselijke soort in gevaar brengt; de schade die de drughandel veroorzaakt (die al dezelfde schaal heeft bereikt als de oliehandel); de absurditeit om akkerland in Europa braak te leggen, terwijl hongersnood zich over de wereld uitbreidt; de wanhoop en de sociale ontbinding die de voorsteden in de belangrijkste landen aantast; het alles doordringende gevoel dat de maatschappij nergens toe leidt... Al hun ‘sociologische’ en economische studies, op welk gebied ook, komen hierin overeen: het waarom en het waartoe van dit alles blijft een volslagen raadsel.
De minst kortzichtigen onder hen erkennen vagelijk, dat er aan de oorsprong van dit alles een of ander economisch probleem ligt. Zonder het met zoveel woorden te zeggen, zelfs zonder zich ervan bewust te zijn, komen zij tot die oude ontdekking van het marxisme, dat tot op de dag van vandaag de economie altijd al de sleutel is geweest tot de anatomie van het maatschappelijk leven. Maar dit draagt alleen maar bij aan hun verwarring. In het rommeltje dat hen als theoretisch kader dient blijft de blokkering van de wereldeconomie voor hen in nevelen gehuld.
De heersende ideologie berust op de mythe van de eeuwigheid van de kapitalistische productieverhoudingen. Maar het kleine beetje van haar filosofisch bouwwerk dat nog is overeind gebleven, zou voorgoed omvallen als ook maar voor één ogenblik zou worden ingezien dat deze verhoudingen (loonarbeid, winst, naties, competitie) niet alleen niet de enig mogelijke wijze van economische organisatie zijn, maar dat zij het onheil zijn geworden dat de oorsprong is van alle plagen die over een lijdende mensheid zijn gekomen.
Gedurende twintig jaar hebben de economen zich in een steeds minder begrijpelijke taal uitgedrukt om de voortdurende neergang van de wereldeconomie te ‘verklaren’. Die ‘verklaringen’ hebben alle twee kenmerken gemeen: de verdediging van het kapitalisme als het enig mogelijk systeem, en het feit dat de werkelijkheid met hen spotte zodra ze waren verkondigd.
Toen de ‘welvaart’ van de na-oorlogse wederopbouwperiode aan zijn eind geraakte kwamen er twee recessies: in 1967 en in 1970. Vergeleken met de economische aardbevingen die wij nadien hebben meegemaakt, lijken die recessies nu vrij onbeduidend, maar indertijd waren ze een relatief nieuw verschijnsel (1). Het spook van de economische crisis, dat men na de jaren 30 voorgoed uitgebannen waande, keerde terug om de burgerlijke economen nachtmerries te bezorgen (2). De werkelijkheid sprak voor zich: nadat de wederopbouw afgesloten was dook het kapitalisme nogmaals in een economische crisis. De cyclus die na 1914 het kapitalisme in zijn verval kenmerkt werd bevestigd: crisis - oorlog - wederopbouw - nieuwe crisis, ... De ‘deskundigen’ verklaarden dat dit helemaal verkeerd gezien was. Deze bevingen werden door niets anders veroorzaakt dan door ‘de starheid van het monetaire systeem dat van de tweede wereldoorlog was overgeërfd’: het beroemde accoord van Bretton-Woods, dat berust op de dollar-standaard en vaste wisselkoersen. En zo werd een nieuwe internationale muntsoort gecreëerd (de ‘speciale trekkingsrechten’ van het Internationale Monetaire Fonds), en mochten de wisselkoersen voortaan fluctueren.
Maar amper een paar jaar later werd het wereldkapitalisme opnieuw getroffen door twee recessies, die veel langer duurden en veel dieper waren dan de vorige: die van 1974-1975 en van 1980-1982. De ‘deskundigen’ vonden een nieuwe verklaring: de oorzaak waren de schaarse energievoorraden. Die nieuwe stuiptrekkingen werden ‘olie-crises’ genoemd. Voor de tweede maal werd uitgelegd dat het systeem zelf niets van doen had met die nieuwe moeilijkheden. Die waren het resultaat van de hebzucht van een paar Arabische oliesjeiks, of zelfs van de wraak van een paar onderontwikkelde ‘olielanden’. En, alsof zij zichzelf probeerden te overtuigen van de eeuwige vitaliteit van het systeem, werd het economisch ‘herstel’ van de jaren 1980 tot de terugkeer naar het ‘zuivere’ kapitalisme gedoopt. De ‘reaganomics’ zouden de privé-zakenman de vrijheid en autoriteit teruggeven die de staat hem ontnomen had, en dit zou tenslotte de volle creatieve krachten van het systeem de gelegenheid geven om los te barsten.
Privatisering – het genadeloos elimineren van niet-winstgevende bedrijven –, het vernietigen van arbeidsplaatsgaranties om ‘de vrije krachten van de markt’ de arbeidskracht te laten reguleren; de naakte bevestiging van het ‘onbeteugelde kapitalisme’ zouden allen tonen dat de fundamenten van het kapitalistische systeem gezond waren. Inderdaad boden die maatregelen het enig mogelijk perspectief voor het kapitalisme. Maar reeds in het begin van de jaren 1980 waren de economieën van de ‘derde wereld’ aan het instorten. In het midden van de jaren 1980 sloegen de Sovjet-Unie en de landen van het Oostblok de weg in naar het ‘liberalisme’, en trachtten zich te bevrijden van de meest starre vormen van hun extreem verstaatst kapitalisme. Het decennium eindigde met een nog grotere ramp toen het voormalig ‘Sovjet’-blok in een ongeëvenaarde chaos ten onder ging.
Aanvankelijk stelden de ideologen van de westerse democratieën dit alles voor als een bevestiging van de waarheid van hun evangelie: de Sovjet-Unie en het Oostblok stortten in elkaar omdat zij er niet in waren geslaagd om echt kapitalistisch te worden; de ‘derde wereld’-landen omdat zij het kapitalisme slecht hadden beheerd. Maar het begin van de jaren 1990 onthulde dat de economische crisis geweldige klappen toebracht aan de machtigste landen van de planeet die het hart van het kapitalisme vormen. In de frontlinie van die hernieuwde duik in de recessie stonden de kampioenen van het liberalisme: Groot-Brittannië en de Verenigde Staten van Amerika – juist die landen die werden verondersteld het voorbeeld te geven aan de rest van de wereld inzake de wonderen van de ‘vrije markteconomie’.
In het begin van 1992 zagen we de crème de la crème van het westers kapitalisme, de best geleide bedrijven ter wereld, aankondigen dat hun winsten wegsmolten en dat ze zich voorbereidden op tienduizenden ontslagen: IBM, ‘s werelds grootste computerfabrikant, die sinds zijn oprichting nooit verlies had geleden; Generaal Motors, ‘s werelds grootste industriële onderneming, waarvan de macht samengevat werd in de formule “wat goed is voor General Motors, is goed voor de Verenigde Staten”, kondigde de grootste verliezen aan die ooit in de geschiedenis van het kapitalisme zijn opgetekend: vier miljard dollar; United Technologies, één van Amerika’s grootste en modernste industriële groepen; Ford; Mercedes Benz, het symbool van de macht van het duits kapitaal, dat ermee pochte als enige autoproducent in de jaren 1980 nieuwe arbeiders in dienst te hebben genomen; Sony, de kampioen in dynamiek en efficiëntie op zijn Japans...
Voor wat betreft het bankwezen en de financiële sektoren, die de grootste ‘welvaart’ hadden ervaren in de jaren tachtig, en die het meest hadden geprofiteerd van de grootste spekulatiegolf en schuldenmakerij in de geschiedenis: zij zijn door de recessie in het hart getroffen, tot op het punt dat zij gevaar lopen in te storten, uitgeput door haar misbruik van krediet en schulden.
Sommige ekonomen schijnen dit misbruik pas vandaag te hebben ‘ontdekt’. In werkelijkheid is dit de reddingslijn geweest van de wereldeconomie gedurende de afgelopen twintig jaar: de vlucht in het krediet. De ‘machine om de problemen naar de toekomst te verschuiven’ is kapotgeslagen, verpletterd onder het gewicht van de opgehoopte schuldenlast (3).
Wat is er dan nog over van de verklaring dat de crisis werd veroorzaakt door ‘de starheid van het monetair systeem’, wanneer de anarchie van de wisselkoersen een hoofdfactor is geworden van de instabiliteit van de wereldeconomie? Wat is er over van al het gepraat over ‘olie-crisis’ als de olieprijzen verdrinken in een olietapijt van overproductie? Wat is er over van de redevoeringen over het ‘liberalisme’ en ‘de wonderen van de vrije markteconomie’, als de economie ineenstort temidden van een bittere handelsoorlog om de krimpende wereldmarkt? En wat kan de ‘verklaring’ waard zijn, dat de crisis wordt veroorzaakt door de schuldenlast, wanneer het precies deze schuldenmakerij is geweest die de stervende economie op de been heeft gehouden?
In het kapitalisme in verval zijn de economen hogepriesters van het absurde geworden. Zij kunnen de crisis evenmin verklaren als dat zij perspectieven voor de middellange of de lange termijn kunnen aangeven (4). Hun taak is om het kapitalisme te verdedigen en dit belet hen – hoe ‘intelligent’ ze ook mogen zijn – die meest elementaire werkelijkheid te begrijpen: het probleem van de wereldeconomie heeft niets te maken met dit of dat land in het bijzonder, of met deze of gene wijze van kapitaalbeheer. Het is het kapitalistisch systeem zelf dat het probleem vormt. Al hun ‘redenen’ en ‘ideeën’ zullen zonder twijfel de geschiedenis ingaan als enkele van de meest sinistere voorbeelden van de blindheid en de stupiditeit van een in verval geraakte klasse.

Het marxisme: de eerste samenhangende opvatting van de geschiedenis


Vóór Marx verscheen de menselijke geschiedenis over het algemeen als een reeks van min of meer onsamenhangende gebeurtenissen, die zich ontvouwen bij gratie van historische veldslagen of krijgstochten, of van de religieuze of politieke overtuigingen van de grote mannen van de wereldgeschiedenis. In laatste instantie moest de enige logische draad in de geschiedenis gezocht worden buiten de materiële wereld, in de etherische sferen van de goddelijke Voorzienigheid, of op zijn best in de ontwikkeling van Hegel’s ‘Absolute Idee’ (5). Vandaag zijn de ‘denkers’ en de economen van de heersende klasse hierin geen stap verder gekomen. Er zijn er zelfs die, sinds de ineenstorting van wat zij kommunisme noemen, met een karikatuur van Hegels denken voor de dag zijn gekomen en ‘het einde van de geschiedenis’ heeft verkondigd: nu alle landen de meest ontwikkelde vorm van het liberale ‘democratische’ kapitalisme hebben bereikt, en aangezien er niets kan zijn na het kapitalisme, zijn we aan het einde van de weg gekomen...
Met zulke ‘ideeën’ kunnen de chaos van vandaag, het vastlopen van de economie, de algemene ontbinding, enkel een mysterie van de Voorzienigheid blijven. Degenen die geloven dat er niets kan bestaan na het kapitalisme moeten wel in apathie en wanhoop over de mensheid, vervallen wanneer zij het verschrikkelijk bankroet in ogenschouw nemen dat het resultaat is van verscheidene eeuwen van kapitalistische heerschappij.
Voor het marxisme daarentegen zijn de gebeurtenissen van vandaag een verpletterende bevestiging van de historische wetten die het ontdekt en geformuleerd heeft. Vanuit het standpunt van het revolutionair proletariaat gezien is het kapitalisme niet eeuwiger dan welke uitbuitingswijze dan ook die eraan voorafgingen, zoals het feodalisme en de slavernij. Het marxisme onderscheidt zich inderdaad van de vroegere kommunistische theorieën doordat het het kommunistisch project baseert op een begrip van de dynamiek van de geschiedenis. Het kommunisme wordt historisch mogelijk omdat het kapitalisme zowel de materiële voorwaarden heeft geschapen die een werkelijke maatschappij van overvloed mogelijk maken, als de klasse die in staat is de kommunistische revolutie door te voeren: het proletariaat. De revolutie is een noodzaak geworden omdat het kapitalisme historisch in een doodlopend straatje is terechtgekomen.
Hoe meer die doodlopende weg de bourgeoisie en haar economen verontrust, des te meer dit de marxisten in hun revolutionaire overtuiging bevestigt.
Maar hoe verklaren marxisten deze historische ‘doodlopende weg’? Waarom zou het kapitalisme zich niet tot in het oneindige verder kunnen ontwikkelen?
Eén zin uit het Kommunistisch Manifest vat het antwoord samen: “De burgerlijke verhoudingen zijn te eng geworden om de door hen geschapen rijkdom te omvatten.”
Wat betekent dit? Wordt dit door de werkelijkheid bevestigd?

“De burgerlijke verhoudingen”


Eén van de valstrikken van de burgerlijke ideologie, waarin de economen zich zelf verstrikken, is het idee dat de kapitalistische verhoudingen ‘natuurlijk’ zijn. Egoïsme, hebzucht, huichelarij en de cynische gruwelijkheid van de kapitalistische uitbuiting zijn slechts de meest verfijnde vormen die de eeuwig ‘slechte menselijke aard’ aanneemt.
Maar wie ook maar oppervlakkig naar de geschiedenis kijkt, kan zien dat dit nonsens is. De huidige maatschappelijke verhoudingen beheersen het economisch leven pas zo’n 500 jaar, als we, net als Marx, het begin van hun heerschappij in de zestiende eeuw plaatsen, toen de ontdekking van Amerika en de explosieve uitbreiding van de wereldhandel die erop volgde, het de kapitalistische handelaars mogelijk maakten hun macht over het economisch leven van de planeet te vestigen. Daarvoor had de mensheid andere klassenmaatschappijen gekend, zoals het antieke slavernij en het feodalisme, en nog eerder leefde zij gedurende duizenden jaren onder verscheidene vormen van ‘primitief kommunisme’, in maatschappijen zonder klassen of uitbuiting.
“In de maatschappelijke productie van hun bestaan gaan de mensen bepaalde, noodzakelijke, van hun wil onafhankelijke verhoudingen aan, productieverhoudingen, die aan een bepaalde ontwikkelingstrap van hun materiële productiekrachten beantwoorden. Het geheel van die productieverhoudingen vormt de economische structuur van de maatschappij, de reële grondslag waarop een juridische en politieke bovenbouw gevestigd is en waarmee bepaalde maatschappelijke bewustzijnsvormen overeenkomen.” (Karl Marx, Voorwoord, 1859, tot de Bijdrage tot de kritiek van de politieke economie).
De burgerlijke verhoudingen, de kapitalistische productieverhoudingen en hun “juridische en politieke bovenbouw”, verre van eeuwige realiteiten, zijn niets anders dan een bijzondere, tijdelijke vorm van maatschappelijke organisatie, die “beantwoordt aan een bepaalde ontwikkelingstrap van [...] materiële productiekrachten”. Marx placht te zeggen dat de handmolen voor de slavernij staat, de watermolen voor het feodalisme en de stoommachine voor het kapitalisme.
Maar waaruit bestaan die verhoudingen? In de mythologie die het kommunisme met het stalinisme identificeert, is het gebruikelijk om de kapitalistische maatschappelijke verhoudingen te plaatsen tegenover de verhoudingen die in de zogenaamd kommunistische landen heersten. Het bepalende criterium zou de vraag zijn of het eigendom van de productiemiddelen in handen is van de staat of van privé-kapitalisten. Maar, zoals Marx en Engels al hadden aangetoond in hun strijd tegen het staatssocialisme van Lasalle, het feit dat een kapitalistische staat de productiemiddelen bezit maakt hem enkel tot ‘ideale totaal-kapitalist’.
Rosa Luxemburg, één van de grootste marxistische theoretici na Marx, benadrukt twee hoofdcriteria, twee aspecten van de maatschappelijke organisatie, die de bijzonderheden bepalen waarin de ene uitbuitingswijze zich onderscheidt van de andere: het doel van de productie en de banden die de uitgebuiten aan de uitbuiter binden. Deze criteria, die ruim vóór de revolutie in Rusland en haar nederlaag gedefinieerd werden, laten geen twijfel bestaan over de kapitalistische aard van de stalinistische economieën (6).

Het doel van de productie


Rosa Luxemburg vat de bijzonderheid van de kapitalistische productiewijze als volgt samen: “De slavenhouder kocht slaven voor het eigen gemak en als luxe; de feodale heer perste de horige boer zijn prestaties en afdragingen met hetzelfde doel af: om met zijn kliek een zwierig leven te kunnen voeren. De moderne ondernemer laat de arbeiders de voedingsmiddelen, kledingstukken en luxegoederen niet voor zijn eigen gebruik vervaardigen, maar hij laat hen waren voor de verkoop produceren, om deze voor geld in te lossen. En juist deze handel maakt hem tot kapitalist, zoals het de arbeiders tot loonarbeiders maakt.” (Rosa Luxemburg, Einführung in die Nationalökonomie, Kapitel IV, Lohnarbeit).
Het doel van de kapitalistische productie is de accumulatie van kapitaal, tot op het punt waarop, in haar vroege en radicale dagen, de puriteinse bourgeoisie de uitgaven van de uitbuitende klasse voor luxegoederen veroordeelde. Marx sprak over dergelijke uitgaven als ‘diefstal van kapitaal’.
De burgerlijke bureaucraten houden zich ten goede dat ze met hun regime geen kapitalistische doeleinden nastreven, en dat het inkomen van de ‘leiders’ de vorm van ‘lonen’ heeft. Maar het feit dat hun inkomsten worden verdeeld als vast inkomen (in dit geval valselijk loon genoemd) en voorrechten, in plaats van als aandelen-dividenden of individuele spaargelden, is niet van belang als het erom gaat te bepalen of de productiewijze kapitalistisch is of niet (7). Het inkomen van hoge staatsambtenaren komt er niet minder door het zweet en bloed van de arbeiders tot stand. De stalinistische ‘planning’ streefde dezelfde doelen na als de investeerders van Wall Street: voed de god van het ‘nationaal kapitaal’ met de meerarbeid die aan de uitgebuiten is onttrokken, vermeerder de macht van het kapitaal, en stel zijn verdediging tegen andere nationale kapitalen veilig. Het huichelachtige ‘Spartaanse’ gezicht dat de stalinistische bureaucraten opzetten, met name wanneer zij net aan de macht zijn gekomen, is niets anders dan een gedegenereerde karikatuur van het puritanisme uit het tijdperk van de kapitalistische oorspronkelijke accumulatie. Het is een karikatuur die misvormd is door het gangreen van het kapitalisme in verval: bureaucratie en militarisme.

De band tussen uitgebuiten en hun uitbuiters


De specifiek kapitalistische verhouding tussen uitgebuiten en uitbuiters bestaat ook in het stalinistisch staatskapitalisme en is er niet minder belangrijk.
In de antieke slavenhoudersmaatschappij werd de slaaf door zijn meester onderhouden, zoals die ook zijn dieren onderhield. De slaaf ontving van zijn uitbuiter het minimum aan bestaansmiddelen om in leven te blijven en zich voort te planten. Die hoeveelheid was relatief onafhankelijk van het werk dat hij verrichte. Zelfs als hij niet werkte, of als de oogst vernietigd werd, bleef de meester hem onderhouden, zoals hij ook een paard placht te onderhouden om het niet te verliezen.
Onder het feodalisme bleef de horige of lijfeigene persoonlijk aan zijn uitbuiter of aan diens eigendom gebonden, hoewel al minder strak dan de slaaf dat was geweest: een kasteel werd verkocht met inbegrip van het land eromheen, het vee en de aanhorige lijfeigenen. Het inkomen van de horige of lijfeigene was echter niet langer geheel onafhankelijk van zijn arbeid. Hij had recht op een percentage van het product van zijn arbeid.
Onder het kapitalisme is de uitgebuite proletariër een ‘vrije loonarbeider’. Maar die ‘vrijheid’ die door de burgerlijke propaganda zo wordt opgehemeld komt erop neer, dat er geen persoonlijke band tussen de uitbuiter en de uitgebuite bestaat. De arbeider behoort aan niemand toe, en is aan geen land of eigendom gebonden. Zijn banden met zijn uitbuiter zijn gereduceerd tot een puur commerciële transactie: hij verkoopt niet zichzelf maar zijn arbeidskracht. Zijn ‘vrijheid’ bestaat erin dat hij is gescheiden van zijn productiemiddelen. Het is de vrijheid van het kapitaal om hem overal uit te buiten; om hem naargelang de behoefte van het kapitaal te laten produceren. Het gedeelte van het product dat aan de arbeider toevalt – als hij er al recht op kan laten gelden – is onafhankelijk van het product van zijn arbeid. Zijn deel is het equivalent van de prijs van de enige waar die hij bezit en reproduceert: zijn arbeidskracht.
“De ondernemer koopt de arbeidskracht en betaalt net als iedere andere koper haar waarde, dat wil zeggen haar productiekosten, doordat hij de arbeider in de vorm van een loon een prijs betaalt, die het onderhoud van de arbeider dekt. Maar de gekochte arbeidskracht is in staat om, met behulp van de doorsnee-productiemiddelen die in de maatschappij worden aangewend, meer te produceren dan enkel de kosten voor het eigen onderhoud. Zoals we weten is dit juist een voorwaarde voor de hele transactie, die anders namelijk zinloos zou zijn: daarin bestaat immers de gebruikswaarde van de arbeidskracht als waar. Aangezien de waarde van het onderhoud van de arbeidskracht, net als bij iedere andere waar, bepaald wordt door de hoeveelheid arbeid die nodig is om haar te produceren, kunnen wij aannemen dat de voeding, kleding enz. die nodig zijn om hem dagelijks arbeidsgeschikt te houden, laten we zeggen, zes uur arbeid vereisen. De prijs van de waar arbeidskracht, dat wil zeggen haar loon, moet dus normaliter zes uur arbeid in geld bedragen. De arbeider werkt voor zijn ondernemer echter niet zes uur, maar langer; laten we zeggen bijvoorbeeld elf uur. Dan heeft hij in deze elf uur eerst in zes uur het ontvangen loon aan de ondernemer ‘teruggegeven’, en heeft hij hem bovendien nog vijf uur erop toegegeven, met andere woorden aan de ondernemer geschonken.” (Rosa Luxemburg, ibidem, p. 739).
Dit is loonarbeid.
De stalinisten beweren dat er onder hun regime geen uitbuiting bestaat, omdat er geen werkloosheid bestaat. In algemene zin is het waar dat onder de stalinistische regimes de werklozen ‘aan het werk gezet worden’. De arbeidsmarkt is een staatsmonopolie, waaronder de staat alles koopt dat op de markt verschijnt, in ruil voor miserabel lage lonen. Maar dit maakt de staat – de ‘collectieve kapitalist’ – niet minder tot koper en uitbuiter van arbeidskracht. Het proletariaat betaalt zijn gegarandeerde arbeidsplaats met de uitbanning van iedere sociale eis en met wrede levensomstandigheden. Het stalinisme is niet de opheffing van de loonarbeid, maar de totalitaire vorm ervan.
Vandaag zijn de economieën van de stalinistische landen niet bezig om ‘kapitalistisch te worden’. Zij proberen alleen om de meest rigide vormen van de verstaatsing van het kapitalisme in verval van zich af te werpen.
Productie uitsluitend voor de verkoop van waren om er kapitaal mee te accumuleren; arbeiders die beloond worden door loonarbeid: dit definieert klaarblijkelijk niet álle ‘verhoudingen van de burgerlijke maatschappij’, maar het stelt wel de meest kenmerkende van die verhoudingen in de schijnwerpers, die ons in staat stellen om te begrijpen waarom het kapitalisme tot de ondergang gedoemd is.

“De door hen geschapen rijkdom...”


In de nadagen van het feodalisme maakten de kapitalistische produktieverhoudingen  (“de verhoudingen van de burgerlijke maatschappij”) een gigantische stap vooruit mogelijk van de maatschappelijke produktiekrachten. In een tijd waarin de arbeid van één man nauwelijks meer mensen dan hemzelf kon voeden, en waarin de maatschappij nog was opgedeeld in een veelheid van zo goed als op zichzelf staande leengoederen, waren de ontwikkeling van de ‘vrije loonarbeid’ en de eenmaking van de ekonomie door de handel machtige faktoren van maatschappelijke ontwikkeling.
Eerst de bourgeoisie “heeft bewezen wat de werkzaamheid van de mensen tot stand kan brengen. Zij heeft heel andere wonderen gewrocht dan de egyptische pyramiden, de romeinse waterleidingen en de gotische kathedralen [...]. De bourgeoisie heeft in haar nauwelijks honderd jaar oude klasseheerschappij massaler en kolossaler produktiekrachten geschapen dan alle voorgaande generaties tezamen.” (Marx, Engels, Het kommunistisch manifest, 1848).
In tegenstelling tot de vóór-marxistische kommunistische theorieën, volgens welke het kommunisme op ieder moment in de geschiedenis mogelijk was, erkende het marxisme dat alleen het kapitalisme de materiële middelen voor een dergelijke maatschappij voortbrengt. Vóórdat de burgerlijke verhoudingen “te nauw” werden “om de door hen geschapen rijkdom te omvatten” waren zij in staat om ‘in bloed en slijk’ twee vitale voorwaarden voor de oprichting van een werkelijk kommunistische maatschappij te scheppen: een wereldwijd produktief netwerk (de wereldmarkt), en een voldoende ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit. Zoals we zullen zien, zou dit tot een nachtmerrie worden voor het overleven van het kapitaal zelf.
“De grootindustrie heeft de wereldmarkt in het leven geroepen, die door de ontdekking van Amerika werd voorbereid. [...] De behoefte aan een steeds uitgebreider afzet voor haar producten jaagt de bourgeoisie over heel de aardbol. Overal moet zij zich indringen, overal ontginnen, overal betrekkingen aanknopen. [...]  Zij dwingt alle naties zich de productiewijze van de bourgeoisie eigen te maken, indien zij niet te gronde willen gaan, zij dwingt hen de zogenaamde beschaving bij zichzelf in te voeren, dat wil zeggen bourgeois te worden. In één woord, zij schept zich een wereld naar haar eigen beeld.” (idem, p.31 en 33).
Die vereniging van de wereldeconomie was tegelijk een stimulans en een product van de grootste vooruitgang in de arbeidsproductiviteit die ooit was opgetreden. De aard van de kapitalistische verhoudingen zelf, de concurrent op leven en dood tussen de verschillende frakties van het kapitaal, op nationale en internationale schaal, dwingt hen tot een voortdurende wedloop in productiviteit. Het verlagen van de productiekosten om de concurrentiekracht te verhogen is een voorwaarde om op de markt te overleven (8).
Ondanks het neerdrukkend gewicht van de oorlogseconomie, die na de eerste wereldoorlog zo goed als permanent werd, en ondanks de irrationaliteit die het sinds de definitieve vorming van de wereldmarkt aan het begin van deze eeuw heeft ingevoerd als gevolg van zijn steeds moeilijker, tegenstrijdiger en steeds meer gemilitariseerd functioneren, is het kapitalisme de technische productiviteit van de arbeid blijven ontwikkelen (9).
Berekend is dat een Franse landarbeider omstreeks het jaar 1700 voor 1,7 persoon voedingsmiddelen produceerde, dat wil zeggen voor hemzelf en drie kwart van de voeding voor een ander persoon. In 1975 kon een Amerikaanse landarbeider voedingsmiddelen voor 75 personen produceren! In 1708 kostte de productie van honderd kilogram graan in Frankrijk 253 arbeidsuren; in 1984 slechts 4 arbeidsuren... Op industrieel vlak is de vooruitgang niet minder spectaculair geweest: de fabricage van een fiets kostte in Frankrijk in 1891 nog 1500 arbeidsuren; in de Verenigde Staten in 1975 kostte het nog maar 15 arbeidsuren. De productietijd van een gloeilamp werd in Frankrijk tussen 1925 en 1982 met meer dan een factor 50 verkleind; die van een radio met meer dan een factor 200 (10).
Gedurende het afgelopen decennium, dat een verscherping van handelsoorlogen heeft laten zien, die met de ineenstorting van het Oostblok alleen nog maar bitterder zijn geworden, hebben de computerisering en de toenemende invoering van robots in de industrie de productiviteitsontwikkeling nog meer versneld (11).
Maar deze voorwaarden die het mogelijk maken om de productie bewust en wereldwijd te organiseren voor de behoeften van de mensheid, en die het mogelijk maken binnen enkele jaren honger en armoede voorgoed van het aardoppervlak te doen verdwijnen door de vrije teugel te geven aan de ontwikkeling van de wetenschap en de andere productiekrachten; kortom, de materiële voorwaarden voor het kommunisme, zijn vanuit burgerlijk standpunt een ware kwelling. En vanuit het standpunt van de mensheid gezien wordt het voortbestaan van de burgerlijke productieverhoudingen een nachtmerrie.

“De burgerlijke verhoudingen zijn te eng geworden”


“Op een bepaalde trap van hun ontwikkeling komen de materiële productiekrachten van de maatschappij in tegenspraak met de bestaande productieverhoudingen, of, wat niets anders dan een juridische uitdrukking ervoor is, met de eigendomsverhoudingen, waarbinnen zij zich tot dusver hadden bewogen. Van vormen van ontwikkeling der productiekrachten veranderen deze verhoudingen in kluisters ervan.” (Karl Marx, Voorwoord (1859) tot de Bijdrage tot de kritiek van de politieke economie)
In het geval van de vóórkapitalistische uitbuitingsmaatschappijen, evenals in het kapitalisme zelf, komt deze “botsing” tussen de “ontwikkeling van de productiekrachten” en de “eigendomsverhoudingen” tot uitdrukking in schaarste en hongersnood. Maar terwijl in de antieke slavenhoudersmaatschappij en onder het feodalisme de productieverhoudingen “te eng” waren geworden en de maatschappij zich materieel niet in staat zag om genoeg voedsel of goederen uit de natuur en de arbeid te produceren, treffen we in het kapitalisme een heel nieuw soort van blokkering van de economie aan: de ‘overproductie’.
“De maatschappij ziet zich plotseling in een toestand van tijdelijke barbaarsheid teruggebracht; een hongersnood, een algemene verdelgingsoorlog schijnen haar alle middelen van bestaan te hebben afgesneden; de industrie, de handel schijnen vernietigd, en waarom? Omdat zij teveel beschaving, te veel middelen van bestaan, te veel industrie, te veel handel bezit.” (Het kommunistisch manifest).
Wat Marx en Engels in het midden van de negentiende eeuw beschreven toen zij de handelscrises van het kapitalisme in zijn bloeiperiode analyseerden, is in zijn vervalperiode een chronische situatie geworden. Sinds de eerste wereldoorlog is de ‘overproductie’ van wapentuig een blijvende ziekte van het systeem geworden. Hongersnoden verspreiden zich in de onderontwikkelde landen terwijl terzelfder tijd de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie elkaar in de ruimtevaart beconcurreren met de duurste en hoogst ontwikkelde technologie. Ieder jaar na de crisis van 1929 hebben de Verenigde Staten een gedeelte van hun agrarische subsidies bestemd om de boeren te betalen voor het braakleggen van landbouwgronden (12).
Aan het eind van de jaren 1980, toen de secretaris-generaal van de Verenigde Naties aankondigde dat er meer dan dertig miljoen hongerdoden zouden vallen in Afrika, werd in de Verenigde Staten bijna de helft van de sinaasappelteelt verbrand. In het begin van de jaren 1990 begon de EEG met een enorm plan om 15% van de graanvelden braak te leggen. De nieuwe open recessie, die enkel een verscherping is van de crisis waarin het systeem wegzinkt sinds het einde van de jaren 1960, treft iedere sector van de economie, en over de hele wereld gaat het uit gebruik nemen van landbouwgronden vergezeld van de sluiting van mijnen en fabrieken.
Tussen de behoeften van de mensheid enerzijds en de middelen om die te bevredigen anderzijds grijpt een ‘onzichtbare hand’ in, die de kapitalisten ertoe dwingt om niet te produceren maar te ontslaan, en die de uitgebuiten dwingt om in armoede te leven. Die ‘onzichtbare hand’ is de ‘wonderbaarlijke markteconomie’, het zijn de kapitalistische productieverhoudingen die ‘te eng’ zijn geworden.
Hoe cynisch en genadeloos zij ook is, de kapitalistenklasse schept zo’n situatie niet met opzet. Zij zou niets liever willen dan dat de industrie en de landbouw naar hun volle vermogen produceren, om een almaar toenemende meerwaarde-massa aan de uitgebuiten te onttrekken; om zonder beperkingen te verkopen en tot in het oneindige winsten te accumuleren. Als zij dat niet doet, is dat omdat zij wordt gehinderd door de kapitalistische productieverhoudingen zelf. Zoals we hebben gezien produceert het kapitaal niet om menselijke behoeften te bevredigen, zelfs niet die van de heersende klasse. Het produceert om te verkopen. Maar omdat het kapitalisme is gebaseerd op de loonarbeid is het niet in staat aan zijn eigen arbeiders de middelen te verschaffen om alles te kopen dat het produceert – laat staan aan degenen die het kapitalisme niet uitbuit.
Zoals we eveneens al hebben gezien wordt dat gedeelte van de productie dat aan de arbeider toevalt niet bepaald door wat hij produceert, maar door de waarde van zijn arbeidskracht, en deze waarde (de arbeid die nodig is om de arbeidskrachten dagelijks te reproduceren) wordt voortdurend geringer, naarmate de productiviteit van de arbeid over het geheel genomen toeneemt.
Door het verminderen van de waarde van de waren stellen de toenamen van productiviteit de ene kapitalist in de gelegenheid om de andere zijn markten af te nemen, maar dit schept geen nieuwe markten. Integendeel, het doet de markt die door de producenten zelf wordt gevormd inkrimpen.
“Het consumptievermogen van de arbeiders wordt deels door de wetten van het arbeidsloon beperkt, deels door het feit dat zij alleen zolang worden gebruikt als hun arbeid winstgevend is voor de kapitalistenklasse. De uiteindelijke grond van alle werkelijke crises blijft altijd de armoede en de beperkte consumptie van de massa’s ten opzichte van de drift van de kapitalistische productie om de productiekrachten zodanig te ontwikkelen alsof alleen het absolute consumptievermogen van de maatschappij hun grens zou vormen.” (Karl Marx, Das Kapital, Band 3, Kapitel 30) Dit is de fundamentele tegenstelling die het kapitaal ertoe veroordeelt om in een doodlopend straatje te eindigen (13).
Het kapitalisme heeft deze tegenstelling, het onvermogen om zijn eigen markten te scheppen, van begin af aan met zich meegedragen. Eerst kon ze worden omzeild door aan de feodale markten te verkopen, dan door de verovering van koloniale markten. De jacht naar afzetmarkten dreef de bourgeoisie ertoe om zich overal en aan de hele planeet op te dringen. Toen eenmaal de wereldmarkt begin deze eeuw voltooid was en verdeeld tussen de grootmachten, leidde dit tot de eerste en later tot de tweede wereldoorlog om de herverdeling van de wereldmarkt.
Vandaag, twintig jaar na het respijt dat de heropbouw na de gigantische vernietiging van de tweede wereldoorlog aan het kapitalisme heeft gegeven, en na twintig jaar vluchten in het krediet – om de vervaldatum met krediet op krediet vooruit te schuiven – wordt het kapitalisme opnieuw geconfronteerd met zijn oude tegenspraak, en ditmaal met anderhalf arbeidsjaren aan schulden op de koop toe.
De beperktheid van de burgerlijke verhoudingen heeft tenslotte van de wereldeconomie een monster gemaakt: minder dan 10% van de bevolking produceert 70% van de rijkdom! In tegenstelling tot de lofzangen op toekomstige ‘wonderen van de markteconomie’ die de bourgeoisie plechtig ten gehore brengt aan het graf van het stalinisme, heeft de werkelijkheid in al haar verschrikkingen aangetoond dat het voortbestaan van de kapitalistische maatschappelijke verhoudingen de barbaarse gesel voor de mensheid is. Meer dan ooit vereist het naakte overleven van de mensheid de opkomst van een nieuwe maatschappij. Om uit het doodlopend straatje van het kapitalisme te ontsnappen, zal die nieuwe maatschappij op twee essentiële beginselen moeten worden gebaseerd:
– productie uitsluitend voor bevrediging van menselijke behoeften;
– afschaffing van de loonarbeid en het organiseren van de distributie allereerst afhankelijk van de bestaande rijkdom, en vervolgens – wanneer materiële overvloed is gerealiseerd – afhankelijk van de behoeften van ieder lid van de maatschappij.
Meer dan ooit opent de strijd voor een maatschappij gegrondvest op het oude kommunistische beginsel “van ieder naar vermogen, voor ieder naar behoefte” de enige uitweg voor de mensheid.

De binding van de economen aan de kapitalistische uitbuitingswijze verblindt hen en verhindert dat zij het bankroet ervan inzien en begrijpen. De revolte tegen de uitbuiting daarentegen stuwt het proletariaat op naar historische helderziendheid. Door zich op het standpunt van die klasse te stellen zijn Marx en de werkelijke marxisten in staat geweest om tot een coherente historische visie op te klimmen. Een visie die niet alleen in staat is te begrijpen wat het bijzondere van het kapitalisme is, ten opzichte van vroegere maatschappijen, maar ook om de tegenstellingen te begrijpen die van deze productiewijze net zozeer een doorgangsstadium maken als dat met alle voorafgaande productiewijzen het geval is geweest. Het marxisme plaatst de mogelijkheid en noodzakelijkheid van het kommunisme op een wetenschappelijke grondslag. Verre van dood en begraven – zoals de verdedigers van de gevestigde orde het willen hebben – is het marxisme actueler dan ooit.

RV, 6 maart 1992

(Eerder verschenen in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 69)

Noten

(1) In 1967 was het vooral Duitsland dat door de recessie getroffen werd. Voor het eerst sinds de oorlog stopte de groei van zijn Bruto Nationaal Product. Het ‘Wirtschaftswunder’ werd vervangen door een daling met 0,1% van het BNP. In 1970 waren de Verenigde Staten, de machtigste economie ter wereld, aan de beurt aan om een daling van de productie met 0,3% te ondergaan.
(2) In 1969 luidde de omslagtitel van het Frans economische tijdschrift L’expansion: Kan 1929 andermaal plaatsvinden?
(3) Volgens sommige schattingen beloopt het wereldtotaal van de schuldenlast 30.000 miljard dollar (Le Monde Diplomatique, februari 1992). Dit is het equivalent van zeven maal het Amerikaans jaarlijks BNP, of van anderhalf jaar werk voor de gehele mensheid (gerekend onder de huidige voorwaarden).
(4) In december 1991 presenteerde de OESO haar Economische perspectieven aan de pers. Zij kondigde een ophanden zijnde economisch herstel aan, onder andere aangemoedigd door een verlaging van de Duitse rentetarieven. Op dezelfde dag kondigde de Bundesbank een aanzienlijke... verhoging van de rente aan. De OESO moest haar voorspellingen onmiddellijk neerwaarts herzien, en benadrukte hoezeer onbekende grootheden dit tijdperk beheersen...
(5) Zie het artikel in deze aflevering Hoe het proletariaat Marx voor het kommunisme won.
(6) Economen hebben er moeite mee te begrijpen dat de kapitalistische aard van die economieën in feite alleen vanuit marxistisch standpunt begrepen kan worden.
(7) Dit onderscheid is wel van belang om het verschil in efficiëntie tussen het stalinistisch staatskapitalisme en de zogenaamde ‘liberale’ variant ervan te begrijpen. Zie hierover Stellingen over de economische en politieke crisis in de Sovjet-Unie en de Oost-Europese landen, in Internationale Revue, Nederlandstalige uitgave, nr. 12.
(8) In het geval van een land als de Sovjet-Unie, waar de binnenlandse concurrent wordt afgestompt door het staatsmonopolie, verschijnt de voortdurende druk om de productiviteit op te voeren op het vlak van de internationale militaire concurrent.
(9) Zie de IKS-brochure Crisis en verval van het kapitalisme.
(10) De gegevens over productiviteit zijn ontleend aan verscheidene werken van de Franse econoom Jean Fourastier.
(11) We kunnen een idee krijgen van de toename van de arbeidsproductiviteit door te kijken naar het aantal mensen dat geen productieve arbeid verricht maar ondersteund wordt door werkelijk productieve arbeid. De agrarische arbeiders, de industrie-arbeiders, de arbeiders in de dienstverlenende en de bouwsector, die goederen of diensten produceren voor consumptie of voor de productie van consumptiegoederen, maken het aan een toenemend aantal mensen mogelijk in leven te blijven zonder enige productieve arbeid te verrichten: het leger, de politie, de arbeiders in de wapenindustrie, een groot deel van de staatsbureaucratie, arbeiders in de financiële, bank-, marketing- en reclamesector enz. Het aandeel van de werkelijk productieve arbeid vermindert in de kapitalistische maatschappij voortdurend, ten gunste van activiteiten die vitaal zijn voor het overleven van ieder nationaal kapitaal, maar die nutteloos, dan wel schadelijk zijn vanuit het standpunt van de behoeften van de mensheid.
(12) Vanuit louter technisch oogpunt gezien zijn de Verenigde Staten in staat om de hele planeet van voedsel te voorzien.
(13) Dit is niet de enige tegenstelling die de marxistische analyse van de kapitalistische productieverhoudingen heeft blootgelegd: de wet van de tendentiële daling van de winstvoet; de tegenstelling tussen de behoefte aan almaar grotere investeringen en de vereisten van de kapitaalcirculatie; de tegenstelling tussen het wereldwijde karakter van de productie en de nationale toe-eigening van kapitaal, enzovoort. Die behoren alle tot de essentiële tegenstellingen, waarvan het marxisme heeft aangetoond dat zij in het leven van het kapitalisme zowel drijfveren zijn als tenslotte hinderpalen worden. Maar al die tegenstellingen worden alleen tot een werkelijke barrière voor de groei van het kapitaal, wanneer dit eenmaal op botst tegen de meest fundamentele oorzaak van de crisis: het onvermogen van het kapitalisme om zijn eigen markten te scheppen.

Economische wereldcrisis: Een beetje meer staat?

In plaats van de zo vaak aangekondigde ‘heropleving’ te zien te geven zakt de wereldeconomie verder in de put. In het hart van de geïndustrialiseerde wereld drukken de ravages van het kapitalisme zich uit in miljoenen nieuwe werklozen en in een versnelde aftakeling van de levensvoorwaarden van de proletariërs die nog werk hebben.
Ze kondigen ons nochtans ‘nieuwe dingen’ aan. Omdat de oude recepten om de productieve activiteit aan te zwengelen machteloos gebleken zijn, kondigen de regeringen van de grote industrielanden (Clinton op kop) een ‘nieuwe’ doctrine aan: de terugkeer naar het fameuze ‘méér staat’. De ‘grote werken’, gefinancierd door de nationale staten, dat moet het nieuwe wondermiddel zijn waarmee opnieuw leven zal geblazen worden in de afgeleefde kapitalistische uitbuitingsmachine.
Wat schuilt er achter die verandering in de praatjes van de westerse regeringen ? Wat voor kans op succes heeft dat ‘nieuw’ beleid ?

De wereldeconomie zou zich volop in een heropleving moeten bevinden. Sinds twee jaar beloven de ‘deskundigen’ die regelmatig voor ‘over zes maanden’ (1). Het jaar 1992 wordt echter afgesloten met een rampzalige situatie. In het centrum van het systeem, in dit deel van de planeet dat totnutoe betrekkelijk gespaard gebleven was, lukt de economie van de landen die als eersten door de recessie sinds 1990 getroffen werden (Verenigde Staten, Canada, Groot-Brittannië) er nog steeds niet in zich weer op te werken (2), terwijl die van de andere mogendheden (de Europese landen en Japan) blijft ineenzakken.
Sinds 1990 is het aantal werklozen met 3,5 miljoen toegenomen in de Verenigde Staten, met 1 miljoen in Groot-Brittannië. In dat laatste land, dat zijn diepste en langste recessie beleeft sinds de jaren 30, is het aantal faillissementen in de loop van 1992 gestegen met 40%. Japan is pas ‘officieel’ in recessie geraakt, voor het eerst sinds 18 jaar (3). Hetzelfde geldt voor Duitsland, waar Kohl, ook al ‘officieel’, pas toegegeven heeft dat er recessie heerst. De vooruitzichten van de regering kondigen er een half miljoen nieuwe werklozen aan voor 1993, terwijl men schat dat in voormalig Oost-Duitsland 40 % van de actieve bevolking geen vaste baan heeft.
Maar onafgezien van die officiële verwachtingen worden de vooruitzichten voor de komende jaren het duidelijkst aangegeven door het schrappen van banen op massale schaal dat aangekondigd wordt in belangrijke sektoren zoals de staal- en autosector, of in spitssectoren zoals de informatica en de vliegtuigbouw. Eurofer, het organisme verantwoordelijk voor de staalsector in de EEG, kondigt aan dat er in de drie komende jaren 50.000 banen zullen wegvallen in die sector. General Motors, de grootste industriële onderneming ter wereld, die al de sluiting aangekondigd had van 21 fabrieken in diverse landen, laat nu weten dat het er 25 zullen zijn. IBM, de wereldreus van de informatica, die al 20.000 banen opgedoekt had in 1991 en begin 92 aankondigde dat er nog eens 20.000 zouden wegvallen, bericht nu dat het er in feite 60.000 zullen zijn. Alle grote constructeurs van civiele vliegtuigen kondigen ontslagen aan (Boeing, één van degenen die nog het minst getroffen worden door de crisis, voorzag dat 9.000 banen in de loop van 92 zouden wegvallen).
In alle landen (4) en in alle sektoren, de klassieke en de spitssectoren, de industriële en de dienstensectoren, zet de realiteit van de crisis zich onverbiddelijk door. Het wereldkapitalisme beleeft wel degelijk een recessie zonder voorgaande, zowel inzake diepte, geografische omvang als duur. Een recessie die, zoals we al vaak geschreven hebben, kwalitatief verschillend is van de vier recessies die er sinds het eind van de jaren 1960 aan voorafgegaan zijn. Een recessie die natuurlijk het chronisch onvermogen van het kapitalisme uitdrukt om zijn fundamentele historische tegenstellingen te boven te komen (het is niet in staat voldoende afzetmarkten te creëren om zijn productie van de hand te doen), maar die ook nieuwe moeilijkheden uitdrukt, gevolg van de ‘remedies’ van de laatste twintig jaar van vlucht vooruit in het krediet en in het maken van massale schulden (5).
De Amerikaanse regering heeft de laatste twee jaar haar best gedaan om de economische machine weer op gang te krijgen door de oude politiek toe te passen die erin bestaat het krediet te versoepelen door de interestvoeten te verlagen. Zo zijn in de Verenigde Staten de interestvoeten van de Federale bank meer dan 20 keer verlaagd, tot op het punt waarop een situatie ontstaan is waarin, rekening houdend met het inflatiepeil, een privé-bank geld kan lenen waarvoor – in reële termen – bijna geen interest moet betalen. Ondanks al die inspanningen blijft het elektro-encefalogram van de groei hopeloos plat. De Amerikaanse economie zit zo diep in de schulden dat het ‘gratis’ krediet door banken en bedrijven niet gebruikt is om te investeren, maar om wat af te betalen van hun vroegere leningen (6).
Nooit waren de economische vooruitzichten voor het kapitalisme zo somber als nu. Nooit moest zo’n flagrante onmacht vastgesteld worden. Het mirakel van de ‘reaganomics’, het mirakel van de terugkeer naar het ‘pure’ kapitalisme, dat zegevierde op de ruïnes van het kommunisme, eindigt op een compleet fiasco.


Meer staat?

 

Maar daar komt de nieuwe president, Clinton, met een oplossing voor de Verenigde Staten en voor de wereld: “De enige oplossing voor de president (Clinton) is die welke hij in haar grote lijnen gedurende heel zijn campagne geschetst heeft. Te weten: het stimuleren van de economie door de overheidsuitgaven voor de infrastructuur (wegennet, havens, bruggen), het onderzoek en de opleiding te vermeerderen. Zo zullen banen gecreëerd worden. Maar even belangrijk is dat die uitgaven zullen bijdragen tot een versnelling van de groei van de productiviteit op langere termijn, en van de reële lonen.” (Lester Thurow, een van de invloedrijkste economische raadgevers in de Amerikaanse democratische partij, in het Franse Le Monde van 17 november 1992) Clinton belooft zo dat de staat 30 à 40 miljard dollar in de economie zal pompen.
In Groot-Brittannië wordt de zeer conservatieve Major, die te kampen heeft met de eerste uitingen van een terugkeer van de strijdbaarheid van de arbeiders, eveneens geconfronteerd met het economisch bankroet. Ook hij geeft plots het liberaal, ‘anti-staat’ credo op en haalt Keynes van onder het stof. Hij kondigt een “strategie voor groei” en een injectie van 1,5 miljard dollar. En dan is het de beurt aan Jacques Delors, vertegenwoordiger van de EEG, die er bovendien op aandringt dat dat nieuw beleid moet vergezeld worden door een stevige dosis ‘samenwerking tussen de staten’: “Dat initiatief voor de groei is geen klassieke keynesiaanse relance. Het gaat er niet alleen om geld in het circuit te pompen. We willen vooral een signaal uitsturen om te zeggen dat de samenwerking tussen staten aan de orde is.” (Libération, 24 november 1992).
Op hetzelfde ogenblik besluit de Japanse regering massale steun te leveren aan de voornaamste sektoren van de economie (90 miljard dollar, of het equivalent van 2,5 % van het Bruto Intern Product).


Waar gaat het precies om?

 

De propaganda van de Democraten in de Verenigde Staten, en van sommige linkse partijen in Europa, stelt het voor als een verandering ten opzichte van de te ‘liberale’ politiek ten tijde van de ‘reaganomics’. Na het ‘minder staat’, zou het nu gaan om meer rechtvaardigheid door meer beroep te doen op de staat, die instelling die verondersteld wordt “de gemeenschappelijke belangen van heel de natie” te vertegenwoordigen.
In feite gaat het enkel om het voortzetten van de tendens die kenmerkend is voor het kapitalisme in verval, die erin bestaat beroep te doen op de macht van de staat om de economische machine draaiende te houden. Als die machine aan haar lot overgelaten wordt, is ze er steeds meer toe gedoemd vast te lopen als gevolg van de ontwikkeling van haar interne tegenstellingen.
In werkelijkheid is de kapitalistische economie, sinds de eerste wereldoorlog, sinds het overleven van elke natie afhangt van haar vermogen zich met geweld van een plaats te verzekeren op de wereldmarkt die definitief te klein geworden is, zich steeds verder blijven verstaatsen. De tendens tot staatskapitalisme is een universele tendens. Naargelang het land, naargelang de historische periodes, heeft die tendens andere ritmes en min of meer doorgedreven vormen aangenomen. Maar hij is nooit opgehouden zich verder door te zetten, zover dat de staatsmachine het hart zelf geworden is van het economisch en sociaal leven van alle naties.
Het Duits militarisme aan het begin van deze eeuw, het stalinisme, het fascisme van de jaren 1930, de grote werken van de New Deal in de Verenigde Staten vlak na de economische depressie van 1929, of die van het Volksfront in Frankrijk in dezelfde periode, zijn allemaal uitdrukkingen van dezelfde beweging van de verstaatsing van het maatschappelijk leven. Die evolutie houdt niet meer op na de tweede wereldoorlog. Integendeel. En de ‘reaganomics’, die zogezegd een terugkeer betekenden naar een ‘liberaal’, minder verstaatst kapitalisme, hebben die tendens niet onderbroken. Het ‘mirakel’ van de Amerikaanse heropleving in de loop van de jaren 1980 heeft geen andere basis dan de verdubbeling van het tekort op de staatsbegroting en een spectaculaire verhoging van de bewapeningsuitgaven. Na drie republikeinse presidentsmandaten vertegenwoordigde de bruto openbare schuld in het begin van de jaren 1990 bijna 60 % van het Amerikaans BIP (tegenover 40 % begin jaren 1980). Het financieren van die schuld slorpt op z’n eentje de helft van de nationale spaargelden op (7).
De politiek van ‘deregulering’ en ‘privatisering’ die in de loop van de jaren 1980 in al de industrielanden toegepast werd, vertaalde zich niet in het afnemen van het gewicht van de staat in het economisch beheer (8). Die politiek diende vooral als rechtvaardiging voor een heroriëntatie van de staatshulp naar de meest concurrentiekrachtige sektoren, voor het opdoeken van minder renderende bedrijven door het verminderen van bepaalde overheidstoelagen, voor een ongelooflijke concentratie van kapitalen (wat op het vlak van het beheer onvermijdelijk een toenemende fusie meebracht tussen de staat en het groot ‘privé’-kapitaal).
Op sociaal vlak hebben ze vergemakkelijkt dat de bedrijven hun toevlucht namen tot ontslagen, en tot het onzeker maken van de werkgelegenheid in het algemeen, en tot het verminderen van de zogenaamde ‘sociale’ uitgaven. Na een decennium van ‘anti-staats liberalisme’ is de greep van de staat op het economisch leven niet verminderd. Integendeel, hij is versterkt terwijl hij doeltreffender geworden is. Op dat vlak is het ‘meer staat’ dat nu aangekondigd wordt dus geen ommekeer, maar een verdere versterking van de tendens.


Waaruit bestaat dan de voorgestelde verandering?

 

De kapitalistische economie heeft in de jaren 1980 de grootste speculatie-orgie uit haar geschiedenis beleefd. Op het ogenblik waarop die ‘ballon’ die daarvan het gevolg is wordt afgelaten, is een versterking nodig van het bureaucratisch keurslijf om te proberen de gevolgen te beperken van de verwoestende kater die dat nalaat (9).
Maar de staten nemen ook steeds meer hun toevlucht in het bijdrukken van bankbiljetten. Omdat het ‘privé’ financieel systeem de uitbreiding van het krediet niet meer kan garanderen omdat het tot over de oren in de schulden steekt en omdat alle speculatieve waarden die het aangekocht had ineen gestort zijn, wil de staat de machine weer op gang trekken door geld in te pompen, door een kunstmatige markt te creëren. De staat zou ‘infra-structuren’ aankopen (wegennet, havens, bruggen), wat de economische activiteit zou richten op sektoren die productiever zijn dan de speculatie. En hij zou betalen... met papier, met geld dat zonder enige dekking door de centrale banken in omloop wordt gebracht.
In feite is het beleid van ‘grote werken’ dat nu voorgesteld wordt de laatste twee jaar voor een goed deel al toegepast door Duitsland met zijn inspanningen om de voormalige DDR ‘wederop te bouwen’. En we kunnen ons al een idee vormen van de gevolgen van zo’n beleid als we zien wat zich daar voorgedaan heeft. Die gevolgen zijn vooral van betekenis in twee domeinen: dat van de inflatie, en dat van de buitenlandse handel. In 1989 kende de bondsrepubliek de laagste inflatie van heel de wereld, minder dan de andere industrielanden. Vandaag ligt de inflatie er het hoogst van de zeven rijkste landen (10), op Italië na. Twee jaar geleden had de BRD het grootste handelsoverschot ter wereld, zelfs groter dan dat van Japan. Nu is het weggesmolten onder het gewicht van een toename met meer dan 50 % van zijn invoer.
Maar het geval van Duitsland is dat van een van de sterkste en financieel ‘gezondste’ landen ter wereld (11). In het geval van landen zoals de Verenigde Staten in het bijzonder, zal zo’n beleid op korte of langere termijn veel verwoestender gevolgen hebben (12). Het staats- en handelstekort, die twee chronische ziekten van de Amerikaanse economie sinds twintig jaar, bereiken er veel hogere niveaus dan in Duitsland. Ook als die tekorten vandaag betrekkelijk lager liggen dan bij het begin van de ‘Reaganpolitiek’, zou het verhogen ervan een dramatische weerslag hebben, niet enkel voor de Verenigde Staten, maar ook voor de wereldeconomie, in het bijzonder op het vlak van de inflatie en van de anarchie van de wisselkoersen van de munten.
Anderzijds is het Amerikaans financieel apparaat zo kwetsbaar dat een verhoging van de staatstekorten het met definitieve ineenstorting zou bedreigen. De staat heeft inderdaad sinds jaren systematisch de steeds belangrijker en talrijker faillissementen van banken en spaarkassen, die niet meer in staat waren hun schulden te betalen, voor zijn rekening genomen. Door opnieuw een beleid van staatstekorten te lanceren zou de regering de laatste en al zwakke waarborg verzwakken van een financiële orde waarvan iedereen weet dat ze aan alle kanten gebarsten is.


Meer samenwerking tussen de staten?

 

Het is geen toeval dat Delors zo aandringt op de noodzaak dat zo’n politiek van grote werken zou samengaan met meer “samenwerking tussen de staten”. Zoals de Duitse ervaring aantoont brengen nieuwe staatsuitgaven onvermijdelijk een heropleving mee van de invoer en dus een verdere verstoring van de handelsbalans. In de loop van de jaren 1930 ging de politiek van grote werken samen met een geweldige versterking van het protectionisme, tot de autarkie (gesoleerde zelfvoorziening) van Hitler-Duitsland toe. Diezelfde tendensen duiken vandaag weer op. Geen enkel land wil zijn tekorten vergroten om de economie van zijn buren en concurrenten te stimuleren. De taal die Clinton en zijn raadgevers gebruiken wanneer ze een krachtige versterking vragen van het Amerikaans protectionisme is op dat vlak bijzonder duidelijk.
De oproep van Delors is een vrome wens. Gezien de verergering van de economische wereldcrisis staat vandaag geen tendens tot meer “samenwerking tussen de staten” op de dagorde, maar integendeel de oorlog van allen tegen allen. Alle politieken van samenwerking, die nochtans dienen om gedeeltelijke allianties te vormen om beter op te kunnen tegen de andere concurrenten, stuiten voortdurend op de versterking van die innerlijke middelpuntvliedende krachten. De toenemende stuiptrekkingen die de EEG verscheuren, en waarvan het recente uiteenspatten van het Europees muntstelsel een van de meest spectaculaire uitdrukkingen was, getuigen daarvan. Hetzelfde geldt voor de spanningen binnen het vrijhandelsverdrag van de Verenigde Staten met Canada en Mexico, of voor de doodgeboren pogingen tot een gemeenschappelijke markt in zuidelijk Latijns-Amerika of van de landen van het ‘Andespakt’.
Het protectionisme is zich blijven ontwikkelen in de loop van de jaren 1980. Ondanks de praat over “vrij verkeer van goederen”, dat principe dat het westers kapitalisme zo rondgebazuind heeft als concretisering van de (burgerlijke) ‘mensenrechten’, zijn er voortdurend meer hinderpalen voor de wereldhandel bijgekomen (13). De genadeloze oorlog waarin de handels-
mogendheden tegenover elkaar staan, en waarvan de GATT ‘onderhandelingen’ maar een zeer klein deeltje zijn, heeft niet de neiging te verzachten maar wel te verscherpen. De versterking van de tendensen tot staatskapitalisme, gestimuleerd door het beleid van ‘grote werken’, zullen die enkel nog toespitsen.
De regeringen kunnen natuurlijk nooit werkeloos blijven toezien bij de rampzalige toestand van hun economie. Zolang het proletariaat er niet in slaagt de politieke macht van de wereldbourgeoisie definitief te vernietigen, zal die op een of andere manier de kapitalistische uitbuitingsmachine blijven beheren, hoezeer die ook in verval en ontbinding mag zijn.
De uitbuitende klassen plegen geen zelfmoord. Maar de ‘oplossingen’ die ze kunnen vinden hebben altijd twee hoofdkenmerken. Het eerste is dat ze altijd hun toevlucht nemen tot meer optreden van de staat, van de georganiseerde macht van de heersende klasse, de enige die in staat is met geweld het voortbestaan te garanderen van mechanismen die spontaan neigen tot verlamming en zelfvernietiging. Dat is het ‘meer staat’ van vandaag. Het tweede kenmerk is dat er in die ‘oplossingen’ als maar meer absurditeiten en afwijkingen zitten. Zo zien we vandaag dat de verschillende frakties van het wereldkapitaal, gegroepeerd rond hun achtereenvolgende staten, in de GATT-onderhandelingen met elkaar in de clinch gaan om uit te maken hoeveel miljoen hectaren landbouwgrond braak moet blijven liggen in Europa (de ‘oplossing’ van het ‘overproductieprobleem’ in de landbouw), terwijl tegelijkertijd op alle televisieschermen ter wereld, omwille van de oorlogspropaganda, één van de talloze hongersnoden in Afrika, namelijk die in Somalië, breed wordt uitgesmeerd.
Tientallen jaren lang hebben de stalinistische en ‘socialistische’ ideologieën er bij de arbeiders de leugen ingehamerd dat verstaatsing van de economie gelijkstaat met verbetering van de bestaansvoorwaarden van de arbeiders. Maar in een kapitalistische maatschappij kan de staat enkel de staat van het kapitaal zijn, de staat van de kapitalisten (of dit nu rijke eigenaars of dikke bureaucraten zijn). De onstuitbare versterking van de staat die ons aangekondigd wordt zal de arbeiders niets brengen dan meer ellende, meer onderdrukking, meer oorlog.

RV

(Eerder verschenen in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 72, 1e kwartaal 1993)


Noten

 

(1) In december 1991 was in nr. 50 van de Economische vooruitzichten van de OESO te lezen: “Elk land zou zijn vraag moeten zien toenemen, temeer daar er in de andere landen min of meer tegelijkertijd een vergelijkbare expansie zal optreden: een heropleving van de wereldhandel is in zicht [...]. De versnelling van de activiteit zou zich moeten voordoen in het voorjaar van het jaar 1992 [...]. Die evolutie zal geleidelijk aan een toename van de werkgelegenheid en een heropleving van de investeringen van de bedrijven meebrengen...”. We moeten opmerken dat diezelfde deskundigen op hetzelfde moment al moesten vaststellen dat “De groei van de activiteit in de zone van de OESO in het tweede semester van 1991 zwakker lijkt dan wat de Economische vooruitzichten van juli voorzagen...”.
(2) De weinige tekenen van heropleving die zich totnutoe voorgedaan hebben in de Verenigde Staten zijn erg kwetsbaar en lijken meer op een tijdelijke vertraging in de val, gevolg van de wanhopige pogingen van Bush tijdens de verkiezingsperiode, dan op de aankondiging van een echte omkering van de tendens.
(3) De technische definitie van de intrede van een recessie (volgens Amerikaanse criteria) is twee opeenvolgende trimesters van negatieve groei van het BIP (bruto intern product, dat wil zeggen het totaal van de productie, de lonen van de staatsbureaucratie inbegrepen die verondersteld wordt het equivalent van haar loon te produceren). Gedurende het tweede en derde trimester van 1992 daalde het Japans BIP met 0,2 en 0,4%. Maar over dezelfde periode bedroeg de daling van de industriële productie ten opzichte van het vorig jaar meer dan 6%.
(4) We komen hier niet terug op de evolutie van de toestand in de landen van de ‘derde wereld’ waarvan de economieën sinds het begin van de jaren 80 voortdurend blijven ineenzakken. Maar het is interessant enkele elementen te geven over de evolutie van de landen die voorheen ‘kommunistisch’ genoemd werden, landen wier toegang tot de ‘markteconomie’ voorspoed had moeten brengen en veranderen in rijke markten voor de westerse economieën. De ontwrichting van de voormalige Sovjet-Unie werd begeleid door een economische catastrofe zonder voorgaande in de geschiedenis. Eind 1992 bereikte het aantal werklozen er al 10 miljoen en de inflatie neemt er toe met een jaarritme van 14.000%, een cijfer dat geen commentaar behoeft. De economie van alle landen van Oost-Europa is in recessie, en die van het verst gevorderde onder hen, Hongarije, dat als eerste begonnen was met de ‘kapitalistische hervormingen’ en gemakkelijker zou moeten kunnen genieten van de deugden van het liberalisme, wordt geteisterd door een vernietigende golf faillissementen. De werkloosheid bereikt er officieel 11% en men verwacht dat die in het komende jaar zal verdubbelen. Wat het laatste bastion van het zogenaamde ‘reële socialisme’ betreft, Cuba, daar bedraagt de jaarproductie in 1992 nog de helft van die in 1989! Alleen China vormt nog een uitzondering: vertrekkend van een bijzonder laag niveau (de industriële productie van de Volksrepubliek ligt amper hoger dan die van België), bereikt de groei er nu betrekkelijke hoge cijfers, die de expansie aangeven van de zones die ‘openstaan voor de kapitalistische economie’ waar de massa kredieten die Japan er in pompt opgebrand wordt. Ook de uitzonderlijke groei in de vier kleine draken van ‘kapitalistisch’ Azië (Zuid-Korea, Taiwan, Hong-Kong en Singapore) begint op zijn beurt af te nemen.
(5) Zie vooral Een recessie niet zoals de anderen en Catastrofe in het hart van de geïndustrialiseerde wereld, in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 70 en 71.
(6) De totale schuld van de Amerikaanse economie (regering, bedrijven en particulieren samen) stemt overeen met bijna twee jaar nationale productie.
(7) In concrete termen wil de ontwikkeling van de openbare schuld, fenomeen dat bijzonder kenmerkend is voor dit decennium, zeggen dat de staat de verantwoordelijkheid voor zijn rekening neemt een regelmatig inkomen te leveren, een deel van de maatschappelijke meerwaarde, onder de vorm van interesten op een groeiende hoeveelheid kapitaal die onder de vorm van ‘staats-obligaties’ geïnvesteerd wordt. Dat wil zeggen dat de kapitalisten hun inkomsten meer en meer halen uit de belastingen die door de staat geheven worden, en niet meer uit het resultaat van de uitbating van ondernemingen die hen toebehoren. We moeten opmerken dat voor de EEG het bedrag van de openbare schuld in percentage van het BIP groter is dan van de Verenigde Staten (62%).
(8) Zelfs als we het puur kwantitatief bekijken, als we het gewicht van de staat in de economie meten aan het percentage dat de uitgaven van de overheidsadministratie vertegenwoordigen in het bruto binnenlands product, is dat vandaag nog hoger dan in het begin van de jaren 1980. Toen Reagan verkozen werd, bedroeg dat cijfer zo’n 32%, nu Bush president af is, overschrijdt het de 37%.
(9) Het bankroet van de Amerikaanse banken en spaarbanken, de problemen van de Japanse banken, de ineenstorting van de beurs van Tokio (al even zwaar als de krach van 1929), het failliet van een groeiend aantal bedrijven die zich bezighouden met het beheer van kapitalen op de beurs enz. zijn de eerste rechtstreekse tekenen van die kater na de speculatieve zotternij. Alleen de staten kunnen het hoofd bieden aan de financiële rampen die er het gevolg van zijn.
(10) De Verenigde Staten, Japan, Duitsland, Frankrijk, Italië, Groot-Brittannië en Canada.
(11) Bovendien heeft de regering er zich daar op toegelegd het staatstekort te financieren door haar toevlucht te nemen tot internationale leningen, terwijl ze zich inspande om de inflatie onder controle te houden door de (hoewel steeds minder doeltreffende) beperking van de uitbreiding van de geldmassa en het aanhouden van zeer hoge interestvoeten.
(12) In landen zoals Italië, Spanje of België heeft de schuldenlast van de staat zo’n peil bereikt (meer dan 100% van het BIP voor Italië, 120% voor België) dat zo’n beleid gewoonweg ondenkbaar is.
(13) Die hinderpalen voor de handel nemen niet zozeer de vorm aan van douanetarieven dan wel van regelrechte beperkingen: invoerquota, akkoorden inzake zelfbeperking, ‘anti-dumping’ wetgeving, reglementering van de kwaliteit van de producten, enzovoort. “Het gedeelte van de handel dat aanleiding geeft tot niet-tarifaire maatregelen is sterk toegenomen, zowel in de Verenigde Staten als in de Europese gemeenschap, die samen bijna 75 % vertegenwoordigen van de invoer in de OESO-zone (brandstoffen uitgezonderd).” (OESO, Vooruitgang van de structurele hervorming: een overzicht, 1992).

Internationale situatie: Een ommekeer in de situatie

Van Somalië tot Angola, van Venezuela tot Joegoslavië, van hongersnoden tot moordpartijen, van staatsgrepen tot ‘burgeroorlogen’: de draaikolk van de versnelde ontbinding van alle radertjes van de kapitalistische maatschappij brengt voortdurend nieuwe ravage voort. Overal ontbreken de beloofde voorspoed en vrijheid op het appel. Maar bovendien zaait het kapitalisme overal dood en vernieling, het ontketent militarisme, stort het de massa van de overgrote meerderheid van de wereldbevolking in teloorgang, ellende en dood, en voert het massale aanvallen uit op de levensvoorwaarden van het proletariaat in de grote stedelijke en industriecentra.

Chaos, leugens en imperialistische oorlog

Ook de vurigste verdedigers van de bestaande orde zijn meer en meer gedwongen toe te geven dat de ‘nieuwe wereldorde’ niets anders is dan algemene chaos. Beter nog: omdat ze de aftakeling in alle landen van alle aspecten van het politieke, economische en sociale leven net meer kunnen verbergen, wedijveren kranten, radio, tv en woordvoerders van de heersende klasse er nu in die realiteit te ‘onthullen’. Politieke schandalen, etnische volkerenmoord, deportaties, repressie en razzia’s, pogroms en rampen van allerlei aard, epidemieën en hongersnood, alles is er bij. Maar die al te werkelijke gebeurtenissen worden niet uitgelegd voor wat ze zijn, nl. gevolgen van de wereldcrisis van het kapitalisme (1), nee, ze worden telkens voorgesteld als een soort van fataliteit.
Wanneer ze de honger toont in Somali, de moordpartijen van de ‘etnische zuivering’ in Joegoslavië, de deportatie en de lijdensweg van de bevolking in de zuidelijke republieken van de voormalige USSR, of de politieke koehandel, geeft de propaganda de bestaande verrotting weer. Maar ze doet dat zonder enig verband te leggen tussen die fenomenen, om er zo een gevoel van machteloosheid mee op te wekken en de bewustwording te verhinderen dat het de kapitalistische productiewijze in haar geheel is die verantwoordelijk is voor die toestand, tot in de meest verrotte aspecten ervan, en dat de bourgeoisieën van de grote kapitalistische landen de grootste schuld dragen.
De ontbinding is het resultaat van het vastlopen van alle raderen van de maatschappij: een algemene crisis van de wereldeconomie, die meer dan 25 jaar geleden begon, en het ontbreken van enig vooruitzicht om uit die crisis te geraken. En de grootmachten die bij het einde van het stalinisme beweerden dat een ‘periode van vrede en voorspoed’ begon, worden meegesleurd in een ongebreideld ieder-voor-zich dat die sociale ontwrichting onderhoudt en nog versterkt, zowel op binnenlands als op internationaal vlak.
Op het vlak van de binnenlandse situatie in de industrielanden doen de nationale bourgeoisieën hun best om de uitingen van de ontbinding in te perken en ze tegelijk te gebruiken om het staatsgezag te versterken (2). Dat heeft de Amerikaanse bourgeoisie gedaan tijdens de rellen in de lente 1992 in Los Angeles, waarbij ze zich zelfs kon veroorloven het moment waarop ze uitbraken en de omvang ervan te bepalen (3). Dat heeft de Duitse bourgeoisie gedaan sinds de herfst met het voeren van een enorme campagne rond de ‘jacht op vreemdelingen’. Ze controleert de gebeurtenissen, lokt ze soms zelfs onderhands uit, om de versterking van de ‘immigratiecontrole’ door te drukken, dat wil zeggen haar eigen ‘jacht op vreemdelingen’. Ze probeert de bevolking in het algemeen en de arbeidersklasse in het bijzonder te mobiliseren voor het beleid van de staat, door betogingen te organiseren ter verdediging van de ‘democratie’.
Op internationaal vlak zijn de industrielanden steeds minder ‘bondgenoten’ sinds de discipline is weggevallen in het Westers blok die nodig was tegenover het Russisch imperialistisch blok en ook tengevolge van het verergeren van de crisis die hen treft, in het hart van de wereldeconomie. Ze worden meegesleept in een verbeten confrontatie tussen hun tegengestelde kapitalistische en imperialistische belangen. Ze zijn niet op weg naar ‘vrede’ maar scherpen het militaire spanningen aan.

Somalië: voorspel voor moeilijker interventies

Sinds meer dan anderhalf jaar gooit Duitsland olie op het vuur in Joegoslavië. Door de oprichting van een onafhankelijk Slovenië en Kroatië te steunen verbrak het de status-quo die borg stond voor de Amerikaanse heerschappij over de Middellandse zee. Sinds het uitbreken van het conflict proberen de Verenigde Staten de uitbreiding van een door Duitsland gedomineerde invloedszone te verhinderen. Na hun verholen steun aan Servië, met het saboteren van de ‘Europese initiatieven’ die de US-heerschappij relatief verzwakt zouden hebben, schakelen de Verenigde Staten nu een hogere versnelling in. De Amerikaanse militaire tussenkomst zal geen ‘vrede’ brengen in Somali. Ze zal evenmin leiden tot het afremmen van de hongersnood die onder meer dit land, in een van de meest misdeelde streken ter wereld, teistert. Somali is enkel een oefenterrein voor militaire operaties van grotere omvang die de Verenigde Staten voorbereiden en die in de eerste plaats gericht zijn tegen de grootmachten, in de eerste plaats Duitsland, die in staat zijn hen hun oppergezag op het wereldtoneel te betwisten.
De ‘humanitaire actie’ van de grootmachten is opnieuw enkel een voorwendsel dat dient om “de smerige imperialistische belangen te maskeren die hun tot actie aanzetten en waarvoor ze elkaar verscheuren, [...] om hun eigen verantwoordelijkheid voor de bestaande barbaarsheid met een rookgordijn te verbergen en de nieuwe ontwikkelingen daarvan goed te praten.” (4). De raid van de Amerikaanse strijdkrachten in Somali heeft niets te maken met de ellende, de honger en de bloedbaden die dat land teisteren. Net zo min als de Golfoorlog twee jaar geleden iets te maken had met het lot van de plaatselijke bevolking, wier situatie sinds de eerste ‘zege’ van de ‘nieuwe wereldorde’ er alleen maar erger op geworden is.
De ‘coalitie’ onder Amerikaanse knoet tijdens de Golfoorlog had de concurrenten tot de orde geroepen. Die is echter de laatste twee jaar weer uiteengevallen en de Verenigde Staten hebben moeite om hun ‘wereldorde’ in stand te houden. Die ontaardt meer en meer in een kakofonie. Opgejaagd door de ademnood en het failliet van hele delen van haar economie heeft de Amerikaanse bourgeoisie een nieuw grootscheeps offensief nodig die haar militair overwicht te bewijst om verder haar dictaten te kunnen opleggen aan haar voormalige ‘bondgenoten’.
De eerste fase van dit offensief bestaat erin klappen toe te brengen aan de aanspraken van het frans imperialisme door de operaties in Somali onder uitsluitend Amerikaanse controle te plaatsen. De Franse strijdkrachten van Djibuti krijgen de rol toebedeeld van kleine, ondoeltreffende figurant zonder reële rol in Mogadisju. Maar die eerste fase is pas de eerste voorbereidingsronde naast de noodzaak van een interventie in voormalig Joegoslavië, in Bosnië, die massaal zal moeten zijn wil ze doeltreffend zijn zoals de chefs van de generale staf van het Amerikaans leger, met name Colin Powell, één van de bazen van de Golfoorlog (5) sinds de zomer van 1992 verklaard hebben. De Hoorn van Afrika is door zijn geografische positie dan wel een strategische zone van aanzienlijk belang, maar de omvang van de US-operatie (6), de enorme aandacht die ze krijgt in de media dienen vooral om belangrijker operaties te rechtvaardigen en voor te bereiden, in de Balkan, in Europa dat de centrale inzet is van de imperialistische confrontatie, zoals gebleken is in beide wereldoorlogen.
De Verenigde Staten zijn niet van plan Somali te bedekken met een bommentapijt zoals met Irak gebeurde (7), maar ze zullen ook niets doen om de bloedbaden en de honger in het gebied in te dijken. Hun doel is in de eerste plaats proberen een beeld op te hangen van een ‘schone oorlog’, beeld dat ze nodig hebben om voldoende steun van de bevolking te krijgen voor moeilijker, duurder en langduriger interventies. Verder willen ze de franse bourgeoisie, en achter haar de Duitse en de Japanse, waarschuwen dat zij, de Verenigde Staten, van plan zijn hun leiderschap niet uit handen te geven. Lang op voorhand voorbereid, dient ze tenslotte, zoals elke actie ‘om de orde te handhaven’, om de oorlogsvoorbereidingen te versterken, in dit geval de ontplooiing van een Amerikaanse militaire actie in Europa.
Het Frans-Duits bondgenootschap begrijpt dat en eist, met name via Delors, een verhoging van de deelname van troepen uit Europese landen aan de interventie in Joegoslavië. Niet om de vrede te herstellen zoals hij beweert, maar om militair op het terrein aanwezig te zijn tegenover het initiatief van de Verenigde Staten. Van zijn kant stuurt Duitsland, voor het eerst sinds de tweede wereldoorlog, 1.500 man buiten zijn grenzen. Dat is in feite, onder de dekmantel van het ‘aanvoeren van levensmiddelen’ naar Somalië, een eerste stap naar een rechtstreekse deelname aan de conflicten. Het is een boodschap aan de Verenigde Staten over de wil van Duitsland binnenkort militair present te zijn op het slagveld van voormalig Joegoslavië. Het is een nieuwe stap die gezet zal worden in die confrontatie, met name op militair vlak, maar ook inzake het geheel van de aspecten van de kapitalistische politiek. En de verkiezing van Clinton in de Verenigde Staten, al verandert die niets aan de voornaamste keuzes van de strategie van de Amerikaanse bourgeoisie, is een uiting van het keerpunt dat zich voordoet in de internationale situatie.
 

Clinton: een gespierder beleid

In 1991, enkele maanden na de ‘zege’ van ‘woestijnstorm’, en ondanks een daling van zijn populariteit die te maken had met de verergering van de crisis in de Verenigde Staten, kon Bush vooruitzien op een probleemloze herverkiezing. Clinton heeft het tenslotte gehaald omdat hij beetje bij beetje de steun gekregen heeft van belangrijke frakties van de Amerikaanse bourgeoisie. Dat bleek onder meer uit de steun van invloedrijke persorganen, en daarna uit de welbewuste sabotage van Bush’ campagne door de kandidatuur van Perot. Die werd een tweede keer in het strijdperk gebracht om rechtstreeks tegen Bush op te komen. Met het onthullen van het ‘Irakgate’ schandaal (8) en het beschuldigen van Bush, voor het oog van tientallen miljoenen tv-kijkers, omdat hij Irak zou aangemoedigd hebben Koeweit binnen te vallen, liet de Amerikaanse bourgeoisie de overwinnaar van ‘woestijnstorm’ weten waar hij naar toe ging: de deur uit. De betrekkelijke brede marge waarmee Clinton van Bush won toonde dat de wil te veranderen ruim in de meerderheid was binnen de amerikaanse bourgeoisie.
Het was in de eerste plaats omwille van de omvang van de economische catastrofe dat de meerderheid van de Amerikaanse bourgeoisie zich na enkele aarzelingen uitsprak voor het opbergen van haar ideologische façade, van een liberalisme dat machteloos gebleken was om de economische afgang te stuiten, en dat daarvoor zelfs verantwoordelijk geacht werd. Met de open recessie sinds 1991 was de bourgeoisie gedwongen het failliet uit te spreken van dat onaangepast ultra-liberalisme om een toenemende interventie van de staat te kunnen rechtvaardigen die nodig geworden was om de resten van het productief en financieel apparaat te redden dat aan alle kanten lekken vertoonde. Zij schaarde zich in grote meerderheid achter de praat van Clinton over de noodzaak van ‘meer staat’ omdat die beter overeenstemde met de realiteit van de toestand dan die van Bush, die in het verlengde bleef van de ‘reaganomics’ (9).
In de tweede plaats lukte de Bush-administratie er niet in het initiatief van de Verenigde Staten te behouden in de wereldarena. Tijdens de Golfoorlog kon ze nog de eensgezindheid bereiken van de Amerikaanse bourgeoisie rond de onbetwiste rol van militaire wereldsupermacht die de Verenigde Staten speelden in het voorspel tot en bij het voeren van die oorlog. Maar daarna raakte ze in ademnood en vond de middelen niet meer voor een even spectaculaire en doeltreffende interventie om zich op te dringen aan de potentiële rivalen van de Verenigde Staten.
In Joegoslavië, waar de Verenigde Staten vanaf de zomer van 1992 een interventie van de luchtmacht overwogen in Bosnië, staken de Europeanen stokken in de wielen. Met de ‘verrassingsreis’ van Mitterrand naar Sarajevo kon met name de Amerikaanse ‘humanitaire’ campagne die bombardementen op dat moment voorbereidde de pas afgesneden worden. Bovendien maakt de warboel van gewapende frakties en de geografische ingewikkeldheid elke militaire operatie veel gevaarlijker. Ze vermindert met name de doeltreffendheid van de luchtmacht, de voornaamste troef van het Amerikaans leger. De Bush-administratie heeft de nodige middelen niet kunnen ontplooien. Als toen het tot een nieuw actie kwam in Irak, met het neutraliseren van een deel van het luchtruim van dat land, gaf dat toch niet de gelegenheid voor nieuw machtsvertoon omdat Saddam Hoessein dit keer niet op de provocatie inging.
Door de verkiezingen te verliezen kan Bush ook dienen als zondebok voor de tegenvallers in het beleid van de Verenigde Staten, zowel inzake de alarmerende economische balans als de middelmatige balans inzake het militair leiderschap op wereldvlak. Door zich als verantwoordelijke te laten aanduiden, levert hij een laatste dienst, omdat zo verborgen kan worden dat geen ander beleid mogelijk was en dat het systeem zelf definitief verziekt is. Voor een bourgeoisie die te maken heeft met een ‘publieke opinie’ die ontgoocheld is door de rampzalige economische en sociale resultaten van de jaren 1980 en die meer dan sceptisch staat tegenover de ‘nieuwe wereldorde’, betekent de aflossing door Clinton na twaalf jaar republikeins bewind bovendien een dosis verse zuurstof voor de geloofwaardigheid van de Amerikaanse ‘democratie’.
De bourgeoisie kan er verder volledig op betrouwen dat de Democratische Partij de toename van de militaire interventies zal aankunnen. Die heeft daar een nog degelijker ervaring mee dan de Republikeinen, want zij regeerde het land voor en tijdens de wereldoorlog, zij ontketende en voerde de oorlog in Vietnam en zwengelde onder Carter eind jaren 1970 de bewapeningspolitiek opnieuw aan.
Met Clinton probeert de Amerikaanse bourgeoisie een keerpunt te bewerkstelligen, in de eerste plaats tegenover de economische crisis, en ook om te proberen op imperialistisch terrein haar leiderschap over de wereld te behouden tegenover de tendens tot vorming van een rivaliserend blok, aangevoerd door Duitsland.

Het falen van ‘Europa 1993’

Voor de ineenstorting van het Oostblok waren de verschillende akkoorden en instellingen die een zekere mate van eenheid verzekerden tussen de verschillende landen van Europa duurzaam omdat er, onder de Amerikaanse ‘paraplu’, een gemeenschappelijk belang van die landen bestond tegenover de dreiging die uitging van het Russisch imperialistisch blok. Met het wegvallen van die dreiging heeft de ‘Europese eenheid’ haar bindende kracht verloren en het fameuze ‘Europa van 1993’ is aan het verkommeren.
In plaats van de ‘economische en monetaire unie’ waarin het ‘verdrag van Maastricht’ een beslissende etappe moest zijn, en die eerst alle landen van de ‘Europese economische gemeenschap’ moest groeperen, om daarna nog andere landen te integreren, zien we een ‘Europa met twee snelheden’ ontstaan. Aan de ene kant is er het verbond tussen Duitsland en Frankrijk, waartoe ook Spanje, België en deels Italië overhellen, dat aandringt op het nemen van maatregelen om het hoofd te bieden aan de Amerikaanse en Japanse concurrentie en dat zich op militair vlak probeert te onttrekken aan de Amerikaanse voogdij (10). Aan de andere kant staan de andere landen, met Groot-Brittannië op kop, en ook Nederland, die zich verzetten tegen die sterke opkomst van Duitsland in Europa en die vasthouden aan het verbond met de Verenigde Staten. Zij zijn vastbesloten zich met alle middelen te verzetten tegen de opkomst van een rivaliserend blok.
Uit de Europese topconferenties, de ratificering door de parlementen en de referenda blijkt geen grotere eenheid en harmonie tussen de nationale bourgeoisieën van de verschillende landen van Europa. De noodzaak te kiezen tussen het verbond met de Verenigde Staten, die de eerste wereldmacht blijven, of met hun uitdager, Duitsland, leidt tot als maar heviger ruzies, tegen de achtergrond van een economische crisis zonder voorgaande en een maatschappelijke ontbinding waarvan de rampzalige gevolgen zich in het hart van de ontwikkelde landen beginnen te doen voelen. In die ruzie proberen ze de schijn op te houden van een debat tussen ‘democratieën’ die tot een ‘dialoog’ willen komen om een ‘terrein van overeenstemming’ te vinden. Maar de moordende oorlog in voormalig Joegoslavië, aangewakkerd door de botsing tussen de grootmachten achter de rivaliteit tussen de nieuwe ‘onafhankelijke’ staten (11), levert er een eerste bewijs van dat de ‘eenheid’ van de ‘grote democratieën’ een leugen is en toont de onmenselijkheid waartoe zij in staat zijn om hun imperialistische belangen te verdedigen (12). Niet alleen woedt de oorlog voort in Bosnië, maar hij dreigt ook uit te breiden naar Kosovo en Macedonië waar de bevolking dan op haar beurt zou meegesleurd worden in de draaikolk van die barbaarsheid.
Europa, plaats waar de rivaliteit tussen de voornaamste mogendheden samenvloeit, bekleedt natuurlijk een centrale plaats in de tendens tot vorming van een Duits blok, en voormalig Joegoslavië is er het Europees militair ‘laboratorium’ van. Maar heel de planeet is het theater van de spanningen tussen de nieuwe imperialistische polen, spanningen die bijdragen tot het aanwakkeren van de gewapende conflicten in de ‘derde wereld’ en in het voormalig ‘sovjet’-blok.

De toename van ‘lokale conflicten’

Met de ineenstorting van de oude ‘wereldorde’ hebben de oude lokale conflicten niet opgehouden te bestaan. Dat bewijst bv. de situatie in Afghanistan of in Koerdistan. Maar bovendien ontstaan nieuwe conflicten, nieuwe ‘burgeroorlogen’ tussen lokale fracties van de bourgeoisie die voordien gedwongen werden samen te werken voor eenzelfde nationaal belang. Het ontstaan van nieuwe spanningshaarden blijft echter nooit een strikt lokale situatie. Elk conflict wekt onmiddellijk de hebzucht op van frakties van de bourgeoisie in de buurlanden, en, in naam van etnische tegenstellingen, grensgeschillen, religieuze ruzies, het ‘gevaar van wanorde’ of welk voorwendsel dan ook, worden allen, van de kleinste lokale potentaat tot de grootmachten meegetrokken in de spiraal van de gewapende confrontatie. Eender welke ‘lokale’ of ‘burgeroorlog’ mondt onvermijdelijk uit op een confrontatie tussen de imperialistische mogendheden.
De spanningen zijn in het begin niet noodzakelijk verbonden met de belangen van die kapitalistische mogendheden. Maar door de opeenvolging van stappen in de ‘logica’ van de kapitalistische oorlog draait het er steeds op uit dat ze er zich mee moeien, al was het maar om te verhinderen dat hun concurrenten het doen en dat die punten zouden scoren die van tel zouden zijn in de algemene krachtsverhouding.
Zo komen de Verenigde Staten tussen – of volgen ze op de voet – de ‘lokale’ situaties die hun belangen kunnen dienen tegenover hun potentiële rivalen. In Afrika, in Liberia, is de oorlog tussen rivaliserende bendes vandaag uitgegroeid tot de speerpunt van het Amerikaans offensief om Frankrijk te verjagen uit zijn ‘achtertuin’ in Mauretanië, Senegal en Ivoorkust. In Zuid-Amerika hebben de Verenigde Staten een welwillende neutraliteit behouden tijdens de staatsgreep in Venezuela die tot doel had Carlos Andres Perez omver te werpen, een vriend van Mitterrand en wijlen Willy Brandt, lid van de Socialistische Internationale, en voorstander van het behoud van de invloed van Frankrijk, Spanje, en ook van Duitsland. In Azië schenken de Verenigde Staten bijzondere aandacht aan de pro-Chinese politiek van de rode Khmers, omdat ze hopen China in hun invloedssfeer te houden, liever dan te zien dat het Japan in de kaart speelt.
De grootmachten worden er eveneens toe gebracht zich te mengen in de confrontaties tussen regionale sub-imperialismes die door hun geografische ligging, hun omvang of hun atoombewapening zwaar doorwegen op de imperialistische krachtsverhouding op wereldvlak. Dat is het geval met het Indisch subcontinent, waar een rampzalige toestand heerst die in elk land allerlei rivaliteiten opwekt tussen frakties van de bourgeoisie, zoals blijkt uit de recente slachting van ‘moslims’ in India. Die rivaliteiten worden op de spits gedreven door de confrontatie tussen India en Pakistan, waarbij Pakistan de ‘moslims’ in India steunt, terwijl India de revolte in Kasjmir aanwakkert tegen de Pakistaanse regering. Het in vraag stellen van de oude internationale bondgenootschappen van India met de Sovjet-Unie en Pakistan met China en de Verenigde Staten, brengt die laatsten ertoe de conflicten niet te kalmeren, maar juist het risico te nemen van ze te doen ontvlammen.
De grootmachten worden ook aangetrokken door nieuwe conflicten die ze in ‘t begin noch gewenst, noch aangestookt hebben. In de landen van het voormalig Oostblok, en vooral op het grondgebied van de voormalige Sovjet-Unie, nemen de spanningen tussen de republieken voortdurend toe. Elke republiek heeft af te rekenen met nationale minderheden die hun ‘onafhankelijkheid’ uitroepen, milities vormen, en openlijk of onderhands gesteund worden door andere republieken: de Armeniërs in Azerbeidzjan, de Tsjetsjenen in Rusland, de Russen in Moldavië en Oekraïne, de fracties in de ‘burgeroorlog’ in Georgië, enz. Het zint de grootmachten niet zich te mengen in het moeras van die lokale conflicten, maar het feit dat tweederangsmogendheden zoals Turkije, Iran en Pakistan azen op delen van de oude Sovjet-Unie, of het feit dat Rusland zelf meer en meer verscheurd wordt door felle strijd tussen ‘conservatieven’ en ‘hervormers’, opent de weg op een verbreding van de conflicten.
Op de ontbinding die de tegenstellingen aanscherpt en die rivaliteit en conflicten opwekt, kunnen de frakties van de bourgeoisie, van de kleinste tot de machtigste, enkel antwoorden met militarisme en oorlogen.

Oorlog en crisis

De kapitalistische regimes van het stalinistisch type, die voortkwamen uit de contra-revolutie in de jaren 1920-1930 in Rusland en die een starre en totaal gemilitariseerde vorm van staatskapitalisme invoerden, zijn ineengestort. De bureaucraten van gisteren beschilderen hun nationalisme van altijd met een laagje ‘onafhankelijkheid’ en ‘democratie’, maar ze hebben, vandaag evenmin als gisteren, iets anders te bieden dan corruptie, gangsterisme en oorlog.
Het is nu de beurt aan de kapitalistische regimes van het westers type, die beweerden het bewijs geleverd te hebben van hun economische superioriteit, van de ‘zege van het kapitalisme’, om meegesleurd te worden in de ineenstorting van het systeem: ongeziene vertraging van hun economie, drastische afslanking van hun winsten, werkloosheid voor tientallen miljoenen arbeiders en bedienden, onophoudelijk voortwoekerende aftakeling van de arbeidsomstandigheden, de behuizing, het onderwijs, de gezondheidszorg en de veiligheid.
Maar in die landen, in tegenstelling tot die van de ‘derde wereld’ en van het voormalig Oostblok, is het proletariaat niet bereid zonder verpinken de dramatische gevolgen te ondergaan die deze ineenstorting heeft voor hun levensvoorwaarden. Dat bleek in de herfst van 1992 al bij de formidabele woede-uitbarsting van de arbeidersklasse in Italië.

Naar een heropleving van de strijd van de arbeidersklasse

Na drie jaar van passiviteit vormden de betogingen, werkonderbrekingen en stakingen van honderdduizenden arbeiders en bedienden in Italië in de herfst van 1992 het eerste teken van een verandering van aanzienlijk belang. De arbeidersklasse reageerde tegen de meest brutale aanvallen sedert de tweede wereldoorlog. Over alle sektoren en streken heen heeft ze er gedurende enkele weken aan herinnerd dat de economische crisis alle arbeiders op dezelfde manier behandelt door overal haar levensvoorwaarden aan te vallen, maar vooral dat zij, allen samen, over alle verdelingen heen die het kapitalisme hen opdringt, een sociale kracht zijn die zich kan verzetten tegen de gevolgen van die crisis.
De initiatieven die de arbeiders in de stakingen namen, hun massale deelname aan de protestbetogingen tegen het soberheidsplan van de regering, en de bronca, het protest tegen de officiële vakbonden die dat plan steunden, hebben bewezen dat het proletariaat zijn vermogen om zich te verzetten nog volop behouden heeft. Ook als de bourgeoisie het initiatief in handen heeft weten te houden en ook als de massabeweging van het begin nadien afgebrokkeld is, blijft van deze eerste belangrijke strijd van het proletariaat sinds 1989 in de industrielanden één feit overeind: de terugkeer van de strijdbaarheid van de arbeiders.
De gebeurtenissen in Italië geven zo een nieuwe etappe aan opdat de arbeidersklasse, door de strijd weer op te nemen op een terrein dat gemeenschappelijk is voor allen, het verzet tegen de crisis, weer vertrouwen zou krijgen in haar vermogen de aanvallen van het kapitalisme te beantwoorden en een nieuw vooruitzicht te openen.
De black-out van de informatie over de gebeurtenissen in Italië, tegenover de publiciteit die de ‘staking van de staalarbeiders’, de ‘staking in de vervoersector’ en de ‘staking in de openbare diensten’ kregen tijdens de grote vakbondsmaneuvers in de lente van 1992 in Duitsland (13), is een aanwijzing dat het in de beweging in Italië inderdaad om een opkomst van de arbeiders gaat. Toen de Duitse bourgeoisie er vorig jaar in slaagde elk initiatief van de arbeiders te verstikken, werd haar operatie breed uitgesmeerd in de media van de internationale bourgeoisie. In de herfst van 1992 kreeg de Italiaanse bourgeoisie, via die black-out op het nieuws, de steun van de internationale bourgeoisie, die de reactie van de arbeiders tegen de soberheidsmaatregelen – die de Italiaanse staat niet meer kon verwachtte en vreesde.
Maar die beweging is enkel een eerste stap naar het weer opleven van de internationale klassenstrijd. Italië is het land waar het proletariaat de grootste ervaring van heel de wereld heeft inzake arbeidersstrijd en het grootste wantrouwen tegenover de vakbonden. In andere Europese landen is dat nog helemaal niet het geval. Op dat vlak zullen de arbeidersreacties elders in Europa, of in de Verenigde Staten, niet onmiddellijk even radicaal en massaal zijn als in Italië.
Ook in Italië is de beweging trouwens al gauw op haar beperkingen gestuit. Enerzijds heeft het massaal verwerpen van de grote vakbonden door de arbeiders in deze beweging getoond dat, ondanks de breuk van drie jaar, de langdurige ervaring van de arbeidersklasse van confrontaties met de vakbondsideologie niet verloren gegaan is. Maar anderzijds verwachtte de bourgeoisie zich aan die verwerping. Zij heeft ze gebruikt om de arbeiderswoede toe te spitsen op spectaculaire acties tegen de vakbondsleiders, ten koste van een breder verzet tegen de maatregelen en tegen het staatsapparaat in zijn geheel, alle aanhangsels van de vakbonden inbegrepen.
In plaats dat de arbeiders de strijd collectief in handen namen in algemene vergaderingen waar zij kunnen beslissen over de doeleinden en de middelen van hun acties, hebben ‘radicale’ organismen van basissyndicalistische aard het botvieren van de ontevredenheid georganiseerd. Door bouten en stenen te gooien naar de vakbondsleiders hebben ze de valstrik in stand gehouden van de valse tegenstelling tussen basissyndicalisme en officiële vakbonden, hebben ze verwarring gezaaid en de massale mobilisatie en de eenheid gebroken die nodig zijn om doeltreffend verzet te ontwikkelen tegen de aanvallen vanwege de staat.
De arbeidersstrijd in Italië geeft dus een heropleving aan van de strijdbaarheid met moeilijkheden waarmee de arbeidersklasse overal zal af te rekenen krijgen, met op de eerste plaats de vakbonds-ideologie, officieel of van de ‘basis’, en het corporatisme, de beroepsgebondenheid.
De atmosfeer van ontreddering en verwarring die in de arbeidersklasse verspreid werd door de ideologische kampagnes over het ‘failliet van het kommunisme’, het einde van het marxisme en van de klassenstrijd, weegt nog door, en de strijdbaarheid is enkel de eerste voorwaarde om met die atmosfeer te breken. De arbeidersklasse moet er zich ook van bewust worden dat haar strijd inhoudt dat ze alles in vraag stelt, dat ze de confrontatie moet aangaan met het kapitalisme als wereldsysteem dat de planeet beheerst, een systeem in crisis dat ellende, oorlog en vernietiging in zich draagt.
Vandaag begint de passiviteit tegenover de beloften van ‘vrede’ van het zegevierend kapitalisme af te brokkelen. ‘Woestijnstorm’ heeft ertoe bijgedragen de leugen van die ‘vrede’ te ontmaskeren.
De deelname aan oorlogen van de legers van de grote ‘democratische’ landen, zoals in Somalië en voormalig Joegoslavië, is minder makkelijk te ontmaskeren. Zij beweren tussen te komen om de ‘bevolking te beschermen’, om ‘voedsel aan te voeren’. Maar dat het aanvallen regent op de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse schept een atmosfeer waarin het ‘humanitair’ alibi voor het zenden van troepen, overladen met de duurste, meest gesofistikeerde en moorddadigste wapens, ertoe zal bijdragen om die ‘humanitaire’ leugen te doorzien, te begrijpen dat de ‘democratische’ legers hetzelfde ‘vuile werk’ doen als al die bendes, milities en legers van diverse soorten en horizonten die zij zeggen te bestrijden.
Wat de belofte van ‘voorspoed’ betreft, zijn de catastrofe en de ongeziene verergering van de economische crisis bezig de laatste voorbeelden van landen waar de levensvoorwaarden nog relatief gespaard gebleven waren, zoals in Duitsland, Zweden of Zwitserland, te verscheuren. De massale werkloosheid treft nu sektoren met hooggeschoolde arbeidskrachten, die totnutoe het minst getroffen werden, maar die zich nu met tienduizenden aansluiten bij de tientallen miljoenen werklozen in de regio’s van de wereld waar het proletariaat het talrijkst is en het meest geconcentreerd.
De heropleving van de klassenstrijd in de herfst van 1992 in Italië wijst op een nieuwe opkomst van de strijdbaarheid van de arbeiders. De ontwikkeling van de crisis, met het militarisme dat meer en meer alomtegenwoordig is in het sociaal klimaat van de industrielanden, zal ertoe bijdragen dat de komende belangrijke klassegevechten, die zonder twijfel zullen uitbreken, zullen uitmonden op een ontwikkeling van het bewustzijn in de arbeidersklasse van de noodzaak haar eenheid te versterken en, met de revolutionaire organisaties, zo weer het perspectief te smeden van een waarachtig kommunisme.

(Eerder verschenen in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 72, 1e kwartaal 1992)

Noten

(1) Zie artikel over de economische crisis in deze aflevering.
(2) De bourgeoisie probeert zich te verzetten tegen de ontbinding die haar maatschappelijke orde verstoort. Maar ze is een klasse die compleet niet in staat is de fundamentele oorzaak ervan weg te nemen omdat haar eigen systeem van uitbuiting en winst eraan ten grondslag ligt. Ze kan niet de tak afzagen waarop ze zelf zit.
(3) Zie Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 71, 4e kwartaal 1991.
(4) Zie Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 71, 4e kwartaal 1991. Ofwel, zoals het Franse Libération van 9 december 1992 schrijft: “Zo heeft een zeer hoge verantwoordelijke van de missie van de Verenigde Naties in Somalië die anoniem wenst te blijven, gisteren de kern van zijn gedachten verwoord: ‘De Amerikaanse interventie stinkt naar arrogantie. Er is met niemand overleg gepleegd. Die ontscheping is al geruime tijd voorbereid, het humanitaire dient enkel als alibi. In feite testen ze hier, zoals anderen een serum uitproberen op dieren, hun doctrine uit voor het oplossen van toekomstige lokale conflicten. Maar zoals ze zelf toegeven kost deze operatie vier- tot zeshonderd miljoen dollar in haar eerste fase. Met de helft van die som kan ik zonder één soldaat de gezonde stabiliteit herstellen in Somalië.”
(5) Colin Powell verklaarde in september 1992 dat hij tegen de interventie in Joegoslavië was.
(6) Volgens bronnen uit de omgeving van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties was er voor de interventie om voedsel te brengen 5.000 man nodig. De Verenigde Staten stuurden er 50.000...
(7) Door de bombardementen vielen bijna 500.000 doden en gewonden.
(8) Dit schandaal, zo genoemd naar analogie met het ‘Watergate’ schandaal dat Nixon ten val bracht en met ‘Irangate’ dat Reagan aan het wankelen bracht, onthulde onder andere de omvang van de financiële hulp die de Verenigde Staten via een Italiaanse bank aan Irak gaven in het jaar voorafgaand aan de Golfoorlog. Irak gebruikte die hulp om zijn onderzoek en infrastructuur te ontwikkelen om over het atoomwapen te kunnen beschikken...
(9) Zie artikel over de economische crisis in deze aflevering.
(10) Zoals de oprichting van een Frans-Duits legerkorps en ook het plan om een gezamenlijk Italiaans-Frans-Spaans luchtvaartmacht van de marine te vormen.
(11) Zie Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 70 en 71 over de oorlog in Joegoslavië en de verantwoordelijkheid van de grootmachten.
(12) Wat de economische akkoorden aangaat, die zijn geenszins het bewijs van een werkelijke samenwerking of van overeenstemming tussen nationale bourgeoisieën, net zo min als de economische concurrentie automatisch politieke en militaire meningsverschillen meebrengt. Vóór de ineenstorting van het Oostblok waren de Verenigde Staten en Duitsland zeer zware concurrenten op economisch vlak, maar dat belette niet dat ze totaal verbonden waren op politiek en militair terrein. De Sovjet-Unie was nooit een serieuze concurrent van de Verenigde Staten op economisch vlak, maar toch heeft hun militaire rivaliteit veertig jaar lang de planeet met vernietiging bedreigd. Vandaag kan Duitsland in het kader van Europa best akkoorden op economisch vlak afsluiten met Groot-Brittannië, zelfs als dat soms ten koste gaat van de belangen van Frankrijk, maar dat belet niet dat Groot-Brittannië en Duitsland lijnrecht tegenover elkaar staan op politiek en militair vlak, terwijl Frankrijk en Duitsland dezelfde politieke lijn volgen.
(13) Zie Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 70.