IKSonline - 2007

Achter de staat van beleg in Pakistan: ‘Oorlog tegen de terreur’

In Pakistan is de noodtoestand uitgeroepen als gevolg van de opeenhoping van conflicten die sinds de zomer aan de gang zijn. Het lijkt in versneld tempo te zijn gegaan door de vrees dat het Hoger Gerechtshof de herverkiezing vorige maand van Musharaf tot president wellicht ongeldig zou verklaren, en hij heeft eindelijk de hoge rechter vervangen door een van zijn eigen mannen, iets dat hij al eerder geprobeerd had maar waarin hij in augustus niet geslaagd was, toen hij afzag van het uitroepen van de noodtoestand. Deze schorsing van de grondwet staat in schril contrast tot al de propaganda over het streven naar democratie en burgerbewind. En het zal Benazir Bhutto in een moeilijk parket brengen als zij terugkeert uit Dubai. Zij keerde oorspronkelijk terug uit ballingschap nadat zij een amnestie had afgedongen voor al haar volgelingen op voorwaarde dat deze de herverkiezing van Musharaf niet zouden tegenwerken. Het steekt ook een stok in de spaken van het uitwerken van de tactiek van de Verenigde Staten om een bondgenootschap van ‘gematigden’ te ondersteunen, degenen die het meest bereid en in staat zijn om steun te verlenen tegen Al Qaïda.
Onder de vrome uitingen van bezorgdheid van allerlei hoge pieten in de wereld, zei de Britse minister van Buitenlandse Zaken David Miliband: “Wij erkennen de dreiging voor vrede en veiligheid waarmee het land wordt geconfronteerd…”. Om te begrijpen wat er in Pakistan aan de hand is hoeven we wij niet zozeer te kijken naar hoe de president zich om zijn eigenbelang bekommert, maar naar de reden waarom de heersende klasse als geheel geen samenhang vertoont en waarom een deel ervan de leiding in handen gaf van een militaire dictator. Daarvoor moeten we de plaats bezien van Pakistan op de geo-strategische kaart van de wereld en de imperialistische spanningen waardoor het wordt verscheurd. Het heeft een lange grens met Afghanistan net als het grenst aan Iran, China en India. Het heeft te maken met een miljoen Afghaanse vluchtelingen. De zestig jaar lange strijd met India rond Kasjmir is verre van de enige zorg van Pakistan. Interne conflicten, zoals de strijd tussen het leger en de Islamisten in de noordwestelijke regio, vervolledigen het beeld van een land dat verscheurd wordt door druk van binnenuit en van buitenaf.


De gevolgen van de conflicten tussen de grootmachten


In de jaren 1980, toen de grote imperialistische conflicten draaiden rond enerzijds de Verenigde Staten en hun bondgenoten en vazallen, en anderzijds het Russische imperialistische blok, was Pakistan van strategisch belang voor de westerse leveringen aan de Moedjahadin, die in Afghanistan tegen de Russen vochten. Toen hadden de islamisten niet alleen God maar ook de CIA en Amerikaanse Stinger raketten aan hun zijde, en Rusland werd er prompt uit gegooid. Ook Pakistan had zijn belangen in Afghanistan, een nuttig achterland voor training en strategische ruimte in de confrontatie met India in Kasjmir.
Meer recent lanceerden de Verenigde Staten in 2001 hun eigen invasie van Afghanistan, en daarbij maakten ze gebruik van de vernietiging van het World Trade Centre en de noodzaak van de ‘oorlog tegen de terreur’ als voorwendsel. Daarbij was eens te meer de hulp van Pakistan nodig. Amerika beloofde dat het steun zou verlenen aan de stammen die vijandig stonden tegenover de Noordelijke Alliantie, Pakistan’s traditionele vijand en hindernis voor zijn invloed in Afghanistan. Maar deze belofte werd verbroken toen de Noordelijke Alliantie aan invloed won met de overeenkomst van na de Taliban-periode. In ieder geval werd Pakistan benaderd met een andere soort van overtuigingskracht toen de Verenigde Staten ermee dreigde om het naar het Stenen Tijdperk te bombarderen als het geen steun zou verlenen. Dit dreigement werd min of meer herhaald door Barack Obama in de lopende presidentsverkiezingen, suggererend dat de Verenigde Staten Al Qaïda bolwerken zonder enige toestemming konden bombarderen.
Tezelfdertijd waren er miljoenen Afghaanse vluchtelingen in Pakistan, wat nog bijdroeg tot de instabiliteit van het land, en ondanks dat er 2,3 miljoen mensen zijn gerepatrieerd blijven er nog steeds meer dan een miljoen.

De regionale imperialistische belangen


Pakistan heeft zijn eigen regionale belangen en om die na te jagen werd het in 2006 de grootste ontvanger van wapenoverdrachten naar de Derde Wereld, op de voet gevolgd door India. Het conflict met zijn grotere Indische rivaal rond Kasjmir en hun atoomwapen-wedloop kwam in 2002 tot de rand van de oorlog, en als de zwakkere die zou beginnen starten dan zou die niet aarzelen om atoomwapens in te zetten tegen een superieure vijand. Het gevaar van oorlog werd vermeden onder druk van de Verenigde Staten, die niet wilde dat dit conflict het najagen van hun eigen militaire avonturen voor de voeten zou lopen, maar geen van de kwesties werden opgelost. Het vredesproces waartoe Pakistan werd gedwongen betekende dat het geen enkel voordeel kon slaan uit zijn winst op het terrein. Het conflict kabbelde voort op een wijze die minder nieuwswaarde had, met terroristische aanslagen in beide landen, en in Kasjmir zelf beperkte Pakistan zich tot ‘morele en diplomatieke’ steun aan de islamisten, maar eigenlijk ging het om veel meer dan dat, terwijl India deze fundamentalistische ‘vrijheids-strijders’ onderdrukte. Beide kampen steunen op een sterk nationalisme en geen van beide toont enige bekommernis voor hun ontelbare slachtoffers.
De strategische toestand is ruimer gezien bepaald niet in het voordeel van Pakistan. Met het mes op de keel de Verenigde Staten steunend in zijn ‘oorlog tegen de terreur’, kan het geen voordeel slaan uit die gezagsgetrouwheid aan de Verenigde Staten. Terwijl China door zijn economische groei ook meer imperialistische eetlust vertoont komt het in conflict niet alleen met India maar ook met de Verenigde Staten. Pakistan wordt geconfronteerd met het samenvallen van de belangen van zijn traditionele vijand, India, en de eigen supermacht, de baas der bazen. En om de zaken er nog erger op te maken zit Pakistan gevangen tussen twee veel sterkere ‘bondgenoten’ en belangrijke handelspartners, de Verenigde Staten en China, als die in conflict geraken.

De mislukking van de ‘oorlog tegen de terreur’


De ‘oorlog tegen de terreur’ is geen groot succes geworden voor de Verenigde Staten, omdat hij geconfronteerd wordt met de nachtmerrie in Irak en het onbeheersbare Afghanistan, wat beperkingen oplegt in de wens om nieuwe militaire avonturen te bginnen. Voor Pakistan is dat een volgende ramp. Nu de Verenigde zijn zwakheden blootgeeft, worden Al Qaïda en haar aanhangers, waarvan er velen zijn gevestigd in Noordwest-Pakistan, een uitdagender houding aan. Soldaten worden gekidnapt of straffeloos vermoord. Deze zomer werden er in tien werken 200 gedood en eind Augustus werden er 250 gegijzeld in Zuid-Waziristan zonder dat er een schot werd gelost, wat leidde tot speculatie over mogelijke infiltratie van het leger. Noch de 90.000 troepen die aan de grens zijn ingezet, noch de tien miljard dollar aan Amerikaanse hulp kon de toestand onder controle brengen. Een vredesovereenkomst van de regering met de stamhoofden in Waziristan ergerde Amerika, maar werd verbroken en de gevechten namen toe sinds de bestorming van de Rode Moskee. Masharaf valt bij niemand in de smaak. Sommige hogere officieren verwijten hem dat hij wordt afgeleid door de politieke crisis.
In Pakistan voert de staat oorlog tegen zichzelf. Oppositieleden werden in september opgepakt, voormalige eerste minister Nawaz Sharif werd onmiddellijk uitgewezen toen hij terugkeerde. Politieke bijeenkomsten zijn het toneel van terroristische moordpartijen. Rechters van het Hoge Gerechtshof protesteren tegen de regering nadat één van hen was ontslagen, en vervolgens werd een politiehoofd geschorst na geweld bij een betoging van protesterende advocaten. Dit zijn instellingen die de kern van de staat uitmaken en hun conflict weerspiegelt de mate waarin het land wordt verscheurd door de imperialistische conflicten die thuishoren onder het hoofdstuk ‘oorlog aan de terreur’. En dat alles is nu uitgelopen op het uitroepen van de noodtoestand.
Of de verkiezingen in januari al dan niet gehouden worden, gaat het niet richting democratie en burgerlijke regering. Pakistan zwoegt om niet stukken te worden gereten. En zelfs zonder dat het onmiddellijk wordt aangevallen laat het zien welke chaos en ellende er momenteel wordt veroorzaakt door de huidige imperialistische conflicten.

Alex / 3.11.2007

China 1927: De laatste ademtocht van de wereldrevolutie

Onderstaand artikel verscheen oorspronkelijk in World Revolution, nr. 11, in 1977, ter gelegenheid van de vijftigste herdenking van de opstand van Sjanghai.

China 1927: De laatste ademtocht van de wereldrevolutie

In maart 1927 kwamen de arbeiders van Sjanghai zegevierend in opstand en namen de controle over de stad in handen terwijl heel China in rep en roer stond. In april werd deze opstand bloedig onderdrukt door de troepen van Tsjang Kai-tsjek, die door de Chinese Communistische Partij (CCP) was uitgeroepen tot held van de Chinese ‘nationale revolutie’. Bij de vijftigste herdenking van de Chinese arbeidersopstand zal het ongetwijfeld stil blijven bij de bureaucratische fracties die nu strijden om de macht over het Chinese staatskapitalisme. Als loot van de stalinistische contra-revolutie staan de huidige Chinese heersers in de traditie die niet alleen over de rug van de arbeiders aan de macht kwam, maar die ook een beslissende rol speelde in de nederlaag van de Chinese revolutie in 1925-1927. Het is aan de revolutionairen om hulde te betonen aan de arbeiders en kommunisten die strijd leverden en die in deze jaren heldhaftig stierven, en lering te trekken uit de voorbije strijd van het Chinese proletariaat, om de doelen van de komende revolutionaire strijd van de klasse te verhelderen.
De proletarische strijd in China van 1925 tot 1927 was de laatste opstoot van de grote revolutionaire golf die in 1917 in Rusland was begonnen. De nederlaag van de strijd in China (zoals die van het Duits proletariaat in 1921 en 1923) heeft het internationaal isolement vergroot van revolutionair Rusland en heeft zo de gang naar een lange periode van contrarevolutie versnelt.
Na 1924 zou de stalinistische fractie, die het in Rusland steeds duidelijker voor het zeggen kreeg, steeds meer doorwegen op die verplettering van de Chinese opstand. Maar zelfs al vóór die datum had de politiek van de bolsjewieken in China de kiemen gezaaid van de komende nederlagen. In 1922 had de vertegenwoordiger van de Komintern in China, H. Maring (alias Sneevliet), na vriendschappelijke discussies met Sun Yat-Sen, de elementen vooropgesteld voor een verbond tussen CCP en Kwomintang. Bedoeling was een soort van ‘anti-imperialistisch verenigd front’ voor de nationale bevrijding van China, waarbij het eerste probleem de strijd zou zijn tegen de oorlogsheren die grote delen van China, vooral in het Noorden, controleerden. Het verbond hield in dat de militanten van de CCP zich individueel zouden aansluiten bij de Kwomintang, met behoud van een nominale politieke autonomie als partij. In praktijk betekende het de complete onderwerping van de CCP aan de doeleinden van de Kwomintang.

China en het wereldimperialisme

De oude Aziatische productiewijze en haar leidende Manchu-dynastie waren al in verval toe de grote imperialistische machten in de tweede helft van de negentiende eeuw de Chinese economie in hun ijzeren greep namen. Brittannië, Frankrijk, en later Japan en de Verenigde Staten behandelden China als een kolonie, deelden het op in hun eigen belang en gebruikten het als enorm afzetgebied voor hun overproductie van waren. De Opium-oorlogen van de jaren 1840 en 1850 waren een klassieke uiting van de militair-economische onderwerping van de voor-kapitalistische gebieden van de wereld, die van zo groot belang waren voor de uitbreiding van de wereldmarkt aan het einde van de kapitalistische opkomstperiode.  De wurggreep van het imperialisme versnelde aanzienlijk het verval van het oude Aziatische stelsel, terwijl een inlandse kapitalistische ontwikkeling onmogelijk werd gemaakt. De nederlaag van de Taiping-opstand in 1865 betekende dat de mogelijkheid van een burgerlijke revolutie in China de pas werd afgesneden.
Toen de corrupte Manchu-dynastie eindelijk was omvergeworpen door Sun-Yat-sen’s militaire opstand in 1911, was het al te laat om de taken van de burgerlijke revolutie uit te voeren – nationale onafhankelijkheid, nationale vereniging, politieke democratie, landbouw hervormingen – die Sun’s partij, de Kwomintang, op haar programma had staan. In een wereld die al verdeeld was onder de imperialistische machten en al afstevende op de ramp van 1914-1918, werd iedere poging tot ‘nationale revolutie’ onmiddellijk een terrein voor verhevigde imperialistische wedijver waarin de plaatselijke bourgeoisie enkel een pion kon zijn in handen van de grootmachten. De beroemde ‘Mexicaanse revolutie’ van zo even doodgeboren als de gelijktijdige ‘burgerlijk-democratische’ revolutie van Sun: beiden lieten zien dat verdere burgerlijke revoluties onmogelijk waren. Zoals de meest helderziende revolutionairen in 1914 verklaarden, had het kapitalistische systeem haar progressieve missie ten einde gebracht op globale schaal, en alleen de proletarische revolutie kon de mensheid laten ontsnappen aan het barbarendom van een systeem in doodsnood. Binnen enkele weken na de ‘revolutie’ van 1911 viel China uiteen in een samenraapsel van rijkjes die beheerst werden door allerlei krijgsheren die op hun beurt plaatselijke vertegenwoordigers waren van de imperialistische machten. Sun’s doelstelling van een verenigd, welvarend en democratische China vervaagde als een opium-droom.

China en de wereldrevolutie

De grootste tragedie van de Chinese revolutie was gelegen in het feit dat, net als dat China te laat op de kapitalistische wereldmarkt verscheen, het Chinese proletariaat de beslissende strijd aanging tegen het kapitaal op een moment dat de wereldwijde revolutionaire golf die volgde op de oorlog van 1914-1918 als over zijn hoogtepunt heen was.
De eerste wereldoorlog had een geweldige impuls gegeven voor de ontwikkeling van de Chinese industrie; China bleek in staat om voordeel te slaan uit de behoeften van de oorlog terwijl de druk van de imperialistische machten tijdelijk verslapte. Dit versnelde op zijn beurt de ontwikkeling van een klein maar samengebald proletariaat dat monsterlijk werd uitgebuit in steden als Sjanghai, Hangzhou en Kanton. Veel Chinese arbeiders hadden organisatie-tradities opgebouwd tijdens tijdelijke emigratie in het Westen, en het duurde niet lang voordat een georganiseerd Chinees proletariaat bij opwachting maakte in het nationale leven. In mei 1919 bleek het politieke gewicht van de Chinese arbeidersklasse voor het eerst, hoewel verward, toen de arbeiders van Sjanghai en elders, ter ondersteuning van nationalistische studenten, de strijd aangingen met het Japanse imperialisme. In 1922 vond de eerste werkelijk indrukwekkende manifestatie van de Chinese arbeidersklasse op haar eigen terrein plaats.
Gedurende de jaren 1920 bleken de pogingen van het Chinese proletariaat om zichzelf te organiseren uit de oprichting van grote industriële vakbonden, terwijl in 1921 de Chinese Communistische Partij (CCP) werd opgericht. Beginnend als een klein groepje van intellectuelen met een sterk uiteenlopend en verward begrip van marxisme, slaagde zij erin haar proletarische basis snel uit te breiden dankzij de groei van de klassenstrijd in de jaren na haar oprichting. Maar zowel de eenheidsorganisaties (de vakbonden) als de politieke organisatie (de Chinese Communistische Partij) waarin de Chinese arbeidersklasse zich organiseerde vertoonden tekenen van onvermijdelijke onrijpheid van dit jonge proletariaat. De nieuwe Chinese vakbonden begonnen als organisaties van de arbeidersklasse hoewel op globale schaal het tijdperk van vakbondsstrijd voor het proletariaat voorbij was en de bestaande vakbonden overal pilaren van de burgerlijke orde bleken te zijn. En de Chinese vakbonden zouden een fundamenteel obstakel blijken voor de revolutionaire strijd in de cruciale jaren 1925-1927. Evenzo kwam de CCP nooit over haar oorspronkelijk verwarring heen, meer in het bijzonder in het vraagstuk van het nationalisme. De wrange gevolgen daarvan werden snel duidelijk.
In de jaren na de Eerste Wereldoorlog deden de uitbarstingen van het wereldkapitalisme China op zijn grondvesten schudden. De verscherping van de imperialistische en plaatselijke tegenstellingen, het uitbreken van grote boerenopstanden tegen het achterlijke systeem van grond-eigendom, en de opkomst van een zeer strijdbare arbeidersklasse vormden de achtergrond van de cruciale periode van de Chinese revolutie in 1925-1927. Maar het uiteindelijke lot van de Chinese revolutie zou niet enkel in China worden beslecht, maar op heel het wereldtoneel.

Rusland: bolwerk van de contra-revolutie

De grote revolutionaire golf die begon met de Oktoberrevolutie in Rusland kwam na 1920 in een diepe neergang terecht en zou haar oorspronkelijke prikkel niet meer te boven komen, ondanks wanhopige strijd in Duitsland in 1921 en 1923, in Bulgarije in 1923 en in China in 1925-1927. Deze neergang had de meest diepgaande en tragische gevolgen voor het oorspronkelijke bolwerk van de revolutie, Sovjet-Rusland.
In een poging te overleven in de kapitalistische wereld was de Russische staat, en de partij van de Bolsjewieken die daarin was opgegaan, snel omgevormd in één van de belangrijkste centra van de wereldwijde contra-revolutie. In Rusland zelf leidden de vereisten van het kapitaal tot het neerslaan van het arbeidersverzet in Petrograd en Kronstadt in 1921, tot het vervolgen van dissidente kommunistische frakties en de nietsontziende jacht op kapitaalsaccumulatie ten koste van de arbeidersklasse. Op het wereldtoneel leidden diezelfde vereisten in een toenemende onderschikking van de internationale revolutie aan de zoektocht van de Russische staat naar bondgenoten en economische hulp vanuit de buitenwereld. Zoals Rosa Luxemburg schreef, het imperialisme is in dit tijdperk de overlevenswijze van iedere nationale staat, en wat ook de bedoelingen waren van de Bolsjewieken, ze waren niet in staat zich teweer te stellen tegen de toenemende imperialistische vereisten van de Russische staat. Zo vroeg als 1921 vormde de Eenheidsfront-politiek van de Kommunistische Internationale (Comintern) gedeeltelijk een uiting van de allesoverheersende behoefte van de Russische staat aan bondgenoten tegenover het vijandige imperialisme. Maar in 1922 deed Rusland een beslissende stap in de richting van het opgaan in de imperialistische verdeling door het ondertekenen van het geheime Verdrag van Rapallo met Duitsland. Dus toen de Duitse arbeiders in 1923 de straat opgingen, merkten ze dat Sovjet-Rusland één van de belangrijkste hindernissen was geworden in de strijd tegen de eigen bourgeoisie. Dat gold eveneens voor de partijen van de Kommunistische Internationale; ooit uitingen van de revolutionaire wil van het proletariaat werden ze steeds meer remmen op de ontwikkeling van de klassenstrijd.
Na 1924 versterkte de stalinistische fractie zijn controle in Rusland en begon de laatste hindernissen op te ruimen voor het onbelemmerd najagen van de belangen van het Russische nationale kapitaal. Het was dit gegeven dat zo verderfelijk bleek voor de daarop volgende ontwikkeling van de Chinese revolutie. Maar zelfs al vóór 1924 had de politiek van de Bolsjewieken in China het zaad uitgestrooid voor de komende nederlagen. In 1922 had de vertegenwoordiger van de Comintern in China, H. Maring (alias Sneevliet), na vriendelijke discussies met Sun-Yat-sen, de fundamenten gelegd voor een bondgenootschap tussen de CCP en de Kwomintang. Het lag in de bedoeling om een ‘anti-imperialistisch eenheidsfront’ te vormen’ om strijd te leveren ‘voor de nationale bevrijding van China’, wat op de eerste plaats betekende de strijd aangaan met de krijgsheren die grote delen van China onder controle hadden, vooral in het noorden. Dit bondgenootschap betekende tevens dat de militanten van de CCP op persoonlijke titel lid werden van de Kwomintang terwijl de partij formeel zijn zelfstandigheid behield. In de praktijk betekende het de welhaast volledige onderschikking van de CCP aan de doeleinden van de Kwomintang. Tijdens het Vierde Congres van de Kommunistische Internationale in 1922 – het zelfde congres waar tot de beruchte politiek van het ‘Arbeiders Eenheidsfront’ werd besloten – veroordeelde Radek grofweg de aarzelingen van de afgevaardigden van de CCP met betrekking tot het bondgenootschap met de Kwomintang: “Kameraden jullie moeten begrijpen dat in China momenteel noch socialisme nog een sovjet-republiek op de agenda staan”. Anders gezegd, China moest een ‘burgerlijk-democratische fase’ doorlopen voordat de disctatuur van het proletariaat op de agenda kon komen. The Mensjewieken hadden hetzelfde beweerd met betrekking tot Rusland in 1917.
Zo viel de Communistische Internationale terug achter de verklaringen van het Eerste Congres, dat gesteld had dat alleen de proletarische wereldrevolutie de onderdrukte massa’s van de koloniale gebieden kon bevrijden. De daaropvolgende politiek die door Stalin-Boecharin werd beheerst voerde deze logica tot aan zijn uiteindelijke conclusies. In het bondgenootschap tussen de CCP en de Kwomintang kwam vanaf 1922 tot uiting dat Rusland probeerde zichzelf met de Chinese bourgeoisie te verbinden om zo een beschermende cirkel te vormen tegenover de imperialistische machten (vooral Brittannië) die nog altijd een onverzettelijke vijandigheid tegenover de Russische staat vertoonden. Het Chinese proletariaat werd min of meer gezien en gebruikt als wisselgeld in de onderhandelingen van Rusland met de Chinese bourgeoisie. Dit betekende onvermijdelijk dat iedere poging van het Chinese proletariaat om strijd voor haar eigen belangen te leveren alleen maar kon worden gezien als een bedreiging voor het bondgenootschap met de Kwomintang.
Onder Stalin’s bescherming, volgde de Kommunistische Internationale deze richting zonder aarzeling of twijfel. Maar vanaf 1923, in de kundige handen van Borodin, kwamen er in China ook Russische wapens en militaire adviseurs binnen om een praktisch draai te geven aan het Sovjet-Kwomintang-CCP bondgenootschap. In de CCP was één van de meest fervente architecten van het bondgenootschap met de Kwomintang de jonge Mao Tse-tung.

De revolutionaire periode (1925-1927)

Op 30 mei 1925 betoogden arbeiders en studenten in Sjanghai uit solidariteit met een staking in een katoenfabriek die in Japanse handen was. De gemeentepolitie, die onder Britse leiding stond, schoot op de betogers en maakt twaalf dodelijke slachtoffers. De reactie laat niet op zich wachten. Binnen enkele weken worden Sjanghai, Kanton en Hong Kong verlamd door een algemene staking. In Sjanghai wordt de staking geleid door de Algemene Arbeiderbond die beheerst wordt door de CCP. Maar in Kanton en Hong Kong wordt de organisatie van de staking gedragen door een kiem van sovjet, de Conferentie van Stakersafgevaardigden. Gesteund door 250.000 arbeiders die per vijftig arbeiders een afgevaardigde kozen, brengt de Conferentie 2000 stakingspiketten op de been, organiseert ze ziekenhuizen, scholen en een gerechtelijk apparaat terwijl ze een algehele boycot van Britse waren in stand houdt.
De reactie van de imperialistische machten was, zoals te verwachten, hysterisch omdat de verachtte ‘koelie’s’ en ‘Chinezen’ in opstand kwamen en ze een klap in het gezicht gaven. Maar deze machtige manifestatie van het proletarische gevaar had ook een merkbaar effect op de ‘nationale bourgeoisie’ zoals die georganiseerd was in de Kwomintang. Deze partij was altijd een ongemakkelijk verbond geweest tussen industriëlen, militaristen, studenten en kleinburgerlijke dromers – in feite van iedereen behalve die welke het meest corrupte en kruiperige lagen van de inheems agenten van de buitenlandse handelsmaatschappijen en de oorlogsheren (toen het tij keerde zouden velen daarvan zich later bij de Kwomintang aansluiten). Aanvankelijk onder leiding van Sun Yat-sen dacht de Kwomintang dat een verbond met de CCP bruikbaar kon zijn om het stedelijk proletariaat te mobiliseren voor de ‘nationale revolutie’. Zolang de arbeidersstrijd gericht was tegen buitenlandse bedrijven en imperialistische overheersing, was de inheemse bourgeoisie bereid die te steunen. Maar toen de stakingen zich begonnen uitbreiden naar de Chinese bedrijven, waar de arbeidsomstandigheden niet minder ontstellend waren dan in de werkplaatsen in buitenlandse handen, ontdekte de ‘nationale bourgeoisie’ plotseling dat de arbeiders zich te buiten gingen aan “domme uitwassen”, dat het “één ding was om van de arbeiders gebruik te maken... maar iets heel anders hen hun tanden te laten zetten in méér dan ze konden verteren” (geciteerd uit het Chinees Weekblad, maart en april 1926, in H. Isaacs, The tragedy of the Chinese Revolution, p. 77). De Chinese kapitalisten hadden snel in de gaten dat ze méér dingen gemeen hadden met de ‘buitenlandse imperialisten’ dan met hun ‘eigen’ arbeiders.
Deze gebeurtenissen veroorzaakten een breuk in de Kwomintang tussen een linker- en een rechtervleugel. De rechtervleugel vertegenwoordigde de belangen van de grote bourgeoisie die een einde wilde maken aan de arbeidersstrijd, zich ontdoen van de kommunisten en tot enig compromis komen met de gevestigde imperialismes. De linkervleugel, vooral geleid door intellectuelen en lagere rangen van het leger, wilde het verbond met Rusland en de CCP behouden. The Comintern, Stalin voorop, hechtte grote betekenis aan dit ‘links’ als verklaard tegenstander van het imperialisme, maar de gebeurtenissen zouden uitwijzen dat het enkel tijd probeerde te rekken voordat het de arbeidersklasse te lijf ging. Het was geen toeval dat de voornaamste beul van het Chinees proletariaat, Tsjang Kai-tsjek, zich aanvankelijk voordeed als vertegenwoordiger van de linkervleugel. In feite symboliseerde Tsjang in die periode, hoewel hij voortdurend handelde vanuit een onbevredigbare persoonlijke ambitie, heel de waaier van de Chinese bourgeoisie. Enerzijds vleide hij het sovjetregime en hield hij vlammende betogen over de wereldrevolutie. Anderzijds bedreef hij in het geheim steeds meer handeltjes met het militaire apparaat. Net als de nieuwe heersers in Rusland bereidde hij er zich op voor de Chinese arbeidersklasse als een stormram te gebruiken tegen zijn onmiddellijke vijanden, terwijl hij er zich systematisch de onderdrukking van elke ‘uitwas’ (dat wil zeggen ieder teken van zelfstandige strijd van de arbeidersklasse) voorbereidde.
In maart 1926 ondernam Tsjang een eerste grootschalig offensief tegen het proletariaat. Hij pleegde een militaire staatsgreep in Kanton waarmee hij een haast onbegrensde controle over de Kwomintang verkreeg. Kommunisten en andere strijders van de arbeidersklasse werden gearresteerd, en het hoofdkwartier van het stakingscomité van Kanton-Hong Kong werd aangevallen en geplunderd. De staking duurde al maanden, maar werd nu snel gebroken door de plotselinge klappen van de repressie van de Kwomintang. Het antwoord van de Comintern op deze plotselinge koerswijziging van Tsjang bestond uit zwijgzaamheid, of eerder een ontkenning dat er sprake was geweest van enige repressie tegen de Chinese arbeidersklasse. Aan de andere kant veroordeelde het Stalin-Boecharin leiderschap eenieder binnen de Communistische Internationale of CKP die zich ongemakkelijk begon te voelen over de nieuwste ontwikkelingen van het Kwomintang-CCP bondgenootschap.
Tsjang had zijn militaire coup in Kanton georganiseerd als voorspel op een beslissende expeditie tegen de noordelijke oorlogsheren. Hoewel het Kremlin zich aanvankelijk verzette tegen een dergelijk avontuur op dat moment, werden zijn geheime afgezanten snel tevreden gesteld door de gebaren van Tsjang om de repressie van de arbeiders af te zwakken en de druk op de rechtervleugel van de Kwomintang te handhaven.
De noordelijke expeditie vormde de doorslaggevende achtergrond voor de bloedige gebeurtenissen in Sjanghai in 1927. De troepen van Tsjang maakten spectaculaire vorderingen tegen de noordelijke militaristen, grotendeels door de golven van arbeidersstakingen en boerenopstanden die meehielpen om de noordelijke troepen vanuit de rug uiteen te laten vallen. Het proletariaat en de arme boeren streden tegen hun gruwelijke levensvoorwaarden in de illusie dat een zegevierende Kwomintang hun lot materieel zou verbeteren. In plaats van die illusies te bevechten versterkte de CCP die nog verder, niet alleen door de arbeiders op te roepen te strijden voor de zege van de Kwomintang, maar ook door de arbeidersstakingen en de inbeslagnamen van land door de boeren af te remmen wanneer die te ver dreigden te gaan. In de woorden van Borodin was het de taak van de Chinese Kommunisten en de Chinese arbeidersklasse om “koelie-diensten te verrichten voor de Kwomintang”.
Terwijl de CCP en de Comintern hun best deden ‘uitwassen’ in de klassenstrijd tegen te gaan, ging Tsjang er toe over juist diezelfde proletarische en boerenkrachten te verpletteren die hem aan zijn overwinningen geholpen hadden. Nadat hij voor de duur van de campagne in het noorden elke arbeidersstrijd verboden had, onderdrukte hij de arbeidersbewegingen in Kanton, Kiangsi en andere steden naarmate hij verder optrok. In de provincie Kwantung werd de boerenbeweging tegen de krijgsheren gewelddadig neergeslagen. De tragedie in Sjanghai vormde slechts het hoogtepunt van dat proces.

De opstand van Sjanghai

In Sjanghai, met zijn havens en industrieën, bevond zich de ‘fine fleur’ van het Chinese proletariaat. De stad stond onder controle van de krijgsheren en de bittere strijd tegen de plaatselijke heersers werd door de Kwomintang en de CCP voorgehouden als een voorspel van de ‘nationale revolutie’. Toen het leger van de Kwomintang optrok naar de stad, publiceerde de Algemene Arbeidsvakbond, die geleid werd door de CCP, een oproep tot algemene staking om de heersende kliek van de stad omver te werpen en daarmee “het expeditieleger van het noorden te steunen” en “Tsjang Kai-tsjek toe te juichen”. Die eerste poging werd na zware straatgevechten brutaal teruggeslagen. De stadsoverheid stelde een terreurregime in tegen de arbeidersbewolking, maar de strijdbaarheid bleef onaangetast. Op 21 maart kwamen de arbeiders opnieuw in opstand, dit keer beter georganiseerd, met een sterke arbeiders militie van 5000 man en tussen de 500.000 en 800.000 arbeiders die actief deelnamen aan de algemene staking en de opstand. De politiebureau’s en legergarnizoenen werden stormenderhand ingenomen en de wapens werden verdeeld onder de troepen van de arbeiders. De volgende morgen was de gehele stad, afgezien van de buitenlandse wijk, in handen van het proletariaat.
Daarop volgde een onheilspellende periode. Tsjang stond voor de poorten van Sjanghai en, geconfronteerd met een arbeidersklasse die gewapend was en in volle opstand, nam hij onmiddellijk contact op met de plaatselijke kapitalisten, imperialisten en misdadigersbendes om de onderdrukking voor te bereiden, net zoals hij eerder al gedaan had in de andere ‘bevrijde’ steden. En hoewel de bedoelingen van Tsjang overduidelijk waren, bleven de Comintern en de CCP de arbeiders aanraden te vertrouwen op het nationale leger en Tsjang als hun bevrijder te verwelkomen. Maar nu had Tsjang’s staat van dienst als onderdrukker een minderheid van revolutionairen wakker geschud over de noodzaak voor de arbeidersklasse hem evenzeer te gaan bestrijden als de krijgsheren uit het noorden. In Rusland eiste Trotski de oprichting van sovjets van arbeiders-, boeren- en soldatensovjets als basis voor een gewapende strijd tegen Tsjang en voor de vestiging van de proletarische dictatuur. In China nam een dissidente groep vertegenwoordigers van de Kommunistische Internationale – Albrecht, Nassonov en Fokkin – een vergelijkbaar standpunt in en bekritiseerde de ruggengraatloosheid van het leiderschap van de CCP. Binnen de CCP zelf nam de druk toe om te breken met de Kwomintang. Maar de partijleiding bleef trouw aan de lijn van de Comintern – dat ieder verzet tegen Tsjang de ‘contra-revolutie’ in de kaart zou spelen. In plaats van op te roepen tot de vorming van sovjets organiseerde de CCP een ‘voorlopige gemeentelijke regering’ waarin ze als minderheid zetelde naast de plaatselijke bourgeoisie. In plaats van de arbeiders te waarschuwen voor de bedoelingen van Tsjang, ontving de CCP diens troepen met open armen in de stad. In plaats van meer nadruk te leggen op de klassenstrijd, het enig beschikbare middel van het proletariaat om zichzelf te verdedigen en in de aanval te gaan, verzette de Algemene Arbeidersvakbond zich tegen spontane stakingsacties en zette zich in om de macht van de bewapende stakingspiketten die effectief de baas waren op straat te beknotten. Tsjang kon zo minutieus zijn tegenaanval voorbereiden. Op 12 april, toen hij zijn huurlingen en boevenbendes de stad instuurde (velen van hen gekleed als ‘arbeiders’ van de nieuw opgerichte ‘gematigde’ vakbond, het Arbeiders Beroepsverbond), werden de arbeiders verrast en ze raakten in de war. Ondanks hevig verzet van de arbeiders herstelde Tsjang de ‘orde’ in een orgie van bloedvergieten waarin arbeiders op straat werden onthoofd of levend begraven in massagraven naast hun vermoorde kameraden. De ruggengraat van de Chinese arbeidersklasse was zo gebroken.
Enige tijd na deze ramp gaven Stalin en zijn beulen toe dat de revolutie een ‘terugslag’ had gekend, maar bleef volhouden dat de lijn van de CCP en de Kommunistische Internationale al die tijd juist was geweest. De nederlaag van Sjanghai zou ‘onvermijdelijk’ zijn geweest. Maar nu dat Tsjang en de hele Chinese bourgeoisie ‘eindelijk waren overgegaan naar de contra-revolutie’ besloten ze dat het voor de arbeiders noodzakelijk was om sovjets te organiseren en de macht in eigen naam te grijpen. Deze nieuwe lijn kreeg vorm in de ‘Commune van Kanton’ van december 1927; een putsch georganiseerd door de CCP onder het mom van een zelfuitgeroepen ‘sovjet’. Hoewel meerdere duizenden arbeiders de oproep beantwoordden van de CCP om in opstand en de proletarische dictatuur in te voeren, was de meerderheid van de klasse al zo ontmoedigd door het verraad van de CCP en de onderdrukking door de Kwomintang dat ze buiten de opstand bleven. Het eindigde in een volgend gruwelijk bloedbad.

De dood van de Kommunistische Internationale

Stalin had zich zeker vergist door teveel vertrouwen te schenken aan Tsjang en andere Kwomintang elementen (zoals de schimmige ‘ultra-linksen’ van Wuhan) als beste verdedigers van de Russische belangen in China. Nadat de arbeidersklasse verpletterd was liet Tsjang zich al snel weer vangen in de invloedssfeer van de gevestigde imperialismes. Maar de politiek van de Stalinisten was geen vergissing in de zin van de ‘tactische fouten’ van een proletarische tendens. Dit was iets dan Trotsky en de linkse oppositie nooit zouden begrijpen. Het Stalinisme vertegenwoordigde de eindzege van de burgerlijke contra-revolutie in Rusland en de Kommunistische Internationale. De deelname van de Stalinisten aan de vernietiging van de Chinese arbeiders-revolutie was een uiting van hun klassen-vijandigheid tegenover iedere manifestatie van zelfstandige strijd van de arbeidersklasse. Het vormde ook het bekronende moment in de uiteindelijke verplettering van de wereldwijde proletarische revolutionaire golf van 1917-1923. Tegen 1928 waren de Stalinisten geheel en al meester van de Russische partij; zelfs de Linkse Oppositie was buitengesloten en de bureaucratie stond klaar om een aanvang te maken met haar programma van bezeten militarisering en industrialisatie ter voorbereiding van het volgende wereldimperialistische bloedbad. Op het Zesde Congres van de Kommunistische Internationale in 1928 werd de theorie van het ‘socialisme in één land’ aangenomen waarmee de wereld formeel op de hoogte werd gesteld van de dood van de Internationale en van de overgang van haar partijen naar het kamp van de bourgeoisie.
De gebeurtenissen van 1917 markeerden ook de dood van de Chinese Communistische Partij als proletarische organisatie. Vanaf haar oprichting was ze niet in staat gebleken in te gaan tegen het tij van de ontaarding van de Kommunistische Internationale en zichzelf laten gebruiken als passief instrument in handen van de ontbindende Internationale. De beste elementen ervan werden afgeslacht in de nederlagen van 1927. Degenen die aan het bloedbad ontsnapten gingen in twee richtingen. Enkele, zoals Tsjen Tu-hsui, de leidende figuur in de partij voorafgaand aan 1927, begon te twijfelen aan de hele politiek van de Kommunistische Internationale, verliet de partij en schaarde zich achter de Linkse Oppositie. Maar de rest, zoals Mao Tse-tung en Tsjoe En-lai, bleven loyaal aan de Stalinistische contra-revolutie en nadat ze hun bijdrage hadden geleverd aan de onthoofding van de revolutionaire arbeidersklasse, stond het hun vrij om hun nieuwe theorie en praktijk te ontwikkelen over de ‘leidende rol’ van de boeren in de Chinese revolutie. De nederlagen van 1927 plaveiden de weg van een nieuwe rond van imperialistische oorlogvoering in China, net als de globale nederlaag van de klasse de weg vrijmaakte voor een volgend wereldwijd imperialistisch bloedbad. In al deze conflicten bewees de CCP dat zij een trouw dienaar was van het nationale kapitaal, door de massa’s te mobiliseren voor de oorlog tegen Japan in de jaren 1930 en de wereldoorlog van 1939-1945. Zo verkreeg het haar geboortebewijs als meester te worden van de kapitalistische staat na 1949 en de grote roerganger van de Chinese arbeidersklasse.
In zekere zin had de Chinese arbeidersklasse de prijs betaald voor haar eigen onrijpheid. De ruggengraatloze politiek van de CCP weerspiegelde gedeeltelijk het feit dat de Chinese arbeidersklasse als geheel niet de nodige ervaring had opgedaan om uit de ideologische greep van de Kwomintang en het nationalisme te breken, zichzelf tot klasse uit te roepen met een geheel eigen missie: sovjets en een heldere revolutionaire fractie. Maar uiteindelijk werd het lot van de Chinese revolutie beschoren in de straten van Sint-Petersburg, Berlijn, Boedapest en Turijn. De mislukking van de wereldrevolutie kon de Chinese arbeiders enkel in isolement en verwarring achterlaten, en het werd daartoe gedreven door de krachten van de contra-revolutie die in haar eigen midden waren opgegroeid. Zo konden haar massale spontane strijd naar burgerlijk terrein worden gevoerd en uiteindelijk verpletterd.

Trotsky en de lering uit 1927

De aanval van de Linkse Oppositie op de sabotage van de Chinese revolutie door de Stalinisten, haar oproep tot een onmiddellijke strijd voor sovjet-macht tegen de hele Chinese bourgeoisie, de Kwomintang daarbij inbegrepen, was één van de laatste gelegenheden waarin Trotsky en zijn navolgers een revolutionair standpunt innamen. Maar net als met de meeste van de standpunten van de Linkse oppositie, was het niet genoeg en kwam het te laat, en de ware lering uit de gebeurtenissen van 1927 werden niet door hen begrepen. Trotsky begon pas in 1926 een breuk met de Kwomintang te eisen. Hij had zich niet verzet tegen de rampzalige politiek van het Anti-imperialistische Eenheidsfront in 1922 net zo min als hij zich verzet had tegen de tegenhanger ervan, het Arbeiders-Eenheidsfront in het Westen. Hij verwierp ook niet de mogelijkheid dat de arbeiders een tijdelijk ‘militair blok’ zouden kunnen vormen met de Kwomintang – zelfs na 1927. Deze verwarringen zouden Trotsky en zijn aanhangers voeren tot een openlijk contra-revolutionair standpunt tijdens de Chinees-Japanse oorlog, toen ze ‘kritische steun’ bepleiten voor Tsjang Kai-tsjek tegen de Japanse indringers. Zo begonnen de Trotskisten hun gebruikelijke praktijk van de verdediging van één kant tegen de andere in imperialistische confrontaties, die werden voorgesteld als oorlogen van ‘nationale bevrijding’.
Maar bovenal trok de Linkse Oppositie nooit het allerheiligste standpunt in twijfel van steun aan nationale bevrijdingsbewegingen zoals vastgelegd in Lenin’s stellingen voorgelegd aan het Tweede Congres van de Kommunistische Internationale. Hoewel Lenin er de nadruk op had gelegd dat kommunisten hun zelfstandigheid dienden te bewaren in dergelijke strijd – iets dat flagrant werd overtreden door de Kommunistische Internationale in haar bondgenootschap met de Kwomintang – de onderliggende verwarringen van de stellingen over het koloniale vraagstuk zouden de weg plaveien voor al het bedrog over ‘nationale revoluties’ en ‘stadia’ dat de Kommunistische Linkerzijde vervolgens zou gaan plegen. Zo vroeg als 1921-1923 had de politiek van de zogenaamde ‘koloniale revolutie’ geleid tot dat plaatselijke nationalistische krachten arbeiders en kommunisten uitmoordde in Turkije en Perzië. De kapitalistische contra-revolutie was zeer zeker een wereldwijd proces dat benadrukte hoezeer alle frakties van de koloniale bourgeoisie een ongeneeslijke reactionaire aard hebben.
Alleen de Kommunistische Linkerzijde bleek in staat de werkelijke betekenis van de Chinese tragedie bloot te leggen. In Bilan, nr. 16, februari-maart 1935, schreef de Italiaanse fractie van de Kommunistische Linkerzijde dat de Chinese gebeurtenissen definitief bewezen hadden dat:
“De stellingen van het Tweede Congres moeten vervolledigd worden door hun inhoud radicaal te veranderen. Deze stellingen erkenden de mogelijkheid dat het proletariaat steun zou verlenen aan anti-imperialistische bewegingen, voor zover dergelijke bewegingen de voorwaarden schiepen voor een onafhankelijke proletarische beweging. Van nu af aan moet worden erkend, na deze ervaringen, dat het inlandse proletariaat geen enkele steun kan verlenen aan dergelijke bewegingen: het kan de voorvechter worden van een anti-imperialistische strijd wanneer het zichzelf verbindt aan het internationale proletariaat om, in de koloniën, een vergelijkbare sprong te maken als de Bolsjewieken dat deden die in staat waren om het proletariaat van een feodaal regime te leiden naar de proletarische dictatuur.”
In het tijdperk van het kapitalistisch verval kan er op geen enkel moment een samenvallen van belangen bestaat tussen proletariaat en bourgeoisie. In de ontwikkelde landen net zo goed als in die van de ‘Derde Wereld’, heeft de bourgeoisie de arbeidersklasse niets anders te bieden dan ontberingen, onderdrukking, en oorlog. Wie ook het proletariaat oproept ‘anti-imperialistische eenheidsfronten’ te vormen, ‘militaire blokken’ of ‘anti-fascistische fronten’ met een zogenaamd ‘progressieve’ vleugel van de bourgeoisie draagt er enkel toe bij dat de klasse wordt ontwapend en haar hoofd op het hakblok wordt gelegd. Sinds de bloedbaden in China in 1927 bestaat daarover geen ruimte meer voor twijfel. De arbeidersklasse kan zichzelf alleen verdedigen door haar eigen zelfstandige klassenstrijd en haar eigen strijdorganen. En in een tijdperk waarin alle natie-staten en alle nationale bourgeoisieën niets anders zijn dan een kluister voor de ontwikkeling van de mensheid, kan de arbeidersklasse geen ‘nationale taken’ hebben. Haar enige toekomst ligt in de strijd voor kommunisme op wereldschaal.

CDW

Cuba: Van de Granma tot het ‘Cubaanse Socialisme’, een herhaling van de grote Latijns-Amerikaanse leugen

Binnen (1) het linkse apparaat van het kapitaal hoort men veelvuldig de bewering dat Cuba een socialistische maatschappij zou zijn, maar één met een paar bijzondere kenmerken. Het misbaar is zo oorverdovend dat vele jonge proletariërs er van overtuigd zijn dat dit werkelijk zo is en sympathie betonen met Castro. Bovendien is men deze, in verband met de mogelijkheid van zijn overlijden, nog eens gaan ophemelen. En er is gesproken over de toekomst van het zogenaamd ‘socialistische’ Cuba, door voor de zoveelste keer op te roepen tot de verdediging van het veronderstelde ‘laatste bastion van het socialisme’.

Cuba, een nationale bevrijdingsstrijd midden in de koude oorlog

De revolutionaire golf die de overwinning bracht van de revolutie in Rusland, leed een zware nederlaag in de jaren 1920. Dit veroorzaakte de opkomst van een enorme contrarevolutie met als gevolg dat de regimes, die zichzelf vervolgens uitriepen tot socialistisch, in werkelijkheid geen enkele continuïteit vertonen met de beweging van het proletariaat, noch een socialistisch karakter hebben. Het gaat om burgerlijke nationale bevrijdingsoorlogen, wat niet met zich meebrengt dat ze ook vooruitstrevend zijn. Wij hebben er steeds op aangedrongen dat het van groot belang is dat de arbeiders inzien dat er geen enkele continuïteit of verband bestaat tussen de revolutie in Rusland en de zogenaamde ‘Cubaanse revolutie’: “Terwijl in 1917 de arbeidersklasse in Rusland de macht zouden grijpen door de bourgeoisie ten val te brengen, als deel van een internationale revolutionaire golf die de wereld in die jaren dooreen schudde, nam bij de omwenteling in Cuba in 1959 één fractie van de bourgeoisie de plaats in van een andere, in haar drang om het nationaal kapitaal voort te stuwen.
Terwijl in de voormalige Sovjet-Unie de mythe van het ‘socialisme in één land’ opdook vertrekkend van de achteruitgang van de kommunisitische wereldrevolutie, van het isolement en de latere ontaarding van de revolutie in de Sovjet-Unie zelf, werd het ‘socialisme op zijn Cubaans’ daarentegen ‘per decreet’ afgekondigd door het regime van Castro, toen het zich midden in de periode van koude oorlog in de hoek gedreven voelde in de belangenstrijd tussen de twee toenmalige grootmachten die blokhoofden waren (de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten).”
(Revolución Mundial, nr. 9).
Het invoeren van het zogenaamde ‘Cubaanse socialisme’ kwam niet voort uit een bewuste revolutie van de arbeiders, maar het was een staatsgreep van de ‘barbudos’ (de bebaarde guerrillero’s). Het was enkel als gevolg van de mislukking van een toenadering van Castro tot het yankee-imperialisme dat zijn regering zich van de ene dag op de andere omvormde tot ‘socialistisch’ en dat Castro zich ‘marxist-leninist’ noemde.

De socialistische revolutie is een bewuste revolutie

De socialistische revolutie is een revolutie die voor het eerst in de geschiedenis een bewuste revolutie zal zijn. Dit wil zeggen dat in beginsel programma, doelstelling, tactiek en strategie die de socialistische beweging leiden, uitgestippeld worden in open debat en dat het helder en eenduidig moet zijn om geen strijdmakkers ‘af te schrikken’.
Daarom is het bedriegend vol te willen houden dat de Cubaanse revolutie een socialistisch karakter had; ondanks dat dit voor zichzelf sprak bij belangrijkste voorstanders die er niet aan twijfelden dat het programma, dat door de deelnemers aan de aanval op de Moncada-kazerne in 1953 was uitgewerkt, een heel verstandig programma was. Het was echter zodanig dubbelzinnig van inhoud om lagen van de kleinburgerij en anderen niet af te schrikken, en daarmee te bereiken dat deze beweging niet geïsoleerd zou komen te staan.
Hetzelfde geldt voor het tweede argument volgens hetwelk Castro in zijn studententijd al vertrouwd was met het marxisme terwijl Che al een overtuigde marxist zou zijn geweest. De argumentatiewaarde van een dergelijk idee is zo gering dat het zelfs niet waard is om er rekening mee te houden, ware het niet dat het steeds maar weer wordt opgevoerd. Bijvoorbeeld: er wordt beweerd dat Castro op organisatorisch vlak een leninistische geest had want dat hij schreef: “Ideologie, discipline en leiding. Dat zijn de drie wezenlijke zaken, maar leiding is fundamenteel, […] men kan geen beweging organiseren waarin allen denken dat zij het recht hebben om zo maar openbare verklaringen af te leggen zonder iemand te raadplegen; en men kan evenmin iets goeds verwachten van een beweging die wordt gevormd door mensen met een anarchistisch instelling die bij het eerste meningsverschil een andere weg inslaan die hen beter lijkt, en het voertuig ontmantelen en vernielen. Het propagandaparaat en de organisatie moeten in staat zijn om ongenadig diegenen te vernietigen, die proberen tendensen of pressiegroepen in het leven te roepen of in opstand komen tegen de beweging.” (2).
Het is overduidelijk dat dit in de verste verte niet lijkt op wat Lenin schreef in Eén stap voorwaarts, twee stappen terug. Deze Castristische argumentatie die door de Italiaan Tutino is overgenomen, is gemakkelijk herbruikbaar voor om het even welke strijd tussen burgerlijke klieken. Want daaruit spreekt enkel een simplistische logica van hoe men vecht om de leiding van de beweging zonder dat daardoor wordt aangetoond dat deze noodzakelijkerwijs een revolutionair karakter heeft.
De kommunistische revolutie is een revolutie met een massaal karakter waaraan de arbeiders massaal deelnemen. De strijdmethoden hebben niets te maken met de samenzwering van een kleine groep intellectuelen die zichzelf in de plaats stellen van de arbeidersbeweging en voor zichzelf een revolutionaire periode inluiden.
Op die manier doet de methode van de guerrillastrijd niets anders dan dit fundamentele beginsel met voeten te treden doordat zij een voorhoedegroep voortbrengt die wordt opgericht als reddingsleger, losstaand van de klasse zelf, zoals dat het geval was met het rebellenleger van Castro. In tegenstelling tot de bourgeoisie, verdraagt noch beschikt het proletariaat over een militaire macht die boven hem staat. Daarom is de revolutie geen product van een ‘volksleger’, maar van de arbeidersklasse zélf die op een bewuste, verenigde en georganiseerde manier naar de wapens grijpt.

Met of zonder Fidel blijft het kapitaal in Cuba aan de macht

Bij het bekend worden van de ziekte van Fidel en van de voorlopige aflossing door Raúl Castro, heeft de grote mythe van het socialisme in Cuba weer grote hoogten bereikt in de ideologische campagnes van de bourgeoisie.
In deze context wordt men voorbereid op de post-fidelistische overgang, om het staatskapitalisme in Cuba aan te zwengelen. En de Communistische Partij van Cuba (PCC) begint te ‘debatteren’ over de toekomst, om te zien of er zich een traditionele weg opdringt waarbij de zaken bij het oude gelaten kunnen worden, dan wel of er een meer marktgerichte opening moet komen in dezelfde richting als het kapitalisme in China. Het proletariaat heeft echter geen enkel gemeenschappelijk belang met de Cubaanse regering noch belang bij het ondersteunen van dit kapitalistische regime. En het zal zijn rol zijn om er alles te doen om de confrontatie aan te gaan met de Cubaanse bourgeoisie en ze van de kaart te vegen via een echte socialistische revolutie, die, deel uitmakend van een wereldrevolutie, een werkelijke macht van de arbeidersraden zal doorvoeren.

Vaina, December 2006

Noten

(1) Granma is de naam van het schip dat Castro vanuit Mexico naar Cuba bracht, en dat op 2 December 1956 aanmeerde, waarmee de bewapende beweging begon en die er in twee jaar in slaagde om de overwinning te behalen op Fulgencio Batista.
(2) Saverio Tutino, Breve historia de la revolución cubana, Serie Popular Era, p. 105.

De Eerste Mei: een dag ontdaan van elke proletarische inhoud

Het onderstaand artikel verscheen in Internationalisme, 1997, en bevat uittreksels van een artikel uit Internationalisme, 1947.

De Eerste Mei: een dag ontdaan van elke proletarische inhoud

Het inlijven van alles wat tot het proletariaat behoort is één van de grote wapens van het kapitalisme in ademnood om de arbeidersmassa’s te misleiden. Niets leent zich daartoe beter dan belegen vormen van grootse momenten uit de klassenstrijd. Onder hen bekleedt Eén Mei, dat ooit een internationale strijddag was van het proletariaat, een ereplaats. Al tientallen jaren is Eén Mei een officiële feestdag geworden, het ‘Feest van de Arbeid’, in de meeste landen gevierd door regeringen van rechts of links, democraten of fascisten, republikeinen of socialisten, liberalen of militairen... Hoe meer Eén Mei van zijn klasseninhoud ontdaan is hoe meer de krachten van het kapitaal proberen het in stand te houden om de gevoelsverbondenheid, die het nog heeft bij de arbeidersklasse, des te beter uit te buiten.
Vandaag betekent de viering van Eén Mei voor de bourgeoisie en de vakbonden een nieuwe gelegenheid om de ware aard van de proletarische strijd verder te ondergraven om de arbeidersklasse in het gareel van het kapitaal te houden. Zo werd in het verlengde van de ineenstorting van de stalinistische regimes het internationale toneel regelmatig beheerst door allerhande democratische campagnes. Hierbij wordt ons wijs gemaakt dat het proletariaat geen ander alternatief heeft dan zijn eigen bescheiden plekje te veroveren binnen een eeuwigdurend kapitalisme. Daarin proberen linkse partijen, vakbonden en gauchisten de strijd op leven en dood tussen kapitaal en arbeid terug te brengen tot een strijd voor ‘hervormingen’, voor een ‘rechtvaardiger’ kapitalisme ‘met een menselijk gezicht’ en ‘meer gelijkheid’. Het carnaval van Eén Mei 1997 betekent niets anders dan een samenballing van het huidig offensief van de bourgeoisie tegen de arbeidersklasse. Het mikt er op om binnen de arbeidersklasse de bewustwording te verhinderen over wat er op het spel staat en de perspectieven die in de huidige situatie vervat liggen. Wanneer de Socialistische Partij in België nu alle arbeiderskrachten oproept om de partij te hernieuwen, probeert die de bewustwording te verduisteren over haar burgerlijke aard en haar arbeidersvijandige rol tijdens de Eerste Wereldoorlog en het proletariaat mee te sleuren in de valstrik van een ‘schoner en rechtvaardiger democratie’. Wanneer de vakbond het ABVV zich van zijn kant voordoet als ‘de organisator bij uitstek van strijd tegen soberheid en ontslagen, als de gepatenteerde vertegenwoordigers van de arbeiders tegenover patronaat en regering, probeert het niets anders dan te verdoezelen dat zijn acties gericht zijn op het systematisch in mootjes hakken en versnipperen van de arbeidersstrijd om de strijdbaarheid uit te putten en de arbeiders zo aan de dictaten van de burgerlijke ‘democratische’ staat te onderwerpen. Maar voor de arbeiders die walgen van zo’n dosis weerzinwekkende schijnheiligheid zijn er nog altijd de gauchisten van PvdA en de trotskistische SAP, deze uiterst linkse fracties van het kapitaal, die er voor zorgen om de verdwaalde schapen terug te drijven in de armen van het syndicalisme. In naam van de ‘verovering door de basis’, in naam van de ‘interne strijd voor de radicalisering’ van deze burgerlijke sabotageorganisaties van de proletarische strijd. Tegenover de meer gepolitiseerde arbeiders die het kapitalistisch systeem ter discussie beginnen te stellen staan de gauchisten zoals de ex-maoïstische PvdA klaar om de strijd voor ‘democratische’ eisen voor te stellen alsof die volkomen deel uitmaakt van de strijd van de arbeidersklasse. Daardoor lokken ze de arbeiders op het terrein van de huidige ideologische campagne voor de ‘hervorming’ van het kapitalisme. We worden dus opgeroepen om Eén Mei te vieren, niet als een dag van de internationale strijd van het proletariaat als uitdrukking van zijn eenheid en klassensolidariteit, maar als een feestdag ter versterking van democratie en syndicalisme. Meer dan ooit is Eén Mei 1997 een grote maskerade waarbij alle inkapselingkrachten van de bourgeoisie hun krachten verenigen om te proberen de arbeiders met de ergste misleidingen op te zadelen: strijd voor de democratie’ en de ‘Mensenrechten’, dat wil zeggen voor de dictatuur van het kapitaal en het recht van de heersende klasse om hen uit te buiten, hen af te slachten en tienduizenden miljoenen mensen te laten verhongeren. De strijd voor een ‘sterker syndicalisme’, dat wil zeggen voor het versterken van de sabotagemanoeuvres, het verdelen van de arbeidersstrijd, voor een politiek ‘in het belang van het land’, dat wil zeggen voor de verdediging van het nationaal kapitaal...
Tegenover deze gigantische afleidingsmanoeuvre van het proletariaat moeten de revolutionairen deze weerzinwekkende inlijving van wat vanaf 1890 Eén Mei betekende, duidelijk veroordelen. De tekst die we hieronder publiceren is een uittreksel uit een artikel dat in mei 1947 verscheen in het in België uitgegeven tijdschrift Internationalisme. Het was de eerste keer dat een revolutionaire groep zonder bijgelovige vrees de waarden van ‘de traditie’ in twijfel trok en krachtig alles bestreed wat tot fetisj en harnas geworden was van de levende krachten van de proletarische strijd. Natuurlijk waren de historische omstandigheden waarin dit artikel geschreven werd, na het einde van de Tweede Wereldoorlog anders dan die van nu. Het carnaval van Eén Mei 1997 richt zich niet, zoals in 1947, tot een verslagen en leeggebloede arbeidersklasse die slaafs achter de vlaggen van het nationaal kapitaal aanliep. Nu hebben we te maken met een arbeidersklasse die sedert meer dan dertig jaar de weg van haar klassenstrijd heeft teruggevonden, een proletariaat dat, ondanks zijn huidige moeilijkheden, ondanks de ontreddering die het zieltogen van een van zijn ergste vijanden, het stalinisme, veroorzaakt, niet bereid is zich te onderwerpen aan de belangen van het kapitalisme. Maar de analyse en de bedenkingen van dit artikel en het gevaar dat er in aangestipt wordt dat ‘de waarden van de traditie’ gebruikt worden om de klasse in de zak te zetten, blijven meer dan ooit actueel. Want buiten het verschil in periode blijft de boodschap die het ons geeft levendiger dan ooit: het proletariaat is de enige revolutionaire klasse, de enige die de mensheid een toekomst te bieden heeft. Toen de Tweede Internationale de eerste keer de arbeiders over de hele wereld opriep om een internationale dag van arbeiderssolidariteit te organiseren, wou zij ook meer uitdrukken dan een herdenking van de slachtoffers die in Chicago in de strijd gevallen waren. Deze herdenking was maar een aanleiding. De beslissing om van Eén Mei een strijddag van de arbeiders te maken ging zelfs verder dan de bewuste bedoelingen van de congressisten die het besluit namen.
Deze dag toonde een nieuwe werkelijkheid, een nieuw feit in de geschiedenis van de mensheid: de geboorte van een klasse die internationaal is. Een klasse die, in tegenstelling tot alle andere die tot vandaag bestaan hebben, geen materiële, economische, sociale, politieke of ideologische belangen heeft die ertoe leiden haar te verdelen. Integendeel, voor het eerst in de geschiedenis waren alle voorwaarden aanwezig om van deze klasse een wereldwijde eenheid te maken, een menselijke eenheid, een voorafspiegeling van de verenigde mensheid, van de toekomstige maatschappij.

Van een proletarische strijddag...

De gedachte die Marx en Engels veertig jaar eerder uitdrukten: Proletariërs aller landen, verenigt U!, werd door de Eerste Mei een tastbare werkelijkheid. Deze gedachte is de grondslag van het socialisme, de handelende basis van de arbeidersbeweging, die buiten die basis haar klassenkarakter verliest en ophoudt een onafhankelijke historische kracht te zijn.
De geschiedenis kent weinig voorbeelden van een slogan die zich zo snel en zo wijd verbreidde als die van Eén Mei. Hij werd met enthousiasme door de arbeiders van de hele wereld onthaald, door alle tendensen en richtingen binnen de arbeidersbeweging. In enkele jaren tijd was er geen stad waarin op die dag de arbeiders niet de strijdbaarheid voor hun bevrijding manifesteerden. Tot in de verste gehuchten waaide de wind van de opstand tegen de bestaande orde om hart en verstand van de arbeiders te bereiken, zowel van de meest vooruitstrevende als van de meest achtergebleven lagen.
Omdat die dag van internationale strijd, over alle plaatselijke bijzonderheden heen, de grote algemene verwachting concreet maakte dat de arbeidersklasse de mensheid zal bevrijden, vond hij zo’n vurige weerklank onder de arbeiders van heel de aardbol. Meer dan elke andere actie was die dag een machtige oproep tot het bewustzijn van de arbeiders om te ontwaken. Al hadden ze dikwijls nog geen klaar gedachte over een vakbond, over het op touw zetten van een organisatievorm, toch vochten zij die dag verbeten en hun bloed kleurde de straatkeien. Zelfs de arbeiderskinderen die nog nooit een voet hadden gezet in de fabriek waar ze later uitgebuit zouden worden, werden doordrongen van de brandende, koortsachtige atmosfeer van deze dag van internationale klassenoorlog.
Even sterk als het enthousiasme van de arbeiders was de haat en de paniek die zich van de bezittende klasse meester maakte. Het beloofde spook werd werkelijkheid. De nationale bourgeoisieën zagen met ontzetting een internationale kolos verschijnen die hun maatschappij dreigde te vernietigen. De bourgeoisie werd zich met de dag meer bewust van de strijd op leven en dood die tussen haar en het proletariaat op gang kwam. Elke Eén Mei was een algemene repetitie van de krachtproef die zich ging afspelen tussen de tegengestelde klassen, tussen de bourgeoisie, erfgenaam en laatste vertegenwoordiger van een hele reeks maatschappijen gebaseerd op uitbuiting, plundering en onderdrukking van één klasse door een andere, en het proletariaat, opvolger en vertegenwoordiger van alle onderdrukte klassen en schepper van een nieuwe menselijke maatschappij, de klasseloze maatschappij.
Elke Eén Mei werd een actieve voorbereiding op de internationale burgeroorlog, oefening voor de revolutie, etappe naar de eindstrijd, een steeds verder doorgedreven aanval op de kapitalistische orde.
Deze revolutionaire uitdaging door het proletariaat was onduldbaar voor de bourgeoisie en haar regeringen. Zij reageerden door aan de vooravond een ware staat van beleg in te stellen. De soldaten werden in hun kazernes opgevorderd, deels om hen in te zetten als dat nodig bleek, maar ook omdat de regeringen niet altijd zo zeker waren van hun volgzaamheid. In de fabrieken werd het toezicht, de spionage en de provocatie vertienvoudigd, arbeiders werden verdacht en weggezonden en de bazen kondigden de ongenadigste straffen af voor hen die op die dag wilden staken.
Wekenlang was de politie doodop. De steekkaarten van verdachten werden onophoudelijk herzien en aangevuld, arbeidersvergaderingen werden verboden, militanten werden preventief in hun woningen aangehouden. Er heerste algemene onrust, regeringen overlegden en waren waakzaam, de politiemacht ontplooide zich en de bourgeoisie maakte zich klaar.
Maar ook het proletariaat organiseerde zich met een ijzeren wil, vastbesloten om te vechten. Uit clandestiene kelderdrukkerijtjes stroomden revolutionaire oproepen die zich als bij toverkracht verspreidden. Ouderen, vrouwen en kinderen, de minst verdachten, werden de verbindingsagenten. Tijdens de nachtelijke stilte heerste er koortsachtige drukte in de arbeiderswijken, met clandestiene bijeenkomsten. Zolderkamers van arbeiders werden lokalen van revolutionaire comités. Bekenden militanten sliepen niet meer thuis, maar verborgen zich in arbeidershuizen om er hun revolutionaire arbeid voort te zetten. De arbeiders bewaakten hun wijken, spoorden politieagenten en provocateurs op. Elke nacht werden de muren weer vol geplakt met pamfletten en aankondigingen. En plots zag men op de meest onbereikbare plaatsen, op kerktorens en aan telegraafdraden, povere rode lapjes hangen, symbolen van de opstand en strijd van de arbeiders.
De ene wereld botste met de andere, onderdrukkers en onderdrukten, bourgeoisie en proletariaat.
Al is Eén Mei vandaag een vulgaire religieuze en officiële processie geworden, toch bewaren oude militanten een levendige herinnering aan de Eén Mei van klassenstrijd. Het proletariaat toonde zijn vitaliteit en strijdbaarheid door regeringsdecreten en verbodsbepalingen aan zijn laars te lappen. Geen machtsontplooiing van de politie was sterk genoeg om te beletten dat her en der, op verschillende plaatsen en tezelfdertijd, strijdgroepen van arbeiders te voorschijn kwamen.
De bloedige repressie, de slachtingen van Fourmies, de charges van de kozakken, de sabels van de rijkswacht waren slechts olie op het vuur van de strijdlust van de arbeiders.
De rode vlaggen, eenvoudige eindjes stof die de arbeiders onder hun hemd verborgen hielden wanneer ze naar de betogingen gingen, hielden de warmte van hun lichamen nog vast terwijl ze in de lucht wapperden. En als menig arbeider sneuvelde om die vlag te verdedigen, ze uit de klauwen van de politie te houden, dan was dat omdat die vlag het symbool was van hun wil, hun programma, hun klassendoelstellingen waarvoor ze vochten en waarvan ze de overwinning met hun leven wilden betalen. Dat waren de Eén Meidagen van een klasse die een wereld bestormde, de Eén Meidagen van het revolutionair proletariaat. [...]

...tot een burgerlijke maskerade

We willen hier echter ook de klaarziende helderheid van de bourgeoisie benadrukken die de wapens van de arbeidersklasse tegen haar gekeerd heeft. De rode vlag, eens zo gehaat door het kapitalisme, heeft niets ondermijnends meer. Sinds lang heeft ze een ereplaats in het systeem gekregen.
Die vlag wappert boven de twintig miljoen dwangarbeiders in de stalinistische concentratiekampen. Die vlag wordt gehesen op de schaamteloze processen van Moskou, in de ondergrondse martelkamers van de GPU. Het is de nationale vlag van één zesde van de aardbol, waaronder zo’n honderd vijftig miljoen moderne slaven zuchten. Ze diende als embleem bij het Hitlerregime, bij deportaties, concentratiekampen en folteringen van de Gestapo. Die vlag waaide boven de slagvelden van de Tweede Wereldoorlog. In haar schaduw vormt zich de constellatie van één van beide blokken van de wereldoorlog van morgen. [...]
En wat met de vlag is gebeurd, is ook Eén Mei overkomen. “Maar natuurlijk”, roepen de bourgeois, “een Feest van de Arbeid, wel zeker. De arbeid is heilig en we zullen hem vieren.” De bloedige betogingen van weleer zijn wettelijke processies geworden die de bloedige alledaagse werkelijkheid verbergen. De opstandige kreten zijn onschadelijke psalmen geworden. De koperen instrumenten schreeuwen chauvinistische militaire marsen, die het andere geschreeuw overstemmen, dat van de gefolterden in de gevangenissen, in de concentratiekampen in alle landen. [...]
De bourgeoisie heeft zich meester gemaakt van de symbolen van de arbeiders, van de rode vlag van Eén Mei. Alle regimes, dat van Stalin, dat van Hitler, dat van Pétain, dat van de Vierde Republiek, hebben die dag tot nationale feestdag uitgeroepen. Eén Mei werd de dag van de nationale wederopstanding, van het herboren eerbiedwaardig vaderland.

De bourgeoisie kan gerust slapen. Ze hoeft niet van angst te sidderen. Het is Eén Mei 1947. En morgen kunnen alle leden van die klasse, haar vetgemeste nieuwe rijken, haar politie en edelachtbare dames, haar politiekers en prostituees, haar regeerders en gangsters, al dat chique volk en de crème van de maatschappij, verzameld op stoepen en officiële tribunes, morgen kunnen ze op hun gemak de arbeiders toejuichen, in hun werkkleding nog nat van het zweet, en zich verheugen over het feit dat de arbeiders terug op het goede pad zijn en zich ingeschakeld hebben in de nationale gemeenschap. [...]
De bourgeoisie weet hoe moeizaam de mensen zich bevrijden van beelden van hun vroegere onvoltooide en vergane ideeën, en die op grote schaal uit te buiten. Wanneer zij veranderen in emblemen en symbolen verliezen ideeën hun revolutionair dynamisme. Ze houden op momenten te zijn van de ontwikkeling van de strijd, ze stollen en worden onschadelijk. De bourgeoisie en al haar lakeien, partij- en vakbondsleiders, wenden al hun krachten aan om ze van hun inhoud te ontdoen. Ze spannen zich in om het proletariaat het grondig inzicht, de revolutionaire verwachting te doen verliezen om enkel het omhulsel te bewaren. Revolutionaire voorstellingen worden heiligenbeelden, emblemen en fetisjen die aanbeden en gevreesd worden. Symbolen van elke revolutionaire inhoud ontdaan, worden met een nieuwe inhoud opgevuld: conservatief, reactionair en burgerlijk. [...]
Niets zal er van het verleden en de geschiedenis van de arbeidersstrijd overblijven dat niet door het kapitalisme tegen het proletariaat is gebruikt. De ideeën, termen, namen, woorden, data, emblemen en symbolen, alles wordt door de bourgeoisie gebruikt en tot fetisjen omgevormd. Het proletariaat zelf wordt teruggebracht tot een massa afgodendienaars. De beste strijders, de vechters van de revolutie, de meest bewuste militanten van vroeger worden heilig verklaard om het de in leven zijnde schoften mogelijk te maken de leiderscultus in stand te houden, de cultus van de blinde gehoorzaamheid aan oppermachtig en onfeilbaar verklaarde personen. Een complete fetisjistische mystiek werd opgebouwd en houdt het proletariaat gevangen.
Mystiek van de partij, mystiek van de ‘leider’, fetisjisme van de vlag, fetisjisme van Eén Mei.
De arbeidersklasse stoot tegen de muur van dit fetisjistisch gevang. Om de revolutionaire strijd weer op te nemen moet zij zich eerst resoluut van dit fetisjistisch systeem ontdoen. Zij moet zich bevrijden van alle beelden en symbolen die ze zelf in de loop van haar geschiedenis gemaakt heeft en die nu dienen om haar te misleiden.
Zij moet leren om de naakte, rauwe werkelijkheid te zien. Die aarde, rood van haar bloed, die verwoeste steden, die miljoenen lijken, die honger, zij moet zichzelf zien in al de lelijkheid van haar ellende, bespot en vernederd.
Deze prijs moet zij betalen om weer een stap voorwaarts te zetten naar de uiteindelijke overwinning. Bevrijd van spoken en levende kwakzalvers, moet ze opnieuw zichzelf worden, het heden begrijpen, bewust worden van haar doeleinden en revolutionair handelen om ze te verwezenlijken. [...]
De historische ontwikkeling verplicht de arbeidersklasse een probleem op te lossen: ofwel de revolutie maken, de socialistische maatschappij opbouwen en de mensheid redden, ofwel het kapitalisme met al zijn gevolgen ondergaan. [...]
Het perspectief dat zich voor het proletariaat en de hele mensheid aandient is dat van de barbarij. Economische barbarij, in de achteruitgang van de productiekrachten, barbarij in de vernietiging van de sociale rijkdommen, barbarij in de levensomstandigheden, barbarij in de verhoudingen tussen de mensen. In zijn razernij van doorgedreven vernietiging dreigt het kapitalisme in verval de hele mensheid mee te sleuren. De afslachting van enkele tientallen miljoenen mensen tijdens de Tweede Wereldoorlog zal in het niet verzinken tegenover wat de mensheid morgen te wachten staat.
Is het dan noodzakelijk dat hele steden veranderen in rokende puinhopen, dat de aardbol één reusachtige vuurpoel wordt, moeten de lijken dan geteld worden met honderden miljoenen, moeten niet stromen maar oceanen rood kleuren van het bloed alvorens de arbeidersklasse begrijpt hoe immens haar verantwoordelijkheid en historische opdracht is en zij zich eindelijk losrukt uit haar verdoving, tot zichzelf komt en haar oude revolutionaire kreet in daden omzet?
De grondvesten van de wereld moeten veranderen.
Wij zijn niets. Laten wij alles zijn !

Internationalisme, nr. 21, 1 mei 1947

Discussiebijdrage over het Midden-Oosten: Kapitalisme betekent barbarij en oorlog!

Onder verwijzing naar ons artikel Dreigementen tegen Iran: De groeiende irrationaliteit van de kapitalistische oorlog publiceren we hieronder een discussiebijdrage van een kameraad van buiten onze organisatie. Als we het niet noodzakelijk geheel en al met hem eens zijn, dan juichen we de bijdrage toe, en we gaan er van uit dat de discussie wordt voorgezet.

Iran: Kapitalisme betekent barbarij en oorlog!

Opnieuw wordt de wereld geconfronteerd met de vraag of Iran aangevallen zal worden door de Verenigde Staten of niet. Door burgerlijke journalisten en theoretici wordt deze kwestie op verschillende manieren geïnterpreteerd.
Het omvangrijke imperialistische propaganda-apparaat van de Verenigde Staten is inmiddels op grote schaal bezig angst- en horrorscenario’s te verspreiden. Berichten wijzen op een verhoogde aanwezigheid en paraatheid van Amerikaanse militaire eenheden in de Golf-regio, teneinde het land-, zee- en luchtverkeer beter te controleren. Bovendien is er wereldwijd bezorgdheid ontstaan over het VN-ultimatum ten aanzien van Iran s nucleaire activiteiten, dat binnen minder dan een maand zal verlopen.
Naast deze strategische en militaire voorbereidingen op een nieuwe oorlog, zijn ook de diplomatieke uitlatingen feller van toon geworden. Amerikaanse functionarissen hebben Iran aangemerkt als een belangrijk element van onveiligheid in de regio, en na twee decennia van koude oorlog tussen Washington en Teheran lijken de wederzijdse spanningen een nieuw hoogtepunt hebben bereikt door de militaire manoeuvres in de Golf-regio.

Nieuw VS-beleid in de regio

Sinds 1940 hebben begrippen als crisis, acuut gevaar en bedreigingen van de nationale veiligheid en essentiële belangen van het Amerikaanse imperialisme, een onlosmakelijk deel uitgemaakt van het buitenlandse beleid van de Verenigde Staten. Deze begrippen hebben bijgedragen aan het mobiliseren van de publieke opinie die aanvankelijk tegen oorlog was, en hebben bovendien het Amerikaanse Congres in staat gesteld om enorme bedragen toe te kennen aan de regering onder het mom van verdediging van de nationale veiligheid. Dergelijke zaken hebben weinig te maken met de politieke realiteit.
Het beleid van Amerikaanse presidenten is historisch altijd gebaseerd geweest op overdrijving terzake buitenlandse politiek. Een belangrijk bestanddeel van dit beleid, de Truman-doctrine, kenmerkt zich door een bewuste overdrijving, soms zelfs omkering van de feiten. In het kader van deze Truman-doctrine werd de crisis tussen Griekenland en Turkije afgeschilderd als de belangrijkste bedreiging van de wereldvrede van dat moment.
Vanwege het mislukken van de Amerikaanse militaire interventie in Irak, hebben Amerikaanse autoriteiten nu een nieuw beleid ontwikkeld. Door Amerikaanse beleidsmakers wordt toegegeven dat de militaire situatie in Irak inmiddels onhoudbaar is geworden. Een commissie genaamd Baker Hamilton, ingesteld om een oplossing te zoeken voor het Iraakse dilemma, heeft president George Bush geadviseerd om Irak niet langer voor te stellen als het model voor een democratische staat in de regio, en om zich te onthouden van triomfantelijke uitlatingen ten aanzien van de militaire ontwikkelingen. Derhalve zal dit nieuwe beleid tevens gevolgen hebben voor de opstelling jegens de Islamitische Republiek.
Kennelijk is dit nieuwe beleid jegens Iran er op gericht om Iran door militair machtsvertoon en diplomatieke pressie te dwingen tot onderhandelingen of tot het innemen van andere posities. Inmiddels schijnt de regering Bush zijn ambities in de regio in zoverre getemperd te hebben, dat het nu de handen al vol heeft aan het veilig maken van de stad Bagdad. Ten aanzien van Iran wordt eveneens niet meer gedacht aan grootscheepse militaire aanval of bezetting, maar wordt naar andere wegen gezocht die tot vruchtbaar overleg moeten leiden. Wat deze nieuwe aanpak of alternatieven op gaan leveren, is ons nog niet bekend. Militaire acties, bezetting van olieterminals, economische verlamming – dat alles kan deel uitmaken van dit nieuwe beleid.
In het nauw gebracht door journalisten, wilde de Amerikaanse minister van Defensie niet antwoorden op de vraag of een militaire aanval op Iran aanstaande was, maar verklaarde hij geen rechtstreeks belang te hebben bij een militaire confrontatie met Iran en naar andere wegen te zoeken om deze crisis op te lossen. Daarmee doelde hij op het ontketenen van binnenlandse opstanden, waarin de Amerikaanse overheid bij uitstek bedreven en ervaren is.
Bij dat soort opstanden is in diverse landen gebruikt gemaakt van speciaal geformeerde gangsterbendes. De nieuwe onderminister van Buitenlandse Zaken, Negro Ponte, is een deskundige in het ontketenen van dat soort opstanden in Latijns-Amerika. Bij dergelijke interventies kunnen ofwel gewapende drugsbendes, ofwel stamhoofden in het Iraanse grensgebied zoals Koerdistan, alsmede in het oosten en andere delen van het land, ingeschakeld worden. Zo ook met collaborerende groeperingen (de bende der Zwoegers van Abdollah Mohtedi), facties binnen het regime of de Revolutionaire Wachters of de veiligheidsdienst. Al deze groeperingen kunnen tegen betaling van grote sommen geld in een dergelijk scenario van pas komen om angst en onrust te zaaien.
De momenteel gruwelijke situatie in Bagdad toont voor onze ogen aan waar een dergelijk scenario toe kan leiden. De tol daarvan, honderden doden per dag, wordt betaald door de bevolking van Irak.
Tezamen met de afkondiging van dit nieuwe beleid van “stabiliteit en veiligheid”, worden tevens duizenden man verse troepen naar Irak gestuurd voor de tenuitvoerlegging van dit nieuwe beleid van Bush. Volgens uitlatingen van Amerikaanse woordvoerders, zou dit nieuwe beleid er op gericht zijn om de Islamitische Republiek Iran en Syrië onder druk te zetten vanwege hun interventies in Irak, en om hen daarvoor te straffen. Het touwtrekken van de afgelopen jaren tussen Iran en Amerika over de dominantie in de regio, is daarmee een nieuwe fase ingegaan. Met de recente gevangenneming van Iraanse agenten in Irak heeft de pressie en intimidatie jegens het regime een nieuw hoogtepunt bereikt, en heeft er zelfs toe geleid dat Bush persoonlijk toestemming heeft gegeven om met scherp te schieten op elementen die verbonden zijn met de Islamitische Republiek. Het kapitalistische systeem zal voor geen enkele maatregel terugschrikken om dergelijke oorlogen te legitimeren en aanvaardbaar te maken.
Onder het mom van bestrijding van het terrorisme en massavernietingswapens is Irak door een coalitie van landen bezet. Dit geschiedde terwijl de VN-inspecteurs na maanden onderzoek er niet in geslaagd waren enig bewijs te vinden dat het dictatoriale regime in Bagdad over dergelijke massavernietigingswapens zou beschikken. Om de misdadige inval te rechtvaardigen, is men begonnen bewijs te construeren en heeft men de publieke opinie op misdadige wijze misleid, teneinde dit criminele charlatanisme te kunnen presenteren als een waarachtige strijd voor democratie. Aldus zijn de oorlogshitsers in de bourgeois-media voorgesteld als voorvechters van vrede en democratie.
Elke dag zijn miljoenen mensen overal in de wereld op middeleeuwse wijze gedwongen hun arbeidskracht te verkopen en zo een minimaal inkomen te verwerven, en moeten miljoenen mensen leven in absolute armoede, zonder gezondheidsvoorzieningen, huisvesting, in omstandigheden van prostitutie, verslaving en andere misère. De kosten van het failliet van de beurzen van Wall Street en Londen worden betaald door de arbeiders overal ter wereld, die opgeofferd worden in reactionaire oorlogen. De imperialisten bedienen zich van schijnheilige leugens. Deze imperialistische staten beschikken zelf over massavernietingswapens. De aanstichters van de ramp van Nagasaki en Hiroshima en de fascistische Israëlische regering die dagelijks Palestijnse arbeiders over de kling jaagt, gebruiken deze staten soms geen massavernietigingswapens?
Het leidt geen twijfel dat de reactionaire kapitalisten die in Iran aan de macht zijn, gehaat worden door de arbeiders en onderklasse van deze samenleving. Kan dit feit een rechtvaardiging vormen voor een criminele aanval en reactionaire oorlog? De Amerikaanse bourgeoisie heeft zich op verschillende momenten in de geschiedenis doen kennen als bouwers en architecten van de meest fascistische regeringen in alle uithoeken van de aarde.
Inclusief de installering van militaire dictaturen in Latijns-Amerika, van Marcos de beul van het Philippijnse volk, van de sjah in Iran en, recentelijk, van Mollah Omar in Afghanistan, en andere religieuze of nationalistische dictaturen.
Deze oorlogsdreigingen hebben niets te maken met de strijd tegen het terrorisme, met vrijheid of het uitschakelen van massavernietigingswapens. Deze oorlogen vervullen een functie in de ontwikkeling van het globale kapitalistisch systeem, en dienen een uitweg te bieden aan de wereldwijde chronische crisis van het kapitalisme. Na vier jaar militaire bezetting van Irak, hebben George Bush’ beloften terzake veiligheid en democratie in Irak en de regio geen enkel resultaat opgeleverd, in geen enkele stad van Irak. Momenteel bedraagt het Amerikaanse oorlogsbudget ruim vijfhonderd miljard dollar - gelijk aan alle defensiebegrotingen over de hele wereld.

Zal er een militaire aanval plaatsvinden?

De nieuwe Amerikaanse strategie in het Midden-Oosten is in diverse aspecten, met name in de opstelling jegens Iran, opmerkelijk. In de eerste plaats in het kader van de globale ontwikkelingen van het kapitalisme en de internationale diplomatiek. In de tweede plaats vanwege haar invloeden op de situatie in Iran, en de opstelling van Amerika, of meer algemeen het westen jegens Iran. In dit opzicht is het kapitalistisch systeem beland op een keerpunt in zijn geforceerde crisis.
De wereldeconomie is zonder politieke, in dit verband imperialistische en militaire interventies niet in staat om deze crises de baas te worden. Sinds de ineenstorting van het Oost-Europese kapitalisme is de internationale situatie geconfronteerd met een historische wijziging van de machtsverhoudingen. Sindsdien heeft Amerika zijn positie van hegemonie niet kunnen handhaven. Een van de grootste angsten van het Amerikaanse militaire beleid schuilt in het bestaan van een alternatief machtsblok genaamd de Europese Unie. Amerika heeft tot nu toe altijd kunnen steunen op zijn militaire superioriteit, waarmee het rivaliserende machtscentra onder de duim kon houden en intimideren. Aangezien de Europese Unie en andere staten zoals Japan dringend behoefte hebben aan energie, vormt de aanval op Irak en het wijdere Midden-Oostenbeleid gericht op verwerving van controle over de oliebronnen in de regio, een van de belangrijkste pijlers van de Amerikaanse strategie. Wanneer het controle verwerft over deze energiebronnen, beschikt Amerika over een machtig wapen om zijn rivalen in bedwang te houden.
Derhalve staan hun projecten, onder het ideologische mom van spreiding van democratie en strijd tegen politieke Islam en terrorisme, volledig in het teken van deze strategie. Dientengevolge zullen we een ontwikkeling gaan zien van het kapitalistisch systeem in de richting van verschillende machtscentra, hetgeen blijkt uit het verdwijnen van nationale regeringen, de instelling van een federalistisch systeem, en het opleggen van kapitalisme aan bepaalde bevolkingsgroepen.
Allemaal ontwikkelingen met specifieke politieke doelstellingen in de richting van een nieuwe ordening van de kapitalistische wereldmarkt, in het kader van kapitalistische rivaliteit.
De escalatie van raciale, nationalistische en godsdienstige tegenstellingen zien we momenteel voor onze ogen afspelen in Irak.
Ten aanzien van de opstelling jegens Iran, worden door de Europese en Amerikaanse imperialisten verschillende strategieën gevolgd. De Verenigde Staten zijn er vooral op uit om diplomatieke en militaire druk uit te oefenen, wellicht ook enkele gerichte confrontaties aan te gaan, teneinde het bewind angst aan te jagen. Anders gezegd, Amerika streeft er naar van boven af veranderingen in de machtsstructuur te bewerkstelligen. In het algemeen bedienen de Verenigde Staten zich van een nieuwe oorlogsstrategie bij het uitschakelen van traditionele staten en het installeren van ondergeschikte regeringen in de regio. Zoals boven aangestipt, kan Amerika in zijn confrontatie met Iran geen toevlucht nemen tot een echte, grootschalige oorlog. Maar waarschijnlijk zal het kiezen voor enkele beperkte, locale operaties, zowel om angst te zaaien als om had pad te effenen voor gewapende gangster-bendes. Eén en ander zal afhangen van de loop der gebeurtenissen, van het geheime overleg en geruzie met andere imperialistische mogendheden, en van de wijze waarop de machtsverhoudingen binnen de heersende elite van de Islamitische Republiek zich uitkristalliseren.
En tenslotte is er nog een belangrijke factor die bepalend kan zijn voor deze ontwikkelingen, en dat is het feit dat de hoofdspeler in dit geheel helaas ontbreekt. Daarmee wordt bedoeld de klassenstrijd, en de aanwezigheid van de belangrijkste kracht of “derde macht” in deze tegenstelling. Op het ogenblik is de situatie zodanig, dat deze hoofdkracht of “derde macht” geen enkele rol speelt in de politieke berekeningen en initiatieven van de mogendheden, aangezien alle bestaande krachten, van rechts tot links tot centrum, verbonden zijn en in dienst staan van de burgerlijke contrarevolutie.

Imperialisme en oorlog

Na het uiteenvallen van het voormalige imperialistische Sovjetblok, volgend op het vallen van de Muur, is het kapitalistisch systeem in een nieuwe fase beland, welke een nieuwe periode in de geschiedenis van het kapitalistisch stelsel inluidt. De Eerste Wereldoorlog werd gevoerd omwille van de opdeling van de wereld vanwege de rivaliteit tussen alle kapitalistische staten. Dat was een uiterst belangrijk moment in de verspreiding van het kapitalistisch stelsel. De Eerste Wereldoorlog heeft overduidelijk aangetoond, dat het proces van concentratie en oppotten van kapitaal dermate vervolmaakt was, dat de crisis alleen met oorlogvoering beheersbaar kon worden gemaakt. Anders gezegd, met de Eerste Wereldoorlog is het kapitalisme een nieuwe fase van zijn bestaan ingegaan, en dat is de fase van het imperialisme.
In deze fase verwerven staten een monopolie over een deel van het wereldwijde kapitalisme, hetgeen een onvermijdelijke onderdeel is van de wetten die de economie van het kapitalisme beheersen. Derhalve is het ook absoluut onvermijdelijk dat kapitalistische staten deze wetten ten uitvoer leggen. Daarom is het imperialistisch kapitaal niet alleen aanwezig in een specifieke machtstrein zoals het grote kapitaal tegenover zwakkere, kleinere kapitalen, maar ook juist in verschillende machtstreinen.
De fenomenale groei van de monopolies van het imperialistisch kapitaal maakte korte metten met de landsgrenzen van overige bourgeoisie staten. Een andere belangrijke factor van deze periode is het proces van snellere versmelting tussen financieel kapitaal en industrieel kapitaal teneinde de monopolies te consolideren. Samenvattend kan men zeggen dat deze fase zich onderscheidt in de geschiedenis van het kapitalisme als het begin van het tijdperk van imperialistisch kapitaal, waarbij helse oorlogsvoering overal ter wereld de plaats ingenomen heeft van de crisis.

Oppositie en het gegeven van militaire aanval

De diverse oppositiepartijen en –organisaties, van links en rechts, van het kapitaal hebben zich alle op grond van hun theoretische uitgangspunten uitgelaten over dit belangrijke thema. Wat hen alle verbindt in hun analyse, is dat ze het zonder uitzondering eens zijn over de waarschijnlijkheid van een militaire aanval door Amerika. Alle bourgeois-oppositiepartijen hebben zich begeven in klassenanalyses in dit verband. Wat ontbreekt in hun redenering, is een klassenanalyse van de historische positie van het imperialistisch kapitalisme en van de crises die eigen zijn aan deze fase van het wereldwijde kapitalisme.
Een belangrijk deel van de gevestigde linkse kapitalistische oppositie wijst op het periodieke karakter van de crises als oorzaak van de imperialistische oorlogs-ophitserij in haar pogingen deze crises te bezweren. Echter, in deze oppervlakkige analyse wordt voorbijgegaan aan een grondige positiebepaling, aangezien men de oorzaak niet in het systeem zelf zoekt maar in het cyclische proces dat de kapitaalcrisis momenteel doormaakt. Aldus beschouwt men oorlog niet als eigen aan het systeem zelf, als een steeds weer voorkomend militaristisch optreden om het hoofd te bieden aan crises van het kapitalistisch stelsel, maar als iets voorbijgaands, iets periodieks. In sommige kringen wordt zelfs gestrooid met fantasieën waarin oorlog wordt verklaard vanuit het feit dat de leiders van regimes als de Islamitische Republiek of het voormalige Irak stom of terroristisch zouden zijn.
Dergelijke opvattingen komen voort uit een gebrek aan kennis van het kapitalistische stelsel. Dit stelsel zal per se crises voortbrengen, en ziet oorlog als de enige weg is om die crises te bezweren. Oorlog zit ingebakken in het kapitalisme of, in dit geval, imperialisme. Na verloop van twee wereldoorlogen, is oorlog nu een mondiaal fenomeen geworden, en hebben alle oorlogen, zonder uitzondering, een reactionair karakter gehad, en zijn ze gevoerd teneinde de belangen van de imperialisten veilig te stellen.

Tegen de reactionair-imperialistische oorlogen

Alleen door het verspreiden van de internationale proletarische klassenstrijd zal het mogelijk zijn om de ongebreidelde imperialistische oorlogs-ophitserij een halt toe te roepen, aangezien het juist de uitgebuite massa’s zijn die in een reactionaire oorlog ten slachtoffer vallen.
Alleen de internationalistische jongerenklasse is in staat om de gigantische oorlogsmachine van het imperialisme tot staan te krijgen, aangezien geen enkel nationaal of nationalistisch belang gediend is bij de voortzetting van dit soort oorlogen. Als het verdere imperialistische oorlogen in de toekomst wil verhinderen, kan het proletariaat niet als een passieve toeschouwer blijven zitten. Deze situatie toont nogmaals aan hoe urgent het is dat de arbeidersklasse zich organiseert, teneinde zich als internationale organisatie effectief te weer te stellen tegen deze dreigingen.

B.

Dreigementen tegen Iran: De groeiende irrationaliteit van de kapitalistische oorlog

Op 17 Oktober drong president Bush er op aan dat “hij gezegd had dat als mensen geïnteresseerd zijn in het vermijden van een Derde Wereldoorlog, ze ook geïnteresseerd dienen te zijn in het voorkomen dat zij [Iran] de nodige kennis opdoen om kernwapens te maken.” Dit kan worden afgedaan als het zoveelste voorbeeld van opgeklopte retoriek van Bush, maar achter deze uitspraak schuilt de werkelijke dreiging dat de gewonde beer die het Amerikaanse imperialisme is, klappen zal uitdelen naar imperialistische rivalen waardoor het voortdurend wordt uitgedaagd.
De Derde Wereldoorlog staat niet op uitbreken. De voorwaarden daarvoor bestaan niet: de wereld is niet verdeeld in militaire blokken, en de arbeidersklasse is niet verslagen en bereid ten oorlog te trekken voor haar heersende klasse. Toch voert het Bush-regime de militaire en economische druk tegen Iran op met de verklaring dat de Revolutionaire Garde een terroristische organisatie is, door het uitbreiden van de strijdmacht van de Verenigde Staten in de Golf en door de groeiende propagandacampagne gericht op het voorbereiden van de bevolking op de mogelijkheid van een militaire interventie van de Verenigde Staten tegen Iran (in naam van het verhinderen dat Iran kernwapens verkrijgt) wat het perspectief inhoudt van een kwalitatieve verergering van het militaire barbarendom in het Midden-Oosten en op internationaal vlak.
Dit dreigement met militaire actie tegen Iran, terwijl het nog steeds tot z’n nek vastzit in de ramp van Irak terwijl Afghanistan in dezelfde richting snelt, lijkt waanzin en vragen om een nog grotere ramp. Maar het Amerikaanse imperialisme zit vast aan de waanzinnige logica van het imperialisme. Als enige supermacht van de wereld moet het alle andere imperialistische machten er toe dwingen zijn heerschappij te aanvaarden, terwijl al zijn rivalen door dezelfde waanzinnige redenering niet alleen verzet plegen tegen deze overheersing, maar om er ook alles aan doen om het Amerikaanse imperialisme te ondermijnen. Het is deze logica die Irak tot chaos bracht en die dreigt de hele regio (de bakermat van de menselijke beschaving) in dergelijke terreur te storten.
Iran wordt door het Amerikaanse imperialisme gezien als draaischijf van het Midden-Oosten. De oude oorlogshitser van het Amerikaanse imperialisme, Zbigniev Brzezinski, definieert draaischijven als volgt: “Actieve geo-strategische deelnemers zijn de staten die het vermogen en de nationale wil hebben om macht en invloed uit te oefenen over hun grenzen heen om – in een mate die de Amerikaanse belangen aantast – de bestaande geo-politieke situatie van zaken te veranderen… Turkije en Iran spelen de rol van draaischijven met doorslaggevend belang.” (Het grote schaakbord, 1997). Iran ligt midden tussen het Midden-Oosten en Centraal-Azië en is dus belangrijk voor de Amerikaanse plannen om deze regio te beheersen en daarachter nog West-Europa en Rusland. De Verenigde Staten zou ook de oliebevoorrading daarvan willen beheersen.
Deze positie van draaischijf heeft de bevolking van Irak en Iran al meer dan een miljoen doden gekost tijdens de oorlog in de jaren 1980 toen de Verenigde Staten Irak steunden. De reden voor deze oorlog was de breuk van Iran met het Amerikaanse blok, door het omverwerpen van het door de Verenigde Staten gesteunde regime van de Sjah en de invoering van een theocratie (religieuze macht). De pure barbaarsheid van deze oorlog, met chemische wapens, massaslachtingen van opeenvolgende golven van soldaten aan beide kanten, waaronder kinderen, met raketaanvallen op de steden; dat alles gebeurde met de rechtstreekse medewerking van het Westerse Blok (het Iran/Contra schandaal liet zien dat de Verenigde Staten beide kanten bewapende) om Iran in het gareel te brengen. Het liet zien dat er iets was veranderd in de imperialistische verhoudingen. Daarvoor, in de periode na de Tweede Wereldoorlog, was voor oorlog toestemming nodig van de blokken. Iran was iets nieuws, een imperialistische macht die zijn eigen belangen verdedigde en daarbij openlijk zowel Oost als West uitdaagde. Het was een voorproefje van de geest van het ‘ieder voor zich’ dat uit de hand liep met de ineenstorting van het oude systeem van blokken.
In de Eerste Golfoorlog had de Iraanse bourgeoisie de Verenigde Staten gesteund, omdat die hun oude rivaal aanvielen, maar de minste ambitie die het gehad kon hebben om voordeel te slaan uit de verzwakking van Irak werden afgestopt toen de Verenigde Staten Saddam aan de macht lieten. De ramp van de Tweede Golfoorlog voor de Verenigde Staten, die Iran de kans bood om zijn eigen imperialistische dorst te lessen. De vernietiging van Saddam en de daarop volgende chaos maakte het Iran mogelijk om volop zijn invloed bij de Shia bourgeoisie aan te wenden. De ‘regering’ van Irak wordt beheerst door Shia partijen met banden met Iran, maar die Iran ook op afstand willen houden, terwijl in het zuiden de door Iran gesteunde Shia milities de Britten eruit hebben gegooid en de controle over de regio verwierven. Tezelfdertijd werkte de Iraanse bourgeoisie met man en macht aan het ontwikkelen van de middelen om kernwapens te produceren om zijn belangrijkste rivaal in de regio, Israël, beter te kunnen uitdagen en om net zoals Noord-Korea een troef te hebben in onderhandelingen met de Verenigde Staten.
De Iraanse bourgeoisie probeert ook om de verzwakking van het Amerikaanse imperialisme zo goed mogelijk uit te buiten net als de bereidheid van zijn grootste rivalen om zijn plannen te dwarsbomen. Vandaar de bereidheid om in te stemmen met de diplomatieke oplossing die wordt voorgesteld door de Europese Unie, vooral door Duitsland en Italië, die nauwe betrekkingen onderhouden met Iran en die zo hun eigen imperialistische ambities kunnen najagen.
Europa is geen samenhangend geheel. Ieder land heeft eigen belangen te verdedigen. Zo heeft het Franse imperialisme, dat historische banden heeft met Libanon en Syrië, de harde lijn gevolgd. Een lijn die er ook op is gericht om de toestand voor het Britse imperialisme te verslechteren, dat een aframmeling heeft gekregen in het Zuiden van Irak (zie hiervoor No way out for British imperialism, in World Revolution, nr. 308), omdat het in Irak te nauw verbonden was met de Verenigde Staten. Het wil niet worden meegesleurd in een volgend conflict, vandaar de wat subtieler steun van Gordon Brown voor sancties. Toch is de SAS samen met elitetroepen van de Verenigde Staten en Oostenrijks betrokken bij operaties langs de Iraaks-Iraanse grens en in Iran (Sunday Times, 22.10.2007). Dit laat de problemen van Groot-Brittannië zien, want het moet deelnemen aan dergelijke operaties om de belegerde troepen op het vliegveld van Basra te beschermen, zonder de indruk te wekken dat het de Verenigde Staten in de steek laat. Maar tezelfdertijd dragen dergelijke operaties het risico met zich mee te worden meegesleurd in een militaire escalatie waaraan ze niets kunnen veranderen.
Deze explosieve toestand wordt nog gevaarlijker door de toenemende betrokkenheid van het Russische imperialisme. In oktober was er te Teheran een topontmoeting van de landen rond de Kaspische Zee: Iran, Rusland, Azerbeidzjan, Kazakstan en Turkmenistan. Deze topontmoeting verstevigde de toenadering tussen Rusland en Iran: “Inderdaad, het zijn zowel de gemeenschappelijke belangen als de gemeenschappelijke zorgen en ongerustheid, zoals de losgeslagen interventionistische politiek van de Verenigde Staten, die Iran en Rusland dichter bijeen hebben gebracht en dicht bij een nieuw strategisch bondgenootschap. Zowel Iran als Rusland zij het mikpunt van Amerikaanse dwang, hun nationale veiligheid en hun doelstellingen komen in gevaar door het Amerikaanse militarisme van na 9/11.” (Asia Times, on-line, 26.10.2007). Er werd bericht dat president Putin, tijdens een nooit eerder voorgekomen ontmoeting met de ‘opperste leider’ Ayatollah Ali Khamenei zei dat “Een Amerikaanse aanval op Iran beschouwd zou worden als een aanval op Rusland” (Asia Times, on-line 26.10.2007).
Het Iraanse imperialisme lonkt ook naar het Chinese imperialisme. Het wil met China en Rusland samengaan om ‘tegenwicht te vormen voor de alleenheerschappij van de Verenigde Staten’, de Samenwerkingsorganisatie van Sjanghai. China is voorzichtiger in zijn steun aan Iran dan Rusland, maar het ziet in dat zijn belangen gediend worden door er blijk van te geven in te gaan tegen de oorlogsbeluste houding van de Verenigde Staten jegens Iran.
Bij deze warboel moet nog de groeiende destabilisering van de regio worden opgeteld, die wordt gekenmerkt door de dreigementen van Turkije aan het adres van Irak, net als de vastberadenheid van het Israëlische imperialisme om te laten merken dat zijn nederlaag in Libanon vorig jaar niet voor herhaling vatbaar is. Israël heeft altijd gezegd dat het zal proberen Iran er van te weerhouden om kernwapens te ontwikkelen en in een toestand waarin het verzwakt lijkt wordt een dergelijke actie des te waarschijnlijker. Tenslotte kan Saoedi-Arabië niet gedogen dat zijn regionale positie wordt verzwakt door een opkomend Iran.
We kunnen niet voorspellen wat de kokende ketel van spanningen zal brengen. Wat we wél kunnen zeggen is dat het Amerikaanse imperialisme vast zit in een vicieuze cirkel: als het zijn militaire macht niet uitspeelt zullen zijn rivalen proberen volop winst te slaan uit zijn zwakheid, terwijl als het militaire actie onderneemt tegen Iran, het de hele regio nog dieper in de chaos zal storten. Of de Verenigde Staten dit keer al dan niet militaire actie zal ondernemen, toch zullen de arbeidersklasse en de mensheid blijven onderworpen aan de chaos in Irak, het ophitsen van nationalistische hysterie in Iran, constante militaire dreiging vanuit Turkije en Israël en alle ellende waartoe dit alles zal leiden.

 

Phil / 2.11.2007

Frankrijk: Tegenover al de aanvallen door de regering: Samen de strijd aangaan!

Het is in naam van de “sociale rechtvaardigheid” dat Sarkozy met zijn miljardairs-vriendjes de gore lef hadden van ons te verlangen om te aanvaarden dat allerlei toeslagen en bijzondere pensioenregelingen worden herzien of afgeschaft, en dat die voor iedereen worden gekoppeld aan veertig arbeidsjaren.
De spoorlieden, beambten van de RATP (metro’s en bussen), de werkenden bij het gas, de elektriciens spraken in hun algemene vergadering duidelijk uit: het zijn geen privilèges, het is 37½ jaar VOOR IEDEREEN!
De arbeiders weten heel goed dat als ze deze aanval op de bijzondere toeslagen onbeantwoord laten dat de staat morgen al van ons zal verlangen dat we 41 of 42 jaar werken alvorens een volledig pensioen te ontvangen en zelfs nog langer zoals al in Italië (waar er binnenkort een regeling komt voor pensionering op 65 jaar) en gaande tot 67 jaar zoals dat al het geval is in Duitsland en Denemarken.
In de faculteiten heeft dezelfde regering in de zomer in stilte (met medeplichtigheid van de studentenvakbond UNEF en de Socialistische Partij) een wet aangenomen die middelbare op twee snelheden voorbereid: enerzijds een ‘kwaliteitskant’ voorbehouden aan studenten met poen, anderzijds ‘vuilnisfaculteiten’ waarin het grootste deel van de nieuwe generaties, de kinderen die voortkomen uit de armere milieu’s, worden voorbereid op hun toekomst als werklozen en arbeidsonzekeren.
Voor de ambtenarij bereidt de regering het verdwijnen van 300.000 banen voor tussen nu en 2012 terwijl de onderwijzers nu al te kampen hebben met overvolle klassen en alle ambtenaren er steeds meer taken en overuren bij krijgen.
In de private bedrijven verdwijnen er steeds meer arbeidsplaatsen en volgen de ontslaggolven elkaar op terwijl de regering Sarkozy een wijziging van de Arbeidswet voorbereid waarin het trefwoord bestaat uit “flexi-zekerheid”, en waarbij het ons wordt opgelegd dat de werkgevers ons van de ene dag op de andere nog gemakkelijker op straat kunnen gooien.
Per 1 januari 2008 worden nieuwe ziektewetpremies ingevoerd die samengaan met steeds minder vergoedingen voor medicamenten, een stijging van de eigen bijdragen in ziekenhuiskosten (ingevoerd door Ralite, de voormalige minister van de Communistische Partij), de eigen bijdragen voor medische handelingen die oplopen tot meer dan 90 euro en alweer een stijging van de GSC (een belasting ter financiering van de sociale zekerheid).
Sarkozy verlangt van ons dat we “meer werken om meer te verdienen”. Maar het is duidelijk dat het betekent: meer werken voor minder geld. Een duizelingwekkende daling van de koopkracht gaat hand in hand met buitenissige prijsverhogingen van de eerste levensbehoeften: melkproducten, brood, aardappelen, groente en fruit, vlees en vis...
Tezelfdertijd stijgen de huren: steeds meer proletariërs wonen tegenwoordig in tijdelijke of onbewoonbare huisvesting.
Steeds meer proletariërs, zelfs als ze nog werk hebben, worden al in armoede gedompeld, zijn niet meer in staat zichzelf behoorlijk te voeden, te wonen, zichzelf fatsoenlijk te verzorgen. En we krijgen te horen: “dat is het begin”. De toekomst die voor ons in het verschiet ligt is er een waarin de op stapel staande aanvallen morgen nog veel harder zullen zijn. En dat alleen omdat de Franse bourgeoisie probeert haar achterstand in te halen ten opzichte van zijn concurrenten van de andere landen. Met de verscherping van de crisis van het kapitalisme, met de verscherpte concurrentie op de wereldmarkt, moet er worden “meegedongen”. Dat betekent steeds meer het onder vuur nemen van de arbeids- en levensomstandigheden van de arbeidersklasse.

De enige manier om zich tegen de aanvallen te verzetten is de strijd aan te gaan

De woede en onvrede die nu tot uiting komt, op straat zowel als in de bedrijven, kan zich alleen maar verbreden omdat de arbeiders er overal toe worden gedreven om zichzelf te verdedigen tegen dezelfde aanvallen.
Sinds 2003 heeft de arbeidersklasse (volgens de bourgeoisie een ‘achterhaald begrip’) haar strijdbaarheid laten tentoongespreid, juist tegen de aanval op de pensioenen in 2003 in Frankrijk en in Oostenrijk, tegen de hervorming van de gezondheidszorg, tegen de ontslagen op de scheepswerven in Galicië in Spanje in 2006 en in de automobielindustrie in Andalusië in de vorige lente. Nu zijn het hun broeders van de Duitse spoorwegen die de strijd aangaan voor loonsverhogingen. In al die strijd, in de laatste maanden in Chili en Peru, in Egypte net als onlangs nog bij de migrantenarbeiders in de bouw in Dubaï, komt er een diep gevoel van klassensolidariteit naar boven dat aanzet tot uitbreiding van de strijd tegen eenzelfde over-uitbuiting. En het van deze zelfde klassensolidariteit dat blijk werd gegeven in de strijd van de scholieren en studenten tegen de Franse startbaancontracten (CPE) in de lente van 2006, en die de voornaamste inzet vormt in deze omstandigheden. Dat is het waarvoor de bourgeoisie het meest bang is.

De vakbonden saboteren en verdelen het antwoord van de arbeiders

Door eerst de bijzondere pensioentoeslagen aan te pakken in afzonderlijke sectoren zoals het openbaar vervoer (SNCF, RATP) en de energiebedrijven (EDF, GDF) kan de staat geen windeieren leggen. Het is een louter strategische keuze van de Franse bourgeoisie in een poging de arbeidersklasse te verdelen.
Links en de vakbonden staan fundamenteel volledig achter de regering; ze hebben voortdurend de noodzaak naar voren gebracht van ‘hervormingen’, die van de pensioenen en de toeslagen voorop. Het is trouwens de voormalige socialistische eerste minister Rocard die in het begin van de jaren 1980 het ‘witboek’ over de pensioenen samenstelde en dat diende als kapstok waaraan alle volgende regeringen, linkse zowel als rechtse, hun genomen maatregelen konden ophangen. De huidige kritiek van links en de vakbonden blijft dan ook beperkt tot: er is geen ‘democratische besluitvorming’, er zou niet genoeg ‘overleg’ zijn geweest.
Terwijl links tijdelijk buiten spel staat, vooral door het ‘wegkopen’ van linkse krachten zoals door Sarkozy in praktijk gebracht, komt de rol van het onder controle houden van de arbeidersklasse vooral aan de vakbonden toe. Die hebben met de regering (en onder elkaar) op alle vlak het werk verdeeld om de arbeidersreactie te saboteren en te verdelen. Voor de bourgeoisie is het van belang om de arbeiders van het openbaar vervoer gescheiden te houden van de reactie van de arbeidersklasse als geheel. Om dat te volbrengen heeft de heersende klasse alle media in de strijd betrokken in een poging om de staking ongeloofwaardig te maken en het idee er in te rammen dat de andere arbeiders in gijzeling zouden worden genomen door een egoïstische minderheid van bevoorrechten, door er gebruik van te maken  dat de belangrijkste sector waarop de toeslagen betrekking zou hebben die van het openbaar vervoer is. Zij is gericht op de impopulariteit van een lange staking in het vervoer en dan vooral die bij de Franse spoorwegen (SNCF, een sector die de meest strijdbare was tijdens de stakingen in de winter van 1986-1987 en die van 1996) om de ‘reizigers’ op te stoken tegen de stakers.
Elk van de vakbonden speelt zijn rol in de verdeling en het isolement van de strijd:
– De FGAAC (een treinbestuurdersvakbond die niet meer dan 3% van het personeel van de SNCF vertegenwoordigt, maar wel 30% van de treinbestuurders), na te hebben opgeroepen tot een ‘eventueel verlengbare staking’ voor 18 oktober, zij aan zij met de vakbonden SUD (Solidaires, Unitaires, Démocratiques) en FO (Force Ouvrière), maar haastten zich de avond na de manifestatie om met de regering te onderhandelen om tot een ‘compromis’ te komen en een bijzondere regeling voor het ‘rijdend personeel’ en riep op de volgende dag het werk te hervatten, daarmee de rol op zich naar van ‘verrader’ van de dienst.
– De CFDT riep die dag alleen de spoorweglieden tot staking en manifestatie op, om “niet alle problemen en alle eisen door elkaar te gooien”, volgens de verklaring van haar algemeen secretaris Chérèque; vervolgens haastte deze vakcentrale, trouw aan dezelfde tactiek, om op te roepen tot “opschorting van de staking” bij de SNCF en tot werkhervatting in de andere sectoren zodra de regering haar bedoeling duidelijk had gemaakt om onderhandelingen te openen bedrijf per bedrijf.
– De CGT, de grootste vakbond, speelde een beslissende rol in achter de rug van de arbeiders om uitgevoerde manoeuvre. Ze beperkte zich tot een ‘brede’ 24-uur-staking op 18 oktober (het daarbij aan de departementale vakbonden overlatend om ‘initiatieven’ te nemen om de staking eventueel te verlengen). Vervolgens nam zij het initiatief om een nieuwe stakingsoproep te doen aan het spoorwegpersoneel dit keer verlengbaar vanaf de avond van 13 november wat de andere sectoren en de andere vakbonden achter dit voorstel bracht. Op 10 november vroeg de algemeen secretaris van de CGT Thibault aan de regering om de algemene tripartiete onderhandelingen [dat wil zeggen tussen vakbonden, ondernemers en regering] over de toeslagen te openen (wat niet meer dan bluf was omdat de regering zijn politiek direct oplegt aan de directies van de openbare werken) en twee dagen later, 12 november, aan de vooravond van het begin van de staking, werd er een nieuw initiatief gelanceerd: door nog altijd aan een tripartiete overleg te houden, maar dan per bedrijf. Zo worden de arbeiders voor volslagen debielen gehouden want juist in dat kader was de regering van meet af aan van plan om de hervorming door te drukken door de onderhandelingen ‘in plakjes te snijden’, bedrijf per bedrijf, geval per geval. Deze plotselingen ommekeer en deze ‘vuile streek’ veroorzaakten hoogoplopende reacties in de algemene vergaderingen waarbij de ‘basis’ van deze vakbond gedwongen werd ervan uit te gaan dat de stakingsbeweging zou worden voortgezet.
– FO en vooral SUD (een vakbond gestuurd door de ‘trotskistische’ LCR van Olivier Besancenot) had geprobeerd om met een minderheid de staking na de 18de oktober ver meerdere dagen uit te smeren, en de wedijver aangaat met een steeds radicaler opbod door de arbeiders ertoe te drijven in verlengbare stakingen te blijven tot aan de algemene vakbondsstaking van de ambtenarij van 20 oktober, en de arbeiders er daarbij aan te zetten om met ‘commando-acties’ de het rails te bezetten in plaats van de proberen de strijd naar andere sectoren uit te breiden.
– Een leider van de UNSA (Union nationale des syndicats autonomes, een interprofessionele vakbondsorganisatie), al evenzeer vooroplopend voor de verlengbare staking, verklaarde van haar kant dat in de manifestaties de zaken goed gescheiden dienden te blijven en dat het spoorwegpersoneel niet kon met de ambtenaren kon optrekken omdat die “heel andere eisen hebben”.
Ondertussen waren alle vakbonden al in geslaagd om heimelijk de werkhervatting op te dringen bij de energiebedrijven EDF en GDF. En woensdag 21 oktober, vlak na de manifestatie van de voorafgaande avond, zouden de zes vakbondsfederaties op hun beurt met de regering gaan onderhandelen over een ‘uitweg’ voor het spoorwegpersoneel rond een afzonderlijk ‘programma van eisen’.

 

Om doelmatig strijd te leveren kunnen we alleen op onszelf rekenen!

Ondanks de wil van de regering om het arbeidersverzet te breken, ondanks de vermenigvuldiging van de geen tegenspraak duldende aanmaningen van de regering om het werk te hervatten, ondanks de medeplichtigheid en al het ondermijningswerk en de strijdsabotage door de vakbonden, blijven niet alleen de woede en de strijdbaarheid van de arbeiders bestaan, maar de wil om de verschillende brandhaarden van de strijd met elkaar te verenigingen begint op te laaien. In Rouen bijvoorbeeld ging studenten van de faculteit van Mont-Saint-Aignan op 17 november naar het strijdende spoorwegpersoneel, deelden daar de maaltijd en namen deel van hun algemene vergadering net als aan een actie van het instellen van een ‘gratis tol’ op de snelweg. Stukje bij beetje ontkiemt het idee van de noodzaak van een massale en verenigde strijd van de hele arbeidersklasse om het hoofd te kunnen bieden aan de onvermijdelijke verdere aanvallen door de regering. Daartoe moeten de arbeiders lering trekken uit de sabotage door de vakbonden. Om doelmatig strijd te kunnen leveren, met een gezamenlijke en solidaire reactie waarbij steeds geprobeerd wordt hun strijd uit te breiden, kunnen ze slechts op hun eigen krachten rekenen. Ze hebben geen andere keuze dan hun strijd zelf ter hand te nemen en alle valstrikken, alle verdelingsmanoeuvres en sabotage door de vakbonden onschadelijk te maken.
Meer dan ooit is de toekomst aan de ontwikkeling van de strijd van de klasse.

Wim / 18.11.2007

Frankrijk: Weg met de politiestaat! Solidariteit van alle arbeiders met de door de smerissen in elkaar geslagen scholieren!

Vorige week zijn Sarkozy en zijn handlangers, de regering Fillon/Hortefeux/Pécresse en consorten (met de heimelijke steun van de ‘Parti Socialiste’ en heel ‘veelkleurig links’), de Rubicon van de schande en het sadisme overgestoken. Na het met gewapende macht over de Franse grenzen jagen van asielzoekers in naam van de selectiepolitiek van ‘beperkte immigratie’, zijn het nu de stakende studenten en scholieren die hard door de politie worden aangepakt. Een wrede repressie daalde neer op de studenten en scholieren die strijden tegen de wet ter privatisering van middelbare scholen en universiteiten (de LRU). In naam van ‘democratie’ en ‘vrijheid’ deden sommige rectors van middelbare scholen en universiteiten, in dienst van het kapitaal, een schandelijk beroep op oproerpolitie en mobiele brigades om de gesloten en bezette faculteiten te ontzetten in Nanterre, Tolbiac, Rennes, Aix-Marseille, Nantes, Grenoble…

De orde van de kapitalistische terreur!

In Rennes en vooral Nanterre was de repressie wel heel smerig. Na eerst opdracht te hebben gegeven tot ingrijpen door bewakers met politiehonden lieten de rectoren de oproerpolitie CRS de gebouwen bestormen. De bezettende studenten werden verjaagd met knuppels en traangas. Meerdere werden gewond en gearresteerd. De politie ging zo ver in sadisme dat de bril (symbool van wie studeert en leest!) van een student uit Nanterre werd afgerukt en verbrijzeld. De media in dienst van Sarkozy en van het kapitaal rechtvaardigden de repressie door het woord te verlenen aan de rectors van middelbare scholen en universiteiten. Die van Nanterre beweerde in het avondjournaal van France 2 op 13 november dat “het niet ging om strijd maar om criminaliteit”. En zijn hysterische collega-lakei uit Rennes beweerde schaamteloos dat het ging om oproer van “terroristen en Rode Khmers”.
Het is overduidelijk dat de voormalige eerste smeris van Frankrijk, Sarkozy, bijgenaamd Nicolas de Kleine, vastbesloten is om met de hogedrukspuit de Franse middelbare scholen en universiteiten schoon te maken en om de kinderen van de arbeidersklasse als ‘schooiers’, als ‘uitschot’, als ‘criminelen’ (volgens de rector van Nanterre) te brandmerken. En al wie ‘aan politiek doet’ (immers, volgens de minister van onderwijs, mevrouw Pécresse, op 7 november op het televisiekanaal LCI, “zijn de blokkades eerst en vooral politiek”), is niet meer dan een ‘terrorist’. En terwijl de minister van Binnenlandse Zaken, mevrouw Alliot-Marie haar smerissen het bevel gaf om de aanval in te zetten tegen de bezette faculteiten, drijft haar ‘vriendin’, mevrouw Pécresse, het cynisme ten top met de bewering dat ze “de studenten wil geruststellen” (sic!).
De arbeiders uit de openbare zowel als de private sector moeten de boodschap wel mee krijgen: iedereen die ‘illegale’ of ‘impopulaire’ stakingen begint (en de media van TV-Sarkozy zullen de propaganda er iedere dag inrammen), iedereen, zoals de arbeiders van de spoorwegen en de Parijse metro, die “reizigers gijzelt”, zal als ‘terrorist’, als verstoorder van de ‘openbare orde’ worden aangemerkt.
Maar het ware ‘gele gevaar’ bestaat niet uit de zogenaamde ‘Rode Khmers’ van de middelbare school van Rennes. Het zijn de ‘schooiers’, de stakingsbrekers van de ‘schooiocratie’, die de jonge generaties van de arbeidersklasse aftuigen en uitroken met de zegen van verklikkers en dienstkloppers: de rectors van middelbare scholen en universiteiten. De ware ‘terroristen’, de ware criminelen, dat zijn zij die ons regeren en die het vuile werk verrichten voor een gangster-klasse: de bourgeoisie in verval. Hun orde, dat is die de onverbiddelijke TERREUR van het kapitaal.
Deze klasse van schooiers liet het niet bij het sturen van bijtende politiehonden en knuppelende brigades tegen de stakende scholieren en studenten. In sommige universiteiten die door de smerissen werden ontruimd gingen ze zo ver in hun smeerlapperij dat ze ‘beslag legden’ op de stakingskas van de studenten. In Lyon bijvoorbeeld waren scholieren en studenten die de faculteit bezetten erin geslaagd een appeltje voor de dorst van een paar honderd Euro bij elkaar te krijgen. Terwijl de tot de tanden gewapende oproerpolitie de faculteit ontruimde, legde de schoolleiding beslag op het door de studenten aangevoerde keukenmateriaal en op hun stakingskas. Dat is onwaardig, schandelijk, walgelijk! Deze schurkenstreken van de bourgeoisie zijn vergelijkbaar met die van de vandalen uit de buitenwijken, die in 2006 tijdens de beweging tegen de startbaancontracten gemanipuleerd werden door de burgerlijke staat om in de betogingen scholieren en studenten te grijpen en hun GSM te stelen!
Dat is het ware gelaat van de parlementaire democratie: de ‘openbare’ orde is de orde van het kapitaal. Het is de orde van de terreur en de knuppels, die van smerissen en media. Het is de orde van leugen en manipulatie door TV-Sarkozy! Het is de orde van de Machiavelli’s die proberen ons te verdelen om des beter te heersen, die ons tegen elkaar willen opstoken door de strategie te gebruiken die in het voorjaar van 2006 was ontworpen door de vorige regering Villepin-Sarkozy: ontaarding door geweld!

De solidariteit tussen scholieren en studenten en de spoorwegarbeiders wijst de weg

De woeste repressie tegen scholieren en studenten is een rechtstreekse aanval op heel de arbeidersklasse. De grote meerderheid van scholieren en studenten die strijden tegen de privatisering van het middelbaar onderwijs en de universiteiten en tegen de schoolkeuze van de poen zijn kinderen van proletariërs en niet van weldenkende kleinburgers, zoals de media of de socio-ideologen van het kapitaal beweren. Veel van hen zijn inderdaad kinderen van arbeiders uit de openbare sector of van immigranten (vooral op de middelbare scholen in de buitenwijken zoals Nanterre of Saint-Denis). De proletarische aard van de studentenstrijd tegen de Wet Pécresse kwam duidelijk tot uiting in het feit dat de stakers in staat bleken om hun eisen uit te breiden: in de meeste van de bezette middelbare scholen werd in de eisenplatforms niet enkel intrekking van de LRU geëist maar werden ook de bijzondere pensioenregelingen verdedigd en de wet Hortefeux verworpen, net als de politiek van ‘beperkte immigratie’ van Sarkozy, de eigen bijdragen voor de gezondheidszorg, en alle overige aanvallen van de regering op de hele arbeidersklasse. Ze brachten de noodzakelijke SOLIDARITEIT naar voren die de strijdende arbeiders verenigen tegen corporatistische opsluiting en ‘onderhandelingen’ per bedrijf, per sector zoals de vakbonden dat willen. En de studenten bleken ook in staat deze solidariteit concreet vorm te geven. Zo sloten, in Parijs zowel als buiten de hoofdstad (bijvoorbeeld op 13 en 14 november), verschillende honderden scholieren en studenten zich aan bij betogingen van spoorwegpersoneel dat streed tegen het op de helling zetten van de bijzondere pensioenregelingen. In sommige steden (Rennes, Caen, Rouen, Saint-Denis, Grenoble) werd deze solidariteit van de kant van de jonge generaties van de arbeidersklasse warm onthaald door het spoorwegpersoneel dat hen toegang verleende tot de algemene vergaderingen en gezamenlijke acties voerden met de studenten (zoals acties aan de afritten van de tolwegen waar studenten en spoorwegarbeiders de automobilisten gratis doorlieten en het doel van hun strijd uitlegden). Nu zijn er dus studenten en spoorwegarbeiders die samen nadenken, samen discussiëren, samen actie voeren en sameneten. In sommige middelbare scholen (geleid door menselijke wezens en niet door hysterische hyena’s die met de wolven in het bos huilen), sloot het onderwijzend en administratief personeel zich eveneens bij hun actie aan, zoals in Parijs 8-Saint-Denis.
Deze proletarische aard van de studentenstrijd wordt ook nog door een ander feit bevestigd: de studenten bezetten de universiteiten niet alleen om over gebouwen te beschikken om er hun algemene vergaderingen te houden en om er politieke debatten te voeren die open staan voor iedereen (ja zeker, mevrouw Pécresse, mensen, omdat zij, in tegenstelling tot apen, over het spraakvermogen beschikken, is een politiek wezen, zoals dat onder andere is aangetoond door onderzoekers in universitaire ‘kwaliteitscentra’); in sommige faculteiten besloten stakende studenten eveneens om gebouwen open te stellen voor de vluchtelingen zonder identiteitspapieren.
En het is precies vanwege deze actieve solidariteit, die zich als een olievlek zou kunnen uitbreiden, dat de regering Sarkozy-Fillon (met haar ‘ijzeren dames’, half-hoer, half-onderdanig (1), Pécresse, Alliot-Marie, Dati) besloten heeft haar smerissen uit te zenden om de arbeidersklasse te radbraken. Wat de Franse bourgeoisie van plan is, dat is het uitvoeren van politiek als die van Thatcher in Groot-Brittannië. Net als daar wil ze iedere solidariteitsstaking verbieden, om de handen vrij te hebben om na de gemeenteraadsverkiezingen in 2008 nog harder toe te slaan. En het is nu, door deze krachtmeting en door het organiseren van de onderdrukking, dat de heersende klasse en haar trekpop Sarkozy de ‘democratische’ orde van het kapitaal wil opleggen.
Ondanks de luidruchtige verkiezingscampagne voor het presidentschap laat de solidariteitsbeweging van scholieren, studenten en sommige spoorwegarbeiders zien dat de lessen van de strijd tegen de startbaancontracten niet zijn vergeten. De solidariteit tussen de strijdende studenten en een deel van de arbeiders van de Franse spoorwegen en de Parijse metro wijst de weg. Alle arbeiders, werkende en werklozen, autochtoon of allochtoon, uit de publieke of de private sector, moeten resoluut die richting inslaan. Dat is de enige manier om een krachtsverhouding in ons voordeel op te bouwen tegen de aanvallen van de bourgeoisie en van haar systeem in verval, die maar één enkel perspectief te bieden heeft voor de jongere generaties: werkloosheid, bestaansonzekerheid, armoede en onderdrukking (vandaag wapenstok en traangas, morgen de kogel!)
Als Sarkozy als hoogste smeris van Frankrijk in 2006 geen brigades inzette tegen de bezettende studenten, dan was dat geenszins uit morele schaamte maar gewoon omdat hij toen kandidaat was in de presidentsverkiezingen en hij potentiële kiezers met kinderen op middelbare scholen te vriend wilde houden. Nu hij aan de macht is, laat hij zijn spierballen zien en wil hij de rekening vereffenen voor de hele Franse bourgeoisie die het niet verkropt dat zij de startbaancontracten in 2006 moest intrekken (had hij geen kleur bekend na de verkiezingen toen hij stelde dat “de staat niet mag wijken”?). Hij wil de kliek rond voormalige eerste minister De Villepin laten zien dat hij niet toegeeft (want, zoals Raffarin, die andere voormalige eerste minister, het stelde, “het is niet de straat die regeert”).
Het cynisme waarmee hij in het openbaar, in naam van ‘openbaarheid van bestuur’, de verhoging van zijn eigen salaris met 140% bekendmaakte, terwijl hij onvermurwbaar blijft in de aanvallen op de levensvoorwaarden van de proletariërs, is een ware provocatie. Door met de spierballen te rollen en een lange neus te maken naar de arbeiders wil hij de volgende boodschap overbrengen: “Het is uitgesloten aan de voorrechten van de bourgeoisie te raken. Ik ben gekozen door de Fransen en heb een blinde volmacht om te doen wat ik wil.” Maar afgezien van de persoonlijke belangen en ambities van dit onheilspellende personage, vertegenwoordigt hij hier de hele kapitalistische klasse: het kapitaal moet de dienst blijven uitmaken. De krachtmeting die hij met de spoorwegarbeiders is aangegaan heeft maar één enkel doel: de hele arbeidersklasse een zware nederlaag toebrengen en het gevoel wegvagen dat de beweging tegen de startbaancontracten achterliet, namelijk dat alleen de strijd loont. Daarom is Sarkozy niet van plan toe te geven aan de spoorwegarbeiders en wil hij de middelbare scholen en universiteiten omvormen in bolwerken van de politie.
Maar wat ook de uitkomst is van deze krachtmeting tussen de regering Sarkozy-Fillon-Pécresse en de arbeidersklasse, de strijd begint al resultaat op te leveren: de solidariteitsbeweging die op gang werd gebracht door de spoorwegarbeiders, door scholieren en studenten, was tevens een aanzet om andere delen van de arbeidersklasse (met name het lesgevend en administratief personeel van scholen en universiteit) in de beweging te betrekken, en zal een blijvend spoor achterlaten in het bewustzijn, net zoals de strijd tegen de startbaancontracten. Zoals alle strijd die op wereldvlak plaatsvindt is het een baken op de weg naar de komende omverwerping van het kapitalisme. De voornaamste winst van de strijd is de strijd zelf, de ervaring, de levende en actieve solidariteit van de arbeiders op weg naar hun bevrijding, naar de ontvoogding van heel de mensheid.
‘Franse’ en allochtone arbeiders, arbeiders uit de openbare en private sectoren, studenten, scholieren, werklozen: eenzelfde, gezamenlijke strijd tegen de aanvallen van de regering! Weg met de politiestaat! Solidariteit van de ganse arbeidersklasse tegenover de terreur van het kapitaal!

Sofiane / 17.11.2007

(1) Noot van de vertalers: “Mi-putes, Mi-soumises”; toespeling op een campagne onder meisjes en vrouwen onder de leuze: “Ni putes, ni soumises” (geen hoer, noch onderdanig).

Herman Gorter, door Anton Pannekoek, 1952

15 september 2007 was het tachtig jaar geleden dat Herman Gorter overleed in een Brussels hotel. Tien jaar geleden verscheen de tot dusverre uitvoerigste biografie van Herman Gorter, interessant voor wat betreft zijn leven, maar beslist onvoldoende voor wat betreft zijn politieke betekenis (1). Daarom publiceren we hieronder een artikel van Anton Pannekoek uit 1952, ter gelegenheid van het 25-jarig overlijden van Herman Gorter, dat in kort bestek veel beter zijn ware betekenis verwoordt, en dat eveneens in het Frans, Duits en Engels verscheen.

Herman Gorter is tot het Socialisme gekomen langs de weg van de theorie. Als jong dichter van “Mei” nam hij deel aan de sterke opbloei van de dichtkunst in de jaren tachtig, weerspiegeling van een economische opbloei, de opkomst van het kapitalisme in Nederland. Daarna teleurgesteld over het inzinken van