Internationalisme - 2007

Internationalisme, nr. 329 - 15 januari-15 maart 2007

'Politieke fictie' over het einde van België

Op de avond van 14 december kondigde de RTBF het einde van België aan; het Vlaamse parlement zou gestemd hebben voor de onafhankelijkheid. Het was pas een half uur later dat de RTBF de kijkers op de hoogte bracht door een ondertitel te plaatsen: ‘dit is wellicht fictie’. De verontwaardigde reacties van de belangrijkste politieke leiders waren gespeeld. Wie kan er nu geloof aan hechten dat deze mensen niet op de hoogte waren van de inhoud van deze ‘politieke fictie’? Ze staat al tien jaar in de steigers, en het centrale thema ervan, het uiteenspatten van België, was toch niet aan zijn proefstuk op de nationale zenders? Buiten de groteske dramatisering ervan door de media en de politieke middens om de boodschap over te brengen, moet er vooral worden vastgesteld dat deze ‘elektroshock’-uitzending over het communautaire vraagstuk niet zomaar uit de lucht is komen vallen: ze vond plaats op het moment zelf dat de ganse bevolking en de arbeidersklasse van het land zich zorgen maakte over de brutale slag die aan de arbeiders van VW werd toegebracht. De RTBF had er beter aan gedaan om haar uitzending als volgt te ondertitelen: ‘Dit is absoluut geen toeval’.

De communautaire spanningen hebben natuurlijk hun historische wortels in de vorming van de Belgische staat (zie onze artikels over dit vraagstuk in Internationalisme, nr. 319, 321 en 323). Het was een contrarevolutionaire en kunstmatige schepping, op getouw gezet door de grootmachten van die tijd, als een benepen en niet vooruitstrevend kader, ongunstig voor de industrialisering en de invoering van moderne sociale verhoudingen. Het is vooral de intrede van het verval van het kapitalisme die onvermijdelijk het inherente gebrek aan samenhang van de ‘Belgische natie’ zal blootleggen en de tendens zal inzetten om de tegenstellingen binnen de bourgeoisie steeds verder op de spits te drijven. De verbreiding van de ontbinding en van het ‘ieder voor zich’ op het einde van de twintigste eeuw versterkt deze middelpuntvliedende krachten en de communautaire spanningen nog verder en maakt het zoeken naar het opleggen van evenwicht steeds moeilijker. En dat mondt regelmatig uit in het feit dat de regionale fracties van de Belgische bourgeoisie en hun politieke partijen met getrokken messen tegenover elkaar staan.

Maar ondanks deze voortdurende moeilijkheden, die onlosmakelijk verbonden zijn aan de vorming van haar staat, is de Belgische bourgeoisie er altijd in geslaagd om haar eigen zwakheden op een magistrale manier uit te spelen tegen de arbeidersklasse. Dat realiseert ze door zelfs van de communautaire verdelingen en tegenstellingen een van haar speerpunten te maken bij de inkapseling en sabotage van de arbeidersstrijd. Al vijftig jaar worden deze systematisch gebruikt om de eenmaking van de arbeidersklasse op haar strijdterrein te beletten, door in te spelen op de verschillen tussen de regio’s: het regionalistische wapen was een krachtig middel om de strijd tegen de mijnsluitingen onder controle te houden en ongevaarlijk, eerst in Wallonië en later in Vlaansderen, daarna van de staalnijverheid in Wallonië en vervolgens van de scheepswerven in Vlaanderen. En vandaag hameren de burgerlijke media er de hele dag op dat ‘het onderwijs beter zou zijn in Vlaanderen’, dat ‘minder werklozen gesanctioneerd worden in Wallonië’, enzovoort.  Evenzo is het één van de inkapselingsvormen van de vakbonden; ze scheiden de arbeiders niet alleen van elkaar per sector en per bedrijf, maar ook per streek.

Maar de verschrikkelijke  agressie tegen de arbeiders van VW druiste juist diametraal in tegen deze tendens: door de geografische positie van de fabriek (Brussel) en vooral door de samenstelling van de arbeidskracht uit bijna gelijke delen van arbeiders uit de beide regio’s, kon de kaart van de regionalistische misleiding, de verdeling tussen Walen en Vlamingen, niet worden uitgespeeld bij het opleggen van de herstructureringsmaatregelen bij VW. In tegendeel zelfs, via de aanval op zich, maar ook via de uitingen van solidariteit die uit alle regio’s kwamen, begon het bewustzijn onder de arbeiders te kiemen over het feit dat de vijand niet de Waalse of Vlaamse arbeider was, maar een perspectiefloos systeem en dat de kracht om zich te verdedigen daaruit wordt geput dat ze tot een klasse behoren: tegen alle sectoriële, regionale en nationale verdelingen. Dat vormt de belangrijkste inzet van de komende strijd. Een begin van bewustwording dus waarbij ter discussie wordt gesteld wat historisch gezien één van de fundamentele dammen is die de Belgische bourgeoisie heeft opgeworpen tegen de ontwikkeling van de arbeidersstrijd, vooral in de vervalperiode (een bewustwording die patroons, vakbonden en partijen trouwens probeerden in te perken door het idee te laten insijpelen dat de Duitse arbeiders verantwoordelijk zouden zijn voor de keuze van VW om eerder in België dan in Duitsland te ontslaan). Voor de bourgeoisie kwam het er absoluut op aan om dit inzicht ten koste van alles te voorkomen door de traditionele tegenstellingen weer in het centrum van de belangstelling te plaatsen om de arbeiders opnieuw te strikken in de netten van het burgerlijke bedrog.

Om al deze redenen mag de arbeidersklasse zich niet inlaten met de veelvuldige misleidingen die in deze campagne is ontwikkeld, noch zich illusies te maken over het komende verkiezingscircus. Want daar zullen wij zien hoe aan de ene kant het regionale getetter zal worden opgedreven, en aan de andere kant dat over de noodzaak om samenhang van de staat te bewaren. Met het trekken van lering uit het conflict bij VW moeten de arbeiders de strijd voortzetten en zich inspannen om alle valstrikken van de bourgeoisie te doorzien, als stappen vooruit in het parcours van de herovering van hun gevoel tot een klasse te behoren.

Januari 2007

De 'herstructurering' van VW staat symbool voor wat de hele arbeidersklasse te wachten staat

Bijna twee maanden zijn de arbeiders van VW-Vorst in staking geweest tegen de drastische afslanking van het bedrijf. Met gevoelens van hoop en vertwijfeling werden zij als een speelbal heen en weer geslingerd tussen patronaat, regering en vakbonden, tussen Duitse, Spaanse, Belgische, en nog tal van andere nationale en regionale belangen. Voor de arbeiders is het vandaag belangrijk lessen te trekken uit deze strijdervaring. Eén ding staat vast: met vereende kracht hebben de burgerlijke partijen en organisaties er alles aan gedaan om de strijdbaarheid van de arbeiders te bekoelen en om de realiteit van de economische crisis die aan de basis ligt van de herstructureringsplannen te verdoezelen. Voor hen kwam het erop aan het failliet van het kapitalistische marktmechanisme weg te moffelen en de woede van de arbeiders op te vangen in de perspectiefloze ‘actie’-methodes van de vakbonden. En vooral de dynamiek naar de opbouw van een echte solidariteit – deze tussen de arbeiders onderling en niet die met het kapitaal in moeilijkheden – te dwarsbomen.

Een symbool voor wat het kapitalisme ons nog kan aanbieden: rationaliseringen, flexibiliteit, loondaling, werkloosheid

De media schrijven bladzijdenlang over de “hemeltergend hoge vertrekpremies”, de “superhoge lonen” van de VW-Vorst-arbeiders. Waar ze echter als vermoord over zwijgen is dat de herstructureringsmaatregelen die in VW-Vorst aangekondigd worden een uittekening zijn van hetgeen niet alleen de overblijvende VW-arbeiders maar ook de ganse arbeidersklasse te wachten staat.

De inlevering wordt immers bijzonder zwaar: slechts 2000 à 2200 jobs zullen overblijven van de ongeveer 5200 rechtstreekse werknemers. In 2009, als alles goed verloopt, zou er in totaal terug voor 3000 man werk zijn, zo wordt er beloofd, weliswaar voor een deel in andere meer precaire contracten. 950 werknemers gaan met brugpensioen, maar volgens de regels van het nieuwe generatiepact. 1950 verlaten op ‘vrijwillige basis’ het bedrijf, met voor de eerste 1500 een oprotpremie als beloning. Voor de meeste onder hen met werkloosheid als enig perspectief. Voor de blijvers is er een systeem van ‘langdurige tijdelijke werkloosheid’ maar vooral, bovenop de 33% productiviteitsstijging die de arbeiders reeds realiseerden in de periode 2001-2005 en de nieuwe regeling inzake flexibiliteit sedert de zomer van 2006 (werktijden tot 10 uur per dag en 48 uur per week), wordt er een nieuwe CAO afgesloten met lagere loon- en productiekosten. De productievoorwaarden zouden in 2009 gelijk moeten zijn met die van de VW-vestiging in het oostelijk Duitse Mosel waar de loonkosten 16,9 euro per uur bedragen tegenover 23,8 euro vandaag voor VW-Vorst. Met andere woorden: een bijzonder harde opdrijving van productiviteit, flexibiliteit met wellicht tot meer dan 20% loonsverlaging er bovenop. En dan zwijgen we nog over de vele duizenden arbeiders van de toeleveringsbedrijven die grotendeels aan hun lot worden overgelaten en voor het overgrote deel ontslagen zullen worden aan veel slechtere voorwaarden nog als hun collega’s bij VW. Indien VW jarenlang door de bourgeoisie als een modelbedrijf geprezen werd op het vlak van loon- en arbeidsvoorwaarden en werkzekerheid staat het ongetwijfeld nu model voor wat diezelfde bourgeoisie ons vandaag nog kan aanbieden: verregaande offers voor een systeem dat volledig op de dool is.

De media schrijven bladzijdenlang over de interne politiek van VW, de specifieke problemen van de automobielsector, het getouwtrek tussen de noden van de Belgische en Duitse economie, de zogenaamd overdreven winsten bij VW. Waarover men echter zwijgt is de realiteit van de crisis van het kapitalistische systeem, de wezenlijke oorzaak achter de herstructurering van VW.

Zo legt de socialistische metaalvakbond de verantwoordelijkheid voor dit bloedbad niet bij de patroons en de burgerlijke staat maar bij de Duitse arbeiders zelf en ‘hun’ bonden, die om de ‘Duitse banen’ te redden de ‘Belgische jobs’ bij VW-Vorst zouden opgeofferd hebben! Een afschuwelijke leugen! Schrapt VW niet ook 20.000 jobs in Duitsland, met daarbovenop loonsverlaging en arbeidstijdverlenging? De Duitse arbeiders, zoals die van alle landen, zijn net zo goed het slachtoffer van de kapitalistische agressie. De onomkeerbare historische crisis die het kapitalisme op wereldvlak doormaakt, vertaalt zich immers in het massaal ontslaan van arbeiders in alle landen. De arbeidskracht, wiens uitbuiting de bron is van de kapitalistische winst, ziet haar prijs als gevolg daarvan steeds verder dalen (zoals gebeurt met elke waar die in overvloed op de verzadigde markt aanwezig is) omdat de drastische vermindering van de productiekosten (en hierbij staat het loon op de eerste plaats) het enige middel is waarover de bourgeoisie beschikt om de concurrentie aan te kunnen op de steeds nauwere markten die met waren verzadigd zijn. Delokalisaties en herstructureringen dienen in de eerste plaats als drukkingsmiddel om de arbeidersklasse overal te dwingen almaar lagere lonen en almaar slechtere arbeidsvoorwaarden te aanvaarden. Arbeiders hier worden opgezet tegen de arbeiders van de andere landen in een eindeloze spiraal van loondalingen, productiviteitsver-hogingen en verloedering van de levensvoorwaarden (1). Wat biedt deze eindeloze spiraal van genadeloze concurrentie nog tenzij sluitingen (Renault Vilvoorde, Sabena, …), massale ontslagen (NMBS, Ford Genk, INBEV, DHL, Agfa Gevaert, …) en inleveringen (‘generatiepact’, ‘flexibiliteitpact’, ‘concurrentie- en werkgelegenheidspact’, …)?

Een symbool voor de rol die de vakbond speelt in de strijd: verdeeldheid zaaien, de strijd ontkrachten, machteloosheid aanpraten

De media schrijven bladzijdenlang over de negatieve invloed van de jarenlange ‘stakingscultuur’ van de VW-arbeiders en anderzijds over de constructieve en verantwoordelijke wijze waarop de vakbonden ‘actie’ gevoerd hebben. Wat ze hiermee nastreven is in feite de VW-arbeiders en tegelijk ook de ganse arbeidersklasse te overtuigen dat zij maar beter haar volle vertrouwen kan schenken aan de ‘realistische’ aanpak van de vakbonden, die, in overleg met de ‘behulpzame’ regering en met het patronaat het onderste uit de kan zal halen voor de arbeiders in de context van een nationale economie die verwikkeld is in een bikkelharde concurrentie op de wereldmarkt.

Herstructureringen en delokalisaties worden aldus gebruikt om het proletariaat te verdelen en te koppelen aan de ideologie van de concurrentie. Arbeiders worden opgesloten, fractie per fractie, en gericht op de verdediging van ‘hun’ uitbuitingsvoorwaarden, van het eigen bedrijf, van het fabrieksmerk ‘VW’, van het nationaal kapitaal. Vanuit deze logica is het kinderspel voor de burgerlijke propaganda – en de bonden spelen hierbij een vooraanstaande rol – om de gedachte ingang te doen vinden dat de kapitalistische staat en zijn regering een ‘beschermende factor’ zijn tegen de ‘wandaden’ van de ‘mondialisering’: “Premier Verhofstadt wist het Duitse topmanagement van VW tot garanties over een doorstart te overtuigen, in ruil voor een royaal aanbod van overheidshulp” (De Standaard, 09/01/2007). De regering wordt zo een ‘objectieve’ bondgenoot van de arbeiders teneinde de Duitse bonzen van VW tot rede te brengen en op te roepen de arbeiders ergens anders het mes op de keel te zetten (zoals in Spanje).

En de bourgeoisie weet maar al te goed dat deze boodschap het best aanslaat als er een gevoel van onmacht kan opgeroepen worden bij de arbeidersklasse en een afwezigheid van perspectief om collectief als klasse weerstand te bieden. Hiervoor zorgden de vakbondsmanoeuvres: vanaf het begin werden de arbeiders naar huis gestuurd, geïsoleerd van elkaar, zonder informatie of perspectieven. Een eindeloze aanslepende staking werd in het vooruitzicht gesteld, zonder algemene stakersvergaderingen waar echte discussies en beslissingen mogelijk waren, zonder gekozen, gecontroleerd en afzetbaar stakingscomité, zonder mobiliserende meetings, zonder massale delegaties die actief de solidariteit en uitbreiding zoeken naar andere delen van de arbeidersklasse. Elke uitbouw van echte strijdmiddelen en van een dynamiek om de strijd te versterken werd in de kiem gesmoord. De gedachte zélf van strijd voeren werd hoe langer hoe meer als zinloos ervaren. Er restte de arbeiders tenslotte niets anders dan te berusten in hun lot en al hun vertrouwen te stellen in de regerings- en vakbondsonderhandelaars.

En tenslotte schreven de media ook bladzijdenlang over het gebrek aan solidariteit binnen de arbeidersklasse met de VW-arbeiders en onder VW-arbeiders zelf. “Spontane solidariteitsacties, zoals in 1997 voor het personeel van Renault Vilvoorde, zijn er niet geweest” (De Standaard, 09/01/2007). Niet toevallig werd door de bourgeoisie – meer bepaald door de vakbonden – bijzondere aandacht besteed aan dit aspect van de campagne gedurende de ganse strijd:

  • Door de afzonderlijke statuten en de verschillende situaties in de verf te zetten, hielden ze de arbeiders van VW en die van de toeleveringsbedrijven zorgvuldig gescheiden om van meet af aan de drang naar een ware arbeidssolidariteit te ondergraven.
  • Individuele oplossingen werden aangemoedigd door middel van ‘astronomische’ vertrekpremies. De VW-arbeiders die op de voorstellen ingingen, kwamen op die manier over als deserteurs die hun collega’s en vooral die van de onderaannemingen in de steek lieten. Eens te meer moest deze ‘ieder-voor-zich’-sfeer de nutteloosheid van arbeidssolidariteit in de verf zetten.
  • De grote ‘solidariteits’-betoging van 2 december speelde tenslotte een centrale rol in het ondergraven van de arbeiderssolidariteit door de vakbonden. Eerst aangekondigd met veel heisa als ‘de grote apotheose’ waar meer dan 50.000 arbeiders verwacht werden, deed men alles om dat cijfer niet te halen (tot zelfs de werkelijke opkomst grof te onderschatten), om vervolgens een gevoel van verslagenheid en onmacht aan te zwengelen door vast te stellen dat ‘er geen gevoel van solidariteit (meer) onder de arbeiders leeft’ en dat het in deze maatschappij ‘ieder voor zich’ is, om met andere woorden de demobilisatie en het gebrek aan solidariteit in de schoenen van de arbeiders zélf te schuiven.

De intensiteit van deze campagne is in feite een uitstekende indicator voor de angst die de bourgeoisie bij dit conflict bevangt. Door de ligging van VW in het Brusselse en het feit dat er evenveel getroffen arbeiders uit beide landsregio’s komen kon de kaart van de regionalistische en linguïstische misleiding veel moeilijker uitgespeeld worden. Bijgevolg was zij precies bijzonder bevreesd voor het ontstaan van een breed gevoel van solidariteit onder de arbeiders, over de sectoriële, regionale en taalkundige verdeeldheid heen, geen solidariteit uit ‘medelijden’ dus, maar een solidariteit van de arbeiders onderling, voor gemeenschappelijke belangen en dus belangeloos, zonder egoïsme, tegen dit barbaars systeem in ontbinding.

Een symbool voor de ontwikkeling van de strijd: Het enige antwoord dat loont is arbeiderssolidariteit

Al is de bourgeoisie met haar vakbondssabotage er uiteindelijk in geslaagd om de strijdbaarheid van de VW werknemers in te kapselen en te ontkrachten, toch laat de betoging van 2 december precies een ander facet van de sociale werkelijkheid zien. Door de dagelijkse aankondigingen van ontslagen en herstructureringen in fabrieken, dienstensector en openbare diensten groeit het besef bij steeds meer arbeiders dat iedereen wordt aangevallen. De sluiting van een sterk en strijdbaar bedrijf zoals VW roept niet enkel ‘medelijden’ op zoals de kranten schreven, maar vooral ook verontwaardiging, algemene ongerustheid over de toekomst. Velen kwamen betogen omdat dit de enige mogelijkheid was in de huidige omstandigheden om solidariteit te betonen. De aanwezigheid van veel jongeren sprak boekdelen: “Wij staan hier samen met onze ouders, wat rest er ons nog.” Ook tal van gepensioneerden waren aanwezig.

Deze toenemende strijdbaarheid zit weliswaar nog in een aanvangsfase maar er is een groeiende vastberadenheid in de arbeidersklasse om tegen de ontslagen te vechten. Jarenlang hebben de arbeiders aanvallen geslikt op hun arbeidsvoorwaarden, op hun lonen en werkzekerheid teneinde de werkgelegenheid te behouden op hun werkplek zelf. Maar vandaag zijn steeds minder werkenden bereid om deze eindeloze offers te brengen. Velen weten nog niet goed hoe samen te strijden, soms ook niet goed tegen wie of op wat zich te richten, hetgeen verklaart waarom het vandaag nog mogelijk is dat zij zich achter vakbond en regering scharen. Ondanks de grootse ideologische campagnes heerst er echter veel scepticisme ten aanzien van de gedane beloftes bij VW en dus ook elders. Het voorbije conflict kan niet afgedaan worden noch als een voorbeeld van een overwinning noch als dat van een nederlaag. Er heerst woede, wantrouwen en niet enkel verslagenheid in de arbeidersklasse als geheel.

Daarom is de bourgeoisie ook ongerust. Zij is zich bewust dat de klasse uit deze gebeurtenissen en sabotagemanoeuvres belangrijke lessen kan trekken. Daarom juist doet ze zoveel inspanningen om de solidariteit te kleineren. Werkloosheid bestrijden is niet eenvoudig. Dikwijls zullen de patroons inderdaad de stakingen net aanwenden als een voorwendsel om hun sluitingsplannen door te voeren (die sowieso gepland waren), zoals bij VW. Ze zullen hierin des te gemakkelijker slagen als de weerstand van de arbeiders geïsoleerd blijft tot een fabrieksvestiging of bedrijf. Anderzijds kan de dreiging of de reële uitbreiding van de strijd over de grenzen van vakbonds-, sectoriele of andere verdelingen heen – kortom de dreiging tot massastaking – de heersende klasse dwingen terug te krabbelen, zoals dit het geval was bij de strijd tegen de CPE in Frankrijk. Zo’n terugtocht is uiteraard tijdelijk. De verdieping van de economische crisis zal haar dwingen om terug tot het offensief over te gaan en nog meer desperate aanvallen uit te voeren op de arbeids- en levensvoorwaarden. Uiteindelijk, en dat is de voornaamste les, is de massale werkloosheid een onmiskenbaar teken van het bankroet van de kapitalistische samenleving. Voor de arbeidersklasse moet dit de stimulans zijn om niet enkel tegen de effecten van de uitbuiting weerstand te bieden maar tegen de uitbuitingsmaatschappij zelf.

Lac / 06.01.2007

(1) Zie de artikelenserie over de delokalisaties in Internationalisme, nr. 323, 325 en 328.

Immigranten: Onmogelijk te ontsnappen aan de kapitalistische barbarij

De wetten Sarkozy van 2003 en 2006 hebben de anti-immigrantenpolitiek aanzienlijk verscherpt. De uitwijzingen uit Frankrijk volgen elkaar op in een hels tempo: 12.000 in 2003, 15.000 in 2004, meer dan 20.000 in 2005 en waarschijnlijk 25.000 in 2006. Met het hart in de keel verstoppen duizenden families zich, geterroriseerd door de gedachte teruggestuurd te worden naar een plek op de wereld waar slechts de dood op hen wacht. Wat kan men anders dan verontwaardigd en woedend zijn tegenover een dergelijke onmenselijke politiek? Zelfs schoolgaande kinderen kunnen een razzia meemaken om te “vermijden dat het schoolgaan een nieuwe vorm van onwettige immigratie zou worden.” (sic!). Hoe te reageren en te strijden tegen deze wrede en onaanvaardbare maatregelen? De linkse organisaties en verenigingen wijzen allen dezelfde verantwoordelijke aan: de minister van Binnenlandse Zaken, Nicolas Sarkozy. Om aan dat alles een einde te maken zou het volstaan Sarko uitde macht te verwijderen. “Stemt, stemt tegen Sarko in mei 2007 en alles zal beter gaan”, dat is in wezen de boodschap die onophoudelijk wordt herhaald door alle linkse krachten. Maar is dat werkelijk de oplossing?

De PS en de PC, twee steunpijlers van de anti-immigrantenpolitiek

Natuurlijk niet! Men zou zichzelf in slaap wiegen met illusies wanneer men gelooft dat de socialistische en communistische partijen een andere politiek zouden voeren als zij aan de macht zouden komen. Om zich daarvan te overtuigen hoeft men zich slechts enkele grote wapenfeiten van deze burgerlijke fracties in herinnering te roepen. De PCF heeft nooit afgezien van de meest brutale middelen om zich te ontdoen van de immigranten die zij ongewenst vond. Zo heeft de PCF in 1981 de illegale Malinesiërs in een van zijn steden, Montreuil-sous-Bois, doodgewoon met de bulldozer verjaagd. Wat de PS betreft kan haar politiek samengevat worden in de volgende opzienbarende verklaring van de socialistische eerste minister Michel Rocard in 1989: “Frankrijk kan niet alle ellende van de wereld ontvangen.” En “om niet alle ellende van de wereld te ontvangen” heeft de socialiste Edith Cresson in 1991 de massale uitwijzingen ingesteld, gebruik makend van chartervluchten. Het is om “om niet alle ellende van de wereld te ontvangen” dat Jean-Pierre Chevènement tijdens het Jospin-tijdperk zijn honden ophitste en op de illegalen losliet door zijn ordestrijdkrachten het bevel te geven de uitwijzingen te vermenigvuldigen: “De activiteit met betrekking tot het verwijderen van buitenlanders staat op een abnormaal laag peil. [...] Ik zou het op prijs stellen wanneer er in de laatste maanden van 1999 een beduidende toename van het aantal daadwerkelijke uitwijzingen zou zijn.” (1). Zo wordt de schijnheilige sluier van de grootspraak van links over het humanisme en het recht op waardigheid aan stukken gescheurd!

In feite hebben rechts en links, sinds 1974, elkaar afgelost op de hoogste staatsposten en dezelfde anti-immigrantenpolitiek bleef aan. Aan het einde van de jaren 1960 betekende de terugkeer van de economische crisis het einde aan de volledige tewerk-stellingspolitiek en de toename van de werkloosheid. Omdat ze niet meer waren dan fabrieksvlees dat niet meer kon worden uitgebuit, werden de immigranten steeds meer tot een last. Daarom besloot de toenmalige president Giscard d’Estaing de immigratie te ‘onderbreken’ en vervolgens, drie jaar later een ‘hulp bij terugkeer’ in het leven te roepen. Sindsdien zijn de anti-immigratiewetten bij elke recessie alleen maar verscherpt en dat door alle regeringen zonder uitzondering.

Dit zieltogende kapitalisme is niet langer in staat om een al maar groeiend deel van de mensheid op te nemen in het productieproces. Zijn ‘oplossing’ bestaat er uit om het ‘overschot’ ver over zijn grenzen uit te wijzen opdat het elders zou creperen. De volgende regering, van welke politieke kleur ze ook zal zijn, zal deze druk nog versterken. Het enige verschil tussen links en rechts zal de taal zijn, de ideologische verpakking. Het is waar dat de PS er meester in is geworden om de meest onmenselijke maatregelen een roze tintje te geven. De ‘gekozen immigratie’ maakt aldus plaats voor een ‘gedeelde immigratie’ gebaseerd op ‘het contractueel vaststellen van de migratiestromen samen met de landen van oorsprong’. In klare taal gaat het om een ‘krachtige politiek tegenover de illegale immigratie’ met als toegift het in leven roepen van een ‘gezamenlijke politie aan de grenzen van de Unie’. (2). Maar men kan er zeker van zijn, de uitwijzingen zullen met de PS zeer pedagogisch aangepakt worden, zoals François Hollande trots bevestigt: “Onze wetten op de immigratie moeten aan onze partners worden toegelicht.” Kortom, zoals Laurent Fabius zegt: “men kan humanist zijn zonder daarom laks te zijn!” (3)

Alle naties sluiten hun grenzen voor de menselijke vloedgolf

In feite zou geen enkele vooruitziende man (of vrouw) aan het hoofd van de staat een andere politiek kunnen volgen. De wortels van het probleem liggen veel dieper en zijn verbonden met de aard van het kapitalistische systeem en zijn historische crisis. Via het tragische probleem van de emigratie zien wij hoe dit uitbuitingssysteem niet meer in staat is om een over-levingsminimum te verzekeren voor een steeds groter massa mensen die op de vlucht zijn voor de hel van honger, oorlogen en epidemieën. In dertig jaar is het aantal migranten in de wereld van 75 tot 200 miljoen mensen gestegen! En sinds het begin van de 21ste eeuw is de gezondheidstoestand wereldwijd aanzienlijk verslechterd. Vandaag is er een nieuwe kwalitatieve stap vooruit gezet met de woekering van gewapende conflicten en de afschrikwekkende ontwikkeling van de ellende; de exodus bereikt een in de geschiedenis van de mensheid nog niet eerder geziene omvang. Tegenover deze vloedgolf sluiten alle naties hun grenzen.

In de Verenigde Staten zal er tegen 2008 langs de Mexicaanse grens een werkelijke muur van 1.200 km gebouwd worden met radars, detectors, infraroodcamera's en een leger van 18.000 grensbewakers. De staat maakt zelfs gebruik van satellieten en robotvliegtuigen! Terwijl er al elk jaar honderden mensen in de woestijn omkwamen in de hoop de Verenigde Staten te bereiken, zullen het er, met deze ‘muur van de schaamte’, weldra duizenden zijn die daar met open mond gaan creperen.

In Europa is de toestand nog dramatischer. Rondom heel de Schengen-zone schieten de kampen waar men de illegalen opeenpakt als paddestoelen uit de grond. Een jaar geleden kwam deze gruwel openlijk ter sprake toen ons, in verband met de Spaanse enclaves Ceuta en Melilla in het Noorden van Marokko, beelden bereikten van mensen die letterlijk gespietst werden op de prikkeldraadversperringen aan de grens, die getroffen werden door politiekogels of die als schurftige honden midden in de woestijn gedropt werden. Dit barbaarse optreden werd trouwens uitgevoerd op bevel van de Spaanse regeringsleider, de zeer ‘democratische’ en ‘pacifistische’ meneer Zapatero, die eens te meer aantoonde dat zich achter het humanistische masker het hatelijke en bloeddorstige gezicht verbergt van de sociaal-democratie. Sindsdien is de situatie alleen maar verslechterd doordat ze zich heeft veralgemeend over heel Zuid- en Oost-Europa. Dit jaar zijn er op de ‘paradijselijke’ Canarische Eilanden in de Atlantische Oceaan 27.000 mensen aangespoeld in sloepjes van het (nood)lot, dat wil zeggen vijf maal meer dan in 2005! Dezelfde tragedie speelt zich af aan de kusten van Italië, op het eiland Lampedusa, op Malta en op Cyprus. Dezelfde tragedie aan de grens met Oekraïne, waar de zeer democratische Europese landen in het geheim het beheer van de kampen uitbesteden aan de Hongaarse staat, met werkelijke sloppenwijken waar duizenden illegalen uit de voormalige USSR of uit Azië zijn opeengepakt. En het ergste moet nog komen. Zoals dit zonder omwegen wordt bevestigd door Froilán Rodriguez (vice-minister voor immigratie van de Canarische Eilanden), “moet men zich voorbereiden op nooit geziene lawines” (4). Bewust van deze versnelling en bewust dat de toestand alleen maar zal verslechteren, zijn de Europese bourgeoisieën bezig om zich uit te rusten met een hoogtechnologisch uitgerust leger, belast met het de dood indrijven van duizenden migranten, net zoals in de Verenigde Staten: oprichten van kampen, infraroodkijkers, lucht- en zeepatrouilles…

De enige solidariteit is die van de strijd

Het kapitalisme is ten einde raad en het lot dat het voor de mensheid in petto heeft zit samengeperst in wat het deze massa van immigranten doet ondergaan. Door in te zien dat al deze ellende en onmenselijkheid voortkomt uit het kapitalisme in verval wordt één werkelijkheid overduidelijk: stemmen in mei 2007, voor wie dan ook, dient helemaal niets anders dan om zichzelf in slaap te wiegen met illusies. Opdat de mensheid kan leven, moet het kapitalisme sterven. Eenmaal bewust van wat er op het spel staat, en van de omvang van deze taak, is de eerste reactie dikwijls “maar in afwachting van deze ‘grote dag’ moet er toch iets gedaan worden!” Ja, natuurlijk moet er iets gedaan worden. Er moet gestreden worden, gestreden op het terrein van de arbeidersklasse. In de strijd komen de diepste gevoelens van solidariteit tot een praktische uitdrukking. En juist vandaag is de arbeidersklasse weer bezig met het terugvinden van deze weg, ze vindt haar strijdbaarheid terug, haar instincten van eenheid en solidariteit.

Op het onmiddellijke vlak zijn het de leerkrachten en ouders die in staking gaan en die zich fysiek verzetten tegen de politie die kinderen direct uit de klas komt halen. In alle lagere scholen, colleges en lycea waar zich ‘illegalen’ bevinden in korte broek, ontwikkelen zich discussies over hoe men de razzia’s kan beletten, hoe het ene of het andere kind verstoppen. Er zijn arbeiders die het werk stilleggen ter verdediging van hun fabriekskameraden zonder papieren die met uitwijzing bedreigd worden.

Ten slotte is er nog de strijd die getuigt van de diepgaande solidariteit en eenheid van het proletariaat, zoals die van de bagageafhandelaars die meerdere dagen de luchthaven van Heathrow in Londen hebben geblokkeerd, in Augustus 2005, uit solidariteit met de Pakistaanse arbeiders in de ravitaillering, die het slachtoffer waren van een gemene aanval van hun werkgever Gate Gourmet. Nochtans werden deze bagageafhandelaars niet bedreigd met ontslag en toch versloegen de media overal tegelijkertijd (5) de staatspropaganda van de heer Blair (nog een socialist!), die juist de haat opklopte tegen de Pakistani, die allemaal afgeschilderd werden als potentiële terroristen. In deze voorbeeldige strijd was het verschil bijna voelbaar tussen de verrotting van de burgerlijke ideologie en de grootsheid van de proletarische moraal.

De solidariteit van de arbeidersklasse heeft niets te maken met medelijden en neerbuigende gevoelens. Het gaat om een werkelijke solidariteit, gesmeed door het bewustzijn te behoren tot éénzelfde strijd, klassenbroeders te zijn, slachtoffers van hetzelfde systeem, van dezelfde uitbuiting, wat ook haar nationaliteit, kleur of godsdienst moge zijn. Door te stellen dat een natie “niet alle ellende van de wereld kan ontvangen”, drukt Michel Rocard de gedachtegang van heel de bourgeoisie uit. Maar de arbeidersklasse hoeft deze logica van het kapitalisme en zijn nationale grenzen niet te aanvaarden. In tegendeel, zij moet er haar internationalistisch wezen tegenover stellen door ronduit te bevestigen: “De arbeiders hebben geen vaderland. Arbeiders aller landen, verenigt u!”

Pavel / 16.10.2006

(1) Ministeriële circulaire van Oktober 1999.

(2) Maatregel aangenomen eind maart in het kader van de ‘Commissie voor het project 2007’ van de Parti Socialiste.

(3) Libération van 24 augustus 2006.

(4) Libération van 12 september 2006.

(5) Staking op hetzelfde moment als aanslagen in de Londense metro.

Israël/Palestina: Arbeidersstrijd ondanks de oorlog

Ondanks de spiraal van nationalistische haat die in Israël en Palestina doorgaans de klassenstrijd in Israël en Palestina verlamt, drijven de grote economische ontberingen als gevolg van de permanente staat van oorlog de arbeiders van de twee tegenover elkaar staande kampen ertoe om voor hun eigen klassenbelangen op te komen. In september zette kantoorpersoneel van de Westelijke Oever en de Gaza-strook stakingen en betogingen op touw. Ze eisten van de Hamas-regering de uitbetaling van meerdere maanden achterstallige lonen, na de blokkering van de internationale fondsen door de staat Israël. Zo sloten ze zich aan bij de eisen van een groot deel van de 170.000 stakende ambtenaren. Ook de leerkrachten gingen sinds 4 september in staking met stakingspercentages die gaan van 80 tot 95%, van Rafah (in het zuiden van de Gaza-strook) tot Jenin (in het noorden van de Westelijke Oever). Deze beweging heeft zich uitgebreid tot in de Palestijnse politie en vooral begin oktober tot de gezondheidszorg waar de hygiënische toestand dramatisch is, met inbegrip van de Westelijke Oever. De ambtenaren van het Ministerie van Gezondheid ontvingen slechts drie gedeeltelijke lonen in zeven maanden en ze hebben beslist om over te gaan tot een onbeperkte staking om de betaling van hun loon op te eisen.

Parallel daaraan berichtte de site van Libcom.org, op 29 november dat er een algemene staking was uitgebroken onder de Israëlische ambtenaren, op de vliegvelden en de havens en dat alle postkantoren gesloten waren. 12.000 ambtenaren van de gemeentediensten, zoals de brandweer, gingen in staking, daarmee gehoor gevend aan de oproep van de vakbondscentrale Histradroet (de Algemene Federatie van de Arbeid) als antwoord op niet respecteren van de akkoorden tussen de vakbonden en lokale en religieuze autoriteiten. Histradroet heeft ook verklaard dat deze nog achterstallig moeten betalen en dat het geld van de ambtenaren dat in pensioenfondsen gestort moest worden was verdwenen.

De imperialistische oorlog vergroot de economische ruïne en de ellende van de proletariërs in de regio. De bourgeoisie van beide kampen is steeds minder in staat om zijn loonslaven te betalen.

Deze twee acties vormden het voorwerp van allerhande politieke manipulaties. Op de Westelijke Oever en in Gaza heeft de nationalistische oppositie, de Fatah, geprobeerd om de stakingen te gebruiken om druk uit te oefenen op hun rivalen van Hamas.

In Israël heeft de Histradroet al een lange traditie van ‘algemene stakingen’, die onder grote controle staan om de woede van de arbeiders weg te leiden naar burgerlijke terrein en ten gunste van de een of andere fractie. Maar het is veelbetekenend dat in Israël de algemene staking van de Histradroet (die na vierentwintig uur werd stopgezet) werd voorafgegaan door een golf van minder gecontroleerde stakingen onder bagagepersoneel, leerkrachten, universiteitsprofessoren, bankpersoneel en ambtenaren.

De ontgoocheling rond het militaire fiasco van Israël in Libanon heeft dit groeiend ongenoegen zonder enige twijfel gevoed. Tijdens de staking in de Palestijnse gebieden in september veroordeelde de regering van Hamas de actie van de ambtenaren als indruisend tegen het nationale belang en probeerde zij de stakende leerkrachten tot andere gedachten te brengen: “Als u wilt betogen, betoogt dan tegen Israël, de Amerikanen en Europa!”

In feite gaat de klassenstrijd tegen het nationaal belang in en stelt zich daardoor op tegen de imperialistische oorlog.

Amos / 2.12.2006

Lezersbrief: Over de betoging van 2/12

Beste,
Ik kan het niet goed opmaken uit de propaganda die jullie verspreiden of uit de berichten op jullie site, maar ik vraag mij af of Internationalisten, linkskommunisten morgen ook betogen.
Staan jullie niet achter de betoging die solidariteit met de VW-ARBEIDERS beoogt, een betoging die er is gekomen vanuit de woede van de basis. Als de vakbondsleiders geen directe actie ondernemen omdat zij tot de politieke bourgeoisie horen, moeten we de arbeiders nog niet in de steek laten, toch?
(M.B.)

Ons antwoord:

Beste kameraad,
Je hebt overschot van gelijk om te beweren dat men de arbeiders niet kan laten vallen. En het staat ook zonder meer vast dat het fundamenteel is om onze solidariteit te betuigen met de ontslagen arbeiders van VW. Maar hoe kunnen de revolutionairen hun solidariteit tot uitdrukking brengen met de arbeiders van VW? Wat ons betreft, hebben de revolutionairen voor alles de verantwoordelijkheid om zo duidelijk mogelijk te zijn met betrekking tot de perspectieven die zich aftekenen voor de strijd en zijn organisatie: geen verhaaltjes vertellen aan de arbeiders, ze niet in slaap wiegen met illusies, hun werkelijke krachten vooropstellen en hun valse vrienden aanklagen en de valstrikken die deze voor hen uitzetten. Daarom klagen de internationalisten de valse nationale tegenstellingen aan als pogingen om hen te laten geloven dat de regering, de patroons en de arbeiders solidair zouden moeten zijn voor het behoud van de nationale economie. Daarom ook stellen ze voorop, zoals wij gedaan hebben in ons pamflet, dat de vakbonden van vandaag professionele saboteurs zijn van de strijd en dat een cruciale voorwaarde voor de ontwikkeling van de strijd, het in handen nemen van de strijd door de arbeiders zelf is, via dagelijkse en soevereine algemene vergaderingen.
Om deze perspectieven te verdedigen heeft de IKS een pamflet wijd verspreid ontrent de ontslagen bij VW, niet alleen aan de fabriek zelf maar op talrijke plaatsen in verschillende steden in heel België, want de vragen die worden opgeworpen door het conflict bij VW gaan heel de arbeidersklasse aan. Het pamflet is eveneens op de internetsite van de IKS geplaatst en is daar vertaald in het Duits en in andere talen.  Verder was de IKS aanwezig op de betoging van 2 december om er het pamflet te verspreiden, en haar pers te verkopen en om te discussiëren met de arbeiders. Met het doel om een brede discussie mogelijk te maken ontrent de perspectieven van de beweging, hebben wij eveneens een speciale openbare bijeenkomst georganiseerd en wijden wij nu een ruime plaats aan de lessen uit het conflict in onze krant. Wij kunnen jou, net als onze andere lezers, er enkel toe aanmoedigen om aan deze overdenking deel te nemen opdat de strijd van de arbeiders bij VW kan bijdragen tot het smeden van de wapens voor de komende strijd van de arbeidersklasse.

Internationalisme

Links en VW-Vorst: Een pseudo-solidariteit met de arbeiders om de strijdperspectieven beter te verdoezelen

Verontwaardigd door een drama zoals dat bij VW en door het cynische antwoord van het patronaat en de sociaal-liberale regering, voor wie “het nutteloos is om zich te verzetten tegen de wetten van de economie, de mondialisering en volgens wie het beter is om er het beste van te maken door nog meer opofferringen te aanvaarden en door, uitbuiters en uitgebuiten, eendrachtig de handen in elkaar te slaan in het belang van de nationale economie”, vragen vele arbeiders zich af: Wat te doen? Hoe te reageren? Groepen van ‘socialistisch links’, zoals de PvdA, de SAP of de LSP, beweren een antwoord aan te dragen voor deze lastige vragen. Met radicale slagzinnen als: “Handen af van onze tewerkstelling”, “Geen ontslagen”, “Solidariteit met de arbeiders van VW en van de onderaannemers”, “Een andere politiek is nodig”, werpen deze ‘gauchistische’ organisaties zich op als onverzettelijke verdedigers van de belangen van de arbeiders. Maar laten we eens kijken achter de slogans, en een licht werpen op de pamfletten die verdeeld werden op 2 december, tijdens de vakbondsbetoging in solidariteit met de arbeiders van VW, en zien welke perspectieven zij echt vooropstellen voor de strijd en de organisatie ervan.

1. Deze ‘socialistische linksen’ roepen in de eerste plaats de arbeiders op om zich te mobiliseren tegen de ‘arrogantie van de multinationals’ en de ‘superwinsten’ van rijke aandeelhouders: “Volkswagen schrapt 4.000 jobs in België en 20.000 in Duitsland. Nochtans bulken de groep en zijn aandeelhouders van het geld”; “Als er vandaag duizenden families in België in angst leven, dan is dat om de familie Porsche, het vijfde grootste Duitse fortuin met 5,1 miljard Euro, aan te dikken” (Solidair, PvdA, 29.11.2006). Alsof de Belgische ondernemingen niet zouden rationaliseren en delokaliseren! Alsof de reden van de vernietigende spiraal van economische kaalslag en oorlog die de wereld vandaag meesleurt zou liggen in de superwinsten van enkele schatrijke families! Via dergelijke argumenten moffelen deze organisaties in werkelijkheid de ware redenen weg, van de ramp die onze wereld treft. Het probleem ligt niet in de gulzigheid van enkele oude vrekken maar in de doodscrisis die de grondvesten zelf van de kapitalistische productiewijze aantast en aantoont dat deze historisch voorbijgestreefd is. Wat op tragische wijze wordt aangetoond door de massale ontslagen bij VW, is juist het onafwendbare ineenstorten van dit economisch systeem in verval waarvan de langzame doodsstrijd gepaard gaat met een ononderbroken opeenvolging van economische rampen en oorlogsslachtingen.

Door in het bijzonder de multinationals en de ‘grote fortuinen’ aan te klagen, doen deze ‘gauchistische’ groepen tegelijkertijd het idee binnensijpelen dat de arbeidersklasse druk zou moeten uitoefenen op de nationale staat om op te treden als een mogelijke medestander van de arbeiders: zo beweren ze, met betrekking tot VW, dat “indien de multinational niet op zijn beslissing terugkomt, de regering de terugbetaling moet eisen van de toegekende belastingvoordelen. Ja, zelfs beslag moet leggen op het kapitaal van een miljard Euro van zijn coördinatiecentrum” (Solidair). Deze kapitalistische staat die de soberheid oplegt, de strijd onderdrukt en voortdurend de levensvoorwaarden aanvalt van de arbeidersklasse, diegene die ontslaat bij de NMBS en de Post, wordt dus voorgesteld als een bondgenoot van wie de arbeiders heil zouden kunnen verwachten!

2. Datzelfde ‘socialistisch links’ stelt als strijdperspectief het aanpassen van de arbeids- en levensvoorwaarden binnen het systeem. Zo roept de PvdA de arbeiders van VW er toe op om te strijden voor “het instellen van een nieuwe spreiding van de productie binnen de groep”, “een evenredige herverdeling van de modellen en de productie ervan over de verschillende Europese vestigingen” (pamflet Raak niet aan mijn job, PvdA). Met andere woorden, druk uitoefenen op het patronaat voor de ‘evenredige spreiding’ van de soberheid, ja zelfs aan de arbeiders van andere landen vragen om meer soberheid te aanvaarden ‘uit solidariteit’!

Anderen schijnen ‘radicalere’ perspectieven naar voren te schuiven: zij dringen aan op de druk die moet uitgaan van de strijd op de ‘overheid’ voor het doorvoeren van een beheer en een reconversie van de economie ten gunste van de arbeiders: “De overheid zou in de vestiging van Vorst echt de belangen van de arbeiders moeten dienen door de productie te heroriënteren op basis van een maatschappelijk debat ontrent de mobiliteit” (pamflet van de LSP); “een politiek die de controle van de arbeiders en hun vertegenwoordigers in de bedrijven versterkt, opdat er echte alternatieven zouden kunnen voorop gesteld worden [...] reconversie van de productie, onder controle van de vakbonden en de arbeiders” (pamflet van het Comité voor een Andere Politiek).

Het geheel van de voorstellen heeft één leidmotief: de acties moeten druk uitoefenen met het oog op het aanpassen van het systeem, het invoeren van hervormingen ten gunste van de arbeiders. Het idee dat er natuurlijk aan ten grondslag ligt is dat de arbeiders en de kapitalisten fundamenteel in hetzelfde schuitje zitten en dat voldoende druk op de ‘rijken’ het mogelijk moet maken om een beter sociaal en ecologisch evenwicht te vinden. Met dergelijke oriëntaties verdoezelen de ‘gauchisten’ de historische crisis van het kapitalisme en wat er daaruit voortvloeiend op het spel staat: de soberheidspolitiek van de laatste dertig jaar net zoals de ellende, de oorlogsslachtingen en de chaos op wereldschaal die niet voortvloeien uit de slechte wil van de ‘rijke aandeelhouders’ maar uit een economisch en politiek systeem dat op drift geslagen is. Het gaat er dus niet langer om het kapitalisme te hervormen maar het te vernietigen voor het de mensheid om zeep helpt. Want voor het behoud van haar privileges zal de bourgeoisie niet aarzelen om de arbeidersklasse in de meest barre ellende te storten, om haar te gebruiken als kanonnenvlees en de mensheid in het ergste barbarendom te doen wegzinken.

3. Achter hun radicale taal roepen de PvdA, de SAP en de LSP, er in de grond toe op om te strijden voor het hervormen van de democratische staat, die een dam zou vormen die de arbeiders beschermt tegen de uitwassen van de ‘neo-liberale logica’. De arbeidersklasse zou de ‘sociale dimensie’ moeten verdedigen van de democratische staat tegen de neo-liberale uitglijders en de druk op de ‘overheid’ zou moeten waarborgen dat de sociale voorwaarden terug aanvaardbaar zouden worden en de weerslag van de herstructureringen zou verminderen: “werktijdvermindering zonder loonverlies in de verschillende vestigingen van de groep”; “prépensioen op 55 jaar voor iedereen” (pamflet Raak niet aan mijn job, PvdA); “Het generatiepact moet worden teruggeschroefd” (pamflet van de vakbondsbasis, 15 DeBe/Mo 15 De). Of deze verdediging van de democratische staat wordt gesteld op het Belgisch vlak of zelfs op het vlak van een “Europese politiek die de macht van de aandeelhouders aan banden moet leggen en de concurrentie moet doen ophouden tussen de generaties en tussen de landen” (pamflet van het Comité voor een Andere Politiek, beweging voor een nieuw socialistisch links), het beeld dat wordt opgehangen van een sociale staat die de arbeider in bescherming neemt in het kader van de democratie, is in elk geval een valstrik. Het zijn daadwerkelijk de kapitalistische staten en hun regeringen die, met behulp van soberheidsplannen en tewerkstellings-, competitiviteits- en generatiepacten, de flexibiliteit verhogen en de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse aantasten.

De democratische staat wordt niet alleen geacht de arbeiders te beschermen, hij zou ronduit, en dank zij een ‘werkelijk reconversieplan’, de reconversie kunnen paren aan een maatschappij met respect voor de mens en de natuur: “De verdediging van de tewerkstelling van de arbeiders van deze sector houdt dus, op termijn, haar reconversie in naar de productie van sociaal nuttige en ecologisch draagbare producten. De fabriek in Vorst zou zich, bijvoorbeeld, kunnen wijden aan de productie van voertuigen voor gemeenschappelijk vervoer en van materiaal voor het uitrusten van het Brusselse streekvervoer of aan het lanceren van een openbaar initiatief van de productie van een veilig en ecologisch verantwoord voertuig” (Pamflet van de SAP). Buiten het feit dat dit voorstel een hersenschim is, illustreert het eens te meer de misleidende aard van het zelfmoordperspectief dat door deze groepen aan de arbeiders wordt voorgesteld.

Kortom de argumentatie van de ‘gauchistische’ groepen mikt er op om het idee op te dringen dat de staat, in plaats van ten dienste te staan van de patroons, de arbeiders zou kunnen verdedigen, dat de staat tot een beschermheer van de loontrekkers zou kunnen worden en niet langer ‘in dienst van het patronaat’ zou staan. Niets is minder waar. In het kapitalisme in verval is het in werkelijkheid de staat die de aanvallen van de bourgeoisie coördineert. Hij is het die de meest algemene aanvallen leidt die de arbeidersklasse in haar geheel treffen: omtrent de pensioenen, de sociale zekerheid, tegen de werklozen. Het is de staat als patroon, die zelf het voorbeeld geeft van de brutaliteit van de aanvallen door het massaal verminderen van het aantal van zijn ambtenaren en door hun lonen gedurende jaren te blokkeren. De staat kan enkel de verdediger bij uitstek zijn van de belangen van de burgerlijke klasse door alle omstandigheden te verzekeren voor de verdediging van de belangen van het nationale kapitaal tegen de arbeidersklasse.

4. Wat de organisatie van de strijd betreft roepen de PvdA, de SAP en de LSP, de arbeiders er toe op om druk uit te oefenen op ‘hun’ vakbondsorganisaties en ‘hun’ délégués om de strijd te organiseren. En dit terwijl de vakbonden van bij het begin elke arbeidersmobilisering onderdrukt hebben door de arbeiders naar huis te sturen en aldus elke mogelijkheid hebben uitgeschakeld van uitbreiding naar andere bedrijven. En op het ogenblik dat deze professionele saboteurs de voorwaarden scheppen die hen in staat moesten stellen om de solidariteitsbetoging voor te stellen als een uitdrukking van de onmacht (zie artikel hiernaast), doet de LSP op een schijnheilige manier het idee schuimen onder de arbeiders omtrent de illusies in de vakbonden: “Waarom geen gebruik maken van het succes van deze betoging om een algemene 24 urenstaking aan te kondigen tegen de ontelbare herstructureringen?” (pamflet van de LSP).

De vakbonden zijn niet aan hun proefstuk: denken wij maar even terug aan het ‘solidariteitspact’ een jaar geleden. “Onaanvaardbare maatregelen” bazuinde het ABVV in oktober; maar ondanks het diepe algemene ongenoegen binnen de arbeidersklasse, dat in het bijzonder tot uiting kwam op de bijeenkomst van 100.000 arbeiders in Brussel tijdens de nationale vakbondsbetoging van 28 oktober, kondigde diezelfde organisatie eind december zonder verpinken aan: “opschorting van de acties en het zoeken naar meer doelgerichte drukkingsmiddelen” (sic!). En het parlement nam zonder tegenstand in december het ‘solidariteitspact’ aan net als de alternatieve financiering van de sociale zekerheid. Zoals de aanval op de arbeiders van VW eens te meer heeft laten zien, is het overlaten van de belangen van de arbeiders in de handen van de vakbonden de beste waarborg voor een totale nederlaag. Nu al sedert meer dan honderd jaar verdedigen de vakbondsorganisaties niet langer de belangen van de arbeidersklasse maar zijn ze omgevormd tot de waakhonden van de bourgeoisie in de fabriek. En door hun kritische steun aan deze organisaties waarborgen de ‘gauchistische’ groepen hun geloofwaardigheid, door de arbeiders die zich vragen stellen telkens terug in het vakbondsgareel terug te brengen.

Deze opstelling van de ‘gauchistische’ organisaties zoals de PvdA, de SAP en de LSP is niet eenmalig. Achter hun radicaal gepraat dat hen in staat stelt om de elementen aan te zuigen die ontgoocheld zijn door de voortdurende sabotage van de strijd door de vakbonden en door de openlijke deelname van traditioneel links aan de soberheids- en herstructureringspolitiek, vormen de strijd- en organisatieperspectieven die door deze groepen worden voorgesteld een zelfmoordkader voor de strijd. Dit kader kan enkel leiden tot ontmoediging en oriënteert de solidariteit naar verrotte perspectieven die leiden tot berusting en het slikken van de aanvallen. De schijnbare radicaliteit van hun stellingen is dus een lokvogel om de elementen die op zoek zijn naar een werkelijk alternatief voor het kapitalisme af te leiden naar de verdediging van de democratie en de strijd voor hervormingen, en om bij hen uiteindelijk elke dynamiek van bewustwording te kelderen.

Geconfronteerd met het verlies aan geloofwaardigheid van de ‘klassieke’ linkse partijen heeft de bourgeoisie er alle belang bij om nieuwe geloofwaardige krachten in stelling te brengen om de wacht af te lossen. Krachten die nog niet aangetast zijn door uitoefening van de macht maar die, via een radicaler gepraat en image, de arbeiders leiden naar dezelfde valstrikken van het parlementarisme en de illusoire strijd voor de hervorming van de burgerlijke staatstructuren. Vanuit dit standpunt doen de organisaties van ‘socialistische links’ zoals de LSP, de SAP en de PvdA een uitstekend werk... in dienst van de burgerlijke klasse.

Jos / 01.01.2007

Oaxaca: De strijdbaarheid van de arbeiders op een dwaalspoor gezet door democratische illusies

De repressie die de Mexicaanse staat ontketend heeft tegen de bevolking van Oaxaca legt de bloeddorstige wreedaardigheid van de democratie bloot. Sinds vijf maanden is Oaxaca omgevormd tot een waar kruitvat, met paramilitaire korpsen en politie als gewapende arm van de staatsterreur. Huiszoekingen, opsluitingen en martelingen worden elke dag gebruikt door de staat om ‘orde en vrede’ te herstellen. De uitspattingen van de politie hebben tientallen ‘verdwijningen’ tot gevolg, talloze gevangenen en minstens drie doden (zonder het twintigtal personen mee te rekenen dat tussen mei en oktober dit jaar vermoord werd door de witte gardisten).

Zes jaar geleden verklaarde de heersende klasse dat met de regeerperiode van Fox een ‘tijd van veranderingen’ ingeluid werd. Maar de realiteit maakt duidelijk dat welke partijen of personen er ook in de regering zetelen, het kapitalisme geen enkele verbetering te bieden heeft... en het is duidelijker dan ooit dat het huidige systeem niets anders te bieden heeft dan uitbuiting, ellende en repressie. De hele arbeidersklasse moet zeer grondig de lessen trekken uit wat in Oaxaca is gebeurd om te begrijpen dat de toestand van geweld en repressie die zich daar ontwikkeld heeft niet gebonden is aan een regering in het bijzonder, maar dat ze in de aard van het kapitalisme zelf besloten ligt.

Opdat de komende strijd beter voorbereid zij, is het nodig een stand van zaken te bepalen omtrent de betekenis van de huidige mobilisaties.

De bourgeoisie buit de onvrede in haar eigen voordeel uit

De huidige betogingen in Oaxaca zijn zonder twijfel een uitdrukking van de ontevredenheid die er onder de arbeiders bestaat tegen de uitbuiting en de schande van het kapitalisme. De mobilisaties in die streek drukken de onvrede uit over de toenemende aftakeling van de levensvoorwaarden. Ze zijn het resultaat van een diepe woede en bewijzen een ware moed en strijdwil. Maar ze werden echter misbruikt door de bourgeoisie die erin geslaagd is de doeleinde, methodes en organisatie van de acties aan de controle van de arbeiders te onttrekken.

De conflicten die zich ontwikkelen binnen de bourgeoisie (die verdeeld is in rivaliserende fracties) hebben geholpen om de sociale onvrede af te leiden door de strijd voor looneisen te herleiden tot een beweging zonder vooruitzichten, afgeleid door één van de fracties van de bourgeoisie, de ‘democratiserende’, tegen een andere, bestaande uit oude kopstukken.

Geconfronteerd met de mobilisatie heeft het sysreem duidelijk zijn bloeddorstige aard getoond, maar dat gebruik van terreur door de staat gaat verder dan de repressie tegen de betogers van Oaxaca. Het optreden van de militaire en politiemacht heeft niet als hoofddoel de Volksassemblee van de volkeren van Oaxaca (APPO) van de kaart te vegen, maar wil fundamenteler terreur verbreiden als een waarschuwing en dreiging tegen het geheel van de arbeiders. De staatsterreur werd ontketend door de repressiekrachten van de staat te koppelen aan die van de federale regering, waarbij duidelijk getoond werd dat zelfs wanneer er een strijd bestaat tussen verschillende groepen van de bourgeoisie, deze er steeds in slagen een akkoord te bereiken om hun repressieve taak tot een goed einde brengen. De veronderstelling dat het mogelijk zou zijn een ‘dialoog’ aan te gaan met een deel van de bourgeoisie, komt erop neer de ijdele hoop te voeden dat er binnen de bourgeoisie een ‘progressieve’ of ‘verlichte’ fractie zou kunnen bestaan. Door het ontslag van Ulises Ruiz (1) als hoofddoel van de beweging voorop te stellen, heeft de APPO de illusie gewekt dat het kapitalistisch systeem verbeterd kan worden door het te democratiseren of door de mensen die de macht dragen te vervangen.

Het ordewoord van de APPO om de krachten te bundelen tegen Ulises Ruiz versterkt op geen enkele manier de collectieve overdenking en de bewuste actie. Het betekent integendeel het verspreiden van verwarring en het onderwerpen van de sociale actie aan de belangen van één van de fracties van de bourgeoisie tegen een andere. Het duidelijkste bewijs van die afleiding en van de groeiende verwarring wat betreft de objectieven blijkt uit het feit dat de loonkwestie, die aan de basis van de beweging lag, naar de achtergrond verschoven is. Vakbonden en federale regering hebben de loonkwestie herleid tot een eenvoudig technisch probleem van adequate steun voor de streek door een planning van de openbare uitgaven, waardoor ze de kwestie konden isoleren en haar voorstellen als een ‘plaatselijk’ probleem, zonder enig verband met de rest van de loontrekkers.

De strijdmethodes die vooropgesteld werden, piketten, blokkades, uitputtende marsen en uitzichtloze confrontaties, hebben belet dat solidariteit tot uiting kwam. Ze hebben de beweging integendeel geïsoleerd, haar kwetsbaar gemaakt tot ze een gemakkelijk doelwit werd voor de repressie.

APPO: een lichaam vreemd aan het proletariaat

De samenstelling van de APPO (bestaande uit ‘sociale-’ en vakbondsorganisaties) toont al dat deze organisatie, en de beslissingen die ze neemt, ontglippen aan de handen van het proletariaat. Omdat ze de discussie en overdenking overgelaten heeft aan de vakbonden en de groepen van de linkerzijde van de bourgeoisie, heeft deze structuur haar niet-proletarische aard voldoende aangetoond. Ze heeft er duidelijk voor gezorgd dat de kracht van destrijdende  arbeiders finaal verdund en verzwakt werd, een kracht die zich nooit kan uitdrukken in een structuur die, hoewel ze zich voordoet als zogenaamd open assemblee, in de praktijk haar ware aard toont, namelijk die van een interklassefront dat geleid wordt door de verwarring en wanhoop van de middenlagen. De oproep die op 9 november 2006 gelanceerd werd om de APPO om te vormen tot een permanente structuur (Staatsassemblee van de volkeren van Oaxaca) bewijst dat goed, namelijk wanneer ze de Grondwet van 1917 van de Mexicaanse bourgeoisie omschrijft als "een historisch document dat de bevrijdende traditie van ons volk bevestigt" en door op te roepen die te verdedigen, "alsmede het grondgebied en zijn natuurlijke grondstoffen". Het radicalisme beperkt zich tot de verdediging van de nationalistische ideologie, die puur vergif is voor de arbeiders. De oproep bevat bovendien een regelrecht vervalsing van het proletarisch internationalisme wanneer ze de noodzaak uitroept van "het smeden van banden van samenwerking, solidariteit en broederschap met alle volkeren van de aarde voor de opbouw van een rechtvaardige, vrij en democratische maatschappij, een echte menselijke samenleving"... door de strijd voor de "democratisering van de VN"!

De oprichting van de APPO was geen stap vooruit voor de beweging van de arbeiders, ze is integendeel verbonden aan de verplettering van hun onvrede. De APPO heeft zich ontpopt tot een echte ‘dwangbuis’ om de proletarische strijdwil aan banden te leggen. De stalinistische, maoïstische en trotskistische groepen en de vakbonden die er deel van uitmaken hebben de moed en de uitdrukkingen van solidariteit van de arbeidersklasse van hun ware aard kunnen ontdoen door er een oriëntatie en een actie aan op te leggen die mijlenver verwijderd is van de belangen van de arbeiders en van de andere uitgebuiten. De vergelijkingen die de APPO durft te maken tussen haar structuur en die van de sovjets, hun pretentie dat ze een ‘embryo van arbeidersmacht’ zijn, dat alles zijn allemaal beledigingen aan het adres van de arbeidersbeweging.

De authentieke proletarische organisatie onderscheidt zich hierin, dat de doeleinden die ze zich stelt direct verbonden zijn aan haar klassebelangen, dat wil zeggen aan de verdediging van haar levensvoorwaarden. Ze stelt zich niet tot doel de ‘nationale economie’ te verdedigen, de verstaatste economie of de democratisering van het systeem dat haar uitbuit. Ze streeft  vóór alles  haar politieke onafhankelijkheid te verdedigen tegenover de heersende klasse, een onafhankelijkheid die haar in staat stelt haar strijd te voeren tegen het kapitalisme.

In die zin houdt de eisenstrijd van de arbeiders de voorbereiding in van een radicale kritiek van de uitbuiting: ze drukken het verzet uit tegen de economische wetten van het kapitalisme en de radicalisering ervan opent de weg naar de revolutie. Dat zijn momenten die deel uit maken van de voorbereiding op de revolutionaire gevechten die het proletariaat zal moeten leveren, en in die zin zijn ze de kiemen van de revolutionaire strijd.

Het bewustzijn en de organisatie zijn de wapens van de arbeiders om de strijd aan te gaan met het kapitalisme

Als internationale en internationalistische klasse moet het proletariaat in alle landen zich de ervaringen van zijn  voorbije gevechten eigen maken en assimileren. Het is dus onmisbaar om de ontwikkeling van zijn bewustzijn aan te zwengelen dat het zich bijvoorbeeld de lessen eigen maakt van de mobilisatie die ontwikkeld werd door studenten en arbeiders in Frankrijk in het voorjaar 2006 tegen het Startbaancontract (CPE). De wezenlijke les van die beweging was haar organisatievermogen waardoor het voldoende controle over de strijd kon behouden om de gauchisten en vakbonden te verhinderen de beweging van haar centraal doel af te leiden, de strijd tegen de precariteit. De strijd die de arbeiders in Vigo (Spanje) in dezelfde periode  gevoerd hebben gaat in dezelfde zin met hun looneisen en de uitbreiding van de strijd via de controle over hun assemblees tegen de sabotage door de vakbonden.

De verdediging van hun levensvoorwaarden, de organisatorische zelfstandigheid en de massale overdenking die in deze bewegingen bereikt werden, zijn lessen voor het gehele proletariaat, lessen die het voorop zal moeten stellen om zijn toekomstige gevechten te ontwikkelen.

Gebaseerd op een artikel in Revolucion Mundial, orgaan van de IKS in Mexico / 18.11.2006

 

(1) Gouverneur van de Staat van Oaxaca, lid van de voormalige leidende partij van Mexico, de PRI, corrupt en clientelist.

 

OCL: Buitenwijkrellen of anti-CPE-beweging, welke strijdmethoden voor de toekomst?

De Franse OCL (Organisation Communiste Libertaire) publiceerde in haar maandblad Cou­rant Alternatif in de zomer van 2006 een lang dossier onder de veelbelovende titel: “De rellen in de voorsteden in het licht van de beweging tegen de CPE.” Er zijn weinig organisaties die vandaag nog terugblikken op de voorbeeldige strijd van afgelopen voorjaar. De beweging van de studenten in Frankrijk is nochtans een goudmijn voor het hele wereldproletariaat. Haar dynamiek en methoden vormen even zovele lessen voor de arbeidersklasse om overal de strijd in eigen handen te nemen. De rellen in de voorsteden willen begrijpen ‘in het licht van de beweging tegen de CPE’ is dus van het grootste belang. En de OCL stelt meteen de juiste vraag : “Het enorme elan van solidariteit waarvan begin 2006 de schoolgaande jeugd genoten heeft in haar beweging tegen de CPE [...] zet ertoe aan opnieuw na te denken over de socia­le revolte die vele volkswijken afgelopen herfst getroffen heeft [...] Waarom kon die re­volte op zo weinig sympathie rekenen bij de bevolking ?”

Maar voor deze libertaire organisatie is die mooie intentieverklaring niets meer dan een alibi om kolom na kolom op de de beweging van vorig voorjaar te spugen en zich laatdunkend over de strij­dende studenten uit te laten.

De rellen: een uitbarsting van haat zonder hoop of perspectief

In werkelijkheid buigt de OCL zich niet één keer over de rellen ‘in het licht van de be­weging tegen de CPE’ (Contrat de Première Embauche: het startbaancontract). Geen enkele keer probeert ze te begrijpen ‘in het licht’ van de Algemene Vergaderin­gen die voor alle arbeiders openstonden en van de verenigende ordewoorden van de strijd van de studenten, waarom het in brand zetten van de volkswijken slechts angst teweeggebracht heeft en het op zichzelf terugtrekken van de grote meerderheid van de arbeiders, waarom het slechts een versterking van de veiligheidspolitiek en de repres­siemaatregelen van de staat vergemakkelijkt heeft.

Terwijl ze zichzelf drapeert met valse radicaliteit geeft de OCL zich daarentegen over aan een lofzang op het geweld. Ze rechtvaardigt punt voor punt het in band steken van lijnbussen, van scholen, auto’s, sportzalen... om te bewijzen dat dit geen ‘doelloze da­den’ zijn, dat deze ‘doelwitten’ een revolte tonen tegen alles wat de jongeren van de buitenwijken dagelijks onderdrukt. Als bewijs geeft ze ons mee: “Waarom personen­auto’s vernielen [...] ? Omdat wanneer 1/3 tot 2/3 van de huishoudens in sommige wij­ken geen geld hebben om er een te kopen, het bezit van een auto, net als het hebben van een vaste baan, voor sommige jongeren iets van de bevoorrechten is.”  Nee, pre­cies zijn buurman aanvallen omdat hij iets minder in de ellende zit, dat is wel de anti­these van proletarische strijd. De woede van die jonge relschoppers is natuurlijk te­recht, hun leven vandaag en morgen is ondraaglijk en onaanvaardbaar, maar meege­sleurd door de woede van de wanhoop en het ‘no future’ kunnen ze zich slechts uitdruk­ken op het verrotte terrein van haat en vernieling.

Hun rellen konden niet uitmonden op enige solidariteitsbeweging in de arbei­dersklasse. Ook al konden vele arbeiders de woede van die jonge uitgeslotenen ‘begrij­pen’, dan nog waren ze er de eerste slachtoffers van. Op geen enkel moment konden ze zich herkennen in dergelijke methoden die inderdaad niet tot de klassenstrijd behoren.

De studenten zijn niet in de val getrapt van het geweld van de rellen

Daarom heeft de staat tijdens de beweging tegen de CPE de ene provocatie na de ande­re gelanceerd, in de hoop de studenten op hun beurt mee te trekken in de impasse van gewelddadige rellen. De bedoeling was duidelijk : het “immense elan van solidariteit” moest gebroken worden, de dynamiek van de ontwikkeling van eenheid en vertrouwen in het proletariaat moest gebroken worden door de jonge betogers af te schilderen als relschoppers om zo de arbeiders, die zich in steeds grotere aantallen bij de betogingen aansloten, schrik aan te jagen. Begin maart werd de Sorbonne door tot de tanden gewapende CRS-oproerpolitie belegerd, waardoor in het Quartier Latin een sfeer van stadsoorlog geschapen werd. De studenten zaten in de val, weigerden op te geven, en zaten zonder water en eten. Alles werd in het werk gesteld om ze te doen buigen en confrontaties uit te lokken. Maar de studenten hebben niet toegegeven. Op 16 maart is het hetzelfde liedje: de regering, met de medeplichtigheid van de vakbonden waarmee over de route van de betogingen onderhandeld wordt, zetten een ware muizenval uit voor de Parijse betogers die aan het einde van het parcours ingesloten worden door de politie. Maar opnieuw trappen ze niet in de val van de opwinding over een gespierde confrontatie. En opnieuw geven de media een compleet vertekend beeld van wat zich op deze dag afgespeeld heeft door de camera's alleen te richten op enkele honderden jongeren uit de voorsteden die zich in de marge van de betoging overgeven aan stenengooien en ander zinloos geweld. Tenslotte is het op de 23e, met de zegen van de aanwezige politie, dat groepen jongeren zich tegen de betogers gekeerd hebben om hen te beroven of      om hen zonder reden af te rossen. Niet alleen in Frankrijk, maar wereldwijd probeert de bourgeoisie op deze wijze de aandacht van de arbeidersklasse te richten op het verrotte terrein van vernielingen en knokpartijen met de politie. In Groot-Britannië, in de Verenigde Staten... namen de nieuwsjagers alleen nog maar het woord ‘riots’ (rellen) in de mond.

In het licht van deze feiten zijn de stellingnamen van de OCL ronduit walgelijk. Voor haar is het enige positieve dat we uit de beweging tegen het CPE moeten onthouden juist die vernietigingsdrang: “Een actieve minderheid heeft zich ingezet om de beweging te ra­dicaliseren, zowel door gewelddadige acties in de marge van de betogingen als met wilde bezettingen.” De OCL stelt verder: “Een geradicaliseerde minderheid van stu­denten of revolutionaire militanten toonde zich vastbesloten om het uit te vechten met de politie en om etalageruiten en andere symbolen van de consumptiemaatschappij te vernietigen.” En deze ‘heldhaftige’ daden zouden een “samengaan in dezelfde geweld­dadige houding” moeten vertegenwoordigen met “degenen die uit de volkswijken ko­men.” Hier komt tenslotte het ware gezicht tevoorschijn van de solidariteit met de jon­geren uit de voorsteden waar de OCL zo de nadruk op legt: het navolgen van dezelfde rel­lenmethodes, heel de jeugd en alle arbeiders aanmoedigen om zich in die brandhaard en die strijd zonder vooruitzichten te gooien. De OCL doet dus niets anders dat het spelle­tje van de staat meespelen die ze zegt zo te haten. Precies die “minderheid van geradicaliseerde studenten” en die zogenaamd “revolutionaire militanten” heeft de bourgeoisie gebruikt om de beweging in diskrediet te brengen en er angst, wantrouwen en verdeeldheid in te zaaien.

De strijd van de studenten heeft de jongeren uit de volkswijken een perspectief geboden

Maar de OCL speelt niet alleen mee in het spel van de bourgeoisie, ze gaat nog verder door schaamteloos de strijd van de studenten af te kammen: “We begrijpen hier beter wat voor zware gevolgen het stopzetten van de mobilisatie tegen de CPE heeft gehad voor de jongeren uit de volkswijken: door op dat punt toe te geven, kreeg de regering de handen vrij om de rest van de wet over gelijke kansen en de CESEDA inzake immi­gratie onveranderd door te voeren.” Je moet maar durven! De onophoudelijke aanval­len die vandaag op de arbeidersklasse regenen zouden tenslotte vergemakkelijkt zijn door de strijd van het afgelopen voorjaar. Sterker nog: “De ‘zege’ van de beweging te­gen de CPE werd [...] gedeeltelijk behaald over de rug van de jongeren die onderaan de sociale ladder vastzitten, door voor anderen de kansen veilig te stellen om die te kunnen beklimmen.” De studenten zouden tenslotte niets anders zijn dan kleinburgers die vechten voor hun eigen portemonnee, om hun voorrechten te kunnen behouden, zonder zich te bekommeren om de andere arbeiders, en nog minder om de jongeren in de volkswijken. Het zouden slechts individuen zijn die “voor examens willen slagen om op te klimmen in de sociale hiërarchie.” Niets is minder waar! (1).

De realiteit is, integendeel, dat de studenten, bewust van de onzekerheid van hun huidi­ge en toekomstige situatie, zich in de arbeidersklasse hebben herkend. Ze hebben zich massaal in de strijd geworpen voor de toekomst van de HELE maatschappij, van alle generaties, van de werklozen en de precaire arbeiders, en dus ook om de jongeren uit de volkswijken een perspectief te bieden en hen de gelegenheid te geven om uit de wan­hoop te klimmen waarin het blinde geweld van november 2005 hen heeft geduwd. De faculteit Censier in Parijs heeft een ‘Vommissie Voorsteden’ opgericht, belast om te gaan praten met de jongeren uit de achtergestelde wijken, met name om hen uit te leg­gen dat de strijd van studenten en leerlingen ook in het belang is van de jongeren die in de wanhoop van de massale werkloosheid en de sociale uitsluiting gestort zijn. In de algemene vergaderingen werden regelmatig tussenkomsten gehoord als: “Door de CPE af te wijzen, vechten wij zowel voor ons als voor de minstbedeelden.” Het meest overtuigende bewijs is waarschijnlijk de eis van amnestie voor alle jongeren die ver­oordeeld werden gedurende de ‘hete herfst’ van 2005. In tegenstelling tot de leugens die de OCL verspreidt, heeft de kracht van de beweging tegen de CPE, het vermogen van de studenten om een gevoel van solidariteit mee te dragen in de strijd, een onmid­dellijk resultaat gehad, namelijk dat een grote meerderheid van de jongeren uit de voorsteden zich bij die strijd heeft aangesloten. Naarmate de strijd zich ontwikkelde, zijn de leerlingen van de lycea in de voorsteden zich in steeds grotere getale komen aansluiten bij de betogers, waardoor de afpersers en ander kleine misdadigers in de minderheid en in de marge bleven. Terwijl de rellen slechts een klein gedeelte van de jongeren in de hysterie van geweld konden meeslepen, terwijl de rest zich afgeschrikt opsloot, heeft de strijd van de studenten, haar methoden en doelstellingen, een an­dere manier om strijd te voeren en een perspectief geboden.

Omdat de strijd van de schoolgaande jeugd tegen de CPE zich de echte strijdmethoden van de arbeidersklasse heeft eigen gemaakt (met name de Algemene Vergaderingen, de verenigende ordewoorden en de straatbetogingen), heeft ze kunnen rekenen op de sym­pathie en solidariteit van een groeiend aantal proletariërs. Juist omdat de beweging te­gen de CPE niet steunde op vernielingen in arbeiderswijken, maar op solidariteit tussen de generaties, tussen alle sectoren van de arbeidersklasse, tegen de aanvallen van de bourgeoisie, heeft ze duizenden jongeren kunnen aantrekken die enkele maanden nog ten prooi waren aan wanhoop, en heeft deze beweging een sociale kracht kunnen opbouwen die in staat was om de regering terug te dringen.

Pavel / 19.11.06

(1) Het is dan ook uiterst komisch om in de conclusie van dit dossier te kunnen lezen: “In de eerste plaats moet worden getracht om een solidariteit tussen proletariërs te bewerkstelligen, door de aandacht te vestigen op het gemeenschappelijke lot van de kapitalistische uitbuiting en de precariteit die allen bedreigt (zonder na te kunnen la­ten er iets aan toe te voegen) ofschoon in verschillende mate.”

Plan Baker: De imperialistische politiek van de VS in het slop

De bourgeoisieën van de meest ontwikkelde landen, met inbegrip van de Verenigde Staten, hebben ieder uit imperialistisch eigenbelang het verschijnen van het plan Baker voor de Amerikaanse buitenlandse politiek toegejuicht. Het werd uitgewerkt door een studiegroep die bestond uit de Amerikaanse top-politici: conservatieven zowel als democraten. Na de gevoelige nederlaag van president Bush en zijn regering bij de verkiezingen voor de het huis van afgevaardigden en de senaat moest de Amerikaanse bourgeoisie wel reageren. Die nederlaag werd vooral veroorzaakt door de totale mislukking van de imperialistische politiek van de Verenigde Staten in Afghanistan en vooral in Irak. Het steeds verder vastlopen van haar leger in Irak, de totale afwezigheid van enig perspectief, en de hand over hand toenemende chaos zijn slechts uitingen van de versnelde aftakeling van de grootste wereldmacht. Nu ze is een volslagen impasse is geraakt werkt de Amerikaanse bourgeoisie al maandenlang zeer officieel aan een nieuwe koers die geloofwaardiger moet overkomen en de verdediging van haar imperialistische belangen beter dient. Dat was de reden voor de oprichting van een onderzoekscommissie voor Irak die, in het voetlicht van de media, zo juist haar verslag heeft uitgebracht.

Het Amerikaanse imperialisme kan zijn aftakeling in de imperialistische arena niet ongedaan maken. Dit plan omvat de hele imperialistische politiek van de Verenigde Staten aan. Het begint met de voor de hand liggende vaststelling dat de oorlogspolitiek in Irak geen schijn van kans maakt. Maar het gaat verder, het benadrukt de opkomst van grote druk van anti-Amerikaanse en anti-Israëlische politiek in heel het Nabije en Midden-Oosten. Het lijkt er op dat dit verslag ingaat tegen de politiek die de Verenigde Staten in dit deel van de wereld al jarenlang voeren. Het voorziet in een geleidelijke terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Irak en de massale versterking van het Iraakse leger dat onder de leiding zou moeten komen te staan van de eerste minister Noeri Kamal Al Malaki. Terwijl de bloedige aanslagen elkaar in steeds hoger tempo opvolgen, met een volslagen machteloze regering en een Amerikaans leger dat zich verschanst heeft in versterkte kampen, wordt onmiddellijk duidelijk wat een dergelijk voorstel is: onrealistisch, onuitvoerbaar en niet van deze wereld. Dat is zo overduidelijk dat men zich er in het plan Baker voor hoedt om de streefdatum voor de terugtrekking van de Amerikaanse troepen op te geven. Dat geldt ook voor de andere voorstellen die in dit rapport worden gedaan. Wat bij het lezen van het rapport eveneens opvalt zijn de voorstellen om de dialoog met Syrië en Iran officieel weer aan te gaan. Het verslag brengt dat nauwkeurig onder woorden: “Iran moet aanmoedigende voorstellen ontvangen, zoals herstel van de betrekkingen met de Verenigde Staten, en anderzijds afschrikkende om de vloed van wapens te stelpen die bestemd is voor de Iraakse milities. Het land moet geïntegreerd worden in de Studiegroep omtrent Irak.” (Courier International, 14 december 2006). Dit voorstel van het rapport is zo onrealistisch dat het duidelijk de totale impasse aantoont waarin de Verenigde Staten zich in Irak bevinden. En het is nog erger, ze zijn steeds minder in staat om de toenemende aanmatigingen van Syrië en Iran te temperen. De onmogelijkheid van het Amerikaanse leger om de toestand in Irak te beheersen drijft de Amerikaanse bourgeoisie er zelfs toe om in overweging te nemen Iran te betrekken in een poging om de Iraakse chaos te beheersen. Deze alternatieve politiek kan op niets anders uitlopen dan op toenemende eisen van Iran, op het vlak van de ontwikkeling van een kernwapen, maar ook strategisch, in het gehele Nabije en Midden-Oosten. Dergelijke eisen en stappen vooruit van het Iranese imperialisme zijn noch voor Israël, noch de verenigde Staten zelf aanvaardbaar. Het is hoogst waarschijnlijk dat in de komende maanden de toon van de Amerikaanse redevoeringen voor wat betreft de internationale betrekkingen gematigder zal worden en zal oproepen tot meer ‘internationale samenwerking’ in wat de bourgeoisie de strijd tegen het internationale terrorisme noemt. In het weinig waarschijnlijke geval dat dit slaagt zal de chaos zich over het gehele Nabije en Midden-Oosten uitbreiden. De toon is trouwens al gezet met de verklaring van de koning van Saoedie-Arabië, Abdallah aan de Amerikaanse vice-president Dich Cheney, bij zijn bezoek aan Riyad enkele weken geleden: “Saoedie-Arabië heeft de regering Bush laten weten dat in het geval van terugtrekking van Amerikaanse troepen het koninkrijk financiële steun zou kunnen gaan verlenen aan de Soennieten in Irak in om het even welk conflict waarin zij tegenover de Sjiieten zouden staan.” (Courier International, 13 december 2006). In Irak staan de Verenigde Staten met de rug tegen de muur. Geen van de voorgestelde mogelijkheden op militair vlak is bevredigend voor het Amerikaanse imperialisme. De toenemende betwisting van de Amerikaanse oppermacht niet alleen door Iran, maar tevens door imperialistische landen als Frankrijk, Duitsland en zelfs Rusland, kan de Verenigde Staten in de toekomst enkel drijven tot een steeds moorddadigere en barbaarsere vlucht vooruit, ongeacht de ontwikkeling van hun politiek in Irak. Dit kapitalisme in volle ontbinding zal ons nog veel meer vernietigende en irrationele militaire ingrepen voorschotelen.

Rossi

Slachtingen in Darfour: het kapitalisme zaait de dood

Sinds de winter van 2003 is er een ware volkerenmoord aan de gang in Darfoer, de westelijke regio van Soedan die grenst aan Tsjaad. Officieel telt men al meer dan 300.000 doden en 2.500.000 mensen zijn verdreven naar kampen waar geen enkele veiligheid verzekerd is. Anderen dwalen rond in een zone die ligt tussen Tsjaad en Soedan, omkomend van honger en de aanvallen ondergaand van min of meer gecontroleerde bewapende bendes die de streek onveilig maken. Dorpen worden geregeld gebombardeerd door de Soedanese luchtmacht en de bevolking wordt onderworpen aan afpersingen van de ‘janjaweeds’, met steun van de regering die hen betaalt. Het zijn bloeddorstige milities die in 1988 in Darfoer opdoken na de nederlaag van Khadafi in Tsjaad en van zijn Tsjaadse bondgenoot, die in deze regio onder bescherming van Khartoem stond. Deze laatsten verkrachten vrouwen en kinderen, plunderen en steken dorpen en velden in brand, vallen het vee aan en voeren een politiek van systematische vernietiging.

Het was pas in 2004 dat de Verenigde Naties zich, in de persoon van Kofi Annan, zou gaan ‘bekommeren’ om de toestand door het voor te stellen als een ‘etnisch en raciaal’ conflict. En ondanks de verklaringen van ‘goede bedoelingen’ hebben de pseudo-bedreigingen met vergeldingsmaatregelen de omstandigheden alleen maar verslechterd. En het zijn niet de luttele 7.000 soldaten die door de Afrikaanse Unie zijn gestuurd, zonder middelen of duidelijke doelstellingen, die daarin verandering kunnen brengen. In januari 2005 spreekt de Verenigde Naties duidelijk over ‘misdaden tegen de menselijkheid’ en roept het met zijn tweede resolutie nr. 1593 het internationaal gerechtshof op om vervolgingen in stellen tegen de verantwoordelijken van de begane misdaden. In augustus 2006 stemt de Veiligheidsraad voor het zenden van 17.000 soldaten en 3.000 politieagenten die echter niet worden toegelaten door Omar Al Bechir, de Soedanese president, die dit beschouwt als een ‘invasie’.

Momenteel, nu de Soedanese staat zijn militaire druk opvoert op de rebellenbewegingen, voornamelijk op het Bevrijdingsleger van Soedan, waarvan de opkomst het voorwendsel vormde voor de ontketening van dit geweld, verdubbelt de afpersing van de bevolking. En het is op dit moment Tsjaad dat de rebellengroepen tegen Khartoem steunt onder het welwillend oog van Frankrijk, dat zelf weer hulp verleent aan de Tsjaadse rebellen. Daardoor worden de moorden geëxporteerd naar Centraal Afrika, terwijl de Verenigde Naties zich nog steeds machteloos toont, ondanks de ‘zeer vruchtbare discussies’ in Addis Abeba.

In werkelijkheid trekt niemand in dit wespennest zich iets aan van de bevolking en de aarzelingen weerspiegelen de achtereenvolgende belangen, waarvoor de bevolking geslachtofferd wordt. Want Soedan met zijn olie wordt door de ontwikkelde landen het hof gemaakt, en dat stelt dit land in staat om zijn politiek van de verbrande aarde in Darfoer voort te zetten en nog op te drijven. Dit geldt ook voor de Verenigde Staten, die voor de show één van zijn vele wapenembargo’s heeft afgekondigd en waarvan de ondoeltreffendheid alom bekend is. Ook voor Groot-Brittannië heeft zich vierkant opgesteld tegen elke militaire interventie. En dan nog Frankrijk, dat reeds banden met Soedan had en daarom de ogen sluit. Het is slechts door het risico op de destabilisering van Tsjaad en Centraal Afrika, twee van zijn laatste bolwerken in Afrika, dat de Franse regering wenst om ‘Darfoer te stabiliseren’ om zo een domino-effect te vermijden. Anders gezegd, zolang ze verrekken in Darfoer is dat van geen belang, maar ze moeten niet komen rotzooien in de Franse achtertuin! Wat China betreft, een bijzonder actieve wereldwijde wapenhandelaar, die heeft er een afzetmarkt gevonden voor de afzet van zijn militair materiaal.

En zelfs indien de Verenigde Naties zijn ‘vredestichtende’ soldatentroepen stuurt naar Darfoer, kan men er zeker van zijn dat dit slechts de aanleiding kan worden tot een nieuwe periode van verdere destabilisering, want elk van de hoofdrolspelers heeft geen ander doel dan het verdedigen van zijn eigenbelang via de steun aan rebellenbendes.

Eens te meer zien we de werkelijkheid van deze kapitalistische wereld in volle ontbinding, waarbij de mensheid gegijzeld en tot de speelbal wordt gemaakt van interne twisten en oorlogen tussen bewapende klieken die zich vermenigvuldigen op de planeet, ondersteund door de grootmachten, groot en klein, die elkaar onderling verscheuren achter hun leugenachtig en cynisch gepraat.

Mulan / 24 .11.2006

Internationalisme, nr. 330 - 15 maart-15 april 2007

Airbus: als we vandaag de offers aanvaarden, slaat de bourgeoisie morgen alleen maar harder toe!

Nadat de directie van Airbus zich meerdere weken in allerlei bochten heeft gewrongen, en na een ontmoeting tussen Chirac en Merkel, is nu de valbijl gevallen: 10.000 banen in Europa verdwijnen en verschillende fabrieken zullen worden gesloten of verkocht.

Met de hand op het hart vertelt ons de directie “er zullen geen gedwongen ontslagen vallen”, “alles zal met vroegtijdige pensionering en vrijwillig vertrek worden geregeld”. Er komen geen ontslagen bij Airbus, maar dat betreft slechts de helft van het personeel dat wordt ge­raakt: de 5000 uitzendkrachten of loonarbeiders bij onderaannemers worden verzocht om op te hoepelen. Wat voor de loonarbeiders van Airbus het “vrijwillig vertrek” bete­kent, kunnen we op de vingers van één hand natellen: pesterijen door allerlei lagere chefs om hen te doen afknappen. Alles bij elkaar genomen zal er nog meer werkloosheid zijn, vooral onder de jongeren die werk zoeken. En voor wie blijft: als maar helsere arbeids­ritmen, meer werken voor hetzelfde salaris, of minder.

Hoe verklaren de bourgeoisie en de vakbonden de crisis van Airbus?

Om de  crisis van Airbus te verklaren en om dergelijke maatregelen te rechtvaardigen, zingt een ieder zijn eigen liedje. Voor Gallois, de baas van Airbus, is het in de eerste plaats vanwege de sterke Euro: de vliegtuigen van Airbus zijn te duur in vergelijking met die van Boeing. Voor de vakbonden gaat het om een kwestie van slecht manage­ment of om de inhaligheid van de aandeelhouders. Voor de bazen is het omdat de staat zich heeft willen inmengen in de industriële politiek, wat zijn rol niet zou zijn: men moet de privé-investeerders het onder elkaar laten uitzoeken. Voor de linkse partijen is het omdat de staat zijn rol van aandeelhouder niet heeft gespeeld. Voor de Franse pers is het vanwege de Duitse staat die de dekens naar zich toe heeft getrokken. De Duitse pers, en de Duitse bourgeoisie die erachter staat, valt het moeilijk om dit argument om te keren, aangezien dat de chemiegigant Bayer net de opheffing van 6100 arbeids­plaatsen heeft aangekondigd, terwijl de directie van Deutsche Telekom terzelfdertijd heeft besloten om 50.000 arbeiders naar onderaannemers over te plaatsen – wat een manier is om hun ontslag voor te bereiden, dat zal volgen wanneer ze eenmaal in vele kleine bedrijfjes zijn ondergebracht en dit alles zonder dat de fransen hier voor iets tussen zitten. En om maar meteen met een ruime maat te meten, moeten degenen die achterblijven vijf uur per week extra werken zonder loonsverhoging. Door haar me­dia probeert de Duitse bourgeoisie de arbeiders bij Airbus te vertroosten door te zeggen dat het voor hen nog erger had kunnen zijn: het zijn immers de Franse arbeiders die het meest getroffen worden. De Spaanse pers laat hetzelfde klokgeluid horen: Wanneer we niet al te slecht af zijn, is dat omdat we competitiever zijn. En om een regeltje aan het nationalistische refrein toe te voegen, worden de Duitsers en de Fransen ervan be­schuldigd ieder hun eigen potje te koken zonder de Spanjaarden te raadplegen.

De Britse pers van zijn kant daar domineert vooral discretie: Op dit moment worden honderdduizenden arbeiders in de gezondheidszorg aangevallen met een bevriezing van hun toch al bij­zonder lage salarissen.

Wat stellen ons degenen voor die de beslissingen van de directie van Airbus verwer­pen?

Voor de Duitse vakbonden zijn de moeilijkheden van Airbus maar één voorbeeld onder meerdere van het slechte beheer door de bazen, dat ook al verantwoordelijk wordt gesteld voor de moeilijkheden bij Deutsche Telekom en bij Bayer. Zij eisen om nog meer betrokken te worden bij het beheer van de ondernemingen, terwijl ze praktisch al 50% van alle ondernemingsraden vertegenwoordigen, en ze al betrokken zijn geweest bij alle beslissingen bij Airbus en in andere sectoren. In dat kader stellen ze voor dat de te nemen maatregelen “om de toekomst van Airbus veilig te stellen” lokaal bediscussieerd worden, fabriek per fabriek, door de bazen en de vakbonden.

De Franse vakbonden klagen op hun beurt eveneens het “slechte bestuur” van de huidi­ge directie aan, en stellen voor de staat een zwaardere stem te geven in het beheer van Airbus. Dit perspectief wordt ook gesteund door de Eerste Minister en door de rechtse en centrum-kandidaten bij de aanstaande presidentsverkiezingen Sarkozy en Bayrou. De socialistische kandidate Ségolène Royal doet er nog het voorstel bovenop dat de re­gio’s in het kapitaal van de vliegtuigbouwer moeten deelnemen. Dat bestaat al in Duitsland, waar de Länder deelnemen aan het kapitaal van Airbus, met het intussen bekende resultaat!

We mogen ons niet tegen elkaar laten uitspelen in deze kapitalistische concurrentiewedloop!

Er kan een greintje waarheid zitten in sommige van deze verklaringen. Het klopt dat de sterke Euro de verkoop van vliegtuigen die in Europa zijn geproduceerd hindert te­genover de concurrentie van Boeing. Het is juist dat er beheersproblemen zijn bij Air­bus. In het bijzonder klopt het dat de concurrentie tussen de Duitse en de Franse staat de zaken niet heeft geregeld. Iedereen kan een stukje van de waarheid vertellen, maar allemaal delen deze lieden dezelfde leugen: dat de arbeiders die vandaag opdraaien voor de moeilijkheden van Airbus dezelfde belangen zouden hebben als hun bazen. Kortom, ze zouden met het doel van deze praatjes moeten instemmen: Airbus moet rendabel worden tegenover Boeing. En dat is precies wat de Amerikaanse bazen aan de Ameri­kaanse arbeiders vertellen, en waarom de laatsten in de afgelopen jaren tienduizenden ontslagen hebben ondergaan. Per slot van rekening willen alle praatjes die de “verant­woordelijken” afsteken – regering, bazen of vakbonden – de boodschap doen overko­men dat de Amerikaanse arbeiders de vijanden zouden zijn van de Europese, net als de Franse, Duitse, Engelse en Spaanse arbeiders allemaal elkaars vijanden zouden zijn. Uiteindelijk wil het geheel van de burgerlijke krachten in de economische oorlog van vandaag de arbeiders in de verschillende landen tegen elkaar opzetten net zoals ze dat in de militaire oorlogen doet.

De kapitalisten houden niet op om ons te vertellen dat ze elkaar onderling beconcurre­ren, en dat klopt zeker. De oorlogen van de twintigste eeuw hebben ons laten zien dat het de arbeiders zijn die het meeste te verliezen hebben in deze rivaliteiten tussen kapitalistische naties, en dat ze geen enkel belang hebben om zich aan de bevelen en de belangen van hun respectievelijke nationale bourgeoisie te onderwerpen. In de logica van het kapita­lisme moeten de Amerikaanse net als de Europese arbeiders steeds meer offers bren­gen. Wanneer Airbus rendabeler wordt ten opzicht van Boeing, zullen de Ameri­kaanse arbeiders nieuwe aanvallen ondergaan. Er is trouwens vanaf vandaag al een ba­nenverlies van 7000 aangekondigd. Vervolgens is het aan de Europese arbeiders om opnieuw de rekening te betalen. Ieder terugwijken van de arbeiders tegenover de ka­pitalistische eisen zal overal slechts de weg bereiden voor nieuwe aanvallen, die nog gewelddadiger zullen zijn dan de voorgaande. Het kapitalistische systeem heeft geen an­dere “opties”, want het verkeert in een onoplosbare crisis. Het enige antwoord dat het daarop heeft bestaat eruit als maar meer banen te schrappen en de arbeiders die “de kans hebben” om hun baan... voor het moment te behou­den een steeds wredere uitbui­ting op te leggen.

Eén oplossing:  eenheid en solidariteit van de hele arbeidersklasse!

Voor de arbeiders die vandaag door de maatregelen van de directie van Airbus worden getroffen, bestaat er geen alternatief dan de strijd aan te gaan. In verschillende fabrieken van Airbus hebben ze dat onmiddellijk begrepen. Meteen na de aankondiging van de directieplannen zijn de 1000 arbeiders van de fabriek in het Zuid-Duitse Laupheim spontaan in staking gegaan, op hetzelfde moment dat de arbeiders in Méaulte, Picardië, het werk neerlegden. Ze hebben daar het werk weer hervat nadat de vakbonden hen hebben verteld dat de fabriek niet zou worden verkocht, wat een leugen was.

Maar de arbeiders van Airbus zijn niet de enigen die in deze strijd betrokken zijn. Alle uitgebuiten moeten zich solidair voelen tegenover de aanvallen die vandaag op de arbeiders in de luchtvaartsector neerkomen, die morgen opnieuw de automobielsector zullen treffen, de Telecom, de chemie, en alle sectoren.

De arbeiders moeten zich in soevereine algemene vergaderingen verenigen, waarin ze over doelen en middelen van hun strijd discussiëren en beslissen. Hun strijd, dat is de zaak van de arbeiders zelf. Dat is niet de zaak van verkiezingskandidaten, die hun beloften vergeten zodra ze aan de macht zijn. Dat is ook niet de zaak van hun gepatenteerde “vertegenwoordigers”, de vakbonden. Die besteden hun tijd met verdeeldheid te zaaien tussen de arbeiders onderling, of het nu in één fabriek is dan wel in eenzelfde productie-eenheid. We zien dat vandaag in Toulouse, waar de praatjes van de belangrijkste vakbond, “Force Ouvrière” proberen de ‘blauwe boorden' in de fabrieken tegen de ‘witte boorden’ van het hoofdkantoor uit te spelen, die zelf ook zwaar worden getroffen. Of die de arbeiders in het ene land tegenover die van een ander proberen te stellen, want de vakbonden zijn de eersten die de nationale dweilen uithangen. Voor de Franse vakbonden van Airbus, met “Force Ouvrière” aan het hoofd, moet er worden “gestreden”, inclusief het lamleggen van de productie, voor een “betere verdeling van de offers”. Met andere woorden: om de Duitse arbeiders nog zwaarder te treffen. En zelfs wanneer een vakbond als IG-Metall voor medio maart een gezamenlijke actiedag voorstellen voor de arbeiders uit de verschillende landen met Airbus-nederzettingen, is dat slechts een manoeuvre om te voorkomen dat de arbeiders zich ervan bewust worden dat hun belangen niet die van het nationale kapitaal zijn, en om in één adem door zijn verklaringen tegen de staking als toonbeeld van “verantwoordelijkheid” voor te stellen.

Tegelijkertijd is het een middel om een “solidariteit” tussen de Europese arbeiders van Airbus te cultiveren die tegenover de Amerikaanse arbeiders van Boeing worden gesteld, die in de herfst van 2005 een massieve staking hebben gehouden tegen de aanvallen van hun bazen.

De noodzakelijke solidariteit van alle arbeiders is begonnen zich te manifesteren, notabene door spontane werkonderbrekingen in fabrieken die relatief gespaard blijven, zoals in Hamburg en Bremen, de belangrijkste in Duitsland. Onlangs hebben de arbeiders van Airbus in het zuiden van Spanje, die nu worden aangevallen, hun steun betuigd aan de manifestaties van de families van arbeiders van het automobiel-uitrustingsbedrijf Delphi, die op straat gegooid waren door de sluiting van de fabriek in Puerto Real. Dat is de weg die alle arbeiders op moeten gaan.

Tegenover de oproepen van de bazen om het schrappen van banen, loonsverlagingen, en verslechtering van de arbeidsomstandigheden te accepteren is slechts één antwoord mogelijk: de offers afwijzen, die nog brutalere aanvallen voorbereiden! Alleen de strijd loont!

Tegenover de pogingen om de arbeiders per fabriek of per land te verdelen – de solidariteit van de hele arbeidersklasse!

Tegen het isolement, dat altijd naar de nederlaag leidt: de uitbreiding van de strijd! De arbeidersvergaderingen moeten massale delegaties naar de andere ondernemingen sturen, opdat het geheel van de arbeiders deel neemt aan een solidariteitsbeweging.

Tegenover een kapitalistisch wereldsysteem dat ten einde raad is, dat steeds brutalere aanvallen onderneemt tegen alle arbeiders in alle sectoren en alle landen, bestaat er voor de arbeidersklasse geen ander alternatief dan steeds vastberadener, steeds omvangrijker en steeds meer solidaire gevechten te voeren. Dat is het enige middel om een hindernis op te werpen aan een verscherping van de uitbuiting, aan steeds onmenselijker arbeids- en levensomstandigheden, en om zich voor te bereiden op de omverwerping van dit systeem, dat ellende, oorlog en barbarij zaait.

Internationale Kommunistische Stroming / 5 maart 2007

Confrontaties tussen Hamas en Fatah: De trotskistische organisaties steunen bloeddorstige burgerlijke klieken

Sinds enkele tientallen jaren ondersteunen de verschillende ultralinkse organisaties, en dan vooral de trotskistische, ‘de gerechtvaardigde strijd van het Palestijnse volk’ tegen ‘het Amerikaanse imperialisme’ in naam van de ‘nationale bevrijdingsstrijd’. Momenteel worden de Palestijnse gebieden in volledige chaos gestort door onderlinge strijd. Sinds de president van de Palestijnse Autoriteit op 16 december vervroegde presidentiële en parlementaire verkiezingen aankondigde vonden in Gaza gewapende confrontaties plaats tussen rivaliserende fracties, enerzijds de islamisten van Hamas die de regering vormen en anderzijds Fatah van president Mahmoud Abbas. De confrontaties zijn bloedig: straatgevechten, aanslagen met bomauto’s, herhaaldelijk ontvoeringen. Het vereffenen van hun onderlinge rekeningen zaait dood en terroriseert de bevolking van de Gazastrook, die al te gronde is gericht is door de armoede.

Wat vinden trotskistische organisaties zoals Lutte Ouvrière (LO) of de Ligue Communiste Révolutionnaire (LCR, zusterorganisatie van de SAP in België) van een dergelijke ontketening van geweld en barbarij?

Hoe LO en de LCR de moordende klieken ondersteunen

Onveranderd wijzen LO en de LCR met de vinger naar diegenen die volgens hen als enigen schuldig zijn: de Verenigde Staten en de ‘zionistische staat Israël’. LO verklaart in een artikel in zijn weekblad van 6 oktober:  “Chaos en confrontaties zijn het onmiddellijke gevolg van de financiële sancties die door de Europese Unie, de regering van de Verenigde Staten en die van Israël werden opgelegd” en ook: “Het zijn wel degelijk Israël en zijn westerse meesters die verantwoordelijk zijn voor de rampzalige toestand waarin de Palestijnen verkeren” (LO, nr. 2003, 22 december 2006). Het imperialisme is onlosmakelijk verbonden aan het leven van iedere burgerlijke nationalistische fractie en komt tot uiting in een strijd ter verdediging van het nationaal kapitaal tegen alle concurrerende staten, van de grootste tot de kleinste. Er dient aangestipt te worden (tot ongenoegen van de trotskistische groepen) dat, wanneer Fatah kan rekenen op de steun van Israël, Verenigde Staten en de Europese Unie en Hamas financieel gesteund en bewapend wordt door Iran en Syrië, dat juist komt door het bestaan van Palestijnse burgerlijke klieken.

Door zogenaamd ‘alle Palestijnen’ te ondersteunen, moedigt LO de arbeidersklasse in feite aan om zich te scharen achter de burgerlijke klieken en zich te laten ronselen als kanonnenvlees voor de verdediging van het Palestijnse vaderland. Dat is wat deze organisatie, net als het geheel van de trotskistische groepen, altijd doet en ook enkel de politiek van bepaalde landen, van bepaalde staten, als imperialistisch aanduidt.

Wat de LCR betreft, die steekt het evenmin onder stoelen of banken door luid en duidelijk haar directe steun te betuigen niet aan het ‘Palestijnse volk’ in het algemeen, maar direct aan de een of andere fractie of militie. Daags na de verkiezingen waarbij Hamas als overwinnaar uit de bus kwam, verklaarde een communiqué van de LCR van 26 januari 2006: “Fundamenteel dragen de Israëlische regeringen, en die van Sharon op kop, en de Verenigde Staten een grote verantwoordelijkheid  in wat sommigen een ‘politieke aardverschuiving’ noemen. Deze gespierde politiek van Bush en Sharon heeft de leiders van de Fatah parten gespeeld en Hamas in de kaart gespeeld.” De trotskistische organisaties zijn gebrand op het voortdurend kiezen voor één van de aanwezige kampen in alle oorlogen, in ieder conflict. En die politiek wordt hier ronduit belachelijk. Zo hebben we kunnen meemaken hoe bij de LCR de steun geleidelijk aan verschoof van Fatah naar Hamas: “De Verenigde Staten en Israël proberen de president van de Palestijnse Autoriteit te versterken [...] om de regering van Hamas te verzwakken, die massaal verkozen is en gesteund wordt door de meerderheid van de Palestijnen” of nog meer onomwonden: “Dat is de achtergrond van de bloedige botsingen van de laatste weken in Gaza, tussen de militanten van Fatah en die van Hamas, en waarvoor Fatah de volledige verantwoordelijkheid draagt. (door ons vet gedrukt).

Die windhaanpolitiek veroorzaakt ontreddering binnen de trotskistische stroming en daarvan getuigt het woedende gebekvecht op het forum van de ‘revolutionaire marxisten’ (http://forumtrots.agorasystem.com/lcr) dat onderhands onderhouden en gecontroleerd wordt door de LCR. Terwijl de oorlog tussen de Palestijnse fracties voortwoekert, gaat het er haar om voor één van deze fracties te kiezen, opdat het Palestijnse volk, in slijk en bloed, eindelijk de weg van haar ‘nationale bevrijding’ kan inslaan. Sommigen willen Fatah ondersteunen, dat progressief zou zijn. Anderen willen daarentegen, om dezelfde redenen, Hamas ondersteunen.

Een kleine bloemlezing, de één stelt “Eén van de fracties is burgerlijk nationalistisch en de andere vertegenwoordigt het groene fascisme. Ik verkies Fatah!” Een ander antwoordt hem: “Wat wij in deze crisis duidelijk kunnen merken is dat Fatah toch een drempel heeft overschreden als hulptroep van het imperialisme door de regering van Hamas te veroordelen […] en door naar alle middelen te grijpen om die te destabiliseren.” Een derde drukt zich als volgt uit: “Hamas verdedigt noch de bourgeoisie noch het fascisme maar een feodaal systeem gestoeld op het religieuze obscurantisme terwijl Fatah, nationalistisch en niet-confessioneel […] een zelfstandige staat verdedigt die geleid wordt door een nationale bourgeoisie […]. Ik kies voor de PLFP.” Nog een andere trotskistische sympathisant doet er nog een schepje bovenop: “Zelfs indien de PLFP de Hamas zou ondersteunen?” Antwoord van de voorafige: “Bij afwezigheid van een marxistische en revolutionaire organisatie die in staat zou zijn om een gewicht in de schaal te werpen bij de huidige gebeurtenissen, betuig ik mijn kritische steun aan wie ik kan! En dus aan de PLFP in dit geval…”. In naam van de democratie laat de LCR deze argumenten op een cynische manier onbeantwoord. En met reden, de wanklank van het debat is niets meer dan de weerspiegeling van de eigen innerlijke tegenspraken.

Het proletarisch internationalisme tegen het burgerlijk nationalisme

LO en de LCR vermijden zorgvuldig om de vraag te stellen: wáár stelt zich de verdediging van de belangen van de arbeidersklasse, in Palestina, in Israël of elders in de wereld? De wrede uitbuiting van de arbeidersklasse door de Palestijnse en Israëlische bourgeoisie is als bij toverslag verdwenen. De “verdediging van het Palestijnse vaderland, in naam van de gerechtvaardigde rechten van de Palestijnen” wordt er als slogan ingehamerd om de arbeidersklasse te ronselen voor het inter-imperialistische wespennest. Zo verspreiden de trotskistische broeinesten het ergste nationalistische gif in het bewustzijn van de arbeiders. Iedere bourgeoisie, Palestijns of Israëlisch, roept de arbeiders die op hun grondgebied wonen er toe op om deel te nemen aan de oorlog. Enerzijds moet er gestreden worden voor “de gerechtvaardigde zaak van het Palestijnse volk” en anderzijds zou men “Israël moeten verdedigen tegen de dreiging van het fanatisme van de Arabische moslimwereld.” Wat zijn de gevolgen van een dergelijk standpunt zowel voor de arbeiders die in Palestina leven als in Israël? Wat moet de houding zijn van de arbeiders overal ter wereld ten opzichte van dit conflict? Deze vragen en de antwoorden die er op komen zijn niet van bijkomstig belang voor de arbeidersklasse, integendeel, zij zijn van levensbelang voor de ontwikkeling van de klassenstrijd en het proletarische bewustzijn.

Overal hebben de arbeiders dezelfde belangen te verdedigen, tegen dezelfde klasse van uitbuiters. Dat betekent slechts één ding voor de arbeidersklasse: tegenover de imperialistische en nationale oorlogen van de bourgeoisie kan het proletariaat enkel zijn klassenoorlog stellen en zijn internationale eenheid. Rosa Luxemburg, een van de grootste persoonlijkheden van het revolutionaire proletariaat, beklemtoonde dit bijna een eeuw geleden al luid en duidelijk: “In het tijdperk van het ontketende imperialisme kan er geen nationale oorlog meer zijn. De nationale belangen zijn niets anders dan een misleiding die tot doel heeft om de werkende volksmassa’s in dienste te stellen van hun doodsvijand: het imperialisme” (1). Onder het mom van een gerust geweten en in naam van de verdediging van een Palestijns vaderland waar de rechten van het volk gerespecteerd zouden worden, zien we met welk vuil werk organisaties als LO en de LCR zich bezighouden. Erger nog! Wanneer zij geconfronteerd worden met organisaties die op een werkelijke en concrete wijze het proletarisch internationalisme verdedigen, behandelen zij die als ‘onverschilligen’. Het enig mogelijke marxistische en revolutionaire standpunt is dat wat gesteld werd door een aanhanger van de standpunten van het Links Kommunisme, die het woord nam op het trotskistische Forum: “Wat er in Gaza gebeurt toont eens te meer aan wat de nationalistische ideologie voor de arbeidersklasse betekent. Wanneer de arbeidersklasse vergiftigd is door deze ideologie wordt deze er telkens toe gebracht om elkaar onderling uit te moorden voor belangen die niet de hunne zijn. Dat hebben we gezien in 1914 tijdens de Eerste Wereldoorlog, tijdens de conflicten tussen het Oostblok en het Westen. Nu weer met de ontwrichting van de Palestijnse Autoriteit worden de Palestijnse arbeiders er toe gebracht om elkaar af te maken in naam van het feit dat het ene of het andere kamp progressief zou zijn. En dat terwijl alle aanwezige kampen een nationale zaak verdedigen die niet het terrein is van de arbeidersklasse.  Tegenover een dergelijke toestand moet eens te meer de oorlogskreet van de arbeidersklasse worden aangeheven: proletariërs hebben geen vaderland!”.

Tino / 22.01.2007   

(1) Stellingen over de internationale democratie.

Februari 1917 in Rusland: De proletarische revolutie in opmars

Na 90 jaar blijft de ontketening van de Russische Revolutie in 1917 de meest reusach­tige, meest bewuste massabeweging van de uitgebuiten. Ze was rijker aan ervaringen, aan initiatieven en aan creativiteit dan welke andere gebeurtenis uit de geschiedenis ook. Miljoenen proletariërs zijn er toen werkelijk in geslaagd om hun isolement te doorbreken, om zich bewust te verenigen, om zich de middelen te verschaffen om collectief, als één macht op te treden, en om de instrumenten voor de omverwerping van de burgerlijke staat en het veroveren van de macht in werking te brengen: de arbeidersraden (sovjets). Belangrij­ker nog dan de omverwerping van het eeuwenoude tsaristische regime was dat deze be­wuste massabeweging niets minder aankondigde dan het begin van de proletarische wereldrevo­lutie in het kader van een internationale golf van revoltes van de arbeidersklasse tegen de oorlog en tegen het kapitalistisch systeem in zijn geheel.

De bourgeoisie heeft zich hierin niet vergist; zij verspreidt sinds decennia de meest doortrapte leugens over deze historische gebeurtenis. Met een heel palet aan spitsvondigheden doen de burgerlijke historici in feite niets anders dan één van de meest afgezaagde legendes herhalen, die de Russische Revolutie van februari 1917 afschildert als een beweging voor ‘democratie’, die door een bolsjewistische staatsgreep verkracht zou zijn. Februari 1917 zou een waar ‘democratisch feest’ geweest zijn, Oktober 1917 een plat­vloerse ‘staatsgreep’, een manipulatie door de bolsjewistische partij van de achterlijke massa’s van tsaristisch Rusland. Deze schaamteloze vervalsing is het product van de angst en de woede die de wereldbourgeoisie voelt tegenover een collectief en solidair werk, een bewuste actie van de uitgebuite klasse, die het hoofd durft te verheffen en de bestaande orde der dingen in vraag stelt.

Februari 1917: de eerste episode van de proletarische wereldrevolutie

De opstand van de arbeiders van St. Petersburg (Petrograd) in Rusland in februari 1917 komt niet als een donder­slag bij heldere hemel. Hij ligt in het verlengde van de hard onderdrukte economische sta­kingen die door de Russische arbeiders vanaf 1915 gevoerd worden tegen de wreed­heid van de wereldoorlog, tegen de honger, de zwarte ellende, de doorgedreven uitbui­ting en de ononderbroken terreur van de staat van oorlog. Deze stakingen en revoltes be­perken zich in die periode niet tot het Russische proletariaat, maar maken deel uit van de strijd en de acties van het internationaal proletariaat. Een soortgelijke golf van arbeidersverzet ontwikkelt zich in Duitsland en Oostenrijk, in Groot-Britannië... Aan het front, vooral bij het Russische en het Duitse leger, vinden muiterijen, col­lectieve deserties, en verbroedering tussen soldaten van beide kanten plaats. Nadat het zich had laten meeslepen door het vergif van het patriottisme en het ‘democratisch’bedrog van de regeringen, gesteund door het verraad van de meeste sociaal-democratische partijen en vakbonden, stak het wereldproletariaat opnieuw de kop op en begon het uit de mist van de chauvinististische dronkenschap te ontwaken. Aan het hoofd van de beweging bevonden zich de internationalisten – bolsjewieken, spartakisten, heel de linkerzijde van de IIe Internationale die de oorlog, nadat die in augustus 1914 was uitgebroken, onophoudelijk aanklaagden als een imperialistische rooftocht, als de uitdrukking van het failliet van het wereldkapitalisme, als het signaal voor het proletariaat om zijn historische missie ten uitvoer te brengen: de internationale socialistische revolutie. Deze historische uitdaging is de ar­beidersklasse aangegaan vanaf 1917 tot in 1923. In de voorhoede van deze proletari­sche beweging die een einde maakte aan de oorlog en die de mogelijkheid opende voor de wereldrevolutie stond het Russische proletariaat in de maand februari van 1917. Het losbarsten van de Russische Revolutie was dus geen nationale gebeurtenis of een op zichzelf staand fenomeen – dat wil zeggen een vertraagde burgerlijke revolutie die zich ertoe be­perkte het feodale absolutisme omver te werpen. Ze vormde integendeel het hoogte­punt van het antwoord van het wereldproletariaat op de oorlog, en op een nog fundamenteler niveau: op de intrede van het kapitalistisch systeem in zijn vervalperiode.

De vorming van arbeidersraden, de specifieke organen van de revolutie

Tussen 22 en 27 februari ontketenen de arbeiders van St. Petersburg een opstand in ant­woord op het historisch probleem dat gesteld wordt door de wereldoorlog als uitdrukking van het verval van het kapitalisme. De staking begint bij de textielarbeiders die de aar­zelingen bij de revolutionaire organisaties opzijzetten, en omvat binnen drie dagen praktisch alle fabrieken van de hoofdstad. Op de 25e hebben 240.000 arbeiders het werk stilgelegd. Ze blijven geenszins passief in hun werkplaatsen, maar komen bijeen in meetings en straatbetogingen, waar de ordewoorden van het eerste uur om ‘brood’ te ei­sen al snel versterkt worden tot ‘weg met de oorlog’ en ‘weg met de autocratie.’

Op de avond van de 27e heerst de opstand, gevoerd door het bewapende proletariaat, als heer en meester over de stad, terwijl arbeidersstakingen en betogingen op gang ko­men in Moskou, en in de dagen daarna ook in de provinciesteden Samara, Saratov en Charkov... Geïsoleerd en niet bij machte een leger, dat sterk verzwakt is door de oorlog, in te zetten tegen de revolutionaire beweging, ziet het tsaristisch regime zich gedwon­gen om af te treden.

Wanneer eenmaal de eerste ketenen gebroken zijn, willen de arbeiders niet meer wijken. Om niet blindelings te handelen, bouwen ze voort op de ervaring van 1905 en richten ze sovjets op, die toen al spontaan waren ontstaan tijdens de massastaking. De arbeidersra­den waren de directe uitdrukking van duizenden arbeidersvergaderingen in de bedrij­ven en de wijken. Ze pasten de soevereiniteit toe van de assemblees en de centralisatie via verkozen en permanent afzetbare afgevaardigden. Een dergelijk sociaal proces kan vandaag voor veel arbeiders utopisch lijken, maar het is het proces van transformatie van een onderworpen en verdeelde massa tot een verenigde klasse die als één enkel mens optreedt en in staat is zich in de revolutionaire strijd te gooien. Meteen na 1905 be­schreef Trotski wat een arbeidersraad is : “Wat was de sovjet van arbeidersafgevaardigden? De sovjet werd gevormd om aan een praktische nood te beantwoorden die voortkwam uit de loop der gebeurtenissen. Het was een gezaghebbende organisatie maar die niet op tradities boogde, die in één klap een versnipperde mas­sa van honderdduizenden mensen kon samenvatten, bijna zonder organisatieapparaat, die de revolutionaire stromingen in het proletariaat verenigde, die in staat was om initiatieven te nemen en om zichzelf op een spontane manier te controleren en, het belangrijkste van allemaal, die binnen 24 uur vanuit de illegaliteit naar buiten kon treden.” (Trot­ski, 1905). Deze “eindelijk gevonden vorm van de dictatuur van het proletariaat”, zoals Lenin het uitdrukte, maakte de permanente organisatie in vakbonden vervallen en overbodig. In de periode waarin de revolutie historisch gezien op de agenda staat, breekt de strijd spontaan uit en neigt hij ertoe zich over alle productiesectoren uit te breiden. Het spon­tane ontstaan van de arbeidersraden is dus het directe resultaat van het explosieve en ongeprogrammeerde karakter van de revolutionaire strijd.

De arbeidersraden ten tijde van de Russische Revolutie waren niet een eenvoudig passie­ve product van uitzonderlijke objectieve omstandigheden, maar het product van een collectieve bewustwording. De radenbeweging heeft zelf het materiaal aangedra­gen voor de zelfopvoeding van de massa's. De arbeidersraden vermengden voortdurend de economische en politieke aspecten (van de strijd) tegen de heersende orde. Zoals Trotski schreef : “Een revolutie leert, en wel snel. Daarin is haar kracht gelegen. Iedere week bracht de massa’s iets nieuws. Iedere twee maanden waren een tijdperk. Eind februari – de opstand. Eind april – optreden van gewapende arbeiders en soldaten in Petrograd! Begin juli – een nieuw optreden op veel grotere schaal en onder veel positievere leuzen. Eind augustus – de poging tot een staatsgreep van Kornilov, afgeslagen door de massa’s. Eind oktober – machtsgrijping door de bolsjewiki. Onder deze gebeurtenissen, die verbluffend zijn door hun wetmatige verloop, voltrokken zich diepgaande, interne processen welke de verschillende delen van de arbeidersklassen samensmolten tot één politiek geheel. (...) Men hield bijeenkomsten in de loopgraven, op dorpspleinen, in fabrieken... Maandenlang was in Petrograd en in heel Rusland elke straathoek een politieke tribu­ne...” (Trotski, Geschiedenis van de Russische Revolutie)

De rol van de bolsjewistische partij in de arbeidersraden

Door de arbeidersraden het overwicht te geven, verschafte het Russische proletariaat zich de mid­delen om zijn strijd te voeren, maar desondanks bevond het zich vanaf februari in een bijzonder gevaarlijke situatie. De krachten van de internationale bourgeoisie probeer­den immers dadelijk de situatie in haar voordeel te keren. Omdat ze de beweging niet in bloed konden smoren, probeerden ze haar te richten op burgerlijk ‘democratische’ doeleinden. Enerzijds werd een officiële voorlopige regering gevormd met als doel de voortzetting van de oorlog. Anderzijds werden de sovjets in het begin overspoeld door mensjewieken en sociaal-revolutionairen. Deze laatsten, waarvan de meerderheid met de oorlog overgelopen was naar het kamp van de bourgeoisie, genoten bij het begin van de februarirevolutie van een immens vertrouwen onder de arbeiders. Ze kwamen vanzelf terecht in het Uitvoerend Comitee van de Sovjet. Vanuit die strategische positie probeer­den ze op alle mogelijke manieren de sovjets te saboteren, ze te vernietigen. Van een situatie van ‘dubbele macht’ kwam men daardoor in een situatie van ‘dubbele onmacht’ terecht in mei en juni 1917 omdat het Uitvoerend Comitee van de sovjets als masker diende voor de bourgeoisie om haar doelen te realiseren, met in de eerste plaats het herstellen van de orde aan het front en in het achterland om de imperialistische slachting te kunnen voortzetten. De demagogen van mensjewieken en sociaal-democraten deden steeds op­nieuw beloftes over vrede, over een oplossing voor het landbouwprobleem, over de in­voering van de achturendag, enzovoort, zonder dat daar ooit iets van terechtkwam. Ook al wa­ren de arbeiders, tenminste die in Petrograd, ervan overtuigd dat alleen de sovjetmacht hun aspiraties kon verwezenlijken, en al zagen ze dat geen rekening ge­houden werd met hun wensen en eisen, dan geloofde men in de provinciesteden en on­der de soldaten nog in de ‘verzoeners’, in degenen die opkwamen voor de zogezegde burgerlijke revolutie. Tenslotte was het Lenin die met zijn Aprilstellingen, twee maan­den na het ontketenen van de beweging, zijn gedurfde platform onthulde om de partij van de bolsjewieken te herbewapenen, die ook al de neiging had om zich met de voorlopi­ge regering te verzoenen. Zijn Stellingen maakten overduidelijk welke weg het proleta­riaat opging en formuleerden de perspectieven van de partij: “1. In onze houding tegenover de oorlog die (...) ook onder de nieuwe regering (...) onvoorwaardelijk een imperialistische oorlog blijft, zijn ook de geringste concessies aan de ‘revolutionaire vaderlandsverdediging’ ontoelaatbaar.” “3. Generlei steun aan de Voorlopige Regering, het aan het licht brengen van heel de leugenachtigheid van al haar beloften... Ontmaskering van de Voorlopige Regering in plaats van de ontoelaatbare, tot illusies aanleiding gevende ‘eis’ dat deze regering, de regering van de kapitalisten, moet ophouden imperialistisch te zijn.” “5. Geen parlementaire republiek – van de Sovjets van arbeidersafge­vaardigden daarheen terugkeren zou een stap achteruit betekenen – maar een republiek van Sovjets van arbeiders-, landarbeiders- en boerenafgevaardigden in het gehele land, van onder tot boven.” Gewapend met dit stevige kompas was de bolsjewistische partij bij machte concrete voorstellen te doen die beantwoordden aan de noden en mogelijkheden op elk moment van het revo­lutionair proces door het vooruitzicht van de machtsgreep in het vizier te houden, en door een werk van  “bijzonder grondig, volhardend en geduldig” uitleggen” (Lenin). En in deze strijd van de massa’s om de controle over hun organisaties in handen te nemen tegen de sabotage door de bourgeoisie, werd het na verschillende politieke crises, in april, in juni en voor­al in juli, mogelijk de Sovjets te vernieuwen, waarin de bolsjewieken tenslotte de meerderheid behaalden. De doorslaggevende activiteit van de bolsjewieken heeft dus als centrale krachtlijn de ontwikkeling van het klassenbewustzijn, met een vertrouwen in de capaci­teit tot kritiek en analyse van de massa’s en een vertrouwen in hun vermogen tot vereniging en zelforganisatie. De bolsjewieken hebben de massa’s nooit willen onderwer­pen aan een vooraf opgesteld ‘actieplan’ dat hen zou verheffen zoals men een le­ger leidt. “De voornaamste kracht van Lenin was daarin gelegen, dat hij de innerlijke logica van de beweging begreep en daarnaar zijn politiek richtte. Hij drong zijn plan niet aan de massa’s op. Hij hielp de massa’s hun eigen plan te zien en te verwezenlijken.” (Trotski, Geschiedenis van de Russische Revolutie, hoofdstuk ‘de reorganisatie van de partij’) Zo kwam het dat de bolsjewieken vanaf september in de vergaderingen van arbeiders en soldaten duidelijk de kwestie van de opstand stelden. “Tot de opstand werd om zo te zeggen besloten op een vastgestelde datum: 25 oktober. Daartoe werd niet besloten op een geheime vergadering, maar openlijk en publiekelijk, en de zegevierende revolutie had precies op die 25e oktober plaats...” (idem.) Ze veroorzaakte een enthousiasme zonder weerga bij de arbeiders van de gehele wereld en werd het ‘lichtbaken’ dat de toekomst van alle uitgebuiten verlichtte. Vandaag nog is de vernietiging van de politieke en economische macht van de heersende klasse een dwingende noodzaak om te overleven. De dictatuur van het proletariaat, georganiseerd in soevereine Raden blijft de enige realistische weg om de basis te leggen voor een nieuwe, waarachtig communistische maatschappij. Dat moeten de proletariërs zich herinneren in het licht van de ervaring van 1917.

SB

Federale verkiezingen: Van welke kleur de regering ook is, het zullen dezelfde aanvallen zijn op de arbeidersklasse

Sinds enkele weken hebben de media het startsein gegeven voor de verkiezingscampagne van 10 juni. Ze prenten ons in dat “De burger, zoals om de vier jaar, zal kunnen deelnemen aan het bepalen van de politiek van het land en zijn democratische vertegenwoordigers zal kunnen kiezen.” En ze tonen ons ook wat er op het spel staat bij deze verkiezingen: Zullen Verhofstadt en zijn ‘ethisch-progressieve’ coalitie de meerderheid behouden of zullen de christen-democraten en hun ‘moreel reveil’ een nieuwe meerderheid behalen? Zal de toekomstige eerste minister de liberaal Verhofstadt zijn, de christen-democraat Leterme of de socialist Di Rupo? Komt er een nieuwe ronde van gemeenschapsonderhandelingen om de bevoegdheden te regionaliseren of eerder een zekere ‘her-federalisering’ van bepaalde financiële middelen? Ze stellen ons ook de wedijverende programma’s voor: terwijl de liberalen meer de individuele vrijheden willen om het land beter te integreren in de gemondialiseerde maatschappij, dan beweren de christen-democraten anderzijds dat zij de staat beheren als ‘een goede familievader’ met behoud van ‘een zorgzame samenleving’ die zich bekommert om de ‘allerarmsten’. De socialisten van hun kant roepen op tot een verbond van progressieven en groenen om een ‘sociaal rechtschapen en milieuvriendelijke maatschappij op te bouwen’. Maar op socio-economisch vlak zijn alle partijen het eens over het wezenlijke, zelfs al spelen ze in op enkele verschillen omtrent de aanvullende maatregelen: de groei van de nationale economie gaat de goede richting uit en alles moet in het werk gesteld worden ‘om de competitiviteit ten koste van alles te handhaven’ tegenover de concurrenten op de internationale markt waar de wedijver wreed is. Zijn zij trouwens niet allen betrokken bij het uitvoeren van deze politiek op de verschillende machtsniveaus? De liberalen leiden de federale regering, de christen-democraten de Vlaamse regering, de socialisten de Waalse deelregering en het Brussels gewest.

En juist op het sociaal vlak is er één vraagstuk dat totaal ontbreekt in het verkiezingsdebat, namelijk dat van de arbeids- en levensomstandigheden van de bevolking in het algemeen en van de arbeidersklasse in het bijzonder. Weggeveegd de crisis, de ontslagen, de loonsdalingen, de flexibiliteit, de stress, een van de hoogste zelfmoordcijfers ter wereld, jongeren die doorslaan… Deze stilte hoeft ons niet te verbazen want op het vlak van de aanvallen tegen de arbeidersklasse, zijn alle partijen het roerend eens en hun ministers zitten tot over de oren verwikkeld in de getroffen maatregelen.

Achter de verkiezingsheisa schuilt de heilige eenheid om de arbeidersklasse aan te vallen

Denken wij even terug aan de hoofdlijnen van het offensief van de bourgeoisie zoals geformuleerd tijdens de conferenties voor tewerkstelling van september 2003 (cf. Internationalisme, nr. 300, 15.11.03), die het geheel van de patronale, syndicale en politieke krachten bijeenbracht. Ze hadden vijf werkterreinen vooropgesteld voor de aanvallen op de loontrekkenden: daling van de bedrijfslasten, loonmatiging, vermindering van de kosten verbonden aan de werkloosheid, verlenging van de werkweek