Wereldrevolutie - 2003

Wereldrevolutie, nr. 98, januari-april 2003

Het kommunistisch perspectief (1): Waarom de arbeidersklasse de revolutionaire klasse is

In de discussies die gevoerd werden door de verschillende afdelingen van de IKS tijdens de openbare bijeenkomsten, de discussiebijeenkomsten of de verkoop van de pers waren onze gesprekspartners het in het algemeen nogal vlug eens met onze inschatting van de wereldtoestand en erkenden dat het kapitalisme de mensheid naar de afgrond sleurt. Maar wanneer het er om gaat te begrijpen dat de arbeidersklasse de enige kracht vormt die, door haar revolutionaire opstand, in staat is om de mensheid uit dit doodlopende straatje te halen, duiken er vlug heel grote twijfels op: “De arbeidersklasse is vandaag zelf wanhopig verdeeld. De centrale sectoren leven niet meer op de grens van het levensminimum zoals in de negentiende eeuw, maar hebben toegang tot de ‘verworvenheden’ van onze moderne cultuur en welvaart, zelfs al is dat op beperkte schaal. Het merendeel van de arbeiders voelt zich geen arbeider, meer en voelt de uitdrukking ‘arbeider’ aan als beledigend. De ‘echte proletariërs’ zoals honderd jaar geleden zijn vandaag voor een deel geëlimineerd en vervangen door bedienden van de dienstensector die niet meer productief zijn, en in elk geval geen ‘echte’ arbeiders meer zijn. Met de ineenstorting van het Oostblok, evenals de door de media aangehouden identificatie van kommunisme en stalinisme, is het laatste restje sympathie van de arbeiderswereld voor de theorie van de klassenstrijd en de ongebreidelde vijandschap tegen het kapitaal definitief uitgedoofd.”

Wij denken dat we krachtdadig moeten antwoorden op dergelijke argumenten. Een van de belangrijkste taken van de hedendaagse revolutionairen bestaat er juist in om deze argumenten te ontkrachten. En dan vooral omdat dergelijke ideeën niet langer verspreid worden door de gebruikelijke kleinburgers die zich verheven voelen, maar ook door enigzins bewuste en strijdvaardige arbeiders, door kameraden die opstaan voor de verdwijning van dit systeem. Bovendien leiden deze argumenten tot een zogenaamde ‘weerlegging van het marxisme’, wiens verdediging in de eerste plaats de taak is van de kommunistische organisatie.

De fundamentele tegenstelling van het kapitaal

De opvatting die actueel in zwang is, beweert dat de interpretatie door Marx en Engels omtrent de aard en de rol van het proletariaat weliswaar kon beantwoorden aan de werkelijkheid van de negentiende eeuw, maar vandaag niet meer opgaat. Een dergelijke opvatting steunt niet alleen op het gangbare misprijzen van de heersende burgerlijke ideologie voor de productieve klasse, een misprijzen dat nieuwe toppen scheert in het zwartmaken van het socialisme door de identificatie ervan met het stalinisme. Ze steunt ook op een sterk verspreide onwetendheid van wat Marx, Engels en de arbeidersbeweging effectief gezegd hebben over de aard van de klasse. Zo zou hun overtuiging dat het proletariaat de laatste klasse in de geschiedenis van de mensheid is, en de meest revolutionaire, geenszins gegrondvest zijn op de bijzonderheden van diens uitbuiting in dat tijdperk. Vandaag verspreidt men overal de bewering als zou, in de optiek van Marx, de grondslag van de revolutionaire roeping van het proletariaat berust hebben op het feit dat de arbeiders uit zijn tijdperk zich moesten uitsloven tot 18 uur per dag, zware fysieke arbeid moesten verrichten, terwijl zij over geen enkele soort van ziekteverzekering beschikten, noch over pensioenregeling en jaarlijks verlof. Het feit dat dit niet meer opgaat voor het merendeel van de arbeiders, ten minste in de industrielanden, zou betekenen dat de revolutionaire dromen uit zijn. Dat is de valse gevolgtrekking die men ons probeert te doen slikken. Zolang men op het armzalige terrein blijft van dit soort ‘verklaringen’ die de burgerlijke critici over Marx koesteren, is het onmogelijk om vooruit te komen. Wat heeft het marxisme werkelijk gezegd omtrent dit onderwerp?

De productievoorwaarden onder het kapitalisme

In een der basisteksten, de ‘Anti-Dühring’, heeft Engels de tegenstelling van het kapitalisme gekenschetst tussen het sociale karakter van het productieproces en de kapitalistische private toeëigening ervan: ”De sociale productie wordt toegeëigend door individuele kapitalisten, (een) fundamentele tegenstelling waaruit alle tegenstellingen voortspruiten waardoor de maatschappij voortgedreven wordt en die de grootindustrie openlijk aan het daglicht heeft gebracht.”

Dit punt is absoluut beslissend voor het begrip van de revolutionaire aard van de arbeidersklasse. Het kapitalisme heeft niet alleen een omwenteling teweeg gebracht in het productieproces, in de technische en wetenschappelijke productiemiddelen, maar het heeft daardoor ook, voor het eerst, de voorwaarden geschapen voor een wereld zonder schaarste noch materiële achterstelling. Daarmee verbonden heeft het de aard en van de uitgebuite, productieve klasse radicaal omgevormd en gerevolutioneerd, zowel door de socialisering van de arbeid als door de complete scheiding van de producenten ten aanzien van de productiemiddelen. Via deze twee gedaantewisselingen verschilt het proletariaat fundamenteel van de productieve klassen die eraan voorafgingen zoals de slaven en de lijfeigenen, die zonder enige twijfel werden uitgebuit, maar geen revolutionaire klassen waren die een nieuwe maatschappij in zich droegen.

Slaven of lijfeigenen produceerden fundamenteel niet in het perspectief van de ruil, van de markt, maar om aan de locale en persoonlijke behoeften te voldoen van hun meesters. In de maatschappijen van slaven en lijfeigenen, waren de werktuigen individuele instrumenten. De basis van de productie was bijgevolg, geïsoleerde arbeid, lokaal en individueel beperkt. De producenten werden voornamelijk gewelddadig verplicht tot werken. Deze laatsten hadden geen enkele belangstelling voor hun werk en bezaten geen enkele werkelijk opleiding. En bovenal waren ze nauwelijks onder elkaar verenigd, aangezien ze aan hun meesters onderworpen waren via een persoonlijke verhouding.

De grootste omwenteling die door het kapitaal werd teweeggebracht komt juist voort uit de vervanging, als overwegende basis voor de productie, van de individuele arbeid door de collectieve arbeid. Dat betekent dat, voor het eerst in de geschiedenis, bijna alle producenten, door de steeds verder voortschrijdende ruil en werkverdeling, in het productieproces met elkaar verbonden zijn. In plaats van de individuele geïsoleerde arbeid, wordt het voortbrengen van goederen ontwikkeld via de geassocieerde arbeid van miljoenen menselijke wezens, meestal vergezeld van een werkverdeling die uitgespreid is op wereldschaal (een moderne auto bijvoorbeeld, is samengesteld uit afzonderlijke stukken die geproduceerd worden in ontelbare fabrieken en landen). Met de komst van de mechanisatie, heeft het kapitaal de individuele arbeidswerktuigen vervangen door collectieve productiesystemen, die in beweging gezet worden door werkelijke arbeidslegers. Op die manier heeft het kapitaal, in plaats van de verspreide uitgebuitenen, die geïsoleerd waren ten opzichte van elkaar, een klasse geschapen, die verenigd is doorheen haar collectieve arbeid (en dat op wereldschaal) en die slechts kan leven en werken dank zij deze eenheid. Het is vooral deze socialisatie van de arbeid die het kapitaal in staat heeft gesteld om zowel de competitiviteit van zijn productie op te drijven als om de andere vormen van voorkapitalistische productiewijzen te doen wijken. Alleen daardoor heeft het zijn triomfantelijke mars kunnen beginnen in de productie en zijn geografische uitbreiding. Maar tezelfdertijd heeft het, met het moderne proletariaat, zijn eigen doodgraver voortgebracht.

Door de veralgemening van de warenproductie, heeft het kapitaal tezelfdertijd de politieke verhoudingen tussen de klassen overhoop gehaald. De kapitalisten produceren niet langer voor de persoonlijke behoeften maar voor de markt. Daardoor worden de verhoudingen tussen de uitbuiters en uitgebuitenen totaal gedepersonaliseerd, en tezelfdertijd hoogst politiek. De verhoudingen van de slaven en de lijfeigenen met hun meesters waren voornamelijk persoonlijke verhoudingen, dat wil zeggen de uitbuitingsvoorwaarden hingen in de eerste plaats af van het feit of de uitbuiter in staat was om een zeker aantal soldaten en wachters te mobiliseren om de arbeidskrachten aan zich te binden en hen te dwingen tot producertie. In het kapitalisme daarentegen, hangen de productie-, arbeids-; en uitbuitingsvoorwaarden fundamenteel af van de markt, dat wil zeggen naargelang de economie in volle bloei is, in recessie, of naargelang de arbeidskrachten de markt overspoelen of slechts in beperkte hoeveelheden ter beschikking staan. Fundamenteel worden de arbeiders niet langer uitgebuit en geknecht door individuen maar, in tegendeel, door het systeem zelf. Daaruit vloeit voort dat de klassenstrijd tussen uitbuiters en uitgebuitenen in zijn huidige vorm, klasse tegen klasse, ten volle tot ontwikkeling gekomen, is mogelijk geworden. Tezelfdertijd heeft de volledige scheiding tussen de producenten (als loonarbeiders) en de productiemiddelen (als kapitaal) de vervanging teweeggebracht van het geweld door een economische dwang in de verplichting tot arbeid. De arbeiders moeten hun arbeidskracht verkopen om te kunnen werken en leven.

Het is slechts door het ontstaan van een ‘vrije’, ‘mobiele’ arbeidskracht die ‘vrijwillig’ gemotiveerd is door de economische dwang, dat de mogelijkheid kan voortvloeien van het veralgemenen en systematisch uitbuiten van de wetenschap en de techniek in het productieproces. Daaruit vloeit voort dat het moderne proletariaat zich niet onderscheidt door zijn boertigheid en onwetendheid (zoals de nostalgiekers van de romantische revoluties die denken dat de verdwijning van de arbeiders uit het vroege kapitalisme gelijkstaat met de onmogelijkheid van de revolutie), maar door hun hoog opleidingspeil en opvoeding. De auto, de ziekteverzekering en het jaarlijks verlof zijn geen geschenken noch pogingen tot omkoperij door het kapitaal, maar de minimale voorwaarden opdat de arbeiders zouden kunnen produceren en hun krachten reproduceren in de arbeidswereld van vandaag, die zeer complex is en veeleisend.

Sociale arbeid en private toeëigening

Volgens Marx en Engels berust de voornaamste tegenstelling van het kapitalisme in de tegenspraak tussen enerzijds, de overheersing van de sociale arbeid en anderzijds, de totaal privaat gerichte oriëntatie naar de grootst mogelijke winst van het economisch leven, gebaseerd op het privaat eigendom. In schijn gaat het om een zakelijke tegenstelling. In werkelijkheid gaat het om een tegenstelling die tot uiting komt binnen de maatschappij, tussen de klassen.

Zo wordthet sociale karakter van de arbeid belichaamd door het proletariaat. De arbeidersklasse onderscheidt zich door haar collectief karakter, georganiseerd, gedisciplineerd, methodisch, eensgezind, en vóór alles bewust, een kenmerk dat zowel merkbaar is in het arbeidsproces zelf als in de collectieve strijd. De hedendaagse maatschappij, privaat, individualistisch, chaotisch, anarchistisch, met haar concurrentie en oorlogskarakter, vertegenwoordigd door de bourgeoisie, vormt daarvan de tegenpool.

Terwijl de productie steeds systematischer, rationeler en wetenschappelijker wordt aangepakt vervalt het kapitalisme onder druk van de concurrentie in anarchie. Elke kapitalistische sector, en in het bijzonder elk nationaal kapitaal, zet zijn oorlog tegen alle anderen voort, en dat neemt steeds vernietigendere vormen aan. Uiteindelijk gaat het om het voortbestaan van de mensheid die bedreigd wordt door het overleven van een dergelijk systeem.

Deze tegenstelling tussen de steeds productievere arbeid en de steeds vernietigendere private toeëigening kan slechts geregeld en overstegen worden door de klassenstrijd. Aan het proletariaat valt de taak toe om deze tegenstelling op te lossen door het sociale karakter van de productie en de sociale toeëigening ervan te samen te brengen.

Dat betekent dat, om te komen tot een revolutionair bewustzijn, het er voor de arbeidersklasse niet om gaat om in haar schoot een theorie te laten doorsijpelen die van buitenaf komt of van gegevens die vreemd zijn aan haar eigen levenswijze. Voor haar gaat het er ‘enkel’ om haar eigen aard te begrijpen.

Aangezien het proletariaat niet de bezitter is van de productiemiddelen en aangeien het ingeschakeld is in een wereldnetwerk van sociale arbeid, kan het zijn taak slechts vervullen door de productiemiddelen te controleren en te socialiseren als vertegenwoordiger van de mensheid, niet door individualistisch maar door een collectief optreden. In tegenstelling tot de lagen die nog produceren op grond van een individuele organisatie van de arbeid, zoals de boeren, de ambachtslui, de vrije beroepen, de ‘intellectuele producenten’, en die nog de vruchten opeisen van hun individuele arbeid - en op die manier het rad van de geschiedenis willen terugdraaien, is het proletariaat, uit de aard van de zaak, gericht op de toekomst. Aangezien het geen oplossing kan vinden voor de crisis van het kapitaal, want zo’n oplossing bestaat er niet, ziet het zich er toe verplicht om op zoek te gaan naar het vinden van een oplossing buiten dit systeem.

Het moet duidelijk zijn dat noch zijn uitbuitingsvoorwaarden, noch zijn tijdelijke (sociologische) samenstelling, noch de aard van de werktuigen die het gebruikt op het werk, noch de opinie die de ‘gemiddelde’ arbeider van zichzelf of van zijn klasse heeft, hem in staat stellen om de diepere aard van het proletariaat te vatten. Het is iets veel belangrijker dat het proletariaat dat recht verleent: zijn collectieve, bewuste, massale en internationale aard die gericht is op de toekomst. Een aard die spontaan tot uiting komt in zijn revolutionaire theorie, maar die eveneens tot uiting komt in zijn gigantische strijdbewegingen. De klasse in haar geheel, kan haar ware aard niet zomaar om het even wanneer en in om het even welke omstandigheden aan het licht brengen. Daarvoor is het noodzakelijk dat zij haar theorie en haar programma verdiept; dat zij massaal in beweging komt tegen de slagen van de crisis; dat er creatieve massa-acties ontstaan tijdens de strijd. Er bestaat absoluut geen waarborg voor dat het proletariaat zijn weg zal vinden vóór het kapitalisme de mensheid vernietigt. Wat wij nochtans weten is dat, indien de subjectieve en objectieve voorwaarden in dit perspectief samenvallen, indien de klasse in een revolutionaire opwelling geraakt, haar aard zich zal ontluiken zoals het wetenschappelijk socialisme dat honderd vijftig jaar geleden heeft aangekondigd.

Parlementaire verkiezingen: Een democratisch rookgordijn voor verpaupering, oorlog en repressie

De korte levensduur van het kabinet Balkenende is de uitdrukking van een veel breder probleem dan alleen dat van de regering. Het zal niet verdwijnen door nieuwe verkiezingen of de electorale afgang van de LPF.

De economische recessie sinds het begin van het nieuwe millennium deed de onvrede groeien en tastte de populariteit van de paarse coalitie en vooral van de PvdA in hoog tempo aan. Het poldermodel, geschapen om onvrede te neutraliseren in uitzichtloze inspraakrondes over allang genomen beslissingen, liep stuk op de omvang van de te nemen maatregelen. Bij gebrek aan een tijdige aanpassing van de koers werd een stabiele regeringscoalitie na de chaotische verkiezingen van 15 mei 2002 onmogelijk. In Nederland, waar de bourgeoisie bij uitstek pocht op een wereldwijde reputatie van democratische stabiliteit, is een dergelijke crisis ongehoord.

De ontbinding van het kapitalisme brengt een verstikkende opeenstapeling van onoplosbare en voortwoekerende sociale problemen met zich mee die de geloofwaardigheid van de staatsinstellingen aantasten. Maar na de jarenlange campagnes over het verdwijnen van de arbeidersklasse is ook het zelfvertrouwen ondermijnd in een eigen strijdperspectief; de arbeidersklasse heeft de grootste moeite om haar woede om te zetten in strijdbaarheid. De onvrede blijft daardoor opgesloten in vaak individuele, ongerichte woede uitbarstingen en tijdens de verkiezingen in richtingloze 'protest' stemmen. Dat vormt de voedingsbodem voor een demagogisch populisme waarin niet alleen de wanhoop van een gefrustreerde kleine burgerij en de perspectiefloosheid van het lompenproletariaat tot uiting komt, maar waarin ook delen van de arbeidersklasse worden meegesleurd.

De bourgeoisie weet telkens weer de symptomen van haar innerlijke ontbinding tegen de arbeidersklasse te keren. De strategie tegenover de chaos binnen het staatsapparaat was een viervoudige. In de eerste plaats werd iedereen opgeroepen om zich achter de 'democratische' staat op te stellen. Vervolgens kreeg het rechtse populisme op de korte termijn alle kans om zichzelf tot in de schoenen af te branden; de PvdA werd in de gelegenheid gesteld om in de oppositie aan te sterken ter voorbereiding van een nieuwe regeringsperiode; en ondertussen konden, “onder druk van de verkiezingsuitslag”, de ongekend harde aanvallen op de arbeids en levensomstandigheden, die al onder Paars waren voorbereid, onmiddellijk worden doorgevoerd.

De val van het kabinet Balkenende: de bourgeoisie ontdoet zich van de LPF

In juni 2002 schreven we: “Een nieuwe regering zonder de Lijst Pim Fortuyn, die met 26 zetels van niets tot tweede fractie werd, is echter haast onmogelijk en zou ook volslagen ongeloofwaardig zijn. De nieuwe regering riskeert echter van de ene crisis naar de andere te gaan”, en: “Als stuurloze groep zonder leiding, zonder samenhangend programma en met kandidaten die op het laatste moment werden bijeengeharkt zijn er mogelijkheden te over om in het parlement de Fortuyn fractie uiteen te laten vallen, het land 'onregeerbaar' te verklaren en nieuwe verkiezingen uit te schrijven mocht dit nodig blijken”. Het CDA VVD LPF kabinet Balkenende hield het inderdaad nog geen drie maanden vol en op 15 oktober, de dag waarop de 'linkse' prins Claus werd bijgezet, liet de bourgeoisie de regering vallen (1).

Geholpen door de rivaliteiten binnen de LPF zelf, waarbij de zij elkaar voor heel televisiekijkend Nederland publiekelijk afmaakten, werd de volstrekte onverantwoordelijkheid van deze groepering breed uitgemeten. Het hele politieke toneel diende zich steeds openlijker aan als een wanstaltige klucht waarbij ook de geloofwaardigheid van CDA en VVD en van minister president Balkenende op het spel kwamen te staan. Het strovuurtje tussen de twistbroeders Heinsbroek en Bomhof hoefde nauwelijks te worden aangewakkerd om de hele LPF in de opiniepeilingen weg te vagen en vervolgens “de stekker uit het stopcontact te trekken”.

Toch is met 'zwevende kiezers' in de orde van 40% van de kiesgerechtigden het leed niet geleden. Een nooit vertoond aantal 'burgers' ziet geen verschil meer tussen de partijen, is het vertrouwen in het politieke bedrijf kwijt, weet niet of het wel gaat stemmen en zo ja, waarop!

Na de schrik over de politieke steekvlam Pim Fortuyn en de verkiezingen van 15 mei doen de burgerlijke politici dan ook hun uiterste best om aan te tonen dat ze de kiezer weer “au serieux” nemen, en van links tot rechts houden ze een wedstrijd in wie het best “de erfenis van Fortuyn” in ere houdt, wie de 'vragen' die hij opwierp het beste verwoordt en daarvoor de betere 'antwoorden' te bieden heeft.

Wanneer dat in het geheel niets verandert voor de globale politiek van de bourgeoisie is het wel de presentatie die een ander tintje kreeg. Een 'rechtse' regering vormde een gelegenheid om ongekend harde maatregelen te nemen zonder dat daarbij het “sociale gezicht” van burgerlijk links direct in het geding kwam. Maar het dilemma dat zich stelde was dat tegelijkertijd het 'sociale gezicht' van links des te harder nodig was om de maatregelen door te drukken en voor te stellen als het “minste kwaad in moeilijke omstandigheden”.

De economische recessie dwingt de bourgeoisie tot ongekende aanvallen

Zelfs in de officiële ramingen komt het moment van economische herstel na de wereldwijde recessie steeds verder weg te liggen. Onafhankelijk van wie er in de regering zit zal de bourgeoisie keiharde maatregelen nemen.

Paars werd vooral gekenmerkt door het 'afschatten' en 'korten' van invaliden, door maatregelingen tegen vluchtelingen, door saneringen en fusies in gezondheidszorg en onderwijs, door gettovorming, verkrotting en criminalisering in de grote steden en het bedelven van de gezinnen onder enorme schuldenlasten (2).

In de herfst van 2002 maakte de nieuwe regering Balkenende onmiddellijk duidelijk dat daar bovenop aanzienlijke inkomensdalingen over een lengte van jaren op de dagorde stonden. Tegelijkertijd gaan de tarieven en eigen bijdragen voor allerlei vaste uitgaven omhoog, niet in de laatste plaats voor ziektekostenverzekeringen en pensioenen. Daarbij komt nog een hele stoet van hogere afdrachten en belastingen aan de lagere overheden.

De ontmanteling van het toch al kaalgeschoren stelsel van sociale uitkeringen wordt voortgezet met verdere loskoppeling van de lonen (3). Het verkrijgen of behouden van een uitkering wordt gebonden aan steeds meer voorwaarden en hatelijke sancties terwijl de uitkeringen richting fysiek bestaansminimum gaan. Voor de WAO ligt het invoeren van een drastische toetredingsstop in het verschiet (de beruchte referte eis van 3 jaar, de beperking van de definitie tot “meetbare beroepsziekten”). Tegelijkertijd dienen WAO ers tot op hogere leeftijd te solliciteren voor baantjes die doorgaans een inkomensdaling betekenen.

Bij overheid en bedrijfsleven blijven massale ontslagen op de agenda staan. In de eerste plaats slaat de recessie toe bij banken en verzekeringen en in de technologische spitssectoren. Van CMG, Cap Gemini, Getronics via IBM tot Pink Roccade en Worldcom voert een hele rij gerenommeerde namen in de ICT sector drastische ontslagen door. In de elektronica ontslaat ASM Lithography massaal; in de telecom sector bijt het in hoge schulden stekende KPN Telecom de spits af. Ook hightech laboratoria in Nederland, zoals van Lucent (Philips en AT&T) en Ericsson voor draadloze communicatie staan op de nominatie om te worden opgedoekt. Philips kondigt in volle verkiezingscampagne een nieuwe ronde van massale ontslagen aan, zowel in de productie als bij de ondersteunende stafdiensten. De gevolgen van de recessie beperken zich geenszins tot bijzonder risicodragende of conjunctuurgevoelige sectoren: ontslagdreiging en voort-durende reorganisaties zijn er ook bij de post, bij personen-vervoersbedrijven (Connexion, NS reizigers) en in de kunstvezels (AKZO Nobel; Accordis). De massale ontslagen zullen worden begeleid door ontslagpremies die voortaan in mindering worden gebracht op de uitkering.

Onder de noemer 'veiligheid' valt een hele reeks van repressiemaatregelen. Daarbij lost een “lik op stuk beleid” de “gedoogcultuur” af en krijgt de criminaliteit een huidskleur. De opheffing van het wettelijke briefgeheim, de permanente legitimatieplicht, de mogelijkheid van het fouilleren en controleren van ook onverdachte personen, ze staan allemaal op de agenda, net als de wettelijke invoering van minimumstraffen. In toenemende mate wordt een hele generatie van een brede laag van de bevolking de criminaliteit ingedreven en vervolgens worden er harde sancties gesteld op wetsovertreding. Kregen de immigranten van enkele tientallen jaren geleden nog de mogelijkheid te 'integreren', dat wil zeggen de kans uitgebuit te worden, en hun kinderen een minimum aan onderwijs, nu is uitzichtloosheid troef en worden de verschillende groepen paria's tegen elkaar opgestookt. Het probleem is niet dat “Nederland vol is”, maar dat op een verzadigde wereldmarkt met moordende concurrentie de uitbuiting, zelfs tegen heel lage lonen, niets meer rendeert en steeds meer mensen maatschappelijk worden uitgesloten.

Andermaal wordt de reactie daartegen weggeleid naar de stembus. Dit keer, krijgen we te horen, zou het stemrecht “meer verantwoordelijk” gebruikt moeten worden, waarbij de boodschap met betrekking tot het huidige beleid is: eigen schuld, dikke bult!

De verkiezingen: de bourgeoisie op zoek naar de beste aanvalslinie

In afwezigheid van arbeidersstrijd keren al die maatregelen zich niet tegen de bourgeoisie maar dragen ze eerder bij tot het succes van de verkiezingen. Andermaal wordt er campagne gevoerd om de bevolking als geheel en vooral de arbeidersklasse wijs te maken dat zij het zijn die als 'burger' uitmaken wat er in Den Haag gebeurt. Meer dan ooit wordt de schijn gewekt dat de belangrijke beslissingen nog niet in achterkamertjes zijn genomen maar in het stemhokje vallen. Waaróp gestemd wordt is van een tweede orde, áls er maar gestemd wordt; als de geloofwaardigheid van de 'democratische' staatsinstellingen als “het minst slechte van alle systemen” maar wordt opgepoetst!

Zolang Paars nog te vers in het geheugen ligt kan de PvdA moeilijk in de regering terugkeren maar is een 'populaire' campagne van die kant al even onmogelijk. Groen Links, dat zich onder Rosenmöller naar het voorbeeld van Duitsland en België opmaakte voor een plaats in de regering kon de taak van oppositionele stemmentrekker, ondanks de wissel aan de top, ook moeilijk op zich nemen. Wat overbleef was noodgedwongen een links populisme dat tijdelijk de 'protestvlag' van Fortuyn overnam.

Vandaar de geweldige mediacampagne rond de SP waarbij de kop van Marijnissen niet meer van het beeldscherm was te branden. Bij tijdelijk gebrek aan beter werd het populisme van extreem rechts overgeheveld naar ultra links wat voor de bourgeoisie twee voordelen had: het linkse populisme liep geen risico in de regering te belanden en het kon op termijn enkel de positie van de meer 'verantwoordelijke' PvdA versterken.

De PvdA, met fundamenteel hetzelfde programma als onder Paars, past, in de woorden van oud minister Pronk, enkel haar “stijl en beeld” aan. Wouter Bos, het nieuwe uithangbord van de partij, wil “de fouten van zijn voorgangers vermijden” en “de mensen er van overtuigen dat de PvdA zijn les geleerd heeft”. Van arrogante regentenpartij gaat het naar een meer 'bescheiden' en 'volkse' partij; maar dat komt er enkel op neer dat de functies van partijleider en regeringsleider niet langer, zoals onder Kok, in één persoon verenigd blijven. Toen diezelfde Bos, een bewonderaar van Joop den Uijl, op 13 februari aan de tand werd gevoeld door Balkenende en VVD boegbeeld Zalm, maakte hij niet alleen duidelijk dat de oude garde niet weerkeert, maar ook dat de PvdA 'zich sterk maakt' voor algemene inkomensverlagingen en de oorlog tegen Irak.

Het vooruitzicht blijft een terugkeer van de PvdA in de regering, aansluitend bij de politiek in de ontwikkelde landen, zoals in Duitsland, België en Groot Brittannië. Maar de bourgeoisie in Nederland moet voor het moment wel opteren voor een centrum rechtse regering met een krappe parlementaire meerderheid zodat de PvdA nog verder haar wonden kan likken. Zij loopt echter het risico dat de PvdA, met een onverwachte sterke opkomst in de peilingen in de laatste weken voor de verkiezingen, voortijdig weer in de regering moet worden opgenomen en zichzelf dan opnieuw voor de voeten loopt. De PvdA moet dan ook haar best doen, zoals Jan Blokker het verwoordde, om een te grote verkiezingsoverwinning te vermijden (4).

Het gat in het politieke landschap van de bourgeoisie ontstond met de desillusie over eerst de PvdA onder Paars, vervolgens over het LPF avontuur. Dat gat werd in zes maanden opgevuld wat duidelijk maakt dat de bourgeoisie de globale controle over de gebeurtenissen niet verloor. Toch is het tijdperk 'Pim Fortuyn', een periode van politieke instabiliteit, niet voorbij. Van de arbeiders wordt, niet echt geloofwaardig, gevraagd vertrouwen te schenken aan een 'realistische' PvdA die nog niet kan regeren, die ook geen oppositie kan voeren, maar die het er alleen van moet hebben dat ze, anders dan CDA en VVD, geen populistische vrijerij achter de rug heeft.

De noodzaak van strijd op klassenterrein

Welke regeringsploeg er na 22 januari ook wordt gevormd, de marsroute van de aanvallen van de bourgeoisie wordt niet door de stembusuitslag bepaald, maar door de recessie en de krachtsverhouding tussen de klassen. In grote lijnen is de koers vastgelegd in “het strategisch akkoord” van het kabinet Balkenende. De rol van de PvdA zal er, in de regering of in de oppositie, vooral uit bestaan om die aanvallen, die harder dan ooit zullen zijn, aan de bevolking te verkopen.

De arbeidersklasse heeft niets te winnen bij het verkiezingscircus. Het moet de strijd aangaan voor de verdediging van haar levensomstandigheden, op haar eigen klassenterrein. Daarvoor is een geweldige inspanning nodig om weer richting te vinden en vooral het vertrouwen in eigen kracht terug te winnen en de verontwaardiging om te zetten in gezamenlijke strijdbaarheid.

T&M / 16.01.2003

(1) Zie Nederland: De democratische campagnes maken nog meer aanvallen op de arbeidersklasse mogelijk, in Internationalisme, nr. 286, 3 juni 2002.

(2) Zie Ongekende aanvallen onder democratische voorwendsels, in Wereldrevolutie, nr. 97, najaar 2002.

(3) Kok gaf bij het aantreden van zijn eerste kabinet in 1994 al te kennen dat de achterstand die de uitkeringen vanaf begin jaren 1980 hadden opgelopen ten opzichte van de loonontwikkeling nooit meer zal worden ingelopen.

(4) De Volkskrant, 13 februari 2002. Na de vorige verkiezingen werd de PvdA door veel mensen helemaal afgeschreven; we noteerden toen: “de bourgeoisie gooit geen werktuigen weg die al een eeuw het nut van hun diensten hebben bewezen”, in Internationalisme, nr. 286, 3 juni 2002.

‘De Fabel van de illegaal’: Enkel in een open debat kunnen standpunten worden verduidelijkt

De aanwezigheid van extreem rechtse groeperingen in de anti-globaliseringsbeweging en het openlijke nationalisme van ultra-links daarin vormde voor De Fabel van de illegaal uit Leiden aanleiding om de kwestie van het nationalisme binnen een veel breder kader te plaatsen (1). Er bestond een tendens om afstand te nemen van het blinde activisme in een poging dat probleem uit te diepen. In de loop van het jaar 2000 probeerden we een debat met de medewerkers aan te gaan.

De internationalistische standpunten die wij verdedigen en de historische achtergrond daarvan wekten de interesse van sommige medewerkers, waarbij enkelen van hen zich erover verbaasden dat er al heel lang gedacht en gestreden was in richtingen die ook zijzelf leken in te slaan en dat ze blijkbaar niet alleen stonden. We drongen er dan ook vooral op aan verder te zoeken naar zowel een historische als collectief kader om dat debat te verdiepen en in onze pers en correspondentie hebben we geprobeerd daaraan bij te dragen.

Onze stelling was dat standpunten alleen ontwikkeld kunnen worden door bewust aan te sluiten bij de historische ervaring en het internationale debat daarover, en we legden er de nadruk op dat een activistische houding onvermijdelijk leidt tot kortzichtigheid.

Zoals blijkt uit onderstaande brief wijst De Fabel verdere discussie af. Geen woord meer over het gemeenschappelijke uitgangspunt, de afwijzing van nationalisme, terwijl de aanvankelijke breuk met de anti-globaliseringsbeweging wordt weggepoetst als louter “afstand nemen”. Daarmee verstrikken de medewerkers van De Fabel zich in de tegenspraken van de groep. De naderende oorlog in Irak stelt echter de keuze: proletarisch internationalisme of inschakeling in het kamp van één van de strijdende partijen.

Leiden, 29 oktober 2002

Beste mensen van de IKS,

Enkele jaren geleden zochten jullie contact met ons, omdat wij afstand namen van de gangbare analyses binnen de zogeheten anti-globaliseringsbeweging. We besloten tijdelijk op jullie uitnodigingen in te gaan, om jullie beter te leren kennen en wie weet wat er zich zou kunnen ontwikkelen. We waren ons er vanaf het begin af aan wel erg bewust van dat er fundamentele ideologische verschillen zijn tussen jullie en onze analyses. Volgens de IKS is er een enkele wereldwijde hoofdtegenstelling tussen bourgeoisie en arbeidersklasse. De strijd tussen kapitalisten-klasse en arbeidersklasse zou daarbij de allesbepalende motoriek van de gesciedenis zijn en zou uiteindelijk de hele gang van zaken in de wereld verklaren. Voor ons is dat een onbevredigende analyse met allerlei theoretische tekortkomingen en blinde vlekken. Zelf gaan wij uit van een analyse waar naast kapitalistische verhoudingen ook de racistische en patriarchale machtsverhoudingen een centrale rol spelen. In gesprekken en schriftelijke uitwisselingen met jullie hebben we dat steeds geprobeerd te benadrukken. Maar van een echte discussie, met wederzijdse openheid, is helaas nooit sprake geweest. Jullie redeneren vanuit een gesloten wereldbeeld en lijken er enkel en alleen, heel paternalistisch, op uit om jullie analyse aan ons uit te leggen. Zo zijn jullie bijvoorbeeld nooit werkelijk in gegaan op onze brief, waarin we pleiten voor het integreren van anti-racisme en anti-patriarchale analyses in jullie vertoog. En dat is uiteindelijk toch ook onze belangrijkste aanbeveling aan de anti-globaliseringsbeweging.

Ook jullie brief van 6 juli was weer een toonbeeld van zulk paternalisme. Jullie stellen je op als schoolmeesters die onze ontwikkeling willen sturen en beoordelen. Om jullie eens te laten merken hoe dat overkomt, zullen we de zaken eens omdraaien en zullen we jullie ontwikkeling eens beoordelen. Dat zou als volgt kunnen gaan: We hebben jullie inmiddels al een aantal keer uitgelegd hoe jullie verder zouden kunnen komen in jullie analyses, maar de laatste tijd lijkt het er helaas toch op dat jullie zijn blijven stilstaan. Het zag er twee jaar geleden nog zo veel belovend uit vanwege de stappen die jullie toen gezet hebben. Toen zochten jullie contact met critici rond de anti-globaliseringsbeweging, en leken een eerste stap te maken uit jullie uiterst eenzijdige anti-kapitalistische vertoog in de richting van een meer dimensionale analyse van de wereldproblemen. Het leek erop dat jullie een zoektocht waren begonnen naar de dieperliggende oorzaken van de huidige crisis. Maar helaas, nu ziet het er naar uit dat jullie je weer terugtrekken in de achterhaalde en eenzijdige anti-kapitalistische studeerkameranalyses die links al zo lang parten spelen. Al jullie bijdragen aan lopende linkse discussies zijn volledig voorspelbaar gebleven: alle problemen zouden sowieso altijd op “het kapitalisme in verval” terug te voeren zijn. Over de belangrijke invloeden van het patriarchaat, racisme en antisemitisme, met elk hun eigen dynamiek, reppen jullie met geen woord. Kortom, jullie zijn in de anti-kapitalisme val gelopen, of beter gezegd: vast blijven zitten. Wij menen dat het van belang is om helder en duidelijk te zijn over anti-racisme en anti-seksisme zodat jullie niet meegesleurd worden in de vloed van autoritair communistische en eenzijdig anti-kapitalistische propaganda die de anti-globaliseringsbeweging de laatste jaren is gaan domineren en die de stappen die jullie twee jaar geleden gezet hebben zouden teniet doen.

Om deze redenen heeft voor ons de discussie met jullie geen zin meer. Hierbij maken wij er van onze kant dus een einde aan. We gaan dus ook niet meer reageren op de artikelen in jullie kranten.

Met vriendelijke groet,

De Fabel van de illegaal

De feiten zijn koppig

Het is mogelijk een debat uit de weg te gaan, maar niet om de feiten te ontlopen. In het artikel Niet meer thuis op anti-oorlogsdemonstraties lezen we over de demonstratie van 26 oktober 2002: “Onder de duizenden betogers bevonden zich helaas ook heel wat Arabische nationalisten, autoritaire communisten, libertariërs, antisemieten, anti-Amerikanisten en zelfs neo-Nazi's. [...] De Fabel van de Ilegaal voelt zich in ieder geval steeds minder thuis op dit soort demonstraties” en: “Kortom, het gaat om een complexe kwestie. De Fabel weet daar ook niet direct een antwoord voor. [...] Om daar uit te komen moet er van onderop een alternatief standpunt over oorlog ontwikkeld worden.” (2).

Eerlijk is dat in ieder geval, maar de oplossing ligt zeker niet in het zich afsluiten van debat en het zich verliezen in blind activisme. Want ondanks alle mooie woorden dreigen de medewerkers van De Fabel toch te worden meegezogen in de oorlogshetze. Zo lezen we over de Tweede Wereldoorlog: “Weliswaar hadden de geallieerden veeleer imperialistische dan anti-fascistische bedoelingen bij de Tweede Wereldoorlog, maar het resultaat was voor veel mensen toch een enorme kwalitatieve vooruitgang: burgerlijke democratieën in plaats van nationaal socialisme. Hoewel De Fabel dus in principe tegen elke oorlog en tegen het militarisme is, kan het niet ontkend worden dat oorlogen soms onbedoeld wel goede gevolgen kunnen hebben. In kringen van Iraakse vluchtelingen, ook communistische die niets van de VS moeten hebben, wordt het via de oorlog verdrijven van Hoessein soms nog als enige kans gezien om in Irak mogelijk weer wat op te bouwen.”

Het anti-nationalisme van De Fabel gaat hier voluit op de knieën voor het ‘mindere kwaad’ van een ‘democratisch’ nationalisme. Is het zo moeilijk in te zien dat het ‘anti-fascisme’ niets anders was dan de ideologische dekmantel van het Amerikaanse imperialisme (3)? Het ‘theoretische’ anti-nationalisme van De Fabel dreigt hier om te slaan in een praktische stellingname voor een oorlog in Irak die, weliswaar “onbedoeld”, toch nog een weldaad zou kunnen zijn, zoal niet voor de mensheid als geheel, dan toch in ieder geval voor de overlevenden in Irak!

In een ander artikel in hetzelfde blad wordt er verzekerd: “We zullen het er snel over eens zijn dat de huidige politiek van Israël volop bediscussieerd mag worden.” Vanwaar deze “snelle” beperking van “de discussie” tot louter de “huidige politiek van Israël” en ten koste van een principieel debat over nationalisme in het algemeen? Het antisemitisme vormt net zo min een rechtvaardiging voor het zionisme als dat de daden van Palestijnse terroristen kunnen worden goedgepraat met de misdaden van de Israëlische staat. Vanwaar die eenzijdige terughoudendheid in de veroordeling van het zionisme en de Israëlische staatsterreur (4)?

Voor het wereldproletariaat maakt het geen enkel verschil hoe de kapitalistische staat zich noemt waardoor het wordt uitgebuit. Het heeft geen enkel belang bij welk racisme of nationalisme dan ook. Internationalisten klagen alle imperialistische kampen in gelijke mate aan en roepen het wereldproletariaat op de strijd te ontwikkelen die een einde kan maken aan de barbarij. De strijdbaarheid van het wereldproletariaat beëindigde in 1918 de Eerste Wereldoorlog; voorkwam dat er een Derde Wereldoorlog uitbrak tussen de Amerikaanse en Russische blokken; en ook nu vormt het de enige rem op de imperialistische bloedorgieën.

Wanneer onze “eenzijdige propaganda” als “anti-kapitalistisch” wordt aangemerkt is onze ongetwijfeld onbeholpen uitleg toch nog enigszins begrepen. In de propaganda van De Fabel wordt echter nooit gesproken over het wezen van het kapitalisme, nooit over de loonarbeid waaraan de overgrote meerderheid van de bevolking van de kapitalistische centra onderworpen is. De ‘propaganda’ richt zich “tweezijdig” tegen racisme en patriarchalisme en nulzijdig tegen de kapitalistische uitbuiting. Toch ligt het bestaan van een klassenmaatschappij juist ten grondslag aan zowel de geïnstitutionaliseerde xenofobie als aan het imperialisme.

Zoals we eerder lieten zien stelt De Fabel kapitalistische, racistische en patriarchale verhoudingen voor als drie naast en onafhankelijk van elkaar bestaande verhoudingen die bijgevolg elk op zich, los van de anderen, bevochten zouden kunnen worden. Maar het is pas in en door de strijd van de arbeidersklasse, als uitgebuite en revolutionaire klasse, dat er een eind kan worden gemaakt aan alle klassenheerschappij, en alleen in die strijd kan ook worden afgerekend met xenofobie omdat het regelrecht ingaat tegen de behoeften en noodzakelijkheden ervan. De klassenstrijd is het beste medicijn tegen de xenofobische koorts.

Omdat De Fabel zich nooit op de arbeidersklasse beroept heeft het ook geen enkel kader om de problemen concreet te stellen en blijft alles steken in abstracte morele verontwaardiging vol van innerlijke tegenspraken. Het resultaat is dat nóch racisme, nóch patriarchalisme, nóch kapitalisme daadwerkelijk worden bevochten en dat eerder het één wordt toegedekt onder het mom van het ándere te bestrijden. Een debat over bijvoorbeeld xenofobie kan niet blijven steken in eindeloos herhaalde slogans waarmee de xenofobie niet uit de kolommen van De Fabel wordt geweerd.

De irrationele angst in De Fabel voor de arbeidersklasse komt tot uiting in de volgende redenering: “Sommige linkse activisten richten zich uiteindelijk tegen het kapitalisme. Wanneer het kapitalisme overwonnen is, verdwijnen vanzelf ook de patriarchale verhoudingen. De geschiedenis leert dat dit een sprookje is.” (5). Heel het argument komt voort uit het trauma van het voormalige, zogenaamd socialistische Oostblok en China. Wanneer medewerkers van De Fabel een paar mythes doorzien dan geloven ze nog altijd in de meest fundamentele en verwarren ze de revolutionaire strijd van 1917 met de stalinistische contra-revolutie.

De ineenstorting van het stalinistische Oostblok in 1989 leidde tot grote verwarring. De bourgeoisie kon oorverdovende campagnes voeren over de dood van het kommunisme, het bankroet van het marxisme en het verdwijnen van de arbeidersklasse. Het resultaat was de groei van een activisme langs populistische lijnen, zoals de anti-globaliseringsbeweging, en de ontwikkeling van anarchistische trends zonder enig klassenperspectief. Daarbinnen bestaat er uiteindelijk geen andere keuze dan die ten gunste van het ene of andere imperialisme omdat de enige sociale kracht die een alternatief kan bieden wordt gewantrouwd.

Actie of discussiegroepen?

De breuk met de anti-globaliseringsbeweging was misschien moedig maar zeker niet grondig genoeg om onder druk van de gebeurtenissen stand te kunnen houden. De gigantische mediacampagnes tegen ‘links extremisme’ rond de moord op Pim Fortuyn en de aanslag door een paar neo-nazi's op het gebouw van De Fabel hebben bijvoorbeeld zeker bijgedragen tot de terugslag; er is veel politieke standvastigheid nodig om te midden van zoveel ideologisch en fysiek geweld niet een moment terug te deinzen. Daarom betreuren we het des te meer dat De Fabel niet inging op onze uitnodiging om daarover te debatteren (6).

Het activisme van De Fabel staat er borg voor dat de groep telkens weer wordt meegesleept in de politieke hoofdstroom van burgerlijk links. Het begin van een fundamentele en strijdbare kritiek van het linkse nationalisme raakt zo in het defensief tegenover de tendens om zich te gaan specialiseren in het doen van nederige “aanbevelingen” met betrekking tot racisme en patriarchalisme aan de anti-globaliseringsbeweging. Het ‘anti-kapitalisme’ raakt daarbij helemaal uit het zicht. Het nationalisme wordt dan vooral weer aangevallen in zijn ‘rechtse’ vorm onder vergoeilijking van het nationalisme van links (7). Wat daar achter op de loer ligt is de sluimerende tendens tot rechtvaardiging van het Amerikaanse en Israëlische imperialisme. De innerlijke tegenspraken van de groep dreigen zo aan de oppervlakte te komen, en dát moet het zijn wat De Fabel, in een poging de medewerkers ten koste van het debat bijeen te houden, héél discreet een “open wereldbeeld” noemt.

Achterop het blad vinden we: “Wij streven naar een vrij socialistische en feministische samenleving, zonder racisme, nationalisme of fascisme. Dat kan alleen via een fundamentele omwenteling van de sociale en bezitsverhoudingen op wereldschaal. Internationale solidariteit staat daarom centraal.” Maar in mei 2000 gaf De Fabel te kennen: “De Fabel van de illegaal is een basisgroep die bestaat uit zowel anarchistische als andere radicaal linkse mensen. Onze gemeenschappelijke basis vinden wij dan ook niet in één uitgewerkte ideologie, zoals bijvoorbeeld het anarchisme, maar in onze gezamenlijke afkeer van kapitalisme, patriarchaat, racisme en nationalisme.”

Wat de groep vooral verenigt is activisme, de wil om “iets te doen”, “uit afkeer”, zonder goed te weten wat of waarvoor. Ook zijn er medewerkers die het debat willen uitdiepen, maar zonder goed te weten hoe of in welke richting. Enerzijds moet de ervaring dienen als discussiemateriaal, anderzijds kan het debat richting geven aan de actie. Maar de dynamiek van het geheel kan niet komen uit beperkte, plaatselijke actie, niet uit wat De Fabel “van onderop” noemt, niet uit een poging het wiel opnieuw uit te vinden. Wat nodig is, dat is vooral de aansluiting bij heel de historische ervaring en openheid voor een debat dat internationaal wordt gevoerd, en dat veronderstelt een breuk met het blinde activisme.

Er is een zo breed mogelijke discussie nodig waarin verschillende standpunten kunnen worden ontwikkeld. Maar alles wat zweemt naar samenhang en duidelijkheid wordt kennelijk opgevat als uiting van dogmatisme en intolerantie. Er wordt de voorkeur gegeven aan het scheppen van een beschermd milieu waarin onsamenhangende standpunten vrij naar voren kunnen worden gebracht zonder dat er kritiek op mag worden uitgeoefend. Discussie is zo niets anders dan vrijblijvende uitwisseling van individuele ‘meningen’ in plaats van het zoeken naar gezamenlijke verheldering in een openbaar debat. In een confrontatie van verschillende standpunten voelen sommige medewerkers zich duidelijk nog minder “thuis” dan op zogenaamde vredesdemonstraties waar nationalisten van links en rechts de grote trom van de haat kunnen slaan (8).

Wanneer met ons “gesloten wereldbeeld” wordt bedoeld dat wij als politieke organisatie een samenhangend geheel van standpunten hebben dat we standvastig proberen te verdedigen bedanken we voor het compliment. Wanneer er echter wordt bedoeld dat voor ons alles vooraf vast ligt is het een schromelijke vergissing. Het marxisme maar moet zijn juistheid bewijzen in confrontatie met de werkelijkheid en in voortdurend debat.

De naderende oorlog in Irak zal een zware beproeving vormen voor het tere anti-nationalisme. We roepen dan ook op tot een nieuw, breed en principieel debat in open geest.

Manus / 08.01.2002

(1) Zie Brochure over het Baskische vraagstuk: Een gezonde reactie op het nationalistische gif in Wereldrevolutie, nr. 92 en Internationalisme, nr. 270, Briefwisseling: Het nationalisme kan niet meer bijdragen aan de sociale vooruitgang in Internationalisme, nr. 274 en Attac: De Fabel van de illegaal geeft toe aan burgerlijk links nationalisme in Wereldrevolutie, nr. 96.

(2) De Fabel van de illegaal, nr. 56, januari-februari 2002.

(3) Nadat het Duitse proletariaat eerst ideologisch en vervolgens ook fysiek was verslagen kon het in gijzeling worden genomen door de Nazi’s. Daarna werd het gedecimeerd door de Brits-Amerikaanse bombardementen en het Russische leger. Vervolgens diende het dankbaar te zijn voor de stembus en de rol die het werd toebedacht als kanonnenvoer in de voorpost aan de twee zijden van de Koude Oorlog, terwijl het natuurlijk ook nog opdraaide voor de wederopbouw.

(4) Men vergelijke dat met de lekkere generalisatie die Pim Fortuyn niet mistaan zou hebben en die er zonder enig commentaar in nr. 56 tegenaan wordt gegooid: “De zogenaamd vrome mannen met baarden die iedere dag naar de moskee gaan en roepen dat homoseksualiteit duivels is, staan op de Zeedijk als eersten in de rij om een nummertje te maken bij de hoeren.” Wat hier door het flinterdunne anti-nationalisme breekt is een mooi staaltje van xenofobie achter anti-seksistisch vijgenblad. “De strijd van de Palestijnen voor gelijke rechten is niet gebaat bij het aanleunen tegen ranzige antisemitische publicaties”. Welke strijd van Palestijnen, wat voor gelijke rechten? Worden hier soms de corrupte kliek van Arafat en de terroristische Hamas en andere Islam-fundamentalisten, deze kampioenen van de ‘gelijke rechten’, vriendelijk verzocht om hun antisemitisme achterwege te laten? En als ze daar niet op ingaan, is dat dan een reden om de Israëlische staatsterreur toe te juichen?

(5) De Fabel van de illegaal, nr. 38/39, 2000; zie vooral Patriarchaat en klassenmaatschappij in Internationalisme, nr. 275, en De arbeidersbeweging en het vraagstuk van de onderdrukking van de vrouw in Internationalisme, nr. 289; dat waren antwoorden op de enige serieuze discussiebijdrage van De Fabel.

(6) In de gewraakte brief van 6 juli 2002 schreven we: “Het lijkt ons daarom een beetje vreemd dat jullie stilstaan na de stap die gezet was en jullie terugtrekken in het activisme en dat terwijl jullie standpunten zowat twee jaar geleden heel wat discussie hebben opengegooid. Wij betreuren dat omdat jullie bijdrage in het debat al bewezen had dat het mensen kon aanspreken die naar dieper liggende oorzaken van de huidige crisis en haar gevolgen wilden zoeken.”

(7) Zo snelt De Fabel van de illegaal in nr. 56 de Filippijnse stalinist Sison, die dissidente partijleden met executie bedreigt, te hulp. SP, SAP en IS worden bekritiseerd, terwijl niet met name genoemde loten van dezelfde stam, “meer democratische communisten”, milder worden beoordeeld, “Kritiek op Hoessein kwam er helaas ook uit die hoek nauwelijks.”

(8) We hebben talrijke discussies gevoerd met medewerkers van De Fabel en de reacties van de groep in onze pers geplaatst alvorens er op te antwoorden. In De Fabel van de illegaal verscheen in het geheel niets, het debat werd doodgezwegen, en zelfs de parodie van onze standpunten is niet afgedrukt. Terwijl de gezamenlijke basis voor discussie, afwijzing van het nationalisme, ongenoemd blijft, wordt er plotseling voorafgaande overeenstemming geëist op andere punten die nu juist níet als gemeenschappelijk uitgangspunt van debat kunnen dienen.

Wereldrevolutie, nr. 99, mei-augustus 2003

Het pacifisme kan de oorlog niet stoppen! Voor het proletarisch internationalisme!

Tegenover de wil van de Verenigde Staten om hun wereldoverheersing andermaal te bevestigen horen we stemmen opgaan in alle rivaliserende staten van regeringen die het Amerikaans ‘imperialisme’ aanklagen als een factor van oorlog en destabilisatie. De voormalige bondgenoten van de Verenigde Staten zien geen reden meer om zich te onderwerpen aan de Amerikaanse voogdij sinds de ineenstorting van het Oostblok en de verdwijning van de gemeenschappelijk vijand. Deze rivalen maken gebruik van het feit om de Verenigde Staten, die als hoofd van het westers blok hebben deelgenomen aan het merendeel van de oorlogen sinds 1945 en die zich momenteel vastbesloten tonen om hun leiderschap en de wereldorde die in hun voordeel georganiseerd is, te verdedigen, te doen doorgaan voor de enige imperialistische staat. Dit idee dat enkel de machtigste staat van de planeet imperialistisch zou zijn, vormen slechts voor de smaak van de dag opgewarmde prakken van de stalinistische ideologie van de koude oorlog en de propaganda van het Russische blok tijdens de botsing tussen de blokken. Trotskisten, anarchisten en maoïsten hebben ruimschoots bijgedragen tot het voeden van deze mythe sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog via het steunen van de zogenaamde bevrijdingsbewegingen. Sinds de ineenstorting van de Sovjet-Unie, is dit begrip niet verdwenen maar heeft het zich ruim verspreid op een bredere grond van anti-Amerikanisme in de officiële propaganda van de meeste staten.

Sinds de intrede van het kapitalistisch systeem in zijn vervalperiode, vormen het militarisme en de oorlog een fundamenteel gegeven in het leven van het kapitalisme. Sedert de wereldmarkt gevormd werd in het begin van de twintigste eeuw en verdeeld werd in handels- en invloedszones tussen de ontwikkelde kapitalistische staten, heeft de verheviging en de ontketening van de wedijver tussen de naties die er het gevolg van was, geleid tot de verscherping van de militaire spanningen, tot de ongekende ontwikkeling van bewapening en de groeiende onderwerping van het geheel van het economisch en sociaal leven aan de militaire dwang van de permanente oorlogsvoorbereiding.

Rosa Luxemburg heeft brandhout gemaakt van de basis van de misleiding die maakt dat een staat, of een bepaalde groep staten, die beschikken over een zekere militaire macht, de enige veroorzakers zouden zijn van de oorlogsbarbarij. Ook al beschikken alle staten niet over dezelfde middelen, dan voeren ze toch allemaal dezelfde politiek. Ook al kunnen de ambities tot wereldoverheersing slechts ontluiken bij de machtigste staten, dan is het niet minder waar dat de kleinere met dezelfde imperialistische honger behept zijn. Net zoals in het maffiamilieu waar enkel de grote peetvader de hele stad kan overheersen terwijl de pooier van de wijk slechts heerst over één enkele straat. Hun aspiraties en methodes verschillen dus in niets van die van de gangsters. Daardoor komt het dat alle kleine staten zoveel energie besteden als de anderen aan hun ambitie om een grotere natie te worden ten koste van hun buren.

Daarom is het ook onmogelijk om een onderscheid te maken tussen de onderdrukkende en de onderdrukte staten. In de krachtsverhouding die zich opdringt tussen de verschillende imperialistische haaien, zijn zij inderdaad allemaal concurrenten in de wereldarena. De burgerlijke mythe van de aanvallende staat of van het ‘agressieve blok’ dat met militarisme beheptis, dient enkel ter rechtvaardiging van de ‘defensieve’ oorlog. De stigmatisatie van het agressiefste imperialisme komt slechts neer op de propaganda van elke tegenstander om de bevolkingen te kadreren in de oorlog.

De materialistische uitleg van het imperialisme

Het militarisme en de het imperialisme vormen de steeds openlijkere uitingen van de intrede van het kapitalistisch systeem in zijn vervalperiode, zodanig dat ze van bij het begin van de twintigste eeuw de oorzaak zijn van een debat tussen de revolutionairen.

Na de periode van oorlogen voor de vorming van de nationale eenheid van de burgerlijke staten, en tegenover de groeiende stijging van de tegenstellingen tussen de kapitalistische grootmachten en de vorming van militaire bondgenootschappen in Europa die zouden leiden tot de ‘gewapende vrede’ vóór 1914, voorzag Engels vanaf 1887 een oorlog van nieuwe omvang: “Het zou een wereldoorlog zijn van een ongekende omvang en kracht. Acht tot tien miljoenen soldaten zouden elkaar doden [...]. In de tijd van drie tot vier jaar zou dat kunnen leiden tot een verwoesting zo groot als die van de Dertigjarige Oorlog en uitgedeind over een heel continent, met honger, epidemieën, terugkeer tot de staat van wildheid, zowel van de troepen als van de volksmassa’s, als gevolg van een diepe ellende [...]”.

Omtrent het verschijnsel van het imperialisme zijn er verschillende theorieën ontwikkeld door de arbeidersbeweging om dit uit te leggen, voornamelijk door Lenin en Rosa Luxemburg. Hun analyses zijn gesmeed aan de vooravond en tijdens de Eerste Wereldoorlog tegen de visie van Kautsky die van het imperialisme één van de andere mogelijke opties maakte voor de kapitalistische staten en dat zou kunnen uitmonden in een “fase van superimperialisme, van eenheid en niet van strijd tussen de wereldimperialismes, een fase waarin de oorlogen zouden gestaakt worden onder kapitalistisch regime, een gemeenschappelijke uitbuitingsfase van de hele wereld door het financiëel kapitaal verenigd op wereldschaal” (2).

De theorieën hebben gemeenschappelijk dat ze het imperialisme niet alleen beschouwen als een product van de tegenstellingen van het kapitalisme maar als een noodzaak die inherent is aan de wetten van het kapitalistisch systeem dat een specifieke fase bereikt heeft in zijn evolutie : zijn eindfase. Ze definiëren het wezenlijk als concurrentieverhoudingen tussen de kapitalistische staten, eerst economisch, en vervolgens militair.

De theorie van Lenin was van bijzonder belang want ze maakte het hem enerzijds mogelijk om tijdens het eerste wereldconflict een strikt internationalisme te verdedigen dat vervolgens het officiële standpunt werd van de Kommunistische Internationale in verband met het nationaliteitenvraagstuk en dat van de kolonies. Nochtans benadert Lenin het vraagstuk van het imperialisme vooral vanuit een beschrijvend gezichtspunt zonder er in te slagen de oorsprong van de imperialistische expansie duidelijk te verklaren. Voor hem is het in wezen een beweging uitgaande van de ontwikkelde landen dat als voornaamste kenmerk heeft van in de kolonies het kapitaal van de metropolen ‘in overvloed’ is uit te baten om ‘superwinsten’ te verkrijgen door te profiteren van een arbeidskracht die minder duur is en van de overvloedig aanwezige grondstoffen.

In deze opvatting worden de kapitalistische landen parasieten van de kolonies ; het verkrijgen van ‘superwinsten’, die onmisbaar zijn voor hun overleving, verklaart de botsing op wereldvlak omwille van het behoud of de verovering van kolonies. Ze heeft tot gevolg dat de wereld opgedeeld wordt in onderdrukkende naties, imperialistische enerzijds en onderdrukte naties in de kolonies anderzijds. “Het aandringen van Lenin op het feit dat de koloniale bezittingen een ander kenmerk zouden dragen en zelfs onmisbaar zouden zijn voor het imperialisme heeft de tand des tijds niet doorstaan. Ondanks het vooruitzicht dat het verlies van de kolonies, gedreven door de nationale opstanden in deze regio’s, het kapitalistische systeem tot op zijn grondvesten zou doen daveren, heeft het imperialisme zich gemakkelijk helemaal aangepast aan de ‘dekolonisatie’. De dekolonisatie [na 1945] heeft alleen maar de neergang bevestigd van de oude imperialistische grootmachten en de triomf verzekerd van de imperialistische reuzen die niet werden gehinderd door een groot aantal kolonies op het moment van de Eerste Wereldoorlog. Zo konden de Verenigde Staten en de USSR een cynische ‘anti-koloniale’ politiek ontwikkelen om hun eigen imperialistische doelstellingen te realiseren. Steunend op de nationale bewegingen konden zij deze onmiddellijk omvormen in inter-imperialistische oorlogen via de ‘volkeren’ die er tussen gekneld werden” (3).

Vertrekkend van de analyse van het geheel van de historische periode en de kapitalistische evolutie als globaal systeem, kwam Rosa Luxemburg tot een veel completer en dieper begrip van het verschijnsel van het imperialisme. Zij heeft aangetoond dat de historische basis van het imperialisme ligt in de tegenstellingen zelf van het kapitalistisch systeem. Terwijl Lenin zich blindstaarde op het constateren van het verschijnsel  van de uitbuiting van de kolonies, analyseert Rosa Luxemburg dat de koloniale veroveringen die constant vergezeld gaan van de kapitalistische ontwikkeling die zich laaft aan de onverzadigbare nood aan kapitalistische expansie en dat via het doordringen tot nieuwe markten, de invoering betekende van de kapitalistische verhoudingen in die geografische zones waar tot dn toe nog niet bestonden: “De accumulatie is onmogelijk in een uitsluitend kapitalistisch milieu. Daaruit vloeit van bij het ontstaan van het kapitaal de nood aan expansie voort in het land en bij de niet-uitbuitende lagen, het bankroet van de ambacht en het boerenbedrijf, de proletarisering van de middenlagen, de koloniale politiek (de politiek van het ‘openen’ van de markten), de kapitaalexport. Het bestaan en de ontwikkeling van het kapitalisme vanaf zijn ontstaan is slechts mogelijk geweest door een constante expansie op het gebied van de productie en van nieuwe landen” (4).

Zo werd het imperialisme geboren uit de tegenstellingen van het kapitaal in het laatste kwart van de negentiende eeuw, van zodra de kapitalistische verhoudingen veralgemeend waren in de oorspronkelijke kapitalistische landen. “Het kapitalisme dat ongevoelig en koortsachtig op zoek is naar grondstoffen en kopers die zelf geen kapitalisten zijn, noch loontrekkenden, vloog vooruit, de koloniale bevolkingen decimerend en uitmoordend. Dat was het tijdperk van het binnendringen en het uitbreiden van Engeland in Egypte, van Frankrijk in Marokko, Tunis en Tonkin, van Italië in Oost-Afrika, aan de grenzen met Abessinië, van tsaristisch Rusland in Centraal-Azië en in Mandchoerije, van Duitsland in Afrika en Azië, van de Verenigde Staten in de Filippijnen en Cuba, en tenslotte van Japan op het Aziatisch continent” (5).

Maar deze evolutie sluit het kapitalisme op in een fundamentele tegenstelling: hoe meer de kapitalistische productie zijn invloed uitbreidt over de wereld, hoe enger de grenzen worden van de markt die geschapen is voor de ongebreidelde zoektocht naar de winst, met betrekking tot de kapitalistische expansie. Buiten de concurrentie omwille van de kolonies identificeert Rosa Luxemburg een keerpunt in het leven van het kapitalisme namelijk de verzadiging van de wereldmarkt en het inkrimpen van de niet-kapitalistische afzetmarkten: het bankroet en de historische impasse van dit systeem dat “zijn functie van historische hefboom van de ontwikkeling van de productiekrachten niet meer kan ontwikkelen” (4) wat in de uiteindelijke analyse meteen de oorzaak aanwijst van de oorlogen die sedertdien de levenswijze van het kapitalisme in verval kenmerken.

Het imperialisme, de levenswijze van het kapitalisme in verval

Eenmaal de limieten bereikt zijn van de wereld door de kapitalistische markt, zet de inkrimping van de solvabele markt en van de nieuwe markten de permanente crisis in van het kapitalistisch systeem, terwijl de noodzaak aan expansie van levensbelang blijft voor elke staat. Voortaan zal deze expansie enkel nog gaan ten koste van de andere staten in een strijd om de herverdeling van de wereldmarkt.

“In het bloeitijdperk van het kapitalisme waren de oorlogen (nationale, koloniale en imperialistische veroveringen) de uitdrukking van de stijgende voortgang, van de gisting, van de uitbreiding en de expansie vaan het kapitalistische economische systeem. De kapitalistische productie vond in de oorlog de voortzetting van zijn economische politiek met andere middelen. Elke oorlog werd gerechtvaardigd en droeg vruchten omdat hij een nieuw veld opende van nog grotere expansie, die de ontwikkeling van een grotere kapitalistische productie verzekerde. [...] De oorlog was een onmisbaar middel dat voor het kapitalisme de mogelijkheden opende voor latere ontwikkelingen in het tijdperk waarin die mogelijkheden bestonden en slechts met geweld opengebroken konden worden” (6).

Voortaan “wordt de oorlog het enige middel, niet voor de oplossing van de internationale crisis, maar het enige middel waarmee elk nationaal kapitaal probeert te ontsnappen aan de moeilijkheden waarin het gevangen zit, ten koste van de imperialistische rivaliserende staten” (6). Deze nieuwe historische toestand dringt in alle landen de ontwikkeling van het staatskapitalisme op.

Elk nationaal dat zich beroofd ziet van de bases voor een krachtige ontwikkeling, wordt veroordeeld tot imperialistische wedijver en vindt in de staat de enige structuur die sterk genoeg is om heel de maatschappij te mobiliseren met het oog op het aanvallen van zijn economische rivalen op het militair vlak.

De functie van het staatskapitalisme is dus, onder andere, het vasthouden in een stalen korset van cohesie van de maatschappij die dreigt uit elkaar te vallen door de verloedering van haar economische fundamenten, en het op getouw zetten van de onmisbare militaire macht ter verdediging van zijn belangen in de wereldarena.

“De permanente crisis stelt de onafwendbaarheid, de onvermijdelijkheid, van het regelen van de imperialistische geschillen door de gewapende strijd. De oorlog en oorlogsdreiging zijn latente of manifeste aspecten van een permanente oorlogstoestand in de maatschappij. De moderne oorlog is een totale oorlog. Met het oog op de oorlog is een monsterachtige mobilisatie nodig van alle technische en economische bronnen van het land nodig. De oorlogsproductie wordt aldus de industriële spil van de productie en tot het belangrijkste economische werkvlak van de maatschappij” (6). Dat is de reden waarom de technische vooruitgang volledig bepaald wordt door het militaire: de luchtvaart wordt eerst militair ontwikkeld tijdens de Eerste Wereldoorlog, de atoomkracht als bom in 1945, de informatica en Internet werden door de NAVO opgevat als militaire hulpmiddelen. Het gewicht van de militaire sector in alle landen slorpt alle levende krachten van de nationale economie op, met het oog op het ontwikkelen van een bewapening om tegen de andere naties te gebruiken. De totale greep van de militaire sector op de puntsectoren van de economie vertegenwoordigt een aanzienlijke sterilisatie van productieve krachten. En het is ook daadwerkelijk zo, het kapitaal dat bestemd wordt voor de militaire productie wordt uit het productieproces weggezogen. Het is kapitaal dat vernietigd is: de geproduceerde wapens of goederen zijn ofwel voorbestemd om weg te roesten als ze niet opgebruikt worden, of gaan in de rook op in de vernietigende heksensabbat van de imperialistische botsing.

Bij de aanvang van het imperialisme, aan de dageraad van het verval, werd de oorlog beschouwd als middel ter herverdeling van de markten.

Maar als uitdrukking van het historisch bankroet van het kapitalistisch systeem, verliest de imperialistische oorlog steeds meer elke economische rationaliteit. Van bij het begin van het verval neemt de strategische dimensie de overhand op de strikt economische vraagstukken. Het gaat om het veroveren van geostrategische stellingen tegen alle andere imperialismes in, om de strijd voor de alleenheerschappij, met de bedoeling zich op te dringen als grootmacht en zijn rangorde te verdedigen. In deze periode van neergang van het kapitalisme vertegenwoordigt de oorlog steeds meer een economische en sociale ramp. Deze afwezigheid van economische rationaliteit van de oorlog betekent niet dat elk nationaal kapitaal er zich zou van onthouden om de productiekrachten van de tegenstander of de overwonnene te plunderen. Getuige hiervan is bijvoorbeeld de roofzucht van Frankrijk bij de demontage van fabrieken en de inbeslagname van gekwalificeerde arbeidskrachten in zijn bezettingszone in Duitsland na 1945. Maar deze ‘roof’ vormt niet langer het hoofddoel van de oorlog, in tegenstelling tot wat Lenin dacht.

Wanneer de USSR haar militaire macht gebruikte om dit brutale plunderregime op te leggen… aan haar eigen bondgenoten, om zich staande te houden in de imperialistische competitie met het westerse blok, dan lag dat aan het feit dat zij een bijzonder karikaturale vorm was van staatskapitalisme, gebrandmerkt door een diepe economische achterstand.

Op het einde van de twee wereldoorlogen, hebben twee overwinnende grootmachten Frankrijk en Groot-Brittannië een belangrijke terugval gekend van hun economie en hun militaire macht in de wereldarena. De Verenigde Staten bevestigen hun rang van eerste wereldmacht maar in een context waarin het wereldkapitalisme als een geheel zijn historisch bankroet ontsluiert.

De intrede in de fase van de ontbinding leidt tot het witheet worden van de tegenstellingen die vervat zitten in het verval. Voor alle landen betekent elk bijzonder conflict waarin zij betrokken zijn een aderlating die ruimschoots de voordelen overstijgt die ze er uit kunnen puren. Zonder te spreken over de afslachtingen, hebben de oorlogen enkel massale vernietigingen tot resultaat. Ze laten de landen waar ze zich afspelen leeggebloed en in ruines achter en zullen nooit meer heropgebouwd worden. Maar geen enkele rekensom of verlies kan de staten er van weerhouden om hun imperialistische aanwezigheid in de wereld te verdedigen, van saboteren van de ambities van hun rivalen, of van het verhogen van hun militaire budgetten. Wel in tegendeel, ze worden meegesleurd in een irrationele spiraal vanuit economisch gezichtspunt en vanuit de kapitalistische rendabiliteit. De irrationaliteit van de bourgeoisie miskennen komt er op neer dat men de werkelijke dreiging onderschat van de pure en simpele vernietiging, die weegt op de toekomst van de mensheid.

Scott

(1) Marx-Engels, Werke, deel 21, p. 361.

(2) Lenin, Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme.

(3) Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 19, p. 11.

(4) Rosa Luxemburg, Anti-kritiek. In De accumulatie van het kapitaal toont ze aan dat de totaliteit van de onttrokken meerwaarde van de uitbuiting van de arbeidersklasse niet kan gerealiseerd worden binnen de kapitalistische sociale verhoudingen, want de arbeiders wier lonen lager zijn dan de waarde die gecreëerd wordt door hun arbeidskracht, kunnen niet alle waren kopen die zij produceren. De kapitalistische klasse kan niet alle meerwaarde consumeren, aangezien een deel ervan moet dienen voor de uitgebreide productie van het kapitaal en moet geruild worden. Het kapitalisme is dus, van globaal gezichtspunt constant gedwongen om op zoek te gaan naar kopers van zijn waren buiten de kapitalistische sociale verhoudingen.

(5) Het probleem van de oorlog door Jehan, 1935, geciteerd in Internationale Revue, Engels- Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 19.

(6) Rapport op de conferentie van juli 1945 van de Gauche Communiste de France.

Imperialistische conflicten: De wedijver tussen de grootmachten kan niet meer worden weggemoffeld

Bij alle grotere conflicten die de planeet sinds het verdwijnen van de blokken in vuur en vlam gezet hebben waren de voornaamste mogendheden van het voormalige Westers Blok betrokken. Er werd ons een beeld voorgeschoteld van een hechte eenheid tussen die landen, op politiek vlak zowel in militaire operaties ten dienste van de verdediging van het internationaal recht, van de mensenrechten, van de strijd tegen het ‘internationaal terrorisme’. Toen de huidige Iraakse crisis bijna een jaar geleden opdook, ontdekt de wereld met verbijstering hoe sterk de onenigheid is die nu zo brutaal aan het licht komt tussen die landen. Allianties die als een historisch gegeven beschouwd werden, zoals die tussen Frankrijk en de Verenigde Staten, worden verbroken. We zien ook de ontwikkeling van anti-Amerikaanse of anti-Franse xenofobe campagnes, die door de media in dienst van de staat georganiseerd worden, en die herinneringen oproepen aan de vreselijkste momenten uit de geschiedenis van de twintigste eeuw.

In feite waren de tegenstellingen tussen de grootmachten al aanwezig voor de huidige crisis, maar ze zijn aanzienlijk verscherpt tot op het punt waarop de huichelachtige schijn wegvalt die de oorlogen respectabel leek te maken. Het wordt voor de bourgeoisie moeilijk nog langer te verzwijgen “wie de ware vijand van wie is”, maar haar oorlogszuchtige propaganda kan niet langer verbergen wat de werkelijke inzet van de oorlog is: de controle over essentiële strategische posities in de krachtsverhouding tussen de mogendheden.

De voornaamste imperialistische gangsters zijn het niet eens over de manier waarop ze de wereld gaan verdelen, en voor de peetvader, de sterkste onder hen, de Verenigde Staten, kan er natuurlijk geen sprake van zijn hun wereldheerschappij met anderen te delen.

Eigenlijk heeft gedurende heel de twintigste eeuw de kwestie van de verdeling van de wereld tussen de verschillende imperialisten, de machtigste bijgestaan door de minder sterke, aan de oorsprong gelegen van alle bondgenootschappen, van de blokken, van beide wereldoorlogen en van de lokale oorlogen die uitgevochten zijn gedurende de drie decennia van de Koude Oorlog.

De Golfoorlog van 1991 legt de nieuwe tegenstellingen bloot

Gedurende heel de periode van de Koude Oorlog waren de imperialistische spanningen gepolariseerd rond de confrontatie tussen beide imperialistische blokken, dat van het oosten en dat van het westen. Maar ze verdwijnen niet met het wegvallen van de blokken, integendeel. De complete en steeds duidelijker economische impasse van de kapitalistische productiewijze kan de oorlogstegenstellingen tussen de naties alleen maar steeds meer aanwakkeren.

Zeer snel na de ontbinding van het Westers Blok organiseerden de Verenigde Straten de Golfoorlog. Ze lieten Saddam Hussein geloven dat hij Koeweit kon binnenvallen zonder gevaar op vergelding en schiepen zo de gelegenheid, onder het voorwendsel Koeweit te bevrijden in naam van de verdediging van het internationaal recht, tot militair machtsvertoon op een schaal die ongezien was sinds de Tweede Wereldoorlog. De voormalige bondgenoten van de Verenigde Staten binnen het Westers Blok hadden geen andere keuze, als ze hun rang in de imperialistische wereldarena wilden behouden, dan zich te onderwerpen door aan die eerste Golfoorlog deel te nemen of hem te helpen financieren. Zich er van bewust dat ze in die oorlog werden meegesleept tegen hun eigen belangen in, toonden de meeste van die landen, op Groot-Brittannië na, weinig interesse om zich achter het standpunt van de Verenigde Staten te scharen en zich aan te sluiten bij hun oorlogsinspanning. In dat verband zagen we verscheidene pogingen, vooral van Frankrijk en Duitsland, om door aparte onderhandelingen in naam van de bevrijding van gijzelaars de Amerikaanse politiek in de Golf te torpederen.

Deze oorlog legde een realiteit bloot die sindsdien alleen maar bevestigd is: het totale onvermogen van de Europese staten om een onafhankelijke gemeenschappelijke buitenlandse politiek te voeren die op termijn de politieke voorwaarden zou kunnen scheppen voor de oprichting van een Europees blok geleid door Duitsland. Hij illustreerde ook een feit dat sindsdien allen maar bevestigd is, namelijk dat de eerste wereldmogendheid voortdurend in het offensief moet zijn, zijn verpletterende militaire overwicht moet inzetten om zijn wereldleiderschap te behouden tegenover het verzet daartegen, vooral van de voormalige geallieerden van het Westers Blok.

De huidige Iraakse crisis laat zien dat die mogendheden belangrijke stappen hebben gezet om hun eigen imperialistische belangen te waarborgen.

Tien jaar escalatie van de imperialistische spanningen

Maar enkele maanden na de Golfoorlog van 1991 toonde het begin van de confrontaties in Joegoslavië het feit dat diezelfde mogendheden, met name Duitsland, vastbesloten waren hun imperialistische belangen te doen gelden ten koste van die van de Verenigde Staten.

Om toegang tot de Middellandse zee te verkrijgen moedigde Duitsland de afscheiding aan van Slovenië en Kroatië, de noordelijke republieken uit Joegoslavië. Zo opende het een doos van Pandora van de Balkan die opnieuw een haard van conflicten werd tussen de imperialistische mogendheden in Europa. De andere Europese staten en de Verenigde Staten, die tegen dit Duitse offensief gekant waren, hebben inderdaad direct, of indirect door hun passiviteit, Servië en zijn milities aangemoedigd de ‘etnische zuivering’ te ontketenen in naam van de verdediging van de minderheden.

Door de verdere verslechtering van de toestand in de wereld konden de Verenigde Staten duidelijk maken dat de Europese Unie machteloos stond tegenover een situatie waarbij ze toch als eerste betrokken was, en dat er verdeeldheid heerste in de rangen van de Unie, ook tussen de “beste bondgenoten” van dat moment, Frankrijk en Duitsland. Ze slaagden er echter niet in het voortschrijden van sommige imperialismes te bedwingen, vooral van de Duitse bourgeoisie, die er over het algemeen in slaagde haar doelen in voormalig Joegoslavië te bereiken. De spectaculairste uiting van die autoriteitscrisis van de politieagent van de wereld werd vanaf 1994 gevormd door de breuk in het historisch verbond met Groot-Brittannië, op initiatief van dit laatste land. Na 1989 toonde de Britse bourgeoisie zich aanvankelijk de trouwste bondgenoot van de Amerikaanse, met name op het moment van de Golfoorlog. Maar die trouw had haar weinig opgeleverd. Verder vroeg de verdediging van haar eigen belangen in de Middellandse zee en de Balkan om een pro-Servische politiek. Dat leidde tot aanzienlijke meningsverschillen met hun bondgenoot en tot het systematisch saboteren van de Amerikaanse politiek van steun aan Bosnië. In die situatie slaagde de Britse bourgeoisie erin een stevige tactische alliantie op te bouwen met de Franse bourgeoisie.

Dat was natuurlijk een zware tegenslag voor de eerste wereldmacht omdat dit enkel de tendens van talrijke landen in alle continenten kon aanmoedigen om voordeel te slaan uit de herverdeling van de wereld om zich te ontworstelen aan de ijzeren greep waarin Uncle Sam hen tientallen jaren lang gehouden had. Om die verzwakking van hun positie tegen te gaan ontwikkelden de Verenigde Staten toen hun activiteiten rond Bosnië, nadat ze in de loop van 1992 tweemaal hun militaire macht vertoond hadden :

  • tijdens de massale en spectaculaire ‘humanitaire’ actie in Somalië die enkel een voorwendsel was voor en een instrument in de botsing tussen de twee voornaamste mogendheden die in Afrika tegenover elkaar staan, de Verenigde Staten en Frankrijk;
  • tijdens de sluiting van het zuidelijk Iraakse luchtruim, onder voorwendsel van de bescherming van de sjiitische bevolking die door het regime van Bagdad werd vervolgd, en die vooral een boodschap was gericht aan Iran dat zijn militaire macht opdreef en tegelijkertijd zijn banden aanhaalde met bepaalde Europese landen, met name met Frankrijk.

Met betrekking tot de oorlog van 1991 hebben de Verenigde Staten slechts met veel moeite een akkoord tot stand weten te brengen (de derde partij van de coalitie, Frankrijk, beperkte er zich toe verkenningsvliegtuigen te sturen).

Het vervolg van de oorlog in Joegoslavië werd tot de zomer van 1995 geïllustreerd door het voortdurende onvermogen van de Verenigde Staten op dit belangrijke terrein van imperialistische confrontaties. Toch komt Washington vanaf de zomer van 1995 weer krachtig opzetten in dit gebied, onder de vlag van de IFOR die de Unprofor moest opvolgen, die gedurende meerdere jaren het instrument was van de overwegende aanwezigheid van de Frans-Britse tandem. De zege die finaal door de Verenigde Staten met de akkoorden van Dayton in 1996 behaald werd betekende geen definitieve overwinning in dit deel van de wereld, noch het stopzetten van de algemene tendens tot verlies van leiderschap als eerste wereldmacht. Inderdaad, die tendens manifesteerde zich al snel bij twee gelegenheden:

  • in september 1996 met de haast unaniem vijandige reacties van landen die de Verenigde Staten in 1990-1991 steunden op de bombardementen op Irak met 44 kruisraketten;
  • met het rampzalig uitstel in februari 1998 van de operatie Desert Storm die tot doel had Irak opnieuw te straffen, en in een klap ook de landen die het steunden, met name Frankrijk en Rusland. Saddam Hussein had zijn les geleerd uit de zware nederlaag in 1991 en kreeg goede raad van die twee landen; hij stemde al snel formeel in met de eisen van de Verenigde Naties (wat betreft de inspectie van “presidentiële paleizen”) om het Amerikaanse plan te laten mislukken.

De Verenigde Staten kregen het initiatief in 1999 weer in handen in ex-Joegoslavië door hun bondgenoten geen andere keus te laten dan die van een oorlog tegen het nieuwe uitverkoren doelwit, Milosevic. De oorlog was uitgebroken in Kosovo, bij deze gelegenheid in het kader van de NAVO gevoerd, vormt de belangrijkste gebeurtenis op het imperialistisch wereldtoneel sinds de ineenstorting van het Oostblok eind jaren 1980. Hij speelt zich niet af in een land van de periferie, zoals het geval was met de Golfoorlog van 1991, maar in een Europees land, met NAVO-bombardementen op Servië, Kosovo en Montenegro. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog wordt een Europees land, en met name zijn hoofdstad, massaal gebombardeerd. Het was ook voor het eerst sinds die tijd dat de voornaamste verliezer van die oorlog, Duitsland, rechtstreeks met de wapens tussenkwam in een militair conflict.

Voor de andere mogendheden die in de oorlog betrokken raakten, met name Groot-Brittannië en Frankrijk, bestond er een tegenstelling tussen hun traditionele bondgenootschap met Servië, die nog duidelijk gebleken was in de periode van de voormalige Unprofor die geleidwerd door deze mogendheden, en deze operatie in het kader van de NAVO. Toch zou niet deelnemen aan de operatie Determined Force betekenen dat ze uitgesloten werden uit het spel in een zo belangrijke regio als de Balkan. De rol die ze zouden kunnen spelen in de diplomatieke oplossing van de Joegoslavische crisis werd bepaald door het belang van hun deelname aan de militaire operaties.

Het keerpunt van 11 september en de ‘oorlog tegen het terrorisme’

In april 2002 schreven we: “de ‘oorlog tegen het terrorisme’ betekent veel meer dan een eenvoudige herhaling van de voorafgaande tussenkomsten van de Verenigde Staten in de Golf en de Balkan. Hij vertegenwoordigt een kwalitatieve versnelling in de ontbinding en de barbarij:

  • hij wordt niet meer voorgesteld als een campagne van korte duur met precieze doelwitten in een bepaalde regio, maar als een onbeperkte campagne, als een haast permanent conflict dat de hele wereld als operatiezone heeft.
  • hij heeft veel globalere en veel bredere strategische doelen, die een doorslaggevende aanwezigheid omvatten van de Verenigde Staten in Centraal Azië, die tot doel hebben hun controle te verzekeren, niet alleen over deze regio, maar ook over het Midden-Oosten en het Indisch subcontinent, om zo elke Europese (vooral Duitse) uitbreiding in dit gebied te blokkeren. Het komt inderdaad neer op de omsingeling van Europa. Dat verklaart waarom, anders dan in 1991, de Verenigde Staten vandaag de omverwerping van Saddam aankunnen omdat ze hem niet langer nodig hebben als plaatselijke gendarme gezien hun bedoeling hun aanwezigheid rechtsreeks op te dringen. In dat kader moeten we de Amerikaanse ambities plaatsen om de olie en andere energiebronnen in het Midden-Oosten en Centraal Azië te controleren.” (Resolutie over de Internationale situatie aanvaard op de bijzondere conferentie van de IKS).

Een dergelijke stap vooruit van de Verenigde Staten zou niet mogelijk geweest zijn zonder de aanslagen van 11 september 2001 die de Amerikaanse geheime diensten klaarblijkelijk niet hebben proberen te verijdelen terwijl ze op de hoogte waren van de voorbereiding ervan. De slachtoffers van de Twin Towers waren inderdaad tegenover de wereld de ideologische rechtvaardiging die nodig was om de ontplooiing van de Amerikaanse militaire aanwezigheid op de planeet te rechtvaardigen. Op binnenlands vlak waren zij ook een middel dat het Vietnamsyndroom moest elimineren, dat wil zeggen het verzet onder de Amerikaanse arbeidersklasse om zich regelrecht op te offeren voor imperialistische avonturen van de Verenigde Staten.

“Heel deze situatie bevat de mogelijkheid van een ontwikkelingsspiraal die aan elke controle ontsnapt en die de Verenigde Staten dwingt steeds meer tussen te komen om hun gezag op te leggen, maar waarbij telkens meer krachten paraat staan om te vechten voor hun eigen belangen en daarbij dat gezag te ondermijnen. Dat geldt zeker ook in het geval van de voornaamste rivalen van de Verenigde Staten.” (ibid.). En inderdaad, de ongekende escalatie door de Verenigde Staten om hun leiderschap te behouden gaat vergezeld van een al even ongezien verzet daartegen door dezelfde imperialistische rivalen.

De spanningen hebben een dergelijk niveau bereikt dat ze niet meer verborgen kunnen blijven. Er zijn geen grenzen aan de chaos die deze dynamiek kan veroorzaken. De planeet kan daardoor onherstelbare schade oplopen die het uiteindelijk onmogelijk maakt dat het kapitalisme overstegen wordt door een kommunistische maatschappij. Een dergelijk vooruitzicht omvat echter niet de mogelijkheid van een rechtstreekse militaire confrontatie tussen sommige van die mogendheden aan de ene kant en de Verenigde Staten aan de andere. “Gefrustreerd door hun militaire inferioriteit en door sociale en politieke factoren die een rechtstreekse confrontatie met de Verenigde Staten onmogelijk maken, zullen de andere grote mogendheden hun pogingen tot verzet tegen het gezag van de Verenigde Staten verdubbelen met de middelen die zij ter beschikking hebben: oorlogen via andere landen, diplomatieke intriges, enz.” (ibid.).

De sociale factor die al die mogendheden, de Verenigde Staten daarbij inbegrepen, gemeen hebben is het feit dat in elk van die landen een proletariaat bestaat dat niet klaar staat, op het niveau van zijn uitbuiting of wat betreft het offeren van zijn leven, om de gevolgen van een totale oorlog te dragen. In die zin vormt het proletariaat, ook in de zeer moeilijke situatie die het kent sinds het begin van de jaren 1990, een rem op de oorlog. Alleen het proletariaat vormt de enige hoop voor de mensheid, omdat het als enige in staat is om zich door zijn strijd in deze maatschappij in ontbinding te doen gelden als de kracht die draagster is van een alternatief voor de kapitalistische barbarij.

Luc / 22.03.2003

Nog een internationalistische stellingname tegenover de oorlog

Tijdens onze tussenkomst in één van de ‘pacifistische’ manifestaties op 15 februari ontvingen we een pamflet met de standpuntbepaling van De kommunist van heden ten opzichte van de oorlogsdreiging in Irak en het Midden-Oosten. We begroeten deze standpuntbepaling warm als steun aan het internationalistische kamp. Meer dan de meningsverschillen die kunnen bestaan hechten we aan de gemeen­schappelijke stellingname ­ten opzichte van het oorlogsgevaar vanuit het standpunt van de arbeidersklasse.

Wanneer wij enkele vraagstukken aanstippen die naar onze mening verdieping behoeven dan verandert dat niets aan het grote belang dat we aan deze internationalistische stellingname toekennen, en het is uit onze solidariteit als proletarisch internationalisten dat we proberen om de discussie vooruit te brengen.

Irak een voorwendsel om de imperialistische oorlog te ontketenen!

Oorlog om hegemonie binnen het wereldkapitaal en nieuwe blokvorming

Het is nu een onweerlegbaar feit dat het Westerse blok dat na het uitéénvallen van de Sovjet-Unie en het Oostblok al verscheurd was, zich op het moment definitief aan het opblazen is. De tegenstellingen tussen de grote imperialistische landen van Europa en het Amerikaanse imperialisme inzake de kwestie Irak zijn zodanig verscherpt dat men zonder enig voorbehoud z’n vuile was buiten hangt. Terwijl de Verenigde Staten van Amerika en Groot-Brittannië hun troepen in de Golfregio geconcentreerd hebben, verzetten andere landen zich tegen een invasie in Irak en zeker tegen de manier waarop de eerder genoemde landen het land willen innemen. Men spreekt openlijk in de burgerlijke kranten en op regeringsniveaus over bijvoorbeeld de Frans-Duitse As wat doet herinneren aan de Eerste en Tweede Wereldoorlog, toen men over de geallieerden en Duitsland en z’n bondgenoten sprak. Op het ogenblik rekent België zich ook tot het Duits-Franse bondgenootschap binnen de Transatlantische Verdrag (NAVO) dat van de kant van Rusland eveneens ondersteuning krijgt. Door de geschillen en ruzies dreigt zelfs de Europese Unie uit elkaar te vallen. De bourgeoisie in Europa en tevens in ieder land afzonderlijk is verdeeld over de te volgen politiek van de Ver­enigde Staten. Landen zoals Zweden, Finland en Oostenrijk volgen min of meer de lijn van Duitsland dat onder geen beding een militaire interventie van de Verenigde Staten wil toestaan. Zelfs het merendeel van de acht (Oost- en West-) Europese landen die een tijd geleden hun ondersteuning betuigden aan Washington hebben voet bij stuk gehouden en nemen nu een afwachtende houding aan.Zelfs in de hogere kringen van de bourgeoisie in Nederland heeft men op z’n minst sterke twijfels over de politiek van de Verenigde Staten of heeft begrip voor de Duits-Franse houding. Zo maakt een ongekend anti Amerikanisme zich meester van Europa en andere delen van de wereld waaronder Japan, een van de drie belangrijke kapitalistische centra in de wereld dat ook te kennen gegeven heeft de kwestie Noord-Korea ‘vreedzaam’ te willen oplossen. Aan de andere kant zijn de Ame­rikaanse regering en haar trawanten aan de andere kant van de Oceaan bezig allen die zich tegen de Irak-politiek van het land verzet als afvalligen te beschouwen. In het Amerikaanse Congres spreken de Republikeinse afgevaardigde zich uit over een bestraffing van Duitsland en Frankrijk door de Amerikaanse troepen uit Duitsland terug te trekken of een importbeperking op te leggen aan Frankrijk vanwege hun rebellie en ‘ondankbaarheid’ jegens de Verenigde Staten. Desondanks doen de bourgeoisieën in zowel Amerika als in Europa als in Japan en China alsof het daadwerkelijk om Irak gaat. Maar zelfs uit hun propaganda en oorlogsretoriek is op te merken dat het niet alleen om Irak - om over Saddam helemaal te zwijgen - gaat. Uiteraard speelt Irak een rol van niet geringe betekenis in deze oorlogsretoriek. Irak is allang niet meer van plan om het vuile werk van het Amerikaanse imperialisme te verrichten. Aan de andere kanten zijn andere kapitalistische landen, vooral Frankrijk en Duitsland, doorgegaan met het bewapenen van Irak en onderhouden banden met het regime aldaar. Het Midden-Oosten - waaronder Irak - is een plaats voor de kapitalistische landen om hun tegenstellingen en ruzies uit te vechten. Maar nu hebben deze tegenstellingen dras­tische vormen aangenomen. De Verenigde Staten willen koste wat kost hun hegemonie binnen het wereldkapitaal handhaven wat door andere kapitalistische machten ter discussie is gesteld. Bovendien willen de Verenigde Staten beslag leggen op de oliebronnen van Irak, niet omdat ze zo afhankelijk zijn van de olie uit Irak of het Midden-Oosten, maar omdat ze de olievoorraad van andere kapitalistische machten die veel meer afhankelijk zijn van de olie uit het Midden-Oosten in handen willen krijgen (De Verenigde Staten zijn slechts voor 15% afhankelijk van de import van olie). Bovendien beschikt het land over de omvangrijkste nucleaire energievoorziening op wereldschaal en is het van plan veel meer dan voorheen gebruik te maken van nucleaire in plaats van de fossiele energie). Dus dit kan nooit een oorlog zijn om alleen olie. Maar de bewegingen en activiteiten van het Amerikaanse imperialisme in onder andere Venezuela dat eveneens één van de grote exporteurs van olie is, laten zien dat het land een breed plan heeft om beslag te leggen op de olievoorraden van de wereld ten einde z’n hegemonie op de leggen aan andere kapitalistische machten en centra waarvan één deel zich openlijk rondom Duitsland verzamelt op weg naar een blokvorming die de Verenigde het hoofd moet bieden. De Verenigde Staten moeten op hun beurt één van de strategisch belangrijke plaatsen in de wereld, namelijk het Midden-Oosten, totaal onder hun militaire en politieke hegemonie te krijgen ten einde Europa en zeker Duitsland, Frankrijk en andere kapitalistische machten in een defensieve positie te drijven. Het innemen van Irak is zonder meer een brug slaan om deze plannen te realiseren. De bereidheid van Duitsland en Frankrijk om het regime van Saddam Hoessein op te geven zou niets anders betekenen dan het snijden in eigen vlees en het toegeven aan de plannen van de Verenigde Staten. Het is nu duidelijk dat vele andere kapitalistische landen nu meer dan ooit inzien wat dit daadwerkelijk betekent. Vandaar de enorme toename van het anti-Amerikanisme. Als de Verenigde Staten erin slagen Irak in te nemen dan is de weg vrij om ook in Iran na 25 jaar een pro-Amerikaanse regime te installeren en zodoende heel het Midden Oosten naar hun hand te zetten, en dat houdt in dat Amerika in Irak, Turkije, Iran, Afghanistan, Saoedi-Arabië, Koeweit en de Golfstaten militair aanwezig zal zijn, om niet te spreken over Israël als belangrijke bondgenoot of satelliet van Amerika waar de laatste sowieso militair aanwezig kan zijn. Pas daarna is de weg voor de Verenigde Staten vrij om verder op te rukken naar het Noorden en Oosten om rondom Rusland en China een militair arsenaal op te bouwen ten einde Europa en Japan helemaal te omsingelen. Toen G.W. Bush één jaar geleden drie landen te weten Irak, Iran en Noord-Korea in één adem als de as van het kwaad noemde bedoelde hij niet alleen deze landen op zich maar ook de imperialistische machten en centra die deze drie landen bewapenden, dan wel er sterke banden mee onderhielden, te weten Duitsland, Frankrijk, Rusland en China.

Uiteraard zitten de concurrenten van het Amerikaanse imperialisme niet te wachten totdat deze z’n plannen één voor één realiseert. Daarom is de oorlog in Irak het begin van een totale confrontatie tussen de kapitalistische machten. Een toegeven van Duits­land en Frankrijk aan de Verenigde Staten zou op dit moment een strategische nederlaag betekenen voor beide landen plus de landen die op dezelfde lijn zitten. Al met al is de NAVO gespleten en hetzelfde lot dreigt voor de Europese Unie.

Maar deze oorlog zal met of zonder de toestemming van de Verenigde Naties geen gemakkelijke opgave zijn voor de Verenigde Staten. De vijandigheid tussen de kapitalistische machten zal een explosief punt bereiken tot de oorlogsverklaring aan toe. Aan de andere kant zullen de terroristische activiteiten toenemen. Volgens de voorspellingen van de Verenigde Naties zelf zullen in de begindagen van de oorlog rond 500.000 mensen de dood vinden door de vreselijke bombardementen of het inzetten van de massavernietigingswapens dan wel door de ontberingen van de oorlog zoals honger en het op de vlucht slaan van miljoenen mensen die nergens onderdak zullen vinden. In deze oorlog zijn alle betrokkenen partijen kapitalistische barbaren. Degenen die alleen de Verenigde Staten als de agressor veroordelen strooien zand in de ogen van de arbeiders overal ter wereld waaronder de Iraakse arbeiders. Iemand die in deze oorlog partij kiest behoort ongetwijfeld tot het kapitalistische kamp. Deze oorlog kan nooit gestopt worden door het immoreel verklaren ervan en het verheerlijken van pacifisme, of door zich te scharen achter ‘minder gevaarlijke imperialisten’ of organisaties zoals de Verenigde Naties die geheel en al instrumenten zijn in de handen van de kapitalistische machten. Deze oorlog kan alleen door een sterke kommunistische beweging gestopt worden. Wij schuiven het kommunistisch alternatief niet naar voren omdat er nu een oorlog dreigt die heel de planeet in as kan leggen en kan leiden tot de vernietiging van de mensheid. Uiteraard is een kommunistisch antwoord op het moment acuter dan welk ander moment ook. Iets meer dan een decennium geleden bevonden de machthebbers van de landen die nu tegenover elkaar staan zich in een anti-kommunistische roes. De enige reden achter dit anti-kommunisme was inderdaad niets anders dan imperialistische tegenstellingen tussen het Westerse en get Oostblok en China. Maar desondanks is de anti-kommunistische campagne en propaganda van de bourgeoisie niet van de baan. Eén van de taken van het kommunistische milieu bestaat eruit deze anti-kommunistische propaganda van de bourgeoisie ongedaan te maken. In de komende tijd zullen de verkopers van de arbeidskracht - dat wil zeggen de moderne slaven - meer dan ooit gedwongen worden om zich te rich­ten op het kom­munisme, namelijk de vrijheid en de rechtvaardigheid, tegen het kapitalisme en de loonslavernij en daarmee alle soorten oorlog en barbarij zullen afschaffen.

Ze zullen ook zondermeer spontaan in actie komen tegen de klasse die bezig is de mensheid uit te roeien. Ze horen niet alleen stakingen te organiseren, de havens plat te leggen die oorlogsmateriaal naar de oorlogsgebieden verschepen, ze moeten ook hun arbeidersraden in het leven roepen die het kapitaal, ongeacht privé of staatseigendom, onteigenen en de productie en distributie in eigen handen nemen. Het organiseren van demonstraties en comité’s tegen de oorlog onder de werkelijke anti-oorlogleuzen is tevens een belangrijk middel tegen de plannen van de bourgeoisie die de arbeiders met ideologische propaganda naar het front stuurt en ‘thuis’ oorlog voert tegen de levensvoorwaarden van de arbeiders.

Verhef je stem tegen de vernietigende imperialistische oorlog!

Een werkelijke klassenoorlog tegen de oorlog!arbeidersraden, kommunisme, vrij­heid!

De kommunist van heden

Ons commentaar

Sinds 1990 hebben de wereldwijde confrontatie tussen twee imperialistische blokken en de dreiging van een Derde Wereldoorlog plaats gemaakt voor een veel chaotischer ontwikkeling van regionale oorlogen, waarbij de tendens tot imperialistische blokvorming wordt tegengegaan wordt door de tendens van het ‘ieder voor zich’. De as Frankrijk-Duitsland is dan ook vooral een anti-Amerikaanse gelegenheidscoalitie tussen twee bourgeoisieën die voor het overige historische erfvijanden vormen, en waarbij de verschillende protagonisten ieder geheel eigen imperialistische doelen nastreven. Maar wanneer een Derde Wereldoorlog als directe confrontatie tussen twee gevormde blokken dan ook niet in het verschiet ligt, dan betekent dat niet dat de situatie daardoor minder ernstig zou zijn. Een vermenigvuldiging van locale oorlogen kan dezelfde uitwerking hebben als een wereldoorlog.

Ook is het zeker dat het proletariaat de enige rem vormt op de gang naar oorlog. Het wereldproletariaat heeft kunnen voorkomen dat de Derde Wereldoorlog uitbrak ten tijde van het bestaan van twee imperialistische blokken. Wanneer het proletariaat zekere grenzen stelt die de bourgeoisie niet kan overschrijden zonder heftige reacties van de arbeidersklasse te riskeren, dan mogen we nog niet verwachten dat het proletariaat in de huidige situatie deze locale oorlog kan voorkomen. Omgekeerd draagt de oorlogsdreiging wel bij de tot onvrede en bewustwording binnen de arbeidersklasse, vooral wanneer de open recessie andermaal grote offers vraagt op het altaar van de verdediging van de nationale economie waar al de offers voor de oorlogsinspanningen nog eens bovenop komen.

De arbeidersklasse is de draagster van de toekomst van de mensheid door haar ervaring en het historisch alternatief dat ze te bieden heeft.

Openbare bijeenkomst van de IKS in Moskou: In de vervalperiode van het kapitalisme is nationale bevrijdingsstrijd reactionair

De IKS heeft een openbare bijeenkomst gehouden in Moskou om onze brochure over het verval van het kapitalisme te presenteren die onlangs in het Russisch is verschenen.

Deze bijeenkomst en ook de publicatie van de brochure, zijn de uitdrukking van het verschijnen van een revolutionair milieu in Rusland, waaraan de IKS al talrijke artikels gewijd heeft (zie bijvoorbeeld Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 111).

Het inzicht dat het kapitalisme bij het begin van de 20e eeuw aan zijn vervalperiode begonnen is, was altijd al een cruciale kwestie voor de marxistische revolutionairen. Dit inzicht was de hoeksteen van de Juniusbrochure van Rosa Luxemburg, waarin ze schreef: “[De] noodzaak [van het socialisme] is volop gerechtvaardigd vanaf het moment waarop de andere, de heerschappij van de burgerlijke klasse, ophoudt draagster te zijn van historische vooruitgang en zij een keurslijf en een gevaar wordt voor de verdere ontwikkeling van de maatschappij. Dat is precies wat de huidige oorlog duidelijk maakt over de kapitalistische orde.” (Rosa Luxemburg, De crisis van de sociaal-democratie, februari-april 1915)

Verder voegt ze eraan toe: “Die triomfmars gedurende dewelke het kapitalisme zich met alle middelen een brutale weg baant, met geweld, met plundering en wandaden, heeft ook een lumineuze kant: ze schept de voorwaarden die nodig zijn voor zijn eigen definitieve verdwijnen; ze heeft de wereldwijde heerschappij van het kapitalisme ingesteld die alleen opgevolgd kan worden door de wereldrevolutie van het socialisme.” (ibid.)

Op basis van die methode maakt Rosa Luxemburg een historische analyse van de nationale kwestie: “De imperialistische politiek is niet het werk van één land of één groep landen. Hij is het product van de wereldwijde evolutie van het kapitalisme op een gegeven moment in zijn rijping. Het verschijnsel is internationaal van aard, een onscheidbaar geheel. Alleen vanuit dat oogpunt kan men in de huidige oorlog op juiste wijze de kwestie van de ‘nationale verdediging’ evalueren.” (ibid.)

Diezelfde methode werd door andere marxistische revolutionairen gebruikt op het ogenblik van het uitbreken van de eerste imperialistische oorlog. De IIIe Internationale paste haar in 1919 ook toe om het begrip te ontwikkelen van het ‘tijdperk van oorlogen en revoluties’.

Dezelfde methode wordt ook door de IKS gebruikt in haar brochure over het verval van het kapitalisme.

Het doel van de voorstelling door de IKS op de publieke bijeenkomst in Moskou was te tonen dat het begrip verval gisteren en vandaag de hoeksteen is van de kommunistische standpunten. Enkel vanuit dit gezichtspunt is het mogelijk de verandering van historische omstandigheden te begrijpen die onvermijdelijk de standpunten van de kommunisten beïnvloedt over de nationale kwestie, over de vakbondskwestie, over die van het parlementarisme, over de algemene voorwaarden van de strijd van de arbeiders, over de rol van de revolutionaire minderheden enz.

Maar hoewel het inzicht in het verval de hoeksteen is van de kommunistische standpunten vandaag, werd het niet altijd gedeeld door alle groepen en elementen van het proletarisch politiek milieu (de bordigistische en de radenistische groepen hebben altijd de neiging gehad het begrip verval te verwerpen).

We maken ook vandaag een tendens mee binnen het proletarisch politiek milieu om het begrip verval te verlaten - de recente verklaringen van het IBRP over dat onderwerp zijn zeer betekenisvol. Niet te verwonderen dus dat diezelfde vragen ook opduiken in het Russisch milieu. Wij hebben er al over gesproken in Revue Internationale, Engels-, Frans en Spaanstalige uitgaven, nr. 111, in antwoord op de Marxist Labour Party (MLP) en de Internationale Kommunistische Unie.

Hoewel die twijfels over het verval niet duidelijk tot uiting kwamen in de loop van de bijeenkomst, drukte een aantal vragen die gesteld werden en standpunten die ingenomen werden, in het bijzonder over de nationale kwestie en de kwestie van de oorlog, een gebrek uit inzake het begrip verval, en als dat begrip al begrepen leek te worden, dan werd het niet gesitueerd aan het begin van de 20e eeuw, zoals Rosa Luxemburg deed (alsook de IKS), maar eerder op het einde van die eeuw, met de ‘globalisering’ en het verschijnen van de computers.

Na de inleiding vanwege de IKS werd een vraag gesteld over het verschil tussen het standpunt van Lenin, het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme, en het begrip verval. Ons antwoord was dat er in die rijd verschillen bestonden tussen Rosa Luxemburg, Lenin en Boekarin, maar dat ze allen van een proletarisch standpunt vertrokken. Rosa Luxemburg was het duidelijkst en toonde het onderliggend verband tussen de tendens tot overproductie en het imperialistische zoeken naar nieuwe markten en investeringsgebieden.

Boekarin was in staat, in zijn werk Imperialisme en wereldeconomie, de ontwikkeling te tonen van het staatskapitalisme en de gevolgen daarvan. Rosa Luxemburg en Boekarin pasten dezelfde basismethode toe: het kapitalisme als een geheel beschouwen en er de meest globale implicaties uit afleiden voor de proletarische beweging: “Net zoals het onmogelijk is het moderne kapitalisme en zijn imperialistische politiek te begrijpen zonder de tendensen van het kapitalistisch wereldsysteem te ontleden, zo is het onmogelijk de fundamentele evolutie van de proletarische beweging te begrijpen zonder het wereldkapitalisme te analyseren.” (N. Boekarin, Imperialisme en wereldeconomie, Merlin Press 1976, p. 161)

Een aantal deelnemers aan de bijeenkomst verklaarde nog altijd akkoord te zijn met de stellingen van Lenin over het ‘recht op nationale zelfbeschikking’ (anders gezegd het zelfbeschikkingsrecht der volkeren). De IKS toonde aan de hand van de voorbeelden van China, Turkije en Finland hoe het foute karakter van de standpunten van Lenin over de nationale kwestie geleid heeft tot moordpartijen op het proletariaat, hoewel het Stalin was die om heel andere redenen die politiek in China doorvoerde.

Het voorbeeld van Finland, één van de zeldzame landen die door de Oktoberrevolutie ‘bevrijd’ werden, is interessant. Finland de nationale onafhankelijkheid toestaan heeft als enig resultaat gehad dat de democratische illusies in de Finse arbeidersbeweging vergroot werden, en dat dus de voorbereiding van het Finse proletariaat op de onvermijdelijke revolutionaire confrontatie met zijn bourgeoisie uitgesteld werd. We moeten ook opmerken dat de Finse bourgeoisie, zodra ze van het tsaristisch juk bevrijd was, zich in de armen geworpen heeft van het Duitse imperialisme om de revolutie te kunnen verpletteren die in Finland op til was. De repressie was uiterst brutaal en het congres van de Kommunistische Internationale dat erop volgde keurde een resolutie goed die de witte terreur van de bourgeoisie veroordeelde.

Een andere belangrijke kwestie werd ook behandeld: Het standpunt van de Kommunistische Linkerzijde over de democratie.

De IKS ontwikkelde de standpunten van de Kommunistische Linkerzijde over eenheidsfronten, over de imperialistische aard van de Tweede Wereldoorlog, over de valstrik die de democratie betekende in Spanje 1936, en in het algemeen over het valse alternatief fascisme/antifascisme. Het spreekt vanzelf dat er grote verwarring bestaat over die kwesties in het Russisch milieu, in het bijzonder over de aard van de Tweede Wereldoorlog, waar de stalinistische mythe van de ‘grote vaderlandslievende oorlog’ nog altijd invloed uitoefent. Enkele kameraden verdedigden het idee van een oorlog ‘tegen de barbarij’ of ‘om de beschaving te verdedigen’. Tegenover die illusies hebben de kameraden van de Groep van proletarisch-collectivistische revolutionairen (GPCR) en de Revolutionaire anarcho-syndicalistische groep (RAS) uit Moskou net als de IKS een strenge kritiek uitgebracht op die subtiele verdediging van de Tweede Wereldoorlog en hebben ze duidelijk gesteld dat dit een imperialistische oorlog was.

Het debat werd bijzonder levendig toen de kwestie aangeroerd werd van de oorlog in Tsjetsjenië. Deelnemers aan de bijeenkomst bleken deel te nemen aan bewegingen van humanitaire hulp aan de Tsjetsjeense bevolking. Eén van de argumenten was dat dit een middel was om toenadering te zoeken tot de Tsjetsjeense arbeiders, om bij hen ‘gehoor’ te vinden. Een idee die vaak terugkeerde was “wat kunnen we vandaag concreet doen?” Daarop hebben de kameraden van de GPCR en de RAS, en de IKS, herhaaldelijk geantwoord. Ze spraken zich niet uit tegen de uiting van menselijke solidariteit als dusdanig, maar benadrukten de illusie die erin bestaat te geloven dat het een middel kan zijn in de revolutionaire strijd. Om te beginnen schept het kapitalisme voortdurend meer ellende en barbaarsheid en alle humanitaire hulp van de wereld kan daaraan niet verhelpen. Verder bestaat de enige doeltreffende hulp aan de Tsjetsjeense arbeiders en het geheel van de bevolking uit de ontwikkeling van de strijd van de Russische arbeiders tegen hun eigen bourgeoisie, met het uiteindelijke doel de macht te grijpen in Rusland en in de gehele wereld om zo een einde te maken aan de imperialistische slachtingen. Zoals Lenin zei is het nodig “de imperialistische oorlog om te vormen tot een burgeroorlog”.

Het gaat om een illusie die wijdverbreid is onder talloze elementen van dit milieu, die een internationalistisch standpunt willen innemen tegenover de oorlog, maar dat afzwakken door de humanitaire hulp als een strijdmiddel te gebruiken, en daarmee dat standpunt over de imperialistische aard van de oorlog in Tsjetsjenië afzwakken. Het is een uitdrukking van opportunisme, een tendens om te capituleren voor de onmiddellijke feiten, om op zoek te gaan naar valse overwinningen en onmiddellijke oplossingen voor problemen die alleen op historisch wereldvlak kunnen opgelost worden.

De bijeenkomst in Moskou duurde lang en was bijzonder geanimeerd, en toonde zo de belangstelling en de militante houding en de inzet bij de elementen die opduiken in Rusland, en die de standpunten van de Kommunistische Linkerzijde willen vatten.

Maar het is ook een zeer heterogeen en versnipperd milieu, dat aan enorme moeilijkheden het hoofd moet bieden, zowel materieel als ideologisch, en dat geconfronteerd wordt met het gewicht van de stalinistische contrarevolutie en dat van de huidige periode van ontbinding. Het is belangrijk dat een netwerk gevormd wordt om systematisch de standpunten van de Kommunistische Linkerzijde te verspreiden binnen dat milieu en om het te verdedigen, teneinde zijn versnippering en zijn zwakheden te overwinnen.

De taken waar dit milieu nu voor staat zijn van aanzienlijk belang. Het verschijnen van dit milieu is een bevestiging van de internationale tendens naar de ontwikkeling van nieuwe revolutionaire krachten, maar is van bijzonder belang omdat het gebeurt in een land dat de wieg was van de eerste internationale revolutionaire golf.

Anders / 01.11.2002

Pamflet: Tegen de imperialistische oorlog! Tegende pacifistische illusies! Voor de klassenstrijd in alle landen!

Andermaal valt het Midden-Oosten ten prooi aan verschrikkingen. Net als zijn vader in 1991 belooft George Bush een ‘schone oorlog’. We weten wat dergelijke beloften waard zijn. Andermaal daalt er een bommenregen neer op Irak. En terwijl de ‘beschaafde’ machten dood en verderf zaaien onder een al uitgehongerde bevolking, wordt er een zondvloed van leugens uitgestort over de rest van de wereld om deze oorlog te rechtvaardigen, of om ieder werkelijk verzet daartegen van de wijs te brengen en te verdraaien.

De Verenigde Staten en Groot-Brittannië liegen!

Er wordt ons voorgehouden dat dit een oorlog is om massavernietigingswapens te ontmantelen. Maar het is een oorlog die gevoerd wordt door middel van massavernietigingswapens en één van de doelen ervan bestaat er juist uit te laten zien hoe massaal en vernietigend de wapens van de Verenigde Staten zijn, om zo een ieder die zich zou willen verzetten tegen hun wereldheerschappij de moed te laten verliezen. Bovendien zijn het de Verenigde Staten en Groot-Brittannië die Saddam in de jaren 1980 chemische wapens leverden; zij hielpen bij de inzet ervan in de oorlog Iran-Irak van 1980-1988, en zij lieten niets van zich horen toen Saddam in maart 1988 de Koerdische bevolking van Halabji vergastte.

Er wordt ons voorgehouden dat dit een oorlog is tegen het terrorisme. Maar alle staten - en niet slechts zwakke staten als Afghanistan of bijna-staten als de PLO - gebruiken het terrorisme als oorlogsinstrument. Groot-Brittannië maakt in Ulster al lang gebruik van zijn loyalistische bendes om het vuile werk te laten opknappen. Bin Laden, de vijand bij uitstek van de Verenigde Staten, werd opgeleid door de CIA om in Afghanistan oorlog te voeren tegen Rusland. Spanje, de huidige bondgenoot van de twee anderen, gebruikte de doodseskaders van de GAL om terroristen van de ETA zonder vorm van proces te elimineren. Erger nog, deze staten die heel de wereld de les willen lezen over het terroristische gevaar aarzelden niet om terroristische aanslagen tegen hun eigen bevolking uit te buiten om te mobiliseren ter ondersteuning van de oorlog. De bewijzen stapelen zich op dat de Amerikaanse staat, hoewel die lang van tevoren op de hoogte was van de plannen van Al Qaida om aanslagen te plegen op Amerikaanse bodem, niets deed om die te voorkomen.

Frankrijk, Duitsland en Rusland zijn ook oorlogsstokers!

Deze leugens worden iedere dag duidelijker. Maar de landen en de politici die verklaren ‘tegen de oorlog’ te zijn verspreiden nog veel gevaarlijker leugens.

Er wordt ons voorgehouden dat deze oorlog niet gerechtvaardigd is omdat hij niet is goedgekeurd door de Verenigde Naties. Maar in 1991 was de oorlog, die een bloedbad aanrichtte van honderdduizenden Irakiërs en die Saddam de vrije hand liet om ieder te vermoorden die tegen hem in opstand kwam, een ‘wettige’ oorlog met goedkeuring van de Verenigde Naties. De Verenigde Naties verdedigt helemaal geen soort van internationale justitie; het is een rovershol waar smerige intriges worden uitgebroed en waar de rivaliteiten tussen de grootmachten worden uitgespeeld.

Chirac, Schröder en Poetin hebben nu de gore moed om zichzelf aan te prijzen als ‘vredesstichters’. Maar de pacifistische taal van de anti-Amerikaanse ‘alliantie’ bestaat uit pure oplichterij: juist op dit moment voert Frankrijk - dat al de hoofdverantwoordelijke was voor de bewapening van de doodseskaders in Rwanda - een militaire interventie uit in Ivoorkust om zijn eigen imperialistische belangen te verdedigen. Duitsland veroorzaakte op zijn beurt een tienjarige oorlog in de Balkan door zijn steun aan de afscheiding van Kroatië en Slovenië van het voormalig Joegoslavië, om zijn invloed uit te breiden in het Middellandse Zee-gebied en in het Midden-Oosten. Wat Rusland betreft, zijn troepen blijven Tsjetsjenië verwoesten en de bevolking uitmoorden.

Kapitalisme is imperialisme!

De landen die probeerden de oorlogsplannen van de Verenigde Staten te dwarsbomen deden dat om hun eigen nationale en imperialistische redenen. Zij weten dat het ware doel van ‘de oorlog tegen het terrorisme’ niet door Saddam of Bin Laden wordt gevormd, maar door henzelf.

De Verenigde Staten maken geen geheim van hun imperialistische strategie als geheel. Sinds de ineenstorting van het Russische blok, aan het einde van de jaren 1980, waren ze vastbesloten om hun verpletterende militaire overwicht in te zetten om de opkomst van iedere andere supermacht of coalitie die de concurrentie kon aangaan te voorkomen. Dat was het werkelijke doel van al de grote militaire acties die de Verenigde Staten sinds 1991 uitvoerden - de Golfoorlog in 1991, die van Kosovo in 1999, van Afghanistan in 2001. Tevergeefs. Elk van die acties dreef de andere machten, groot en klein, er steeds meer toe hun autoriteit aan te vechten. Daardoor voeren de Verenigde Staten hun strategie op nog groter schaal uit. Momenteel willen ze directe controle verwerven over Centraal-Azië en het Midden-Oosten, en hun actieterrein uitbreiden tot in het Verre Oosten. Geconfronteerd met het gebrek aan discipline van hun belangrijkste rivalen - met name Frankrijk en Duitsland - zijn zij uit op niet minder dan de omsingeling van Europa, en hun controle over de olie van het Midden-Oosten te gebruiken als wapen tegen de Europese machten en tegen Japan. Duitsland en de anderen zijn in het defensief maar daarom niet minder actief in dit grote imperialistische spel.

De kapitalistische staten gedragen zich niet zodanig omdat ze slechte of domme leiders zouden hebben, maar omdat sinds 1914 en de Eerste Wereldoorlog de wereldwijde uitbreiding van het kapitalisme globalisering van de oorlog betekent. Toen ze de heerschappij over de planeet verdeeld hadden konden de verschillende nationale machten zich niet meer vreedzaam uitbreiden zonder de hand te leggen op de markten en grondstoffen van hun rivalen. Tegenwoordig zijn alle staten imperialistisch en al de oorlogen van de twintigste en éénentwintigste eeuw imperialistische oorlogen - met inbegrip van de zogenaamde anti-fascistische oorlog van 1939-1945; met inbegrip van de zogenaamde ‘nationale bevrijdingsoorlogen’; en met inbegrip van de ‘heilige oorlog’ zoals gepreekt door Bin Laden & Co.

Het kapitalisme kan niet meer leven zonder oorlog. Dat bewijst dat het sinds lang een belemmering is voor de menselijke vooruitgang. Dat het bestaan ervan zelfs de overleving van de mensheid bedreigt.

Tegen alle pacifistische illusies!

In februari kwamen miljoenen mensen op straat om deel te nemen aan manifestaties die werden uitgeroepen tot middel om ‘de oorlog te stoppen’. Maar de oorlog brak toch uit. Niet de veto’s in de Verenigde Naties, noch een beroep op mooie idealen zoals democratie en vrede, voorkwamen dat de oorlog voortwalst.

Honderd jaar van imperialistische conflicten hebben laten zien dat het pacifisme nooit kan voorkomen dat het kapitalisme oorlog voert. Het is juist altijd gebruikt om het oorlogsterrein voor te bereiden door het verspreiden van gevaarlijke illusies:- illusies over de vreedzame bedoelingen van sommige kapitalistische landen, van sommige kapitalistische partijen of van de Verenigde Naties;- illusies dat men zich tegen de oorlog zou kunnen verzetten met vreedzame en wettige middelen;- illusies dat ‘democratie’ een tegengif zou vormen voor de oorlogsneigingen, dat de ‘volkswil’ leiders zou kunnen afhouden van oorlogvoeren;- illusies dat vrede in de wereld ooit mogelijk zou zijn zonder zich van het kapitalistische systeem te ontdoen.

Het enige wat deze illusies kunnen ontwapenen is ieder werkelijk verzet tegenover de onherroepelijke oorlogsneigingen van het kapitalisme. En daarom worden ze aangemoedigd door al politieke krachten van de heersende klasse en vooral door de zogenaamd ‘linkse’ partijen, van sociaal-democraten tot stalinisten en trotskisten.

Tegen de imperialistische oorlog - internationale klassenstrijd!

Alleen een beweging die geen enkel nationaal belang te verdedigen heeft - een internationale beweging van de arbeidersklasse - kan zich verzetten tegen de oorlog tussen kapitalistische naties.

In alle oorlogen betaalt de uitgebuite meerderheid de hoogste prijs, of het nu gaat om soldaten of burgers, aan het front of als producenten en consumenten aan wie gevraagd wordt harder te werken en minder te eten in het nationale belang.

Maar de arbeidersklasse is niet alleen passief slachtoffer van de oorlog. Het waren de massastakingen, de muiterijen van 1917-1918 en de revolutionaire strijd van de arbeiders die een einde maakten aan de Eerste Wereldoorlog; pas toen de revolutionaire golf uiteen was geslagen kon het kapitalisme zich storten op zijn tweede wereldslachting. En toen de arbeidersklasse weer op het toneel van de wereldgeschiedenis verscheen aan het einde van de jaren 1960 versperde haar verzet tegenover de crisis van het kapitalisme de weg naar een derde wereldoorlog. De belangrijkste reden van de vorm die de imperialistische conflicten nu aannemen - die van ‘politie’-acties tegen zondebokken als Saddam - ligt juist daarin, dat het kapitalisme nu niet in staat is de arbeidersklasse mee te slepen in een open conflict tussen de grote imperialistische machten.

De arbeidersklasse kan de confrontatie met het systeem dat ons uitbuit niet uit de weg gaan. De reden waarom het kapitalisme wegvlucht in de oorlog - zijn onvermogen om economische welvaart te brengen - leidt tot onophoudelijke aanvallen op het levenspeil van de arbeidersklasse door opgedreven uitbuiting, werkloosheid en afbouw van alle sociale bijstand. De gang naar de oorlog zal deze aanvallen nog verscherpen en zal steeds groter offers vragen van de uitgebuiten. Daardoor vormt de noodzakelijke en onvermijdelijke strijd tegen de gevolgen van de economische crisis tevens strijd tegen de oorlog.

De strijd van de arbeidersklasse kan momenteel slechts defensief zijn. Maar ze bevat de kiemen van een offensieve, revolutionaire strijd, van een klassenoorlog tegen het geheel van het kapitalistische systeem. Alleen deze strijd kan de kapitalistische oorlogsmachinerie vernietigen en de mensheid naar een wereldgemeenschap voeren die de imperialistische oorlogen en de nationale grenzen op de vuilnishoop van de geschiedenis gooit.

  • Tegen iedere solidariteit met onze uitbuiters, of die nu Amerikaans, Engels of Spaans zijn, Frans, Duits, Russisch Chinees of Belgisch, of Iraaks!
  • Voor de internationale solidariteit van de arbeidersklasse !

20 maart 2003, Internationale Kommunistische Stroming

Dit vlugschrift wordt verspreid in de volgende landen: de Verenigde Staten, Mexico, Venezuela Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Italië, Spanje, Nederland, België, Zweden, India, Australië, Rusland.

Wereldrevolutie, nr. 100, september-december 2003

De dilemma’s in het internationalisme van ‘De Fabel van de illegaal’

Tijdens de oorlog in Irak heeft De Fabel van de Illegaal, tegen heel het linkse milieu in, een internationalistisch standpunt gehandhaafd. In een eerder artikel stelden we vast dat de medewerkers van De Fabel zich verstrikten in de tegenspraken van de groep. “De naderende oorlog in Irak stelt echter de keuze: proletarisch internationalisme of inschakeling in het kamp van één van de strijdende partijen.” Omdat deze keuze uit de weg is gegaan kon De Fabel haar tere internationalisme alleen handhaven door de dilemma’s ervan nog uit te vergroten. In haar verwerping van de Golfoorlog en haar kritiek op de pacifistische campagnes lezen we:

“Door de huidige oorlog in Irak is de machtstegenstelling tussen de VS en de EU duidelijker aan het licht gekomen. Veel anti-oorlogsdemonstranten, maar ook heel veel andere Europeanen, menen helaas dat de VS machtsbeluster en militaristischer zijn dan het volgens hen veel vredelievender Europa. President Bush wordt door steeds meer mensen als het allergrootste kwaad gezien. Maar wat gebeurt er nu in Irak? De VS en Groot-Brittannië willen zich met geweld toegang verschaffen tot de Iraakse olie en in dat land hun mannetje neerzetten die er hun ‘orde’ gaat handhaven. ‘Vredelievende’ landen als Duitsland en Frankrijk hebben al toegang tot die olie en gebruiken zetbaas Saddam Hoessein om een groot deel van de plaatselijke bevolking er met geweld onder te houden. Die hoefden dus helemaal geen oorlog te voeren. Alle betrokken staten streven dus hun eigen machtsbelangen en economische doelen na ten koste van de Irakezen. En zowel de voorafgaande gewelddadige orde als de huidige oorlog zijn dus gruwelijk en misdadig. Wat dat betreft is eenzijdige kritiek op de VS dus anti-Amerikaans en kan de slogan ‘No blood for oil’ dus evenzeer tegen Europese regeringen gescandeerd worden. Kortom, Europees kapitaal en Europese staten handelen niet vanuit een hogere moraal dan de VS. Ook Europese staten sturen immers regelmatig troepen naar ‘Derde Wereld’-landen om er hun ‘orde’ te herstellen. Dat het daarbij meestal niet om zulke grootschalige conflicten gaat, komt uitsluitend doordat men daartoe in Europa de macht nog niet heeft. Maar daar wordt helaas hard aan gewerkt.” (1).

De pacifistische campagnes vormden een poging om onder allerlei voorwendsels te mobiliseren voor één van de kampen in de oorlog door een afzonderlijke schuldige aan te wijzen. Het pacifisme heeft nooit oorlogen tegengehouden, maar juist geholpen ze voor te bereiden door de bevolking voor valse keuzen te stellen (2), en dan vooral de arbeidersklasse die als enige sociale kracht in staat is om de oorlogsneigingen van het kapitalisme af te remmen. De Fabel keert zich weliswaar tegen belangrijke aspecten van de pacifistische campagnes, maar blijft daarin toch ronddraaien bij gebrek aan een proletarisch alternatief. Die dubbelzinnige houding ligt in het verlengde van haar politiek ten opzichte van de anti-globaliserings-beweging: een aanvankelijke breuk die vervolgens werd weggepoetst als louter “afstand nemen” (3).

De ware aard van het imperialisme

Anders dan De Fabel lijkt te denken, ging de oorlog niet over oliewinsten of louter over macht in het Midden-Oosten. Het is een veel breder strategisch imperialistisch vraagstuk: de Verenigde Staten proberen de Frans-Duitse As te ondergraven, en ze proberen om Duitsland, dat als enige uit zou kunnen groeien tot het nieuwe hoofd van een concurrerend imperialistisch blok, te omsingelen en te isoleren (4). Ze proberen hun wereldhegemonie te verzekeren door een gigantische militaire machtsontplooiing en zo een gruwelijk voorbeeld te stellen voor iedereen die het aandurft om die hegemonie in vraag te stellen. Vandaar bijvoorbeeld de pogingen om het “Nieuwe Europa” uit te spelen tegen het “Oude” en het belang dat de Verenigde Staten hebben bij een “vrede” in het Midden-Oosten onder eigen “bescherming” in maffia-stijl. Duitsland en Frankrijk proberen niet alleen de eigen imperialistische invloedssfeer in het Midden-Oosten te vergroten maar willen vooral ook het internationale gezag van de Verenigde Staten ondergraven (5).

De Fabel blijft steken in de simpele vaststelling dat de oorlog “gruwelijk en misdadig” is, dat wil zeggen moreel verwerpelijk in abstracto wegens achterliggende economische en regionale machtsbelangen, maar zonder de ware imperialistische doeleinden van alle partijen volledig te ontmaskeren en vooral zonder dat de volledige inzet ten opzichte van de verhouding van klassenkrachten wordt blootgelegd.

Het belangrijkste resultaat van de imperialistische spanningen bestaat echter uit groeiende chaos en instabiliteit, waarvan ditmaal de Iraakse bevolking het directe slachtoffer is, maar waardoor de hele mensheid in gevaar wordt gebracht. Wie ook het overwicht heeft, het resultaat bestaat uit een toename van slachtpartijen. Tegelijkertijd gaat het voor de Amerikaanse zowel als voor de Europese mogendheden om een volgende stap ter mobilisatie van de arbeidersklasse voor hun imperialistische oorlogsdoeleinden. Wanneer de Verenigde Staten zich leugenachtig b