IKSonline - 2006

Aantekeningen over de studentenstrijd in Frankrijk

De demonstraties die donderdag 16 maart over heel Frankrijk plaatsvonden brachten zo’n 500.000 mensen op straat terwijl de beweging nog in omvang toenam; de grote vraag van de week daarvoor – of the massa van de loonarbeiders zich bij de betogingen die voor zaterdag 18 maart waren voorzien zou aansluiten – werd concreet beantwoord: in Frankrijk als geheel kwamen er ongeveer een miljoen mensen op straat (1). Zelfs steden waarin al sinds mensenheugenis geen enkele demonstatie meer was gehouden werden erdoor aangestoken: 15.000 mensen in Pau; er was zelfs een demonstratie in Chalons sur Saône midden op het Franse platteland.
Voor de leden en sympathisanten van de IKS die in de afgelopen werken aan de beweging deelnamen, vooral sinds de demonstraties van 7 maart, waren het gedenkwaardige en opwindende dagen. We zullen hier geen uitgebreid verslag doen van de gebeurtenissen (we hebben daar de tijd niet voor!) maar leggen liever de nadruk op een paar aspecten die ons de belangrijkste van de beweging lijken.
Sommige mensen zouden zich kunnen afvragen waarom een kommunistische organisatie zichzelf met zoveel enthousiasme – zoals de IKS dat gedaan heeft – in een studentenbeweging stort. De studenten vormen tenslotte op zichzelf geen klasse, en maken als zodanig ook geen deel uit van de arbeidersklasse. Er zijn echter twee goede redenen:

  • Het is op de eerste plaats nodig het verschil te begrijpen dat er in Frankrijk bestaat tussen wat de Grandes écoles wordt genoemd en de universiteiten. De eersten zijn voornamelijk voorbehouden aan de heersende klasse (2), en hun afgestudeerden – de ingénieurs – vinden over het algemeen gemakkelijk goedbetaalde banen in de Franse ambtenarij en in de belangrijkste bedrijven; het hele systeem lijkt inderdaad in veel opzichten op dat van de ‘nomenklatoera’ waardoor de Stalinistische heersende klasse van de voormalig Sovjet-Unie haar eigen opvolging veilig stelde. De universiteiten daarentegen voorzien in geschoolde arbeiderskrachten voor de huidige hoogtechnologische industrieën en diensten. De minimumvereisten om deel uit te gaan maken van het leger van laag-betaalde technici die de fabrieken, laboratoria en kantoren bevolken bestaan momenteel uit het bac+3 (drie jaar universiteit na de middelbare school), of zelfs bac+5. Zo bestaat de overgrote meerderheid van de universiteitsstudenten uit zowel kinderen als toekomstige leden van het Franse proletariaat. Dat vormt een aanzienlijk verschil met de toestand in Mei 1968 toen maar 7% van de jeugd naar de universiteit ging (en ook met andere Europese landen waar veel lager percentages van de jeugd college lopen).
  • Op de tweede plaats is er de doelstelling van de studentenbeweging – de regering te dwingen om het Contrat de Première Embauche (CPE, Startbaancontract) in te trekken waarvan de belangrijkste bepaling (een tweejarige proefperiode waarin een werknemer ontslagen kan worden zonder voorafgaande verwittiging door de werkgever of enige opgaaf van redenen) – duidelijk een eis die de hele arbeidersklasse aangaat; de massa van de werkloze jeugd die in de goot terechtkomt daarbij inbegrepen en waarvan de woede en wanhoop in de afgelopen herfst in rellen uitbarstte. En de studenten zijn zich daarvan heel wel bewust en hebben consequent geweigerd in te gaan op pogingen om de strijd weg te leiden naar een terrein van ‘universiteitshervormingen’ (met name dat van het Europese standaard LMD-diploma (Licence Masters Doctorat), waarbij ze er de nadruk op legden dat hun zaak niet alleen de studenten aanging maar iets was dat alle loonafhankelijken betreft.

Eenheid van de generaties

Voor degenen onder ons van de ‘oude generatie’, die deelnamen aan de strijd zoals die door de gebeurtenissen van Mei 1968 in heel de geïndustrialiseerde wereld opvlamde, is één van de belangrijkste kenmerken van de huidige beweging het verdwijnen van de ‘generatiekloof’ waarover de media indertijd zoveel ophef maakten. De ouders van de nieuwe generatie van de arbeidersklasse die de beweging van de jaren 1960 en 1970 op gang brachten hadden de gruwelijke nederlaag meegemaakt van de contra-revolutie, het leed van de jaren 1930 en de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog (en al de illusies over de overwinning van de ‘democratie’ na de oorlog). De jeugd groeide op in een andere wereld en koesterde vaak een diep wantrouwen tegenover hun ouders (het sterkste voorbeeld daarvan werd ongetwijfeld gevormd door Duitsland, waar de leuze “vertrouw niemand van boven de dertig” de walging vertaalde van de jeugd voor wat ze zagen als de erfenis van het Nazisme in de generatie die de oorlog had meegemaakt). Daarvan vinden we nu niets meer terug. In tegendeel, de oudere leden van de IKS, die politiek actief werden in de beweging van 1968, werden diep getroffen bij het zien van jongeren die hun kinderen konden zijn (en die, in sommige gevallen, inderdaad hun kinderen waren) en die naar hen toekwamen om raad te vragen en die wilde leren uit de geschiedenis van hun strijd. Leden van over de vijftig en zestig jaar konden massabijeenkomsten van jongeren toespreken waarbij er niet alleen naar ze werd geluisterd maar er ook voor ze werd geapplaudisseerd (eigenlijk werd er iedere keer geapplaudiseerd als IKS-leden het woord kregen, soms zelfs met groot enthousiasme). In Toulouse, waar een van onze kameraden les aan de universiteit geeft en bekend staat als lid van onze organisatie werd er geapplaudisseerd door een massabijeenkomst van meer dan duizend studenten die hem vervolgens vroegen om een ‘alternatieve cursus’ over de geschiedenis van de revolutionaire beweging te geven. In Grenoble werd een andere kameraad bij een massabijeenkomst verwelkomd door verschillende jongeren die verklaarden “we rekenen op jou om tegen de vakbonden in te gaan” – hetgeen hij natuurlijk naar vermogen deed!
Het belang van deze eenheid van verschillende generaties, waar de ouderen datgene wat ze geleerd hebben kunnen toevoegen aan de dynamiek van de jongeren is tekenend voor de nieuwe geest die door de wereld van de arbeidersklasse waait. Momenteel staan er twee generaties van ongeslagen arbeiders tegenover het kapitaal: de oudere generatie is weliswaar toegetakeld door de strijd van de jaren 1980 en de gruwelijke teruggang van de jaren 1990 – maar heeft het hoofd niet gebogen en de jeugdherinneringen ervan bestaan niet uit die van de oorlog, maar die van strijd.

Een buitengewoon hoge organisatiegraad

De beweging is georganiseerd in massabijeenkomsten (assemblées générales of AG genaamd; algemene vergaderingen) die op iedere vergadering over de staking stemmen voor de periode tot aan de volgende vergadering. Het is duidelijk dat de graad en samenhang van de organisatie verschilt van de ene universiteit tot de andere. In veel gevallen wordt de algemene vergadering voorgezeten door een zelf-benoemd presidium dat is opgezet door een studentenvakbond (meestal de UNEF), die ertoe neigt het functioneren ervan te overheersen en de deelname van niet-vakbondsleden te ontmoedigen. Maar elders – vooral in Paris III Censier dat in de beweging duidelijk voorop loopt – is de graad van organisatie en rijpheid van de studenten wel heel opmerkelijk. Zie hoe iedere vergadering begint: met een voorstel voor een presidium van drie personen, waarvan elk van de kandidaten zijn of haar naam geeft, studiejaar en studierichting, en daaraan toevoegt of hij al dan niet deel uitmaakt van een vakbond of van een politieke organisatie (niet-vakbondsleden en niet-politieken geven doorgaans de toon aan); het presidium wordt dagelijks gewijzigd, en er wordt niets besloten voordat het is aanvaard door de AG; de dag begint dan met verslagen (te beginnen met verslagen van de verschillende comité’s – “Scholing en actie”, “Pers”, “Contacten naar buiten”, enzovoort – om dan over te gaan naar verslagen van de afgevaardigden die een mandaat hadden gekregen om de nationale of regionale Coördinaties bij te wonen (die zijn gevormd om de verschillende universiteiten te coördineren). En dat is niet de enige opmerkelijke karaktertrek van de AG: iedereen kan het woord voeren – zelfs die van buiten de universiteit; sprekers krijgen een maximum van drie minuten elk (het blijkt mogelijk om in drie minuten heel veel dingen te zeggen!); voorstellen worden gedaan en opgeschreven op het schoolbord achter het presidium zodat iedereen het kan zien. En aan het eind van de vergadering wordt er over alle voorstellen die aan de vergadering zijn voorgelegd gestemd; in sommige gevallen, als het er op lijkt dat een voorstel niet geheel is begrepen roept het presidium mensen op om ‘voor’ en ‘tegen’ een voorstel te pleiten.
De doelmatigheid van de vergadering hangt natuurlijk niet alleen af van het presidium, maar ook van de verbazingwekkende rijpheid van al de deelnemers: naar iedere spreker wordt geluisterd, de sprekers zelf nemen de tijdslimiet in acht. Ze hebben zelfs doventaal overgenomen om stilzwijgend goedkeuring te kennen te geven met een spreker, om te voorkomen dat het verloop van de vergadering verstoord wordt door gejuich of applaus. In Nantes slaagde het presidium er in een enthousiaste vergadering te kalmeren met de woorden: “We zijn niet op de televisie hoor!”
Het is niet overdreven om te stellen dat, op hun eigen wijze en in een beperkter beweging, de huidige Franse jeugd niet alleen de erfgenaam is van Mei 1968, maar ook van de Poolse arbeiders die de Stalinistische staat in 1980 overbluften.

Een gezond instinct

Ondanks het feit dat de AG vaak worden geleid door een presidium dat door de vakbond wordt beheerst bestaat er toch een algemeen en gezond wantrouwen tegenover ieder voorstel om de besluitvorming bij de AG zelf weg te halen. Bij Paris III Censier waren we getuige van debatten over twee zaken die dit heel goed illustreren: over de aard van het mandaat dat de AG gaf aan haar afgevaardigden naar de regionale Coördinatie van het Île de France (de Parijse regio), en over het voorstel om een ‘coördinatiebureau’ op te zetten dat zogenaamd als een soort van ‘informatieverspreider’ zou moeten worden aangesteld door de regionale Coördinatie.
In het debat over het mandaat stonden aanvankelijk de aanhangers van ‘vrije’ en ‘onvoorwaardelijke’ mandaten tegenover elkaar: de eersten wilden de afgevaardigden in wezen in staat stellen om hun eigen initiatieven te ontplooien tijdens de Coördinatie; zelfs als dit in tegenspraak was met het mandaat van de AG; de laatsten wilden de afgevaardigden er op vastleggen enkel te stemmen volgens de besluiten en discussies van de AG zelf. Zoals snel duidelijk werd gemaakt bestaat één van de belangrijkste nadelen van het ‘onvoorwaardelijke’ mandaat er uit dat de gedelegeerde niets meer kan zeggen over een nieuw voorstel dat niet vooraf door de AG is bediscussieerd. Het duurde niet meer dan tien minuten voordat het presidium dat helder en begrijpelijk wist te maken en om over te gaan tot het stemmen over een tussenoplossing: het half-voorwaardelijke mandaat, waarbij door de AG benomen besluiten bindend zijn terwijl er ruimte blijft voor het initiatief van de afgevaardigden zodra het over een zaak gaat die nog niet in de AG was bediscussieerd.
Het voorstel om een ‘coördinatiebureau’ tot stand te brengen werd na niet meer dan vijf minuten verworpen omdat er geen enkel nuttig doel werd gediend met het invoeren van nog weer een centralisatieniveau onafhankelijk van de AG.
Het hoeft geen verbazing te wekken dat de voorstellen om de besluitvorming bij de AG weg te halen van de trotskisten van de LCR (Ligue Communiste Révolutionnaire) kwam: dit is een consequente politiek van trotskisten en vakbondsmensen – het tot stand brengen van steeds meer ‘coördinatie’-lagen en steeds meer ‘bureaus’ waar de informatie en de beslissingsbevoegdheid terecht komen, en waar hun eigen leden over alle informatie kunnen beschikken en de macht uitoefenen. Wat ons betreft – en hoewel we in het algemeen uit beginsel tegen het ‘onvoorwaardelijke mandaat’ zijn – kwam de verwerping door de AG’s van deze voorgestelde maatregelen, waardoor de besluitvorming uit haar handen zou verdwijnen, voort uit een gezond instinct van wantrouwen tegenover de pseudo-professionele bureaucraten en politici.

Het vakbondsvraagstuk

Een idee dat min of meer duidelijk uit de beweging naar voren kwam is dat de eis van intrekking van het CPE niet slechts een studenten-eis is en dat de beweging op zoek moest gaan naar de actieve steun van de loonarbeiders. Het is overbodig te zeggen dat in staking gaan voor loonarbeiders een ander verhaal is dan voor studenten: terwijl het juist is dat voor veel studenten die moeten werken om hun studie te bekostigen en die het zich niet kunnen veroorloven een jaar over te moeten doen staken een ernstige aangelegenheid is, dan is dat niet vergelijkbaar met het probleem waarvoor loonarbeiders worden gesteld die de huur moeten betalen, schulden moeten aflossen, hun gezinnen te eten moeten geven, en die bovendien niet wettig kunnen staken wanneer daartoe niet is opgeroepen door de vakbonden. De studenten beseften dat in het algemeen (afgezien van een paar heethoofden die opriepen tot een ‘algemene staking’, wat in de huidige situatie helemaal niets betekent): er werd bijvoorbeeld (ter voorbereiding van de betoging van 18 maart) herhaaldelijk voorgesteld om te betogen in de weekeinden om de loonarbeiders mee te kunnen laten doen. Maar de lastigste vraag was: hoe de loonarbeiders in beweging te krijgen?
Het meest voor de hand liggende antwoord bestaat eruit daartoe een verzoek in te dienen bij de vakbeweging. En inderdaad zagen we wat dat betreft meerdere malen voorstellen om op plaatselijk of landelijk vlak naar de vakbonden toe te stappen. Het probleem was dat de vakbeweging zelf hoegenaamd geen lust vertoonde om de loonarbeiders de beweging te laten versterken. De vakbonden gaven er geen enkele ruchtbaarheid aan, bijvoorbeeld door op te roepen tot deelname aan de betoging van donderdag 16 maart, en het was pas op vrijdag de zeventiende dat ze er mee begonnen om de betoging van de volgende ochtend bekend te maken. Dat was de eerste betoging waartoe werd opgeroepen voor een zaterdag, met de uitdrukkelijke bedoeling van de kant van de studenten om de loonarbeiders in de gelegenheid te stellen mee te doen.Als we de ware aard van de vakbonden niet kenden – als het puntje bij het paaltje komt zijn het de beste vrienden van de bazen – dan zouden we dat schandalig, en zelfs ronduit beschamend noemen.
Maar wat dan te doen? Als de studenten niet op de vakbonden konden rekenen om de loonarbeiders tot staken op te roepen – wat duidelijk niet het geval was – dan moesten ze het zélf doen, door pamfletten te verspreiden op plaatsen waar veel arbeiders bijeenkomen (in Parijs betekende dat vooral de ondergrondse trein-stations waar iedere dag tienduizenden mensen op weg van en naar hun werk langskomen). Leden van de IKS ondersteunden krachtig – en werden daarvoor enthousiast toegejuicht – het indienen en laten aannemen van moties in die richting.

Het geweld en de rol van de media

Heel tekenend voor de beweging is de wijze waarop daarvan verslag is gedaan in de media, zowel in Frankrijk zélf als in het buitenland, en dan vooral door de televisie die voor de meeste arbeiders natuurlijk de belangrijkste bron van informatie is. Tot voor heel kort – eigenlijk met heel weinig uitzonderingen tot aan de betoging van donderdag 16 maart – hadden de media in Frankrijk het over maar één ding: de bezetting van de Sorbonne en de gewelddadige confrontaties tussen bendes van jonge heethoofden (die uit wie-weet-waar kwamen) en de oproerpolitie van de CRS.
Tot voor kort gaf de televisie geen beelden van de massabijeenkomsten, de debatten of zelfs maar van de demonstraties: daartegenover waren er wel veel interviews met studenten die zich tegen de beweging verzetten, reportages over confrontaties tussen studenten, en de aanvallen op de CRS.
Buiten Frankrijk was de black-out rond de studentenbeweging bijna totaal – met uitzondering van geweld-fragmenten.
Dat alles steekt wel heel scherp af bij de ernorme aandacht voor de rellen in de Franse buitenwijken van de voorbije herfst, die werden zodanig buiten proporties opgeblazen dat we verklaringen ontvingen van kameraden in de voormalige Sovjet-Unie ter begroeting van de ‘revolutie’ die in Frankrijk plaatsvond!
We weten heel goed dat de media – en boven alles die van de televisie – nagenoeg volledig door de staat worden gecontroleerd, en dat zelfs waar ze dat niet worden is hun ‘zelf-censuur’ indrukwekkend: er is zelfs een oud Engels rijmpje dat als volgt gaat, en dat overal voor de media geldt:  “You cannot hope to bribe or twist, / thank God! the British journalist. / But seeing what that man will do / unbribed, there's no occasion to” (3).
Wat de studenten zich dus moesten afvragen was: welk belang heeft de staat bij het uitzenden van dergelijke beelden – ten koste van haast al het overige? Het antwoord ligt voor de hand: het draagt ertoe bij de beweging in diskrediet te brengen bij de massa van de werkende klasse die momenteel zeker niet staan te trappelen om een gewelddadige confrontatie met de staat aan te gaan. Het geweld dreigt niet alleen de beweging in de rest van de klasse ongeloofwaardig te maken, maar het maakt ook de soevereiniteit van de AG verdacht omdat het geheel en al aan haar controle ontsnapt. Dit laatste vraagstuk – dat van de controle – is van doorslaggevend belang: het geweld van de arbeidersklasse heeft niets te maken met het blinde geweld van de jonge heethoofden bij de Sorbonne of – het moet gezegd worden – van veel anarchistische groepen, vooral omdat het door de klasse als geheel wordt uitgeoefend en collectief wordt gecontroleerd. De studentenbeweging heeft fysieke kracht gebruikt (bijvoorbeeld door de universiteitsgebouwen te barricaderen en de toegang daartoe af te sluiten): het verschil met de confrontaties bij de Sorbonne ligt er in dat er collectief toe werd besloten en er over werd gestemd op de AG en dat de ‘blockers’ een mandaat voor hun actie kregen van hun kameraden. De acties bij de Sorbonne daarentegen werden niet gecontroleerd door de beweging en vormde natuurlijk een perfecte gelegenheid voor het ingrijpen van lomperiken en politie-provocateurs; en gegeven de wijze waarop van dit geweld gebruik werd gemaakt door de media is er alle reden voor de veronderstelling dat er inderdaad provocateurs aanwezig waren om de zaak flink op te jutten.
Gezien de omstandigheden was de reactie van de studenten over het algemeen voorbeeldig. Toen het duidelijk werd dat de regering de Sorbonne daadwerkelijk wilde gebruiken als ‘valkuil’ voor de demonstraties, en als een middel voor onophoudelijke provocaties, kwam de reactie van de AG in Paris II Censier voornamelijk hier op neer: “De Sorbonne is een symbool, dat is waar. Wel, als ze het willen, laat ze hun symbool dan maar houden – des te beter als de CRS dáár is, laat die daar maar blijven. En we raden onze kameraden van de Sorbonne uit om voor hun AG naar Censier te komen.” Die raad werd overgenomen door de AG van Jussieu.
Daar komt nog bij – en ondanks het verlate gemanoevreer van de Trotskisten die probeerden hem te laten verwerpen – dat de AG van Censier een motie aannam “van steun aan de gewonde studenten, eventuele schade die het gebouw heeft opgelopen vewerpend, en uit medeleven met de gewonde CRS-er”. Het kernpunt van deze motie is dat hij op geen enkele manier instemming betekende met de repressie door de politie, maar erkende:

  • dat de kinderen van de laagbetaalde CRS zelf ook worden getroffen door de aanvallen van de regering (zoals sommige studenten tijdens niet-gewelddadige confrontaties probeerden uit te leggen aan de oproerpolitie);
  • dat de studenten van plan waren afstand te nemen van gewelddadige ‘akties’ die de beweging bepaald geen dienst verleenden.

Het is ook van belang om het verschil vast te stellen tussen de wijze waarop de media in Frankrijk en in het buitenland verslag deden van de betoging van 18 maart:

  • in Frankrijk richtten de media alle aandacht op het – onbetekenende – geweld aan het eind van de betogingen, maar minder dan bij eerdere gelegenheden; ze geven meer ruimte voor de enorme omvang en de rust van de demonstraties (en de vindingrijkheid van sommige van de leuzen);
  • in het buitenland (bijvoorbeeld op Euronews, of op yahoo.com waar het verslag van Associated Press de titel droeg: “Franse politie beteugelt rellen rond banenwet”, wat niet minder dan een platte leugen is), werd nagenoeg niets anders vertoond dan beelden van geweld en brandende auto’s.
    Daaruit kunnen we maar één conclusie trekken. De Franse media die probeerden om de beweging in de ogen van de arbeiders in diskrediet te brengen hebben nu begrepen dat ze het risico lopen om door al te openlijk te liegen alleen zichzelf ongeloofwaardig te maken in de ogen van een bevolking die weet wat er werkelijk gebeurd, en dan vooral in de ogen van de arbeiders die zelf demonstreren of waarvan de kinderen demonstreren.

Internationale Kommunistische Stroming, 19 maart 2006

(1) We nemen over het algemeen het gemiddelde van de schattingen die de vakbonden geven (overdreven) en die van de politie (belachelijk laag).
(2) Eigenlijk hangt de selectie voor de Grandes écoles niet direct af van geld omdat de kosten gering zijn (met uitzondering van de scholen voor handel en nijverheid). Daardoor kunnen bijzonder begaafde kinderen van de arbeiders of zelfs boeren worden toegelaten. Maar de selectiecriteria zijn wel gebaseerd op een elitair examensysteem waardoor studenten uit de sociale lagen met het benodigde ‘culturele niveau’ bevoordeeld worden (of wie het zich kan veroorloven zijn kinderen gedurende hun studies te onderhouden zodat ze niet hoeven te werken).
(3) Vrij vertaald: "Godzijdank! Je hoeft niet eens te hopen / dat je de Britse journalist bedriegen kan of omkopen / Maar als je ziet waartoe die in staat is zonder / omgekocht te zijn dan is dat ook geen wonder!"

Briefwisseling uit Iran: Waarom nieuwe vakbonden geen nieuwe stap vooruit vormen

Onlangs ontvingen we een brief uit Iran waarin een aantal vraagstukken wordt opgeworpen. In dit antwoord richten we ons op dat deel van de brief dat over de vakbonden gaat. Wij hebben enkele kleine wijzigingen [in de Engelse tekst] aangebracht maar verder niet aan de taal geraakt.
“Over Iran kan ik zeggen dat de toestand er erg slecht is. Zelfs de reformistische en vakbondsorganisaties zijn ontbonden. Eén vakbond van buschauffeurs zou een paar maanden geleden activiteiten aanvangen maar die op de eerste dag werd aangevallen door regeringsvandalen (die deel uitmaken van het Huis van de Arbeid en de Islamitische Arbeidsraad (1) en die worden gecontroleerd door de inlichtingendienst van Iran) en waarbij verschillende activisten gewond raakten. Een maand later aanvaarde de IAO (Internationale Arbeids Organisatie – ILO) diegenen die de vakbond hadden aangevallen als ‘arbeidersorganisaties’ van Iran. Hoewel de Iraanse regering Conventies 87 en 88 van de IAO heeft onderschreven (die de arbeiders in staat stellen om organisaties of vakbonden van hun eigen keuze te vormen en die een voorwaarde vormen om toe te kunnen treden tot de Wereld Handels Organisatie) blijven nog steeds alle arbeidersorganisaties en zelfs de reformistische vakbonden ontbonden en zitten verschillende activisten in de gevangenis.”
“De website waarnaar ik heb verwezen behoort toe aan het ‘Coördinatiecomité voor de vorming van Arbeidersraden’. Ik geloof niet in al hun standpunten maar ik denk dat iedere activiteiten moeten worden ondersteund om de regering te dwingen arbeidersrechten te erkennen.”
“[...] De trotskisten spelen momenteel een zeer reactionaire rol in Iran. De arbeidersklasse is al begonnen een eind te maken aan de reformistische werkwijzen (zoals het hulp vragen aan het Huis van de Arbeid, de Islamitische Raad en kapitalistische organisaties zoals de IAO) en zal radicale (niet echt revolutionaire) bewegingen beginnen maar deze trotskisten willen de arbeidersbeweging een stap terug laten zetten naar het reformisme. Zij hebben een campagne gestart, onder de titel ‘Iraanse arbeiders staan niet alleen’ en zij vragen kapitalisten zoals de Labour Party van Engeland om de arbeiders in Iran te ondersteunen! Dit soort van activiteiten kan de revolutionaire bewegingen alleen maar ontwapenen.”


De arbeidersklasse in Iran


De Iraanse arbeidersklasse heeft een geschiedenis van strijd. In 1978 en 1979 werden de massale stakingen, vooral in de olie-industrie gekenmerkt door voorbeeldige klassensolidariteit en een bereidheid om de confrontatie aan te gaan met de staat en al zijn repressiekrachten. Daarbij stond het Iraanse proletariaat naast zijn klassenkameraden overal ter wereld:
“Arbeiders weigeren toe te geven aan de toenomende armoede die de kapitalistische crisis van hen vraagt. [...] Ze hebben strijdvaardig en gewelddadig geantwoord op een levensstandaard die bijvoorbeeld 60-70% van hun inkomen alleen al voor huisvesting vereist.”
“Arbeiders hebben zelfstandig gestreden, waarbij ze (zoals in de olie-raffinaderijen) hun eigen onafhankelijke comités organiseerden, waarvan de afgevaardigden – zoals de burgerlijke pers klaagde –  meer begaan zijn met ‘utopische idealen’ dan met het ‘in de strijd onderhandelen over het personeelsbeheer’. Anders gezegd, deze comités brengen ongetwijfeld echte arbeidersbelangen tot uiting [...]”
“De stakingen gaven ook aanleiding tot een voorbeeldige klassensolidariteit – de oliearbeiders weigerden weer aan het werk te gaan voordat voldaan was aan de eisen van de 400.000 leerkrachten. De ernst van de arbeidersstrijd wordt getoond in de moed die werd opgebracht in de confrontatie met de burgerlijke staat – waarbij het instellen van de staat van beleg werd genegeerd (feitelijk neigde de strijd tot verdere escalatie na de vorming van de militaire regering). In plaats van geïntimideerd te raken door de troepen die naar de olievelden werden gestuurd ondernamen de arbeiders – vaak succesvol – pogingen om zich met de soldaten te verbroederen”
(World Revolution, nr. 21, december 1978-januai 1979).
De huidige regering in Iran is de opvolger van die van 1979. Er heeft geen revolutie plaatsgevonden in Iran in 1979. Voor de arbeiders betekende het ruilen van de Sjah voor Ayatollah Khomeini louter de vervanging van de ene onderdrukker door de andere, hoewel het vermogen van de religieuze obscurantisten en dwepers om een heel land over te nemen een vroeg teken was van de irrationaliteit die binnen het kapitalisme tot ontwikkeling kwam en dat op het punt stond om wat we nu de fase van ontbinding noemen binnen te treden. Toen net als nu waren er linkse oproepen tot het oprichten van ‘echte’ vakbonden tegenover de stropopvakbonden van de staat. In 1979 dachten vele linksen dat Khomeini een eind zou maken aan het feodalisme en dat hij de ontwikkeling van de democratie zou bevorderen waarin de vakbonden konden gedijen. Vandaag herhaalt het Coördinatiecomité waarnaar onze briefschrijver verwijst de oproep tot vorming van een vakbond, zelfs al vermijden ze het woord ten gunste van de vager term ‘organisatie’ (2).
De arbeidersklasse heeft zeer zeker organisatie nodig. Veel van de belangrijkste strijd werd geleverd om haar organisaties op te richten en te verdedigen, net als voor loonstijgingen en dergelijke. De vraag gaat over welke soort van organisatie. Kan een vakbond, ongeacht hoe ‘echt’ of ‘radicaal’ die moge zijn, de arbeidersklasse momenteel vooruithelpen? Betekent de wanhopige toestand van de arbeidersklasse in landen als Iran dat wij om het even welke poging tot organisatie zouden moeten ondersteunen zoals onze correspondent suggereert als hij schrijft “ik denk dat iedere activiteiten moeten worden ondersteund om de regering te dwingen arbeidersrechten te erkennen”.

Wat voor soort van organisatie?


Wat onze houding en handelen bepaald is de vraag: wiens belangen verdedigt een organisatie? Met andere woorden, gaat het om een organisatie van het proletariaat of van de bourgeoisie? Dat is geen eenvoudig vraagstuk. Het ‘Huis van de Arbeid’ waarnaar onze briefschrijver verwijst is waarschijnlijk vol van arbeiders, maar daarom is het nog geen arbeidersorganisatie. Momenteel blijkt het dat de arbeiders enkel succes kunnen hebben als ze hun strijd direct in eigen hand nemen. Dat is wat de Iraanse arbeiders in 1979 deden; dat is wat de Poolse arbeiders een jaar laten deden. Dat deden de Russische arbeiders in 1917 toen ze de arbeiders- en soldatenraden oprichten. Dergelijke organisaties zijn wapens in de strijd, ze komen op met de strijd en verdwijnen als de strijd afloopt. Velen zien dit als een zwakheid en kijken uit naar een of andere permanente vorm van organisatie, maar daarbij wordt geen rekening gehouden met de werkelijkheid van de arbeidersstrijd in deze hele periode. De vakbonden kwamen tot ontwikkeling toen het kapitalisme jong was en opgroeide, toen het hervormingen kon toelaten en de arbeidersklasse een beetje ruimte in de maatschappij kon toekennen. Daarvan is nu geen sprake meer. Tijdens het grootste deel van de afgelopen eeuw zagen we hoe het kapitalisme de arbeidersklasse telkens weer aanviel, nieuwe eisen aan de arbeiders stelde om meer, sneller en goedkoper te produceren. De vakbonden die opgroeiden om betere omstandigheden voor de arbeiders te verkrijgen, om de heersende klasse tot een overeenkomst af te sluiten, kunnen niets doen voor de arbeidersklasse als de enige overeenkomsten die nog geboden kunnen worden bestaan uit het opdrijven van het arbeidsritme, het schrappen van banen en meer uitbuiting. Het afsluiten van overeenkomsten komt neer op het verraden van de arbeidersklasse. In de huidige burgerlijke maatschappij is er geen ruimte meer voor de arbeidersklasse. Een permanente massaorganisatie van de arbeidersklasse kan enkel bestaan door overeenkomsten met de bazen af te sluiten en zo de arbeidersklasse te verraden. De enige lange termijn organisaties die de arbeidersklasse nu nog kan hebben zijn organisaties om zonder compromis te vechten tegen het kapitalisme: haar klassen-omvattende raden en haar politieke organisaties (3). Het opduiken van de raden gebeurt natuurlijk pas in een revolutionaire situatie; tot dan kan de arbeidersstrijd alleen georganiseerd worden via algemene vergaderingen en comités die tijdens de beweging bestaan maar die niet proberen om hun eigen bestaan te rekken nadat de strijd is uitgedoofd. Anders worden ze omgevormd tot een nieuwe variant van vakbond en worden ze een beletsel worden voor de volgende strijdronde.

Het trotskisme tegen de arbeidersklasse


We zijn het volledig eens met onze briefschrijver eens over de reactionaire rol die het trotskisme momenteel speelt. Het voorbeeld dat hij geeft van de valse ‘solidariteit’ van de campagne over ‘Iranese arbeiders staan niet alleen’ is een goed voorbeeld van hoe de taal en de hoop van de arbeidersklasse door deze ervaren huichelaars worden verdraaid tot hun tegendeel. Maar dat is niets nieuws. In 1979 wauwelden vele trotskisten de Iraanse stalinisten na in hun steun aan de ‘revolutie’ onder leiding van Khomeini: “Door aan te dringen op voortzetting van de stakingen en massale demonstraties tegen de Sjah, en door te weigeren enige regering steun te verlenen die was gevormd onder de de paleis-slagers, heeft Khomeini een positieve rol gespeeld.” (The Militant, Socialist Workers Party van de Verenigde Staten, aangehaald in World Revolution, nr. 22). In werkelijkheid werden de arbeiders geleidelijk verdronken in de reactionaire beweging die door de mollahs werd opgebouwd. Maar, in tegendeel tot wat onze briefschrijver zegt, proberen de trotskisten niet slechts de werkende klasse “een stap terug laten zetten naar het reformisme” maar proberen zij deze op burgerlijk te slepen en haar te verslaan. Dit is nu net zo waar als toen: “Over de hele wereld roept de linkervleugel van de bourgeoisie – de stalinisten van de kommunistische partijen, de maoïsten en de trotskisten – op tot de nederlaag van de Sjah en zijn vervanging door een ander deel van de bourgeoisie dat zij als ‘progressiever’ beschouwen dan de Sjah, en altijd vergezeld van de oproep tot democratie in de vorm van ‘vrije verkiezingen’” (World Revolution, nr. 21).
In Iran net als elders in de wereld moet de arbeidersklasse weer leren in strijd te gaan. Na jaren van onzekerheid, van verwarring en gebrek aan zelfvertrouwen beginnen de arbeiders weer aan te voelen wie ze zijn en wat ze zijn. Ze beginnen te begrijpen dat zij belangen hebben die tegengesteld zijn aan die van de heersende klasse en dat ze alleen op zichzelf kunnen rekenen. Nieuws over de echte toestand van de arbeidersklasse in Iran is moeilijk te verkrijgen, gefilterd als het is door de propaganda van de heersende klasse. Wij begroeten de suggestie dat de arbeidersklasse nog steeds probeert te strijden en moedigen onze correspondent aan ons opnieuw te schrijven met om het even welk nieuws ontrent de klassenstrijd.Ondanks alles wat ze ondergaan heeft, spijts al het gewicht van het Islamitische regime, hebben wij vertrouwen in de arbeidersklasse in Iran net zoals wij vertrouwen hebben in de arbeidersklasse al geheel.

North / 1.12.2005

(1) ‘Arbeidershuis’ of ‘Huis van de Arbeid’ zijn mogelijke vertalingen van ‘Khane Kargar’, de officiële naam van vakbonden van het Iraanse regime.
(2) Wij hebben hier niet de bedoeling om het ‘Coördinatiecomité’ onder de loep te nemen aangezien de informatie waarover wij beschikken onvolledig is. Desondanks streeft het naar een soort van vakbondsorganisatie, zoals dit uittreksel van een van de belangrijkste documenten waarover we beschikken aanstipt: “Wij hebben zeker het recht om georganiseerd te zijn. Wij moeten onze organisatie oprichten en dan de regering vragen om die officieel te erkennen. Voor het oprichten van arbeidersorganisaties is geen enkele regeringstoestemming nodig, en dit is zo vanzelfsprekend en overduidelijk dat het gestipuleerd wordt in Conventie 87 van de IAO over de vrijheid van organisatie en ironisch genoeg wordt dit zelfs erkend door de Iranese regering. Daarom moet de IAO, die zelf de conventies heeft opgesteld en de regeringen heeft laten ondertekenen, de Iranese regering er toe dwingen om een eind te maken aan het onderdrukken van arbeidersactiviteiten en de activisten, in plaats van toe te geven aan de regering. En de regering van de Islamitische Republiek van Iran moet de veiligheid garanderen van de activisten van de arbeidersklasse” (Laat ons op eigen kracht arbeidersorganisaties oprichten, www.komiteyehamahangi.com).
(3) Zie onze brochure De vakbeweging tegen de arbeidersklasse voor een uitgebreider versie van deze analyse.

De betekenis van de openbaar vervoersstaking in New York City

Een gebruikelijke tactiek in de kapitalistische aanval op de pensioenen en medische vergoedingen bestaat uit een poging om ‘gelaagde’ systemen in te voeren waarbij nieuwe werknemers lagere toeslagen en pensioenen krijgen, om het even of dat de vorm aanneemt van toeslagvermindering of hogere bijdragen voor medische verzorging en pensioenfondsen. De oudere arbeiders worden gelijmd met de belofte dat de kortingen niet op hen van toepassingen zullen zijn maar alleen op de onbekenden die in de toekomst zullen worden aangenomen. Traditioneel helpen de vakbonden om deze ‘afspraken’ er door te rammen, waarbij ze zichzelf op de borst trommelen vanwege het redden van de verworvenheden van de momenteel tewerkgestelde arbeiders, wat ze voorstellen als een ‘overwinning’. Deze tactiek verdeelt de arbeiders onder elkaar, de oudere generatie tegen de jongere – een rampenscenario voor de klasseneenheid – die de bedrijfsleiding alle gelegenheid geeft om te verdelen en te heersen.
Juist deze poging om de arbeiders te verdelen stond in het centrum van de recente strijd in het openbaar vervoer van New York City. De Metropolian Transit Authority (Hoofdstedelijke Openbaar Vervoersinstantie), onder leiding van de gouverneur en in mindere mate van de burgemeester, probeerde de pensioenleeftijd voor de nieuw tewerkgestelden van 55 naar 62 jaar te verhogen en nieuwelingen zes procent van hun loon in het pensioenfonds te laten storten. De pensionering op de leeftijd van 55 jaar (na 25 dienstjaren) bestond al heel lang als compensatie voor de uiterst barre arbeidsvoorwaarden waaronder de arbeiders van het openbaar zwoegen in 100 jaar oude metrotunnels, met smerige lucht en rook, rattenplagen en een algemeen gebrek aan sanitaire faciliteiten. Het voorstel van de regering zou geen gevolg hebben voor de pensioenleeftijd van de momenteel tewerkgestelde arbeiders.
Maar de arbeiders van het openbaar trapten overduidelijk niet in deze verdeel-en-heers zwendelarij. In naam van een arbeidersklasse die een frontale aanval op haar pensioenen onderging, trokken de arbeiders van het openbaar vervoer een duidelijke streep en weigerden welke verandering in het pensioensysteem dan ook te aanvaarden. Ze staakten om de pensioenrechten te beschermen van arbeiders die nog niet aan het werk waren, en die ze ‘onze ongeborenen’ noemden – hun komende, nog onbekende collega’s. Als zodanig werd deze strijd de tot op heden duidelijkste belichaming van de beweging waarin de arbeidersklasse probeert haar eigen identiteit en solidariteit weer terug te vinden. Hij was niet allen van grote invloed op de arbeiders die aan de strijd deelnamen, maar ook op de arbeidersklasse in andere sectoren. De arbeiders van het openbaar vervoer staakten vanuit een gevoel van klassensolidariteit met de komende generatie, met diegenen die zelfs nog niet waren aangenomen. Hij vond weerklank bij veel arbeiders in talrijke bedrijfstakken die merkten dat er eindelijk iemand opstond en zei: “Handen af van de pensioenen”.

De draagwijdte van de staking in het openbaar vervoer


De staking van 33.700 arbeiders in het openbaar vervoer waardoor New York City drie dagen werd lamgelegd gedurende de week voor Kerstmis was de belangrijkste arbeidersstrijd in de Verenigde Staten in vijftien jaar. Hij was belangrijk vanwege een aantal met elkaar vervlochten redenen: 1) de internationale context waarin hij plaatsvond; 2) de ontwikkeling van klassenbewustzijn onder de stakers zelf; en 3) de potentiële uitstraling van de staking op andere arbeiders. De betekenis van deze staking moet evenmin worden overdreven; hij is niet vergelijkbaar met de stakingen in de jaren 1980 die het gezag uitdaagden van het kapitalistische vakbondsapparaat dat dient om de arbeidersstrijd te beheersen en te laten ontsporen en waarin het vraagstuk werd gesteld van de uitbreiding van de strijd naar andere arbeiders. Toch is het belangrijk zijn draagwijdte, in de context van de moeilijke voorwaarden waarin de arbeidersstrijd zich vandaag afspeelt, goed te begrijpen.
Hoewel hij onder strakke controle bleef staan van een plaatselijke vakbondsleiding die beheerst wordt door ultra-links en de vakbondsbasis, is deze openbaar vervoersstaking niet alleen de weerspiegeling van groeiende strijdbaarheid binnen den arbeidersklasse, maar maakt ook deel uit van een nog belangrijker stappen naar de ontwikkeling van een vernieuwd gevoel van eigen identiteit en van zelfvertrouwen van de arbeidersklasse en van het inzicht van klassensolidariteit. Hij verenigde arbeiders over de grenzen van leeftijd en arbeidsplaats. De arbeiders van het openbaar vervoer begonnen deze staking hoewel ze wisten dat die in strijd was met de Taylor-Wet van de staat van New York, een wet die ambtenarenstakingen verbiedt en die de stakers automatisch beboet met inhouding van twee daglonen per gestaakte dag, wat er op neerkomt dat ze drie dagen loonverlies lijden voor iedere stakingsdag (één niet uitbetaalde dag en twee dagen boete). De stad dreigde er verder mee om een burgerrechtelijke boete te eisen van $25.000 voor iedere arbeider die in staking ging, en die iedere dag zou verdubbelen – $25.000 de eerste dag, $50.000 de tweede, en $100.000 voor de derde dag. Met dergelijke zware boetes boven het hoofd werd de beslissing om tot staking over te gaan niet lichtvaardig door de arbeiders genomen, maar ze vertegenwoordigde een moedige daad van militant verzet.

De internationale context van de staking


De staking in het openbaar vervoer in New York City vond plaats temidden van een internationale tendens binnen de arbeidersklasse om opnieuw de strijd aan te gaan ter verdediging van zijn klassenbelangen – na een terugval in de klassenstrijd van meer dan vijftien jaar sinds het ineenstorten van een van de twee imperialistische blokken die waren opgericht na het einde van de Tweede Wereldoorlog. In 1989 stortte het stalinistische blok in dat geleid werd door het Russische imperialisme, en dat gevolgd werd door het uiteenvallen van het rivaliserende westerse blok geleid door de Verenigde Staten. De toenemende chaotische gebeurtenissen in de internationale situatie die daar op volgde luidde een periode in  van stuurloosheid binnen de arbeidersklasse op internationaal vlak. De historisch veranderde omstandigheden, het onophoudelijke propaganda-offensief van de burgerlijke staat en haar massamedia dat daarmee gepaard ging over de dood van het kommunisme en de overwinning van de kapitalistische democratie en het verdwijnen van de klassen, dat alles eiste een zware tol van het proletariaat. Het proces van verheldering dat was ingezet aan het einde van de jaren 1960 werd onderbroken en verworvenheden in klassenbewustzijn ebden weg. Dit maakte het buitengewoon moeilijk om de rol van de vakbonden nog te begrijpen. Ze waren immers ooit zelfverdedigingsorganisaties van de arbeidersklasse geweest die lang geleden waren ingelijfd bij het staatsapparaat van het kapitalisme in verval. Nu dienden ze voor het kapitalisme als politie op de werkvloer, en moesten ze voorkomen dat de arbeiders op zoek gingen naar nieuwe strijdvormen om de klassenstrijd in eigen hand te nemen. De terugval in de klassenstrijd was zo diep en de ideologische aanval van de heersende klasse was zo grondig, dat de arbeidersklasse tekenen begon te vertonen van verlies aan zelfvertrouwen als klasse en zelfs moeilijkheden kreeg om zichzelf nog als klasse te zien.
Toch maakten de ernst van de globale economische crisis en de opeenstapeling van aanvallen van de heersende klasse op de levensstandaard van de arbeiders die daar het gevolg van waren, dat deze gruwelijke periode van proletarische stuurloosheid niet kon blijven duren. In 2002 zagen wij het begin van een ommezwaai in de internationale klassenstrijd, die gekenmerkt werd niet door een dramatische uitbarsting van militante strijd, maar eerder door de start van beginnende, aarzelende pogingen om weer op de historische voorgrond te komen. De eerste taak die door deze in vele landen ontluikende strijd werd gesteld was niet de uitbreiding van de strijd over de grenzen van geografische en industriële bedrijfstakken, maar het weer verwerven van bewustzijn op het meest elementaire vlak, dat van zelfbewustzijn als klasse en solidariteit.
Dit proces was in de Verenigde Staten al op gang gekomen zoals bleek uit de voorbeelden van de staking van de tuinbouw-arbeiders in Californië, de stakingen bij Boeing en Northwest Airlines, de transportstaking in Philadelphia en de staking van de afstudeerbegeleiders aan de universiteit van New York. Wat de staking van het openbaar vervoer in New York daarin nu zo belangwekkend maakt is niet slechts dat het de grootste staking was met de grootste weerslag, in de betekenis dat hij de grootste stad in Amerika voor drie dagen verlamde. Het belang is daarin gelegen, dat hij de ontwikkeling van het klassenbewustzijn weerspiegelt.
Zoals gezegd ging de staking vooral om de verdediging van de arbeiderspensioenen, die overal ter wereld onder een spervuur van de bourgeoisie liggen, maar vooral in de Verenigde Staten. In de Verenigde Staten zijn de ouderdomsuitkeringen van de staat minimaal en de arbeiders vallen terug op hun bedrijf of loopbaan-verbonden pensioenfondsen om hun levensstandaard op peil te houden als ze met ouderdomspensioen gaan. Beide soorten van pensioen zijn momenteel in gevaar. De inspanningen van de vorige Bush-regering om de ‘sociale zekerheid’ te hervormen, en van de huidige door openlijke financieel tekortkomingen en pogingen om de pensioenuitkeringen te verminderen. Sinds de ineenstorting van Enron, waarbij duizenden werknemers hun hele pensioen in rook zagen opgaan, komen ontelbare Amerikaanse bedrijven hun pensioenverplichtingen niet langer na. Nog recenter bleven de grote bedrijven in de luchtvaartindustrie, geconfronteerd met bankroet, in gebreke gebleven ten opzichte van hun pensioenverplichtingen. Het agentschap van de federale regering dat de verantwoordelijkheid overneemt voor deze bankroet gegane pensioenfondsen garandeert de arbeiders niet meer dan 50% van waar ze normaal recht op zouden hebben. Er zijn zoveel pensioenfondsen over kop gegaan dat dit agentschap nu al werkt met een geschat begrotingstekort van $24.000.000.000.
In de automobielindustrie, waar bankroeten dreigen voor General Motors en Ford, zijn de pensioenfondsen eveneens in gevaar.

De ontwikkeling van het klassenbewustzijn bij de stakers


Een nieuwe blijk van het vermogen van de arbeidersklasse om zichzelf als een klasse te zien en te begrijpen was merkbaar op allerlei vlak en in allerlei uitingen van de openbaar vervoersstaking. Het hoofdthema ervan – de bescherming van de pensioenen van toekomstige arbeiders – bevatte dit aspect overduidelijk. Het speelde niet enkel op een abstract niveau, maar was ook heel concreet te zien en te horen. Bijvoorbeeld, bij een stakingpiket bij een bus-depot in Brooklyn, verzamelden tientallen arbeiders zich in kleine groepjes om over de staking te discussiëren. Eén arbeiders zei dat hij dacht dat het niet gerechtvaardigd was om te staken voor de pensioenen van toekomstige arbeiders, voor mensen die wij niet eens kennen. Zijn mede-arbeiders antwoordden door te zeggen dat de toekomstige arbeiders die door het aanvaarden van de maatregelen getroffen zouden worden “onze eigen kinderen kunnen zijn.” Een andere vond het belangrijk om de eenheid te bewaren tussen de verschillende generaties van werkenden. Hij stelde dat het in de toekomst goed mogelijk is dat de regering zou snijden in de medische vergoedingen of uitbetalingen van de pensioenen van “ons als we met pensioen gaan. En het zal belangrijk zijn om de kerels die dan werken er aan te herinneren dat wij voor hen op de bres stonden, zodat ook zij voor ons opkomen om te voorkomen dat ze in onze uitkeringen wordt gesnoeid.” Gelijkaardige discussies vonden elders in de stad plaats, een duidelijke en concrete weerspiegeling van de neiging van de arbeiders om zichzelf te zien als een klasse, om verder te kijken dan de generatiegrenzen die het kapitalisme probeert te gebruiken om ze onderling te verdelen.
Andere arbeiders die langs de piketten reden toeterden uit solidariteit en schreeuwden steunbetuigingen. In Brooklyn drukte een groep onderwijzers van een nabijgelegen lagere school hun solidariteit uit door de staking te bediscussiëren met hun leerlingen en trokken met hun klassen van leerlingen in de leeftijd van 9-12 jaar naar de piketten. De kinderen brachten kerstkaarten naar de stakers met boodschappen als: “Wij steunen jullie. Jullie vechten voor respect.”
De kinderen werden door hun onderwijzers aangezet tot vraaggesprekken met de stakers en de kinderen vroegen de arbeiders wat voor job zij uitvoerden en waarom zij in staking waren.
De dag na beëindiging van de staking stapte een van onze kameraden op een stadsbus en ging een gesprek aan met de chauffeur dat een illustratie vormde voor de sporen die deze strijd naliet. Nadat hij betaald had zei hij tot de bestuurder, een 35 jarige latino arbeider, “Jullie kerels hebben juist gehandeld.” En de bestuurder antwoordde: “Maar we hebben niet gewonnen. Wij zijn weer aan het werk gegaan zonder arbeidsovereenkomst.” “Maar waar het echt op aan komt is wat jullie gedaan hebben. Jullie zeiden handen af van de pensioenen, arbeiders moeten bijeenblijven, wat er ook gebeurt. Het is een belangrijk voorbeeld voor andere arbeiders.” Waarop de chauffeur antwoordde: “Ja, dat is waar. Het was belangrijk dat we zijn opgekomen voor de arbeidersklasse.”

De uitwerking van de strijd op andere arbeiders


De staking in het openbaar vervoer werd een voorbeeld voor arbeiders uit andere bedrijfstakken. Buiten de bovengenoemde steun- en solidariteitsbetuigingen waren er ontelbare andere bewijzen. Arbeiders van buiten het openbaar vervoer werd verwelkomd bij de piketten. Op een bepaald moment bezocht een groep afstudeer-begeleiders van de universiteit van New York de piketten in Brooklyn, stelden zichzelf voor en bediscussieerden stakingzaken en strategieën met de arbeiders. In ontelbare werkplaatsen in de stad praatten arbeiders uit andere bedrijfstakken over het belang van solidariteit met als voorbeeld de verdediging van de pensioenen. De gemeentearbeiders, waarvan velen al drie of meer jaar werken zonder nieuwe arbeidsovereenkomst begrepen het belang van de strijd toen de arbeiders van het openbaar vervoer zich achter de slogan: “geen arbeidsovereenkomst, geen arbeid” schaarden.
De sympathie voor de stakers was zo sterk dat uit de eigen peilingen van de kapitalistische media bleek dat Roger Toussaint, de voorzitter van de transportarbeidersvakbond, op de eerste dag van de staking een betere instemmingsscore haalde dan de burgemeester of de gouverneur. Het bestaan van een overschot van $1,02 miljard van de Metropolian Transit Authority maakte dat de harde lijn van de bedrijfsleiding door andere arbeiders werd ervaren als buitensporig hard en ongenadig. De bourgeoisie ging op de tweede dag in de tegenaanval met een regelrechte campagne om de stakers af te schilderen als baarlijke duivels. De sensatiepers zoals de Post en de Daily News noemden de stakers ‘ratten’ en ‘lafaards’. Zelfs de liberale New York Times klaagde de staking aan als ‘onverantwoordelijk’ en ‘onwettig’.
Het thema van ‘onwettigheid’ werd overgenomen door burgemeester Michael Bloomberg en gouverneur George Pataki. Pataki verklaarde dat de staking misdadig was en dat er geen onderhandelingen zouden plaatsvinden zolang de arbeiders niet weer aan het werk gingen. Bloomberg nam deze houding over en klaagde de stakers aan als ‘schurken’ en ‘criminelen’. De miljardair en burgemeester wierp zich op als voorvechter van de arme arbeiders die door de staking benadeeld werden, en die zogenaamd te lijden zouden hebben als gevolg van de staking van de relatief beter betaalde arbeiders van het openbaar vervoer. Op zijn beurt klaagde Toussaint de burgemeester en de gouverneur aan voor hun belachelijke beschuldigingen en nam de transportarbeiders tegen de ‘beledigingen’ in bescherming.
Televisiereportages gingen vooral over de problemen die de staking veroorzaakte voor mensen die samen met de auto naar het werk gingen en die te voet over de East River brug trokken om in Manhattan op hun werk te geraken. Maar zelfs na dit spervuur wist het stadsbestuur dat de solidariteit van de arbeidersklasse met de staking sterk bleef. Een plaatselijke rechter dreigde vakbondsleiders in het gevang te gooien en individuele arbeiders te beboeten omdat ze een rechtbankoproep om de staking te beëindigen en weer aan het werk te gaan naast zich neerlegden, maar burgemeester Bloomberg oordeelde dat de rechtbank de boetes moest opdrijven, en niet de vakbondsleiders gevangen moest zetten, wat van Toussaint ‘een martelaar’ zou maken, met het risico sympathie-stakingen uit te lokken bij werknemers van andere openbare diensten.
De onwettigheid van de staking lokte veel discussie uit binnen de arbeidersklasse overal in de stad, en ook in het hele land. Hoe kon het onwettig zijn dat arbeiders protesteren door niet aan het werk te gaan? Dat vroegen vele arbeiders zich af. Zoals een arbeiders zei in een discussie in een school in Manhattan, “Het lijkt er haast op dat je alleen mag staken als het geen enkel gevolg heeft.”

De rol van de vakbond in de sabotage van de strijd


Vele arbeiders waren er zich pijnlijk van bewust dat het nieuwe, militante leiderschap van de vakbond drie jaar geleden had gecapituleerd ten gunste van een contract dat 0% loonsverhoging bood voor het eerste jaar en 3% voor het tweede en derde jaar. De vakbond stond dus onder druk van een groeiend strijdbaarheid en woede van de arbeiders om in de huidige omstandigheden strijdbaarder op te treden. Alhoewel de linkse vakbond Local 100 van de Transit Workers Union de staking volkomen beheerste, en militante taal aansloeg en het veel over ‘solidariteit’ had om de greep op de staking te behouden, bestond de rol van de vakbond er toch uit de strijd te ondermijnen en de uitwerking van deze belangrijke staking te beperken. Al aan het beging van de staking gaven de vakbonden de gestelde eis van 8% jaarlijkse loonsverhoging voor de komende drie jaar op, en richtten zich geheel en al op de pensioenen. Tijdens de vakbondsbijeenkomst waarin werd gestemd over het stakingsbesluit was geen discussie of debat toegestaan, het was een vakbondsvertoning met een hoofdrol voor de volksmennerij van dominee Jesse Jackson.
De samenzwering van vakbonden en bedrijfsleiding werd blootgelegd in een stakingsverslag in New York Times. Al de scheldpartijen tussen de vakbond en regeringsvertegenwoordigers bleken nep. Toen de burgemeester en de gouverneur om het luidst dat het werk hervat moest worden voordat er sprake kon zijn van onderhandelingen, werden er in werkelijkheid geheime onderhandelingen gevoerd in het Helmsley Hotel, en de burgemeester aanvaarde in het geheim een voorstel van Toussaint om de bedrijfsleiding de pensioenmaatregelen te laten intrekken in ruil voor een verhoging van de arbeidersbijdragen voor de medische zorg om zo voor de regering de kosten goed te maken van het behoud van de pensioenen van de toekomstige arbeiders.
Dit door vakbond en regering georchestreerde einde van de staking is natuurlijk niet verwonderlijk, maar enkel een bevestiging van de arbeidersvijandige aard van het vakbondsapparaat, en ondermijnt op geen enkele manier de betekenis van de belangrijke vooruitgang die is geboekt in de ontwikkeling van het klassenbewustzijn. Het herinnert ons aan de belangrijke taken die voor de arbeidersklasse in het verschiet liggen; namelijk het wegbreken uit de vakbonds-dwangbuis en het zelf in handen nemen van de leiding over de strijd.

Internationalism (USA), december 2005

Een groet aan de nieuwe generaties van de arbeidersklasse!

De onderstaande tekst vormde de bijlage bij Révolution internationale van maart 2006, en was tevens de inleiding op de openbare bijeenkomsten van de IKS te Antwerpen en te Amsterdam, beide op zaterdag 18 maart, de dag van de demonstraties in 150 Franse steden.

Het massaal op de been komen van de studenten in Frankrijk tegen de economische aanvallen van de regering Chirac-Villepin-Sarkozy (1) die met geweld haar Startbaancontract (CPE, Contrat Première Embauche) (2) wilde doordrijven, maakt volop deel uit van de huidige dynamiek van het weer oplaaien van de strijd van het wereldproletariaat. Deze beweging heeft niets te maken met de eerdere bewegingen van klassensamenwerking van de studentenjeugd. Hij maakt deel uit van de strijd van de hele arbeidersklasse. Vanaf het begin speelde deze beweging zich af op een klassenterrein, tegen een economische aanval, tegen het ‘no future’ dat het kapitalisme te bieden heeft aan de nieuwe generaties. En juist daarom waren de strijdende studenten in staat om hun bijzondere eisen terzijde te leggen (zoals die van het hervorming van het diplomastelsel) ten gunste van gemeenschappelijke eisen voor de hele arbeidersklasse: “Nee tegen het CPE! Nee tegen de bestaansonzekerheid, tegen de ontslagen en de werkloosheid!”

Wat de kracht van deze beweging uitmaakt is eerst en vooral de versterking van de actieve solidariteit in de strijd. Door de rangen te sluiten, door heel nauw samen te werken, door in te zien dat eendracht macht maakt konden de studenten (en scholieren) een oude slogan uit de arbeidersbeweging in praktijk omzetten: “Een voor allen en allen voor één”! Zo konden ze het personeel van de universiteit meeslepen (leraren en administratief personeel) die op hun beurt ook algemene vergaderingen hielden. Bovendien stelden studenten van de faculteiten van Île de France (de Parijse regio) hun algemene vergaderingen open voor hun werkende ouders en voor andere arbeiders en zelfs voor gepensioneerden (met name bij Paris 3-Censier). Hen werd gevraagd het woord te voeren en hun mening te geven. Deze ‘ideeënbus’, die de ‘stembus’ van de beweging was, ging snel de ronde, op straat, in algemene vergaderingen, in supermarkten, op de werkvloer, op internetsites en zo verder. Zo konden de meest bewuste en vastberaden bataljons van de beweging de solidariteit van de arbeidersklasse tot leven wekken en hun strijd over heel de arbeidersklasse uitbreiden!

De massale algemene vergaderingen vormen de zuurstof van de beweging

Daags na de betoging van 7 maart worden er aan de faculteiten van Parijs net als daarbuiten massale algemene studentenvergaderingen gehouden: de ‘man van staal’, Villepin, houdt ferm vast aan zijn strenge beleid: over het CPE zal worden gestemd in de Nationale Vergadering (het Franse parlement) want er kan geen sprake van zijn dat “de straat regeert” (zoals voormalig minister Raffarin het in 2003 uitdrukte toen hij zijn hervorming doordrukte om gepensioneerden na meer dan veertig jaar van uitbuiting in de armoede te storten!). De studenten geven geen krimp tegenover die harde hand. De collegezalen waar de algemene vergaderingen worden gehouden zitten barstensvol. De spontane betogingen nemen in aantal toe, vooral in de hoofdstad. De studenten zelf maken een eind aan de black-out van de media en dwingen deze ertoe het doodzwijgen en de leugenachtigheid te doorbreken.
Van 8 tot 18 maart - “tien dagen die de wereld deden wankelen” - de wereld van de Franse bourgeoisie (3). De studenten organiseren zichzelf steeds verder om hun verzet in één enkele richting te sturen: die van solidariteit en eenheid van heel de arbeidersklasse.
In de hoofdstad kwam deze dynamiek op gang op het plein voor de faculteit van Censier die in de voorste linie stond van de uitbreidings- en centraliseringsbeweging van het verzet.
In de algemene vergadering worden de arbeiders ‘die er eens langs gaan’ over het algemeen met open armen ontvangen. Ze worden uitgenodigd om deel te nemen aan het debat en hun ervaring in te brengen. De arbeiders die de algemene vergaderingen in Parijs meemaakten net als in andere steden (vooral Toulouse) stonden versteld van het vermogen van deze jonge generatie om hun verbeeldingskracht in dienst te stellen van de klassenstrijd. De rijkdom van het debat, vooral aan de faculteit van Censier, de verantwoordelijkheidszin van de studenten die in het stakingscomité waren gekozen, hun vermogen om de beweging te organiseren, het debat te leiden en het woord te verlenen aan ieder die zijn gezichtspunt naar voren wilde brengen, om te overtuigen en saboteurs te ontmaskeren, door de confrontatie van argumenten in de discussie; heel die dynamiek getuigde van de levenslust en de kracht van de jonge generaties van de arbeidersklasse.
De studenten verdedigden voortdurend het soevereine karakter van de algemene vergaderingen met hun gekozen en afzetbare afgevaardigden (op basis van een mandaat en het achteraf daarover verantwoording afleggen), en door bij handopsteken te stemmen. Het zijn iedere dag andere ploegen die het debat in de zaal organiseren. In die ploegen zijn zowel georganiseerde als niet georganiseerde studenten vertegenwoordigd.
Om de taken te kunnen verdelen, te centraliseren, te coördineren en de greep op de beweging te behouden, besloot het stakingscomité van Paris 3-Censier om verschillende comité’s te kiezen: pers, cultuur en scholing, ontvangst en informatie, enzovoort.
Het is dankzij die daadwerkelijke ‘democratie’ van de algemene vergaderingen en de centralisering van de strijd dat de studenten tot de acties konden besluiten die ze wilden voeren, met als belangrijkste uitgangspunt de uitbreiding van de beweging naar de bedrijven.

De uitbreidingsdynamiek van de beweging naar de hele arbeidersklasse

De studenten begrepen heel goed dat de uitkomst van hun strijd afhangt van de loonarbeiders (zoals een student in een coördinatievergadering in de regio Parijs van 8 maart zei: “als wij geïsoleerd blijven staan dan worden we met huid en haar opgevreten”). Hoe meer de regering Villepin weigerde toe te geven, des te vastberadener werden de studenten. Hoe meer Sarkozy er op los slaat, des te meer hij wekt hij de woede op van de loonarbeiders en beginnen ook zijn ‘kiezers’ tegen te sputteren.
De loonarbeiders die het meest ervaren zijn in de klassenstrijd (net als de minder stompzinnige delen van de burgerlijke politieke wereld) weten dat deze harde hand de dreiging in zich houdt van een massastaking (en niet van een ‘algemene staking’ zoals die door sommige vakbonden en de anarchisten wordt aangeprezen) als de herrieschoppers die de regering vormen zichzelf vastbijten in hun eigen irrationele ‘logica’.
En deze dynamiek richting uitbreiding van de beweging, naar de massastaking, nam een aanvang vanaf het moment dat de studenten op de been kwamen en massale delegaties naar alle hoeken van het land stuurden en naar de arbeiders in de bedrijven in de buurt van waar ze studeerden. Zij stootten op de vakbonds-‘blokkades’: de arbeiders bleven opgesloten in hun bedrijven zonder mogelijkheid om te discussiëren met de studentenafvaardigingen. De ‘slimmeriken’ van de faculteiten van Parijs moesten andere middelen verzinnen om de vakbondsbarrières te omzeilen.
Om de arbeiders op de been te krijgen gaven de studenten blijk van een rijke verbeeldingskracht. Zo hebben ze in Censier een kartonnen stembus gemaakt, die ze ‘ideeënbus’ noemden. In een paar universiteiten (zoals die van Jussieu in Parijs) kwamen ze ook op het idee om rustig te gaan kletsen op straat, zich te richten tot de voorbijgangers om hen zonder agressiviteit uit te leggen waarom ze woedend waren. Ze vroegen aan nieuwsgierigen of ze voorstellen hadden want “alle ideeën zijn welkom”. Vooral dank zij het respect dat zij kregen van de arbeiders die daar langs kwamen of die waren gekomen om solidariteit te betuigen konden de studenten in hun ‘stembus’ ideeën verzamelen die ze vervolgens in praktijk brachten. Uit ervaring leerden ze welke de ‘goede ideeën’ waren (degenen die in de richting van versterking van de beweging gaan) en welke de ‘slechte’ (die in de richting gingen van het verzwakken, van het saboteren om de studenten over te leveren aan de repressie zoals we zagen met ‘de bezetting van de Sorbonne’) (4).
De studenten van veel faculteiten, juist degenen die aan de spits stonden, stelden de zalen waarin ze hun algemene vergaderingen hielden open voor loonarbeiders en zelfs voor gepensioneerden. Zij vroegen die om hun ervaring op het werk met hen te delen. Ze waren leergierig tegenover de oudere generaties. En de ‘ouderen’ wilden van de ‘jongeren’ leren. Terwijl de ‘jongeren’ aan rijpheid wonnen begonnen de ‘ouderen’ te verjongen! Deze wisselwerking tussen de generaties van de arbeidersklasse gaf een nieuwe stoot aan de beweging. De grootste kracht van de strijd, de schoonste overwinning van de beweging, dat is de strijd zelf! Het zijn de solidariteit en de eenheid van de arbeidersklasse, van alle delen en alle generaties tezamen!
En deze overwinning werd niet behaald in het parlement maar in de zalen van de universiteit. Ongelukkigerwijs begrepen de spionnen in dienst van de regering die aanwezig waren in de algemene vergaderingen er helemaal niets van. Ze slaagden er niet in om ook maar een paar ‘ideeën’ over te brengen aan Mijnheer Villepin. En het onuitstaanbare trio Villepin-Sarkozy-Chirac zat nu juist zo erg verlegen om ‘ideeën’. Vandaar dat ze niets beters wisten te bedenken dan het ware gezicht van de burgerlijke ‘democratie’ te laten zien: dat van de repressie.

Het geweld van de politiestaat onthult het ‘no future’ van de bourgeoisie

De beweging van de studenten gaat verder dan een eenvoudig protest tegen het CPE. Zoals een leraar van de universiteit van Paris-Tolbiac het uitdrukte op de betoging van 7 maart: “Het CPE is niet alleen een daadwerkelijke en nauwgezette economische aanval. Het is ook een symbool.” Inderdaad, het is het ‘symbool’ van het bankroet van de kapitalistische economie.
Het is ook een impliciet antwoord op het ‘miskleunen’ van de politie (die in de herfst van 2005, de ‘toevallige’ dood had veroorzaakt van onschuldige jongeren die door een ‘burger’ waren aangeklaagd als ‘inbrekers’ en die achtervolgd werden door de smerissen) (5). Doordat ze op het Ministerie van Binnenlandse Zaken een sociale brandstichter benoemde (Mijnheer Sarkozy) bleek de Franse bourgeoisie niet in staat om lering te trekken uit haar eigen geschiedenis: zij vergat dat het ‘miskleunen’ van de politie (zoals de dood van Malik Oussékine in 1986) (6) een radicalisering van de arbeidersstrijd teweeg kan brengen. Momenteel heeft de repressie van de studenten van de Sorbonne, die enkel algemene vergaderingen wilden houden (en die geen boeken wilden vernietigen zoals leugenachtig beweerd wordt door Mijnheer de Robien) (7), er toe geleid dat de vastberadenheid van de studenten nog toenam. Heel de bourgeoisie en haar media van de televisie die aan haar voeten ligt hebben, uur na uur, propagandaleugens over de studenten verspreid door ze voor te stellen als ‘herrieschoppers’ (of, in de woorden van ‘heer’ Sarkozy, uit respect voor de jeugd in de buitenwijken: “racaille” ; “uitschot”).
Maar de smoes was te dun. De arbeidersklasse beet niet in het lokaas van de ‘clowns’ van het nieuws. Het is het geweld van de herrieschoppers van de bourgeoisie dat het geweld van het kapitalistisch systeem en zijn ‘democratische’ staat in het volle daglicht stelde. Een systeem dat miljoenen arbeiders de straat opgooit, die de gepensioneerden tot de bedelstaf wil veroordelen na veertig jaar uitbuiting, een systeem dat het ‘recht’ laat heersen door middel van de ‘orde’ van de knuppel. Door geen gehoor te blijven geven werd Villepin de verpersoonlijking van de grap: “Dictatuur betekent dat je je bek moet houden. Democratie dat je maar wat raak kan kletsen!” Maar het trio Villepin-Sarkozy-Chirac overtrof dat. Zij riep de studenten toe: "Klets maar raak, zolang je je bek maar houd!”
En om aan de macht te blijven konden deze ‘heren’ rekenen op de ‘solidariteit’ van de media, en dan vooral van hun ideologisch vergiftigings-instrument bij uitstek, het televisie-journaal. Waarmee met die onwaardige beelden werd ingespeeld, dat is op exhibitionistische fascinatie voor het blinde geweld, voor de manipulatie van de menigte, de ontaarding van het bewustzijn. Maar hoe meer olie de televisie op het vuur gooit om de arbeidersklasse te intimideren en te verlammen, des te meer roepen die beelden de walging op van de arbeidersklasse (en zelfs van de rechtse kiezers).
En het is juist omdat de nieuwe generaties van de arbeidersklasse, en haar meest bewuste bataljons, de sleutels van de toekomst in handen hebben, dat ze weigerden om te trappen in de provocaties van de politiestaat (en zijn inkaderingskrachten van de vakbonden). Ze weigerden het blinde en wanhopige geweld van de bourgeoisie toe te passen, of dat van de jonge relschoppers in de buitenwijken, van sommige ‘anarchisten’ en andere heetgebakerde ‘ultra-linksen’.
De kinderen van de arbeidersklasse die voorop lopen in de beweging van de studenten zijn de enigen die een perspectief kunnen bieden aan de hele maatschappij. Dit perspectief kan de arbeidersklasse alleen openen dankzij een historische visie, dankzij het vertrouwen in eigen kracht, dankzij geduld en ook humor (zoals Lenin zei). Het is precies omdat de bourgeoisie een klasse zonder historische toekomst is dat de kliek van Villepin buiten zich zelf raakte en in de pers van niets anders gebruik kon maken dan van het blinde geweld van het ‘no future’ van jonge relschoppers.
De verbetenheid van Mijnheer Villepin om niet toe te geven aan de eisen van de studenten (het intrekken van het CPE) brengt nog iets anders aan het licht: de wereldbourgeoisie geeft haar macht niet op onder druk van ‘stembussen’. Om het kapitalisme omver te werpen en een ware wereldwijde mensengemeenschap op te bouwen zal de arbeidersklasse in de toekomst gedwongen zijn om zichzelf ook met geweld te verdedigen tegen de kapitalistische staat en alle steunpilaren van zijn repressief apparaat. Maar het klassengeweld van het proletariaat heeft in het geheel niet te maken met de methoden van het terrorisme of van de rellen in de buitenwijken (zoals de burgerlijke propaganda ons wijs wil maken om het politieingrijpen te rechtvaardigen, de onderdrukking van arbeiders, van studenten en natuurlijk van de ware kommunistische militanten).

Het tegenoffensief van de bourgeoisie om de beweging te saboteren en te laten ontaarden

In een poging om al die economische en politie-aanvallen er door te drukken had de bourgeoisie vooraf de ruimte voor het verzet tegen het CPE ondermijnt. Ze maakte daarvoor eerst gebruik van de periode van de schoolvakanties om de woede van studenten en scholieren te spreiden. Maar de studenten zijn geen engeltjes (zelfs als sommigen nog altijd naar de kerk gaan). Ze bleven op de been na de vakantie en wisten dat nog te versterken. De vakbonden waren er natuurlijk van begin af aan als de kippen bij en ze deden hun uiterste best om ub de beweging een voet tussen de deur te krijgen.
Maar ze hadden er niet op gerekend dat ze in de meeste universiteitssteden massaal onder de voet zouden worden gelopen.
In Parijs bevonden zich bijvoorbeeld meer dan duizend studenten op het plein voor de faculteit van Paris 3-Censier om gezamenlijk naar de betoging te gaan. De studenten kwamen tot de ontdekking dat de vakbonden, vooral de CGT (8), hun spandoeken uitrolden om in de betoging voorop te gaan om die onder controle te krijgen. De studenten maakten onmiddellijk rechtsomkeer en namen de benenwagen en allerlei andere vervoermiddelen om de vakbonden te vlug af te zijn. Ze nemen de kop van de betoging in en vouwen hun eenheids-spandoeken uit. Ze heffen een hele reeks van verenigende slogans aan: “Studenten, scholieren, werklozen, arbeiders zonder vast werk, van de privé-sector en ambtenaren; dezelfde strijd tegen werkloosheid en bestaansonzekerheid!”
De CGT is ronduit belachelijk geworden. Ze loopt achter de studenten aan met een heleboel spandoeken: “CGT van de metaalnijverheid”, “CGT van de RATP” (Parijs openbaar vervoer), “CGT van het ziekenhuis van Pitié Salpêtrière” en ga zo maar door. Achter elk van die enorme rode spandoeken van de CGT loopt een handjevol volslagen in de war zijnde militanten. Om hun troepen een opkikkertje te geven hieven de ‘gestaalde kaders’ van de ‘vernieuwde’ stalinistische partij van Maurice Thorez (die vlak na de Tweede Wereldoorlog de mijnwerkers en de arbeiders van Renault opriep om “de mouwen op te stropen” omdat “staken een wapen van de trusts” zou zijn) ‘radicale’ slogans aan. Zo probeerden ze de studenten te overschreeuwen met hun luidsprekers. De kaders van de Franse ‘kommunistische’ partij hielden hun troepen wakker door ze De Internationale te laten zingen. Zo maakte deze oude stalinistische dinosaurus zichzelf nog belachelijker. Heel wat demonstranten en voorbijgangers lagen dubbel van het lachen. We hoorden opmerkingen in de stijl van “dat zijn die clowns van het nieuws!”
Diezelfde avond zou Bernard Thibault, de leider van de CGT, voor de televisie verklaren: “Het klopt dat we niet alles hadden voorzien.”
De vakbonden ontmaskerden zichzelf door hun eigen gekonkel. Dat is het wat Mijnheer de Robien nog altijd niet had begrepen toen hij ‘verontwaardigd’ was over het vandalisme van de ‘studenten’ aan de Sorbonne (er werden een paar boeken getoond die verscheurd waren door burgerlijke manipulatie-specialisten): “het is een kleine minderheid die de revolte van de studenten leidt”. Mijnheer de Robien heeft zijn verziende brillenglazen verkeerd om opgezet: het is inderdaad maar een kleine minderheid; maar dan niet die de beweging van de studenten leidt, maar die de hele menselijke maatschappij leidt. Een minderheid die niets anders voortbrengt dan uitbuiting en onderdrukking van de overgrote meerderheid van de klasse van de producenten.
De vakbonden, CGT en FO (9) voorop, konden niet tegen hun verlies van 7 maart. Vandaar dat sommigen van de wat intelligenter journalisten op de televisie konden verklaren: “de vakbonden zijn vernederd”. Ze werden eveneens vernederd door de spontane studentenbetogingen in de straten van de hoofdstad op 14 maart. Niet in staat om hun woede over de ‘vernederingen’ te beteugelen, hun woede over de arbeiders die hun actieve solidariteit met de studenten kwamen betuigen door zich bij de betoging van 16 maart aan te sluiten, eindigden de vakbonden ermee om in het openbaar, voor de televisiecamera’s, hun medeplichtigheid te demonstreren met de troepen van Mijnheer Sarkozy.
In Parijs liepen de ‘ordediensten’ van de CGT (verbonden aan de stalinistische partij) en van FO (die na de Tweede Wereldoorlog met behulp van de CIA werd opgericht) hand in hand voorop in de demonstratie tegenover de CRS (10). Aan het eind van de demonstratie verslapte het vakbondscordon plotseling wonderbaarlijk om daarmee doorgang te verlenen aan de kleine ‘kamikazes’ die in de demonstratie waren binnengedrongen en die zich in de richting van de Sorbonne haastten om hun eigen kat-en-muis-spelletje met de CRS te gaan spelen. Iedereen die op de eerste rij stond en getuige was van deze nieuwe gewelddadigheden vertelde dat het dankzij de ‘ordediensten’ van CGT en FO was dat Villepin en Sarkozy er nog eens op los konden slaan en hun boevenwagens vullen.
Maar vooral, de doordringende beelden van de gewelddadige confrontaties die volgden op de manifestatie in Parijs hadden tot doel om angst aan te jagen voor de grote manifestatie van 18 maart. Veel arbeiders en jongeren die van plan waren om er aan deel te nemen dreigden daar van af te zien uit angst voor nieuwe gewelddadigheden.
De presentators van het televisie-journaal hadden goed nieuws voor de kijkers: we gaan in de richting van de “ontaarding van de beweging” (volgens het avond-‘nieuws’ van 16 maart). Maar degenen die de beweging willen laten ‘ontaarden’, dat zijn de handlanger van Sarkozy, dat zijn de vakbonds-inkaderaars. En dat begint tot de arbeidersklasse door te dringen. Achter de huichelachtige ‘radicale’ toespraken proberen de vakbonden de zaken onder controle te houden. Maar voorlopig is dat mislukt!
De stalinistische partij en haar CGT hebben ondertussen hun plaats gevonden in het Grote Pantheon van Jurassic Parc (naast de brontosaurussen van de UMP) (11). Als de vakbonden tot op heden hun rol van sociale brandweerlieden niet konden vervullen dan was het omdat de brandstichters Sarkozy en Villepin hun spandoeken van 16 maart in de fik hadden gestoken.
En als de arbeiders de studenten in strijd te hulp schoten, dat was het omdat ze zagen hoe de vakbonden in de bedrijven de black-out overnamen van de media over de massale algemene vergaderingen van de studenten.
Sinds de manifestatie van 7 maart bleven de vakbonden rondsloffen en wrongen ze zich in alle bochten om de loonarbeiders te verlammen. Ze deden er alles aan om te verdelen en de woede van de arbeidersklasse tot bedaren te brengen. Ze probeerden de beweging van de studenten te saboteren. Toen ze de trein hadden gemist begonnen ze radicaler taal aan te slaan en ‘eisten’ ze het intrekken van het CPE voordat er zelfs maar onderhandelingen waren geopend (terwijl ze van meet af aan in de weer waren om achter de rug van de arbeidersklasse om te ‘onderhandelen’). Ze schermden zelfs dreigend met een ‘algemene staking’ om de regering ‘op de knieën te krijgen’. Kortom, ze onthulden in het openbaar dat ze niet wilden dat de arbeiders op de been kwamen uit solidariteit met de studenten. Met de rug tegen de muur toverden ze hun ‘troefkaart’ uit de mouwen waarbij ze dankbaar gebruik maakten van een paar opgewonden kwajongens om het tot steeds meer geweld te laten komen.
De enige uitweg uit deze politieke crisis van de Franse bourgeoisie bestaat uit het opkalefateren van de oude façade van de republikeinse staat. En het was dat cadeau dat parlementair links aan mijnheer Villepin op een zilveren schaaltje wilde aanbieden: de socialistische, stalinistische en groene partijen maakten zich meester van de Constitutionele Raad (12) om ‘klacht’ in te dienen tegen het CPE. Misschien dat de regering dankzij dit door de socialistische partij toegestoken handje uit de impasse kan geraken door het CPE in te trekken op advies van de ‘twaalf wijzen’. Daarmee zou ze zich dan de leuze van Raffarin “het is niet de straat die regeert” tot de hare kunnen maken, maar dan alleen door er aan toe te voegen: “het zijn de twaalf gepensioneerden van de Constitutionele Raad die regeren”!

De grootste overwinning, dat is de strijd zèlf

Door de studenten van de Sorbonne “met de hogedrukspuit” te willen “reinigen” (net als hun kameraden die hen voedsel kwamen brengen) heeft Mijnheer Sarkozy een doos van Pandora geopend. En uit deze doos van de wanhoop toverde de regering Villepin-Sarkozy de ‘valse vrienden’ van de arbeidersklasse, de vakbonden.
Het wereldproletariaat kan de Franse bourgeoisie bijgevolg bedanken. Door tijdens de laatste verkiezingen te dreigen met het schrikbeeld of liever de vogelverschrikker Le Pen slaagde de bourgeoisie van de driekleur erin om haar zo ongeveer meest stompzinnige rechterfractie in de regering te brengen. Een rechts dat de politiek voert van een ‘bananenrepubliek’.
Waarop deze beweging verder ook moge uitdraaien, deze beweging van de hele arbeidersklasse is nu al een overwinning.
Dankzij de nieuwe generaties is de arbeidersklasse er in geslaagd om het ‘blokkeren’ van de solidariteit door de vakbonden te breken. Alle delen van de arbeidersklasse, en dan vooral deze nieuwe generaties, hebben belangrijke ervaringen opgedaan die diepe sporen zullen nalaten in hun bewustzijn.
Deze ervaring komt toe aan het wereldproletariaat. Ondanks de black-out door de ‘officiële’ media konden ‘parallelle’ media, ongecensureerde beelden en ‘vrije zenders’ en ook de pers van de revolutionairen de proletariërs van de hele wereld in deze ervaring laten delen. Want deze strijd is niet meer dan een hoofdstuk in de strijd van de wereldarbeidersklasse. Hij maakt onderdeel uit van voortdurende arbeidersstrijd sinds 2003. Dat bevestigt dat de arbeidersklasse van de meeste geïndustrialiseerde landen de terugslag te boven is gekomen die het in 1989 te verduren kreeg door de campagnes die de bourgeoisie voerde na de ineenstorting van het Oostblok en van de regimes die werden voorgesteld als ‘socialistisch’ en ‘van de arbeiders’. Een van de belangrijkste kenmerken van deze strijd wordt gevormd door het weer opbloeien van solidariteit tussen de arbeiders. Vandaar dat in twee van de belangrijkste landen van de kapitalistische wereld, in de Verenigde Staten en in Groot-Brittannië, de solidariteit het uitgangspunt vormde van de arbeidersstrijd. In het openbaar vervoer van New York, net voor Kerstmis 2005, gingen de arbeiders niet voor zichzelf in staking, maar om voor de jonge arbeiders die voortaan zouden worden aangenomen de garanties te behouden die ze voor hun pensioenen hadden verkregen (13). De staking van het bagagepersoneel dat in augustus 2005 meerdere dagen het vliegveld van Heathrow in Londen blokkeerde deed dat uit solidariteit met de arbeiders in de cateringsector die heel onrechtvaardige aanvallen onderging van hun ondernemer, Gate Gourmet (14)
Deze belangrijke stakingen vormden een onderdeel van een algemene tendens om in strijd te gaan, een tendens die zich al sinds 2003 onophoudelijk manifesteerde. Dat gebeurde niet enkel in de beweging voor de verdediging van de pensioenen in Frankrijk, maar ook Oostenrijk zag de belangrijkste straatmanifestaties sinds de Tweede Wereldoorlog. Diezelfde tendens openbaarde zich in 2004 vooral ook in Duitsland in de stakingen in de automobielsector (met name bij Daimler-Chrysler en bij Opel) die, geconfronteerd met ontslagen, heel duidelijk de solidariteits-kwestie tussen arbeiders stelden (15). Die tendens werd in december 2005 andermaal bevestigt bij de SEAT-fabriek in Barcelona in Spanje, waar de arbeiders de strijd aangingen buiten de vakbonden om en tegen hen in, en tegen een overeenkomst die de vakbonden achter hun rug om hadden gesloten en waarin het ontslag van 600 van hun kameraden was voorzien (16).
De beweging van de studenten in Frankrijk maakt dus deel uit van een strijd van historische omvang en waarvan de uitkomst de mensheid in staat zal stellen weg te komen uit de impasse van het kapitalistische barbarendom. De jonge generaties die de strijd zijn aangegaan op een klassenterrein openen de deur naar de toekomst. We kunnen ze het vertrouwen schenken: in alle landen zullen ze doorgaan om een nieuwe wereld voor te bereiden die bevrijd is van concurrentie, winst, uitbuiting, armoede en bloedige chaos.
De weg naar de omverwerping van het kapitalisme is vanzelfsprekend nog lang en bezaaid met voetangels en klemmen, met allerlei valstrikken, maar die weg wordt geleidelijk vrij gemaakt.

Internationale Kommunistische Stroming, 17 maart 2006.

(1) Jacques Chirac, de huidige Franse president; Dominique de Villepin, Eerste Minister en opvolger van Jean-Pierre Raffarin; Nicolas Sarkozy, Minister van Binnerlandse Zaken.
(2) Contrat Première Embauche (Startbaancontract): een nieuwe vorm van arbeidscontract voor arbeiders onder de 26 jaar voorgesteld door de regering Villepin. De meest saillante maatregel ervan is de tweejarige ‘proefperiode’, waarin de werkegever het recht heeft om een arbeider zonder voorafgaande kennisgeving of opgaaf van redenen te ontslaan. Deze maatregel wordt al toegepast in het CNE-arbeidscontract voor arbeiders van alle leeftijden in het kleinbedrijf (minder dan 25 werknemers). In feite zijn deze twee nieuwe arbeidscontracten bedoeld om, samen met tijdelijke contracten voor oudere werknemers (CDD Séniors), stukje bij beetje de bestaande Franse arbeidswetgeving om zeep te helpen, en daarmee de beperkte rechten af te schaffen die deze de arbeiders tegenwoordig nog biedt.
(3) Tien dagen die de wereld deden wankelen: verwijzing naar de titel van een boek van John Reed over de Oktoberrevolutie in Rusland in 1917.
(4) De Sorbonne: universiteitsgebouw in Parijs dat symbool staat voor het studentenprotest in 1968.
(5) Verwijzing naar de elektrocutie van twee Parijse kinderen die onterecht voor dieven waren aangezien en die zich uit angst voor de politie verborgen in een elektriciteitsgebouw; het vormde de aanleiding voor de gewelddadigheden in de Franse buitenwijken, zie: Frankrijk: De bourgeoisie gebruikt de rellen tegen de arbeidersklasse, en: Debat over de rellen in de Franse buitenwijken: Solidariteit is niet hetzelfde als het toejuichen van een uitzichtloze beweging.
(6) Malik Oussékine: werd in de nacht van 5 of 6 december 1986 tijdens studentenprotest een wetsvoorstel door twee Franse politieagenten van de mobiele brigade doodgeslagen; een dag later trad Alain Devaquet, die het wetsvoorstel had ingediend, af. Op 8 december volgde er stille marsen met 300.000 deelnemers in Parijs en een miljoen in heel Frankrijk, waarna Jacques Chirac, toenmalige Eerste Minister, het wetsvoorstel introk. Over eerder studentenprotest, zie ook: Scholierenbetogingen in Frankrijk: De jeugd wijst een toekomst van ellende af.
(7) Gilles de Robien, huidig Minister van Voorzieningen, Transport, Huisvesting, Tourisme en Maritieme Zaken.
(8) CGT: Confédération Générale du Travail; Franse stalinistische vakbond.
(9) FO: Force ouvrière, een centrum-rechtse vakbond.
(10) CRS: Compagnie Républicaine de Sécurité; Franse oproerpolitie.
(11) UMP: Union pour un Mouvement Populaire, een rechtse partijcoalitie, in 2002 opgericht voor de herverkiezing van Jacques Chirac.
(12) Constitutionele Raad: een Raad van State die de besluiten van het parlement controleert.
(13) Zie: De betekenis van de openbaar vervoersstaking in New York City en: Stakingen in het openbaar vervoer te New York: Ook in de Verenigde Staten komt de strijd op gang.
(14) Zie: Staking op de luchthaven van Heathrow: Het enige middel om ons te verdedigen is onze klassensolidariteit.
(15) Zie: Karstadt, Opel, VW: De noodzaak van arbeiderssolidariteittegen de logica van het bankroete kapitalisme en: Stakingen in Duitsland: De arbeidersklasse reageert op de chantage van de delocalisaties.
(16) Zie: Spontane staking bij SEAT in Spanje: Om de strijd te ontwikkelen moet de vakbondssabotage te lijf worden gegaan.

Internationalistische verklaring vanuit Korea tegen de oorlogsdreiging

Eind oktober 2006 werd in de Zuid-Koreaanse steden Seoel en Ulsan een conferentie gehouden van internationalistische organisaties waartoe was opgeroepen door het Socialistisch-Politiek Verbond (SPV). Hoe bescheiden het deelnemerstal ook was, de SPV is (voorzover ons bekend) de eerste georganiseerde uiting in het Verre Oosten van de beginselen van de Kommunistische Linkerzijde, en deze conferentie was zeer zeker de eerste in zijn soort. Als zodanig heeft hij een historische betekenis, en de IKS verleende van ganser harte zijn steun door een delegatie te sturen om de conferentie toe te spreken (1).

In de dagen voorafgaand aan de conferentie werd het belang op de lange termijn van de doelstelling overschaduwd door de dramatische verscherping van inter-imperialistische spanningen in de regio door het tot ontploffing brengen van Noord-Korea’s eerste atoombom en de manoeuvres die daarop volgden van vooral de verschillende regionale machten (Verenigde Staten, China, Japan, Rusland, Zuid-Korea). Tijdens de conferentie werd dit vraagstuk dan ook uitvoerig besproken wat aanleiding gaf tot de aanvaarding van onderstaande tekst door de deelnemers waarvan de namen onderaan de verklaring te vinden zijn:

Internationalistische Verklaring vanuit Korea tegen de oorlogsdreiging

Volgend op het nieuws over de nucleaire tests in Noord-Korea; wij, kommunistische internationalisten bijeengekomen in Seoel en Ulsan:

  1. Veroordelen de ontwikkeling van het vermogen van nog meer kapitalistische staten om kernbommen te maken: de atoombom is het ultieme wapen in de inter-imperialistische oorlogvoering waarvan het enige doel bestaat uit de massale uitroering van de burgerbevolking in het algemeen en de arbeidersklasse meer in het bijzonder.
  2. Veroordelen onvoorwaardelijk deze nieuw stap in de richting van oorlog door de kapitalistische Noord-Koreaanse staat die hiermee (alsof dat nog nodig was) andermaal laat zien dat deze in het geheel niets te maken heeft met arbeidersklasse of kommunisme, en dat hij niets anders is dan een heel extreme en groteske versie van de algemene tendens naar militaristisch barbarendom van het kapitalisme in verval.
  3. Veroordelen onvoorwaardelijk de huichelachtige campagne door de Verenigde Staten en hun bondgenoten tegen hun Noord-Koreaanse vijand die niets anders is dan de ideologische voorbereiding voor het laten uitbreken – zodra ze daarvoor over de middelen beschikken – van hun eigen preventieve aanvallen waarvan de werkende bevolking het belangrijkste slachtoffer zal worden, net als momenteel in Irak. We zijn niet vergeten dat de Verenigde Staten de enige supermacht is die atoomwapens heeft ingezet om de burgerbevolking van Hirosjima en Nagasaki uit te moorden.
  4. Veroordelen onvoorwaardelijk de zogenaamde ‘vredesinitiatieven’ die onvermijdelijk onder de hoge bescherming van andere imperialistische gangster zoals China staan. Deze zullen niet over vrede gaan, maar over de eigen imperialistische belangen in de regio. De arbeiders kunnen geen vertrouwen stellen in de ‘vredelievende bedoelingen’ van welke kapitalistische staat dan ook.
  5. Veroordelen onvoorwaardelijk iedere poging van de Zuid-Koreaanse bourgeoisie om onder het voorwendsel van verdediging van nationale vrijheid of democratie repressieve maatregelen te nemen tegen de arbeidersklasse of tegen activisten in hun verdediging van internationalistische beginselen.
  6. Bevestigen onze volledige solidariteit met de arbeiders van Noord- en Zuid-Korea, China, Japan en Rusland die als eersten zullen lijden onder militaire actie wanneer die uitbreekt.
  7. Verklaren dat alleen de wereldwijde arbeidersstrijd voor altijd een eind kan maken aan het voordurende dreiging van barbarendom, imperialistische oorlog en nucleaire vernietiging dat tijdens het kapitalisme over de mensheid hangt.

De arbeiders hebben geen land te verdedigen!

Arbeiders aller landen, verenigt u!


Deze verklaring werd ondertekend door de volgende organisaties en groepen:

  • Internationale Kommunistische Stroming
  • Socialistisch-Politiek Verbond (Korea), groepsvergadering te Seoel van 26 oktober 2006
  • Internationalist Perspectives

Een aantal bij de Conferentie aanwezige kameraden tekenden deze verklaring eveneens op persoonlijke titel:

  • SJ (Seoul Group for Workers’ Councils)
  • MS (Seoul Group for Workers’ Councils)
  • LG
  • JT
  • JW (Ulsan)
  • SC (Ulsan)
  • BM

(1) Nadere gegevens over deze conferentie volgen.

Maoïsme: Een zuiver product van de contrarevolutie

Dertig jaar geleden stierf Mao Zedong (Mao Tse-tung), De Chinese regering heeft ter gelegenheid van de dertigjarige herdenking van het overlijden van de ‘grote roerganger’ geen pracht en praal tentoon gespreid. In tegendeel, het is stilte alom onder de partijbonzen van het ‘Rijk van het Midden’. En het zijn paradoxaal vooral de westerse media die niet aflaten de leider van de ‘Lange Mars’ en de ‘Vader van de Chinese Natie’ in de herinnering te roepen. Maar dat dient natuurlijk vooral twee doelen: het voeden van de leugen volgens welke Mao een ware strijder van het revolutionaire proletariaat zou zijn geweest en die volgens welke zijn zogenaamd proletarische politieke weg geplaveid zou zijn met de tientallen miljoenen doden waarvoor hij verantwoordelijk was, door repressie, door schandelijke uitbuiting  en door hongersnoden waaraan hij tijdens zijn heerschappij de arbeidersklasse en de hele bevolking onderwierp. Wij publiceren hieronder een artikel dat verscheen in Internationalisme, nr. 231, van juni 1997, waarin andermaal dit soort van campagnes wordt aangeklaagd dat uit de hoed van de heersende klasse worden getoverd om het stalinisme op één hoop te kunnen gooien met proletarische strijd. Wie meer wil weten over de stalinisering van de Chinese Kommunistische Partij kunnen we verwijzen naar twee artikelen van de Internationale Kommunistische Stroming die verschenen in de Internationale Revue, nr. 81 en 84 en die in het Engels en Frans te vinden zijn op onze website.

De bourgeoisie laat geen gelegenheid voorbijgaan om de leugen van de vereenzelviging van stalinisme met kommunisme te verspreiden en in stand te houden. Zo wil ze ons wijsmaken dat er sinds de ineenstorting van de Sovjet-Unie nog altijd ‘kommunistische’ landen bestaan, zoals China, het vaderland van de ‘grote revolutionair’ Mao Zedong. Deze klasse van leugenaars is meester geworden in het vervalsen van de geschiedenis en zou de arbeiders willen inprenten dat het maoïsme, net zoals het stalinisme, voortkomt uit de arbeidersbeweging. Dergelijk bedrog is puur vergif voor het proletarisch bewustzijn. Voor de revolutionairen is het maoïsme nooit iets anders geweest dan een burgerlijke ideologische en politieke stroming, gegroeid uit het vermorzelen van de arbeidersbeweging in China, gevoed door de stalinistische contrarevolutie en de smerigste imperialistische belangen.

De Kommunistische Partij van China bij haar oprichting: een uitdrukking van de internationale revolutionaire beweging

De Kommunistische Partij van China werd opgericht in 1920 en 1921, uitgaande van kleine marxistische, anarchistische en socialistische groepen die sympathiseerden met de Sovjet-Unie. Zoals andere partijen ontstond de KPC rechtstreeks als onderdeel van de Kommunistische Internationale (KI) en haar groei was nauw verbonden met de internationale ontwikkeling van de arbeidersstrijd en de historische periode waarin de Russische Revolutie zelf en de opstandige bewegingen in centraal en midden Europa had uitbraken. Van 1921 tot 1925 groeide de KPC van 4.000 tot 60.000 leden en bracht zo de wil en vastberadenheid van het proletariaat tot uiting dat sinds 1919 een verwoed gevecht leverde tegen de Chinese bourgeoisie, voornamelijk in de meest geïndustrialiseerde zones. In dit grote gekoloniseerde, overwegend agrarische land vormde het proletariaat maar een zeer kleine minderheid. Dat onderging bovendien de invloed van bijzonder achterlijke en achtergebleven ideologieën, had een zeer beperkte ervaring in klassenstrijd en bezat als gevolg daarvan een zwak en uiterst heterogeen klassenbewustzijn. In deze periode vond zijn strijd steeds meer plaats op het terrein van de verdediging van zijn eigen belangen als klasse. Het onttrok zich steeds meer aan de burgerlijke valstrikken. Zo probeerde de bourgeoisie het voor de wagen te spannen van het het verzet tegen de verschillende imperialistische grootmachten die zich in China hadden genesteld en tegen de Chinese ‘krijgsheren’. Ook richtte zijn strijd zich langzamerhand tegen de Kwomintang, vertegenwoordiger van de ‘progressieve’ vleugel van de Chinese bourgeoisie, die sinds 1910 met Sun Yat Sen de opbouw van een verenigde staat voorstond.

Het groeiende opportunisme in de Kommunistische Internationale, voortvloeiend uit haar verkeerde opvattingen over het ‘zelfbeschikkingsrecht der naties’, leidde ertoe dat in 1922 een parool werd gegeven dat dramatische gevolgen zou hebben voor het proletariaat: het vormen van een ‘anti-imperialistisch eenheidsfront tussen KPC en Kwomintang’. In 1923 is de KPC al praktisch opgeslorpt door de Kwomintang die vervolgens in 1926 sympathiserend lid wordt van de Kommunistische Internationale. Dat was aan de vooravond van de bloedige onderdrukking van de Commune van Sjanghai. Meegesleurd in de ongenadige ontaardingsspiraal werd de Kommunistische Internationale, geleid door een uitvoerend comité dat onder het juk van Stalin stond, een werktuig van de imperialistische politiek van de Sovjet-Unie. De Kwomintang wist zich verzekerd van zijn bondgenootschap met de Kommunistische Internationale, en gaf zich tijdens de grote stakingen van 1925, met het medeweten en de stilzwijgende medeplichtigheid van de westerse imperialisten, vervolgens over aan een wrede onderdrukking van het proletariaat. Daarbij werden de beste kommunistische militanten van de KPC, die daarvoor van de organisatie waren uitgesloten, vervolgd en vermoord. Volslagen doof voor de revolutionaire elementen van de KPC en ondanks de arbeidersvijandige uitspattingen van Chiang Kai-shek (Tsjang Kai Tsjek) zag het uitvoerend comité van de Kommunistische Internationale niet af van zijn verbond met de Kwomintang, die als enig doel had de macht te grijpen en zijn aartsvijand, het proletariaat, te verpletteren. Het uitmoorden van de Commune van Sjanghai in 1927, uitgevoerd door Chiang Kai-shek – met de waardevolle en actieve steun van machtige geheime sekten zoals de ‘Groene Bende’ die zich in het proletariaat hadden genesteld –, de verplettering van de opstanden in Nanchang (Nantsjang) en vervolgens in Guangzhou (Kanton), betekende meteen ook het einde van de KPC als partij van het proletariaat.

De KPC in de contrarevolutie: één van de grootste karikaturen van een stalinistische partij

Terwijl de beste revolutionaire elementen van de KPC vervolgd en terechtgesteld werden, ondersteunde en rechtvaardigde haar meest gestaliniseerde fractie, waartoe Mao Zedong behoorde en die speciaal belast was met de banden tussen de KPC en de Kwomintang, dit bloedbad omwille van de samenwerkingspolitiek met de ‘progressieve’ bourgeoisie die tegemoet kwamen aan de behoeften van de Russische staat.

Terwijl in de arbeiderscentra haar anti-proletarische politiek werd voortgezet zoals die door de Komintern was uitgestippeld, begon de KPC, ontdaan van haar proletarische basis en als uiting van de radicale omvorming van haar klassenaard, vooral door de geschriften van Mao de ‘revolutionaire rol’ van de boeren te vertheoretiseren. Bijgevolg werd ze verdedigster van de boeren maar ook van lagen van de kleinburgerij en de bourgeoisie die vijandig stonden tegenover het autoritaire karakter van de nieuwe heerser van China, Chiang Kai-shek. De nieuwe kaders van de partij werden zorgvuldig geselecteerd door Stalin die de KPC gebruikte als werktuig voor de expansie van het Russisch imperialisme en als pressiemiddel in de strubbelingen met de Kwomintang. De massale toevloed van contrarevolutionaire elementen, van allerhande avonturiers, van kleinburgers en bourgeois die gebroken hadden met Chiang Kai-shek, veranderde de KPC in een waar riool van intriges en manoeuvres, waar de verschillende vijandige klieken elkaar gewelddadig te lijf gingen om de controle over de partij.

In plaats van een heldhaftige episode van ‘kommunistische verzet’ onder de leiding van de ‘grote roerganger’ Mao te zijn geweest, diende de episode van de ‘Lange Mars’ er alleen toe de verschillende guerrillahaarden onder één centraal commando te brengen om voor rekening van de grote stalinistische broer, die de kaders ervan nauwgezet controleerde, een burgerlijk leger te kunnen vormen dat die naam waardig was. De Russische imperialistische honger nam geleidelijk toe waardoor het bondgenootschap met de Kwomintang verkoelde. Daarvoor werden massa’s arme boeren ingelijfd en als kanonnenvlees gebruikt: de ‘Glorierijke Lange Mars’, die duurde van 1935 tot 1936, eiste onder hen een tol van meerdere honderdduizenden mensenlevens. En als de ‘grandioze opperbevelhebber Mao’ het tijdens deze campagne uiteindelijk haalde, was zelfs dit niet te danken aan zijn talenten als militair strateeg, maar aan zijn kunst om tweedracht te zaaien en omdat hij de rivaliteit binnen het Chinese Rode Leger op de spits wist te drijven en in eigen voordeel uit te buiten.

Of het nu de KPC was of de Kwomintang, het was duidelijk dat deze klieken het allemaal eens waren over het wezenlijke dat ze gemeen hadden: de verdediging van het Chinese kapitaal. Daardoor komt het dat de KPC bij het uitbreken van het Chinees-Japanse conflict in 1936, alweer als bondgenoot van de Kwomintang, uitblinkt als belangrijkste leverancier van kanonnenvlees voor de imperialistische oorlog. Toen het Duitse leger in 1941 de Sovjet-Unie binnenrukte zag Stalin zich op twee fronten bedreigd en tekende een niet-aanvalsverdrag met Japan. Een onmiddellijk gevolg daarvan was de breuk van de KPC met Moskou en de overwinning van de maoïstische vleugel op de pro-Russische. Zodra de Verenigde Staten in 1942 aan Japan de oorlog verklaren gaat de KPC nog meer samenwerken in een bondgenootschap met de Kwomintang die luistert naar de orders van Uncle Sam. Van 1943 tot 1945 bereikten de grote anti-stalinistische zuiveringen binnen de partij hun hoogtepunt en van dat moment af wordt het maoïsme de officiële doctrine van de partij.

Het maoïsme: een staatskapitalistische doctrine

De burgerlijke geschiedschrijvers en intellectuelen onderhouden een hele mythe rond het maoïsme, ‘kommunisme op zijn Chinees’, uitgedragen door Mao Zedong, beschouwd als stichter van de KPC, die ‘socialisme’ bracht in dit grote land. De ideologen van de bourgeoisie stellen de komst van de ‘grote roerganger’ aan het hoofd van China voor als het gevolg van een ‘revolutie van het volk, de boeren en de arbeiders’, maar de werkelijkheid is heel anders: de KPC kwam aan de macht door smerige imperialistische troebelen. In feite maakte de KPC haar terugkeer onder de vleugels van Moskou te gelde, tegen de Verenigde Staten in en na de akkoorden van Yalta, en zo kon zij in 1949 definitief haar directe rivaal, de Kwomintang uitschakelen en de ‘Volksrepubliek China’ stichten.

Toen de KPC de touwtjes van de staat eenmaal stevig in handen had kon zij, met Mao voorop, de vrije teugel laten aan een wrede uitbuiting van de arbeiders en boeren in een poging om dit immense land, dat totaal leeggebloed was na tientallen jaren van burgeroorlog en imperialistische oorlogen, weer op te bouwen.

In haar midden zal de strijd tussen de verschillende rivaliserende fracties zich meer dan ooit toespitsen. De wrede strijd om de macht, waaraan Mao en konsorten zich overleveren, zal eens te meer op de meest bloedige wijze worden beslecht over de rug van de uitgebuite lagen, de arbeidersklasse en de boeren. En terwijl alle burgerlijke geschiedkundigen ons dit voorstellen als stappen vooruit in de verwezenlijking van het ‘socialisme’, hebben ze ons integendeel niets anders getoond dan eenzelfde wreedheid en onmacht van het staatskapitalisme op z’n Mao’s.

De beroemde toespraak van Mao Zedong uit 1957 ‘Laat Honderd Bloemen Bloeien’ leidde een eerste poging in om zijn ideologische greep op de massa’s te verstevigen en hen te mobiliseren tegen zijn rivalen in de partij. In het verlengde daarvan, en onder de dekmantel van het ontwikkelen van ‘nieuwe productiekrachten’, werd minder dan een jaar later de ‘Grote Sprong Voorwaarts’ afgekondigd. Deze moest de onfeilbaarheid van de ‘opperste leider’ in de landsregering bewijzen. Deze ‘Grote Sprong Voorwaarts’ was een ongekende duik in de economische catastrofe (een ramp die overigens door de leiders van de partij zélf was aangekondigd). Het voornaamste economische resultaat bestond uit een afgrijselijke hongersnood, die in iets meer dan een jaar tientallen miljoenen mensenlevens eiste. Dit verliep via de oprichting van ‘Volkscommunes’; het in de pas brengen van de boerenbevolking, en vervolgens door verscherpte uitbuiting van de arbeidersklasse met het opstarten van zware industrie in dienst van de oorlogseconomie. Maar daardoor werd Mao in 1959 ook door het geheel van de partij versneld aan de kant gezet.

Zijn rivalen zoals de nieuwe president Liu Shao Qi dachten dat ze hem geneutraliseerd hadden maar zeven jaar lang werkte hij in de schaduw geduldig voort tot hij in 1966 de brede beweging van de ‘Culturele Revolutie’ kon laten uitbreken. Deze gebeurtenis gaf aanleiding tot één van de grootste vervalsingen uit de geschiedenis en waaraan burgerlijke ideologen van allerlei slag met zeldzame ijver hun medewerking hebben verleend. Gedreven door een ongelooflijke machtswellust gaat Mao op twee borden schaken. Enerzijds steunt hij op het officierencorps van een leger dat door de pro-maoïstische minister van landsverdediging, Lin Biao, was gereorganiseerd om een staatsgreep te kunnen plegen en dat handig werd geïndoctrineerd met het ‘Rode Boekje’. Anderzijds roept hij op tot de vorming van ‘Rode Wachten’ die gerekruteerd worden uit kleinburgerlijke studentenlagen die worden opgehitst en die happig zijn op staatsbaantjes. Deze twee krachten komen steeds meer tegenover elkaar te staan en sleuren brede fracties van het proletariaat mee, dompelen heel het land in burgeroorlog en ellende, in een onbeschrijflijke chaos, en dat was juist de bedoeling van Mao die de schuld ervan afschuift op de leiders en er zelf alle voordeel uit slaat. Na drie jaar van verschrikkingen onder leiding van de ‘Grote Roerganger’ slaagt hij daar ook in; slachtpartijen onder de bevolking, massale zuiveringen binnen de KPC, dat alles zou voortduren tot na zijn terugkeer aan de macht in 1968. Die zou ook meteen het doodvonnis inluiden voor de ‘Rode Wachten’ die zich koesterden aan zijn slogan ‘Vergeet de klassenstrijd niet’. Het aantal doden als gevolg van deze hongersnood laat zich niet becijferen. Maar over het aantal van honderdduizenden doden dat de westerse media opgaven zou Mao op het einde van zijn leven met een verregaand cynisme zelf zeggen dat dit nog beneden de werkelijkheid lag!

Terwijl het maoïsme onvermoeibaar zijn vernietigingswerk op de Chinese nationale bodem voortzette kende ook zijn imperialistische activiteit geen rust. Vandaar dat de Chinese staat in bijvoorbeeld Monfolië onder Russische duiven schiet en in 1960 met de USSR breekt. Het binnenvallen van Tibet, de actieve deelname aan de oorlog in Vietnam, het verlenen van de belangrijkste steun, met de zegen van de Verenigde Staten, aan de Rode Khmers van Pol Pot in Kampuchea, en onder het voorwendsel van ‘nationale bevrijdingsstrijd’ de steun aan verschillende bewapende groepen zoals ‘Lichtend Pad’ tot in Zuid-Amerika; ze waren tekenend voor de opkomst van het Chinese imperialisme dat door de ‘groten’ werd ‘erkend’. Toch wordt de leugen van het ‘revolutionaire’ karakter van de Chinese maoïstische staat (die ook de onderdrukking van de arbeidersopstand van 1956 in Hongarije door de Russische troepen had toegejuicht) in stand gehouden en met veel trompetgeschal uitgebazuind door alle fracties van de westerse bourgeoisie, omdat het een belangrijke factor van bedrog en verwarring vormt voor de arbeidersstrijd zowel in het hart van het kapitalisme als in de periferie.

Momenteel worden Mao en zijn opvolgers door de bourgeoisie nog steeds voorgesteld als ware en onbuigzame vertegenwoordigers van het kommunisme. Door die leugen te bestendigen streeft de heersende klasse slechts één doel na: het bewustzijn van de proletariërs te vertroebelen en het historisch perspectief van hun strijd aan te tasten, namelijk de vernietiging van het wereldkapitalisme en de oprichting van een werkelijk kommunistische maatschappij.

AK

Midden-Oosten: Het enige antwoord tegen het afglijden in de oorlog is de internationa­le klassenstrijd

Opnieuw staat het Midden-Oosten in vlammen. Israëlische vliegtuigen en oorlogssche­pen voeren systematische bombardementen uit op Beiroet en andere doelen in Zuid- en Noord-Libanon. Honderden burgers zijn vermoord of verminkt, vitale infrastructuur is verwoest. Vluchtelingen proberen in groeiende aantallen aan de gebombardeerde gebie­den te ontkomen. Op het moment van schrijven vinden er voorbereidingen plaats voor een inva­sie over land door het Israëlische leger. In het zuiden, in Gaza, is het hele gebied slechts enkele maanden na de Israëlische troepenterugtrekking opnieuw tot een strijd­perk tussen Israëlische troepen en gewapende Palestijnse organisaties omgevormd. De Israëlische militaire blokkade van beide regio’s wurgt de economie en veroorzaakt onnoemelijke ontberingen voor de plaatselijke bevolkingen. Maar ook de Israëlische bevolking wordt steeds angstiger: de raketten van Hezbollah hebben al verschillende levens geëist in het noorden waar acht mensen omkwamen door granaatinslagen in een spoorwegdepôt in Haifa.
De ontvoeringen van Israëlische soldaten door Hamas in het zuiden en Hezbollah in het noorden worden als reden opgegeven voor dit grootschalige offensief van de Israëlische staat. Maar dat is slechts een voorwendsel: Israël heeft de crisis aangegrepen om de Hamas-regering in de bezette gebieden kreupel te slaan of te liquideren, en om van de Libanese staat te eisen om Hezbollah te ontwapenen - iets dat helemaal bui­ten het bereik van diens mogelijkheden ligt. Het probeert ook om Syrië en Iran in het conflict te betrekken, door dreigende taal uit te slaan in de richting van Syrië, en door te beweren dat één van de doelen voor het bombarderen van Libanon bestaat uit het verhinderen dat de ontvoerde Israëlische soldaten worden overgebracht naar Iran, dat Hezbollah bewapent en steunt.

De dreiging van een regionale oorlog

Het conflict draagt de dreiging in zich om tot een regionale oorlog te escaleren. En omdat het Midden-Oosten een regio is van zo’n groot strategisch belang, betekent iedere oorlog daar niet alleen een conflict tussen Israël en de Palestijnen of zijn Arabische buren, maar tussen de grootmachten. In 1948 steunden Rusland en Amerika de oprichting van de staat Israël als een middel om de greep van Groot-Brittannië en Frankrijk te bre­ken, de oude koloniale machten die voordien de regio controleerden. De oorlog rond het Suez-kanaal van 1956 bevestigde dat de Verenigde Staten voortaan baas in de regio zou zijn. Ze vernederden de Fransen en de Britten door van hen te dwingen hun invallen in Nasser’s Egypte stop te zetten. De oorlogen van 1967, 1973 en 1982 maakten deel uit van het globale conflict tussen het Amerikaanse en het Russische blok, waarbij de Verenigde Staten Israël steunde en Rusland de PLO en de Arabische regimes.
Met de ineenstorting van het Russische blok in 1989 was het toneel gereed voor een ‘Pax Americana’ in Israël en Palestina. De Verenigde Staten werden de makelaar van de Oslo-verdragen in 1993. Ze hoopten dat de regeling van het Israëlisch-Palestijnse conflict hen tot de onbetwiste meester in de regio zou maken. Het tentoonsprei­den van de Amerikaanse vernietigingskracht in Irak in 1991 diende hetzelfde doel.
Maar alle pogingen van het Amerikaanse imperialisme om in het Midden-oosten een ‘nieuwe wereldorde’ op te leggen, hebben tot niets geleid. Sinds de zogenaamde ‘vrede­sverdragen’ van Oslo, en vooral sinds de ‘tweede Intifada’ van 2000 zijn er voortdu­rend conflicten in Israël-Palestina geweest: onophoudelijke rondes van moorddadi­ge zelfmoordaanslagen, gevolgd door brutale Israëlische vergeldingsacties, gevolgd door meer zelfmoordaanslagen, en nog meer vergeldingsacties. Parallel hieraan zijn de inspanningen van de Verenigde Staten om hun controle over Afghanistan en Irak veilig te stellen (de zogenaamde ‘oorlog tegen het terrorisme’), in hun eigen gezicht ontploft. Ze hebben twee nieuwe Vietnams geschapen en beide landen in een totale chaos gestort. Terwijl de situatie in Libanon escaleert, wordt de Iraakse bevolking dagelijks gemarteld door verschrikkelijke sektarische bloedbaden, en heeft de Afghaanse regering, gesteund door de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, haar greep over het grootste deel van het land verloren. De gevolgen van het militaire moeras in Irak en Afghanistan hebben hun weerslag op het Israëlisch-Palestijnse conflict en omgekeerd. De provocerende houding van Israël tegenover Iran is een echo van de Amerikaanse confrontatie met Teheran over diens nucleaire programma, terwijl de ‘vooruitgang’ van het Islamitisch terrorisme in Irak op zijn beurt de acties van Hamas en Hezbollah beïnvloedt. De meedogenloze afslachtingen van burgers in New York, Madrid en Londen door terroristische bendes bevestigen dat de oorlog in het Midden-Oosten al zijn terugslag heeft in de centra van het systeem zelf. Het zich overleveren aan militair aventurisme is het enige middel dat iedere macht of kliek nog tot zijn beschikking heeft, vanaf de grootste tot aan de onbetekendste, om hun imperialistische belangen te verdedigen tegen hun rivalen.
Kortom, de situatie in heel het Midden-Oosten laat zien dat de Verenigde Staten haar niet on­der controle hebben, maar dat zich een oncontroleerbare chaos verspreidt. Israël’s ul­tra-agressieve houding toont dit beeldend aan (1)

De rivalen van de Verenigde Staten proberen er voordeel uit te slaan

De andere grootmachten zwaaien met ‘vredes’-spandoeken, zoals ze dat ook voor de inva­sie van Irak deden. Frankrijk en Rusland hebben Israël’s ‘disproportionele’ militaire operatie in Libanon duidelijk veroordeeld. Ook Groot-Brittannië heeft een meer onaf­hankelijke lijn aangenomen: het heeft Israël’s ‘collectieve bestraffing’ van de Palestij­nen in Gaza scherp bekritiseerd, en heeft een grote show gemaakt van het sturen van oorlogsbodems om Britten uit Libanon te evacueren. Maar deze machten zijn helemaal niet geïnteresseerd in vrede maar slechts om hun invloedssferen in de regio te handhaven. Zij zullen met zekerheid trachten te profiteren van de zwakte van de Verenigde Staten, maar geen van hen is in staat om de rol van wereldwijde politieagent op zich te nemen, en hun conflicterende im­perialistische belangen maken het hen onmogelijk om een samenhangende gezamenlij­ke politiek te voeren. Dat is de reden waarom de grootmachten tijdens de recente top van de Grote Acht in Rusland een ‘verenigde’ houding over de Libanoncrisis aannamen... die onmid­dellijk aanleiding gaf tot wederzijdse beschuldigingen en onenigheid.
Alle bij dit conflict betrokken staten en krachten zijn bezig om militaire en diplomatie­ke plannen te smeden die aan hun eigen belangen beantwoorden. Ze gebruiken onge­twijfeld de meest ‘rationele’ methoden om ze op te stellen, maar allemaal zijn ze ge­vangen in een fundamenteel irrationeel proces: het onstuitbare afglijden van het kapita­listische systeem in imperialistische oorlog, dat momenteel steeds meer de vorm aan­neemt van een oorlog van ieder tegen allen. Zelfs de machtige Verenigde Staten wor­den deze afgrond in getrokken. In de geschiedenis raakten beschavingen die op hun laatste benen liepen in eindeloze oorlogen verwikkeld. Het feit dat het kapitalisme een systeem van permanente oorlog is geworden, is het duidelijkste bewijs dat het in een toestand van fundamenteel verval verkeert, en dat zijn voortbestaan een dodelijk ge­vaar voor de mensheid is geworden.

De klassenstrijd is de enige oplossing

Wanneer alle ‘vredesplannen’ van het kapitalisme tot mislukken gedoemd zijn, welk alter­natief bestaat er dan voor de imperialistische wanorde die ze veroordeelt? Dat zijn ze­ker niet de verschillende nationalistische en religieuze bendes die beweren zich te verzetten tegen het imperialisme in Palestina, Irak of Afghanistan: Hamas, de PLO, Hezbollah, Al Qaïda... Ook zij zitten helemaal gevangen in de logica van het imperialis­me, of ze er nu voor eigen rekening op los slaan, of dat ze direct aan kapitalistische sta­ten zijn verbonden. Hun doelen, of het nu gaat om de oprichting van nieuwe nationale staten of de droom van een islamitisch kalifaat in het hele Midden-Oosten, kunnen al­leen worden nagestreefd door imperialistische oorlog. En hun methoden, die altijd het aanrichten van willekeurige bloedbaden onder de burgerbevolking insluiten, zijn pre­cies dezelfde als die van de staten waartegen zij beweren zich te verzetten.
De enige oppositie tegen het imperialisme is het verzet van de arbeidersklasse tegen uitbuiting, omdat dit alleen kan uitgroeien tot een open strijd tegen het kapitalistische systeem, een strijd om dit stervende systeem van winst en oorlog te vervangen door een maatschappij die zich richt op de menselijke behoeften. Omdat de uitgebuiten overal dezelfde belangen hebben, is de klassenstrijd internationaal en zonder belang om zich met de ene staat te verbinden tegen een andere. Zijn methoden zijn direct tegengesteld aan de verscherping van de haat tussen etnische en nationale groepen, omdat hij de proletariërs van alle landen rond een gezamenlijke strijd tegen het kapi­taal en de staat schaart.
In het Midden-Oosten heeft de spiraal van nationalistische conflicten de klassenstrijd zeer moeilijk gemaakt, maar hij bestaat nog steeds - in demonstraties van werkloze Pa­lestijnse arbeiders tegen de Palestijnse autoriteiten, in stakingen door de arbeiders in de openbare sector in Israël tegen de bezuigingsmaatregelen van de regering. Maar de meest waarschijnlijke bres in de muur van oorlog en haat in het Midden-Oosten ligt buiten deze regio: in de groeiende strijd van de arbeiders in de centrale landen. Het beste voorbeeld van klassensolidariteit dat we kunnen geven aan de bevolkingen die de ver­schrikkingen van de imperialistische oorlog in het Midden-Oosten direct ondergaan is om de strijd verder te ontwikkelen, die al is opgenomen door de toekomstige arbeiders aan de Franse scholen en universiteiten, door de metaalarbeiders van Vigo in Spanje, de postarbeiders van Belfast en de luchthavenarbeiders van Londen.

Internationale Kommunistische Stroming, 17 juli 2006

(1) De barbaarse oorlogspolitiek van de Israëlische staat staat onder onmiddellijke verantwoordelijkheid van Amir Peretz; de leider van de linkervleugel van de Arbeiderspartij, lange tijd een vakbondsbons en voormalig militant van de pacifistische beweging Vrede Nu. Men zou zich kunnen voorstellen dat het een soort van specifiek ‘Israëlische schotel’ is dat ‘een man van links’ de onbuigzame slager uithangt - maar dat zou een vergissing zijn. Een jaar eerder, toen de politie van London in de metro een jonge Braziliaanse arbeiders vermoordde, werd één van de meeste resolute rechtvaardigingen voor van ‘shoot to kill’-politiek voor iedereen die ervan verdacht werd een ‘terrorist’ te zijn gegeven door niemand minder dan ‘Rode Ken’ Livingstone, de ultra-linkse burgemeester van Londen. Zodra het gaat om een bloedige militaire verdediging van de nationale hoofdstad heeft ‘links’ altijd een vastbeslotenheid zonder scrupules aan de dag gelegd, om welk land het ook ging.

Openbare vergadering Lille: Studenten, middelbare scholieren, werkenden en werklozen; Eenzelfde strijd tegen het kapitalisme!

De volgende tekst vormde de inleiding van de openbare vergadering van de IKS te Lille op 18 maart waar studenten en militanten die betrokken waren in de recente gebeurtenissen debatteerden over hun ervaring en de beste manier om de beweging uit te breiden.

Sinds begin februari, en ondanks de verspreiding in de periode van de schoolvakanties, kwamen in de meeste grote steden in Frankrijk studenten en leerlingen van middelbare scholen op de been om hun woede te uiten over de economische aanvallen van regering en ondernemers en tegen het CPE (1). En dat ondanks de burgerlijke mediaboycot en vooral van de televisie die, dagen aan een stuk, zijn camera’s zo graag richtte op de ‘heldendaden’ van de ‘barbaren-bende’ (2).
De woede van de studenten en middelbare scholieren is gerechtvaardigd!
De instellingen van het openbare onderwijs (middelbare en hogescholen, universiteiten) zijn werklozenfabrieken geworden, voorraadkamers van goedkope arbeidskracht. Omdat ze dat begrepen hebben stuurden studentenvergaderingen afgevaardigden naar nabijgelegen fabrieken en naar de jeugdige werklozen in de buitenwijken om hen op te roepen zich bij de strijd aan te sluiten. Het CPE, dat is de georganiseerde bestaansonzekerheid. Maar die raakt niet alleen de jongeren. Alle generaties worden getroffen door werkloosheid, bestaansonzekerheid en armoede.
Vandaar dat in sommige universiteiten zoals die van Parijs III Censier het onderwijzend en ondersteunend personeel, uit solidariteit met de studenten, eveneens in staking ging.

Het CPE is een uiting van het bankroet van het kapitalisme!

Na de rellen die de buitenwijken in de maand november in hun greep hielden hebben de bourgeoisie, haar regering en politieke partijen de orde hersteld door een uitgaansverbod in te stellen en jonge immigranten die hun ‘gastland’ niet respecteerden over de grenzen te zetten. Dit keer willen zij die ons regeren andermaal, en met ongekend cynisme, de kinderen van de arbeidersklasse ‘met de hogedrukspuit schoonvegen’: het is in naam van de ‘gelijkheid van kansen’ dat ze hen bestaansonzekerheid en armoede voorschotelen. Met het CPE krijgen jongeren de ‘kans’ om aan het eind van hun opleiding werk te vinden waarbij ze zijn overgeleverd aan de genade van de ondernemers. Geen schijn van kans om huisvesting te vinden, een gezin te stichten of hun kinderen te onderhouden. Dat betekent dat ze elke dag met angst en beven naar het werk moeten gaan, uit vrees de beruchte ‘aangetekende brief’ te ontvangen met daarin de onheilspellende mededeling: “Ontslagen”! Want dat is de loonslavernij! Dat is het kapitalisme!
De enige ‘gelijkheid’ die het CPE biedt is die van de gelijke armoede: opeengepakt te worden in de getto’s van de buitenwijken, baantjes zonder enige zekerheid, werkloosheid, bijstandsminimum (3), leven van de hand in de tand. Dat is de ‘stralende toekomst’ die de heersende klasse, die de bourgeoisie en haar ‘democratische’ staat als garantie bieden aan de kinderen van de arbeidersklasse!
Dat zijn de kinderen waarvan de ouders in 2003 op de been kwamen tegen de hervormingen van het pensioensysteem, en waarover mijnheer Raffarin, de voorloper van Villepin, de gore moed had te verklaren: “Het is niet de straat niet regeert!”
Na de mokerslagen tegen de ‘ouderen’ en toekomstige gepensioneerden regent het nu klappen op de ‘jongeren’ en komende werklozen! Met het CPE laat het kapitalisme zijn ware gezicht openlijk zien: dat van een systeem in verval dat geen enkele toekomst meer te bieden heeft aan nieuwe generaties. Een wegrottend systeem in een onoplosbare economische crisis. Een systeem dat sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog fabelachtige sommen geld uitgaf aan een steeds verder ontwikkelde en steeds moorddadiger wapenproductie. Een systeem dat sinds de Golfoorlog van 1991 niet ophield bloed te laten vloeien over heel de planeet. Datzelfde bankroete systeem, diezelfde kapitalistische klasse die ten einde raad is, levert hier miljoenen menselijke wezens over aan armoede en ellende en zaait dood en verderf in Irak, in het midden-Oosten en Ivoorkust (4)!
Het kapitalistische systeem dat de wereld beheerst geeft er iedere dag weer blijk van dat het omvergeworpen moet worden. En omdat ze dat beginnen te beseffen namen de studenten aan de universiteit van Parijs Tolbiac in een algemene vergadering een motie aan waarin ze stelden: “Aan het kapitalisme moet een eind worden gemaakt”! Om dezelfde reden nodigden de studenten van Parijs Censier op vrijdag 3 maart een theatergroep uit om revolutionaire liederen te komen zingen. De rode vlag wapperde er en enkele honderden studenten, met lesgevend en ondersteunend personeel, zongen De Internationale. Het Kommunistisch Manifest van Karl Marx werd er rondgedeeld. Binnen de muren van de universiteit weerklinkt het woord revolutie. In heel dit schouwspel wordt gedebatteerd over klassenstrijd, wordt verwezen naar de Oktoberrevolutie in Rusland in 1917 en naar de grote namen uit de arbeidersbeweging, zoals die van Rosa Luxemburg die in 1919 tijdens de Duitse revolutie tezamen met haar kameraad Karl Liebknecht laf werd vermoord in opdracht van de socialistische partij die de regering leidde.
Om de goedgeklede ‘barbarenbende’ die ons regeert te lijf te kunnen gaan moeten de jongere generaties de ervaringen van hun voorgangers in de herinnering roepen. Ze moeten zich vooral weer inprenten wat zich in Mei 1968 afspeelde.

De massale staking van Mei 1968 toont de weg

In de loop van de beweging waardoor eerder de universiteiten van de grote ontwikkelde landen in beroering werden gebracht, vooral van de Verenigde Staten en Duitsland, kwamen de Franse universiteitsstudenten massaal op de been in Mei 1968. Maar die mobilisatie verkreeg een heel andere betekenis toen alle delen van de arbeidersklasse in strijd kwamen: negen miljoen arbeiders in staking! De meest bewuste en strijdbaarste studenten stegen vervolgens boven hun eigen specifieke eisen uit door te verklaren dat hun strijd dezelfde was als die van de arbeidersklasse. Ze riepen de arbeiders op naar de bezette universiteiten te komen om te debatteren over de toestand en de vooruitzichten. Overal werd gediscussieerd over revolutie en over de noodzaak om het kapitalisme omver te werpen.
Mei 1968 liep niet uit op de revolutie; die was nog niet mogelijk omdat het kapitalisme pas aan het begin van zijn crisis stond. Maar de bourgeoisie beleefde de grootste schrik van haar leven. En toen de regering er in slaagde de toestand weer onder controle te krijgen, dan was het omdat de vakbonden er alles aan deden om de arbeiders weer aan het werk te krijgen; omdat de partijen van links, zij die zichzelf voordeden als de verdedigers van de arbeiders, opriepen tot deelname aan de verkiezingen die door het regime van De Gaulle (5) waren georganiseerd.
Mei 1968 liet zien dat de revolutie geen muf en stoffig museumstuk was en niet tot een vergaan verleden behoorde, maar dat die de enig mogelijke toekomst voor de maatschappij vertegenwoordigde. Deze grote beweging van de arbeidersklasse, die werd gevolgd door veel arbeidersstrijd in talrijke andere landen, maakte de heersende klasse bovendien duidelijk dat ze de uitgebuiten niet kon ronselen achter de nationale vlaggen, dat ze de handen niet vrij had om voor een derde keer een wereldoorlog te laten uitbreken, zoals ze dat had gedaan in 1914 en in 1939. Als de economische crisis, anders dan in de jaren 1930, niet uitdraaide op een veralgemeend bloedbad, dan was het dankzij de strijd van de arbeidersklasse.

De toekomst ligt in handen van de jonge generaties

De jongerenbeweging tegen het CPE maakt duidelijk dat de kiemen van een nieuwe maatschappij al opgroeien in de schoot van een oude kapitalistische maatschappij in doodsnood. De toekomst ligt in handen van deze nieuwe generatie. De scholieren en studenten beginnen zich er rekensc