Internationalisme - 2006

Internationalisme, nr. 323 - 15 januari-15 maart 2006

Acties tegen het 'generatiepact': Vakbonden en socialistische partijen hebben hun missie volbracht... voor de bourgeoisie

Donderdag 15 december 2005 heeft het parlement het ‘solidariteitspact tussen de generaties’ en de alternatieve financiering van de sociale zekerheid aangenomen, ondanks een diep ongenoegen binnen de arbeidersklasse. Dit uitte zich in het bijzonder met de samenkomst van 100.000 arbeiders in Brussel tijdens de nationale vakbondsbetoging van 28 oktober. ‘Onaanvaardbare maatregelen’ had het ABVV nochtans getrompetterd in oktober; maar in december kondigde diezelfde organisatie zonder verpinken aan: “opschor-ting van de acties en het zoeken naar andere meer doelgerichte pressiemiddelen (sic).” Regering en patronaat kunnen tevreden zijn over de doeltreffendheid van hun vakbondsorganisaties: als ze er in geslaagd zijn om het pact door te drukken dan hebben ze dat vooral te danken aan het gekonkel van het ABVV, ACV en ACLVB.

Het laatste trimester van 2005 is de meest sociaal bewogen periode geweest in België sinds een vijftiental jaren. In minder dan drie maanden en als antwoord op een serie aanvallen van globale aard op haar levensvoorwaarden uitgaande van de liberaal-socialistische regering, heeft de arbeidersklasse heel uitgebreid haar ongerustheid en ontevredenheid gemanifesteerd met een begin van daadwerkelijke strijdbaarheid. Maar de socialisten in de regering en de vakbonden op het sociale terrein hebben magistraal samengewerkt om de acties in het honderd te laten lopen en de plannen van de bourgeoisie door te drukken. En op het onmiddellijk vlak hebben ze hun doel volkomen bereikt.

Solidariteitspact’… met de burgerlijke staat

Op het politiek vlak hebben de socialisten, de meesters van de manoeuvre bij de aanvallen, zich geen moeite gespaard om in samenspraak met de vakbonden het arbeidersverzet op te sluiten binnen de grenzen van het burgerlijk democratisch spel van het ‘onderhandelen’ over een ‘solidariteitspact’ tussen de ‘burgers’ voor het welzijn van de nationale economie. Vanaf het begin van de ‘onderhandelingen’, hebben ze de arbeiders doen geloven dat de regering de pre-pensioenen en de sociale zekerheid in hun voordeel zouden hervormen. De vice-premier van de PS, L.Onckelinx, gaf zich volledig met deze retoriek: “Op het einde van de discussies hebben zowel het ACV als het ABVV het werk begroet dat ik had verzet in de regeringsonderhandeling… En alle correcties voor het verbeteren van de pensioenen… De liberalen wilden een malus pensioen, wij hebben een bonus pensioen uit de brand gesleept… Als de PS achter het ‘generatiepact’ staat, dan is het omdat het onmisbaar is. Als wij niets doen gaat het ganse sociale systeem er aan. Ik zeg het jullie, we hebben geen keuze!” (Le Soir, 24.12.2005). Inderdaad, tegenover de druk van de crisis op de economie heeft de bourgeoisie geen andere keuze dan de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse aan te pakken. En het bedrog bestaat er juist uit dat men de arbeiders doet geloven dat maatregelen die genomen worden door een regering van links minder pijn zouden doen. In werkelijkheid zitten de PS/SPA niet in de regering om de belangen van de arbeiders te verdedigen maar om de arbeiders het fabeltje op te dissen dat de aanvallen van de bourgeoisie worden doorgevoerd... voor hun eigen bestwil en in hun eigen belang. Bovendien, wanneer de ontevredenheid stijgt en het rookgordijn optrekt, aarzelen die grote verdedigers van de arbeiders niet om met de meest schofterige retoriek uit de hoek te komen om de arbeiders tegen elkaar uit te spelen. Zo probeert de voorzitter van de Vlaamse Socialisten, Vande Lanotte, de spanningen aan te wakkeren tussen de verschillende arbeidersgeneraties: “Het is aan jullie om in de bedrijven te gaan uitleggen welke keuzes wij hebben gemaakt. Wij hebben het uitvoerig gehad over de pensioenen maar op lange termijn draait het om de jongeren” (La Libre Belgique, 17.10.2005). Met andere woorden, diegenen die de maatregelen bekritiseren zijn ondankbaren en egoïsten die enkel denken aan hun eigen toekomstig pensioen en de toekomst van de jongeren daaraan opofferen.

Om het verscheurende debat omtrent de ‘arbeidersbelangen’ nog meer geloofwaardigheid te verlenen en om de acties nog beter in een democratisch en wettelijk kader op te sluiten, en ondertussen het ‘radicale’ imago van de ABVV-vakbond op te vijzelen, heeft de bourgeoisie in haar media een zogenaamde tegenstelling opgeklopt tussen de socialistische partijen en vakbonden. In het boven geciteerde interview, gaat Onckelinx ‘tekeer’ tegen het ABVV, dat er van beschuldigd wordt desinformatie te verstrekken over de ‘vooruitstrevende’ inhoud van het pact. En Vande Lanotte verklaarde aan het adres van de syndicalisten, “wie zich afkeert van links richt zich op rechts.” De socialistische vakbond vroeg op zijn beurt “aan haar nationale vertegenwoordigers om niet meer deel te nemen aan de partijbureaus van de PS en de SP.a” (BHV, 8.11.2005), en hun ‘baas’ Vandermeeren, voegde daar aan toe: “De vakbeweging en zijn aangesloten bonden weten bij de volgende verkiezingen wie hun ware vrienden zijn.” De belangrijkste valstrik voor de arbeidersklasse bestaat er uit haar te doen geloven dat het enige doel van de arbeidersacties kan bestaat uit het druk uitoefenen op de parlementaire krachten om een waardig compromis te bereiken binnen het kader van de overlegstructuren van de burgerlijke staat. Zo maakten de vakbondsmobilisaties vanaf het begin deel uit van de logica van de burgerlijke democratie en het is geheel en al binnen die logica dat de vakbonden hun acties hebben stopgezet na de stemming in het parlement, want “de vakbonden voeren geen staking tegen het democratisch verkozen parlement (sic).”  (X. Verboven, socialistische vakbondsleider, De Morgen, 17.12.2005).

Een vakbondsfront om beter het begin van strijdbaarheid te verstikken

Op sociaal vlak hebben de vakbonden, om het zo te zeggen, niet werkloos toegezien. Zij hebben goed hun rol gespeeld die er uit bestond pogingen tot arbeidersverzet in te kapselen en te saboteren om een gevoel van onmacht op te wekken tegenover de aanvallen. Vanaf juni 2005 was de christelijke centrale de eerste om het spel op gang te brengen door een algemene staking aan te kondigen voor na de vakantie. Het ABVV hield toen zijn adem nog even in. In september, toen de inhoud van het pact werd onthuld, kondigde het ABVV een algemene staking af voor 7 oktober, terwijl het ACV in gans haar pers blokletterde: “10 goede redenen om niet te staken.” Dat was het eerste bedrijf van de vakbondsmanoeuvre, dat van de verdeling. Nochtans zag men bij de algemene staking van het ABVV een belangrijke deelname van delegaties van het ACV en zelfs van de kleine liberale centrale ACLVB aan de zijde van de stakende arbeiders. De daaropvolgende dagen raakt de ‘leiding’ van het ACV ‘in de minderheid tijdens een interne raadpleging van de afgevaardigden’ en de vakbond maakte een bocht van 180 graden. Deze overwinning van de ‘vakbondsdemocratie’ moest de arbeiders ervan overtuigen - de gauchisten en de basissyndicalisten zijn daarvan de beste propagandisten - dat de ‘vakbonden in dienst staan van wat de arbeiders willen’ en dat ze dus ‘het middel bij uitstek zijn om strijd te voeren’.

In werkelijkheid werd het tweede bedrijf van de manoeuvre opgevoerd: het algemeen vakbondsfront werd ter plekke opnieuw leven ingeblazen en de eenheid van de verdelers werd opgezet om de eerste tekenen van strijdbaarheid onder de arbeiders des te beter in de kiem te kunnen smoren. De vakbondsinstanties gingen op één lijn staan met radicale verklaringen tegen het pact en de herfinanciering van de sociale zekerheid: “Deze maatregelen zijn onaanvaardbaar”; “Raak niet aan de pré-pensioenen !”; “Het ABVV en het ACV eisen dat de regering opnieuw onderhandelt over het solidariteitspact tussen de generaties” (Syndicats, nr. 17, 21.10.2005) en ze klaagden de maatregelen aan van het solidariteitscontract in alle toonaarden aan. Dit gemeenschappelijk vakbondsfront, de eenheid van de saboteurs, heeft niets te maken met de eenheid van de klasse. Deze eenheid wordt verwezenlijkt in de actie en buiten de vakbondsinstanties om, door eigen besluitvormings- en actieorganen in het leven te roepen, zoals algemene vergaderingen, stakingscomités die onmiddellijk afzetbare afgevaardigden kiezen die enkel verantwoording verschuldigd zijn aan de zelfstandige algemene vergaderingen. Het gemeenschappelijk front daarentegen was een dam die werd opgeworpen voor het inkapselen van het ongenoegen en de woede die steeds meer toenamen en vooral ter voorbereiding van de manoeuvre die zijn hoogtepunt zou bereiken in de algemene staking en de nationale betoging van 28 oktober. Voor de bourgeoisie was het van belang dat de acties van 28 oktober in de ogen van de arbeidersklasse er uitzagen als een overwinning van het gemeenschappelijk vakbondsfront. Dat wordt immers voorgesteld als de hoogste uitdrukking van de eenheid van de arbeidersklasse om daarmee in staat te zijn om in de daaropvolgende weken de lont uit het kruitvat van de strijdbaarheid te halen.

En inderdaad, na 28 oktober veranderen de vakbonden van toon. Le Soir van 26 en 27 november 2005 schrijft: “Kunnen de vakbonden iets veranderen aan de onbuigzaamheid van het ‘pact’ tegenover een federale regering die vasthoudt aan haar standpunten? Ja. Ze kunnen niets veranderen aan de geest van het pact, noch aan het opschuiven van de pensioenleeftijd van 58 naar 60 jaar in 2008. Maar een gamma van verzachtenden maatregelen is mogelijk. De vakbondseisen zoals die op de pamfletten werden verspreid zijn gematigd.” De burgerlijke pers liet duidelijk overkomen dat de teerling was geworpen. Om de demoralisering helemaal af te ronden planden de vakbonden ‘trapsgewijze actieplannen’, aangekondigd op woensdag 23 november door de voorzitter van het ABVV die ‘het nog hard speelde’: “Wij gaan geen symbolische acties voeren. Wij gaan ons niet beperken tot perscommuniqués! Neemt dat niet al te licht op. Er zullen ernstige harde acties komen, stakingen als het moet (sic).” In werkelijkheid vormen de ‘dagen van bewustmaking en informatie’ van het gemeenschappelijk vakbondsfront de gelegenheid om in de bedrijven definitief de resten van woede te laten doodbloeden door die te richten op schijnacties, zoals wegversperringen en blokkeringen van grootwinkelbedrijven die de strijdmethodes van de arbeidersklasse ongeloofwaardig maken. Het doel was gelegen in het opwekken van ontmoediging en onmacht, maar ook het aanwakkeren van verdeeldheid tussen de arbeiders, tussen stakers en niet-stakers, al te meer omdat de ‘redenen tot strijd’ die door de vakbonden naar voren werden gebracht  - het een of andere bijkomstige punt van het ‘pact’ bijstellen  - niet veel mensen meer motiveerden.

Een leerrijke nederlaag

Links en de vakbonden zijn er in geslaagd om het verzet van de arbeiders te saboteren, de maatregelen zijn er door geramd, en dus op het onmiddellijk vlak lijkt de beweging voor de arbeiders op een nederlaag te zijn uitgelopen. In breder perspectief geplaatst vertoont de balans echter een heel wat genuanceerder beeld.

Eerst en vooral dient er de nadruk op te worden gelegd dat de maanden oktober en november van groot belang waren voor de lange en moeilijke ontwikkeling van de strijd van de arbeidersklasse in België. Ze markeerden een, weliswaar nog beperkte, heropleving van de arbeidersstrijdbaarheid na een terugval en een stagnatie van meer dan tien jaar tegenover de klappen die de bourgeoisie uitdeelde. Dit begin van heropleving van strijdbaarheid in België maakt geheel en al deel uit van een bredere beweging van het proletariaat dat, tegenover de veralgemeende aanvallen in het merendeel van de industrielanden, probeert om opnieuw het terrein te vinden van de klassestrijd tegenover de gevolgen van de crisis van het kapitalisme. Nog belangrijker zijn bovendien de onderwerpen waarop de strijd zich toespitste, namelijk de pensioenen en de pré-pensioenen, die een fundamentele problematiek stellen zoals die wordt opgeworpen door het bankroet van het kapitalistisch systeem en dus van de toekomstperspectieven van de arbeidersklasse.

De tweede vaststelling is dat de vakbondsacties zijn uitgelopen op een duidelijke en onmiddellijke nederlaag, hetgeen door veel arbeiders aangevoeld als een gevolg van het volkomen duidelijke vakbondsgekonkel en niet als een nederlaag die door links als een overwinning kon worden voorgesteld. De ergste nederlagen van de arbeidersklasse zijn juist de nederlagen  die ervaren worden als overwinningen, die illusies scheppen. Daarvan is hier vast en zeker geen sprake omdat de vakbondssabotage er dik bovenop lag. Ook kan de nederlaag kostbare lessen opleveren, voornamelijk over hoe strijd te voeren en het schenken van vertrouwen aan links en de vakbonden. Deze lessen zijn van kapitaal belang voor de komende strijd die zich al aankondigt omdat de regering al heeft bekend gemaakt om voor de lonen dringend een nieuw ‘matigingsplan’ te willen opleggen ter waarborging van de concurrentiepositie van de nationale economie in de strijd op leven en dood tussen de kapitalistische staten.

Jef & Jos / 08.01.2006

De delokalisaties tonen de wetmatigheden van de kapitalistische uitbuiting

De delokalisaties worden te pas en te onpas gebruikt in de propaganda van de bourgeoisie. Het lijkt wel alsof ze alle andere aanvallen waaraan het proletariaat onderworpen is in de schaduw stellen, en dat ze er zelfs de verklaring voor worden. Andersglobalisten, linkse partijen en ultralinksen staan overal op de bres om het ‘ultraliberalisme’ aan te klagen van die aasgieren van bazen en van die aandeelhouders die uit zijn op vette dividenden. Tussen alle mogelijke opties voor een ‘andere wereld’ zouden zij voor de slechtste politiek kiezen. In dit artikel zullen we daarentegen aantonen dat de delokalisaties rechtstreeks voortvloeien uit de fundamentele wetmatigheden die het kapitalistische systeem regeren.

In tegenstelling tot wat de andersglobalisten vertellen met hun “alles wordt  tegenwoordig koopwaar” is het al sinds heel lang dat onder het kapitalisme de warenver­hou­dingen het geheel van de sociale en menselijke verhoudingen in de maatschappij beheersen. In de kapitalistische maatschappij is het leveren en verkopen van een waar het enige middel om een deel van de geproduceerde goederen te verkrijgen, op straffe van het verlies van elk middel van bestaan. Voor wie over geen enkel productiemiddel beschikken, de proletariërs, en die zich daardoor in de materiële onmogelijkheid bevinden om waren te produceren, zit er niets anders op dan op de markt een bijzondere waar aan te bieden, namelijk hun arbeidskracht.

De kapitalistische uitbuiting van de arbeidskracht

Zoals voor elke andere waar het geval is, wordt de waarde van de arbeidskracht op de markt uitgedrukt in een prijs en in geld: het loon. De waar arbeidskracht verschilt in niets van de andere waren op de markt, tenzij dan dat ze onafscheidelijk verbonden is met haar verkoper, de arbeider, en dat ze niet te lang op een koper kan wachten, omdat ze anders met haar drager, de arbeider, te gronde zal gaan bij gebrek aan levensmiddelen.

Voor haar kapitalistische koper, de bourgeois, betekent de arbeidskracht, die hij verbruikt, de bron van zijn winst. Zou de industriële kapitalist de loonarbeider die hij aangeworven heeft alleen zolang laten werken als voor de arbeider nodig is om het loon te verdienen dat hij ontvangt, dan zou de baas geen enkele winst maken. Hij moet de loonarbeider dus langer laten werken dan die tijd. De arbeidstijd van elke arbeider bestaat –of hij dat nu beseft of niet– uit twee delen: een deel dat betaald wordt, en waarin de arbeider slechts de waarde van zijn loon vergoedt, en een deel dat niet betaald wordt, waarin hij gratis arbeid verricht voor de kapitalist die zich het geheel van de productie toeëigent.

De conditie van proletariër herleidt zich tot de onzekerheid van zijn bestaan. “De proletariër is hulpeloos; op zichzelf aangewezen kan hij geen dag leven. De bourgeoisie heeft zich het monopolie aangematigd over alle levensmiddelen, in de ruimste zin van het woord. Wat de proletariër nodig heeft, kan hij slechts krijgen van deze bourgeoisie wier monopolie door de staatsmacht wordt beschermd. De proletariër is dus in rechte en in feite de slaaf van de bourgeoisie; zij kan over zijn leven en zijn dood beschikken. Zij biedt levensmiddelen aan, maar voor een ‘equivalent’, voor zijn arbeid; zij laat hem daarbij zelfs nog de schijn, alsof hij uit vrije wil handelt, alsof hij als mondig mens, vrij en zonder dwang ermee instemmen zou een verdrag met haar af te sluiten. Een mooie vrijheid is dat, waarbij de proletariër geen andere keus heeft dan om met de voorwaarden die de bourgeoisie hem stelt in te stemmen... te verhongeren, dood te vriezen of zich naakt bij de dieren in het bos te voegen!” (1).

Onder het kapitalistische systeem is de honger om de meerarbeid uit te buiten onverzadigbaar: hoe meer onbetaalde arbeid het kapitalisme onttrekt aan de arbeiders, hoe beter. Het ongebreideld uitpersen van meerwaarde is het doel en de rol van de aankoop van de waar arbeidskracht door de kapitalist. “De industriële kapitalist blijft in de grond evengoed een handelaar. Zijn activiteit als kapitalist [...] beperkt zich net als die van de handelaar tot de markt. Zijn taak bestaat erin om de nodige grondstoffen, hulpstoffen, arbeidskrachten enz. zo doelmatig en goedkoop mogelijk in te kopen, en om de in zijn onderneming gefabriceerde waren zo duur mogelijk te verkopen. Op het gebied van de productie heeft hij niets anders te doen dan ervoor te zorgen dat de arbeiders voor een zo gering mogelijk loon zo veel mogelijk arbeid leveren, dat er zoveel mogelijk meerwaarde uit hen wordt geperst.” (2).

Een grens aan deze uitbuiting bestaat slechts in de uitputting van de uitgebuite, en door het vermogen van de arbeidersklasse zich te verzetten tegen de uitbuiter. Om het tijdsgedeelte van de gratis arbeid te vergroten, waarin de arbeider het kapitalisme zijn meerwaarde levert, beschikt het kapitaal over verschillende middelen: de verlenging van de arbeidsdag, het opdrijven van het werkritme en de verlaging van de lonen, zelfs tot het minimum dat nodig is om de arbeider alleen in leven te houden.

Zoals iedere waar is de arbeidskracht onderworpen aan de concurrentie en de wisselvalligheden van de kapitalistische markt. “En als er meer arbeiders voorhanden zijn dan het de bourgeoisie goeddunkt te werk te stellen, wanneer er dus aan het eind van de concurrentiestrijd toch nog een aantal overblijft, dat geen werk kan vinden, dan moet dit aantal maar verhongeren. Want de bourgeois zal hen toch heus geen werk geven, als het product van hun arbeid niet met voordeel verkocht kan worden.” (3). De concurrentie, “meest volkomen uitdrukking van de oorlog van allen tegen allen, die de moderne burgerlijke maatschappij beheerst” waarin de arbeiders elkaar “onderling net zo beconcurreren, als de leden van de bourgeoisie elkaar onderling beconcurreren.” Met het tegen elkaar opzetten van actieven en werklozen, autochtonen en immigranten of verschillende nationale fracties van het proletariaat, is de concurrentie “in de handen van de bourgeoisie het scherpste wapen tegen het proletariaat” (4).

Delokalisaties, een product van de kapitalistische concurrentie

De delokalisatie van productieplaatsen uit de industrielanden naar landen waar de arbeidskracht goedkoop is, is het gevolg van de kapitalistische wetten van het zoeken naar een maximale winstvoet. Onder druk van de ongebreidelde concurrentie tussen de grote kapitalistische industrielanden op steeds beperktere markten, zijn de gemiddelde uurlonen van 18 euro in Spanje, 4 euro in Polen en Tsjechië, 2 euro in Brazilië en Mexico, 1 euro in Roemenië, 0,7 euro in India en China tegenover 23 euro in West Europa en de Verenigde Staten een buitenkansje voor het kapitalisme, de vampier van de arbeidskracht.

Reeds in de negentiende eeuw heeft de bourgeoisie nooit geaarzeld, wanneer de productietechnieken dat toelieten, de weefgetouwen bijvoorbeeld te demonteren om elders, in een andere streek, op zoek te gaan naar goedkopere en meer volgzame arbeidskrachten om uit te buiten.

De delokalisaties zijn voor de arbeidersklasse dus niets nieuws, maar een oud en internationaal verschijnsel dat in alle landen voorkomt. Toch kent dit verschijnsel sinds de jaren 1990, onder druk van de economische crisis die al drie decennia aanhoudt, een onmiskenbare uitbreiding. In talloze sectoren waar de arbeidskracht een belangrijk deel uitmaakt van de globale kosten van de productie, is die transfer van de industrielanden naar landen waar de productiekosten het laagst zijn zelfs “al grotendeels  doorgevoerd” (5).

In de automobielsector bijvoorbeeld hebben de grote merknamen al lang hun toevlucht genomen in delokalisaties. Renault produceert de R12 sinds 1968 in Roemenië. “Vanaf de jaren 1970 is Renault, net als trouwens PSA, op zoek naar lokale partners in Brazilië, Mexico, Argentinië, Colombia en Turkije. [...] Na de herstructureringen in de jaren 1980 stort Renault zich op de aankoop van Samsung in Zuid-Korea en van Dacia in Roemenië, in 1999.” (6). De bourgeoisie heeft overigens de ineenstorting van de stalinistische regimes en het einde van de zogenaamde ‘socialistische economie’ niet afgewacht om de westerse mogendheden te laten investeren en te delokaliseren naar de landen van het voormalig Oostblok.

Alle sectoren van de kapitalistische productie zijn betrokken bij delokalisaties, maar niet elke productie zal gedelokaliseerd worden, in tegenstelling tot wat de propaganda van de bourgeoisie laat horen. “De sectoren van de industrie die betrokken zijn bij delokalisatie zijn talrijk: leer, textiel, kleding, metalen, huishoudelijke apparaten, automobiel, elektronica… Ook de tertiaire sector wordt getroffen: telefonische call centra, informatica, boekhouding… Om eerlijk te zijn is elke massaproductie en elke repetitieve dienst vatbaar voor delokalisatie naar gebieden waar de kosten van de arbeidskracht duidelijk lager liggen.” (7) De drastische daling van de transportprijzen die in de jaren 1990 doorzette (een daling met 45% van het maritiem transport en met 35% van het luchtvrachtverkeer tussen 1985 en 1993) heeft de geografische afstand tussen de productieplaatsen van talloze waren en de markten waar ze verbruikt zullen worden nog minder storend gemaakt.

De uitbuiting tegen lage prijs van de intellectuele hightech arbeidskracht, die te duur geworden was in de westerse lan­den, wordt koortsachtig nagestreefd, waarbij op de op­leidingskosten bespaard worden door die ter plaatse te or­ganiseren. In China zijn steeds meer westerse overheidsor­ganen en privé-ondernemingen bezig “ter plaatse on­der­zoekscentra op te richten, zoals France Télécom in Can­ton in juni 2004, om te profiteren van de overvloed aan goedkope wetenschapslui die door de Chinese laborato­ria worden aangeboden” (8). India is binnen enkele ja­ren ook een leverancier geworden van computerprogramma’s.

Anderzijds worden de delokalisaties volop gebruikt om de onproductieve kosten van de grootste ondernemingen te drukken (geïnformatiseerd beheer, beheer en onderhoud van netwerken, loonadministratie, financiële diensten, klantendiensten, orderadministratie, telefonische call centra), soms tot 40 à 60%. Het gaat zover dat “alles wat op afstand kan gebeuren en per telefoon of satelliet doorgegeven kan worden, klaar is voor delokalisatie”. Zo begint India “de achterwinkel te worden van de Britse en Amerikaanse bedrijven” (5).

In de moordende concurrentie tussen de naties zetten de staten van de ontwikkelde landen uitdrukkelijk een rem op het vertrek naar het buitenland van bepaalde activiteiten. Het is een strategische noodzaak om op het eigen grondgebied bepaalde industrieën te bezitten die een militaire macht kunnen garanderen die het hoofd kan bieden aan naties van hetzelfde kaliber. Dat is een kwestie van overleven in de imperialistische arena. Meer in het algemeen is het economisch even onmisbaar dat op het grondgebied de centrale productie behouden blijft van sleutelsectoren die de kracht uitmaken van het nationaal kapitaal tegenover de concurrentie. In de automobielsector “tekent zich onder druk van de concurrentie die verplicht te produceren tegen steeds lagere kosten een beweging af van delokalisatie van de productie van kleinere wagens voor de Franse markt naar lage lonenlanden, terwijl in Frankrijk de productie behouden blijft van wagens uit de hogere klassen in zeer geautomatiseerde fabrieken” (6). Hetzelfde in de textielsector, waar “momenteel alleen de stoffen die technologie en kennis vereisen nog in Frankrijk gefabriceerd worden” (6).

Het aantal landen dat profijt heeft van de delokalisaties is beperkt: “India, de Maghreb landen, Turkije, de landen van Centraal en Oost Europa (PECO) en Azië (met name China)” (7). Elk nationaal kapitaal heeft zijn bevoorrecht land van bestemming, maar ze beantwoorden allemaal aan een reeks dwingende criteria. Die landen moeten een zekere interne stabiliteit kennen, wat voor een steeds geringer aantal landen opgaat, nu de ravages van de oorlog steeds grotere gebieden van de planeet in hun greep krijgen. Maar ze moeten ook beschikken over een aangepaste infrastructuur en over arbeidskracht die ervaring heeft met de kapitalistische uitbuiting of zelfs enigszins opgeleid is. De meeste van de doellanden hebben een industrieel verleden (Oostbloklanden) of hebben een zekere industrialisering gekend. De landen van Afrika bezuiden de Sahara, die maar al te graag delokalisaties zouden verwelkomen, hebben er nog geen spoor van gezien.

De overproductiecrisis zonder uitweg

De definitie zelf van delokalisatie als “verplaatsing naar het buitenland van een (bijvoorbeeld) in Frankrijk bestaande economische activiteit, waarvan de productie dan weer in Frankrijk ingevoerd wordt” (8) verklaart voor een deel het geheim van de prachtige resultaten die de bourgeoisie opdist met betrekking tot de zogenaamde Chinese en Indiase wonderen. Maar gezien vanuit het geheel van de wereldproductie zijn de delokalisaties een nuloperatie. Er wordt inderdaad een industriële pool gecreëerd op een plaats waar er voorheen geen was, maar er is in geen geval ontwikkeling of een nieuwe opkomst van de kapitalistische productie, aangezien de schepping van een voorheen onbestaande activiteit in dat gastland direct samengaat met de deïndustrialisatie en stagnatie van de meest ontwikkelde economieën.

Decennia lang zijn de onderontwikkelde landen er niet in geslaagd investeringen te realiseren om massaal moderne technologie te verwerven die onmisbaar is om de concurrentie aan te gaan met de meest ontwikkelde landen en om een industrialisatiepeil te bereiken dat die naam waardig is, zelfs met erg goedkope arbeidskrachten. Hun onderont­wikkeling en het behoud daarvan zijn vandaag zelfs een voorwaarde om zich te mogen verheugen in de belangstelling van het kapitalisme voor de uitbuiting van de arbeidersklasse daar ter plaatse.

De afwezigheid van enig vooruitzicht op een verbetering van de levensvoorwaarden van het proletariaat in de gastlanden van de delokalisaties en de ontwikkeling van de werkloosheid in de westerse landen, waar het gros van de gedelokaliseerde productie afgezet wordt, zullen niet bijdragen tot een uitbreiding van de wereldmarkt, maar tot een verergering van de overproductiecrisis.

De delokalisaties zijn op zich niet de oorzaak van de werkloosheid en de daling van het levenspeil van het proletariaat. Ze zijn slechts één van de vele aanvallen die het te verduren heeft, en die allemaal dezelfde wortels hebben: de economische wetten van het kapitalistisch systeem die voor elke natie en elke bourgeoisie gelden, en die de kapitalistische wereld onderdompelen in een overproductiecrisis zonder uitweg.

Om de meerwaarde die door de arbeidersklasse geproduceerd wordt, en die zit opgesloten in de gefabriceerde waren, te kunnen opstrijken, moet de kapitalist die waren verkopen op de markt.

De kapitalistische overproductiecrisissen, plaag van het kapitalistisch systeem, vinden hun oorsprong altijd in de onderconsumptie door de massa’s, waartoe de arbeidersklasse gedwongen wordt door het systeem van uitbuiting van de loonarbeid, dat voortdurend het deel van de sociale productie vermindert dat aan het proletariaat toevalt. Het kapitalisme moet voor een gedeelte betaalkrachtige kopers vinden buiten degenen die zijn onderworpen aan de verhouding arbeid-kapitaal.

Vroeger bestonden er op de binnenlandse markt grote sectoren van voorkapitalistische productie (het handwerk en vooral de landbouw) die relatief welvarend waren en een voedingsbodem vormden voor de kapitalistische groei. Op wereldvlak liet de enorme buitenkapitalistische markt van de koloniale landen, die toen werden veroverd, toe om de overproductie van waren uit de industrielanden af te zetten. Nadat het kapitalisme aan het begin van de 20e eeuw de hele planeet aan zijn economische verhoudingen onderworpen heeft, beschikt het niet meer over de historische voorwaarden die het toelieten het hoofd te bieden aan zijn tegenstellingen.

Het kapitalisme begon toen aan zijn fase van onomkeerbare neergang, die de mensheid veroordeelt tot oorlogen, de stuiptrekkingen van zijn crisissen, en tot een veralge­meende ellende, die de mensheid met de complete vernietiging bedreigen.

 

Scott / 11.2005

 

(1) Uit: Friedrich Engels, De toestand van de arbeidersklasse in Engeland (1845), “De concurrentie”, p. 136 in de uitgave van Progres, 1987.

(2) Uit: Karl Kautsky, Das Erfurter Programm (1892), hoofdstuk 2: Het proletariaat. (3) Engels, idem p.138

(4) Engels, idem p.136

(5) Novethics.fr, 10 januari 2001

(6) L’Expansion, 27 januari 2004

(7) Vie publique.fr, 12 januari 2004

(8) Le Monde.fr, 27 juni 2004

Debat over de rellen in de Franse buitenwijken: Solidariteit is niet hetzelfde als het toejuichen van een uitzichtloze beweging

Het rellen in de Franse buitenwijken hebben aanleiding gegeven tot veel discussie onder degenen die op zoek zijn naar een alternatief voor het kapitalisme. Zo kwam er op het intertnetforum van de groep Eurodusnie in Leiden een heel debat op gang over de vraag of de revolte al dan niet moest worden toegejuicht. En de discussie was al even levendig tijdens onze discussiebijeenkomst in Amsterdam en de openbare bijeenkomst in Brussel.

Voor ons gaat de discussie vooral over twee belangrijke vragen voor het begrip van de dynamiek en de perspectieven van de klassenstrijd:

1) Kan iedere sociale beweging, wat ook haar aard is, bijdragen aan revolutionaire strijd tegen het kapitalisme?

2) Vormen de revoltes in Frankijk een stap voorwaarts in de ontwikkeling van de proletarische strijd of vormen ze daarentegen een hindernis voor de verdere ontwikkeling ervan?

Voor sommigen, in het forum van Eurodusnie zowel als tijdens onze openbare bijeenkomsten, bestond de hoofdzaak uit ‘de beweging’, ‘de actie’, ‘het geweld’, de ‘ondermijning van de gevestigde orde’ en vormde de revolte op zichzelf een stap voorwaarts in de strijd tegen het kapitalisme. Het zou op de een of andere manier genoeg zijn om er een beetje richting aan te geven met wat politieke standpunten en deze jongeren die door het kapitalisme worden buitengesloten zouden kunnen worden omgevormd in belangrijke krachten tegen het kapitalisme.

We denken dat dit een grote analysefout is: niet alle sociale bewegingen dragen bij aan de strijd tegen het kapitalisme, integendeel, sommigen, zelfs als hun oorsprong niet ligt in een provocatie en ze niet door de bourgeoisie zijn opgezet, kunnen door de bourgeoisie gebruikt worden om zichzelf te versterken tegenover het proletariaat, tegen zijn bewustzijn en eenheid. Dit betekent niet in het minst dat we ons standpunt ‘vanaf het balkon’ verkondigen of dat we ‘salonsocialisten’ zouden zijn, want actie is niet hetzelfde als activisme, concreet zijn betekent niet in oppervlakkigheid vervallen, het naar voren brengen van onmiddellijke antwoorden op omstandigheden is niet hetzelfde als kortzichtigheid. De middelen, de wapens en de logica van de arbeidersstrijd zijn niet dezelfde als de middelen, de wapens en de logica van de burgerlijke klasse. Voor het proletariaat en meer in het bijzonder in de strijd voor het kommunisme zijn niet alle middelen geëigend. Als het internationale proletariaat momenteel voor belangrijke hindernissen staat en een lange weg heeft af te leggen om zijn strijd weer tot ontwikkeling te laten komen, dan is dat juist omdat jarenlang de beste krachten ervan zijn omgevormd door de kapitalistische krachten (vaak burgerlijk links of van de vakbeweging) naar een glibberig terrein in naam van ‘onmiddellijke resultaten’ en tegen ‘principes die enkel goed zijn voor theoretici’, enzovoort.

Toen de bourgeoisie het feodalisme bevocht en zelf nog een revolutionaire klasse was kon zij om het even welke strijd ondersteunen en om het even welke andere klasse tot haar zaak overhalen omdat zijzelf een uitbuitende klasse was die niet probeerde de uitbuiting af te schaffen maar integendeel een nieuwe vorm van uitbuiting te veralgemenen. Dat staat in tegenstelling tot de praktijk van het proletariaat: dat beschikt over geen enkele economische macht binnen de kapitalistische maatschappij en stelt zich niet tot doel een nieuw soort van uitbuiting in te stellen maar in tegendeel uitbuiting in al zijn vormen af te schaffen. Daarom bestaan zijn wapens uit eenheid, bewustzijn, zelforganisatie en zijn politieke zelfstandigheid als klasse. Die wapens worden ongetwijfeld in de strijd gesmeed, maar niet in om het even welke strijd.

Meerdere mensen op onze openbare bijeenkomsten antwoordden daarop dat "het grootste deel van de rellen toch uit arbeiderswijken kwam". Een beweging is niet proletarisch omdat hij voor de meerderheid uit arbeiders bestaat, noch omdat hij ‘problemen’ stelt voor het kapitalisme, noch omdat hij gewelddadig is of zich richt tegen overduidelijk onrecht. De betogen over ‘radicaliteit’, ‘geweld’, ‘verzet’ en ‘massaliteit’ gaan voorbij aan het wezenlijke, namelijk het enig juiste criterium om een beweging te analyseren en te zien of die steun verdient: versterkt die de eenheid, het bewustzijn, de zelfstandigheid van het proletariaat? Anders gezegd, bevindt deze zich, zelfs als het maar embryonair is, op zijn klassenterrein?

Dat is inderdaad het belangrijkste vraagstuk want sommige deelnemers van de discussiebijeenkomst in Amsterdam drongen er op aan dat de IKS de hele klasse diende op te roepen zich bij de relschoppers in de buitenwijken aan te sluiten. Uitgaande van de hierboven geformuleerde criteria zou dat van groot onbegrip getuigen over de dynamiek van de arbeidersstrijd en van een valse verwachting dat de rellen in de Franse buitenwijken een bijdrage zouden leveren aan de revolutionaire strijd tegen het kapitalisme. De acties zijn ongetwijfeld niet door de bourgeoisie uitgelokt (zelfs als de uitspraken van Sarkozy onherroepelijk olie op het vuur gooiden) en we kunnen de woede begrijpen van al deze jongeren die men gewoonweg links laat liggen. Maar toch zijn we er van overtuigd dat hun acties niets te maken hebben met de strijd van de arbeidersklasse en integendeel daar direct tegen ingaan.

De rellen in de buitenwijken zijn vooral ingegeven door wanhoop, uitzichtloosheid, door een machteloze en blinde haat. De klassenstrijd daarentegen vertrekt vanuit een minimum aan vertrouwen in de toekomst en verontwaardiging over de barbaarsheid en het lijden dat door het kapitalisme wordt veroorzaakt. Wie een ‘revolutionaire kracht’ wil toekennen aan deze acties verwart haat met verontwaardiging en wanhoop met bewuste actie. Als de verontwaardiging een positief gevoel is dat de strijdbaarheid voedt en de vastbeslotenheid tegenover de kapitalistische uitbuiting en de barbaarsheid daarvan, dan is de haat een louter negatief gevoel dat enkel een totale vernietigingsdrang voedt. En terwijl de wanhoop mensen tot gewelddadige acties kan brengen die nergens toe leiden, dan maakt de bewuste actie een ontwikkeling van de strijd mogelijk, door de kritiek en het rechtzetten van vergissingen, door de revolutionaire strijd.

Dergelijke commandoacties van kleine groepen richten zich voornamelijk op het in brand steken van geparkeerde auto’s. De botsingen met de politie die voortkomt uit een begrijpelijke haat tegenover de arrogante en onverdragelijke uitdagende houding bleven betrekkelijk beperkt. Er was geen massabeweging maar een opeenvolging van onsamenhangende nachtelijke acties van kleine groepen. Dat schept een contrast met de strijd van het proletariaat: een strijd die moed vereist, met open vizier, massaal ondernomen en die zijn kracht in het daglicht stelt, zonder het spektakel en de snoeverij van de ‘stadsguerilla’. Zij brengt haar doeleinden openlijk naar voren en hijst haar vaandel voor heel de maatschappij. Zij is niet blind op zoek naar een frontale botsing met haar klassenvijand, gaat die ook niet uit de weg, maar bereidt die met geduld en onverzettelijkheid voor.

De bewegingen in Frankrijk bevatten bovendien een heel gevaarlijk aspect: dat van botsingen tussen kinderen van de arbeidersklasse. Het geweld van deze jongeren keerde zich vooral tegen andere arbeiders, lotgenoten die dezelfde twijfels hebben over de toekomst die het kapitalisme biedt. Ze staken auto’s van hun klassenbroeders in brand, ze vielen brandweerlieden aan, ze bekogelden autobussen waarin hun buren uit dezelfde wijk zaten met stenen en staken ze in de brand. De revoltes van de boeren in de middeleeuwen waren zeker wanhopig, maar ze waren gericht tegen de heren, er werden kastelen aangevallen waarbij de rijkdom werd geplunderd. De jongeren in de buitenwijken die nu door het kapitalisme worden buitengesloten vielen niet de luxewijken aan of de symbolen van het systeem, maar hun eigen buren in de armoedewijken. Het geweld van de arbeidersklasse richt zich tegen het kapitaal en zijn staat, nooit tegen de eigen klassenkameraden. De onderdrukking van Kronstadt in 1921 versnelde de ontaarding van de Bolsjewiki en de nederlaag van de Oktoberrevolutie in Rusland omdat daarmee het geweld tussen klassenbroeders werd gewettigd.

Als arbeiderskinderen zich tegen hun klassenbroeders keren en daarvan zelfs de hoofdzaak van hun beweging maakten, dan is het onder invloed van een verschijnsel dat binnen het kapitalisme tot ontwikkeling komt en dat hele delen van de arbeidersklasse dreigt mee te slepen: de ontbinding van dit steeds verder wegrottende systeem. De Stellingen over de ontbinding, aangenomen in 1990, waarschuwde al tegen dit gevaar:

"We moeten duidelijk zijn over het gevaar van de ontbinding voor het vermogen van het proletariaat om zichzelf op te werken tot het niveau van zijn historische taak. Het uitbarsten van de imperialistische oorlog in het hart van de ‘beschaafde wereld’ was "een aderlating, die de Europese arbeidersbeweging dodelijk dreigde uit te putten" en "die dreigde het perspectief van het socialisme te begraven onder het puin van het barbaars imperialisme [...] door op het slagveld de beste krachten van het internationale socialisme, de voorhoedetroepen van het wereldproletariaat, af te slachten (Rosa Luxemburg, De crisis in de sociaal-democratie). Net zo kan de ontbinding van de maatschappij, die alleen maar erger kan worden, de beste krachten van het proletariaat wegrukken en daardoor definitief het perspectief van het kommunisme op het spel zetten."

Deze verlompenisering raakt vaak meer in het bijzonder de jongere delen van de klasse die bij voorbaat van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, en brengt ze er toe een niet alleen wanhopige maar ook zelfvernietigende en zelfs tot zelfmoordneigende strijd te voeren. In punt 14 van de stellingen schreven we daarover:

"Eén van de factoren die de omstandigheden verslechteren is gelegen in het feit dat een groot deel van de jongere arbeidersgeneraties de plaag van de werkloosheid ondergaan voordat ze zelfs maar de mogelijkheid hebben gehad om samen met kameraden op het werk en in de strijd te ervaren wat het collectieve bestaan van de arbeidersklasse betekent. Hoewel de werkloosheid, die een onmiddellijk voortvloeit uit de huidige crisis, ‘op zich’ geen uiting van de ontbinding is, loopt de werkloosheid, in deze bijzondere fase van het verval, uit op gevolgen die zelf een bijzonder aspect van die ontbinding vormen. Wanneer de werkloosheid over het algemeen duidelijk kan maken dat het kapitalisme de arbeiders geen zekere toekomst kan bieden, dan vormt zij momenteel ook een krachtige factor in de ‘lompenproletarisering’ van bepaalde delen van de klasse, vooral onder jonge arbeiders, wat de huidige en toekomstige politieke vermogens van de klasse verzwakt. Gedurende de hele jaren tachtig, met een aanzienlijke groei van de werkloosheid, zagen we daardoor een afwezigheid van belangrijke bewegingen, of zelfs werkelijke aanzet tot organisatie bij de arbeiders zonder werk. Dit bewijst hoe groot de druk is die de werkloosheid door de ontbinding oplegt aan de ontwikkeling van het proletarisch bewustzijn."

Betekent dit dat er niets anders overblijft dan aanvaarding van het lot en wanhoop? Nee, want de arbeidersklasse beschikt over middelen om deze omstandigheden te boven te komen:

"De verschillende elementen die de kracht van de arbeidersklasse komen in onmiddellijke botsing met de verschillende ideologische aspecten van de ontbinding:

– de collectieve actie, de solidariteit, die geconfronteerd worden met de versplintering, het ‘ieder-voor-zich’ en de onverschilligheid;

– de noodzaak van organisatie botst op de ontbinding, op het uiteenvallen van de relaties die de basis van het maatschappelijk leven vormen;

– het vertrouwen van het proletariaat in de toekomst en in eigen kracht wordt voortdurend ondermijnd door de algemene wanhoop waarvan de maatschappij doordrenkt raakt, het nihilisme en het ‘no future;

– het bewustzijn, de helderheid, de samenhang en eenheid van het denken, de voorliefde voor theoretisch begrip, die zich een weg moeten banen door de vlucht in droombeelden, drugs, sekten, mysticisme, de verwerping en vernietiging van het denken, die ons tijdperk kenmerken."

En juist omdat al deze verschillende krachten binnen de arbeidersklasse aan het werk zijn, juist omdat we ons er bewust van moeten zijn dat er momenteel binnen de arbeidersklasse een bewustzijnsontwikkeling plaatsvindt en, hoewel pril nog ook, een ontwikkeling van de strijd die afweer tegen het binnendringen van de kapitalistische ontbinding in de arbeidersrangen zal brengen, is het ook zo belangrijk om energiek de strijd aan te binden met het ten hemel geprezen idee van ‘actie omwille van de actie’.

We hebben een sterk gevoel van solidariteit met deze jongeren, deze arbeiderskinderen, die verloren lopen in een beweging zonder toekomst, een beweging die vernietigend is en op zelfmoord uitloopt. In ieder geval betekent solidariteit niet het toejuichen van een strijdvorm die ze naar de afgrond voert. Solidariteit betekent noodzakelijkerwijs een harde kritiek. Deze jongeren zijn geen vijanden van hun klasse geworden. Ze kunnen zich aansluiten bij de proletarische strijd binnen het raamwerk van zijn algehele ontwikkeling, van de verbreiding van revolutionaire standpunten, van discussie, van kritiek en zelfkritiek. De arbeidersklasse zal nog vele fouten maken, en talrijke gedeeltelijke nederlagen ondergaan. Ze zullen hoe dan ook bijdragen aan de revolutionaire strijd zijn als er lering uit wordt getrokken, als ze in staat zijn tot een gedegen zelfkritiek die de kern van de problemen raakt en die het mogelijk maakt om de revolutionaire standpunten verder uit te diepen en uit te dragen.

Jos / 21.12.2005

Dertig jaar internationalisme: De politieke wapens smeden voor de revolutionaire strijd

In oktober 1975, meer dan dertig jaar geleden dus, verscheen de eerste aflevering van Internationalisme, orgaan van de Internationale Kommunistische Stroming in België. Het uitbrengen en verspreiden van een kommunistische publicatie gedurende drie decennia is een belangrijke verwezenlijking in het tijdperk van ‘hersenspoelingen’ door de media. Het is een verwezenlijking die natuurlijk niet alleen het werk is van een groep in België maar vooral het product van de inspanningen van de IKS als geheel.

Dit vormt een gelegenheid om in de herinnering te roepen – door uittreksels uit de Voorstelling van de krant en de organisatie die deze eerste aflevering inleidde – in welke samenhang een reeks van revolutionaire groepen (1) besloten om hun krachten te bundelen en een krant uit te geven. Voor de initiatiefnemers uit die tijd betekende de crisistoestand van het kapitalisme dat er voor de klassenstrijd veel op het spel stond: “Na tientallen jaren van massale vernietiging en verscherpte uitbuiting sinds de Eerste Wereldoorlog, met meer dan vijftig miljoen doden, met zwarte ellende voor meer dan de halve mensheid en met een steeds verdergaande aftakeling van de levensvoorwaarden, heeft het kapitalisme vandaag niet veel verweer meer tegen de diepste crisis in haar geschiedenis [...] Al de pogingen om de crisis in te dijken betekenen slechts een uitstellen van de vernietiging van het systeem [...] De totale  kapitalistische productiewijze is in verval. De maatschappij ontwikkelt zich met steeds enger wordende mogelijkheden die opgelegd worden door een systeem van verouderde sociale verhoudingen. De verstikking van de ontwikkeling van de productiekrachten door de kapitalistische productieverhoudingen wordt steeds knellender en bedwingt de grootste klasse (de arbeidersklasse) van de mensheid. De klassentegenstellingen verscherpen, en met hen groeit de levensnoodzaak voor de arbeidersklasse om zich de middelen te verschaffen die noodzakelijk zijn voor de vernietiging van dit historisch vergankelijke kapitalistisch systeem”. Daar tegenover stelt de inleiding de enorme verantwoordelijkheid die rust op de schouders van de revolutionaire groepen, die “bewust [zijn] van de enorme problemen waarvoor de arbeidersklasse gesteld is en van de toename van de burgerlijke misleidingen en de kapitalisme pogingen om de arbeidersklasse versnipperd en geïsoleerd te houden.” Vandaar de noodzaak om zich bij een internationale revolutionaire organisatie aan te sluiten, met het doel het revolutionaire perspectief dat zich opdringt te verdedigen binnen de arbeidersklasse: “Vastbesloten om niet geïsoleerd te blijven in het kader van nationale problemen en bewust van de noodzaak voor de arbeidersklasse om zich als revolutionaire klasse op wereldschaal te vormen, hebben de groepen van in het begin hun eenmaking verbonden aan dat van een internationale hergroepering [...]. Een algemene en internationale visie is onmisbaar voor elke revolutionaire organisatie die op een samenhangende wijze wil tussenkomen in de klassenstrijd. Aleen dan kan de ontwikkeling van de bewustwording van het proletariaat en zijn strijd voor het socialisme perspectief krijgen.”

Dertig jaar later kunnen we niet meer dan aanstippen hoezeer het analysekader over de toestand van het kapitalisme dat in 1975 werd voorgesteld – en dat toentertijd door velen als slechte science-fiction werd beschouwd – ruimschoots door de feiten is bevestigd is: dertig jaar crisis heeft de kapitalistische productiewijze laten wegrotten en deze heeft op haar beurt de mensheid in een helse spiraal gestort van vernietiging, dood en verderf. Meer dan ooit geldt momenteel het revolutionaire alternatief van vóór 1914 als een niet te omzeilen werkelijkheid, dat van socialisme of barbarij. In deze samenhang betekenden de 322 afleveringen van Internationalisme, binnen het raamwerk van de IKS als geheel, een onverzettelijke verdediging van de proletarische perspectieven tegenover de gebeurtenissen die het tijdperk markeerden. Dit vond plaats in de twee belangrijkste talen van het land, waarbij de leugens en het bedrog van de bourgeoisie, vooral ook dat van haar ‘linkse’ socialistische- en vakbonds-, en haar ‘gauchistische’ stalinistische of trotskistische fracties, werden ontmaskerd en aangeklaagd. Ze zijn trouwens een onmisbaar werktuig gebleken voor de tussenkomst van de revolutionairen op de sleutelmomenten van de klassenstrijd in België, zoals op het moment van de veralgemeende strijd van de lente van 1986, de strijd van de mijnwerkers en staalarbeiders tegen de sluitingen of ook nog tijdens de recente bewegingen tegen het ‘generatiepact’.

In deze strijd beschikt de arbeidersklasse over slechts twee wapens, haar organisatie en haar bewustzijn. De revolutionaire pers is het middel bij uitstek om het bewustzijn binnen de klasse te verbreiden en te verdiepen, en dit meer dan ooit nu het perspectief van het kommunisme zich opdringt als het enige alternatief voor de mensheid tegenover de barbarij, maar in een context van maatschappelijke ontbinding waarin het voor de arbeidersklasse niet gemakkelijk is om haar strijd te ontwikkelen. Nu gaat het er inderdaad niet enkel om het nadenken over wat er op een gegeven ogenblik onmiddellijk op het spel staat, in één bepaald conflict. Om haar strijd te ontwikkelen heeft de arbeidersklasse behoefte aan een bredere visie en vooruitzichten op de langere termijn, zoals het begrijpen van het verval en de ontbinding van het kapitalisme die oorlogen en ellende veroorzaken, maar ook het begrijpen van de mogelijkheid om het te vernietigen en de noodzaak van haar eigen revolutionaire taak, het perspectief van het kommunisme.

Om die redenen blijft de regelmatige publicatie van een krant die de klassestandpunten van de arbeidersklasse verdedigt tegen de leugens van de bourgeoisie vandaag minstens even belangrijk als ten tijde van Marx of Lenin, of in de jaren 1930 en 1940, toen kleine groepen linkskommunisten hun publicaties uitgaven.

(1) Het ging hier om de Journal des Luttes de Classe, de Revolutionaire Raden Socialisten en de Vrije Raden Socialisten uit achtereenvolgens Brussel, Antwerpen en Gent.

Frankrijk: De bourgeoisie gebruikt de rellen tegen de arbeidersklasse

Drie weken lang haalden de rellen in de Franse voorsteden de voorpagina’s. Duizenden jongeren, voor een groot deel uit de armste lagen van de bevolking, hebben hun woede en wanhoop uitgeschreeuwd met Molotovcocktails en straatstenen.

De eerste slachtoffers van die vernielingen zijn de arbeiders. Het zijn hun auto’s die in brand zijn gestoken. Het zijn hun werkplaatsen die werden gesloten, waardoor honderden van hen technisch werkloos werden gemaakt. Een arbeider die op het avondjournaal werd geïnterviewd vatte de complete absurditeit van de gebeurtenissen meesterlijk samen in deze woorden: “Vanmorgen vond ik een vlugschrift op de voorruit van mijn uitgebrande auto. Bovenaan stond er ‘Verneuk Sarkozy’. Maar het is niet Sarkozy die ze verneukt hebben, maar mij!”

Ook al is de woede-uitbarsting van de jongeren uit de voorsteden volkomen gewettigd, dan nog vertegenwoordigt de sociale situatie die erdoor geschapen is een reëel gevaar voor de arbeidersklasse. Hoe daarop te reageren? Moet men zich scharen achter de relschoppers of achter de ‘republikeinse’ staat? Voor de arbeidersklasse gaat het hier om een valse keuze, want beide valstrikken zijn te vermijden. De eerste bestaat eruit de wanhopige revolte van die jongeren te zien als voorbeeld dat navolging verdient. Het proletariaat kan deze weg van de zelfvernietiging echter niet inslaan. Maar de ‘oplossing’ die de bourgeoisie met alle kracht aanprijst vormt een al even grote impasse.

Door profijt te slaan uit de angst die dergelijke gebeurtenissen opwekken doet de heersende klasse, met haar regering, haar staat en repressieapparaat zichzelf momenteel voor als waarborg voor de veiligheid van de bevolking, met name in de arbeiderswijken. Maar met die zo geruststellend bedoelde praatjes gaat een boodschap gepaard die bol staat van de dreigementen tegen de arbeidersklasse: “Strijd tegen de republikeinse orde, dat wil zeggen tegen de kapitalistische staat, dat is hetzelfde als zich gedragen als bandieten, als uitschot.”

De bourgeoisie gebruikt de angst om haar repressie-arsenaal te versterken...

De bourgeoisie is niet in staat het fundamentele probleem op te lossen, dat van de economische crisis. Vanzelfsprekend geeft ze er de voorkeur aan dat te verbergen en de spectaculaire kant van de rellen, de vernielingen en het geweld, in haar eigen voordeel te benutten. En we kunnen zeggen dat de journalisten hun uiterste best hebben gedaan om deze propaganda van de angst zo goed mogelijk te voeren.

Ze zijn hun informatie midden in de wijken gaan halen, ze brachten ons honderden beelden van brandende en uitgebrande auto’s, ze overstelpten ons met getuigenissen van slachtoffers, en ze hielden enquêtes over de haat die deze jongeren voelen voor de hele maatschappij.

Overal waren er die nachtelijke reportages over jongerenbendes, met helm op of een bivakmuts. We kregen op grote schaal te zien hoe er molotovcocktails en stenen werden gegooid, hoe er met de politie werd gevochten, met nu en dan een interview met een relschopper die zijn woede er ‘live’ mocht uitgooien: “Wij bestaan! Kijk maar: de auto’s branden” (Le Monde, 6-11-05) en ook: “Eindelijk wordt er aandacht aan ons besteed”.

De bourgeoisie heeft hier het hopeloos geweld breed uitgemeten van die jongelui uit de buitenwijken om een klimaat van terreur te scheppen. Het is voor haar een ideale gelegenheid om de versterking van haar repressief arsenaal te rechtvaardigen. De politie kan zich inderdaad de luxe veroorloven om zich voor te doen als beschermer van de arbeiders, borg te staan voor hun welzijn en veiligheid. Het debat tussen de socialistische partij en de rechtse UMP (van Sarkozy) heeft op dat punt de toon gezet. Voor de rechterzijde bestaat de oplossing er natuurlijk uit meer middelen ter beschikking te stellen van de politie door de interventie-eenheden van de CRS te versterken. Voor de linkerzijde geldt hetzelfde, maar dan anders aangekleed. De socialistische partij stelde voor terug te keren naar het systeem van de wijkpolitie. Anders gezegd: meer politie in de wijken! Daarom spraken beide grote partijen van de bourgeoisie zich uit voor het uitroepen van de noodtoestand.

Al die maatregelen om het repressieapparaat te versterken zullen geen eind maken aan het geweld in de voorsteden. Integendeel, ook als ze op het onmiddellijke vlak en tijdelijk doeltreffend kunnen zijn, dan nog kunnen ze op termijn de spanningen en de haat van die jongeren tegen de politie slechts aanwakkeren. De politici weten dat maar al te goed. Wat de bourgeoisie met die versterking van het politietoezicht op de ‘gevoelige’ wijken op het oog heeft, bestaat niet zozeer uit de groepjes rondhangende jongeren, maar veeleer uit de arbeidersklasse zelf. Door de schijn te wekken dat de republikeinse staat de proletariërs beschermt tegen het vandalisme van hun kinderen of die van hun buren, kan de bourgeoisie zich voorbereiden op de onderdrukking van de arbeidersstrijd zodra die een daadwerkelijke bedreiging gaat vormen voor de kapitalistische orde. Het instellen van de noodtoestand bijvoorbeeld moet de maatschappij laten wennen aan alledaagse doorlopende controle, de voortdurende aanwezigheid van politie en van huiszoekingen in de arbeiderswijken.

... en om de arbeidersklasse te verdelen

De walgelijkste kant van de huidige propaganda bestaat uit het aanwijzen van de immigranten als zondebok.

Omdat de relschoppers voor een deel kinderen van de immigratie zijn, worden de geïmmigreerde arbeiders er op een achterbakse manier van beschuldigd de ‘openbare orde’ en de veiligheid van de bevolking in gevaar te brengen omdat ze niet bij machte zouden zijn om hun kinderen in de hand te houden, hen een ‘fatsoenlijke opvoeding’ te geven en morele waarden bij te brengen. Het zijn die ‘onverantwoordelijke’ ouders die zich aan hun taken onttrekken, die als de ware schuldigen worden aangewezen. En de eerste prijs voor openlijk racisme gaat naar de minister van werkgelegenheid, Gérard Larcher, volgens wie “één van de oorzaken van het geweld in de voorsteden” bestaat uit... polygamie (Libération, 17 november)!

Maar de krachten van links droegen hun eigen steentje bij door onder het voorwendsel van humanisme de moeilijkheden naar voren te brengen van de Franse maatschappij om een bevolking te integreren van ‘verschillende culturele achtergronden’ (om die terminologie over te nemen). De twee grootste huidige sociologen van het vraagstuk van de buitenwijken, Didier Lapeyronie en Laurent Mucchilie, die zichzelf bevinden aan de linkerzijde van de politieke strijdtoneel, leggen er daarmee de nadruk op dat in de ogen van de jongeren die uit de immigratie zijn voortgekomen “het zich opwerken via de school is voorbehouden aan de ‘blanken’, de openbare diensten zijn niet meer gericht op integratie [...] en de woorden van de republiek [...] worden opgevat als de voorwendsels van een ‘blanke’ maatschappij.” (Libération, 15 november). De geïmmigreerde proletariërs zouden dus specifieke problemen hebben die niets te maken zouden hebben met die van de rest van de arbeidersklasse.

Door de geïmmigreerde arbeiders als de ware verant-woordelijken voor het voorstedelijk geweld aan te wijzen probeert de bourgeoisie de arbeiders weer eens tegen elkaar op te zetten, verdeeldheid te zaaien tussen Fransen en immigranten. Ze maakt gebruik van de blinde revolte van de jongeren uit de voorsteden om de werkelijkheid te verbloemen: de toenemende verpaupering van het geheel van de arbeidersklasse, wat ook haar nationaliteit, oorsprong of kleur moge zijn. Het probleem van de armoede, van de werkloosheid, de afwezigheid van enig vooruitzicht zou niet het gevolg zijn van de onoverkomelijke economische crisis van het kapitalisme, maar terug te brengen  tot een probleem van ‘integratie’ of van ‘cultuur’! Door de ouders van de jonge relschoppers zo aan de schqndpaal te’ nagelen, rechtvaardigt de heersende klasse meteen ook de aanvallen die zich momenteel zogenaamd richten op de ‘aanstokers van het geweld’, maar die morgen in werkelijkheid heel de arbeidersklasse zullen treffen. Dat gebeurt bijvoorbeeld door het stopzetten van uitkeringen aan de gezinnen van de ‘delinquenten’. En wat moeten we denken van de onmiddellijke uitwijzing van buitenlanders die opgepakt werden tijdens de rellen? De minister van binnenlandse zaken, Nicolas Sarkozy, heeft de prefecten van de departementen gevraagd alle vreemdelingen die veroordeeld werden wegens geweld in de voorsteden gedurende de laatste dertien nachten “zonder uitstel ons nationaal territorium” uit te wijzen, “ook wanneer zij een verblijfsvergunning hebben” (Libération, 9 november). Maar de arbeidersklasse hoeft zich geen illusies maken. Die maatregel zal geen uitzondering blijven, alleen voorbehouden aan ‘kleine criminelen’. Die uitwijzing uit het land voor ‘verstoring van de openbare orde’ zal de republikeinse staat in de toekomst zonder aarzelen gebruiken tegen de hele arbeidersklasse wanneer deze de strijd aangaat: om stakingen en hun eenheid te breken door de arbeiders die een ‘verblijfsvergunning’ hebben te dwingen weer aan het werk te gaan op straffe van het land te worden uitgezet.

Pawel / 17.11.2005

Naar aanleiding van een forum over de arbeidersautonomie

Hieronder drukken we een artikel af dat de IKS-afdeling in Spanje (Accion Proletaria) op het internet plaatste in een discussieforum over de zelfstandigheid van het proletariaat (www.alasbarricadas.org in het Spaans).

Dit forum begon naar aanleiding van de inzending, door een kameraad die ons onbekend is, van een artikel waarin we de balans opmaakten van een bijeenkomst over arbeidersautonomie en onze tussenkomst daarin (1). Die bijeenkomst vond plaats in Barcelona en wekte een hartstochtelijk, diepgaand en loyaal debat op. Alle deelnemers deelden de wil om een eind maken aan het kapitalistisch systeem dat voor de overgrote meerderheid van de mensheid zoveel economisch, psychisch, moreel, ecologisch lijden met zich meebrengt. Maar het debat ging over de vraag “wie kan de motor zijn van een sociale omvorming van een dergelijke omvang?” Samengevat tekenden zich twee antwoorden af. Voor de een is het de arbeidersklasse, het proletariaat. Anderen, waaronder een kameraad die Piti wordt genoemd, verstaan onder ‘proletariaat’ een gemeenschap van rebellerende individuen.

Wij verdedigen natuurlijk het eerste antwoord. En hier we willen de argumenten daarvoor uiteenzetten.

De klassenstrijd is de motor van de geschiedenis

Na het geleidelijk uiteenvallen van het oorspronkelijk stammenkommunisme werd de menselijke maatschappij verdeeld klassen en de motor van haar ontwikkeling was de klassenstrijd.

Die sociale oorlog vindt plaats in een historische omgeving van achtereenvolgende productiewijzen (slavernij, feodalisme, kapitalisme). Het vormt ook het algemene raamwerk waarbinnen de ontwikkeling van de productiekrachten, vol van innerlijke tegenspraken, kon plaatsvinden.

Dát vormt de meest samenhangende uitleg van de menselijke geschiedenis. Dat vormt eveneens het middel waarmee de huidige generaties vooruit kunnen komen met betrekking tot de dilemma’s die de huidige toestand van het kapitalisme hen stelt: ofwel vernietiging van de mensheid, ofwel de bevrijding ervan en het begin van een nieuwe historische etappe die steunt op de afschaffing van de sociale klassen, van de staten en de nationale grenzen; de vereniging van alle menselijke wezens in een mensengemeenschap die leeft en handelt door en voor zichzelf.

Tegenover die verklaring, die het meest samenhangend wordt verdedigt door het marxisme, zijn veel theorieën opgesteld die niet zozeer met elkaar gemeen hebben dat ze het bestaan van klassen ontkennen – dat doen alleen de meest kortzichtigen – maar wel de klassenstrijd als motor van de geschiedenis.

Als andere motoren worden genoemd: God, de Universele Geest, leiders en andere individuen die over bijzondere machten beschikken, groeperingen van mensen van goede wil, een minderheid van samenzweerders, van allerlei verlichters of predikers van alle mogelijke sociale en filosofische stelsels, allemaal begaan met het bestrijden van het kwaad in deze onderwereld.

De klassenstrijd heeft in de geschiedenis altijd een revolutionaire klasse voortgebracht die de draagster is van een nieuwe organisatie van het maatschappelijke leven, tegenover een reactionaire klasse die vasthield aan de verdediging van privileges en belangen verbonden aan de oude orde. In het algemeen liepen die conflicten uit op de zege van de nieuwe revolutionaire klasse en het min of meer snel verdwijnen van de oude klasse. Maar dat succes staat nooit vooraf vast door de één of andere onherroepelijke voorbeschikking. In de geschiedenis hebben zich omstandigheden voorgedaan waarin de maatschappelijke ontwikkeling vastliep, waarin de twee belangrijkste klassen van de maatschappij elkaar uitputten in vruchteloze conflicten waarin er geen uitweg was. Daarom beschouwt het Kommunistisch Manifest de klassenstrijd als een sociale oorlog “die altijd uitmondt op een revolutionaire omvorming van de gehele maatschappij of op de ondergang van de strijdende klassen”.

Geen enkele klasse is de blinde voltrekker van een vooraf vaststaand historisch lot, en evenmin de onvrijwillige uitvoerder van een noodzaak die bepaald wordt door de maatschappelijke ontwikkeling. Om de maatschappij te bevrijden van de kluisters die zijn opgelegd door de oude orde hebben de revolutionaire klassen een zekere mate van bewustzijn en wil nodig. Als die ontbreken zal de objectieve noodzaak, die enkel als historische mogelijkheid bestaat, niet verwezenlijkt worden en zal de sociale ontwikkeling vastlopen en wegzinken in chaos en vernietiging.

In de overgang van de oude slavenmaatschappij naar de feodale orde die daar op volgde bestond de beslissende factor uit de objectieve ontwikkeling, terwijl het bewustzijn en de subjectieve handelen een heel beperkte rol speelden. In de vernietiging van het feodalisme en de opkomst van het kapitalisme vormden de objectieve krachten de hoofdfactor, maar speelde het bewustzijn – een bewustzijn dat vooral ideologisch was – een belangrijke rol, vooral in de laatste etappe, die van de politieke machtsgreep door de bourgeoisie toen haar economische heerschappij over de maatschappij verzekerd werd.

Tijdens de revolutie die een eind zal maken aan het kapitalisme zal de beslissende rol daarentegen gespeeld worden door het bewustzijn, de bezieling, de solidariteit, de heldhaftigheid en de strijdbaarheid van de grote proletarische massa’s. Zonder die subjectieve kracht, zonder de betrokkenheid van een groot aantal bewuste individuen, zal de revolutie niet mogelijk zijn. Piti legt de nadruk op het belang van het bewustzijn (wat hij voorwaarde van ‘zelfbewuste individuen’ noemt), op solidariteit en wederzijds vertrouwen (wat hij ‘gemeenschap van rebellen’ noemt)… Wij delen die zorg: voor ons is het momenteel één van de fundamentele opgaven van de huidige generaties van de arbeidersklasse om in en door de strijd bewustzijn en solidariteit te ontwikkeling en hun eigen maatstaven aan te leggen. Zonder een ontwikkeling op grote schaal van de geestelijke en morele krachten zal de wereldrevolutie niet mogelijk zijn.

Daartegenover meent Piti dat de arbeidersklasse geen revolutionaire klasse meer is. Hij zegt niet dat de klassenstrijd verdwenen is, hij ontkent ook niet dat die strijd in andere fasen van het kapitalisme bestaan heeft en de motor van historische verandering was, maar zijn uitgangspunt ligt vast: : “Wat ik de ‘eerste aanval op de klassenmaatschappij’ noem (ik heb het dan over het begin van de twintigste eeuw en zijn revoluties in bijvoorbeeld Rusland, Kronstadt en Duitsland) en de ‘tweede aanval op de klassenmaatschappij’, mei 1968, de autonomenrevoltes in Duitsland, Autonomia Operaia in Italië, de arbeidersstakingen in Polen, de beweging van de assemblees in Spanje, dat waren bewegingen die verslagen werden, de zelfstandigheid van de arbeiders werd de nederlaag toegebracht.”

Zeker, de internationale revolutionaire golf werd verslagen en die nederlaag zette de deur open voor de vreselijkste contra_revolutie uit heel de menselijke geschiedenis. Het is ook waar dat de aanvankelijke prikkel van de arbeidersstrijd in 1968 geleidelijk aan verwaterde tot zich in 1989 een zware terugval voordeed in het bewustzijn en de strijdbaarheid van de arbeiders.

Maar waarom trekt Piti uit die mislukkingen de conclusie dat de arbeidersklasse haar revolutionaire aard verloren zou hebben? Hij steunt daarvoor op twee dingen: enerzijds heeft het kapitalisme zo’n grote verandering doorgemaakt dat we momenteel tegenover een nieuw ‘economisch model’ staan, en anderzijds brengt dit nieuwe economisch model zoveel sociale veranderingen met zich mee dat die het einde betekenen van de arbeidersklasse als revolutionaire klasse. “Dan (in de jaren 1980) beginnen de veranderingen. De vakbonden, als instrumenten van de integratie van de arbeidersklasse, ageren rechtstreeks voor hun eigen belangen door met patronaat en staat te onderhandelen, waarbij ze zonder protest de politiek van sociale afbraak en personeelsverminderingen aanvaarden. Dat breekt een hele generatie van rebellen, een gemeenschap van rebellen die werd overgeërfd uit de vorige etappe, het breekt haar bewustzijn. De arbeidersklasse wordt uit de bedrijven gegooid, er zijn industriële reconversies en de tertiaire sector gaan domineren in de economie (verandering van economisch model), en de delokalisatie van bedrijven op zoek naar goedkope en slaafse arbeidskracht [...] De technologie speelt een fundamentele rol, er is een technologische revolutie die maakt dat veel arbeiders verplicht worden vormingsstages te volgen. De technologie speelt in de kaart van de globalisering van de economie en de automatisering. Nochtans laten die nieuwe voorwaarden toe het welzijn van een minderheid van arbeiders te verbeteren. De technische kaders doen hun intrede, de arbeiders_eigenaars, de kleine ondernemers, enz. [...] De huidige periode is uniek en er komt geen terugkeer in het productief systeem, we komen niet terug naar de fabrieksidentiteit’.”

Een nieuw economisch model?

Gedurende heel zijn geschiedenis heeft het kapitalisme talrijke technologische, organisatorische en sociologische veranderingen doorgemaakt... Het kapitalisme is een dynamische productiewijze, altijd gedwongen om onophoudelijk zijn organisatie, zijn productiemethoden en -middelen te veranderen… Het Kommunistisch Manifest erkent dat “De bourgeoisie kan niet bestaan zonder de productie_instrumenten, dus de productieverhoudingen, dus alle maatschappelijke verhoudingen, voortdurend te revolutioneren. Onveranderde instandhouding van de oude productiewijze was daarentegen de eerste bestaansvoorwaarde voor alle vroegere industriële klassen. De voortdurende omwenteling van de productie, de onafgebroken verstoring van alle maatschappelijke toestanden, de eeuwige onzekerheid en beweging onderscheiden het bourgeoistijdperk van alle andere.”

Maar betekent dat dynamisme ook een verandering in de aard van het kapitalisme, een wijziging van de grondvesten van dit uitbuitingssysteem?

Het kapitalisme heeft talrijke stadia doorlopen zoals de manufactuur, het mechanisatie, de grote industrie, het monopoliekapitaal, het imperialisme, het staatskapitalisme. De heerschappij van de kapitalistische eigendom is voortdurend veranderd (handelaars, individueel bezit van industriebaronnen, gezamenlijk bezit door middel van aandelenmaatschappijen, volslagen staatsbezit – zoals in de zogenaamd ‘socialistische’ landen – of gemengd, multinationaal bezit…); de technieken hebben spectaculaire veranderingen ondergaan (zoals mechanisatie, spoorwegen, stoomschepen, luchtvaart, telecommunicatie, informatica, olie_ en atoomenergie); de arbeidsorganisatie heeft ook verschillende stadia doorlopen (zoals extensief, intensief, wetenschappelijke arbeidsorganisatie en lopende band, enorme industrieconglomeraten, decentralisatie, delokalisaties, onderaanneming); het arbeidsregime neemt verschillende vormen aan (zoals thuiswerk, vrouwen- en kinderarbeid, arbeid van onbepaalde duur, ambtenaren, dwangarbeid, dagloners, tijdelijke en deeltijdse baantjes, taakarbeid, stukwerk). Toch loopt daar een rode draad doorheen, als een onveranderlijke kern in een doorlopend veranderende veelheid:

– De onteigening van de producenten, zodanig dat de boeren en handwerkers van hun productie- en levensmiddelen gescheiden worden, en eenmaal arbeider geworden het juk van de loonarbeid krijgen opgelegd om in hun behoeften te kunnen voorzien.

– De uitbuiting van de arbeidskracht van de arbeider waarvan het loon zijn individuele reproductie en die van zijn familie moet dekken, door meerwaarde voort te brengen die de kapitaalsaccumulatie dient.

– De accumulatie van het kapitaal. Het doel van de productie is niet zozeer het bevredigen van de consumptiebehoeften van de heersende klasse, maar wel de herinvestering van de meerwaarde die een nieuw kapitaal reproduceert.

Wanneer Piti de globalisering aanhaalt als een grote fundamentele verandering die zich tijdens de jaren 1980 voordoet, dan moeten we hem erop wijzen dat hij iets ontdekt dat al een eeuw eerder plaatsvond: “De bourgeoisie heeft door haar exploitatie van de wereldmarkt de productie en consumptie van alle landen kosmopolitisch gemaakt. [...] In plaats van de oude, door de producten van het eigen land bevredigde behoeften, treden nieuwe, welker bevrediging de producten van de verst afgelegen landen en verst verwijderde klimaten vereist. In plaats van het oude plaatselijke en nationale zelfgenoegzaamheid en afgeslotenheid treedt een alzijdig verkeer, een alzijdige afhankelijkheid van de naties van elkaar. En zoals het in de materiële productie is, zo ook in de geestelijke. De geestelijke voortbrengselen van de afzonderlijke naties worden gemeengoed. De nationale eenzijdigheid en bekrompenheid worden meer en meer onmogelijk en uit de vele nationale en lokale literaturen vormt zich een wereldliteratuur. De bourgeoisie trekt door de snelle verbetering van alle productiewerktuigen, door de oneindig vergemakkelijkte communicaties alle, ook de meest barbaarse, naties binnen de beschaving. De lage prijs van haar waren zijn de zware artillerie waarmee zij alle Chinese muren plat schiet, waarmee zij de hardnekkigste vreemdelingenhaat van de barbaren tot capituleren dwingt. Zij dwingt alle naties zich de productiewijze van de bourgeoisie eigen te maken, indien zij niet te gronde willen gaan; zij dwingt hen de zogenaamde beschaving bij zichzelf in te voeren, dat wil zeggen bourgeois te worden. In één woord, zij schept zich een wereld naar haar eigen beeld.” Deze passage komt niet uit een vurige tekst voor of tegen de globalisering, maar uit het Kommunistisch Manifest, geschreven in 1848!

Technologische revolutie? Het is waar dat de telecom-municatie, de informatica en de elektronische netwerken een sterke ontwikkeling hebben doorgemaakt; er wordt gesproken over biotechnologie en stamcellen; het is waar dat grote stukken landbouwgrond ten prooi vallen aan grondspeculatie die imponerende wolkenkrabbers laat ontstaan, chips-gestuurde huisvesting en hele rijen... lege flatgebouwen. Maar die ‘fascinerende’ veranderingen vertegenwoordigen geen reële ontwikkeling; ze lijken meer op de laatste oprispingen van een zieke maatschappij. Bovendien is geen van die veranderingen te vergelijken met de radicale omwentelingen die plaatsvonden in de opkomstperiode van het kapitalisme: “De bourgeoisie heeft in haar nauwelijks honderd jaar oude klasseheerschappij massaler en kolossaler productiekrachten geschapen dan alle voorgaande generaties tezamen. Onderwerping van de natuurkrachten, machinerie, toepassing van de chemie in industrie en landbouw, stoomvaart, spoorwegen, elektrische telegrafie, het ontginnen van gehele werelddelen, het bevaarbaar maken van rivieren, gehele uit de grond gestampte bevolkingen – in welke vroegere eeuw had men vermoed dat zulke productiekrachten in de schoot van de maatschappelijke arbeid sluimerden?” (Kommunistisch Manifest).

De kapitalistische productiewijze wordt niet in de eerste plaats bepaald door de techniek, de organisatievormen van de onderneming of de arbeid… Die draaimolen is niet meer dan de buitenkant die het mechanisme verbergt: de productieverhoudingen die gebaseerd zijn op loonarbeid en onttrekking van meerwaarde. Die hoofd-mechanismes zijn niet in het minst veranderd. Zij blijven de pijlers die heel het gebouw rechthouden. Piti, die de spektakelmaatschappij zo zwaar op de korrel neemt, is zelf het slachtoffer van een optische illusie die kenmerkend is voor het kapitalisme: vergeleken bij de starre onveranderlijkheid van de voorafgaande maatschappijen lijkt het kapitalisme een onophoudelijke caleidoscoop van veranderingen, maar die laten de grondvesten altijd onaangeroerd.

Die vormen zijn evenmin bepalend voor de werkelijke dynamiek van het kapitalisme. Dat is altijd koortsachtig op zoek naar een steeds groter meerwaarde-massa en een steeds omvangrijker markt in verhouding tot haar accumulatiebehoeften. Zodra het kapitalisme in het begin van de twintigste eeuw de wereldmarkt beheerst komt het door die onafwendbare dynamiek in de historische fase van verval en neergang. Die fase is natuurlijk nog steeds die van de huidige maatschappij, met zijn onophoudelijke oorlogen, zijn grenzeloze barbaarsheid, zijn economische crisissen en stuiptrekkingen, zijn staatstotalitarisme en zijn ideologische en morele ontbinding. De veranderingen waarover zoveel drukte wordt gemaakt zijn oppervlakkig (technisch, financieel, diensten), maar men vergeet helemaal die andere ‘verandering’ die van veel grotere betekenis is, die doorslaggevend is voor het dagelijkse leven van enorme mensenmassa’s. De overgang van de opkomstperiode van het kapitalisme naar zijn fase van verval, waardoor heel de twintigste eeuw gekenmerkt wordt, stelt ons in staat te begrijpen waar al dat vreselijk lijden, waar die diepe ontreddering ie miljoenen mensen ondergaan vandaan komt, ze helpt ons de realiteit te begrijpen van een maatschappij in doodsstrijd, ze geeft ons de kracht en het bewustzijn om te vechten voor de opbouw van een nieuwe maatschappij. De andere visie daarentegen verblindt ons met een ‘moderniteit’ en een ‘vooruitgang’ waarachter de vreselijke hel schuilgaat waarin het overgrote deel van de mensheid verkeert.

 

Accion Proletaria / 16.05.2005

 

(1) Ze spreken over arbeidersautonomie om hun boodschap kracht bij te zetten over het einde van het proletariaat, in Accion Proletaria, nr. 181.

(2) Piti is één van de kameraden die aan het discussieforum deelnamen om een standpunt te verdedigen dat zijzelf omschrijven als ‘neo_situationistisch’.

Tegenover de kapitalistische ellende: Eenheid en solidariteit van alle arbeiders

Het werkloosheidsprobleem staat in het centrum van de vragen die worden opgeworpen door de rellen die zich afspeelden in de Franse voorsteden. Maar in tegenstelling tot wat de bourgeoisie en haar politici ons voorhouden, is het geen probleem dat beperkt blijft tot de immigrantenjongeren. Met al de wekenlang overbelichte debatten en betogen werd geprobeerd ons er van te overtuigen dat het uitsluitend zou gaan om een vraagstuk van de jongeren van Afrikaanse en Noord-Afrikaanse afkomst die opeengepakt zitten in de getto’s van de voorsteden waar de werkloosheid 30 tot 40% bedraagt. Door het voor te stellen als een specifiek probleem van mensen die aan hun lot zijn overgelaten, heeft de heersende klasse in Frankrijk net zoals in andere landen, alle aandacht gericht op een bijzondere deel van de bevolking, op de jongeren zonder toekomstperspectief, met de bedoeling het uiteindelijke probleem te verdoezelen en uit de weg te gaan. Het vraagstuk van de werkloosheid raakt en bedreigt de hele arbeidersklasse. Elke dag komen er nieuwe karrenvrachten massale ontslagen bij en worden er duizenden arbeiders op de keien gezet niet alleen in Frankrijk maar in van de meest ‘ontwikkelde’ landen, net zoals overal elders. Wat de bourgeoisie probeert te verbergen is de diepgaande betekenis van deze massawerkloosheid. Ze probeert te verhinderen dat er een verband wordt gelegd tussen de verschijnselen in de voorsteden en de alledaagse ontslagen van proletariërs. Deze polarisering op het meest kansarme, meest broze, meest kwetsbare en verloederde deel van de arbeidersklasse, is niet nieuw: in de jaren 1980 werden de groei van de massale werkloosheid, de ontmanteling van het systeem van sociale zekerheid en het brutaal wegzinken in de verpaupering van de arbeidersklasse op rekening geschreven van een nieuwe sociologische categorie die de ‘nieuwe armen’ werd gedoopt en die men aldus marginaliseerde ten opzichte van de rest van de arbeidersklasse.

De bourgeoisie heeft de ellende en ontreddering die het kapitalisme teweegbrengt altijd cynisch benut. Diegenen die worden voorgesteld als havelozen, die elke hoop op een toekomst hebben laten varen, die geen perspectieven noch houvast meer hebben, die willens en wetens worden genegeerd en al tientallen jaren worden veracht, worden van de ene dag op de andere voor het voetlicht gebracht alsof de maatschappij om hen draait. Het is de boom waardoor we het bos van de groeiende ellende niet meer zien waardoor de arbeiders steeds harder worden getroffen. Daarmee doet de heersende klasse een poging om een waaier van verklaringen uit te spreiden over de oorsprong en de aard van het probleem: identiteitscrisis van de jeugd, onvoldoende integratie van immigranten, ongelijkheid van kansen, discriminatieproblemen bij sollicitaties, gebrek aan opvoeding tot burgerzin als gevolg van mislukkingen op school, opkomst van racisme en vreemdelingenhaat...

Al deze oppervlakkige en gedeeltelijke verklaringen komen de bourgeoisie van pas voor het bedrog dat er ‘oplossingen’ zouden bestaan, mogelijke hervormingen om binnen het kapitalisme het lot van de jongeren in de voorsteden te verbeteren. Maar alle voorstellen en volslagen illusoire maatregelen van de regering kunnen het probleem van de werkloosheid niet oplossen: leercontracten vanaf veertien jaar, meer geld en middelen vrijmaken voor verenigingsinstellingen, toename van het aantal vormingsplaatsen, vrijwillige burgerdienst, en ga zo maar door. Deze maatregelen zijn, gezien de toenemende druk van de werkloosheid, van de tijdelijke en deeltijdse baantjes en de ellende in de maatschappij, pogingen die tot mislukken zijn gedoemd. Het is voornamelijk zand in de ogen strooien. Alle fracties van de bourgeoisie, van links zowel als van rechts hebben niets beters meer te vertellen. Maar dat maakt het wel mogelijk om de stromen gif van ideologische propaganda uit te storten die er fundamenteel toe dienen om de uitgebuiten te verdelen, om de wederzijdse belangen tegen elkaar uit te spelen. De heersende klasse rechtvaardigt daarmee een permanente kloof tussen de generaties, tussen autochtone en allochtone arbeiders, tussen werkende en werkloze arbeiders. Enerzijds jut ze de werklozen op om de arbeiders die nog werk hebben te beschouwen als bevoorrechten die niet te klagen zouden hebben laat staan strijd zouden mogen leveren voor de verdediging van hun lonen, tegen de vermindering van hun pensioenen en de verslechtering van hun arbeidsvoorwaarden. Anderzijds zet ze de arbeiders er toe aan om zich iedere toekomstige strijd van werklozen in te beelden als een uiting van ‘gepeupel’, dat tot niets anders in staat is dan het ontketenen van blinde razernij, haat en zelfvernietiging.

De diepgaande sociale malaise die uit de onlusten in de voorsteden bleek is de uiting van de economische wereldcrisis van het kapitalisme en onthult het onherstelbare bankroet van dit systeem. Daarom brachten de rellen in de voorsteden zo’n grote onrust teweeggebracht bij de andere Europese bourgeoisieën die met hetzelfde probleem geconfronteerd worden. Als de jongerenrellen in de buitenwijken, die in het teken staan van het ‘no future’, op zichzelf geen enkele toekomst of uitzicht bieden omdat ze de loutere weerspiegeling zijn van de kapitalistische hel, dan onthullen ze toch het diepe ongenoegen en de uitzicht-loosheid van het in crisis verkerende kapitalistische systeem dat niet langer in staat is om de jonge generaties op te nemen in zijn productieapparaat. Deze wel heel sprekende uiting van het bankroet van het kapitalisme stelt meer dan ooit het alternatief: omverwerping van de burgerlijke orde of het wegzinken van de hele menselijke maatschappij in chaos, ellende en barbarendom.

Het enig noodzakelijke en mogelijke antwoord op de werkloosheid die steeds meer arbeiderskinderen bedreigt, is het in beweging komen, de ontwikkeling van eensgezinde en massale verdedigingsstrijd van de arbeidersklasse tegenover de ontslagen en alle aanvallen die ze ondergaat. Enkel de klassenstrijd zal het mogelijk maken dat de arbeiders die nu tot werkloosheid veroordeeld zijn en degenen die momenteel betrokken zijn bij de onlusten, de kans te geven hun plaats te vinden in een positief revolutionair en internationalistisch perspectief. Tegenover het ‘no future’ en de wanhoop die blijkt uit de rellen in de voorsteden blijft het proletariaat de enige draagster van de toekomst omdat het de enige sociale kracht is die het kapitalistische uitbuitingssysteem omver kan werpen, die de ellende, de werkloosheid kan uitroeien, die de loonarbeid, de winst en concurrentieverhoudingen kan afschaffen. Het is de enige klasse die kan bewerkstelligen dat er andere sociale verhoudingen worden doorgevoerd en kunnen opbloeien, waardoor de mensheid uiteindelijk vastbesloten kan beginnen met het bevredigen van haar behoeften.

W / 18.11.2005

Internationalisme, nr. 324 - 15 maart-15 april 2006

België: Na het solidariteitspact de competitiviteit: De arbeiders alweer opgelicht

Na de smerige slag die de arbeiders te verduren kregen met de goedkeuring van het ‘Solidariteitspact tussen de generaties’, besliste de eerste ministerraad van januari 2006 in volle euforie dat hij verder zou gaan met het ‘op orde stellen’ van de Belgische economie, met andere woorden dat het nog niet gedaan was met het ondergraven van de levensvoorwaarden van de arbeidersklasse. Nu heeft de liberaalsocialistische coalitie het gemunt op de lonen van de werkenden. Het rapport van de Nationale Bank van midden februari komt als geroepen. Daarin wordt weer aangedrongen op een ‘competitiviteitspact’ en op een vermindering van de bedrijfslasten. ‘Algemene mobilisatie in naam van de competitiviteit’ titelt Le Soir van 16 februari. De gouverneur van de Nationale Bank, het VBO en de regering hadden al vóór Kerstmis 2005 de intentie om de loonkost ter discussie te stellen. Maar de vakbonden zagen het nog niet zitten om reeds over een nieuwe loonmatiging te ‘onderhandelen’ terwijl zij nog volop bezig waren acties uit te stippelen om de strijdbaarheid tegen het solidariteitspact uit te putten (zie Internationalisme, nr. 323).
Men weet dus waaraan men zich kan verwachten en dit des te meer omdat de socialisten en de vakbonden in de eerste linie staan om te erkennen dat de ‘lonen uit de hand lopen’. Zo heeft Frank Vandenbroucke, de vroegere federale minister van tewerkstelling en een van de architecten van het ‘Solidariteitspact’, verklaard dat de Belgische lonen te hoog zijn en dat er een politiek dient gevoerd te worden van loonmatiging over verschillende jaren. Verder bevestigt hij wat de nieuwe voorzitter van de Vlaamse socialisten, Vande Lanotte al had bekend: “We hebben een zeer zachte methode gekozen. Maar dat is niet het eindpunt van de hervormingen; het werk moet nog beginnen...” (De Morgen, 21.1.06). Ook de voorzitter van de Waalse PS, Di Rupo, verklaarde reeds in augustus 2005: “We kunnen ons geen groter wordende kloof permitteren wat de arbeidskost betreft met onze buurlanden.” De christen-democraten tenslotte bevestigen bij monde van Milquet hun grote zin voor verantwoordelijkheid: “Er is een probleem met de competitiviteit” (RTL TV, 13.01.06). De vakbonden vervolledigen het eensgezinde koor: “Wij ontkennen niet het bestaan van een deficit op het vlak van de competitiviteit, maar er mag niet geraakt worden aan de minimumlonen.” (FGTB). (Bedankt voor de andere !!). Zij voegen er aan toe: “Wij hebben geen keuze. De wet dwingt ons het probleem terdege aan te pakken. Tussen de sociale partners moet men proberen een gemeenschappelijke analyse te delen.” (CSC, Le Soir, 08.01.06). Het betreft dus geen vage plannen die door om het even wie worden gemaakt. Van links tot rechts, vakbonden inbegrepen, heerst er een mooie eensgezindheid in de schoot van de Belgische bourgeoisie: De Belgische loontrekker kost te veel!
Natuurlijk verklaart iedereen, van eerste minister Verhofstadt tot Di Rupo of de vakbonden, dat men niet zal raken aan de index. En de eerste minister looft de “opbouwende geest van de sociale partners die tot een akkoord zullen komen omtrent de competitiviteit van de bedrijven” (Le Soir, 28- 29.01.06). Zulke verklaringen maken deel uit van de zachte methode die de socialisten van noord en zuid zo nauw aan het hart ligt: “We kunnen de index behouden, maar er zal weinig overschieten voor de loonsverhogingen” (Vanden-broucke, De Morgen, 21.01.06). In werkelijkheid vermijden de regering en de ‘sociale partners’ om de index frontaal in vraag te stellen; deze wordt immers als een soort symbool behouden maar tegelijk van elke inhoud ontdaan door middel van ‘all-in’ sectoriële akkoorden die de loonmatiging reeds vastleggen in de bouw, de metaalconstructie, de voeding, de schoonmaak, de garages, de elektriciens en het hout, met andere woorden in totaal bij één loontrekker op vijf in België en het is de bedoeling zulke akkoorden te veralgemenen voor alle loontrekkers. Het ‘all-in’ bestaat erin een gemeenschappelijke pot te onderhandelen die een combinatie is van loonsverhoging en indexatie. Als de stijging de voorziene inflatie overstijgt knaagt men aan de verhogingen. Zonder die indruk te geven mikt de bourgeoisie er op om via dit procédé de lonen te verlagen. Want zelfs met het indexsysteem, dat ‘de wereld ons benijdt’ en ondanks de ‘loonontsporingen’ die door links en rechts worden aangeklaagd, erodeert de koopkracht van de werkenden en de sociale uitkeringsgerechtigden langzaam maar zeker. Volgens een studie van het Onderzoeks- en Informatiecentrum van consumentenverenigingen, is de koopkracht van de ambtenaren met 2,8% verminderd, die van de loontrekkers met 2,08% en die van de ‘economisch zwakkere gezinnen’ met 3,2%.
De argumentatie van Verhofstadt, Di Rupo, Vande Lanotte of van de sociale partners naar de arbeidersklasse toe is fundamenteel dezelfde : het is een oproep tot de opofferingsgeest voor het algemeen welzijn, een oproep tot sociale vrede, tot positief denken. De ‘loonmatiging’ is van levensbelang voor het behoud van de competitiviteit die op haar beurt zou toestaan de levensstandaard te behouden, de tewerkstelling te verzekeren tegen de delocalisaties, en de verzorgingsstaat te redden. Deze schijnheilige argumenten zijn er slechts op gericht om de werkenden een rad voor de ogen te draaien:
– Met een volleerd cynisme, beweert de bourgeoisie de levensstandaard te waarborgen... door de lonen te verlagen en de pensioenen aan te vallen... door herstructureringen die de tewerkstelling vernietigen te bewerkstelligen (ARCELOR, Ford, Belgacom, INBEV,…), door haar toevlucht te nemen tot goedkope arbeidskracht uit het zwarte circuit of volledig legaal dank zij de ‘grote Europese tewerkstellingsmarkt’;
– Zij schrikt er niet voor terug te liegen om deze boodschap er door te rammen. Als men zich buigt over de officiële cijfers van de loonkost in de Belgische industrie (berekend door de Nationale Bank), stelt men vast dat België zich op de twaalfde plaats bevindt juist voor Spanje en Portugal en ver achter Groot-Brittannië en Duitsland, waar de loonkosten 30 tot 40% hoger zijn (Nationale Bank, De industrie in België, p. 27);
– Dat is net zo met de chantage ten overstaan van de delocalisaties en de sluitingen van bedrijven. Zelfs in zeer competitieve bedrijven zoals Daimler in Duitsland of VW en INBEV in België, aarzelt de bourgeoisie niet dit soort chantage te gebruiken om het opgeven van de ‘voordelen’ te eisen ten einde de productiekosten te drukken (zie Internationalisme, nr. 310).
De arbeiders in België moeten weten dat dit gezwets, met bijna dezelfde cijfers en argumenten, ook in Duitsland, Nederland of in Frankrijk aan hun collega’s opgedist wordt door hun respectievelijke bourgeoisieën. Deze politiek sleurt dus het geheel van de arbeidersklasse mee in een helse spiraal van loonsdalingen, sluitingen, vermindering van de sociale uitkeringen in het geheel van de industrielanden.
De tamtam rond de ‘verantwoordelijkheidszin van de arbeiders’ heeft vooral tot doel de ware redenen van de crisis en van de inleveringen weg te moffelen: immers, in een toestand van verzadiging van de markten, van toegespitste concurrentie tussen de nationale kapitalen, van groeiende impasse van een in het nauw gedreven systeem, kan ‘de loontrekkende alleen maar te duur zijn’! In feite heeft de bourgeoisie geen enkele andere uitweg meer dan de veralgemeende agressie tegen de levensstandaard van de arbeidersklasse, het opdringen van een steeds zwartere ellende en een radeloze vlucht in de oorlogsbarbarij. Bijgevolg zijn de mediacampagnes over de bedreigingen voor de competitiviteit en over de delocalisaties er enkel op gericht om druk uit te oefenen op de lonen, om de arbeidersklasse mee te slepen achter de verdediging van het nationaal kapitaal, om de ware redenen van de economische wereldcrisis te verdoezelen, om de arbeiders te ontwapenen in hun verzet tegen de aanvallen op hun levensstandaard.
Als links en de vakbonden de spits afbijten in deze campagne en met ijver de noodzaak van deze maatregelen verdedigen, als ze in de eerste linie staan om de nationale economie te redden, dan is dat eenvoudigweg omdat zij de vurigste verdedigers zijn van het kapitalistische systeem en zijn ‘democratische’ staat. Di Rupo, Vande Lanotte en consorten kunnen mooi zeggen dat, zonder hun aanwezigheid in de regering, de sociale teloorgang nog erger zou zijn. Men moet stekeblind zijn om niet de centrale rol te zien die de PS/SPa spelen in de uitwerking van de soberheidsplannen die wij al vijftien jaar lang aangesmeerd krijgen, noch hun niet aflatende inspanningen om ons te doen geloven dat er geen andere wegen zijn dan de competitiviteit van de bedrijven, de loonmatiging, de solidariteitspacten met de bourgeoisie, waarbij zij zelf de vurigste verdedigers blijken te zijn van het nationaal kapitaal en de burgerlijke staat. Hoe kan men nog geloof hechten aan de voornaamste verantwoordelijken voor deze trage maar zekere sociale teloorgang wanneer zij beweren te strijden tegen de ellende, terwijl zij zelf ten volle bijgedragen hebben om deze te verergeren. De vakbonden zijn een andere hoofdpion in het arsenaal van de bourgeoisie. Zij doen volledig mee in de tactiek van het zacht doorvoeren van de hervormingen, nadat ze eerst de woede, de ongerustheid over de toekomst en het ongenoegen van de arbeidersklasse hebben ingekapseld. De ronkende oorlogsverklaringen van de vakbondsleiders werden snel opgeborgen. En hun laatste kuiperijen, de bekrachtiging van de beginselen van het ‘competitiviteitspact’, laten geen enkele twijfel omtrent hun bedoelingen.
Het laatste trimester van 2005 werd in België gekenmerkt door een begin van heropkomst van de strijdbaarheid, zoals dit ook tot uiting kwam in het merendeel van de industrielanden. In de sociale bewegingen van het afgelopen jaar, heeft een nieuwe generatie van proletariërs zich ook in België gemanifesteerd maar de vakbonden waren er als de kippen bij om ze in te kapselen. Vanuit dit gezichtspunt is de betekenisvolle aangroei van de bij een vakbond aangesloten jonge werkenden die de laatste weken zo dik in de verf gezet werd door de media, een uiting van tegenstrijdige tendensen. Enerzijds drukt het de groeiende ongerustheid uit over de toekomst, die tot uiting komt in brede lagen van jonge arbeiders en hun wil om zich niet te laten uitbuiten zonder strijd. Anderzijds is het een illustratie van de illusies in links en in de vakbonden die nog taai zijn en verbonden zijn aan een herwonnen geloofwaardigheid van deze laatsten in de jaren 1990. Het toont dus dat het bewustzijn van deze elementen met betrekking tot de wapens en de perspectieven van hun strijd nog laag is. Maar onder de mokerslagen van de crisis en de aanvallen van de bourgeoisie, tegenover het gekonkel van de vakbonden, zullen de verzuchtingen van de nieuwe generatie van proletariërs onvermijdelijk hevig in botsing komen met de praktijk en de aard van de vakbonden. Uit deze botsing zal geleidelijk een bewustwording groeien dat enkel de strijd, die de arbeiders zelf in handen nemen, hen kan leiden op weg naar de overwinning tegen de uitbuiting.

J&J / 26.02.06

De oprichting van de Belgische Werklieden Partij: De langzame en moeizame strijd voor de opbouw van arbeidersorganisaties

Vandaag voeren de socialistische partijen, waar ook ter wereld, of ze nu in de regering zitten of in de oppositie, een zelfde politiek tegen de arbeiders, door de arbeidersstrijd te misleiden en af te leiden, of door zelf rechtstreeks soberheidsmaatregelen door te voeren. Zij zijn het ook die de arbeiders meegesleept hebben in de slachtpartijen van de wereldoorlogen van de twintigste eeuw en die vandaag deelnemen aan de uitbreiding van de oorlogsbarbarij. En morgen zullen diezelfde partijen niet aarzelen de strijd van het proletariaat in bloed te smoren wanneer dat vereist wordt om het kapitaal veilig te stellen, zoals ze al talloze keren aangetoond hebben in de afgelopen eeuw. In naam van die realiteit van vandaag verwerpen vele mensen de betekenis en de bijdragen van de sociaal-democratie in de negentiende eeuw, omdat ze die verbinden aan het gekonkel van de PS van Di Rupo of van de SPa van Vande Lanotte, die zich trouwens beroepen op die afstamming.
Ons artikel over de ontwikkeling van de sociaal-democratie in België in de negentiende eeuw wil de fundamentele bijdrage van de sociaal-democratie aan de proletarische strijd in het licht stellen, los van het verraad en haar overgang naar het kamp van de bourgeoisie bij het begin van de twintigste eeuw. Door die continuïteit te verdedigen willen wij de partijen de hemel niet in prijzen die deel uitmaakten van de Tweede Internationale. Het gaat er ons nog minder om hun praktijk voor te stellen als iets dat bruikbaar zou zijn in ons tijdperk. En het gaat er al helemaal niet om de erfenis op te eisen van de reformistische fractie die vergleed naar 'sociaalchauvinisme' en die bij het uitbreken van de oorlog overliep naar het kamp van de bourgeoisie. Waar het wel om gaat, is te begrijpen dat de Tweede Internationale, en de partijen zoals de BWP waaruit zij bestond, authentieke uitdrukkingen van het proletariaat waren op een belangrijk moment in de geschiedenis van de arbeidersbeweging.

De aangeboren moeilijkheden van de arbeidersbeweging in België

De geschiedenis heeft de ontwikkeling van de arbeidersklasse in België het leven niet gemakkelijk gemaakt. Het proletariaat had achtereenvolgens te lijden onder de opeenvolgende overheersing door Oostenrijk, Frankrijk en Nederland die onze streken tot in 1830 aan hun eigen economische en politieke eisen onderwierpen. Daarna waren er de tegenstellingen die voortvloeien uit het kunstmatige kader van de schepping van de Belgische staat in 1830 die de ontwikkeling van bewustzijn en organisatie van het proletariaat zwaar belast hebben. De Belgische bourgeoisie kon niet volop profiteren van de expansieperiode van het kapitalisme en de spectaculaire industriële groei om zijn innerlijke tegenstellingen uit te vlakken. Het gebrek aan economische homogeniteit en eenheid van België en de politieke instabiliteit hebben sterk bijgedragen tot het binnendringen van regionalistische, lokalistische en corporatistische reflexen in de rangen van het opkomende proletariaat. De wrede concurrentie tussen Waalse arbeiders en Vlaamse geproletariseerde boeren werd nog op de spits gedreven en voortdurend uitgebuit door de bourgeoisie. De ruimte en mogelijkheden voor hervormingen werden beperkt door de interne tegenstellingen van de bourgeoisie, waarvoor strakheid en repressieve discipline in de plaats kwamen. In tegenstelling tot Engeland, waar de ontwikkeling van het kapitaal en de stabiliteit van de econome en het politieke kader de bourgeoisie in de gelegenheid stelden toegevingen te doen aan de arbeidersklasse, werd België, na Groot-Brittannië toch het meest geïndustrialiseerde land van die tijd, traditioneel steeds beschouwd als het land met de laagste lonen en de langste werkdagen, en dit tot het einde van de negentiende eeuw.
De materiële ontbering, de fysieke ellende, de culturele onontwikkeldheid, de gelatenheid, de onwetendheid, de onderwerping aan de geestelijkheid en de samenstelling die sterk beïnvloed is door haar professionele en agrarische afkomst, laten ons toe het lage peil te begrijpen van het klassenbewustzijn en de organisatiegraad. De eerste beroepsverenigingen en weerstandskassen die vanaf 1840 opgericht werden bleven door hun lokalisme en corporatisme meestal geïsoleerd, remden de eenmaking van de arbeidersstrijd af en hielden zich verre van internationale contacten. De strijd heeft vaak een explosief en spontaan karakter, een weerspiegeling van de wanhoop, de woede en verbittering. De arbeiders protesteren, maar formuleren geen enkele precieze eis, ze verwerpen de mechanisering... Die sociale uitbarstingen monden uit op genadeloze repressie: "Het gaat er voor de bourgeoisie om elke bewustwording bij de arbeiders in de kiem te smoren en de minste vorm van oppositie te ontmoedigen." (M. Liebman, Les socialistes belges 1885-1914, p. 13) In betogingen en bij stakingen vallen tientallen doden en tussen 1830 en 1860 worden meer dan 1600 arbeiders vervolgd voor stakingsfeiten. Daarom onderstreept de beroemde Oproep tot de arbeiders van Europa en Amerika die door de IWV gedaan wordt in 1869, wanneer hij verwijst naar de belangrijke stakingen die toen plaatsvonden in de Borinage, dat er "in de beschaafde wereld maar één klein land is waarvan het leger tot taak heeft de stakende arbeiders te vermoorden, waar elke staking gretig en kwaadaardig als voorwendsel gebruikt wordt om officieel arbeiders af te slachten. Dat kleine land dat zo speciaal begiftigd is, dat is België."
Die moeilijkheden van de arbeidersbeweging in België zijn een levende illustratie van het feit dat ellende op zich niet volstaat. Er is een klasse nodig die vertrouwen krijgt in zichzelf, die zich op zelfstandige manier organiseert, die zich bewust wordt, om op zegevierende wijze te weerstaan aan de aanvallen van het kapitaal.

De eerste verspreide uitingen van arbeidersorganisatie

Deze situatie verklaart de moeilijkheden die de ontwikkeling van de arbeidersbeweging in deze streken kende. De actieve deelname van het proletariaat aan de 'Belgische revolutie' van 1830 had eerst geleid tot tolerantie ten opzichte van de verspreiding van de blanquistische, utopisch-socialistische en vooral proudhonistische ideeën. Een eerste arbeidersvereniging wordt door J. Kats opgericht in 1836 in Brussel. Tussen 1843 en 1847 zien we verschillende groeperingen ontstaan (het Genootschap Agneessens met J. Pellering, de Arbeidersassociatie, de Democratische Associatie, een internationale groepering die zich vooral inspireert op Fourier en waarvan Marx en elementen van Agneessens deel uitmaken, de Alliantie, enzovoort). Dat zorgt voor een zekere gisting, maar diep gaat het nog niet. Ondersteund door bourgeois die gewonnen zijn voor de democratische ideeën, zetten de beweging en haar ideeën zich niet door als die van een klasse die tegengesteld is aan de bourgeoisie: "de socialistische ideeën bestonden toen uit een mengsel van democratie, republicanisme, gevoelsmatig socialisme en atheïsme... [die] weinig weerklank vonden bij de massa's." (L. Bertrand, Histoire de la Démocratie et du Socialisme en Belgique depuis 1830, Vol 2, p. 206). Er bestaat nog geen arbeidersklasse die zich bewust is van zichzelf en van haar kracht.
De repressie na de revoluties van 1848 in Europa deed vele elementen naar België vluchten, maar de tolerantie uit de jaren 1830 heeft er plaats gemaakt voor een zeer nauwgezet toezicht. Hoewel Marx en andere Duitse kommunisten, die vooraan staan bij de internationale inspanningen tot ontwikkeling van het proletarisch programma, rond 1845 enkele jaren in Brussel verblijven, zijn het toch vooral de talrijke Franse vluchtelingen van na de staatsgreep van 1851 in Parijs die de jonge arbeidersbeweging beïnvloeden. Het Proudhonisme met zijn ideeën van wederzijdse steun en coöperaties plant zich stevig in en wordt vooral verwoord en verspreid door Jan Pellering en de Luikenaar Nicolas Coulon. Het drukt het verlangen uit van een terugkeer naar een afgesloten verleden en houdt zich afzijdig van elke politieke en economische strijd van het proletariaat. Rond 1860 concentreert de socialistische en democratische propaganda zich, na een afsplitsing van de beweging van Pellering en Coulon, in de Association de la démocratie militante socialiste: le Peuple in Brussel, nog altijd van antiklerikale inspiratie ("rationalisme en socialisme horen samen") en proudhonistisch, maar opener en meer gericht op solidariteit.
De ontwikkeling van organisaties van syndicaal type wordt tegengewerkt door het misprijzen van de Proudhonisten voor de economische strijd. Terwijl in Groot-Brittannië vanaf het einde van de achttiende eeuw de eerste hulpkassen en arbeidersverenigingen ontstaan, dat die vanaf 1842 de afschaffing bekomen van het verbod op coalities en dat ze voordeel halen uit de vakbondskaders die al gevormd werden in de illegaliteit, vormen de arbeidersvakbonden in België zich pas vanaf 1857 en blijven ze verboden tot 1866. Die tweede tak van de arbeidersbeweging in België verschijnt onder invloed van het Britse trade-unionisme, met name in de textielfabrieken in het Gentse, onder impuls van onder meer De Ridder en Moyson, afkomstig van de Association ‘le Peuple’. Zo wordt een hiaat opgevuld dat door de Proudhonisten gelaten werd op het vlak van de economische strijd.

Impact van de Eerste Internationale en strijd tegen het anarchisme

De oprichting van de Eerste Internationale in 1864 en dankzij haar de promotie van de marxistische ideeën op internationaal vlak zal leiden tot een nieuwe ontwikkeling van bewustzijn en organisatie van het proletariaat in België. Bij de oprichting van de Internationale Werlieden Vereniging (IWV) in Londen in 1864 waren er geen Belgen aanwezig. Pas in juli 1865 wordt in Brussel de Belgische afdeling van de Ie Internationale gevormd. Haast onmiddellijk neemt die de Association ‘Le Peuple’ op, die er de enige afdeling van wordt. Ze blijft de nadruk leggen op proudhonistische thema's zoals het oprichten van coöperaties van producenten en verbruikers, en toont geen belangstelling voor de economische en politieke strijd en een misprijzen voor de ontwikkeling van gecentraliseerde organisaties. Elk gezag belet de vrije associatie, de economische basis van een nieuwe maatschappij.
De heldhaftige strijd van de mijnwerkers in 1868 en 1869 en de moorddadige repressie die erop volgt brengen de Belgische afdeling van de IWV er tenslotte toe zich op de arbeiders in strijd te richten, het belang van de strijd en van de propaganda onder de arbeiders te erkennen en de solidariteit ter harte te nemen. De Gentse syndicalisten, die tot dan toe zeer lokalistisch waren maar waar een kiemende kern marxisten bij hoorde, vervoegen de Belgische afdeling van de IWV, die van dan af actief contact zoekt met de arbeiders. Op enkele maanden tijd wordt een honderdtal meetings gehouden en al snel neemt het aantal activiteiten en plaatsen waar de Internationale zich inplant toe over het hele land. In 1870 verenigt de IWV 70.000 arbeiders in België.
De ideeën van Fourier en Blanqui verliezen duidelijk aan invloed, en zelfs al blijven de aanhangers van Proudhon in de meerderheid in België wint het marxisme aan invloed, zoals de evolutie toont van een belangrijke figuur als C. De Paepe vanaf 1867. Die begint de stellingen van Proudhon ernstig te bekritiseren, erkent dat de coöperatieve beweging de uitbuiting van de loonarbeid in stand houdt en stelt dat een sociale revolutie noodzakelijk is. Kortom, op dat moment "is de Internationale een macht geworden in België" (L. Bertrand, Histoire de la Démocratie et du Socialisme en Belgique depuis 1830, Vol. 2, p. 171), want ze vormt echt het vertrekpunt voor socialistische actie die op nationaal vlak overlegd en georganiseerd wordt. Er blijven zeker nog belangrijke zwakheden bestaan die ook aan de oppervlakte zullen komen. Het particularisme is afgezwakt, maar nog niet overwonnen. Het apolitisme blijft ook nog sterk, gevoed door de abstentionistische stellingen die door Proudhon en zijn aanhangers verspreid worden. Het geheel blijft een beetje lijken op een samenraapsel, ook als het gaat om het erkennen van het belang van de economische strijd voor het proletariaat.
Vanaf 1870 wordt het elan van de IWV echter gebroken, eerst door de Frans-Pruisische oorlog van 1870, die elke internationale activiteit zeer moeilijk maakt, en dan enkele maanden later door de verplettering van de Commune van Parijs in 1871. De marxistische strijd tegen het vernietigend optreden in de Internationale van de aanhangers van Bakoenin heeft bovendien een hoge tol geëist. Dat was in het bijzonder zo in België, waar het gekonkel van de aanhangers van Bakoenin de politieke verwarring ten top dreven, de krachten versnipperden en verdeeldheid zaaiden. Op het congres van Den Haag in september 1872 kiest de Belgische delegatie, in tegenstelling met de uitgebrachte stemming op de nationale conferentie van juli 1872, ondanks alles toch de kant van Bakoenin tegen Marx. Van dat moment af verwatert de IWV in België, wat een aanzienlijke leegte achterlaat.

Naar een eengemaakte sociaal-democratische organisatie in België

De strijd van de IWV, ook al beleefde die toen een tijdelijke terugval, was van grote historische waarde, want van nu af zou niets meer zijn als voorheen. Naast de ervaring van de IWV zelf had de Commune van Parijs voor de arbeidersbeweging aangetoond hoe belangrijk een zelfstandige arbeiderspartij en politieke actie zijn om de massa's te vormen en te mobiliseren. De actie van de IWV had het socio-politiek klimaat grondig veranderd. Haar "propaganda maakte de mijnwerkers bewust, niet alleen van de identiteit van hun sociale conditie, de gelijkenis van hun uitbuiting, maar ook van de diepe solidariteit die hen verbindt met alle arbeiders van het land, en zelfs van Europa..." (J. Puissant, La structuration politique du mouvement ouvrier, Vol 1, p. 81). Meer algemeen zag men in België dankzij de Internationale in de jaren 1867-1872 een buitengewone ontwikkeling van het arbeidersbewustzijn, die samenging met een groeiend vermogen van het proletariaat om zich te organiseren.
De volgende jaren worden de verwarringen ten opzichte van het anarchisme steeds verder opgeklaard. Als in Wallonië de invloed van uit Frankrijk de arbeidersklasse nog gevangen houdt in een organisatorische leegte en in politiek absenteïsme, zien we dat de zeldzame Vlaamse industriecentra, in het bijzonder de streek van Gent "de aantrekkingskracht ondergaan van het Duitse socialisme dat zich begint te organiseren en dat definitief tot ontwikkeling komt" (M. Liebman, Les socialistes belges 1885-1914, p. 41). In Duitsland wordt  door W. Liebknecht en A. Bebel, medestanders van Marx, in 1869 in Eisenach inderdaad de Sociaal Democratische Arbeiders Partij opgericht, resultaat van een breuk op marxistische basis met de organisatie van Lassalle. In 1875, bij de hereniging van beide partijen, zijn de marxisten in de meerderheid, ook al zit het programma dat aanvaard wordt vol toegevingen aan de lassalliaanse opvattingen. Dit programma, met zijn sterke en zwakke kanten, is vanaf 1875 de inspiratiebron van de Gentse arbeidersfederatie die in 1874 opgericht wordt rond militanten als E. Anseele. In Brussel dan weer hergroeperen beroepsverenigingen zich in een Kamer van de Arbeid rond César de Paepe en de jonge Louis Bertrand.
De anti-autoritaire Internationale, gecontroleerd door de bakoeninisten, ontbindt steeds verder en houdt haar laatste congres in juni 1876. Op het einde van datzelfde jaar verklaren arbeidersgroeperingen uit Antwerpen, Gent en Brussel zich akkoord inzake de noodzaak van politieke actie, maar nog niet over de modaliteiten om een politieke organisatie op te richten naast de vakbonden. Bij gebrek aan een totaal akkoord en in afwachting van weerklank bij de arbeidersmassa's in de Waalse industriebekkens, worden in 1877 twee partijen opgericht: de Vlaamse Socialistische Partij, volgens Duits model, en de Brabantse Socialistische Partij. De motie van Anseele, aanvaard door de grote meerderheid van de eerste partij, is ondubbelzinnig inzake de politieke en organisatorische beginselen: "het proletariaat, georganiseerd in een afzonderlijke partij, tegengesteld aan alle andere partijen gevormd door de bevoorrechte klassen, moet alle politieke middelen gebruiken die leiden tot de sociale emancipatie van allen" (C. Renard, La conquête du suffrage universel en Belgique, p. 45). Het programma van de tweede partij is minder duidelijk en bevat vooral beroepsverenigingen, in de voorbijgestreefde traditie van de IWV.
Het is uiteindelijk in 1879 dat de Vlaamse en Brusselse formaties zich verenigen in de Belgische Socialistische Partij en dat de anarchistische, apolitieke standpunten duidelijk in de minderheid raken. Verschillende elementen uit Wallonië, vooral uit Verviers, sluiten zich aan bij de partij. Maar de moeilijkheden zijn daarmee nog niet van de baan. De pasgeboren BSP besluit haar krachten te richten op het bekomen van het algemeen stemrecht: betogingen, congressen, indiening van kandidaturen bij de verkiezingen van 1880, evenveel tegenslagen als inspanningen. In Verviers en Luik komt de klasse in beweging en rijpt stilaan het idee van een alliantie. In februari 1885 breekt een belangrijke staking uit in de Borinage: arbeiders en werklozen verenigen zich in de strijd. Eduard Anseele besluit brood dat gemaakt is in de coöperaties aan de werklozen en arbeidersgezinnen in heel het land uit te delen. Die daad van solidariteit wordt door de bevolking meer op prijs gesteld dan alle redevoeringen die de weldaden van eenheid bezingen. Wanneer de Arbeidersliga van Brussel, die in de marge werkt van de Brabantse Socialistische Partij, de samenroeping vraagt van een algemeen congres op 5 april 1885, krijgt ze een bijna unanieme steun.
De volgende dag, 6 april 1885, verklaren 112 vertegenwoordigers van arbeidersverenigingen, vooral uit Brussel en Vlaanderen, bijeen te Brussel onder voorzitterschap van Louis Bertrand, dat ze zich aansluiten bij de oprichting van een Belgische Werklieden Partij (BWP). Programma en statuten worden enkele maanden later goedgekeurd. Die oprichting is de uitdrukking van een formidabele ontwikkeling, in België net als in Europa, van de strijd en de organisatie binnen de arbeidersklasse. Ze biedt een georganiseerd kader en perspectieven voor de arbeidersstrijd en vertegenwoordigt tegelijkertijd een buitengewone hoop op de revolutionaire omverwerping van de kapitalistische maatschappij door het geheel van de uitgebuiten.

LAC / 21.02.2006

Kritiek op het bulletin “A trop courber l’échine”: De twijfels van het anarchisme over de arbeidersklasse

Door de crisis die het anarcho-sindikalistische milieu sedert enkele jaren verscheurt leiden de debatten tot een hele reeks van krachtenbundelingen. De stellingname van het bulletin A trop courber l’échine (Teveel het hoofd gebogen) is heel representatief voor het soort van vragen dat er in discussie is: “Wij zijn de erfgenamen van de oude revolutionaire beweging. Wij hebben er de wezenlijke actie- en organisatiemiddelen van bewaard zoals de sabotage, het internationalisme, de zelforganisatie en de directe actie. Wij hebben er vooral het doel van bewaard: het kommunisme. [...] Maar met welke werkelijkheid worden wij momenteel geconfronteerd? Zien wij een klasse die er voor strijdt om werkelijk haar toekomst te verwezenlijken? [...] Het begrip ‘klasse’ is steeds minder geldig om onze analyses te verhelderen en onze acties te leiden. Wij stellen inderdaad vast dat in de rijkere en geïndustrialiseerde landen het merendeel van onze tijdgenoten zichzelf niet meer herkennen als behorend tot een sociale klasse. Hoe kunnen wij de proletariër van vandaag definiëren? [...] Zich inbeelden dat de huidige eisenbewegingen iets gemeenschappelijks hebben met de oude revolutionaire arbeidersbeweging is een valse voorspiegeling. [...] Maar wat er vooral ontbreekt aan deze huidige bewegingen is juist wat kenmerkend was voor de oude beweging: een bewustzijn, een ethiek en een vastberaden wil om de wereld radicaal te veranderen. [...] Wat is er eigenlijk gemeenschappelijk in een 24-uurs staking voor het verkrijgen van een loonsverhoging van 1% en de daden die gesteld werden door het revolutionaire proletariaat? Niets.” (1).

Waarom is de arbeidersklasse een revolutionaire klasse?


Voor de marxisten is de revolutionaire aard van het proletariaat geen geloofsbelijdenis of verafgoding van deze klasse. De revolutionaire aard van het proletariaat kan niet allereerst worden verklaard uit zijn vermogen om in opstand te komen tegen de bestaande orde. Heel wat uitgebuite klassen uit het verleden zijn de confrontatie aangegaan met de heersende klasse, zoals de slavenopstand (Spartacus) in de Oudheid of deze van de lijfeigenen in de Middeleeuwen (de boerenrevoltes). Ook zij beriepen zich op het een kommunisme en een primitieve vorm van gelijkheidsideaal, zonder daarom in hun tijd een revolutionaire klasse te zijn. Voor het marxisme onderscheiden revolutionaire klassen zich van andere klassen van de maatschappij door het feit dat ze, in tegenstelling tot die anderen, in staat zijn de heersende klasse omver te werpen. Zolang de materiële ontwikkeling van de productiekrachten ontoereikend was om overvloed te verzekeren voor het geheel van de leden de maatschappij was deze veroordeeld tot behoud van de economische ongelijkheden en uitbuitingsverhoudingen in haar midden. In die omstandigheden kan enkel een nieuwe uitbuitende klasse zich opdringen als leiding van de maatschappij. De slavenmaatschappij werd voorbijgestreefd door de feodale klasse; het feodalisme werd vernietigd door de bourgeoisie.
De revolutionaire aard van het proletariaat is evenmin gestoeld op het perspectief van ‘gelijkberechtiging’ van het proletariaat dat van zijn ‘rechten’ is beroofd door de heersende klasse. Waaraan het proletariaat zijn revolutionaire aard ontleent is de plaats die het inneemt binnen de kapitalistische productieverhoudingen: als het kapitalisme te gronde gaat is dat niet doordat het te weinig produceert maar  doordat het te veel produceert, en als gevolg van een ontoereikende koopkrachtige vraag. De maatschappij is er niet toe in staat het geheel van de voortgebrachte waren te kopen, alhoewel de menselijke behoefte verre van bevredigd zijn en daarin berust nu juist deze werkelijk absurde ramp van de overproductie. Deze vindt zijn bron in de veral-gemeende heerschappij van de ruilverhoudingen van waren. Het enige middel om deze tegenstellingen te overstijgen berust in het afschaffen van alle mogelijke vormen van waren en in het bijzonder van de waar arbeidskracht (de sociale verhouding van de loonarbeid waardoor de arbeidskracht van het proletariaat tot een waar wordt zoals iedere andere waar). Het is pas als de rijkdommen van de maatschappij collectief toegeëigend zullen worden door diezelfde maatschappij dat ook koop en verkoop kunnen verdwijnen. De hefboom van deze tegenstelling is het proletariaat, de geassocieerde klasse die de voortbrengster is van het geheel van de rijkdom van de maatschappij, maar die beroofd wordt van het product van haar arbeid. Enkel het proletariaat, dat de specifieke vorm van kapitalistische uitbuiting ondergaat, de loonarbeid, kan zich het te boven komen van de kapitalistische sociale verhoudingen stellen voor ogen hebben.
Het kapitalisme is, net zoals alle uitbuitingssystemen in de geschiedenis, is voor het proletariaat een in de geschiedenis voorbijgaand systeem, dat gedoemd is om te verdwijnen. Door zijn ontwikkeling heeft het de voorwaarden geschapen van een materiële overvloed, de voorwaarde voor de afschaffing van elke uitbuiting, maar bovendien ook de klasse, die van de proletariërs, die als eerste in de geschiedenis in staat zijn om van het kommunisme ook een materiële werkelijkheid te maken. De bijzonderheid van het proletariaat ligt nu juist in het feit dat het de eerste klasse in de geschiedenis is die tegelijkertijd een uitgebuite en een revolutionaire klasse is (2). De revolutionaire aard van de arbeidersklasse kan niet worden begrepen als men niet de historische draagwijdte van haar strijd inziet. Elke politieke opvatting die zich vastpint op een fotografische visie van dat moment, aan het bestaat van een verdeelde en aan het kapitaal onderworpen arbeidersklasse, kan enkel in de kaart spelen van de belangen van de heersende klasse (of die zelfs dienen).

De twijfels over de revolutionaire aard van de arbeidersklasse


De stelling van A trop courber l’échine dat de arbeidersklasse in niets meer zou lijken op die van het verleden, om vervolgens te beweren dat men niet meer op haar zou kunnen rekenen, is niets nieuws voor de arbeidersbeweging. De revolutionairen hebben voortdurend, en moeten ook nu nog, een ongenadige strijd moeten leveren tegen dit soort gif. Zo was het ook, wat Trotsky in de herinnering riep, aan de vooravond 1905, dat de Russische bourgeoisie trompetterde dat “er geen revolutionair volk in Rusland is”, juist op het moment dat “de telegraaf over de hele wereld het nieuws verspreidde van het begin van de Russische Revolutie [...] Wij hadden er op gewacht er en twijfelden er niet aan. Voor ons was zij jarenlang een logisch voortvloeisel geweest van onze ‘doctrine’ die de spotlust opwekte van alle sufferds van alle mogelijke politieke richtingen. Ze geloofden niets van de revolutionaire rol van het proletariaat. [...] Er waren geen politieke vooroordelen of ze geloofden die voetstoots. Maar het geloof in de arbeidersklasse hielden ze voor een vooroordeel.” (3).
Sinds een paar jaar maken we een opbloei mee van een literatuur die de oudste deuntjes van de vijanden van de arbeidersklasse weer in omloop brengen. Voor de ‘radicale’ groep Krisis is de strijd tussen bourgeoisie, “naar haar functie gewoon een elite”, en het proletariaat “waarvan de strijd het niet mogelijk maakt om uit het kapitalisme te geraken”, geen strijd tussen een heersende klasse en een revolutionaire, maar tussen “twee verschillende belangen” binnen het kapitalisme. Het zou er om gaan zich te bevrijden van de arbeid “zonder te steunen op enige wet uit de geschiedenis” maar “op de afkeer die het individu heeft van zijn eigen bestaan” (4).
Om haar greep op de uitgebuiten te behouden en ze in de passiviteit op te sluiten, aarzelgt de heersende klasse geen moment om bij elke gelegenheid heel schoolmeesterachtig de verdwijning van het proletariaat te verkondigen, zijn integratie, zijn verburgerlijking, en ga zo maar door, maar alleen om telkens weer… te worden tegengesproken door de feiten!
Dat gebeurde ook toen op het einde van de jaren 1960 de groep van Castoriadis, Socialisme ou Barbarie, aankondigde dat de tegenstelling tussen bourgeoisie en proletariaat plaats had gemaakt voor de tegenstelling tussen “leiders en geleiden”. Later beweerde Herbert Marcuse, die meende dat de arbeidersklasse “geïntegreerd” was in de kapitalistische maatschappij, dat de enige verzetskracht bestond uit sociaal gemarginaliseerde categorieën zoals de zwarten in de Verenigde Staten, de studenten, of de boeren van de onderontwikkelde landen. Deze hersenspinsels werden van de kaart geveegd door de gigantische staking van Mei 1968 en de terugkeer van het proletariaat op het toneel van de geschiedenis en waarvan de strijd van de jaren 1970-1980 zou uitlopen op de massastaking in Polen van 1980.
De twijfels over de revolutionaire aard van het proletariaat van A trop courber l’échine zijn niet alleen typisch voor perioden waarin de strijd van de arbeidersklasse niet uitdrukkelij