De laatste twee maanden van 2005 gaven in Nederland sociale conflicten en korte stakingsacties te zien: bij Shell, Hema, KPN, Unilever, HVL, SmitTak, in de schoonmaaksector, en laatst nog bij de Amsterdamse brandweer. Deze reacties bleven echter verspreid, beperkt in omvang en de vakbonden hielden ze zonder veel moeite onder controle. Na de overweldigende betoging van 300.000 arbeiders op 2 oktober 2004 in Amsterdam lijkt de huidige arbeidersstrijd dan ook moeilijk van de grond te komen en weinig vooruitzicht te bieden op een breder verzet tegen de bezuinigingen en de ontwikkeling van de armoede. De betekenis van de huidige gebeurtenissen kan echter niet worden afgemeten aan de afzonderlijke gebeurtenissen. Die gebeurtenissen kunnen alleen worden begrepen vanuit het bredere verband van de verhoudingen tussen de klassen en de internationale ontwikkelingen.
De regering voelt de sociale dreiging en na jaren van almaar ‘tegenvallers’ slaat zij zich nu op de borst met cijfers van het Centraal Planbureau: de koopkracht zou in voornamelijk de tweede helft van 2006 met 1,25% stijgen, tegenover een eerdere raming van 1%. De boodschap is: het gaat geleidelijk de goede kant op, maar nog niet te vroeg gejuicht, en we moeten blijven matigen. Minister van Financiën Gerrit Zalm durft zelfs te verklaren dat de inkomens ‘gematigd’ moeten blijven omdat de koopkracht vanzelf zal gaan stijgen en met ‘meevallers’ zal de staatsschuld worden verminderd. Met een geraamde inflatie van 1% blijft de economie in werkelijkheid stagneren. Dat wordt bevestigd door een hele reeks van op stapel staande bedrijfsreorganisaties, door de blijvende neerwaartse druk op de lonen, terwijl het stelsel van sociale zekerheid – invaliditeit, werkloosheid, ouderdom, ziekte – steeds verder wordt ingekrompen. De groeiende massa van niet-productieven blijft onder vuur liggen terwijl het offensief tegen lonen, arbeids- en levensomstandigheden van de productieven in het verlengde daarvan ligt: harder en langer werken voor minder geld, en wie niet meer mee kan heeft pech gehad. Zo zien we het resultaat van de vakbondscampagne van een jaar geleden: in de CAO-onderhandelingen zou in goed overleg met welwillende werkgevers worden teruggehaald wat het onwillige kabinet had afgenomen. De werkelijkheid is dat regering en oppositie, ondernemers en vakbeweging de taken netjes onder elkaar verdelen om nog grover maatregelen door te kunnen drukken.
Als de huidige strijd geen spectaculaire vormen aanneemt dan brengt ze toch een daadwerkelijke ongerustheid tot uiting over de toekomst die het systeem ons nog biedt, zowel wat betreft de inkomens, de werkloosheidsdreiging, de pensioenen als de gezondheidszorg.
De ongerustheid neemt dus wel degelijk toe en er zijn aanzetten tot strijd. Maar het zelfvertrouwen is nog gering en de vakbeweging kan nog voorkomen dat de onvrede de vorm aanneemt van bewegingen die zich spontaan uitbreiden dwars door sectoren en beroepscategorieën, onder controle van algemene vergaderingen waarin de arbeiders hun eigen kracht weer kunnen voelen en zélf beslissingen nemen:
Zo kon het begin van strijdbaarheid machteloos worden gemaakt, konden de acties in omvang en doelstelling beperkt blijven en worden voorkomen dat er gezocht werd naar actieve solidariteit. De vakbondscontrole kan nog steunen op democratische en legalistische illusies. Vandaar dat de goed aangevoelde noodzaak van omvangrijk arbeidersverzet leidt tot een aaneenschakeling van momenten van overdreven hoop en vervolgens weer ontgoocheling. Maar veel belangrijker is het dat er een ondergronds rijpingsproces plaatsvindt rond fundamentele vraagstukken: inkomens, werkloosheid, pensioenen, gezondheidszorg, verpaupering.
De demonstratie van 2 oktober 2004 in Amsterdam met 300.000 deelnemers was zeker de grootste manifestatie in Nederland in dertien jaar. Maar anders dan de paar grote betogingen in de eerste helft van de jaren 1990 vormde het geen afsluiting, geen begrafenis van strijdbaarheid en bewustzijn. In 2004 was het juist een jarenlange ‘sociale vrede’ die eindelijk weer werd doorbroken. De haast nostalgische illusies over een mogelijke terugkeer naar een vredige en democratische ‘overleg’-politiek waren nog groot en het was dan ook niet verwonderlijk dat de vakbonden het geheel strak onder controle konden houden en dat de ontwikkeling van de strijdbaarheid vervolgens vastliep. Maar tegelijk vormde het een voorproefje van wat onvermijdelijk gaat komen. De vakbeweging paste zich onmiddellijk aan door Lodewijk de Waal (FNV) en Doekle Terpstra (CNV) te vervangen door mensen die beter in staat zijn ‘radicale’ taal te bezigen en door een begin van hernieuwde activiteit van de vakbondsbasis met het platform ‘Keer het tij’.
Steeds meer wordt het ‘poldermodel’ opgegeven om werkenden en niet-werkenden tegen elkaar uit te spelen. De verpaupering als gevolg van de economische crisis wordt vooral afgewenteld op etnische minderheden waarbij de bourgeoisie de arbeidersklasse nog verder verdeelt met xenofobische dan wel anti-discriminatie-campagnes en de wanhoop in de buitenwijken los van ieder klassenperspectief kan uitbarsten in golven van blind geweld zoals in Frankrijk. In die situatie kan de bourgeoisie, gesteund door uitgebreid sociologisch onderzoek, de onzekerheid en de verwarring op bepaalde momenten zelfs benutten om een vals gevoel van nationale solidariteit op te dringen achter regering, parlement, ondernemers, vakbeweging, koningshuis, liedjeszangers en sportlieden. De moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh en de daarop volgende populistische hysterie en de campagnes over integratieproblemen en radicale islam vergrootten de algemene verwarring en er worden permanent campagnes gevoerd over de verwevenheid van politiediensten, criminele en terroristische netwerken, over ‘zinloos geweld’, over vier bloedige afrekeningen in één week binnen het Amsterdamse criminele milieu, over de mysterieuze moord op de Nijmeegse links-legalistische activist Louis de Sévèke (1).
Dat alles draagt ertoe bij dat de arbeiders moeite hebben om zichzelf weer als een klasse te zien met gezamenlijke belangen tegenover de bourgeoisie en haar staat en tot de problemen om de onvrede om te zetten in gerichte strijdbaarheid. Die strijdbaarheid wordt in de één of andere vorm onvermijdelijk weggelokt richting verdediging van de ‘verworvenheden’ van de democratische rechtsstaat. Maar zelfs wanneer de illusies blijven, dan is het minder vanuit werkelijke overtuiging dan uit tijdelijk gebrek aan beter. De arbeidersklasse is begonnen om de aanvallen van de bourgeoisie schoorvoetend te beantwoorden. De onvermijdelijke door de vakbonden georganiseerde nederlagen leiden op termijn minder tot ontmoediging dan tot het zoeken naar betere strijdmiddelen.
De massale betoging van 2 oktober 2004 moet niet alleen worden begrepen als een eerste poging om weer aan te sluiten bij de vroegere ervaringen van de arbeidersklasse maar ook als een schakel in een keten van arbeidersverzet die zich over heel Europa uitstrekt: in de lente 2003 brak in Frankrijk en Oostenrijk strijd uit tegen de afbraak van de pensioenen; in de winter van datzelfde jaar waren er mobilisaties van trambestuurders in Italië en postbeambten en brandweerlieden in Engeland. In juli 2004 barstte de strijd bij Mercedes-Daimler-Chrysler in Duitsland los en in september in verschillende Spaanse steden tegen privatisering van de scheepswerven. In oktober 2004 gingen de arbeiders van Opel Bochum, in het hart van het Ruhrgebied, in staking tegen ontslagplannen. In België waren er dit jaar stakingen en demonstraties tegen het ‘generatiepact’.
Wat al deze bewegingen onthullen is vooral het overdenkingsproces dat zich binnen de arbeidersklasse in de diepte afspeelt: de opeenstapeling en de aard van de aanvallen van de bourgeoisie zullen steeds meer van de illusies ondergraven en het besef weer laten groeien dat de vakbondssabotage beantwoordt moet worden. De ongerustheid groeit en er worden steeds meer vragen opgeroepen over het lot dat de arbeiders, hun kinderen en de toekomstige generaties binnen dit uitbuitingssysteem wacht. Het begint door te dringen dat ze dit ‘lot’ alleen kunnen veranderen door zelf actief op te treden en de maatschappelijke arena gezamenlijk binnen te stappen. Daarom moeten we niet alleen de moeilijkheden zien, maar vooral ook de nieuwe mogelijkheden waarbinnen die zich voordoen en de middelen die bestaan om ze te overwinnen.
Jos&Manus / 07.01.2005
(1) Zie: Balans van 2 oktober 2004: samen strijden, de enige keuze!, bijlage bij Wereldrevolutie, nr. 103, 30 oktober 2004; Terrorisme, xenofobie en de verdediging van de ‘democratie’: Een aanslag op het bewustzijn van de arbeidersklasse, nr. 104, januari 2005; Arbeiderssolidariteit, geen solidariteit met de burgerlijke staat, nr. 105, mei-augustus 2005; Tegen de aanvallen op ons levenspeil en het democratisch bedrog: Onze enige verdediging: klassensolidariteit, nr. 106, september-december 2005, te vinden op onze website: http://nl.internationalism.org.
Op 2 oktober is Cajo Brendel negentig jaar geworden. Sinds het begin van de jaren 1930 maakt hij deel uit van de Kommunistische Linkerzijde; na de Tweede Wereldoorlog eerst van de Communistenbond Spartacus en vervolgens van de groep Daad en Gedachte. We willen hem graag eren als een kameraad in de meest eigenlijke betekenis van het woord, als een onvermoeibaar krijgsmakker tegenover burgerlijk links, en, natuurlijk in overdrachtelijke zin, als een partijgenoot, als ein Genosse van de Kommunistische Linkerzijde, voor de standpunten waarvan hij op haast alle continenten interesse heeft gewekt.
Cajo Brendel beschouwt de IKS als een stroming die zich beroept op ‘achterhaalde standpunten’, zoals die van de Kommunistische Arbeiterpartei Deutschlands die volgens hem door de Groep van Internationale Communisten overwonnen zouden zijn. Vanaf het eind van de jaren 1960 hebben we bij tal van gelegenheden vinnig met hem gedebatteerd en gepolemiseerd, en het moet gezegd dat de gemoederen daarbij soms hoog opliepen. Kameraadschappelijke betrekkingen op het persoonlijke vlak werden daardoor echter niet in het minst in de weg gestaan.
In 1987 werden de IKS en een aantal van haar leden en sympathisanten uitgenodigd om deel te nemen aan een conferentie van de groep Daad en Gedachte. Enkelen van ons waren daar inderdaad aanwezig, en op onze aandrang werd het proletarisch internationalisme ter tafel gebracht. Tot onze stomme verbazing stonden we daar plotseling samen met Cajo (en Jaap Meulenkamp, een andere veteraan) tegenover zo ongeveer alle ‘jongeren’ die veeleer anti-fascistisch gezind waren. Het werd duidelijk dat wanneer dit allerbelangrijkste politieke punt binnen die groep een tweederangs plaats was toebedeeld deze wegdreef in een journalistiek academisme en niet lang meer kon blijven bestaan. Cajo en Jaap daarentegen waren internationalisten die heel hun leven de fascistische, stalinistische en democratische kampen in gelijke mate hebben veroordeeld, maar ze zijn, zelfs binnen de eigen groep, niet in staat gebleken dat over te dragen op een volgende generatie.
In 1991, toen we Cajo na de ineenstorting van het Oostblok bezochten om het Manifest van het Negende IKS-Congres daarover te bespreken en te proberen hem te bewegen een inleiding over dat onderwerp te houden tijdens een openbare bijeenkomst van de IKS, was hij bijzonder geëmotioneerd: “Ik ben het volstrekt met jullie oneens, maar ik vind het vreselijk belangrijk dat zo’n document verspreid wordt.” De verschijning van het tijdschrift Daad en Gedachte, “gewijd aan de problemen van de zelfstandige arbeidersstrijd”, was toen al gestaakt.
In het afgelopen jaar hebben we hem nog tweemaal bezocht en moeten vaststellen dat zijn geheugen hem in de steek begon te laten. Inmiddels verblijft hij in een rusthuis. We willen de kameraadschappelijke warmte van Cajo graag beantwoorden met een even hartelijke groet ter gelegenheid van zijn verjaardag, op de leeftijd van de heel sterken.
Op het bovenstaande artikel ontvingen de volgende reactie:
Ik las zojuist jullie artikel over Cajo, naar aanleiding van zijn 90ste verjaardag. Hierin schreven jullie:
“In 1991, toen we Cajo na de ineenstorting van het Oostblok bezochten om het Manifest van het Negende IKS-Congres daarover te bespreken en te proberen hem te bewegen een inleiding over dat onderwerp te houden tijdens een openbare bijeenkomst van de IKS, was hij bijzonder geëmotioneerd: Ik ben het volstrekt met jullie oneens, maar ik vind het vreselijk belangrijk dat zo’n document verspreid wordt. De verschijning van het tijdschrift Daad en Gedachte, gewijd aan de problemen van de zelfstandige arbeidersstrijd?, was toen al gestaakt.”
Een kleine correctie: Daad en Gedachte verscheen tot in 1997! Dat zouden jullie eigenlijk wel moeten weten, want jullie hebben toen nog een open brief over de stopzetting van dit blad gepubliceerd.
S.
Beste S.,
Je hebt volkomen gelijk, het is een vervelende fout. De laatste aflevering van Daad en Gedachte verscheen in juli 1997, en we reageerden daarop in Wereldrevolutie, nr. 85, december 1998.
Ter compensatie nemen we hieronder dat artikel uit 1998 geheel over:
In juli 1997 publiceerde de Nederlandse radenistische groep Daad & Gedachte de volgende verklaring in haar blad:
“Dit is het laatste nummer van Daad & Gedachte. Diverse omstandigheden noodzaken ons met de uitgave van ons maandblad, dat wij meer dan 30 jaar lang hebben gepubliceerd, te stoppen. Maar dit betekent allerminst, dat de groep die dit blad tot dusver heeft verzorgt, niet langer actief zou zijn.
In ruim een halve eeuw, die sinds de tweede wereldoorlog is verstreken, heeft het kapitalisme én heeft de strijd van de arbeidersklasse ingrijpende veranderingen ondergaan. De betekenis van de traditionele arbeidersbeweging is voortdurend kleiner geworden en steeds duidelijker is gebleken dat zich langzamerhand in plaats daarvan een beweging der arbeiders aftekent. Wat de groep Daad & Gedachte zich voorstelt te doen is zich grondig verdiepen in deze ontwikkeling. Bedrijfsbezettingen, die zich voor de tweede wereldoorlog al, met name in de Verenigde Staten en in Frankrijk, voordeden, zijn van uitzondering min of meer regel geworden. Bovendien zijn ook de bedrijfsbezettingen aan veranderingen onderhevig geweest.
De groep Daad & Gedachte stelt zich voor het desbetreffende onderzoek in verschillende ‘hoofdstukken’ uit te werken en deze dan na discussie aan onze lezers toe te zenden. Zij ontvangen derhalve dan een studie in afleveringen. Dat wil dan tevens zeggen, dat de financiële steun die zij voor het lopende jaar hebben gegeven, beslist niet voor niets is geweest en dat deze het mogelijk maakt ons werk op de genoemde wijze voort te zetten. Men begrijpt, dat de afleveringen waarvan wij spreken op onregelmatige tijdstippen zullen verschijnen.
Wat ons bij deze arbeid tot grote hulp zou kunnen wezen dat zijn de reacties van kritische lezers op elk van de toegezonden afleveringen. Wij stellen ons niet voor dat we deze arbeid op korte termijn zullen voltooien. Onze studie zal zeker enkele jaren vergen.”
Geconfronteerd met deze verklaring, beschouwde de IKS de beslissing van de groep Daad & Gedachte om met de regelmatige publicatie van het maandelijkse blad Daad & Gedachte te stoppen als een zeer gevaarlijke stap, omdat het zeer wel zou kunnen leiden tot de algehele verdwijning van de publicatie. De verdwijning van de stem en de militante activiteit van een groep als Daad & Gedachte, die integraal onderdeel is van de proletarische traditie, en die ook de laatste georganiseerde vertegenwoordiger is van een belangrijke historische stroming, het radenkommunisme, is een punt gescoord door de bourgeoisie. Het is een overwinning voor de heersende klasse omdat zij in staat is om een stem tot zwijgen te brengen die, alhoewel op een verwarde wijze, het revolutionaire perspectief van het proletariaat heeft verdedigt. Om dezelfde reden zou de eventuele verdwijning van Daad & Gedachte een verzwakking voor de arbeidersklasse betekenen.
De IKS is overtuigd van het feit dat de proletarische organisaties zichzelf moeten verdedigen tegen de burgerlijke en kleinburgerlijke ideologieën in hun rijen. Toegeven aan de zwanenzangen van de ideologen van de heersende klasse, met naam op het vlak van de organisatorische principes, vormt een rechtstreekse bedreiging voor het bestaan van iedere proletarische groep. Daarom heeft de IKS een brief geschreven aan Daad & Gedachte om haar op te roepen terug te komen op de beslissing om haar regelmatig verschijnende publicatie te laten vallen, iets wat, zo vreest de IKS, de eerste stap is in de richting van harakiri.
“[...] Daad & Gedachte is de laatste vertegenwoordiger van een historische politieke stroming in de schoot van de arbeidersbeweging, het radenisme: wij denken dus dat jullie beslissing het kader van jullie organisatie alleen overstijgt. Wat ook de standpunten en analyses mogen zijn die ons van elkaar scheiden, wij beschouwen deze politieke stroming als een fundamenteel onderdeel van het historisch erfgoed van de arbeidersbeweging en ze heeft ook aanzienlijk bijgedragen aan haar theoretische en praktische vooruitgang (zie onze brochure over de Hollands-Duitse Kommunistische Linkerzijde). Om als de laatst overgebleven groep, die van deze politieke stroming afstamt, te besluiten om met de regelmatige verschijning van de publikatie te stoppen - dus met de analyses en de standpunten over de internationale situatie, de klassenstrijd en de theoretische vraagstukken – is zoiets als besluiten tot de verdwijning van de feitelijke aanwezigheid van de stem van de radenistische stroming in de schoot van de arbeidersklasse en in de revolutionaire beweging [...]” (1).
In de brief aan Daad & Gedachte benadrukt de IKS dat er een reusachtige behoefte bestaat aan proletarische stemmen om de propaganda van de bourgeoisie te ontmaskeren. De IKS herinnert aan het feit dat de bourgeoisie, na de val van het Oostblok, een alomvattende campagne gestart is tegen het revolutionair perspectief van de arbeidersklasse, waarbij ze de proletarische revolutie gelijk stelt met haar beul, het stalinisme. De IKS stelt dat het proletariaat zijn revolutionaire minderheden nodig heeft om zijn historische potentieel te kunnen verwezenlijken, maar ook dat thematische nummers niet beantwoorden aan de noden van de klasse.
“[...] Ten opzichte van al deze leugens heeft de arbeidersklasse meer dan ooit een tegengif nodig, ze heeft er behoefte aan dat haar revolutionaire organisaties deze hele media campagne verklaren en ontmaskeren, de propaganda en de doeleinden van de bourgeoisie verwerpen en het perspectief van het kommunisme krachtig verdedigen. Zonder perspectief, zonder het heldere bewustzijn van de mogelijkheid en de noodzaak van het socialisme, is geen enkele revolutie mogelijk en zelfs geen enkele politieke uitbreiding van een meer algemene strijdbeweging van de arbeidersklasse. Deze taak vereist een publicatie die de klasse en de avant-garde minderheden van regelmatige antwoorden voorziet tegenover de dagelijkse leugens van de bourgeoisie.”
“[...] En dat vereist van de kant van de revolutionaire organisaties een duidelijke beantwoording aan de verwachtingen in de klasse, onder de strijdbare minderheden en bij de meest bewuste elementen. Het is onontbeerlijk om de klasse de lessen van haar voorbije gevechten in herinnering te roepen. Wie anders dan de revolutionaire groepen en welke andere middelen dan een regelmatige pers zouden kunnen beantwoorden aan deze behoefte aan een historisch geheugen in de schoot van het proletariaat? Dit maakt het noodzakelijk dat de revolutionairen op regelmatige basis analyses en antwoorden voor de klasse ontwikkelen, en op de hoogte zijn van de verwachtingen die bestaan in de schoot van de heropleving van de strijdwil van de arbeidersklasse.”
“De behoeften en verwachtingen van de arbeidersklasse zijn reusachtig en alle noden, die hierboven in herinnering zijn geroepen, vereisen regelmatige analyses en standpuntbepalingen, iets waar themanummers [...] die verschijnen al naar gelang de evolutie van de situatie, niet aan kunnen beantwoorden! Een publicatie, die van tijd tot tijd verschijnt, kan een regelmatig verschijnende publicatie niet vervangen, niet wat betreft zijn inhoud en zeker niet wat betreft zijn functie. Een van de fundamentele taken van de revolutionairen is deel te nemen aan de bewustwording en organisatie van de klasse. Een regelmatig verschijnende pers is in de arbeidersbeweging altijd het middel bij uitstek geweest, het wapen van de revolutionairen om tussen te komen in de arbeidersklasse en er het perspectief van het kommunisme te verdedigen. Deze taak kan echter niet worden vervuld door een revue die van tijd tot tijd over een thema publiceert. We zouden jullie in dat verband in herinnering willen roepen wat er gebeurde met de organisatie Spartacus, die aan het eind van de jaren 1970 een soortgelijke beslissing had genomen en die slechts de verdwijning van de groep inluidde. Wij denken dat jullie beslissing onvermijdelijk ook het gevaar inhoudt dat Daad & Gedachte uiteen zal vallen en op den duur zal verdwijnen [...]” (1).
Tot nu toe is er geen enkel teken dat Daad & Gedachte (na haar laatste nummer in juli 1997) iets heeft gepubliceerd: noch haar regelmatig verschijnend blad, noch een of andere thematische uitgave (zoals het eerste deel van haar studie). De groep heeft geen enkele reactie gegeven op de brief die de IKS haar heeft gestuurd. Dit bevestigt dat de groep (op zijn minst gezegd) in een zeer ernstige situatie verkeert. Het toont aan dat de groep, ofschoon ze nog wel enige interne activiteiten mag herhergen, op dit moment geen externe activiteiten meer kent. Het laat zien dat het gevaar, waar de IKS Daad & Gedachte voor gewaarschuwd heeft, een teruggang in haar activiteiten tot op het punt van de complete verdwijning van de groep, reëel is. Op het moment bestaat de stem van Daad & Gedachte in het proletariaat niet meer, en we moeten vrezen dat uiteindelijk de hele groep zal verdwijnen, zoals met de Communistenbond Spartacus gebeurde nadat het de regelmatige verschijning van haar blad beëindigde.
Daad & Gedachte kan zich niet verdedigen tegen de druk van de ideologie van de heersende klasse. Daarom is het ook niet in staat om te zien dat ze op weg is om te verdwijnen, noch dat har verdwijning een score voor de bourgeoisie en een verlies voor het proletariaat zou zijn. Maar als Daad & Gedachte zelf niet in staat is om dat te zien, kan het proletarisch politiek milieu niet passief blijven toekijken hoe een van haar delen bezig is om politieke zelfmoord te plegen. Daarom roept de IKS het hele proletarisch politiek milieu, haar contacten inbegrepen, op om te reageren op de beslissing van Daad & Gedachte. Het proletarisch politiek milieu heeft de plicht om te proberen om Daad & Gedachte er toe te bewegen terug te komen van haar gevaarlijke traject. Ze moet ertoe worden aangezet om niet toe te geven aan de propaganda van de bourgeoisie, wat leidt tot het laten vallen van de revolutionaire activiteit. Het proletarisch politiek milieu moet er op aandringen dat Daad & Gedachte haar verantwoordelijkheid ten opzichte van de arbeidersklasse opneemt, en dus dat ze haar militante activiteit opnieuw aanvat met als doel terug regelmatig haar blad te publiceren.
IKS, 01.10.1998.
(1) Uit de brief van de IKS aan Daad & Gedachte (1 november 1997).
Negentig jaar geleden, in september 1915, werd in Zimmerwald de eerste internationale socialistische conferentie gehouden, amper een jaar na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Wanneer we deze gebeurtenis in herinnering brengen, is dat niet alleen om de aandacht te vestigen op een bladzijde uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging, maar vooral om de centrale, nog steeds geldige, betekenis van die conferentie levend te houden in het geheugen van de arbeiders: de strijd van het proletariaat is onwankelbaar en wezenlijk verbonden met een strijd tegen zijn uitbuiting en tegen de oorlog, voor de omverwerping van het kapitalisme. In dat verband is de verantwoordelijkheid van de revolutionairen van vitaal belang: zij moeten die strijd richten op zijn revolutionair perspectief.
De vermenigvuldiging van de oorlogsconflicten, de oorlogspropaganda van de imperialistische grootmachten en hun zucht naar concurrentie en vernedering overspoelen de wereld met een steeds wredere barbaarsheid. In die zin zijn de ‘geest’ en de lessen van Zimmerwald nog steeds brandend actueel voor het proletariaat.
Zimmerwald is de eerste proletarische reactie op de slachtpartij van de Eerste Wereldoorlog. De toenemende weerklank van de conferentie heeft opnieuw hoop gegeven aan de miljoenen arbeiders die ondergedompeld waren in de bloedige verschrikkingen van de oorlog. Het uitbreken van de oorlog op 4 augustus 1914 is een catastrofe zonder weerga voor de arbeidersbeweging. Parallel aan de intense nationalistische hersenspoeling door de bourgeoisie vormt het verraad van de voornaamste sociaal-democratische arbeiderspartijen het doorslaggevend element dat het proletariaat in deze onnoemelijke moordpartij zal meeslepen. Hun parlementsfracties hebben in naam van de Heilige Eenheid de oorlogskredieten goedgekeurd en zetten de arbeidersmassa’s op die manier aan elkaar te vermoorden voor de belangen van de imperialistische mogendheden, in de meest verwerpelijke chauvinistische hysterie. Vanaf het begin van de oorlog verklaren de vakbonden uit eigen beweging elke staking voor verboden. De trots van de arbeidersklasse, de Tweede Internationale, gaat op in de vlammen van de wereldoorlog, nadat haar belangrijkste partijen, de Franse Socialistische Partij en vooral de Duitse Sociaal-democratische Partij schandelijk zijn overgelopen. Hoewel ze al door reformisme en opportunisme aangetast was, had de Tweede Internationale zich, onder impuls van haar revolutionaire minderheden, de Duitse linkerzijde en de Bolsjewieken met name, al vroeg uitgesproken tegen de oorlogsvoorbereidingen en de oorlogsdreiging. In 1907, op het Congres van Stuttgart, daarna bevestigd op het Congres van Bazel in 1912, en nog herhaald tot in de laatste dagen van juli 1914, was ze opgestaan tegen de oorlogspropaganda en de militaristische plannen van de heersende klasse. Zo gingen enkele decennia van werk en inspanningen in één klap verloren. Maar, trouw gebleven en onverzettelijk in het principe van het proletarisch internationalisme blijft de revolutionaire minderheid, die jarenlang gevochten heeft tegen het opportunisme binnen de Tweede Internationale en haar partijen, zich verzetten en blijft ze de strijd leiden:
Ook begint zich een andere, nog aarzelende, stroming te ontwikkelen, die twijfelt tussen een houding van oproep tot de revolutie en een pacifistisch standpunt (de Mensjewieken, de groep van Martov, de Italiaanse Socialistische Partij). Sommigen ervan zullen opnieuw aansluiting zoeken bij de sociaal-chauvinistische verraders. Het is dus in een voortschrijdende confrontatie, dat de revolutionaire beweging de strijd zal aangaan tegen de imperialistische oorlog. Zo worden de onvermijdelijke breuk binnen de socialistische partijen en de vorming van een nieuwe Internationale voorbereid.
De belangrijkste taak van het moment is dus het bevorderen van de internationale hergroepering van de revolutionairen. Meteen worden er contacten gelegd tussen de verschillende internationalisten die gebroken hebben met het sociaal-patriottisme. De strijd tegen de oorlog wordt aangewakkerd, in Duitsland in de eerste plaats, waar Liebknecht op 2 december nog de enige was die openlijk tegen de oorlogskredieten stemde. In de komende maanden volgen andere afgevaardigden zijn voorbeeld. De activiteit van de arbeidersklasse tegen de oorlog komt op gang, aan de basis van de arbeiderspartijen, maar ook in de fabrieken en op straat. De vreselijke realiteit van de oorlog met haar massagraven, de talloze verminkten aan het front, de toenemende armoede in het binnenland zal steeds meer arbeiders de ogen openen en hen doen ontwaken uit de nevels van de nationalistische roes. In Duitsland komt het in maart 1915 tot de eerste betoging tegen de oorlog van vrouwen die aan het werk gezet zijn in de wapenindustrie. In oktober vinden bloedige botsingen plaats tussen politie en betogers. In november van hetzelfde jaar betogen in Berlijn 15.000 mensen wederom tegen de oorlog. Klassenbewegingen duiken ook in andere landen op, in Oostenrijk, in Groot-Brittannië, in Frankrijk. Deze heropleving van de klassenstrijd, verbonden aan de activiteit van de revolutionairen, die in zeer gevaarlijke omstandigheden propagandamateriaal tegen de oorlog verspreiden, zal de organisatie van de Conferentie van Zimmerwald (bij Bern in Zwitserland) versnellen, waar van 5 tot 8 september 1915 37 afgevaardigden uit 12 Europese landen bijeenkomen. Deze Conferentie wordt het symbool van het ontwaken van het internationale proletariaat dat getraumatiseerd was door de schok van de oorlog. Zij wordt een beslissende etappe op weg naar de revolutie in Rusland en de oprichting van de Derde Internationale. Het Manifest dat ze doet verschijnen is de vrucht van een compromis tussen de verschillende tendensen die er vertegenwoordigd zijn. De Centristen spreken zich uit voor een einde aan de oorlog in een pacifistische optiek, zonder te wijzen op de noodzaak van revolutie. Zij keren zich heftig tegen de Linkerzijde, vertegenwoordigd door de groep ‘Die Internationale’, de ISD en de Bolsjewieken, die van het verband tussen oorlog en revolutie de centrale kwestie maakt. Lenin bekritiseert zeer sterk die pacifistische toon, en de afwezigheid van middelen om de oorlog te bestrijden die uit het Manifest spreekt: “Het ordewoord vrede heeft op zich helemaal niets revolutionairs. Het wordt pas revolutionair wanneer het zich verbindt met onze argumentatie voor een revolutionaire tactiek, wanneer het samengaat met een oproep tot revolutie, met een revolutionair protest tegen de regering van het land waarvan men burger is, tegen de imperialisten van het vaderland waartoe men behoort.” (1) Met andere woorden: het enige ordewoord voor het imperialistische tijdperk is: “omvorming van de imperialistische oorlog in een burgeroorlog”. Zonder haar kritieken weg te steken beschouwt de Linkerzijde het Manifest, ondanks zijn zwakke kanten “als een stap voorwaarts naar de werkelijke strijd tegen het opportunisme, naar de breuk en de splitsing” (1). Het Manifest van Zimmerwald zal een enorme weerklank krijgen in de arbeidersklasse en onder de soldaten. Met de voortzetting van een sterke heropleving van de internationale klassenstrijd, en de onverzoenlijke strijd van de Linkerzijde om een splitsing te bewerkstelligen in de rangen van de centristen, zal de tweede Internationale Conferentie in maart 1916 in Kienthal zich duidelijker links oriënteren en een duidelijke breuk doorzetten met de pacifistische fraseologie.
De aanzienlijke uitbreiding van de klassenstrijd in het jaar 1917 in Duitsland, in Italië en vooral het uitbreken van de revolutie in Rusland, eerste stap naar de wereldrevolutie, betekenen het einde van de Zimmerwaldbeweging die al haar potentieel opgebruikt had. Van nu af aan is het enige perspectief de oprichting van een nieuwe Internationale, die, rekening houdend met de trage rijping van het revolutionair bewustzijn, de vorming van consequente Kommunistische partijen en het wachten op het uitbreken van een revolutie in Duitsland, anderhalf jaar later zou volgen, in 1919.
Ondanks haar zwakheden heeft de Beweging van Zimmerwald dus een doorslaggevende betekenis in de geschiedenis van de revolutionaire beweging gehad: symbool van het proletarisch internationalisme, banier van het proletariaat in zijn strijd tegen de oorlog en voor de revolutie. Ze vormde een werkelijke brug tussen de Tweede en de Derde Internationale.
Eén van de grote lessen van Zimmerwald die nog steeds geldig zijn voor ons tijdperk van onvoorstelbare toespitsing van imperialistische spanningen en conflicten, is het opnieuw bevestigen van het belang van de kwestie van de oorlog voor het proletariaat. Samen met de strijd tegen de uitbuiting maakt de strijd tegen de oorlog, tegen het oorlogszuchtig gestook van de bourgeoisie, integraal bestanddeel uit van de klassenstrijd. De geschiedenis van de arbeidersbeweging toont aan dat de arbeidersklasse oorlog altijd als een ramp beschouwd heeft waar zij systematisch het voornaamste slachtoffer van wordt. Oorlog is geen afwijkend fenomeen binnen het kapitalisme, zeker niet in zijn periode van verval. Hij maakt deel uit van het functioneren ervan en is een permanent aspect geworden van zijn bestaanswijze. De reformistische illusie van een kapitalisme zonder oorlog is dodelijk voor het proletariaat. Verstrengeld in hun tegenstellingen, in een economische crisis die geen uitweg heeft omdat de betaalkrachtige markten op wereldvlak verzadigd zijn, kunnen de verschillende nationale fracties van de bourgeoisie niet anders dan elkaar verscheuren om hun deel van de koek te behouden, om het deel van andere fracties te overmeesteren of strategische posities te veroveren die nodig zijn om hun heerschappij te behouden. In die zin is het idee dat we kunnen vechten voor een verbetering van onze levensvoorwaarden of voor vrede op zich, zonder te raken aan de grondvesten van de macht van het kapitaal een misleiding, een onmogelijkheid. Zonder het perspectief van massale politieke, revolutionaire strijd van de arbeidersklasse is er gewoon geen echte strijd tegen de kapitalistische oorlog. Het pacifisme is een reactionaire ideologie die gebruikt wordt om de ontevredenheid met de oorlog en de revolte van het proletariaat ertegen te kanaliseren om ze machteloos te maken. Evenzo betekent het voor de proletariërs, wanneer zij in de valstrik van de verdediging van de burgerlijke democratie trappen door de handen ineen te slaan met hun uitbuiters, door zich aan te sluiten bij oorlogszuchtige campagnes van de heersende klasse, dat ze zich aan handen en voeten gebonden uitleveren aan steeds meer barbarij: aan de oorlogsdynamiek van het kapitalisme in ontbinding dat, van de ene ‘lokale’ oorlog naar de andere, tenslotte het voortbestaan zelf van de mensheid bedreigt. De strijd van de arbeidersklasse voor haar eigen belangen, met het oog op de omverwerping van deze maatschappij voor het kommunisme is de enig mogelijke strijd tegen de oorlog.
SB
(1) Lenin, Tegen de stroom, eerste deel.
De delokalisaties worden te pas en te onpas gebruikt in de propaganda van de bourgeoisie. Het lijkt wel alsof ze alle andere aanvallen waaraan het proletariaat onderworpen is in de schaduw stellen, en dat ze er zelfs de verklaring voor worden. Andersglobalisten, linkse partijen en ultralinksen staan overal op de bres om het ‘ultraliberalisme’ aan te klagen van die aasgieren van bazen en van die aandeelhouders die uit zijn op vette dividenden. Tussen alle mogelijke opties voor een ‘andere wereld’ zouden zij voor de slechtste politiek kiezen. In dit artikel zullen we daarentegen aantonen dat de delokalisaties rechtstreeks voortvloeien uit de fundamentele wetmatigheden die het kapitalistische systeem regeren.
In tegenstelling tot wat de andersglobalisten vertellen met hun “alles wordt tegenwoordig koopwaar” is het al sinds heel lang dat onder het kapitalisme de warenverhoudingen het geheel van de sociale en menselijke verhoudingen in de maatschappij beheersen. In de kapitalistische maatschappij is het leveren en verkopen van een waar het enige middel om een deel van de geproduceerde goederen te verkrijgen, op straffe van het verlies van elk middel van bestaan. Voor wie over geen enkel productiemiddel beschikken, de proletariërs, en die zich daardoor in de materiële onmogelijkheid bevinden om waren te produceren, zit er niets anders op dan op de markt een bijzondere waar aan te bieden, namelijk hun arbeidskracht.
Zoals voor elke andere waar het geval is, wordt de waarde van de arbeidskracht op de markt uitgedrukt in een prijs en in geld: het loon. De waar arbeidskracht verschilt in niets van de andere waren op de markt, tenzij dan dat ze onafscheidelijk verbonden is met haar verkoper, de arbeider, en dat ze niet te lang op een koper kan wachten, omdat ze anders met haar drager, de arbeider, te gronde zal gaan bij gebrek aan levensmiddelen.
Voor haar kapitalistische koper, de bourgeois, betekent de arbeidskracht, die hij verbruikt, de bron van zijn winst. Zou de industriële kapitalist de loonarbeider die hij aangeworven heeft alleen zolang laten werken als voor de arbeider nodig is om het loon te verdienen dat hij ontvangt, dan zou de baas geen enkele winst maken. Hij moet de loonarbeider dus langer laten werken dan die tijd. De arbeidstijd van elke arbeider bestaat – of hij dat nu beseft of niet – uit twee delen: een deel dat betaald wordt, en waarin de arbeider slechts de waarde van zijn loon vergoedt, en een deel dat niet betaald wordt, waarin hij gratis arbeid verricht voor de kapitalist die zich het geheel van de productie toeëigent.
De conditie van proletariër herleidt zich tot de onzekerheid van zijn bestaan. “De proletariër is hulpeloos; op zichzelf aangewezen kan hij geen dag leven. De bourgeoisie heeft zich het monopolie aangematigd over alle levensmiddelen, in de ruimste zin van het woord. Wat de proletariër nodig heeft, kan hij slechts krijgen van deze bourgeoisie wier monopolie door de staatsmacht wordt beschermd. De proletariër is dus in rechte en in feite de slaaf van de bourgeoisie; zij kan over zijn leven en zijn dood beschikken. Zij biedt levensmiddelen aan, maar voor een ‘equivalent’, voor zijn arbeid; zij laat hem daarbij zelfs nog de schijn, alsof hij uit vrije wil handelt, alsof hij als mondig mens, vrij en zonder dwang ermee instemmen zou een verdrag met haar af te sluiten. Een mooie vrijheid is dat, waarbij de proletariër geen andere keus heeft dan om met de voorwaarden die de bourgeoisie hem stelt in te stemmen... te verhongeren, dood te vriezen of zich naakt bij de dieren in het bos te voegen!”(1).
Onder het kapitalistische systeem is de honger om de meerarbeid uit te buiten onverzadigbaar: hoe meer onbetaalde arbeid het kapitalisme onttrekt aan de arbeiders, hoe beter. Het ongebreideld uitpersen van meerwaarde is het doel en de rol van de aankoop van de waar arbeidskracht door de kapitalist. “De industriële kapitalist blijft in de grond evengoed een handelaar. Zijn activiteit als kapitalist [...] beperkt zich net als die van de handelaar tot de markt. Zijn taak bestaat erin om de nodige grondstoffen, hulpstoffen, arbeidskrachten enz. zo doelmatig en goedkoop mogelijk in te kopen, en om de in zijn onderneming gefabriceerde waren zo duur mogelijk te verkopen. Op het gebied van de productie heeft hij niets anders te doen dan ervoor te zorgen dat de arbeiders voor een zo gering mogelijk loon zo veel mogelijk arbeid leveren, dat er zoveel mogelijk meerwaarde uit hen wordt geperst.” (2).
Een grens aan deze uitbuiting bestaat slechts in de uitputting van de uitgebuite, en door het vermogen van de arbeidersklasse zich te verzetten tegen de uitbuiter. Om het tijdsgedeelte van de gratis arbeid te vergroten, waarin de arbeider het kapitalisme zijn meerwaarde levert, beschikt het kapitaal over verschillende middelen: de verlenging van de arbeidsdag, het opdrijven van het werkritme en de verlaging van de lonen, zelfs tot het minimum dat nodig is om de arbeider alleen in leven te houden.
Zoals iedere waar is de arbeidskracht onderworpen aan de concurrentie en de wisselvalligheden van de kapitalistische markt. “En als er meer arbeiders voorhanden zijn dan het de bourgeoisie goeddunkt te werk te stellen, wanneer er dus aan het eind van de concurrentiestrijd toch nog een aantal overblijft, dat geen werk kan vinden, dan moet dit aantal maar verhongeren. Want de bourgeois zal hen toch heus geen werk geven, als het product van hun arbeid niet met voordeel verkocht kan worden.” (3). De concurrentie, “meest volkomen uitdrukking van de oorlog van allen tegen allen, die de moderne burgerlijke maatschappij beheerst” waarin de arbeiders elkaar “onderling net zo beconcurreren, als de leden van de bourgeoisie elkaar onderling beconcurreren.” Met het tegen elkaar opzetten van actieven en werklozen, autochtonen en immigranten of verschillende nationale fracties van het proletariaat, is de concurrentie “in de handen van de bourgeoisie het scherpste wapen tegen het proletariaat” (4).
De delokalisatie van productieplaatsen uit de industrielanden naar landen waar de arbeidskracht goedkoop is, is het gevolg van de kapitalistische wetten van het zoeken naar een maximale winstvoet. Onder druk van de ongebreidelde concurrentie tussen de grote kapitalistische industrielanden op steeds beperktere markten, zijn de gemiddelde uurlonen van 18 euro in Spanje, 4 euro in Polen en Tsjechië, 2 euro in Brazilië en Mexico, 1 euro in Roemenië, 0,70 euro in India en China tegenover 23 euro in West Europa en de Verenigde Staten een buitenkansje voor het kapitalisme, de vampier van de arbeidskracht.
Reeds in de negentiende eeuw heeft de bourgeoisie nooit geaarzeld, wanneer de productietechnieken dat toelieten, de weefgetouwen bijvoorbeeld te demonteren om elders, in een andere streek, op zoek te gaan naar goedkopere en meer volgzame arbeidskrachten om uit te buiten.
De delokalisaties zijn voor de arbeidersklasse dus niets nieuws, maar een oud en internationaal verschijnsel dat in alle landen voorkomt. Toch kent dit verschijnsel sinds de jaren 1990, onder druk van de economische crisis die al drie decennia aanhoudt, een onmiskenbare uitbreiding. In talloze sectoren waar de arbeidskracht een belangrijk deel uitmaakt van de globale kosten van de productie, is die transfer van de industrielanden naar landen waar de productiekosten het laagst zijn zelfs “al grotendeels doorgevoerd” (5).
In de automobielsector bijvoorbeeld hebben de grote merknamen al lang hun toevlucht genomen in delokalisaties. Renault produceert de R12 sinds 1968 in Roemenië. “Vanaf de jaren 1970 is Renault, net als trouwens PSA, op zoek naar lokale partners in Brazilië, Mexico, Argentinië, Colombia en Turkije. [...] Na de herstructureringen in de jaren 1980 stort Renault zich op de aankoop van Samsung in Zuid-Korea en van Dacia in Roemenië, in 1999.” (6). De bourgeoisie heeft overigens de ineenstorting van de stalinistische regimes en het einde van de zogenaamde ‘socialistische economie’ niet afgewacht om de westerse mogendheden te laten investeren en te delokaliseren naar de landen van het voormalig Oostblok.
Alle sectoren van de kapitalistische productie zijn betrokken bij delokalisaties, maar niet elke productie zal gedelokaliseerd worden, in tegenstelling tot wat de propaganda van de bourgeoisie laat horen. “De sectoren van de industrie die betrokken zijn bij delokalisatie zijn talrijk: leer, textiel, kleding, metalen, huishoudelijke apparaten, automobiel, elektronica… Ook de tertiaire sector wordt getroffen: telefonische call centra, informatica, boekhouding… Om eerlijk te zijn is elke massaproductie en elke repetitieve dienst vatbaar voor delokalisatie naar gebieden waar de kosten van de arbeidskracht duidelijk lager liggen.” (7) De drastische daling van de transportprijzen die in de jaren 1990 doorzette (een daling met 45% van het maritiem transport en met 35% van het luchtvrachtverkeer tussen 1985 en 1993) heeft de geografische afstand tussen de productieplaatsen van talloze waren en de markten waar ze verbruikt zullen worden nog minder storend gemaakt.
De uitbuiting tegen lage prijs van de intellectuele hightech arbeidskracht, die te duur geworden was in de westerse landen, wordt koortsachtig nagestreefd, waarbij op de opleidingskosten bespaard worden door die ter plaatse te organiseren. In China zijn steeds meer westerse overheidsorganen en privé-ondernemingen bezig “ter plaatse onderzoekscentra op te richten, zoals France Télécom in Canton in juni 2004, om te profiteren van de overvloed aan goedkope wetenschapslui die door de Chinese laboratoria worden aangeboden” (8). India is binnen enkele jaren ook een leverancier geworden van computerprogramma’s.
Anderzijds worden de delokalisaties volop gebruikt om de onproductieve kosten van de grootste ondernemingen te drukken (geïnformatiseerd beheer, beheer en onderhoud van netwerken, loonadministratie, financiële diensten, klantendiensten, orderadministratie, telefonische call centra), soms tot 40 à 60%. Het gaat zover dat “alles wat op afstand kan gebeuren en per telefoon of satelliet doorgegeven kan worden, klaar is voor delokalisatie”. Zo begint India “de achterwinkel te worden van de Britse en Amerikaanse bedrijven” (5).
In de moordende concurrentie tussen de naties zetten de staten van de ontwikkelde landen uitdrukkelijk een rem op het vertrek naar het buitenland van bepaalde activiteiten. Het is een strategische noodzaak om op het eigen grondgebied bepaalde industrieën te bezitten die een militaire macht kunnen garanderen die het hoofd kan bieden aan naties van hetzelfde kaliber. Dat is een kwestie van overleven in de imperialistische arena. Meer in het algemeen is het economisch even onmisbaar dat op het grondgebied de centrale productie behouden blijft van sleutelsectoren die de kracht uitmaken van het nationaal kapitaal tegenover de concurrentie. In de automobielsector “tekent zich onder druk van de concurrentie die verplicht te produceren tegen steeds lagere kosten een beweging af van delokalisatie van de productie van kleinere wagens voor de Franse markt naar lage lonenlanden, terwijl in Frankrijk de productie behouden blijft van wagens uit de hogere klassen in zeer geautomatiseerde fabrieken” (6). Hetzelfde in de textielsector, waar “momenteel alleen de stoffen die technologie en kennis vereisen nog in Frankrijk gefabriceerd worden” (6).
Het aantal landen dat profijt heeft van de delokalisaties is beperkt: “India, de Maghreb landen, Turkije, de landen van Centraal en Oost Europa (PECO) en Azië (met name China)” (7). Elk nationaal kapitaal heeft zijn bevoorrecht land van bestemming, maar ze beantwoorden allemaal aan een reeks dwingende criteria. Die landen moeten een zekere interne stabiliteit kennen, wat voor een steeds geringer aantal landen opgaat, nu de ravages van de oorlog steeds grotere gebieden van de planeet in hun greep krijgen. Maar ze moeten ook beschikken over een aangepaste infrastructuur en over arbeidskracht die ervaring heeft met de kapitalistische uitbuiting of zelfs enigszins opgeleid is. De meeste van de doellanden hebben een industrieel verleden (Oostbloklanden) of hebben een zekere industrialisering gekend. De landen van Afrika bezuiden de Sahara, die maar al te graag delokalisaties zouden verwelkomen, hebben er nog geen spoor van gezien.
De definitie zelf van delokalisatie als “verplaatsing naar het buitenland van een (bijvoorbeeld) in Frankrijk bestaande economische activiteit, waarvan de productie dan weer in Frankrijk ingevoerd wordt” (8) verklaart voor een deel het geheim van de prachtige resultaten die de bourgeoisie opdist met betrekking tot de zogenaamde Chinese en Indiase wonderen. Maar gezien vanuit het geheel van de wereldproductie zijn de delokalisaties een nuloperatie. Er wordt inderdaad een industriële pool gecreëerd op een plaats waar er voorheen geen was, maar er is in geen geval ontwikkeling of een nieuwe opkomst van de kapitalistische productie, aangezien de schepping van een voorheen onbestaande activiteit in dat gastland direct samengaat met de deïndustrialisatie en stagnatie van de meest ontwikkelde economieën.
Decennia lang zijn de onderontwikkelde landen er niet in geslaagd investeringen te realiseren om massaal moderne technologie te verwerven die onmisbaar is om de concurrentie aan te gaan met de meest ontwikkelde landen en om een industrialisatiepeil te bereiken dat die naam waardig is, zelfs met erg goedkope arbeidskrachten. Hun onderontwikkeling en het behoud daarvan zijn vandaag zelfs een voorwaarde om zich te mogen verheugen in de belangstelling van het kapitalisme voor de uitbuiting van de arbeidersklasse daar ter plaatse.
De afwezigheid van enig vooruitzicht op een verbetering van de levensvoorwaarden van het proletariaat in de gastlanden van de delokalisaties en de ontwikkeling van de werkloosheid in de westerse landen, waar het gros van de gedelokaliseerde productie afgezet wordt, zullen niet bijdragen tot een uitbreiding van de wereldmarkt, maar tot een verergering van de overproductiecrisis.
De delokalisaties zijn op zich niet de oorzaak van de werkloosheid en de daling van het levenspeil van het proletariaat. Ze zijn slechts één van de vele aanvallen die het te verduren heeft, en die allemaal dezelfde wortels hebben: de economische wetten van het kapitalistisch systeem die voor elke natie en elke bourgeoisie gelden, en die de kapitalistische wereld onderdompelen in een overproductiecrisis zonder uitweg.
Om de meerwaarde die door de arbeidersklasse geproduceerd wordt, en die zit opgesloten in de gefabriceerde waren, te kunnen opstrijken, moet de kapitalist die waren verkopen op de markt.
De kapitalistische overproductiecrisissen, plaag van het kapitalistisch systeem, vinden hun oorsprong altijd in de onderconsumptie door de massa’s, waartoe de arbeidersklasse gedwongen wordt door het systeem van uitbuiting van de loonarbeid, dat voortdurend het deel van de sociale productie vermindert dat aan het proletariaat toevalt. Het kapitalisme moet voor een gedeelte betaalkrachtige kopers vinden buiten degenen die zijn onderworpen aan de verhouding arbeid-kapitaal.
Vroeger bestonden er op de binnenlandse markt grote sectoren van voorkapitalistische productie (het handwerk en vooral de landbouw) die relatief welvarend waren en een voedingsbodem vormden voor de kapitalistische groei. Op wereldvlak liet de enorme buitenkapitalistische markt van de koloniale landen, die toen werden veroverd, toe om de overproductie van waren uit de industrielanden af te zetten. Nadat het kapitalisme aan het begin van de 20e eeuw de hele planeet aan zijn economische verhoudingen onderworpen heeft, beschikt het niet meer over de historische voorwaarden die het toelieten het hoofd te bieden aan zijn tegenstellingen.
Het kapitalisme begon toen aan zijn fase van onomkeerbare neergang, die de mensheid veroordeelt tot oorlogen, de stuiptrekkingen van zijn crisissen, en tot een veralgemeende ellende, die de mensheid met de complete vernietiging bedreigen.
(1) Uit: Friedrich Engels, De toestand van de arbeidersklasse in Engeland, (1845), De concurrentie, p. 136 in de uitgave van Progres, 1987.
(2) Uit: Karl Kautsky, Das Erfurter Programm (1892), hoofdstuk 2: Het proletariaat.
(3) Engels, idem p.138
(4) Engels, idem p.136
(5) Novethics.fr, 10 januari 2001
(6) L’Expansion, 27 januari 2004
(7) Vie publique.fr, 12 januari 2004
(8) Le Monde.fr, 27 juni 2004
Het rellen in de Franse buitenwijken hebben aanleiding gegeven tot veel discussie onder degenen die op zoek zijn naar een alternatief voor het kapitalisme. Zo kwam er op het intertnetforum van de groep Eurodusnie in Leiden een heel debat op gang over de vraag of de revolte al dan niet moest worden toegejuicht. En de discussie was al even levendig tijdens onze discussiebijeenkomst in Amsterdam en de openbare bijeenkomst in Brussel.
Voor ons gaat de discussie vooral over twee belangrijke vragen voor het begrip van de dynamiek en de perspectieven van de klassenstrijd:
1) Kan iedere sociale beweging, wat ook haar aard is, bijdragen aan revolutionaire strijd tegen het kapitalisme?
2) Vormen de revoltes in Frankijk een stap voorwaarts in de ontwikkeling van de proletarische strijd of vormen ze daarentegen een hindernis voor de verdere ontwikkeling ervan?
Voor sommigen, in het forum van Eurodusnie zowel als tijdens onze openbare bijeenkomsten, bestond de hoofdzaak uit ‘de beweging’, ‘de actie’, ‘het geweld’, de ‘ondermijning van de gevestigde orde’ en vormde de revolte op zichzelf een stap voorwaarts in de strijd tegen het kapitalisme. Het zou op de een of andere manier genoeg zijn om er een beetje richting aan te geven met wat politieke standpunten en deze jongeren die door het kapitalisme worden buitengesloten zouden kunnen worden omgevormd in belangrijke krachten tegen het kapitalisme.
We denken dat dit een grote analysefout is: niet alle sociale bewegingen dragen bij aan de strijd tegen het kapitalisme, integendeel, sommigen, zelfs als hun oorsprong niet ligt in een provocatie en ze niet door de bourgeoisie zijn opgezet, kunnen door de bourgeoisie gebruikt worden om zichzelf te versterken tegenover het proletariaat, tegen zijn bewustzijn en eenheid. Dit betekent niet in het minst dat we ons standpunt ‘vanaf het balkon’ verkondigen of dat we ‘salonsocialisten’ zouden zijn, want actie is niet hetzelfde als activisme, concreet zijn betekent niet in oppervlakkigheid vervallen, het naar voren brengen van onmiddellijke antwoorden op omstandigheden is niet hetzelfde als kortzichtigheid. De middelen, de wapens en de logica van de arbeidersstrijd zijn niet dezelfde als de middelen, de wapens en de logica van de burgerlijke klasse. Voor het proletariaat en meer in het bijzonder in de strijd voor het kommunisme zijn niet alle middelen geëigend. Als het internationale proletariaat momenteel voor belangrijke hindernissen staat en een lange weg heeft af te leggen om zijn strijd weer tot ontwikkeling te laten komen, dan is dat juist omdat jarenlang de beste krachten ervan zijn omgevormd door de kapitalistische krachten (vaak burgerlijk links of van de vakbeweging) naar een glibberig terrein in naam van ‘onmiddellijke resultaten’ en tegen ‘principes die enkel goed zijn voor theoretici’, enzovoort.
Toen de bourgeoisie het feodalisme bevocht en zelf nog een revolutionaire klasse was kon zij om het even welke strijd ondersteunen en om het even welke andere klasse tot haar zaak overhalen omdat zijzelf een uitbuitende klasse was die niet probeerde de uitbuiting af te schaffen maar integendeel een nieuwe vorm van uitbuiting te veralgemenen. Dat staat in tegenstelling tot de praktijk van het proletariaat: dat beschikt over geen enkele economische macht binnen de kapitalistische maatschappij en stelt zich niet tot doel een nieuw soort van uitbuiting in te stellen maar in tegendeel uitbuiting in al zijn vormen af te schaffen. Daarom bestaan zijn wapens uit eenheid, bewustzijn, zelforganisatie en zijn politieke zelfstandigheid als klasse. Die wapens worden ongetwijfeld in de strijd gesmeed, maar niet in om het even welke strijd.
Meerdere mensen op onze openbare bijeenkomsten antwoordden daarop dat “het grootste deel van de rellen toch uit arbeiderswijken kwam”. Een beweging is niet proletarisch omdat hij voor de meerderheid uit arbeiders bestaat, noch omdat hij ‘problemen’ stelt voor het kapitalisme, noch omdat hij gewelddadig is of zich richt tegen overduidelijk onrecht. De betogen over ‘radicaliteit’, ‘geweld’, ‘verzet’ en ‘massaliteit’ gaan voorbij aan het wezenlijke, namelijk het enig juiste criterium om een beweging te analyseren en te zien of die steun verdient: versterkt die de eenheid, het bewustzijn, de zelfstandigheid van het proletariaat? Anders gezegd, bevindt deze zich, zelfs als het maar embryonair is, op zijn klassenterrein?
Dat is inderdaad het belangrijkste vraagstuk want sommige deelnemers van de discussiebijeenkomst in Amsterdam drongen er op aan dat de IKS de hele klasse diende op te roepen zich bij de relschoppers in de buitenwijken aan te sluiten. Uitgaande van de hierboven geformuleerde criteria zou dat van groot onbegrip getuigen over de dynamiek van de arbeidersstrijd en van een valse verwachting dat de rellen in de Franse buitenwijken een bijdrage zouden leveren aan de revolutionaire strijd tegen het kapitalisme. De acties zijn ongetwijfeld niet door de bourgeoisie uitgelokt (zelfs als de uitspraken van Sarkozy onherroepelijk olie op het vuur gooiden) en we kunnen de woede begrijpen van al deze jongeren die men gewoonweg links laat liggen. Maar toch zijn we er van overtuigd dat hun acties niets te maken hebben met de strijd van de arbeidersklasse en integendeel daar direct tegen ingaan.
De rellen in de buitenwijken zijn vooral ingegeven door wanhoop, uitzichtloosheid, door een machteloze en blinde haat. De klassenstrijd daarentegen vertrekt vanuit een minimum aan vertrouwen in de toekomst en verontwaardiging over de barbaarsheid en het lijden dat door het kapitalisme wordt veroorzaakt. Wie een ‘revolutionaire kracht’ wil toekennen aan deze acties verwart haat met verontwaardiging en wanhoop met bewuste actie. Als de verontwaardiging een positief gevoel is dat de strijdbaarheid voedt en de vastbeslotenheid tegenover de kapitalistische uitbuiting en de barbaarsheid daarvan, dan is de haat een louter negatief gevoel dat enkel een totale vernietigingsdrang voedt. En terwijl de wanhoop mensen tot gewelddadige acties kan brengen die nergens toe leiden, dan maakt de bewuste actie een ontwikkeling van de strijd mogelijk, door de kritiek en het rechtzetten van vergissingen, door de revolutionaire strijd.
Dergelijke commandoacties van kleine groepen richten zich voornamelijk op het in brand steken van geparkeerde auto’s. De botsingen met de politie die voortkomt uit een begrijpelijke haat tegenover de arrogante en onverdragelijke uitdagende houding bleven betrekkelijk beperkt. Er was geen massabeweging maar een opeenvolging van onsamenhangende nachtelijke acties van kleine groepen. Dat schept een contrast met de strijd van het proletariaat: een strijd die moed vereist, met open vizier, massaal ondernomen en die zijn kracht in het daglicht stelt, zonder het spektakel en de snoeverij van de ‘stadsguerilla’. Zij brengt haar doeleinden openlijk naar voren en hijst haar vaandel voor heel de maatschappij. Zij is niet blind op zoek naar een frontale botsing met haar klassenvijand, gaat die ook niet uit de weg, maar bereidt die met geduld en onverzettelijkheid voor.
De bewegingen in Frankrijk bevatten bovendien een heel gevaarlijk aspect: dat van botsingen tussen kinderen van de arbeidersklasse. Het geweld van deze jongeren keerde zich vooral tegen andere arbeiders, lotgenoten die dezelfde twijfels hebben over de toekomst die het kapitalisme biedt. Ze staken auto’s van hun klassenbroeders in brand, ze vielen brandweerlieden aan, ze bekogelden autobussen waarin hun buren uit dezelfde wijk zaten met stenen en staken ze in de brand. De revoltes van de boeren in de middeleeuwen waren zeker wanhopig, maar ze waren gericht tegen de heren, er werden kastelen aangevallen waarbij de rijkdom werd geplunderd. De jongeren in de buitenwijken die nu door het kapitalisme worden buitengesloten vielen niet de luxewijken aan of de symbolen van het systeem, maar hun eigen buren in de armoedewijken. Het geweld van de arbeidersklasse richt zich tegen het kapitaal en zijn staat, nooit tegen de eigen klassenkameraden. De onderdrukking van Kronstadt in 1921 versnelde de ontaarding van de Bolsjewiki en de nederlaag van de Oktoberrevolutie in Rusland omdat daarmee het geweld tussen klassenbroeders werd gewettigd.
Als arbeiderskinderen zich tegen hun klassenbroeders keren en daarvan zelfs de hoofdzaak van hun beweging maakten, dan is het onder invloed van een verschijnsel dat binnen het kapitalisme tot ontwikkeling komt en dat hele delen van de arbeidersklasse dreigt mee te slepen: de ontbinding van dit steeds verder wegrottende systeem. De Stellingen over de ontbinding, aangenomen in 1990, waarschuwde al tegen dit gevaar:
“We moeten duidelijk zijn over het gevaar van de ontbinding voor het vermogen van het proletariaat om zichzelf op te werken tot het niveau van zijn historische taak. Het uitbarsten van de imperialistische oorlog in het hart van de ‘beschaafde wereld’ was “een aderlating, die de Europese arbeidersbeweging dodelijk dreigde uit te putten” en “die dreigde het perspectief van het socialisme te begraven onder het puin van het barbaars imperialisme [...] door op het slagveld de beste krachten van het internationale socialisme, de voorhoedetroepen van het wereldproletariaat, af te slachten (Rosa Luxemburg, De crisis in de sociaal-democratie). Net zo kan de ontbinding van de maatschappij, die alleen maar erger kan worden, de beste krachten van het proletariaat wegrukken en daardoor definitief het perspectief van het kommunisme op het spel zetten.”
Deze verlompenisering raakt vaak meer in het bijzonder de jongere delen van de klasse die bij voorbaat van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, en brengt ze er toe een niet alleen wanhopige maar ook zelfvernietigende en zelfs tot zelfmoordneigende strijd te voeren. In punt 14 van de stellingen schreven we daarover:
“Eén van de factoren die de omstandigheden verslechteren is gelegen in het feit dat een groot deel van de jongere arbeidersgeneraties de plaag van de werkloosheid ondergaan voordat ze zelfs maar de mogelijkheid hebben gehad om samen met kameraden op het werk en in de strijd te ervaren wat het collectieve bestaan van de arbeidersklasse betekent. Hoewel de werkloosheid, die een onmiddellijk voortvloeit uit de huidige crisis, ‘op zich’ geen uiting van de ontbinding is, loopt de werkloosheid, in deze bijzondere fase van het verval, uit op gevolgen die zelf een bijzonder aspect van die ontbinding vormen. Wanneer de werkloosheid over het algemeen duidelijk kan maken dat het kapitalisme de arbeiders geen zekere toekomst kan bieden, dan vormt zij momenteel ook een krachtige factor in de ‘lompenproletarisering’ van bepaalde delen van de klasse, vooral onder jonge arbeiders, wat de huidige en toekomstige politieke vermogens van de klasse verzwakt. Gedurende de hele jaren tachtig, met een aanzienlijke groei van de werkloosheid, zagen we daardoor een afwezigheid van belangrijke bewegingen, of zelfs werkelijke aanzet tot organisatie bij de arbeiders zonder werk. Dit bewijst hoe groot de druk is die de werkloosheid door de ontbinding oplegt aan de ontwikkeling van het proletarisch bewustzijn.”
Betekent dit dat er niets anders overblijft dan aanvaarding van het lot en wanhoop? Nee, want de arbeidersklasse beschikt over middelen om deze omstandigheden te boven te komen:
“De verschillende elementen die de kracht van de arbeidersklasse komen in onmiddellijke botsing met de verschillende ideologische aspecten van de ontbinding:
– de collectieve actie, de solidariteit, die geconfronteerd worden met de versplintering, het ‘ieder-voor-zich’ en de onverschilligheid;
– de noodzaak van organisatie botst op de ontbinding, op het uiteenvallen van de relaties die de basis van het maatschappelijk leven vormen;
– het vertrouwen van het proletariaat in de toekomst en in eigen kracht wordt voortdurend ondermijnd door de algemene wanhoop waarvan de maatschappij doordrenkt raakt, het nihilisme en het ‘no future;
– het bewustzijn, de helderheid, de samenhang en eenheid van het denken, de voorliefde voor theoretisch begrip, die zich een weg moeten banen door de vlucht in droombeelden, drugs, sekten, mysticisme, de verwerping en vernietiging van het denken, die ons tijdperk kenmerken.”
En juist omdat al deze verschillende krachten binnen de arbeidersklasse aan het werk zijn, juist omdat we ons er bewust van moeten zijn dat er momenteel binnen de arbeidersklasse een bewustzijnsontwikkeling plaatsvindt en, hoewel pril nog ook, een ontwikkeling van de strijd die afweer tegen het binnendringen van de kapitalistische ontbinding in de arbeidersrangen zal brengen, is het ook zo belangrijk om energiek de strijd aan te binden met het ten hemel geprezen idee van ‘actie omwille van de actie’.
We hebben een sterk gevoel van solidariteit met deze jongeren, deze arbeiderskinderen, die verloren lopen in een beweging zonder toekomst, een beweging die vernietigend is en op zelfmoord uitloopt. In ieder geval betekent solidariteit niet het toejuichen van een strijdvorm die ze naar de afgrond voert. Solidariteit betekent noodzakelijkerwijs een harde kritiek. Deze jongeren zijn geen vijanden van hun klasse geworden. Ze kunnen zich aansluiten bij de proletarische strijd binnen het raamwerk van zijn algehele ontwikkeling, van de verbreiding van revolutionaire standpunten, van discussie, van kritiek en zelfkritiek. De arbeidersklasse zal nog vele fouten maken, en talrijke gedeeltelijke nederlagen ondergaan. Ze zullen hoe dan ook bijdragen aan de revolutionaire strijd zijn als er lering uit wordt getrokken, als ze in staat zijn tot een gedegen zelfkritiek die de kern van de problemen raakt en die het mogelijk maakt om de revolutionaire standpunten verder uit te diepen en uit te dragen.
Jos / 21.12.2005
Drie weken lang haalden de rellen in de Franse voorsteden de voorpagina’s. Duizenden jongeren, voor een groot deel uit de armste lagen van de bevolking, hebben hun woede en wanhoop uitgeschreeuwd met Molotovcocktails en straatstenen.
De eerste slachtoffers van die vernielingen zijn de arbeiders. Het zijn hun auto’s die in brand zijn gestoken. Het zijn hun werkplaatsen die werden gesloten, waardoor honderden van hen technisch werkloos werden gemaakt. Een arbeider die op het avondjournaal werd geïnterviewd vatte de complete absurditeit van de gebeurtenissen meesterlijk samen in deze woorden: “Vanmorgen vond ik een vlugschrift op de voorruit van mijn uitgebrande auto. Bovenaan stond er ‘Verneuk Sarkozy’. Maar het is niet Sarkozy die ze verneukt hebben, maar mij!”
Ook al is de woede-uitbarsting van de jongeren uit de voorsteden volkomen gewettigd, dan nog vertegenwoordigt de sociale situatie die erdoor geschapen is een reëel gevaar voor de arbeidersklasse. Hoe daarop te reageren? Moet men zich scharen achter de relschoppers of achter de ‘republikeinse’ staat? Voor de arbeidersklasse gaat het hier om een valse keuze, want beide valstrikken zijn te vermijden. De eerste bestaat eruit de wanhopige revolte van die jongeren te zien als voorbeeld dat navolging verdient. Het proletariaat kan deze weg van de zelfvernietiging echter niet inslaan. Maar de ‘oplossing’ die de bourgeoisie met alle kracht aanprijst vormt een al even grote impasse.
Door profijt te slaan uit de angst die dergelijke gebeurtenissen opwekken doet de heersende klasse, met haar regering, haar staat en repressieapparaat zichzelf momenteel voor als waarborg voor de veiligheid van de bevolking, met name in de arbeiderswijken. Maar met die zo geruststellend bedoelde praatjes gaat een boodschap gepaard die bol staat van de dreigementen tegen de arbeidersklasse: “Strijd tegen de republikeinse orde, dat wil zeggen tegen de kapitalistische staat, dat is hetzelfde als zich gedragen als bandieten, als uitschot.”
De bourgeoisie is niet in staat het fundamentele probleem op te lossen, dat van de economische crisis. Vanzelfsprekend geeft ze er de voorkeur aan dat te verbergen en de spectaculaire kant van de rellen, de vernielingen en het geweld, in haar eigen voordeel te benutten. En we kunnen zeggen dat de journalisten hun uiterste best hebben gedaan om deze propaganda van de angst zo goed mogelijk te voeren.
Ze zijn hun informatie midden in de wijken gaan halen, ze brachten ons honderden beelden van brandende en uitgebrande auto’s, ze overstelpten ons met getuigenissen van slachtoffers, en ze hielden enquêtes over de haat die deze jongeren voelen voor de hele maatschappij.
Overal waren er die nachtelijke reportages over jongerenbendes, met helm op of een bivakmuts. We kregen op grote schaal te zien hoe er molotovcocktails en stenen werden gegooid, hoe er met de politie werd gevochten, met nu en dan een interview met een relschopper die zijn woede er ‘live’ mocht uitgooien: “Wij bestaan! Kijk maar: de auto’s branden” (Le Monde, 6-11-05) en ook: “Eindelijk wordt er aandacht aan ons besteed”.
De bourgeoisie heeft hier het hopeloos geweld breed uitgemeten van die jongelui uit de buitenwijken om een klimaat van terreur te scheppen. Het is voor haar een ideale gelegenheid om de versterking van haar repressief arsenaal te rechtvaardigen. De politie kan zich inderdaad de luxe veroorloven om zich voor te doen als beschermer van de arbeiders, borg te staan voor hun welzijn en veiligheid. Het debat tussen de socialistische partij en de rechtse UMP (van Sarkozy) heeft op dat punt de toon gezet. Voor de rechterzijde bestaat de oplossing er natuurlijk uit meer middelen ter beschikking te stellen van de politie door de interventie-eenheden van de CRS te versterken. Voor de linkerzijde geldt hetzelfde, maar dan anders aangekleed. De socialistische partij stelde voor terug te keren naar het systeem van de wijkpolitie. Anders gezegd: meer politie in de wijken! Daarom spraken beide grote partijen van de bourgeoisie zich uit voor het uitroepen van de noodtoestand.
Al die maatregelen om het repressieapparaat te versterken zullen geen eind maken aan het geweld in de voorsteden. Integendeel, ook als ze op het onmiddellijke vlak en tijdelijk doeltreffend kunnen zijn, dan nog kunnen ze op termijn de spanningen en de haat van die jongeren tegen de politie slechts aanwakkeren. De politici weten dat maar al te goed. Wat de bourgeoisie met die versterking van het politietoezicht op de ‘gevoelige’ wijken op het oog heeft, bestaat niet zozeer uit de groepjes rondhangende jongeren, maar veeleer uit de arbeidersklasse zelf. Door de schijn te wekken dat de republikeinse staat de proletariërs beschermt tegen het vandalisme van hun kinderen of die van hun buren, kan de bourgeoisie zich voorbereiden op de onderdrukking van de arbeidersstrijd zodra die een daadwerkelijke bedreiging gaat vormen voor de kapitalistische orde. Het instellen van de noodtoestand bijvoorbeeld moet de maatschappij laten wennen aan alledaagse doorlopende controle, de voortdurende aanwezigheid van politie en van huiszoekingen in de arbeiderswijken.
De walgelijkste kant van de huidige propaganda bestaat uit het aanwijzen van de immigranten als zondebok.
Omdat de relschoppers voor een deel kinderen van de immigratie zijn, worden de geïmmigreerde arbeiders er op een achterbakse manier van beschuldigd de ‘openbare orde’ en de veiligheid van de bevolking in gevaar te brengen omdat ze niet bij machte zouden zijn om hun kinderen in de hand te houden, hen een ‘fatsoenlijke opvoeding’ te geven en morele waarden bij te brengen. Het zijn die ‘onverantwoordelijke’ ouders die zich aan hun taken onttrekken, die als de ware schuldigen worden aangewezen. En de eerste prijs voor openlijk racisme gaat naar de minister van werkgelegenheid, Gérard Larcher, volgens wie “één van de oorzaken van het geweld in de voorsteden” bestaat uit... polygamie (Libération, 17 november)!
Maar de krachten van links droegen hun eigen steentje bij door onder het voorwendsel van humanisme de moeilijkheden naar voren te brengen van de Franse maatschappij om een bevolking te integreren van ‘verschillende culturele achtergronden’ (om die terminologie over te nemen). De twee grootste huidige sociologen van het vraagstuk van de buitenwijken, Didier Lapeyronie en Laurent Mucchilie, die zichzelf bevinden aan de linkerzijde van de politieke strijdtoneel, leggen er daarmee de nadruk op dat in de ogen van de jongeren die uit de immigratie zijn voortgekomen “het zich opwerken via de school is voorbehouden aan de ‘blanken’, de openbare diensten zijn niet meer gericht op integratie [...] en de woorden van de republiek [...] worden opgevat als de voorwendsels van een ‘blanke’ maatschappij.” (Libération, 15 november). De geïmmigreerde proletariërs zouden dus specifieke problemen hebben die niets te maken zouden hebben met die van de rest van de arbeidersklasse.
Door de geïmmigreerde arbeiders als de ware verantwoordelijken voor het voorstedelijk geweld aan te wijzen probeert de bourgeoisie de arbeiders weer eens tegen elkaar op te zetten, verdeeldheid te zaaien tussen Fransen en immigranten. Ze maakt gebruik van de blinde revolte van de jongeren uit de voorsteden om de werkelijkheid te verbloemen: de toenemende verpaupering van het geheel van de arbeidersklasse, wat ook haar nationaliteit, oorsprong of kleur moge zijn. Het probleem van de armoede, van de werkloosheid, de afwezigheid van enig vooruitzicht zou niet het gevolg zijn van de onoverkomelijke economische crisis van het kapitalisme, maar terug te brengen tot een probleem van ‘integratie’ of van ‘cultuur’! Door de ouders van de jonge relschoppers zo aan de schqndpaal te' nagelen, rechtvaardigt de heersende klasse meteen ook de aanvallen die zich momenteel zogenaamd richten op de ‘aanstokers van het geweld’, maar die morgen in werkelijkheid heel de arbeidersklasse zullen treffen. Dat gebeurt bijvoorbeeld door het stopzetten van uitkeringen aan de gezinnen van de ‘delinquenten’. En wat moeten we denken van de onmiddellijke uitwijzing van buitenlanders die opgepakt werden tijdens de rellen? De minister van binnenlandse zaken, Nicolas Sarkozy, heeft de prefecten van de departementen gevraagd alle vreemdelingen die veroordeeld werden wegens geweld in de voorsteden gedurende de laatste dertien nachten “zonder uitstel ons nationaal territorium” uit te wijzen, “ook wanneer zij een verblijfsvergunning hebben” (Libération, 9 november). Maar de arbeidersklasse hoeft zich geen illusies maken. Die maatregel zal geen uitzondering blijven, alleen voorbehouden aan ‘kleine criminelen’. Die uitwijzing uit het land voor ‘verstoring van de openbare orde’ zal de republikeinse staat in de toekomst zonder aarzelen gebruiken tegen de hele arbeidersklasse wanneer deze de strijd aangaat: om stakingen en hun eenheid te breken door de arbeiders die een ‘verblijfsvergunning’ hebben te dwingen weer aan het werk te gaan op straffe van het land te worden uitgezet.
Pawel / 17.11.2005
Het werkloosheidsprobleem staat in het centrum van de vragen die worden opgeworpen door de rellen die zich afspeelden in de Franse voorsteden. Maar in tegenstelling tot wat de bourgeoisie en haar politici ons voorhouden, is het geen probleem dat beperkt blijft tot de immigrantenjongeren. Met al de wekenlang overbelichte debatten en betogen werd geprobeerd ons er van te overtuigen dat het uitsluitend zou gaan om een vraagstuk van de jongeren van Afrikaanse en Noord-Afrikaanse afkomst die opeengepakt zitten in de getto’s van de voorsteden waar de werkloosheid 30 tot 40% bedraagt. Door het voor te stellen als een specifiek probleem van mensen die aan hun lot zijn overgelaten, heeft de heersende klasse in Frankrijk net zoals in andere landen, alle aandacht gericht op een bijzondere deel van de bevolking, op de jongeren zonder toekomstperspectief, met de bedoeling het uiteindelijke probleem te verdoezelen en uit de weg te gaan. Het vraagstuk van de werkloosheid raakt en bedreigt de hele arbeidersklasse. Elke dag komen er nieuwe karrenvrachten massale ontslagen bij en worden er duizenden arbeiders op de keien gezet niet alleen in Frankrijk maar in van de meest ‘ontwikkelde’ landen, net zoals overal elders. Wat de bourgeoisie probeert te verbergen is de diepgaande betekenis van deze massawerkloosheid. Ze probeert te verhinderen dat er een verband wordt gelegd tussen de verschijnselen in de voorsteden en de alledaagse ontslagen van proletariërs. Deze polarisering op het meest kansarme, meest broze, meest kwetsbare en verloederde deel van de arbeidersklasse, is niet nieuw: in de jaren 1980 werden de groei van de massale werkloosheid, de ontmanteling van het systeem van sociale zekerheid en het brutaal wegzinken in de verpaupering van de arbeidersklasse op rekening geschreven van een nieuwe sociologische categorie die de ‘nieuwe armen’ werd gedoopt en die men aldus marginaliseerde ten opzichte van de rest van de arbeidersklasse.
De bourgeoisie heeft de ellende en ontreddering die het kapitalisme teweegbrengt altijd cynisch benut. Diegenen die worden voorgesteld als havelozen, die elke hoop op een toekomst hebben laten varen, die geen perspectieven noch houvast meer hebben, die willens en wetens worden genegeerd en al tientallen jaren worden veracht, worden van de ene dag op de andere voor het voetlicht gebracht alsof de maatschappij om hen draait. Het is de boom waardoor we het bos van de groeiende ellende niet meer zien waardoor de arbeiders steeds harder worden getroffen. Daarmee doet de heersende klasse een poging om een waaier van verklaringen uit te spreiden over de oorsprong en de aard van het probleem: identiteitscrisis van de jeugd, onvoldoende integratie van immigranten, ongelijkheid van kansen, discriminatieproblemen bij sollicitaties, gebrek aan opvoeding tot burgerzin als gevolg van mislukkingen op school, opkomst van racisme en vreemdelingenhaat...
Al deze oppervlakkige en gedeeltelijke verklaringen komen de bourgeoisie van pas voor het bedrog dat er ‘oplossingen’ zouden bestaan, mogelijke hervormingen om binnen het kapitalisme het lot van de jongeren in de voorsteden te verbeteren. Maar alle voorstellen en volslagen illusoire maatregelen van de regering kunnen het probleem van de werkloosheid niet oplossen: leercontracten vanaf veertien jaar, meer geld en middelen vrijmaken voor verenigingsinstellingen, toename van het aantal vormingsplaatsen, vrijwillige burgerdienst, en ga zo maar door. Deze maatregelen zijn, gezien de toenemende druk van de werkloosheid, van de tijdelijke en deeltijdse baantjes en de ellende in de maatschappij, pogingen die tot mislukken zijn gedoemd. Het is voornamelijk zand in de ogen strooien. Alle fracties van de bourgeoisie, van links zowel als van rechts hebben niets beters meer te vertellen. Maar dat maakt het wel mogelijk om de stromen gif van ideologische propaganda uit te storten die er fundamenteel toe dienen om de uitgebuiten te verdelen, om de wederzijdse belangen tegen elkaar uit te spelen. De heersende klasse rechtvaardigt daarmee een permanente kloof tussen de generaties, tussen autochtone en allochtone arbeiders, tussen werkende en werkloze arbeiders. Enerzijds jut ze de werklozen op om de arbeiders die nog werk hebben te beschouwen als bevoorrechten die niet te klagen zouden hebben laat staan strijd zouden mogen leveren voor de verdediging van hun lonen, tegen de vermindering van hun pensioenen en de verslechtering van hun arbeidsvoorwaarden. Anderzijds zet ze de arbeiders er toe aan om zich iedere toekomstige strijd van werklozen in te beelden als een uiting van ‘gepeupel’, dat tot niets anders in staat is dan het ontketenen van blinde razernij, haat en zelfvernietiging.
De diepgaande sociale malaise die uit de onlusten in de voorsteden bleek is de uiting van de economische wereldcrisis van het kapitalisme en onthult het onherstelbare bankroet van dit systeem. Daarom brachten de rellen in de voorsteden zo’n grote onrust teweeggebracht bij de andere Europese bourgeoisieën die met hetzelfde probleem geconfronteerd worden. Als de jongerenrellen in de buitenwijken, die in het teken staan van het ‘no future’, op zichzelf geen enkele toekomst of uitzicht bieden omdat ze de loutere weerspiegeling zijn van de kapitalistische hel, dan onthullen ze toch het diepe ongenoegen en de uitzicht-loosheid van het in crisis verkerende kapitalistische systeem dat niet langer in staat is om de jonge generaties op te nemen in zijn productieapparaat. Deze wel heel sprekende uiting van het bankroet van het kapitalisme stelt meer dan ooit het alternatief: omverwerping van de burgerlijke orde of het wegzinken van de hele menselijke maatschappij in chaos, ellende en barbarendom.
Het enig noodzakelijke en mogelijke antwoord op de werkloosheid die steeds meer arbeiderskinderen bedreigt, is het in beweging komen, de ontwikkeling van eensgezinde en massale verdedigingsstrijd van de arbeidersklasse tegenover de ontslagen en alle aanvallen die ze ondergaat. Enkel de klassenstrijd zal het mogelijk maken dat de arbeiders die nu tot werkloosheid veroordeeld zijn en degenen die momenteel betrokken zijn bij de onlusten, de kans te geven hun plaats te vinden in een positief revolutionair en internationalistisch perspectief. Tegenover het ‘no future’ en de wanhoop die blijkt uit de rellen in de voorsteden blijft het proletariaat de enige draagster van de toekomst omdat het de enige sociale kracht is die het kapitalistische uitbuitingssysteem omver kan werpen, die de ellende, de werkloosheid kan uitroeien, die de loonarbeid, de winst en concurrentieverhoudingen kan afschaffen. Het is de enige klasse die kan bewerkstelligen dat er andere sociale verhoudingen worden doorgevoerd en kunnen opbloeien, waardoor de mensheid uiteindelijk vastbesloten kan beginnen met het bevredigen van haar behoeften.
W / 18.11.2005
Het aantal natuurrampen neemt sinds een aantal jaren gestaag toe. Erger, de menselijke gevolgen van deze enorme drama’s nemen steeds grotere omvang aan. Toch verandert de houding van de bourgeoisie sterk naar gelang de plaats waar de ramp plaatsgrijpt. Iedere keer dat het er op aankomt om de getroffen bevolking te hulp te schieten roept de bourgeoisie schande over zichzelf af. Het volstaat om te zien hoe iedere ramp onmiddellijk wordt gebruikt voor imperialistische doeleinden.
December vorig jaar teisterde de tsunami Zuid-Azië. De vloedgolf zou 500.000 mensenlevens kosten in Indonesië (Sumatra), Thailand en India. De burgerlijke media konden overal hun krokodillentranen plengen en oproepen tot omvangrijke hulpacties, maar toch ging het de kapitalistische staten om iets heel anders. In dit gebied zijn de spanningen tussen de staten heel groot, vooral tussen India en Pakistan, en al de grote imperialistische machten probeerden nauwelijks verholen hun belangen zo goed mogelijk te verbergen achter hun respectievelijke niet-regeringsorganisaties. Vandaar dat gezien de volslagen ondoelmatigheid van de humanitaire hulp ter plekke zelfs journalisten werden gedwongen toe te geven: “Het concurrentieklimaat waarin de niet-regeringsorganisaties en de diensten van de Verenigde Naties werken vormt een andere verklaring. Vier recente studies komen onafhankelijk van elkaar tot vergelijkbare conclusies: het financiële manna waaruit de internationale humanitaire hulp bestaat heeft een tamelijk ongepaste stormloop op de middelen van de donateurs teweeggebracht, vaak ten koste van de door de rampen getroffen bevolking en de hulp in noodsituaties en daarmee dus van de integriteit van de organisaties... Deze worden vaak geleid door de prioriteiten van hun donateurs, die fondsen toekennen om hun nationale belangen voor te laten gaan” (Le Monde Diplomatique, 17 oktober, vet van ons). Erger nog, “de afwezigheid van coördinatie en de veelheid van initiatieven van de verschillende niet-regeringsorganisaties brachten rivaliteitsverschijnselen, langs elkaar heen werken en ontoereikende hulp met zich mee” (Libération, 20 oktober). De werkelijkheid kan niet cynischer worden weergegeven. Deze imperialistische concurrentie, waarvan de niet-regeringsorganisaties de speerpunt vormen, komt tot uiting in verspilling, zo al niet sterilisatie, van een heel deel van de povere hulp die door de staten wordt toegekend en zelfs van de hulp van particulieren die verontwaardigd waren over zoveel menselijk lijden.
Het werkelijke belang dat het kapitalisme aan het menselijk leven toekent, zijn motieven voor de politiek van de ‘humanitaire’ hulp, worden heel gruwelijk en helder duidelijk bij rampen die geografische zones treffen van weinig geostrategisch belang. Slechts enkele maanden voor de tsunami Zuidoost-Azië trof werden er in Haïti en Santo Domingo verwoestingen aangericht door vreselijke overstromingen. Hoewel er duizenden doden vielen werd er nauwelijks hulp geboden, geen bekendheid aan gegeven of een media-campagne van ‘solidariteit’ met de getroffen bevolking op gang gebracht (bij de tsunami was die niet meer dan een gigantische zwendel op wereldschaal). Hetzelfde moet worden vastgesteld voor wat betreft het Amazonegebied, waar al vier jaar de gruwelijkste droogte uit zijn geschiedenis heerst, en alwaar de bevolking eenvoudig aan haar trieste lot wordt overgelaten. En in de maand september trof de storm Stan volop Guatemala, en ook El Salvador, Nicaragua en het zuidoosten van Mexico, waarbij duizenden doden en tienduizenden gewonden vielen. Op zondag 9 oktober bijvoorbeeld werden daaraan enkele seconden besteed in de rubriek ‘overig nieuws’, een modderstroom in een afgelegen dorp van Guatemala. Dit korte bericht ging over een afschuwelijk bloedbad. De 1400 inwoners van dit dorp kwamen om. Mannen, vrouwen en kinderen stierven, verdronken, verstikt en verpletterd onder de grondverschuivingen en de stortregens. Tegenover deze nieuwe tragedie beloofde Washington heel ‘vrijgevig’ om zes helikopters te sturen en evacuaties te vergemakkelijken. Het overgrote deel van de niet-regeringsorganisaties en de belangrijkste imperialistische machten toonden geen enkele belangstelling voor dit menselijk drama; dit gebied ging lijdend ten onder in onverschilligheid en epidemieën.
Toen de cycloon Katrina New Orleans en het zuidoosten van de Verenigde Staten trof, was de houding van de bourgeoisie heel anders. De onverschilligheid werd afgewisseld door een mediabombardement. Op de televisie, in de kranten werden de godganse dag beelden vertoond van de arme bevolking, in de val zittend, zonder levensmiddelen, zonder dak boven het hoofd en rustig gehouden door tot de tanden bewapende Amerikaanse soldaten. Dat was niet onschuldig. Het ging de belangrijkste rivaliserende nationale bourgeoisieën er om de onmenselijkheid, de onverschilligheid en het onvermogen van de Verenigde Staten te laten zien om hun eigen bevolking te beschermen, terwijl ze in staat zijn fabelachtige militaire middelen in te zetten om de bevolking van Irak en Afghanistan te bombarderen. De anti-Amerikaanse ideologische campagne kwam op volle gang en bood imperialistische machten als Frankrijk en Duitsland de gelegenheid om te laten weten dat ze klaar stonden de tekortschietende Amerikaanse staat te hulp te snellen. Condoleeza Rice moest zelfs de woorden van de regering en van president Bush afzwakken, die onmiddellijk en heftig reageerde op die aanbiedingen: “In een interview met het netwerk ABC verklaarde Bush aanvankelijk ‘Wij stellen de hulp op prijs, maar we redden onszelf wel’. Vervolgens kwam de Amerikaanse president ter zake: ‘We hebben ze niet om hulp gevraagd’.” Het cynische gebruik van deze ramp door de belangrijkste rivaliserende machten van de Verenigde Staten baarde tijdelijk vrucht door de hele wereld te laten zien hoezeer de grootste wereldmacht zijn taken verwaarloost ten overstaande van de ontreddering van de eigen bevolking.
De ontwikkeling van de imperialistische spanningen was geen enkel respijt beschoren. In de maand oktober vond onmiddellijk een nieuwe aardbeving plaats, die het gebied van Indisch en Pakistaans Kasjmier raakte. Tien dagen na deze beving bleef het aantal slachtoffers stijgen nadat het de 50.000 al had overschreden. Net als na de tsunami haastten allerlei niet-regeringsorganisaties zich om hulp aan te bieden, en daarachter toonden alle grootmachten hun bereidwilligheid om actief aan de hulpverlening deel te nemen. Wat werd daarmee bereikt? “Ik denk niet dat veel mensen in deze kou kunnen overleven [...]. We zagen de laatste dagen gevallen van diarree, koorts, aandoeningen van de luchtwegen” (Dokter Bilal, aangehaald in Courrier International, 16 oktober).
In dit deel van Kasjmier grijpt de stank van dood en verrotting eenieder naar de keel en uit de bergen komen overlevenden toestromen op zoek naar onderdak. Meerdere weken na deze gigantische ramp is de in praktijk gebrachte hulp zo goed als onbetekenend. Deze uithoek van de wereld is van heel groot geostrategisch en imperialistisch belang, als kardinaal punt tussen Europa, Azië en Rusland. Vandaar dat het al jarenlang het toneel vormt van oorlogsrivaliteiten tussen India en Pakistan. Het contrast tussen de logistieke militaire middelen die in dit gebied worden ingezet en de extreme nood van de bevolking is absoluut aangrijpend. In feite kunnen deze militaire middelen op geen enkele manier worden ingezet voor hulp. “De dichtstbijzijnde inzetbare helikopters bevinden zich in India, maar de betrekkingen tussen de twee landen die elkaar de soevereiniteit over Kasjmier betwisten zijn gespannen.” De Pakistaanse president Pervez Musharraf zei dat “hij de inzet van Indische helikopters zou aanvaarden, op voorwaarde dat deze zonder uitrusting komen” (Libération, 22 oktober). Nog duidelijker en onmenselijker verdedigde hij zijn standpunt in de volgende bewoordingen: “er bestaan militaire verdedigingsplannen en er worden, net als aan de Indische kant, militaire middelen ingezet. Maar we willen in geen geval dat de militairen hier komen.” Als president Pervez Mousharraf zo reageert dan is het omdat hij heel goed weet dat achter deze voorstellen voor humanitaire hulp in werkelijkheid een poging schuilgaat om militair vooruitgang te boeken. Maar in de imperialistische rivaliteiten tussen India en Pakistan zijn ook de grote imperialistische machten betrokken: de Verenigde Staten, China, Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië... geen enkele grootmacht kan onverschillig blijven als het over deze regio gaat. Ten bewijze daarvan “besloot de NAVO om 500 tot 1000 manschappen naar het noorden van Pakistan te sturen, maar zal daarentegen niet in staat zijn om tegemoet te komen aan de oproep van de Verenigde Naties om een luchtbrug te vormen naar honderdduizenden geïsoleerde slachtoffers, die door koude en honger worden bedreigd.” (Libération, 22 oktober). Wanneer internationale instellingen als de NAVO en de Verenigde Naties al niet in staat zijn om de minste hulp te coördineren, dan is dat eenvoudigweg omdat hun roeping niet is om humanitair op te treden. Ze vormen niet meer dan een arena voor de imperialistische confrontaties tussen diezelfde grootmachten.
De schade die door de zogenaamde natuurrampen wordt aangericht waren in de jaren 1990 drie keer omvangrijker dan in het daaraan voorafgaande decennium en vijftien keer groter dan in de jaren 1950. Als steeds meer geografische zones en bevolkingen vernietigd worden door de gevolgen van deze rampen, dan moet het voor het proletariaat duidelijk zijn dat de bourgeoisie er alleen iets om geeft als zij openlijk haar imperialistische en nationale belangen kan uitspelen. In de getroffen gebieden die niet aan hun lot worden overgelaten omdat ze een geostrategische inzet vormen, is de zogenaamd humanitaire interventie in feite een factor die de toestand ter plekke nog slechter maakt, die de wanorde, de puinhoop en de chaos nog vergroot. De vlucht vooruit van het kapitalisme in de imperialistische spanningen draagt onmiddellijk bij tot de verergering van de barbarij die uit deze rampen voortvloeit. De arbeidersklasse is de enige klasse die in staat is om het kapitalisme omver te werpen en een eind te maken aan dit zelfmoord-scenario door de kommunistische maatschappij op te richten die voor eens en voor altijd de verhoudingen van uitbuiting en van winst opheft waaruit deze verschrikkingen voortkomen.
Tino / 22.10.2005
De beweging van de studenten in Frankrijk tegen de CPE (1) heeft niets te maken met de meeste vroegere bewegingen van klassensamenwerking van de studentenjeugd. Zij maakt integraal deel uit van de strijd van de wereldarbeidersklasse. Tegenover een bijzonder laaghartige aanval op de jonge arbeidersgeneraties, een aanval die de arbeidsonzekerheid institutionaliseert in naam van ‘strijd tegen de onzekerheid’, hebben de studenten het klassenkarakter van hun strijd onmiddellijk begrepen en opgenomen.
Terwijl sommigen specifieke eisen van de studenten (2) wilden vermengen met de centrale eis van intrekking van de CPE besloten de studentenvergaderingen om alleen die eisen naar voren te brengen die de hele arbeidersklasse aangaan.
Wat de kracht van deze beweging uitmaakt, is juist dat zij zich vastbesloten op het terrein van de klassenstrijd van de uitgebuiten tegen de uitbuiters heeft gesteld. En dat deed zij door de strijdmethoden en principes van de arbeidersklasse op te nemen. Het belangrijkste van deze principes is de solidariteit. Door te breken met het ‘ieder voor zich’, met de idee “als ik mijn studie maar braaf volg en me twee jaar lang koest houd, dan kom ik er wel doorheen”, hebben de studenten de enige houding tegen de aanvallen van het kapitalisme aangenomen die voor de arbeidersklasse mogelijk is: de verenigde strijd. En deze solidariteit manifesteerde zich niet uitsluitend ‘tussen studenten onderling’. Ze hebben zich van meet af aan tot de loonarbeiders gewend, om hun solidariteit te winnen, en omdat ze goed hebben begrepen dat de arbeidersklasse als geheel wordt aangevallen. Met hun dynamisme, hun strijdbaarheid en hun oproepen zijn ze er bij vele faculteiten in geslaagd om onderwijzend en administratief personeel in de strijd te betrekken, door hen gemeenschappelijke algemene vergaderingen voor te stellen.
Een andere, duidelijk proletarische, karaktertrek van de beweging is de wil om het bewustzijn van de deelnemers te ontwikkelen. De staking op de universiteiten is begonnen met blokkades. Die waren niet bedoeld als een ‘overrompeling’ waarmee een ‘fanatieke minderheid aan de meerderheid de wet voorschrijft’, zoals kleine groepjes ‘anti-blokkeerders’ beweerden als communicantjes die de toegang tot de mis was ontzegd. De blokkades waren een middel van de meest bewuste en strijdbare studenten om hun vastberadenheid te tonen en vooral om zoveel mogelijk van hun kameraden in de algemene vergaderingen te betrekken, waarbij velen die de betekenis van de aanvallen van de regering niet hadden begrepen, of de noodzaak om daartegen de strijd aan te gaan, in discussie en met argumenten werden overtuigd.
Door deze algemene vergaderingen werd het mogelijk zich steeds beter te organiseren, werden stakings-comités en commissies in het leven geroepen die daar verantwoording aan afleggen, en ze vormen de longen van de beweging. Dat zijn middelen van de arbeidersstrijd. De vergaderingen zijn openbaar, niet afgesloten en in zich zelf gekeerd zoals dat meestal het geval is bij de vakbondsvergaderingen waarin alleen mensen van ‘ons bedrijf’ worden toegelaten met uitzondering misschien van gepatenteerde kaderleden of bondsbestuurders. Al heel snel zagen we deelname van delegaties van studenten van de ene universiteit aan de algemene vergaderingen van andere universiteiten. Behalve dat dit het gevoel van kracht en eenheid tussen de verschillende algemene vergaderingen versterkte, stelde het degenen die achteropliepen liepen in staat om zich op te trekken aan de vorderingen van wie meer vooropliepen. Ook dat is een belangrijk kenmerk van de dynamiek van arbeidersvergaderingen in klassenbewegingen die een bepaald niveau van bewustzijn en organisatie hebben bereikt. De openheid van de algemene vergaderingen beperkte zich niet tot studenten van andere universiteiten, maar strekte zich evengoed uit tot niet-studenten. Vooral arbeiders, gepensioneerden, ouders en grootouders van studenten en middelbare scholieren ontvingen in het algemeen een zeer warm en aandachtig onthaal, zodra de vergaderingen hun activiteiten richtten op het uitbreiden van de beweging naar de loonarbeiders toe.
Tegenover deze voorbeeldige mobilisatie van de studenten op het terrein van de arbeidersklasse met de methoden van die klasse zagen we de vorming van een Heilige Alliantie tussen de verschillende peilers van de kapitalistische orde: regering, repressiekrachten, media en vakbonden.
De regering probeerde eerst aan verschillende touwtjes te trekken om haar schurkachtige wet er met groot machtsvertoon door te drukken. In het bijzonder legde zij een ‘kolossale subtiliteit’ aan de dag door te proberen die tijdens de schoolvakanties door het parlement te jagen. Dat mislukte: in plaats van de studentenjeugd te demoraliseren en te demobiliseren werd de verontwaardiging nog groter en nam de mobilisatie nog toe. Vervolgens deed de regering een beroep op de repressiekrachten om te verhinderen dat de Sorbonne naar het voorbeeld van andere universiteiten zou gaan dienen als ontmoetingsplaats voor studenten in actie. Daarmee probeerde zij de strijdbaarheid van de studenten in de Parijse regio op dit symbool te richten. Een tijdje trapten sommige studenten in de val. Maar al heel snel bleek de rijpheid van de meerderheid van de studenten en weigerde de beweging om op de dagelijkse provocaties in te gaan die bestond uit de aanwezigheid van tot de tanden toe gewapende oproerpolitie (CRS) midden in het Quartier Latin. Daarop zette de regering, in stille verstandhouding met de vakbonden waarmee zij de routes voor de manifestaties afspreekt, een echte muizenval op voor de demonstranten op 16 maart in Parijs: aan het einde van de route waren ze ingesloten door politiekrachten. Dat was opnieuw een provocatie waarop de studenten niet ingingen, maar die jongeren uit de voorsteden wel de gelegenheid gaf om zich aan gewelddadigheden te buiten te gaan, die vervolgens volop door de televisiezenders konden worden gefilmd. Deze gewelddadigheden verplaatsten zich naar de Sorbonne die niet toevallig vlak bij het eindpunt van de demonstratie lag... Het bedoeling daarvan was om angst aan te jagen aan degenen die naar de grote manifestatie op 18 maart wilden gaan. Opnieuw mislukte de manoeuvre: de opkomst was buitengewoon hoog. Tenslotte hebben de ‘relschoppers’ het op 23 maart, met toestemming van de politie, op de demonstranten zelf voorzien, om ze te beroven of om ze simpelweg, zonder enige reden, af te tuigen. De gewelddadigheden hadden op vele studenten een demoraliserend effect: “Wanneer de CRS op ons losslaat, krijgen wij klappen, maar wanneer het de jochies uit de voorsteden zijn, waar we ook voor vechten, krijgt onze moraal een klap.” Maar de woede richtte zich vooral tegen de autoriteiten, omdat het overduidelijk was dat de politie medeplichtig was aan de gewelddadigheden. Vervolgens beloofde Sarkozy dat de politie dergelijke agressie tegen de demonstranten niet meer zou toelaten. Het is duidelijk dat de regering zo de kaart van de ‘ontsporing’ uitspeelt, nota bene door de wanhoop en het blinde geweld van bepaalde jongeren uit de voorsteden te gebruiken, die in wezen zelf het slachtoffer zijn van een systeem dat hen met groot geweld vermorzelt. Ook daarop was het antwoord van vele studenten zeer waardig en verantwoordelijk: in plaats van te proberen om gewelddadigheden tegen de jonge ‘relschoppers’ te organiseren, hebben ze bijvoorbeeld op de faculteit van Censier besloten om een ‘commissie voorsteden’ in te stellen. Die had tot taak om met de jongeren uit de arme wijken te gaan praten, vooral om hen uit te leggen dat de strijd van studenten en scholieren ook in het belang is van de jongeren die in de wanhoop van massale werkloosheid en uitsluiting leven.
De verschillende pogingen van de regering om de strijdende studenten te demoraliseren of om ze op het terrein van herhaaldelijke confrontaties met de politiemacht te slepen stootten op een terughouden en vooral waardig antwoord. Dezelfde waardigheid zagen we niet aan de kant van de media. Die overtroffen zichzelf in hun rol van prostituées van de kapitalistische propaganda. Op het televisienieuws gingen de taferelen van geweld aan het einde van sommige manifestaties overal de ronde, terwijl niets werd getoond van de algemene vergaderingen, over de organisatie en de buitengewone rijpheid van de beweging. Maar toen het op één hoop gooien ‘strijdende studenten = relschoppers’ duidelijk niet aansloeg, herhaalde zelfs Sarkozy dat hij een duidelijk onderscheid maakte tussen aardige studenten en ‘schooiers’. Dat hindert de media op hun beurt niet om de beelden van gewelddadigheden op obscene wijze te blijven uitventen. Ze werden uitgezonden als opmaat voor beelden van andere gewelddadigheden – zoals van de aanval van het Israëlische leger op de gevangenis in Jericho of van een bloedige terroristische aanslag in Irak. Toen de stompzinnigste trucjes hun doel misten was het de beurt aan de specialisten van de psychologische manipulatie. Men wil angst en afkeer verbreiden, de onbewuste gelijkstelling ‘manifes-taties=geweld’ doen postvatten, zelfs als de officiële boodschap de tegenovergestelde was.
De grote meerderheid van studenten en arbeiders omzeilden en neutraliseerden deze valstrikken en manipulaties. Daarom nam de vijfde colonne van de burgerlijke staat, de vakbeweging, met grote middelen de zaken ter hand. De regering had zich – door haar onderschatting van de strijdbaarheid en het bewustzijn die de jonge bataljons van de arbeidersklasse in zich dragen – in een impasse gemanoeuvreerd. Het is duidelijk dat zij niet meer terug kon. Raffarin zei al in 2003: “Het is niet de straat die regeert.” Een regering die voor ‘de straat’ zwicht, verliest haar autoriteit en opent de poort voor nog veel gevaarlijker bewegingen, zeker in een situatie waarin zich binnen de arbeidersklasse een enorme onvrede opeenhoopt over de groei van de werkloosheid, de arbeidsonzekerheid, en de stortregen van aanvallen die dagelijks op hun levensomstandigheden worden uitgevoerd. Vanaf eind januari organiseerden de vakbonden ‘actiedagen’ tegen de CPE. Nadat de studenten de strijd aangingen en de loonarbeiders opriepen om op hun beurt strijd te leveren, deden ze zich in een lang niet vertoonde eendracht voor als de beste bondgenoot van de beweging. Maar laten we ons niet vergissen: achter hun tentoongestelde onverzettelijkheid, stoer tegenover de regering, doen ze niets om de arbeidersklasse als geheel werkelijk te mobiliseren.
Terwijl we op televisie regelmatig krijgshaftige verklaringen horen van Thibault, Mailly en consorten, heerst er op het niveau van de bedrijven stilzwijgen. Zeer vaak arriveren de vakbondspamfletten met oproepen tot staking of demonstraties (wanneer ze er al zijn) op de dag zelf, of zelfs een dag later. De schaarse algemene vergaderingen die de vakbonden beleggen, vinden plaats in bedrijven waar ze bijzonder sterk staan (zoals bij EDF en GDF) (3) en waar ze niet hoeven te vrezen om voorbijgestreefd te worden. Bovendien hebben deze algemene vergaderingen niets gemeen met wat we een maand lang in de faculteiten meemaakten: de arbeiders worden uitgenodigd om braaf te luisteren naar de slaapverwekkende praatjes van vakbondsafgevaardigden, die om beurten voor eigen parochie komen preken met het oog de volgende verkiezingen van ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging. Toen Bernard Thibault er op 26 maart bij de ‘Grand Jury RTL’ erg de nadruk op legde dat de arbeiders hun eigen strijdmethoden hebben, die anders zijn dan die van de studenten, en hij vooral niet wilde dat ze elkaar de les zouden lezen, was dit niet aan dovemansoren gericht: onmogelijk dat de arbeiders de methoden van de studenten zouden overnemen, want dat zou betekenen dat de vakbonden de controle over de situatie zouden kwijtraken en niet langer hun rol als sociale brandweerlieden kunnen spelen! Want dat is hun voornaamste functie in de kapitalistische maatschappij. Zelfs hun meest radicale praatjes vandaag dienen alleen om het vertrouwen van de arbeiders te behouden, om des te beter hun strijd te kunnen saboteren wanneer regering en ondernemers in moeilijkheden dreigen te komen. Deze les zullen de studenten, en ook alle arbeiders moeten onthouden voor hun toekomstige strijd.
Op het moment van schrijven kunnen we nog niet voorzien hoe de situatie zich verder zal ontwikkelen. Maar zelfs wanneer de heilige alliantie tussen de verdedigers van de kapitalistische orde een eind maakt aan de voorbeeldige strijd van de studenten, hoeven ze daardoor niet ontmoedigde te raken, net zomin als andere sectoren van de arbeidersklasse. Ze hebben al twee belangrijke overwinningen behaald. Aan de ene kant zal de bourgeoisie haar aanvallen een tijdje moeten inperken, wil ze niet opnieuw, net als nu, in moeilijkheden worden gebracht. Aan de andere kant vormt deze strijd een ervaring van onschatbare waarde voor een hele nieuwe generatie van strijders van de arbeidersklasse.
Zoals in het Kommunistisch Manifest al meer dan 150 jaar geleden werd gesteld: “Van tijd tot tijd overwinnen de arbeiders, maar slechts voorbijgaand. Het eigenlijke resultaat van hun strijd is niet het onmiddellijke succes, maar de steeds verder om zich heen grijpende vereniging van de arbeiders.” De solidariteit en het dynamisme van de strijd, het collectief in handen nemen ervan door algemene vergaderingen, dat zijn de verworvenheden van de huidige strijd van de studenten die aan de komende strijd van de hele arbeidersklasse de weg zal wijzen.
Internationale Kommunistische Stroming, 28 maart 2006.
(1) Lees over de strijd tegen de CPE (het ‘eerste aanstellingscontract’) de artikelen op onze website (http://nl.internationalism.org). Deze zijn in druk verkrijgbaar als bijlage bij Wereldrevolutie, nr. 107 en bij Internationalisme, nr. 324.
(2) bijvoorbeeld de intrekking van het LMD. Het Licence Masters Doctorat is de Europese norm voor cursussen in het universitaire onderwijs.
(3) EDF en GDF: grote Franse electriciteits- en gasbedrijven.
De oorlog in Irak is nu drie jaar geleden begonnen. Het reusachtig militair offensief geleid door de Verenigde Staten moest er actief toe bijdragen om de wereld veiliger te maken. De Amerikaanse kruistocht tegen het internationaal terrorisme, waarvan het Irak van Saddam Hoessein een bastion zou zijn, werd gelanceerd in naam van de vrede, de vooruitgang van de beschaving en de strijd tegen tirannie en obscurantisme. Hoe staat het daar nu mee, na drie jaar van bloedbaden en moordpartijen? In welke toestand bevinden Irak en de hele regio van het Midden-Oosten zich? Welke toekomst heeft deze wereld vol ontbinding voor ons in petto?
We hoeven alleen te kijken in wat voor tragische situatie de Irakese bevolking zich vandaag bevindt om het begin van een antwoord op deze vraag geven. In de maand februari is er een toename geweest van het aantal zelfmoordaanslagen. Meer dan 75 mensen werden gedood tijdens een nieuwe opflakkering van geweld, op dinsdag 28 februari, in vijf explosies in Bagdad. Binnen één week tijd, tussen 22 en 28 februari, heeft de Irakese pseudo-regering verklaard dat 458 mensen gewond zijn geraakt en 379 gedood, zonder de slachtoffers mee te rekenen van de aanslag op het sjiitische heiligdom van Samarra. Het geweld en de barbaarsheid die zich vandaag in dit land ontwikkelen worden steeds bloediger en onmenselijker. Op dinsdag 28 februari vonden 32 mensen de dood en raakten meer dan 100 anderen gewond bij de haast gelijktijdige ontploffing van twee bommen van fanatieke kamikazes. De dagelijkse onderdompeling in de verschrikkingen moet helaas steeds duidelijker worden geconstateerd. De twee aanslagen vonden plaats in een rij van mensen die stonden te wachten om huisbrandolie te kopen in de wijk Al Amine in het zuidoosten van Bagdad, en bij een postkantoor in dezelfde agglomeratie. In Irak zijn aanslagen dagelijkse kost geworden, ze storten de bevolking in een permanente angst.
De ontwikkeling van de chaos in Irak wordt in het bijzonder geïllustreerd vanaf 22 februari jl. Irak werd al onophoudelijk getroffen door anti-Amerikaanse aanslagen, maar ook op basis van botsingen tussen de gemeenschappen, zoals op die dag met een gebeurtenis die zware gevolgen heeft : de aanslag die de heilige sjiitische moskee van Imam Ali in Basra in Zuid Irak beschadigde heeft. De ontploffing heeft paniek veroorzaakt in de stad, midden in een overwegend sjiitische regio. Deze aanslag heeft een geweldige toename veroorzaakt in de gewapende botsingen tussen sjiieten en soennieten. Sinds dat ogenblik hebben de confrontaties van religieuze aard met zekerheid meer dan 300 doden gemaakt. Er zijn steeds meer gewapende aanvallen. Foltering en standrechtelijke terechtstellingen worden algemeen: "De lichamen van 15 jonge Irakezen, de handen gebonden en met sporen van ophanging, werden ontdekt in een bestelwagen in het westen van Bagdad. Elders werden 29 met kogels doorzeefde lichamen met gebonden handen gevonden in een kuil in het oosten van de stad. Die lichamen werden recent begraven en er zouden er nog andere kunnen zijn, voegde de bron van het ministerie eraan toe." geciteerd in Courrier International, 14-03-2006) De arbeidersklasse in Irak blijft niet gespaard : rond 25 februari werden 45 arbeiders van een brikettenfabriek, van sjiitische en soennitische geloofsrichting, doorzeefd met kogels teruggevonden, zonder dat iemand wist wie de moordenaars zijn. Elke dag ondergaat de Irakese bevolking de verschrikking van het kapitalisme. De opflakkering van geweld, de onweerstaanbare opgang en het geweld van de oorlog tussen de gemeenschappen heeft de 'regering' van het land ertoe gebracht vanaf 22 februari de avondklok in te stellen van 20 uur tot 6 uur in de gebieden ten noorden van de hoofdstad, met name in de streek van Samarra. Die maatregel zou het land wat kalmte moeten brengen. Het voortduren en verergeren van de moordpartijen en aanslagen, tegen de maatregelen van de Irakese overheid in, toont hoe onmachtig ze is om de situatie onder controle te houden. De massale aanwezigheid van het Amerikaanse leger, diens potentieel in grond- en luchtbewapening, zijn geenszins een factor van stabilisatie om het land beter te kunnen controleren, zoals de Amerikaanse bourgeoisie hoopt, maar juist een bepalend element van de toenemende instabiliteit en chaos. Irak is definitief onregeerbaar geworden. Ook als op dit moment de leiders van de parlementaire groepen onder toezicht van de Amerikaanse ambassadeur Zalmay Khalizad begonnen zijn aan 'onderhandelingen' over de vorming van een nieuwe regering. President Jalal Talabani heeft inderdaad de instelling aangekondigd van een parlementaire commissie. In deze krabbenmand waarin elke burgerlijke kliek met wapens in de hand naar de onderhandelingstafel komt, doet de kwestie van de keuze van de eerste minister en van zijn bevoegdheden de democratische schijn aan flarden vliegen : "De Koerden en de soennieten weigeren de heraanstelling van aftredend eerste minister Ibrahim Jaa Fari, die gewenst wordt door de conservatieve sjiieten die in de meerderheid zijn." (Courrier International, 13-03-2006) In een situatie die wegzinkt in oorlog en chaos wil elke leider van de verschillende communautaire bourgeoisieën zich altijd zo hevig mogelijk verzetten om macht en militaire en financiële voordelen in de wacht te slepen.
Drie jaar na hun offensief en geconfronteerd met de overduidelijkheid van de complete mislukking van hun militaristisch beleid in Irak moeten de Verenigde Staten wel proberen een grote slag te slaan. Hun verzwakking als eerste wereldmacht, het steeds verder wegzakken in het Irakese moeras, kan de Amerikaanse bourgeoisie niet zonder reageren aanvaarden. Dit des te meer omdat de oorlogspolitiek van de regering Bush steeds meer in vraag gesteld wordt door de Amerikaanse bevolking, waarbij betogingen opduiken die terugtrekking zonder meer eisen van de Amerikaanse troepen uit Irak. De 2991 dode Amerikaanse soldaten die officieel geteld zijn sinds maart 2003 wegen zeer zwaar in zo'n context van mislukking van de Amerikaanse imperialistische politiek. Terwijl de Verenigde Staten bij de Verenigde Naties tussenkwamen om op te roepen tot kalmte, uit angst dat het land, dat op de rand staat van een open oorlog tussen de soennitische minderheid die gisteren nog aan de macht was, en de machtshongerige sjiitische meerderheid, compleet oncontroleerbaar wordt, bereiden ze toch een nieuw militair offensief voor in de gevoeligste zones van Irak. Dat moest de meest massale operatie worden sinds het begin van de oorlog drie jaar geleden. Met veel publiciteit verlieten wolken bommenwerpers en helikopters de Amerikaanse bases in het Midden-Oosten om een harde klap toe te brengen aan “terroristen en andere activisten die terugverlangen naar de macht van Saddam Hoessein". Dat offensief is vandaag ook uitgeblust, wat opnieuw de groeiende breekbaarheid en verzwakking van de Verenigde Staten in Irak en in de wereld laat zien.
Tijdens zijn recent bezoek aan Frankrijk liet Abdallah II, de koning van Jordanië, openlijk zijn ongerustheid horen over het zeer reële gevaar van een openlijke oorlog tussen sjiieten en soennieten in heel het Nabije en Midden-Oosten : "Met betrekking tot de sjiitische halve maan sprak ik mijn vrees uit, het politieke spel, onder de dekmantel van het geloof, te zien uitmonden op een conflict tussen soennieten en sjiieten, waarvan we nu reeds de eerste stappen zien in Irak. Het potentieel gevaar van een interreligieus conflict bestaat. En dat zou rampzalig zijn voor ons allen." (Le Monde Diplomatique, maart 2006) De massale aanwezigheid van sjiieten in Koerdistan, in Saoedi-Arabië en vooral in Iran, maakt dat gevaar des te waarschijnlijker. De Iraanse politiek van verdediging van zijn imperialistische belangen in Irak via de sjiitische meerderheid is een belangrijke factor die meewerkt aan de ontwikkeling van de oorlog in heel de regio. Het Israëlisch-Palestijnse conflict past helemaal in deze uitbreiding van de chaos. Het aan de macht komen van Hamas in Palestina, dat gisteren nog een (archaïsche en irrationele) fractie van de bourgeoisie was die het terrorisme aanhing, kan op termijn alleen maar leiden tot een versnelde vlucht vooruit in de oorlog door het Israëlische imperialisme. De toenemende destabilisering van deze regio, maar ook van Jordanië, dreigt zich aan te sluiten bij het kruitvat Irak.
De Democratische afgevaardigde John Murtha die in november 2005 een felle polemiek uitlokte door om de onmiddellijke terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Irak te vragen, rechtvaardigde zijn stelling door zich erop te beroepen dat "officieren hem uitgelegd hadden dat het leger op het punt stond te breken" (zie Le Monde.fr, 20-03-2006). De Verenigde Staten verkeren in steeds grotere materiële en politieke moeilijkheden om de aanwezigheid van 138.000 soldaten in Irak te handhaven. Daarom ziet de Amerikaanse staat zich genoodzaakt om de terugtrekking van 38.000 soldaten, vóór het einde van dit jaar, in ogenschouw te nemen ondanks het verlies van controle over de situatie in Irak. Het toenemende onvermogen om de oorlog in Irak te ondersteunen drukt zich ook uit in de mislukking van de rekruteringscampagne door het Amerikaanse leger in 2005: “Het resultaat ervan was het slechtste in een kwart eeuw.” (Le Monde.fr, 20-03-2006). Vandaag is de Amerikaanse bourgeoisie verplicht vooral soldaten te ronselen uit steeds jongere leeftijdscategorieën, die van 17 tot 24 jaar, en daarbij minder strenge eisen te stellen aan de fysieke selectie. De ontwikkeling van de ellende in de Verenigde Staten drijft de mensen uit de jongere generaties er niet meer toe om bij het leger te gaan. Zo komt de onvrede van de bevolking tegen de oorlog in Irak openlijk tot uitdrukking. Het Pentagon biedt de rekruten vandaag een premie van 20.000 dollar. Verder zou de bovengrens voor rekrutering, met akkoord van het Congres, moeten worden opgetrokken van 35 naar 42 jaar. Dat alles toont open en bloot de versnelde verzwakking van de eerste militaire mogendheid van de wereld.
Deze verzwakking van het Amerikaans imperialisme kan dit alleen maar steeds verder vooruit drijven in zijn oorlogszuchtige politiek. Dat blijkt duidelijk uit de verklaring van de Amerikaanse president G. Bush, geciteerd in Courrier International van 17 maart jl.: "Iran is misschien de grootste uitdaging die een land ons stelt." Het verlies van controle van de Verenigde Staten in Irak en de groeiende invloed van Iran in dit land via de sjiitische gemeenschap leiden tot diplomatieke onderhandelingen tussen beide landen. Maar het onstuitbare oplaaien van de imperialistische tegenstellingen, samen met de versnelde verzwakking van de Verenigde Staten laat geen adempauze toe. De ophanden zijnde Amerikaans-Iraanse confrontatie zou zich wel eens kunnen beginnen concretiseren in het Nabije Oosten, op Libanees terrein. Terwijl de Libanese bourgeoisie, na het vertrek van het Syrische leger, intern verscheurd wordt, is het gewicht van Hezbollah, de sjiitische beweging die openlijk de oorlog tegen Israël verdedigt, een belangrijk wapen van Iran tegen de Verenigde Staten. De onverzoenlijkheid van Teheran inzake haar nucleaire politiek wordt door oorlogszuchtige verklaringen van de Verenigde Staten aan hun adres beantwoord. De steeds duidelijker steun van Rusland aan Iran, samen met de irrationele opgang van de oorlogspolitiek van de Verenigde Staten, kondigen nie