Wereldrevolutie, nr. 106, september-december 2005

De campagnes over de Europese grondwet: Het bedrog van het referendum en de leugen van het ‘sociale Europa’

In het voorjaar greep de bourgeoisie de gelegenheid van het referendum over de “Grondwet van de Europese Unie” met beide handen aan om een propagandaslag te voeren die pas een maand na het referendum van 1 juni weer een beetje verstomde. De hele grondwet-campagne werd gekenmerkt door heftig gekrakeel over het ‘ja’ dan wel ‘nee’. Aan de ene kant riep de nationale regering ertoe op vóór te stemmen en daarmee haar eigen pogingen om Europa voor eigen doeleinden te gebruiken te ondersteunen. Aan de andere kant was er het populistische geschreeuw (met name van de linkse SP) om tegen te stemmen en zo een halt toe te roepen aan de ‘arrogante neoliberale politiek’ die Europa aan het arme Nederland zou opleggen.

In dit concert werd er in het ‘ja’-kamp door links vooral benadrukt dat het mogelijk zou zijn om een ‘sociaal Europa’ te handhaven en de ‘sociale samenhang’ te beschermen. Aan de andere kant wordt het zo voorgesteld alsof het kleine Nederland beter kan meedoen omdat het anders verpletterd wordt door grotere machten als Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië. Daartegenover speelden de populisten van links en rechts in het ‘nee’-kamp vooral in op de angst, de wanhoop en de onzekerheid over de toekomst binnen de bevolking in het algemeen en de arbeidersklasse meer in het bijzonder. Toen de meerderheid van de stemmers zich had uitgesproken tegen de Europese grondwet, kon Harry van Bommel voor een enthousiaste SP-aanhang luidkeels uitroepen: “We hebben gewonnen!”

Het ‘nee’ in Frankrijk en Nederland wordt voorgesteld als ‘volksoverwinning’ door middel van de stembus. Natuurlijk bestaan er meningsverschillen tussen de verschillende fracties binnen de burgerlijke staat over hoe de belangen van het nationale kapitaal het best verdedigd kunnen worden. Maar in het algemeen organiseert en controleert de bourgeoisie het electorale karnaval om een resultaat te bereiken dat overeenstemt met haar behoeften als heersende klasse. Dat kan mis gaan, zoals in 2002 werd aangetoond door de opkomst van het rechts-populisme rond Pim Fortuyn. Maar daarmee wordt de kapitalistische orde niet ter discussie gesteld. De arbeidersklasse kan zulke zwakheden van de bourgeoisie niet in eigen voordeel gebruiken om een alternatief voor de burgerlijke politiek op te leggen. Wie de verkiezingen ook wint zal gedwongen zijn in grote lijnen dezelfde arbeidersvijandige staatspolitiek te voeren. De ‘democratische’ of welke andere burgerlijke staat dan ook verdedigt per definitie de belangen van de heersende klasse en van het nationale kapitaal.

De verkiezingen dienen vooral om ons de illusie te geven dat we iets te kiezen hebben. Het referendum moest de arbeiders ervan overtuigen dat ‘het opbouwen van Europa’ belangrijk is voor hun toekomst en voor die van hun kinderen. Maar waarom het met betrekking tot de nieuwe grondwet vooral ging was het getouwtrek van de huidige Europese lidstaten om zoveel mogelijk van hun invloed binnen de Europese instellingen te behouden als de Unie wordt uitgebreid tot 25 leden, waardoor de invloed van ieder afzonderlijk land zal verminderen. De  arbeidersklasse heeft er geen belang bij deel te nemen aan die belangenstrijd tussen de verschillende fracties van de heersende klasse. De Europese Grondwet sanctioneert vooral bestaand beleid dat niets te maken heeft met de belangen van de arbeidersklasse, die in gelijke mate uitgebuite klasse blijft of er nu vóór of tégen wordt gestemd. En als het ‘nee’ vervelend was voor de bourgeoisie, en als daarin de regeringspolitiek werd afgewezen door de frustraties in de stembus te deponeren, dan nog heeft de arbeidersklasse niets gewonnen bij zo’n uitlaatklep voor de opgekropte onvrede, integendeel. Want heel de campagne versterkt enkel de illusie dat in het nationale of Europese parlement haar belangen toch nog vertegenwoordigd zouden kunnen worden. We zagen hetzelfde gebeuren in Duitsland, waar de arbeiders werden aangespoord om de linkse regering Schröder af te straffen in de regionale verkiezingen in Noordrijn-Westfalen.

In productiewijzen die in verval raken geven de heersende klassen de uitgebuiten weloverwogen de gelegenheid om stoom af te blazen tijdens carnavalsdagen waarop alles is toegestaan, in opwindende gladiatorengevechten en demagogisch gemanipuleerde volksraadplegingen. Het ‘uitgaansleven’, de media, sportevenementen en het electorale circus dienen nu belangrijkste uitlaatkleppen voor de arbeiderswoede. De bourgeoisie stort ons niet alleen in verpaupering maar vernedert ons door haar ‘spelen en verkiezingscircussen’ n

Fernando / 9.09.2005

Het terrorisme is een oorlogswapen van de bourgeoisie

In juli beefde de wereld drie weken lang van een golf moorddadige aanvallen van on­geziene frequentie, van Londen tot Charm el Cheikh en Turkije. Hierbij voegen zich de dagelijkse bomaanslagen in Irak en Afghanistan, in Libanon en Bangladesh. Alle staten en hun regeringen proberen ons wijs te maken dat zij het terrorisme bestrij­den en dat zij in staat zijn om de bevolkingen te beschermen. Alle­maal leugens!

Het terrorisme is een uitdrukking van de oorlogsbarbarij van het kapitalisme

De staten bestrijden het terrorisme niet. Zij zijn het zelf die het uitzaaien en het laten woekeren. Het wordt steeds duidelijker dat alle staten, groot en klein, deelnemen aan terroris­tische fracties en groepen overal ter wereld, erin infiltreren en manipuleren, en ze gebruiken om hun smerige belangen te verdedigen of door te drukken. Het terrorisme is een wapen geworden dat steeds vaker wordt gebruikt in de openlijke of verborgen oorlog tussen de bourgeoisieën over de hele wereld. Herinneren we ons dat Bin Laden en de groep Al Qaïda in de jaren 1980 de Amerikaanse school van de CIA hebben doorlopen om het verzet tegen de Russische bezetting van Afghani­stan te organiseren. Talrijke burgerlijke leiders die vandaag voor respectabel doorgaan, van Begin tot Arafat via Gerry Adams, zijn voormalige terroristenleiders.

Dit verschijnsel is een product van een rottend kapitalisme, het is één van de meest schreeuwende uitrdukkingen van de barbaarsheid van de kapitalistische maatschappij. De burgerlijke staat profiteert van de permanente gevoelens van onveiligheid, van de angst en de onmacht die dergelijke misdaden in de bevolkingen teweegbrengen, om zich als het enig mogelijke bolwerk tegen de opkomst van het terrorisme voor te stellen. Niets is minder waar! De arbeidersklasse kan niet anders dan zich door de aanslagen direct getroffen voe­len, verontwaardigd en in oproer te raken. Vaak zijn het proletariërs, op weg naar hun werk, die de voornaamste slachtoffers van deze barbaarse misdaden zijn, zoals in New York in 2001, in Madrid in 2004 en dit jaar in Londen (1). Maar de solidariteit met de slachtoffers van hun klassen­broeders kan op geen enkele wijze langs de weg van na­tionale eenheid met de bourgeoisie tot stand komen. In tegendeel, zij is alleen mogelijk door deze valse eenheid categorisch af te wijzen. De staat vraagt ons om de rangen te sluiten rond zijn verdediging en die van de democratie in een geest van nationale saamhorig­heid. Maar men kan geen enkel vertrouwen in hem stellen voor de bescherming van de be­volkingen tegen het terrorisme. Het zijn de regeringen die als oorlogsdrijvers zelf verantwoordelijk zijn voor de ontketening van verschrikkingen die ze niet in staat zijn een halt toe te roepen. Hoe openlijker de bourgeoisie het terrorisme de oorlog verklaart, des te meer aanslagen er plaatsvinden, des te meer de grootmachten zich in bloed en modder wentelen, en de bevolkingen een keurslijf opdringen van geweld, oorlog en weerwraak zonder einde. De enige concrete maatregelen die de bourgeoisie in naam van het anti-terrorisme kan treffen, zijn het invoeren van soortgelijke plannen als ‘Vigi­pirate’ in Frankrijk, bedoeld om een brutale versterking van het repressieapparaat te doen aanvaarden, en vooral om de controle over de bevolking te ver­sterken.

Waartoe dienen de anti-terroristische campagnes van de bourgeoisie?

De anti-terroristische campagnes hebben het in de eerste plaats mogelijk ge­maakt om een versterking van het repressieapparaat door te voeren die zijn weerga niet kent. De situatie in Groot-Brittannië geeft daar een stichtelijk voorbeeld van. Het meest flagrante is de moord op een jonge Braziliaan in de metro van Londen, waarbij de politie toe­stemming had om iedere verdachte zonder meer dood te schieten. De En­gelse bourgeoisie heeft snel begrepen dat de arbeidersklasse niet klaar staat om zich achter de belangen van de burgerlijke staat te scharen in naam van het ‘anti-terroris­me’. Zij heeft er wel voor gewaakt om op te roepen tot monsterdemonstraties tegen het terrorisme, zoals die na de aan­slagen op het station van Atocha in april 2004 in de straten van Madrid en in heel Spanje hebben plaatsgevonden. Zij is het waarschijnlijk zelf geweest die een tweede reeks van ‘mislukte’ aanslagen op touw heeft gezet, die alles van een schijnbare na­bootsing hadden, juist met het doel om de boodschap van nationale mobilisatie op­nieuw te versterken, en om de proletariërs de fijnmazige controles en politiesurveil­lance gemakkelijker te doen slikken.

Desondanks heeft de arbeidersklasse laten zien dat ze zich niet laat intimideren. De sta­king van duizend arbeiders op de luchthaven van Heathrow bij Londen uit solidariteit met 670 klassenbroeders, die aan hun zijde brutaal werden aangevallen en bedreigd met ontslag, is er een onweerlegbaar bewijs van. Ondanks de aanwezige druk van de politie heeft dit gevecht duidelijk laten zien dat voor de proletariërs niet de handhaving van de burgerlijke orde en haar terreur op het spel staat, maar de verdedi­ging van hun klassenbelangen tegenover de aanvallen die ze ondergaan. En het is juist de ontwikkeling van hun gevechten die op de dagorde staat. Deze hervatting van arbeidersgevechten tegenover de gelijktijdige doorvoering van politiemaatrege­len laat goed zien wat het werkelijke doel is van heel dat machtsvertoon van de politie. De werkelijke zorg van de bourgeoisie is niet de jacht op terroristen. Ze is zich ervan bewust dat ze, met de verscherping van de economische wereldcrisis, steeds wredere aanvallen aan het proletariaat moet opleggen, en dat ze het hoofd moet bieden aan een ontwikkeling van afweergevechten van de arbeiders­klasse hiertegen op internationale schaal.

De klassenstrijd is het enige middel om de kapitalistische terreur te bestrijden!

Er bestaat geen tovermiddel waarmee terroristische aanslagen onmiddellijk, van de ene op de andere dag, kunnen worden verhinderd, net zomin als de uitbreiding van de im­perialistische oorlog over heel de planeet door een mirakel een halt kan worden toegeroepen. Er bestaat één enkele klasse die de mogelijkheid heeft om zich op termijn te weer te stellen tegen het de macht van het ter­rorisme, de oorlog en de barbarij, en dat is het proletariaat. Het kan dit doen door zijn afweergevechten tegen de aanvallen van de bourgeoisie op zijn eigen klassenterrein te ontwikkelen. De werkelijke inzet die de burgerlijke orde bedreigt, is dat doorheen de ontwikkeling van de klassenstrijd de arbeidersklasse zich bewust wordt van het verband dat bestaat tussen de aanvallen die zij ondergaat enerzijds, en de oorlog en het terrorisme anderzijds, en dat dit uitloopt op het in vraag stellen van het kapitalistische systeem in zijn geheel en op de noodzaak om het te vernietigen.

En het is alleen door de omverwerping van het kapitalistische systeem en zijn uitbui­tingsverhoudingen dat de arbeidersklasse daarin kan slagen. De methoden en de actie­middelen van het proletariaat zijn gebaseerd op het klassenbewustzijn en de klas­sensolidariteit, op het collectieve, verenigende en internationalistische karakter van zijn strijd. Ze staan daarmee radicaal en onverzoenlijk tegenover die van het terrorisme.

In Groot-Brittannië hebben de proletariërs het laten zien dat ze in staat zijn om met solidariteit op klassenterrein te reageren op de chantage van de bourge­oisie, tegen de ontslagen en aanvallen van het kapitalisme. De arbeiders van alle landen moeten zich door dit voorbeeld laten inspireren. Het is door hun klassengevecht te voeren op een terrein van verzet en solidariteit tegenover de economische aanvallen die zij ondergaan, dat zij een alternatief en een perspectief kunnen opwerpen tegen­over de impasse en de oorlogsbarbarij van de kapitalistische wereld, die het overleven van heel de mensheid bedreigt.

Nee tegen de nationale eenheid, ja tegen de klassensolidariteit!

Wim / 24.08.2005

(1) Zie over de aanslagen op 7 juli in Londen en de executie te Stockwell op 22 juli de artikelen op deze web site (IKS-Webspecials 2005).

Orkaan Katrina: Een crisis veroorzaakt door het kapitalisme

Iedereen heeft de beelden van de ramp gezien. Opgezwollen lijken die in stinkend water drijven in New Orleans. Een oudere man voorovergebogen in een tuinstoel, dood als gevolg van de hitte en gebrek aan voedsel en water, terwijl eromheen andere overlevenden wegkwijnen. Moeders met jonge kinderen die in de val zitten met drie dagen niets te eten of te drinken. Chaos bij de vluchtelingencentra waar de autoriteiten de slachtoffers heen hadden gestuurd omwille van de veiligheid. Deze tragedie zonder weerga heeft zich niet afgespeeld in de een of andere armoedige uithoek van de ‘Derde Wereld’, maar in het hart van de grootste imperialistische en kapitalistische macht ter wereld.

Toen afgelopen december Azië door de tsunami werd getroffen, betichtten de bourgeoisieën van de rijke landen de arme landen van politieke incompetentie omdat ze niet tijdig hadden gereageerd op de waarschuwingen. Deze keer zijn dergelijke uitvluchten er niet. Vandaag staan er geen rijke landen tegenover arme landen, maar rijken tegenover armen. Toen het bevel werd gegeven om New Orleans en de rest van de Golfkust te evacueren, was het een typisch kapitalistische kwestie van ‘ieder voor zich’. Wie een auto bezat en de plotseling omhoog vliegende benzineprijzen kon betalen week uit naar het noorden en westen, en zocht een heenkomen in hotels, motels of bij vrienden en familie. Maar de armen, de ouderen en de zieken zaten meestal klem in de storm en konden niet vluchten. In New Orleans stelden de plaatselijke autoriteiten het Superdome stadion en het congrescentrum open als schuilplaats tegen de storm, maar voorzagen niet in hulpverlening, voedsel, water of opzicht, toen duizenden, voor het overgrote deel zwarte mensen naar binnen drongen en aan hun lot werden overgelaten. Voor de rijken die in New Orleans achterbleven was de situatie heel anders. Gestrande toeristen en VIPs die in vijfsterrenhotels naast de Superdome verbleven, hingen rond in weelde en genoten de bescherming van gewapende politieagenten die het gepeupel op afstand hielden.

In plaats van de distributie van voedsel- en watervoorraden te organiseren die in de winkels en opslagplaatsen van de stad voorradig waren, zag de politie werkloos toe toen arme mensen begonnen te ‘plunderen’ en eerste levensbehoeften begonnen uit te delen. Ongetwijfeld probeerden lompenelementen een slagje te slaan en elektronica, geld en wapens te stelen, maar dit verschijnsel begon als een poging om te overleven onder de meest ontmenselijkende condities. Tegelijkertijd beveiligden politieagenten met geweren in de aanslag employees die door een luxe hotel naar een nabijgelegen apotheek waren gestuurd om water, voedsel en medicijnen bij elkaar te scharrelen voor de rijke hotelgasten. Een politieagent verklaarde dat dit geen plunderen was, maar een inbeslagname door de politie, wat in noodgevallen is toegestaan! Het verschil tussen ‘plunderen’ en ‘in beslag nemen’ is het verschil tussen arm zijn en rijk zijn in de Verenigde Staten van vandaag.

Het systeem draagt de schuld

Het falen van het kapitalisme om deze crisis te beantwoorden met ook maar een schijn van menselijke solidariteit toont aan dat de kapitalistische klasse niet langer geschikt is om te heersen, dat haar productiewijze vastzit in een proces van sociale ontbinding – letterlijk levend wegrot – dat het voor de mensheid slechts een toekomst van dood en vernietiging in het verschiet heeft. De chaos die in de afgelopen jaren land na land heeft verzwolgen in Afrika en Azië is een voorproefje van de toekomst die het kapitalisme zelfs voor de geïndustrialiseerde landen in voorraad heeft, en New Orleans toont ons vandaag een glimp van deze sombere toekomst.

Als altijd is de bourgeoisie er als de kippen bij om met alle mogelijke alibi’s aan te komen om haar misdaden en eigen falen te verontschuldigen. Er wordt gejengeld dat ze doen wat ze kunnen, dat het om een natuurramp gaat en niet om een ramp door mensenhand veroorzaakt; dat niemand de ergste natuurcatastrofe in de geschiedenis van de natie had kunnen voorzien; dat niemand voorzag dat de dijken zouden breken. Critici van de regering, zowel in de Verenigde Staten als daarbuiten, schuiven de schuld voor het omvormen van een natuurramp in een sociale onheil op de incompetentie van het Bush-regime. Niets van dit geklets doet er toe. Het probeert alleen de aandacht af te leiden van de waarheid dat het kapitalistische systeem zelf verantwoordelijk is.

‘We doen alles wat we kunnen’ wordt zienderogen de meest gebruikte dooddoener uit de burgerlijke propagandavoorraad. Ze doen ‘alles wat ze kunnen’ om de oorlog in Irak te beëindigen, de economie te verbeteren, het onderwijs te verbeteren, om een einde te maken aan de misdaad, om de Space Shuttle veilig te maken, om de drugs te stoppen, en ga zo maar door. Er bestaat niets anders en er is ook niet meer dat ze zouden kunnen ondernemen. Je zou bijna gaan denken dat de regering nooit beleidskeuzen gemaakt heeft, nooit de mogelijkheid heeft gehad om alternatieven uit te proberen. Wat een nonsens. Ze voeren een beleid dat ze bewust kiezen – met duidelijk rampzalige gevolgen voor de maatschappij.

Voor wat betreft het argument van natuurcatastrofe versus een door mensen veroorzaakte ramp: zeker, de orkaan Katrina was een natuurkracht, maar de omvang van de natuurramp en van de sociale catastrofe was niet onvermijdelijk. Het was in ieder opzicht veroorzaakt en mogelijk gemaakt door het kapitalisme en zijn staat. De huidige toenemende destructiviteit van natuurrampen is wereldwijd aantoonbaar een gevolg van het roekeloze economische- en milieubeleid dat het kapitalisme voert in zijn onophoudelijke jacht naar winst. Of het nu gaat om het achterwege blijven van het toepassen van beschikbare technologie om de mogelijkheid van tsunamis in de gaten te houden en bedreigde bevolkingen tijdig te waarschuwen, of het nu gaat om het rooien van moerasbossen in ‘derde wereldlanden’ waardoor de vernietiging door moesson-overstromingen verergert, of dat het nu gaat om de onverantwoordelijke vervuiling van de aardatmosfeer door de uitstoot van ‘broeikas’-gassen, die de globale opwarming versterkt en mogelijk bijdraagt aan globale klimaatontwrichtingen. Voor wat betreft het laatste bestaat er aanzienlijk bewijs dat de globale opwarming heeft geleid tot stijgingen van de watertemperatuur en tot een toename van het aantal tropische depressies, stormen en orkanen in de afgelopen jaren. Toen Katrina Florida trof was het slechts een orkaan van de eerste categorie, maar na een week lang boven de Golf van Mexico te hebben gehangen, die een watertemperatuur van bijna 33°C heeft, bouwde zij zich op tot een storm van categorie vijf, met windsnelheden tot 280 kilometer per uur voordat zij de golfkust trof.

De ultra-linksen zijn alvast begonnen om op de banden van Bush met de energiesector te wijzen en zijn oppositie tegen de Kyoto-protocollen verantwoordelijk te maken voor de Katrina-catastrofe. Maar deze kritiek aanvaardt de uitgangspunten van het ‘debat’ binnen de kapitalistische klasse; alsof de toepassing van de Kyoto-overeenkomst werkelijk de effecten van de globale opwarming zou kunnen omkeren, en alsof de bourgeoisieën die vóór de Kyoto-protocollen zijn daadwerkelijk geïnteresseerd zijn in een vernieuwing van kapitalistische productiemethoden. Erger nog, zij vergeten dat het de regering Clinton was die, hoewel zij zich als milieuvriendelijk voordeed, als eerste de Kyoto-overeenkomst afwees. De weigering om de globale opwarming aan te pakken is het standpunt van de Amerikaanse bourgeoisie, en niet alleen van de regering Bush.

New Orleans, met een bevolking van bijna 600.000 mensen, en met voorsteden met nog meer inwoners, is grotendeels onder zeeniveau gebouwd; daardoor is het kwetsbaar voor vloedwater van de Mississippi-Rivier, van het Pontchartrain Meer en van de Golf van Mexico. De genietroepen van het leger van de Verenigde Staten ontwikkelden en onderhielden sinds 1927 een dijkensysteem om de jaarlijkse overstromingen van de Mississippi tegen te gaan. Dit maakte het mogelijk om industrie en landbouw naast de rivier te laten gedijen, en New Orleans kon groeien, maar het stopte de toevoer van natuurlijke sedimenten en grond die de wadden en moerassen van de Mississippi-delta aan de riviermonding vulden. Dit betekent dat deze wadden, die een natuurlijke bescherming vormden, gevaarlijk erodeerden, wat de stad kwetsbaarder maakte voor overstromingen vanuit zee. Dit was geen ‘natuurverschijnsel’, maar is door mensen in de hand gewerkt.

Het was ook geen natuurkracht die de Nationale Garde van Louisiana uitputte, die voor een groot deel voor de oorlog in Irak is gemobiliseerd. In de eerste drie dagen na de dijkdoorbraken waren er slechts 250 man beschikbaar voor hulp aan politie en brandweer in reddingsoperaties. Uit de staat Mississippi is een nog groter deel van de gardisten in Irak gelegerd.

Het argument dat deze ramp onvoorzien was, is ook al onzinnig. Wetenschappers, ingenieurs en politici hebben nu al bijna honderd jaar lang gedebatteerd over hoe de kwetsbaarheid van New Orleans voor orkanen en overstromingen aan te pakken. Halverwege de jaren 1990 ontwikkelden verschillende groepen wetenschappers en ingenieurs rivaliserende plannen, die tenslotte in 1998, tijdens de regering Clinton, tot een voorstel ‘Kust 2050’ leidden. Dit plan vroeg om een versterking en herbouw van de bestaande dijken, het aanleggen van een sluizensysteem en van nieuwe kanalen om de sedimentatie van de wadden in de delta te herstellen. Het had een prijskaartje van 14 miljard dollar aan investeringen voor een periode van tien jaar. Het plan haalde het niet in Washington tijdens Clinton’s ambtsperiode, en niet tijdens die van Bush. Verleden jaar vroeg het geniekorps om 105 miljoen dollar voor orkaan- en overstromingsmaatregelen in New Orleans, maar de regering keurde slechts 42 miljoen goed. Tezelfdertijd keurde het Congres de uitgave van 231 miljoen dollar goed voor de bouw van een brug naar een klein, onbewoond eiland in Alaska.

Een andere weerlegging voor het alibi dat ‘niemand voorzag’ is dat op de vooravond van de nadering van de orkaan de directeur van de FEMA (Federal Emergency Management Administration; het Federaal Beheer van Noodmaatregelen), Michael D. Brown in televisie-interviews opschepte dat hij na de tsunami in Zuid-Azië een noodplan had laten ontwerpen voor een rampenscenario in New Orleans, en dat de FEMA erop vertrouwde dat zij iedere eventualiteit aankon. Berichten uit New Orleans geven aan dat dit FEMA plan een beslissing bevatte om vrachtwagens met gratis aangeboden flessenwater terug te sturen, de aflevering van een paar duizend liter dieselbrandstof door de kustwacht te weigeren, en om noodcommunicatielijnen van de plaatselijke politieautoriteiten in de voorsteden van New Orleans te verbreken. Brown bestond het zelfs om inactiviteit bij het redden van de 25.000 mensen in het congrescentrum te excuseren door te zeggen dat de federale autoriteiten zich pas laat in de week van deze mensen bewust werden, alhoewel de nieuwsmedia al drie of vier dagen lang op televisie verslag deden van de situatie.

Terwijl burgemeester Ray Nagin, een democraat, de federale inactiviteit scherp aanklaagde, deden zijn plaatselijke ambtenaren geen enkele poging om voor een veilige evacuatie van de armen en ouderen te zorgen, namen zij geen verantwoordelijkheid op zich voor de distributie van voedsel en water, voorzagen zij niet in de bevoorrading of de beveiliging van de evacuatiecentra, en gaven de stad over aan chaos en geweld.

Alleen de arbeidersklasse kan een alternatief bieden

Miljoenen arbeiders zijn bewogen door het gruwelijke lijden aan de Golfkust en zijn hevig verontwaardigd over de gevoelloosheid van de officiële respons. In het bijzonder bij de arbeidersklasse bestaat er een geweldig gevoel voor werkelijke menselijke solidariteit met de slachtoffers van deze calamiteit. Terwijl de bourgeoisie haar medeleven betuigt al naar gelang het ras of de economische status van de slachtoffers, bestaat voor de meeste Amerikaanse arbeiders een dergelijk onderscheid niet. Zelfs wanneer de bourgeoisie vaak het racisme gebruikt om witte en zwarte arbeiders onderling te verdelen, en verschillende zwarte nationalistische leiders het kapitalisme een dienst proberen te bewijzen door erop te hameren dat de crisis in New Orleans een probleem is van zwart tegen blank, is het lijden van arme arbeiders en van de onderklasse in New Orleans een verschrikking voor de arbeidersklasse. Voor de bourgeoisie is de regering-Bush ongetwijfeld een armzalige ploeg, geneigd tot dwaasheid, loze gebaren en een trage respons in de huidige crisis. Dit zal haar toenemende impopulariteit versterken. Toch is de regering-Bush geen bedrijfsongeval. Zij weerspiegelt de grimmige werkelijkheid van een neergaande supermacht die de leiding heeft over een ‘wereldorde’ die in chaos verzinkt. Oorlog, hongersnoden en ecologische rampen, dat is de toekomst die het kapitalisme voor ons in petto heeft. Wanneer er enige hoop bestaat voor de toekomst van de mensheid, schuilt die in de ontwikkeling van het bewustzijn en het begrip van de werkelijke aard van de klassenmaatschappij door de wereldarbeidersklasse, die haar historische verantwoordelijkheid zal opnemen. Zij zal dit anachronistische, destructieve systeem aan de kant zetten om het te vervangen door een revolutionaire maatschappij onder haar controle, waarin werkelijke menselijke solidariteit en de bevrediging van menselijke behoeften het leidende beginsel zijn.

Internationalism (USA) / 04.09.2005

Over de weigering om de IKS toe te laten op de anarchistische boekenbeurzen te Gent en Utrecht

Onze open brief getiteld De weigering om de IKS toe te laten op de alternatieve boekenbeurzen te Gent en Utrecht hebben we onder andere uitgedeeld op de anarchistische Pinksterlanddagen van mei 2005 in Appelscha. We roepen zo op om een standpunt in te nemen en proberen een debat te openen. Hieronder volgen de belangrijkste delen daaruit. We ontvingen al enkele schriftelijke en mondelinge reacties die we begroeten, en waaruit we hieronder de belangrijkste passages weergeven. Tenslotte willen we ingaan op de gestelde vraag wat we onder ‘officieel anarchisme’ verstaan.

“Er is nu al meerdere jaren geweigerd de IKS als standhouder toe te laten op de alternatieve boekenbeurs te Gent net als op de anarchistische beurs in Utrecht. Verschillende jaren deden de organisatoren alsof onze aanvraag te laat zou zijn ingediend, of er gebrek was aan plaats, enzovoort. Een beetje sterk. Toen we aandrongen antwoordden de organisatoren dat we niet passen in het door hen gewenste anarchistische profiel. [...]  Na hun administratieve uitvluchten liegen de organisatoren bewust als ze hun weigering rechtvaardigen met ideologische redenen (we zouden niet het profiel hebben). Wie heeft op deze beursen niet de aanwezigheid gezien van stands, publicaties, groepen en verenigingen die openlijk sociaal-democratisch zijn, stalinistisch of nationalistisch... en die in het geheel geen ‘anarchistisch profiel’ hebben. Waarom wordt dan de IKS uitgesloten, een organisatie die zich beroept op het proletarisch internationalisme en die alle nationalistische ideologieën, op welke etnische, historische of religieuze voorwendsels die ook gebaseerd zijn, beschouwd als een waar vergif voor de proletariërs? [...]  Als de organisatoren onze aanwezigheid ongewenst vinden, dan is het omdat allerlei mensen die op zoek zijn om hun politieke inzichten te verruimen en te verdiepen, geïnteresseerd raken in de analyses van de Kommunistische Linkerzijde, in de vragen die we stellen en politieke antwoorden die we geven met betrekking tot onderwerpen van belang voor de arbeidersklasse en de toekomst van de mensheid. Wat de organisatoren in werkelijkheid willen is voorkomen dat er een eerlijke en open confrontatie van politieke standpunten plaats vindt. Ondanks hun (valselijk) libertaire woorden leunen ze liever aan tegen hun stalinistische en ultra-linkse (pro- of antistalinistische) buren dan dat ze de Kommunistische Linkerzijde in staat stellen gehoor te vinden voor een duidelijk internationalistisch klassenperspectief. [...] Sommige deelnemers die zich aan deze houding ergerden hebben trouwens al openlijk van hun solidariteit blijk gegeven door onze pers vanaf de tafels van hun stands te verspreiden en ze aarzelden ook niet om zich mondeling en schriftelijk te beklagen over de houding van de organisatoren: “De IKS staat inderdaad zeer kritisch tegenover het anarchisme, maar dat spreekt voor zich: het zijn nu eenmaal marxisten. [...] Voor wie belangstelling heeft voor hun standpunten staan ze echter open voor discussie. Hun bijeenkomsten zijn openbaar en je mag er ongehinderd je anarchistische standpunten komen toelichten of zelfs anarchistische pamfletten verspreiden onder de bezoekers. Dat lijkt me dus heel wat democratischer dan een anarchistische boekenbeurs waar enkele organisatoren op eigen houtje beslissen om bepaalde groepen te weigeren.” (Open brief van uitgeverij De Dolle Hond aan de anarchistische marktmeesters van de Utrechtse boekenbeurs) [...] Van onze kant nodigen we eenieder, die daadwerkelijk een confrontatie van ideeën wil aangaan en over de problemen van de wereld wil debatteren, over de klassenstrijd en de toekomst van de mensheid, uit voor onze openbare activiteiten, zowel voor onze discussiebijeenkomsten waar gedebatteerd wordt rond de vragen van deelnemers, als voor onze openbare bijeenkomsten waar gedebatteerd wordt aan de hand van een inleiding waarin het standpunt van de IKS over een onderwerp wordt uiteengezet, of ons aan te spreken tijdens de verkoop van onze pers tijdens verschillende manifestaties en de strijd van de arbeidersklasse. (Mei 2005)”

Enkele van de reacties

22 mei 2005
Beste medewerkers van Wereldrevolutie,
Even een korte reactie op jullie open brief.
Jullie gebruiken de term officieel anarchisme. Dat maakt het wat verwarrend. Als daarmee het individueel anarchisme wordt bedoeld wordt het veel duidelijker.
Jullie bekritiseren de houding van Kropotkin tegenover de eerste wereldoorlog en de deelname van anarchisten aan de spaanse regering in 1936. Noch met instemming met oorlog noch met deelname aan een regering kan ik als anarchistisch communist instemmen. Maar er zijn ook altijd andere anarchisten geweest die het met dit soort dingen niet eens zijn. Jullie moeten misschien uitkijken om conclusies te trekken voor alle anarchisten als sommige anarchisten worden bedoeld.
De anarchistische beweging kenmerkt zich door een soort ad hoc beleid: de ene keer wordt met mensen van bepaalde stromingen wel samengewerkt, de andere keer niet. Het heeft te maken met het feit dat op het niveau van het collectief geen beslissingen worden genomen. Men stelt het zo voor dat collectieve besluiten de «individuele vrijheid» zouden beperken. Alsof die individuen niet zelf deel uitmaken van het collectief!
Van dit onduidelijk beleid zijn julllie in dit geval het slachtoffer geworden. Terwijl liberaal getinte mensen (zoals sympathisanten van GroenLinks) vaak in grote aantallen aanwezig zijn bij evenementen van anarchisten, zijn jullie nu niet eens toegelaten tot zulke evenementen. [...]
Met libertaire groet, R.

K, 28 mei 2005
L.S.
Ik vindt het zeer vreemd dat een linkse organisatie als de I.K.S. wordt geweigerd op de alternatieve boekenbeurzen te Gent en Utrecht. De I.K.S. staat inderdaad zeer kritisch tegenover het anarchisme, maar daar is toch niets mis mee. Het is daarom zeer vreemd dat de I.K.S. het zwijgen wordt opgelegd door enkele organisatoren, die kennelijk op eigen houtje kunnen beslissen wie wel en wie niet wordt toegelaten. [...]

Wat is officieel anarchisme?

Het anarchisme heeft geen andere algemene ideologie dan dat het ‘tegen’ iedere ‘autoriteit’ is. Feitelijk vindt elke anarchist, elke anarchistische groep en elke nieuwe anarchistische generatie zijn eigen anarchisme uit. Het is een ideologische voorraadschuur met voor ieder wat wils, zonder verplichtingen of al te formele structuren. Het ontbreekt over het algemeen aan ideologische samenhang en historische continuïteit. Daarom kunnen de verschillende stromingen en uitingen van het anarchisme niet allemaal onder één noemer worden gebracht. Dat neemt niet weg dat er anarchistische organisaties hebben bestaan die op het concrete vlak geconfronteerd zijn met de keuze tussen proletarisch internationalisme en toetreding tot het burgerlijke kamp. Tijdens de twee wereldoorlogen kozen anarchistische organisaties zoals de Franse CGT en individuele anarchisten zoals Kropotkin over het algemeen vóór de oorlog (2). Daar stond tegenover dat anarchisten als Alexander Berkman, Emma Goldman en Domela Nieuwenhuis aktief ageerden tegen de Eerste Wereldoorlog en de Oktoberrevolutie van 1917 in Rusland toejuichten. In Spanje, in 1936, nam de officiële CNT deel aan een burgerlijke regering en trad met militair geweld op tegen de arbeidersklasse terwijl de Vrienden van Durutti, hoewel verward, arbeidersstandpunten bleven verdedigden. In dit opzicht onderscheiden de anarchistische organisaties zich niet van links-burgerlijke organisaties. De sociaal-democratie keurde bijvoorbeeld in 1914 de oorlogskredieten goed en riep de arbeiders op naar het front te gaan; in 1918 vormde het in Duitsland de voorhoede van de bourgeoisie in de sabotage van de arbeidersstrijd en de fysieke onderdrukking ervan. Het Stalinisme vormde in Rusland in de jaren 1920 de voorhoede van de contrarevolutie en werd vervolgens één van de belangrijkste ronselaars van arbeiders voor de Tweede Wereldoorlog. Het Trotskisme rekruteerde eerst voor de generale repetitie van de Tweede Wereldoorlog in Spanje, en vervolgens ook voor de wereldoorlog zelf. Al die organisaties hebben verraad gepleegd aan de proletarisch internationalisme door te ronselen voor één van de kampen in de imperialistische oorlog en zijn overgegaan naar het burgerlijke kamp. Dat kan niet meer ongedaan worden gemaakt: die organisaties zijn definitief verloren voor de arbeidersklasse. Bij die linkse organisaties bestaat er een samenhangende ideologie en een organisatorische continuïteit die bij het anarchisme vaak ontbreekt. Bij het anarchisme is het ingewikkelder. De anarchistische organisaties uit het verleden die ooit zijn overgegaan naar het burgerlijke kamp noemen we het ‘officiële anarchisme’, evenals nieuwe anarchistische groepen die zich uitdrukkelijk beroepen op die organisaties uit het verleden of op hun standpunten.
In de burgerlijke propaganda worden linkse organisaties door de bourgeoisie op één hoop gegooid met ‘marxisme’. Nieuwe generaties die op zoek gaan naar maatschappelijke betrokkenheid en revolutionaire standpunten maar tegelijk niets te maken willen hebben met burgerlijke, contra-revolutionaire organisaties zoals sociaal-democratie, stalinisme of trotskisme, wenden zich vaak tot het anarchisme al schijnbaar enig overblijvend alternatief. Ze noemen zich anarchist, maar zonder zichzelf uitdrukkelijk te vereenzelvigen met één of meer anarchistische organisaties uit het verleden, en zonder zich uitdrukkelijk te beroepen op de standpunten van die organisaties. Ze hebben geen historische continuïteit en verwerpen die juist vaak, want ze zijn nieuw en willen bewust opnieuw beginnen zonder zich te vereenzelvigen met de fouten en het verraad uit het verleden die ze niet proberen goed te praten. Vandaar dat ze een heel ander karakter hebben dan de ‘officiële’ anarchistische organisaties. Anderzijds, doordat ze het anarchisme als richtsnoer nemen en buiten de marxistische traditie vallen, doordat ze eerder een idealistische en voluntarische dan een historisch-materialistische benadering hebben, hebben ze onvermijdelijk grote problemen om een helder proletarisch internationalisme verder uit te diepen. Dit ‘anarchisme’ kan dus tegelijk de uitdrukking zijn van een werkelijke wil om tot verheldering en organisatorische samenhang te komen als ook een bron van verwarring worden.
Vandaar dat we ‘het anarchisme’ niet eenduidig in het burgerlijke kamp kunnen plaatsen en we een onderscheid moeten maken tussen het ‘officiële anarchisme’ dat deel uitmaakt van het burgerlijke kamp, en allerlei andere zich anarchistisch noemende initiatieven, die, als ze de dillema’s van het anarchisme niet uit de weg gaan maar juist confronteren, afhankelijk van de situatie en de dynamiek van de groep, in een open debat de vraagstukken over de beginselen van de arbeidersstrijd wel kunnen verhelderen. Daartoe blijven we oproepen.

Internationalisme-Wereldrevolutie / 08.09.2005

(1) Zie ook Organisatoren anarchistische boekenbeurs te Utrecht onthullen hun stalinistische praktijken, in Wereldrevolutie, nr. 101, januari-april 2004.

(2) Zie ook Openbare confrontatie: De Hollandse Linkerzijde, een brug tussen marxisme en anarchisme?, in Wereldrevolutie, nr. 89, december 1999-februari 2000, en Stellingname over het publiek debat in Amsterdam: De onmacht van de anarchisten om het kapitalisme te bestrijden, in Wereldrevolutie, nr. 90, mei-augustus 2000. Zie verder ook Balans van een openbare bijeenkomst van de IKS: Is het anarchisme een revolutionaire stroming?, in Internationalisme, nr. 274, mei 2001, Het anarchisme heeft geen klassenperspectief voor de imperialistischeoorlog, in Internationalisme, nr. 283, maart 2002, en Het anarchisme en de lessen uit de geschiedenis, in Internationalisme, nr. 308-309, juni 2004.

Tegen de aanvallen op ons levenspeil en het democratisch bedrog: Onze enige verdediging: klassensolidariteit

Voor Prinsjesdag worden gewoontegetrouw verdere bezuinigingen aangekondigd. In het midden van de jaren 1980 beloofde minister-president Ruud Lubbers: “Dit zal de laatste bezuinigingsronde van deze omvang zijn.” Sindsdien zijn de maatregelen elk jaar voortgezet, zowel onder de rechtse Lubbers als onder de linkse Kok. In 2003 durfde de regering Balkenende II zelfs de grootste bezuinigingsronde ooit te presenteren: 17 miljard euro. Wordt het dit jaar een herhaling van de gebeurtenissen van het vorig jaar, uitlopend op de massale demonstratie in Amsterdam van 2 oktober of blijft het voorlopig stil aan het klassenfront? Voor de arbeiders stelt zich de vraag hoe te reageren op de nieuwe maatregelen terwijl de bourgeoisie er alles aan zal doen om te voorkomen dat er opnieuw onvrede ontstaat die uitingen van strijdbaarheid tot gevolg kan hebben.

Want de bourgeoisie heeft het heft nog altijd stevig in handen. Ook al werd er in het najaar van 2004 in meerdere landen strijd geleverd, en ook al is de politiek van nationale consensus van de kabinetten Kok allang dood en begraven, toch kan de groeiende ongerustheid over de toekomst nog worden opgevangen. Het begin van strijdbaarheid bleek na 2 oktober 2004 snel te verdwijnen toen de bourgeoisie dankzij de sluipmoord op Theo Van Gogh een enorme campagne kon voeren over de gevaren van het terrorisme, de zo noodzakelijke verdediging van de democratie en vooral over de behoefte aan nationale saamhorigheid achter de staat, die ons als enige zou kunnen beschermen. Toch is het diezelfde staat die ons het meest belaagd:

  • de achteruitgang in inkomen voor iedereen door de stijging van de premies voor de gezondheidszorg, de stijging van de energiekosten (als gevolg van de hoge olieprijzen), en de verhoging van gemeentelijke belastingen;
  • het ontslag en dus achteruitgang in inkomen voor tienduizenden arbeiders, waarbij de schuld wordt gegeven aan de liberalisering van de arbeidsmarkt binnen het Europese kader en bedrijfsverplaatsingen naar Oost-Europa en het overbrengen van de productie naar Zuid-Oost Azië. De werkloosheid leunt alweer tegen het half miljoen aan.

Natuurlijk probeert de regering goede sier te maken met de ‘cadeautjes’ die ze beschikbaar stelt voor onderwijs en kinderopvang, voor gezondheidszorg en milieu. Toch staan die in geen verhouding tot de groeiende behoeften en nemen ze nog minder iets weg van de jarenlang opgelopen achterstanden. Omdat de winkelverkopen in de laatste twee jaar met 6% zijn gedaald, en er zelfs wordt gesproken van een ‘consumentenstaking’, wil de bourgeoisie vals vertrouwen van de consument opwekken om die meer geld uit de zak te kloppen en zich verder in de schulden te steken. De maatregelen op dit vlak zijn namelijk niet gebaseerd op reële groeiverwachtingen voor de economie. Die presteert onverminderd slecht, en in Nederland neemt de welvaart zelfs af: -0,5% in het eerste kwartaal van dit jaar volgens Eurostat, alleen vergezeld van Italië (-0,2%) en Malta (-0,1%). De schulden van de huishoudens hebben in 2004 met een stijging van 44 miljard de recordhoogte bereikt van 536 miljard euro, en het aantal gezinnen dat onder de armoedegrens leeft is gestegen tot ongeveer 11% van de huishoudens. Het aantal daklozen in Nederland wordt geschat op ruim 100.000; het aantal aanvragen van bijstand en schuldhulpverlening stijgt.

De meeste werkloosheid gaat echter verborgen achter vervroegde pensioenen en invaliditeit waarvan de uitkeringen steeds verder onder druk komen te staan. Na de WAO-maatregelen, waarvan het einde nog niet in zicht is, zijn er mega-aanslagen op komst op de vervroegde pensioneringen, die door werkgevers worden gebruikt om personeel af te laten vloeien zonder te hoeven ontslaan. De ‘vergrijzing’ is ook een gevolg van het feit dat mensen zich steeds jonger niet meer in het arbeidersproces kunnen handhaven, het tempo niet meer kunnen bijhouden en de werkdruk en de stress niet meer aankunnen, en van het feit dat het voor jongeren steeds moeilijker wordt werk te vinden en dus ook om sociale lasten af te dragen. In dat verband heeft de bourgeoisie het voortdurend over ‘solidariteit’ met de ouderen die zich na de Tweede Wereldoorlog hebben ingezet voor de ‘wederopbouw’ van het land. Wat ze bedoelt is dat ze de inkomens onder vuur wil nemen van allen die niet direct productief zijn voor het kapitaal. We hebben dus alle reden om ons zorgen over de toekomst te maken voor onszelf en onze kinderen.
Natuurlijk zal de bourgeoisie de overige maatregelen voorstellen als een ‘noodzakelijk kwaad’, waar ‘we’ niet omheen kunnen om haar staatsfinanciën op orde te brengen. Hebben we dat niet al dertig jaar gehoord en gaat dat niet al dertig jaar ten koste van onze gezinsbegrotingen? Toch heeft de bourgeoisie niet de illusie dat ze met zulke praatjes de onvrede en groeiende ongerustheid binnen de arbeidersklasse over de komende aanvallen weg kan nemen. Daarvoor zijn nog andere middelen nodig.

Achter de ‘verdediging van de democratie’ gaan de belangen van de kapitalistische staat schuil

Sinds het najaar van 2004 slagen de vakbonden er in om de dreiging van strijdbaarheid op te vangen binnen de afzonderlijke bedrijfstakken. Die dreiging kan zo gemakkelijker worden weggeleid naar afmattende  onderhandelingen per bedrijf, terwijl ze, waar nodig, in machteloze vakbondsacties van haar kracht wordt ontdaan. De rechtstreekse aanval van minister De Geus had niet het gewenste effect en riep teveel weerstand op bij de arbeidersklasse. Daarom staan de vakbonden nu op het voorplan; met ‘kritische kanttekeningen’ en ‘aanpassingen’ zijn zij het die proberen maatregelen zoals de afschaffing van de vervroegde pensioenen er alsnog door te drukken.

Deze politiek van de vakbonden is alleen mogelijk omdat het de arbeidersklasse nog aan zelfvertrouwen ontbreekt, omdat er nog illusies bestaan over de mogelijkheden om het kapitalisme te ‘hervormen’, omdat er verwarring heerst over de eigen kracht en mogelijkheden.

Dat is nog versterkt door de campagnes over de overwinning van het ‘liberale kapitalisme’ en de ‘democratie’ (1). Dit vertrouwen in de ‘democratische staat’ is in Nederland van oudsher groot en het heeft een rampzalige invloed binnen de arbeidersklasse. De staatsorganen, van vakbonden en wijkraden tot politie en leger, kunnen zo worden voorgesteld als een verlengstuk van de ‘wil van het volk’. De kapitalistische staat zou ons, als burgers, kunnen beschermen en we zouden voor onze welvaart en voor ons welzijn afhankelijk zijn van diezelfde burgerlijke staat. Zo wordt de ontwikkeling van het bewustzijn van de eigen identiteit van de arbeidersklasse tegenover de bourgeoisie ondergraven: telkens weer wordt benadrukt dat we allemaal ‘verantwoordelijke burgers’ moeten zijn, die op voet van gelijkheid met elkaar omgaan en uiteindelijk, uitbuiters en uitgebuiten tezamen, dezelfde belangen hebben. Zo wordt de ontwikkeling van het eigen strijdvermogen afgeremd en het bewustzijn beneveld.

Sinds de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh zijn die campagnes in Nederland nog versterkt door de schijntegenstelling tussen de nette, gematigde partijen aan de ene kant, en aan de andere het populistische geschreeuw om ‘harde maatregelen’ tegen de verloedering van de maatschappij en de gevaren van het terrorisme, compleet met haat- en wraak-campagnes en het opkloppen van xenofobie. Wanneer de bourgeoisie grote moeite heeft om de sociale ontbinding binnen haar eigen gelederen onder controle te houden, dan slaagt ze er toch uitstekend in om die tegen de arbeidersklasse uit te spelen en de ‘democratische staat’ voor de stellen als de enige instelling die ons voor chaos kan behoeden.

Tegenover de crisis: verenigde klassenstrijd!

De aanvallen van de bourgeoisie hebben ook in Nederland in het najaar van 2004 het begin van een brede arbeidersmobilisatie uitgelokt. De terugkeer van het proletariaat op het sociale toneel brengt onvermijdelijk een overdenking in de diepte met zich mee over de betekenis van de massale werkloosheid, de aanvallen op zijn arbeids- en levensvoorwaarden, de ontmanteling van de sociale verzekering en de pensioensystemen. Uiteindelijk kunnen de arbeidersvijandige burgerlijke politiek, en het antwoord dat dit uitlokt, slechts leiden tot een toenemend bewustzijn binnen de arbeidersklasse over het historische bankroet van het kapitalisme en de noodzaak van een maatschappelijk alternatief.

En het is precies om deze geleidelijke bewustwording te vertragen werken de verdedigers van een ‘sociaal Europa’ samen met de coryfeeën van het ‘nee’-kamp. Gezamenlijk eisen ze dat de kapitalistische staat bemiddelt en arbitreert in de conflicten tussen de maatschappelijke klassen, tégen het ‘doorgeschoten liberalisme’ en vóór een ‘welvaartsstaat’ die allang dood en begraven is, maar waarvan vooral de ‘anti-globaliseringsbeweging’ beweert dat die in nieuwe vorm leven kan worden ingeblazen (2). De arbeiders kunnen zulke pogingen om de geloofwaardigheid en ideologische macht van de kapitalistische staat te versterken alleen beantwoorden door strijd te leveren op hun eigen klassenterrein, door ‘nee’ te zeggen tegen de aanvallen op haar arbeids- en levensomstandigheden, door in staking te gaan, door klassensolidariteit te ontwikkelen voor de toekomst van de hele mensheid.

Wereldrevolutie / 10.09.2005

(1) Deze campagnes konden een enorme omvang aannemen met de ineenstorting van het stalinistische Oostblok dat echter niet meer was dan een karikatuur van staatskapitalisme, en al de campagnes die daar bij hoorden over het ‘verdwijnen van de arbeidersklasse’, het  ‘bankroet van het kommunisme’ en de ‘dood van het marxisme’. Zie daarover vooral Kommunistische revolutie of vernietiging van de mensheid. Manifest van het Negende Congres van de Internationale Kommunistische Stroming, 1991.

(2) Zie over de anti-globaliseringsbeweging de artikelen Het anders-globalisme: een valstrik voor de arbeidersklasse, en Tegen het bedrog van het Europees Sociaal Forum: Er is maar één andere wereld mogelijk, het kommunisme, in Internationale Revue nr. 17, 2005.

Eerdere artikelen: Terrorisme, xenofobie en de verdediging van de ‘democratie’: Een aanslag op het bewustzijn van de arbeidersklasse, in Wereldrevolutie, nr. 104, januari 2005; Balans van 2 oktober 2004: samen strijden, de enige keuze!, bijlage bij Wereldrevolutie, nr.103, oktober 2003; Ongekende aanvallen onder democratische voorwendsels, in Wereldrevolutie, nr. 97, september 2002; De democratische campagnes maken nog meer aanvallen op de arbeidersklasse mogelijk, in: Internationalisme, nr. 286, 15 juni 2002; Kiezen voor Paars of voor Pim, in Wereldrevolutie, nr. 96, mei 2002.

Zestiende Congres van de IKS: Zich voorbereiden op de klassengevechten en op de opkomst van nieuwe kommunistische krachten

Afgelopen voorjaar heeft de IKS haar Zestiende Congres gehouden. “Het Congres is het soevereine orgaan van de IKS” staat in onze statuten. Daarom is het zoals altijd onze verantwoordelijkheid tegenover de arbeidersklasse van een dergelijke belangrij­ke ge­beurtenis verslag te doen en de voornaamste oriëntaties ervan naar voren te ha­len (1).

Het verloop van het congres heeft het onderzoek van de heropleving van de klassengevechten en de verant­woordelijkheden die deze heropkomst meebrengt voor onze organisatie in het centrum geplaatst, vooral ten aanzien van de ontwik­keling van een nieuwe generatie van elementen die zich richten op een revolutionair politiek perspectief. Tegelijkertijd blijft de oorlogsbarbarij zich ontketenen in een ka­pitalistische wereld die geconfronteerd wordt met een onoplosbare economische cri­sis; specifieke rapporten over de imperia­listische conflicten en de crisis zijn tijdens het congres voorgesteld, bediscussieerd en goedgekeurd. De wezenlijke elementen van deze rapporten worden weergegeven in de resolutie over de in­ternationale situatie.

Deze resolutie herinnert eraan dat de IKS de huidige historische periode analyseert als de ultieme fase van het verval van het kapitalisme, de fase van ontbinding van de bur­gerlijke maatschappij, waarin deze laatste bij levende lijve verrot. Zoals we al herhaal­delijk uit­eengezet hebben komt deze ontbinding voort uit het feit dat geen van beide onverzoenlijk tegenover elkaar staande klassen van de maatschappij,  bourgeoisie en proletariaat, erin slaagt om, tegenover de onherroepelijke historische ineenstorting van de kapitalistische economie, haar eigen antwoord door te zetten: de wereldoorlog voor de eerste, de kommunistische revolutie voor de tweede. Deze historische voorwaarden bepalen de wezenlijke kenmerken van het leven van de huidige burgerlijke maat­schappij. Het is met name in het kader van deze analyse van de ontbinding dat we het voortduren en verergeren kunnen begrijpen van een hele reeks calamiteiten die de mensheid vandaag teisteren, in de eerste plaats de oorlogsbarbarij, maar ook andere verschijnselen zoals de onstuitbare vernietiging van het milieu of de rampzalige ge­volgen van ‘natuurram­pen’ zoals de tsunami van vorige winter. Deze historische voor­waarden die samengaan met de ontbinding drukken ook zwaar op het proletariaat en op zijn revolutio­naire organisaties en vormen een van de voornaamste oorzaken van de moeilijkheden die onze klasse en onze organisatie sinds het begin van de jaren 1990 ondervinden, zoals we in voorgaande artikelen al vaak hebben aangetoond (zie Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 62).

De heropleving van de klassengevechten

Het Vijftiende Congres had vastgesteld dat de IKS haar crisis van 2001 overwonnen had, in het bijzonder omdat zij begrepen had dat die crisis een uitdrukking in onze eigen ran­gen was van de verderfelijke effecten van de ontbinding. Tegelijkertijd had het con­gres de moeilijkheden vastgesteld die de arbeidersklasse bleef ondervinden in haar strijd tegen de kapitalistische aanvallen, met name haar gebrek aan zelfvertrouwen.

Sinds dit congres echter, dat in het voorjaar van 2003 gehouden werd, kon de voltalli­ge vergadering van het centraal orgaan van de IKS in de herfst van dat­zelfde jaar on­derstrepen: “De grootschalige mobilisaties van het voorjaar 2003 in Frankrijk en Oostenrijk vertegenwoordigen een keerpunt in de klassenstrijd sinds 1989. Ze zijn een eerste stap van betekenis in het herstel van de strijdwil van de ar­beidersklasse na de langste periode van terugval sinds 1968.” (Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 119).

Zo’n keerpunt in de klassenstrijd kwam niet als een verrassing voor de IKS, want het vijftiende congres kondigde dit vooruitzicht al aan. De resolutie over de internationale situa­tie die door het zestiende congres is aangenomen, precizeert in dat verband:

“De gevechten in de periode 2003-2005 hebben de volgende kenmerken vertoond:

  • zij betroffen belangrijke sectoren van de arbeidersklasse in landen in het hart van het wereldkapitalisme (zoals Frankrijk in 2003);
  • zij drukten een bekommernis uit om meer uitdrukkelijk politieke kwesties;
  • voor het eerst sinds de revolutionaire golf hebben zij Duitsland weer als centraal punt voor de arbeidersgevechten doen verschijnen;
  • de kwestie van de klassensolidariteit heeft zich op veel bredere en explicietere wijze gesteld dan op welk moment ook in de jaren 1980, met name in de recente bewegin­gen in Duitsland.”

De resolutie die het Zestiende Congres heeft aangenomen stelt vast dat verschillende mani­festaties van dit keerpunt in de krachtsverhouding tussen de klassen “samengegaan zijn met de opkomst van een nieuwe generatie van elementen die op zoek zijn naar po­litieke duidelijkheid. Deze nieuwe generatie heeft zich zowel gemanifesteerd in een nieuwe toevloed van openlijk gepolitiseerde elementen als in nieuwe lagen arbeiders die voor de eerste keer de strijd aangaan. Zoals bepaalde belangrijke manifestaties hebben duidelijk gemaakt, wordt op dit moment de basis gesmeed voor de eenheid tus­sen de nieuwe generatie en de ‘generatie van ‘1968’ – zowel de politieke minderheid die in de jaren 1960 en 1970 de kommunistische beweging heropbouwde als de bredere la­gen arbeiders die de rijke ervaring van de klassenstrijd tussen 1968 en 1989 hebben meege­maakt.

De verantwoordelijkheid van de IKS tegenover de opkomst van nieuwe revolutionaire krachten

De andere wezenlijke bekommernis van het zestiende congres is dan ook geweest om onze organisatie opge­wassen te maken tegen haar verantwoordelijkheid tegenover de op­komst van deze nieuwe elementen die zich oriënteren op de klassenstandpunten van de Kommunistische Linkerzijde. Dat brengt met name de activiteitenresolutie die het congres heeft aangenomen tot uitdrukking: “De strijd om de nieuwe generatie te winnen voor de klassenstandpunten en voor het militantisme staat vandaag centraal in al onze activiteiten. Dat geldt niet alleen voor onze tussenkomst, maar voor het geheel van onze politieke overdenking, van onze dis­cussies en van onze militante bekommernissen.

Dit werk van hergroepering van nieuwe militante krachten omvat met name hun ver­dediging tegen alle pogingen om hen te vernietigen of in impasses te leiden. En die verdediging kan enkel tot een goed einde gebracht worden wanneer de IKS zichzelf weet te verdedigen tegen de aanvallen waarvan zij het doel­wit is. Het vorige congres had reeds vastgesteld dat onze organisatie in staat was ge­bleken de bijzonder onge­rechtvaardigde aanvallen van de IFIKS (2) af te slaan, waar­door deze haar verklaarde doel niet konden bereiken, namelijk de IKS te vernietigen, of tenminste het grootst mogelijke aantal afdelingen ervan. In oktober 2004 heeft de IFIKS een nieuwe aanval tegen onze organisatie ondernomen, waarbij ze zich baseerde op de lasterlijke verkla­ringen van een ‘Circulo de Comunistas Internaciona­listas’ in Argentinië, die zich voorstelde als de opvolger van de ‘Nucleo Comunista Internacional’ (NCI) waarmee de IKS sinds eind 2003 discussies en con­tacten ontwikkeld had. Spijtig genoeg heeft het IBRP zijn steentje bijgedragen aan dit schandalige manoeuvre door in verschillen­de talen één van de meest leugenachtige en hysterische verklaringen van deze ‘Circulo’ tegen onze organisatie te publiceren, en die maandenlang op de IBRP-website te laten staan. Door omgaand do­cumenten op onze internetsite te publiceren hebben we deze aanval kunnen afslaan en de aanvallers tot zwijgen kunnen brengen. De ‘Circulo’ werd ontmaskerd voor wat zij was: een fictie uitgevonden door burger B., een armzalig avonturier op het zuidelijk halfrond. Want de strijd tegen dit offensief van de ‘triple alliantie’ van avonturisme (B.), parasitisme (IFIKS) en opportunisme (IBRP) was tegelijk een strijd voor de verdediging van de NCI als inspan­ning van een kleine kern kameraden om inzicht te ontwikkelen in de standpun­ten van de Kommunistische Linkerzijde en een band te smeden met de IKS (3).

Voor dit werk gericht op zoekende elementen, moet de IKS een vastberaden tussen­komst voeren. Maar zij moet ook alle aan­dacht geven aan de diepgang van de argu­mentatie die in discussies naar voren wordt gebracht, en aan de kwestie van het poli­tieke gedrag. Anderzijds moet het opkomen van nieuwe kommunistische krachten een ster­ke aansporing zijn voor de overdenking en de energie, niet alleen van de militan­ten, maar ook van de elementen die getroffen wer­den door de teruggang van de arbei­dersklasse vanaf 1989: “De gevolgen van de hui­dige historische ontwikkelin­gen zul­len een gedeelte van de generatie van 1968 op­nieuw politiseren, elementen die eerder af­geleid en vergiftigd werden door burgerlijk links. Die gevolgen hebben al oude mili­tanten terug in beweging gebracht, niet al­leen van de IKS, maar ook van an­dere pro­letarische organisaties. Elk van de manifestaties van deze fermentatie vertegenwoor­digt een kostbaar potentieel voor het opnieuw verwerven van de klassenidenti­teit, de strijdervaring, en het historisch perspectief van het proletariaat. Maar deze verschil­lende potentiëlen kunnen zich maar realiseren wanneer ze samengebracht worden door een organisatie die het historisch bewust­zijn, de marxistische methode en de or­ganisatorische aanpak vertegenwoordigt die vandaag alleen de IKS kan bie­den. Dat maakt de voortdurende ontwikke­ling van de historische capaci­teiten met het oog op de lange termijn, het militante begrip en de centralisatie van de or­ganisatie tot cru­ciale elemen­ten voor het historisch erspectief”.

Het congres heeft het grote belang onderstreept van het theoretische werk in de huidi­ge situatie:

“De organisatie kan slechts aan haar verantwoordelijkheden voldoen, zo­wel tegenover de revolutionaire minderheden, als tegenover de klasse in haar geheel, wanneer ze in staat is het proces te begrijpen dat de toekomstige partij voorbereidt in de bredere context van de algemene evolutie van de klassenstrijd. Het vermogen van de IKS om de veranderende krachtsverhouding tussen de klassen te analyseren, om tussen te komen in de gevechten en in de politieke overdenking in de klasse, is van be­lang voor de evolutie van de klassenstrijd op lange termijn. Maar vandaag al, op de kor­te termijn, is het cruciaal voor de verovering van onze leidende rol jegens de nieu­we gepo­litiseerde generatie. De organisatie moet deze theoretische overdenking voortzetten, zoveel mogelijk concrete lessen trekken uit haar tussenkomst, en de sche­ma’s van het ver­leden voorbijstreven.

Tenslotte heeft het congres bijzondere aandacht besteed aan de kwestie die het plat­form van onze organisatie afsluit: “De verhoudingen tussen de verschillende delen van de organisatie en de verschillende militan­ten vertonen noodzakelijkerwijs de spo­ren van de kapi­talistische maatschappij en kunnen daarom geen eilandje van kommunistische ver­houdingen binnen het kapitalisme vormen. Toch mogen zij niet in flagrante tegenspraak zijn met het doel dat de revolutionairen nastreven en zij base­ren zich noodzakelijkerwijs op een onderlinge solidariteit en een wederzijds vertrou­wen, die erop wijzen dat de organisatie tot de klasse behoort die draagster is van het kommunisme.

Een dergelijke vereiste vraagt, net als alle andere vereisten waaraan een marxisti­sche orga­nisatie het hoofd moet bieden, om theoretische overdenking: “In die mate dat de organisatievraagstukken en de kwesties van politiek gedrag van­daag centraal staan in de debatten binnen en buiten de organisatie, zal de discussie van de verschillen­de oriëntatieteksten [die deze onderwerpen behandelen]een centra­le krachtlijn van ons theoretisch werk in de komende twee jaar vormen. Deze vraag­stukken leiden ons naar de wortels van de recente organisatori­sche crises, ze raken de fundamentele ba­sis van ons militante engagement, en vormen cen­trale kwesties van de revolutie in het tijd­perk van de ontbinding. Ze zijn dus geroepen om een cen­trale rol te spelen in de her­nieuwing van de militante overtuiging en in het herwinnen van de smaak voor de theo­rie en voor de marxistische methode, die ieder vraagstuk met een histori­sche en theoretische benaderingswijze behandelt.”

Enthousiasmerende perspectieven

De congressen van de IKS zijn altijd momenten van enthousiasme voor het geheel van haar leden. Hoe zou het ook anders kunnen wanneer militanten uit drie continenten en dertien lan­den, gedreven door dezelfde overtuiging, elkaar ontmoeten om samen te discussiëren over de vooruitzichten van de historische beweging van het proletariaat. Maar het Zestiende Congres was nog meer enthousiasmerend dat de meeste vorige.

Gedurende bijna de helft van de dertig jaar van haar bestaan, beleefde de IKS een terug­val in het bewustzijn van het proletariaat, de verstikking van zijn strijd en de uitdro­ging van de toestroom van nieuwe militante krachten. Gedurende meer dan tien jaar was één van de centrale ordewoorden van onze organisatie ‘standhouden’. Het was een moeilijke be­proeving en een aantal van haar ‘oude’ militanten heeft deze niet doorstaan (met name degenen die de IFIKS gevormd hebben, en zij die de strijd opge­geven hebben tijdens de crises die we in de loop van deze periode hebben gekend).

Momenteel, nu het vooruitzicht opklaart, kunnen we zeggen dat de IKS als geheel de test doorstaan heeft en dat ze er versterkt uit te voorschijn is gekomen. Een politieke verster­king, zoals de lezers van onze pers kunnen vaststellen (die ons een toenemend aantal aan­moedigende brieven sturen). Maar ook een numerieke versterking aangezien het aantal nieuwe toetredingen vandaag het aantal ontslagen dat we met de crisis van 2001 moesten verwerken overtreft. En wat daarbij opmerkelijk is, is dat een aanzien­lijk deel van die nieuwe leden jonge elementen zijn, die niet de misvormingen hebben moeten ondergaan en te boven komen van militantisme in ultralinkse organisaties. Jonge ele­menten wier dynamisme en enthousiasme honderd keer de vermoeide en op­gebruikte ‘militante krachten’ vervangen die ons hebben verlaten.

Het enthousiasme op het Zesteinde Congres was een lucide enthousiasme. Het had niets te maken met de bedrieglijke euforie die we meemaakten op an­dere congressen van onze or­ganisatie (een euforie die in het bijzonder werd uitgedragen door degenen die ons onder­tussen verlaten hebben). Na dertig jaar heeft de IKS geleerd (4), soms met smart, dat de weg die naar de revolutie leidt geen snelweg is, maar een bochtige weg, vol klemmen en voetangels, en bezaaid met valstrikken die de heersende klasse gereed houdt om haar doodsvijand, de arbeidersklasse, af te leiden van zijn his­torische doel. De leden van onze organisatie weten van­daag maar al te goed dat militeren geen ge­makkelijke zaak is. Het vraagt niet alleen een stevige overtuiging, maar ook veel zelf­opoffering, volharding en geduld.

Het bewustzijn van de moeilijkheid van onze taak ontmoedigt ons echter niet. Inte­gendeel, het is een factor die ons enthousiasme nog vergroot.

Op dit moment vertoont het aantal deelnemers aan onze openbare bijeenkomsten een aanzienlijke groei, terwijl we een toenemend aantal brieven ontvangen uit Grieken­land, Rusland, Moldavië, Brazilië, Argentinië, Algerije, waarin mensen zich direct kandidaat stellen om lid te worden van onze organisatie, voorstellen om discussies aan te knopen of eenvoudigweg om publicaties vragen, maar altijd in een militant per­spectief. Al deze elementen staan ons toe te hopen op een ontwikkeling van de aanwe­zigheid van kommunistische standpunten in landen waar de IKS nog geen afde­ling heeft, of zelfs op de oprichting van nieuwe afdelingen in die landen. Wij begroe­ten de kamera­den die zich richten op de kommunistische standpunten en op onze or­ganisatie. Wij zeggen hen: “Jullie hebben de juiste keuze gemaakt, de enig mogelijke wanneer je het vooruitzicht hebt je te integreren in de strijd voor de proletarische re­volutie. Maar het is niet de gemakkelijkste keuze: je zult geen snelle successen beha­len, er zal geduld nodig zijn en doorzettingsvermogen, en je moet je niet laten ont­moedigen wan­neer de bereikte resultaten niet beantwoorden aan jullie verwachtin­gen. Maar jullie staan niet alleen: de huidige militanten van de IKS staan aan jullie zijde en zijn zich bewust van de verantwoordelijkheid die jullie toenadering voor hen meebrengt. Hun wil, die zij op het Zestiende Congres tot uitdrukking hebben gebracht, is om opgewassen te zijn tegen deze verantwoordelijkheid.”

IKS

(1) Een uitvoeriger verslag van het werk van dit congres is verschenen in Internatio­nale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 122.

(2) De zogenaamde ‘Interne fractie van de IKS’, samengesteld uit militanten die lange tijd deel uitmaakten van onze organisatie, die zich begonnen te gedragen als hysteri­sche fanatiekelingen op zoek naar zondebokken, als boeven en tenslotte als verklik­kers.

(3) Zie in dit verband ons artikel Nucleo Comunista Internacional: een inspanning tot bewustwording van het proletariaat in Argentinië in Internationale Revue, Engels-, Frans- en Spaanstalige uitgave, nr. 120.

(4) Of beter gezegd opnieuw geleerd, want het was een les waarvan de kommunistische or­ganisaties in het verleden zich zeer goed bewust waren, in het bij­zonder de Italiaanse Fractie van de Kommunistische Linkerzijde, waarop de IKS zich beroept.

‘Overwinning’ van de nee-stem: Via de stembus wint de bourgeoisie altijd

“Wij hebben gewonnen!”, zo scandeerde op de avond van 29 mei ‘het volk van links’ op het Bastille-plein te Parijs. “Deze overwinning is er vooral een van de arbeiders, van de bedienden, van de jongeren en de werklozen (die) elkaar gevonden hebben bij de stembus om deze liberale dwangbuis te verwerpen”, verklaarde de nationale secretaris van de stalinistische Parti Communiste Français en ze voegde er aan toe: “Deze overwinning werd opgebouwd [...] in een dynamiek van een volksoploop die deed denken aan de grote momenten van het Volksfront of van Mei 1968”; terwijl de trotskist Besancenot van de Ligue des Communistes Révolutionnaires sprak van “een beweging van sociale wraak”. In Nederland verklaarde de ‘democratische’ en ‘progressieve’ Stichting Sociaal Europa in Nederland; “De afwijzing van deze grondwet geeft hoop aan de werklozen en mensen levend in armoede en bestaansonzekerheid. De hoop dat het nee tegen de neoliberale grondwet in Frankrijk en Nederland een omslag in de geschiedenis teweeg zal brengen die leidt tot een radicale heroriëntatie in de Europese politiek.” Een ander linksgeaard Comité Grondwet Nee deed er nog een schepje bovenop: “Deze uitslag is ronduit gunstig voor de toekomst van Europa. De hoge opkomst en de vele discussies geven aan dat Europa leeft onder de bevolking, als de mensen er zelf maar werkelijk iets over te zeggen hebben. In twee van de drie landen waar een referendum is gehouden was er sprake van een hoge opkomst en een duidelijk afwijzen van de Grondwet. Dat geeft aan dat er een breed draagvlak is voor een democratisch en sociaal Europa.”

Links staat op de eerste rij om de overwinning van het NEEN voor te stellen als “een grote overwinning van de arbeidersklasse”. Leugens! De arbeidersklasse heeft niets gewonnen. Integendeel, de bourgeoisie heeft gebruik gemaakt van haar referendum om het klassenbewustzijn te bederven door te profiteren van de illusies die nog sterk leven binnen de arbeidersklasse ten aanzien van de democratie en de verkiezingen.

De proletariërs moeten er over nadenken dat wat hen altijd wordt voorgesteld als “grote arbeidersoverwinningen” steeds de grootste en de gevaarlijkste nederlagen betekenden voor hun klasse. Net zo was het in 1936, met het aantreden van de regering van het Volksfront in Frankrijk, dat vandaag nog steeds wordt voorgesteld als “een grote overwinning” voor de arbeiders, terwijl de regering van dat Volksfront de bourgeoisie in staat stelde om de arbeidersklasse massaal in te kaderen achter de vlag van het antifascisme ten gunste van de verschrikkingen en de slachtpartijen van de Tweede Wereldoorlog. Het is in naam van de grote leugen van “de triomf van de dictatuur van het proletariaat in de USSR”, van “de overwinning van het socialisme in één land” en van “de vooruitgang bij de opbouw van een kommunistische maatschappij”, die een halve eeuw lang hele generaties van arbeiders meesleurde en opofferde op het altaar van de stalinistische contrarevolutie, achter een ideologie van de “verdediging van het socialistisch vaderland”, maar die ook uitgebuit, uitgemoord, gedeporteerd en gevangen werden gezet door datzelfde “vaderland van het socialisme”.

De proletariërs zijn met open ogen in de val gelopen waarbij het hen zó werd voorgesteld dat er met het referendum voor hen iets op het spel stond. Nu buit de bourgeoisie de situatie uit in haar eigen voordeel en het bewustzijn van de arbeiders te ondergraven door hen wijs te maken dat het stembiljet doeltreffender zou zijn dan de klassenstrijd, ook al kunnen de effecten van deze propaganda wel eens heel snel wegsmelten onder druk van de werkelijkheid.

De enorme en voortdurende tamtam rond het referendum, voor, tijdens en erna, heeft slechts één doel: de proletariërs de grove leugen laten slikken dat het meest doeltreffende middel om de bourgeoisie terug te dringen en om hun stem te laten horen en hun ongenoegen uit te drukken, niet de ontwikkeling van de klassenstrijd zou zijn maar het stembiljet. Zo winden de trotskisten van Offensief in Nederland er geen doekjes om: “Nadat de Nederlandse werkende bevolking in het najaar al had laten zien zich niet zonder meer neer te leggen bij draconische bezuinigingsmaatregelen en afbraak van de verzorgingsstaat blijkt nu ook weer dat zij het beleid van het kabinet Balkenende spuugzat is. Op 2 oktober van het vorige jaar gingen meer dan 300.000 mensen uit protest tegen de kabinetsplannen de straat op in Amsterdam. Nu wordt andermaal een belangrijk politiek onderwerp van dit neoliberale kabinet naar de prullenmand verwezen.” (Website offensief: De stem tegen de Grondwet was een stem van de werkende mensen tegen de zakkenvullers).

Een ideologische leugencampagne

Van extreem rechts tot ultralinks, had de niet aflatende ideologische trom, die naar hartelust drie maanden lang werd geroerd, slechts de bedoeling om een maximum aan proletariërs aan te trekken en te ronselen op het verkiezingsterrein.

De bourgeoisie is er inderdaad in geslaagd om de aandacht van de arbeiders te trekken, de ergste verwarringen te zaaien om een maximum aan proletariërs naar het verkiezingsterrein te drijven. Het referendum was alomtegenwoordig in alle media. Het was onmogelijk om te ontsnappen aan de vinnige debatten, de vlammende polemieken omtrent wat er op spel zou staan bij deze stembusslag. Deze ideologische hersenspoeling moest elke ‘burger’, en vooral de proletariërs ervan overtuigen dat deze raadpleging absoluut cruciaal en bepalend was. Alle fracties van de bourgeoisie gingen er prat op dat ze “een groot democratisch debat” konden lanceren en opluisteren. Maar het heeft als enig doel stuurloos te maken en in de hoofden van de arbeiders een maximum aan verwarring en illusies te zaaien. Alle media en politieke verantwoordelijken hebben het uitgeroepen: “stem wat je wilt, maar ga stemmen!” Het voornaamste ideologisch gif dat in deze campagne werd gespuid was dat “niets meer zal zijn als tevoren”, dat de kracht van het ‘nee’, gevoed door de sociale ontevredenheid tegenover de regeringen, de bourgeoisie er toe zou dwingen om van de sociale bekommernis het centrum van haar campagne te maken. Dat is gedeeltelijk waar, maar de enige bedoeling van die manoeuvre was de arbeiders in de democratische val te lokken, in de verkiezingsvalstrik, doordat deze campagne voordien terecht verveling en een totaal gebrek aan belangstelling opwekte in de arbeidersklasse. Maar vanaf het moment dat de regering er in slaagde om de ontevredenheid te kanaliseren rond een referendum, dat ze terughoudender zou worden door de richtlijn Bolkenstein in te trekken, is ze er in geslaagd om de democratische misleiding op het verkiezingsterrein tot nieuw leven te wekken. Maar denkt de bourgeoisie werkelijk ons te kunnen laten geloven dat in de periode ná het referendum alle voorrang zou worden gegeven aan het sociale? Meer dan ooit bestaat de toekomst die het kapitalisme ons biedt uit het versterken van de aanvallen tegen de arbeiders. Deze ideologische propaganda wil ons knollen voor citroenen verkopen, ons laten geloven dat de reactie van de ‘burgers’ de koers van het kapitalisme kan veranderen, de bourgeoisie kan doen buigen en de weg van het liberalisme en de bedrijfsdelocalisaties kan blokkeren. De regeringspolitiek zal geen haarbreed veranderen.

De belangrijkste doelstelling van de bourgeoisie ten opzichte van de proletariërs in om het even welke verkiezing is hen er toe te drijven het collectieve terrein van de strijd te verlaten om hun stem uit te brengen als ‘burger’, geatomiseerd, afgesneden van de klasse, in de terecht zo genoemde ‘isoleercel’ van het stemhokje, op een terrein van drijfzand, dat niet het hunne is maar dat van de bourgeoisie. Voor de arbeidersklasse is het verkiezingsterrein een ideologische valstrik die de ergste verwarringen moet zaaien en moet beletten dat zij haar klassenbewustzijn tot ontwikkeling brengt.

Verkiezingen vormen slechts misleiding

Dat is niet altijd zo geweest. In de negentiende eeuw streden de arbeiders er voor en werden ze zelfs neergeschoten omwille van het algemeen stemrecht. Nu is het andersom. Het zijn de regeringen die alle middelen inzetten waarover ze beschikken opdat een maximum aantal mensen gaat stemmen. Waarom?

Tijdens de hele opkomstperiode van het kapitalisme waren de parlementen de plaats bij uitstek waar de verschillende fracties van de bourgeoisie elkaar bestreden of zich verenigden om hun belangen te verdedigen. Ondanks de gevaren en de illusies die dat met zich meebracht hadden de arbeiders er belang bij om in een periode waarin de proletarische revolutie nog niet op de dagorde stond zich te mengen in de botsingen tussen de burgerlijke fracties en soms bepaalde burgerlijke fracties te steunen tegen andere, om te proberen hun lot binnen het systeem te verbeteren. Zo dwongen de arbeiders in Engeland in 1848 de tien-urige werkdag af en in 1859 werd die ook in België ingevoerd; in 1865 werd de wet op de samenzwering ingetrokken (het recht om zich te organiseren), in Frankrijk werd het vakbondsrecht erkend in 1884, enzovoort.

Maar de toestand werd volslagen anders met het begin van de twintigste eeuw. De maatschappij is toen haar periode van permanente crisis en onvermijdelijke neergang binnengetreden. Het kapitalisme heeft de planeet veroverd en de wereld is verdeeld onder de grootmachten. Elke imperialistische grootmacht kan voortaan alleen nog maar nieuwe markten veroveren ten koste van anderen. Wat toen aanving was een nieuw “tijdperk van oorlogen en revoluties”, zoals in 1919 werd verkondigd door de Kommunistische Internationale. Het werd een tijdperk dat gekenmerkt zou worden door de economische ineenstortingen zoals de crisis van 1929, twee wereldoorlogen en de revolutionaire uitbarsting van het proletariaat in 1905 in Rusland, van 1917 tot 1923 in Rusland, Duitsland, Hongarije en Italië. Om het hoofd te bieden aan deze groeiende moeilijkheden, werd het kapitaal genoodzaakt om voortdurend de macht van haar staat te versterken. Bovendien neigt de staat er steeds meer naar om meester te worden van het geheel van het sociale leven en in de eerste plaats op het vlak van de economie. Deze ontwikkeling van de rol van de staat gaat vergezeld van een verzwakking van de wetgevende macht ten gunste van de uitvoerende. Zoals het Tweede Congres van de Kommunistische Internationale uitsprak: “Het zwaartepunt van het huidige politieke leven is volledig en definitief uit het parlement verdwenen”.

Voor de arbeiders kan er geen sprake meer van zijn een plaats te veroveren binnen het kapitalisme, het gaat er om het omver te werpen omdat dit systeem niet meer in staat is hen duurzame hervormingen noch een lotsverbetering toe te staan.

Voor de bourgeoisie is het parlement een plaats geworden waar de beslissingen die ze elders heeft genomen worden vastgelegd.

Wat overblijft is een ideologische rol van het kiesrecht, die bepalend blijft. De misleidende rol van de parlementaire instellingen bestond reeds in de negentiende eeuw maar was toen bijkomstig, stond ten achter bij haar politieke functie. Momenteel is misleiding de enige functie die nog overblijft voor de bourgeoisie: zij heeft ten doel te laten geloven dat de democratie het kostbaarste gedachtegoed is, dat het de uitdrukking is van de soevereiniteit van het volk, het komt neer op de vrijheid om zelf zijn uitbuiters te kiezen. De parlementaire democratie en vooral het bedrog van de democratische ideologie blijven het beste middel om het arbeidersbewustzijn te vergiftigen en het is het meest doeltreffende en gevaarlijkste ideologische wapen om het proletariaat te onderwerpen.

De aanvallen tegen de arbeiders gingen de laatste maanden steeds verder door en onmiddellijk na deze stembusslag zullen de proletariërs merken dat hun levens- en arbeidsvoorwaarden nog verder zullen aftakelen. De bourgeoisie probeert tijd te winnen om zo het moment van massaler confrontaties met het proletariaat uit te stellen. Ze moet steeds meer ideologische parades vinden en haar uiterste best doen om in de arbeidersklasse de ontwikkeling van het klassenbewustzijn over het bankroet van het kapitalistisch systeem af te remmen. Zoals we vorige maand nog schreven in onze pers in Frankrijk en in Nederland, “De stembusuitslag zal niets veranderen aan de toename van de arbeidersvijandige aanvallen die door de nationale bourgeoisieën worden uitgevoerd, aan de versnelling van de aftakeling van de levensvoorwaarden van de proletariërs, aan de ontslagen, aan de bedrijfsdelocalisaties, aan de groei van de werkloosheid en de tijdelijke en part-timebaantjes, aan het snoeien in alle sociale begrotingen, aan de versnelde ontmanteling van de sociale bescherming. Het zijn allemaal producten van de crisis en verschijnselen van het bankroet van het kapitalistische systeem op wereldschaal.”

Tegenover de vrees voor de toekomst die in het centrum staat van de huidige bekommernissen van de arbeiders, ligt het antwoord niet op het terrein van de verkiezingen noch op dat van de democratie; het ligt in de ontwikkeling van de klassenstrijd, het enige terrein waarop de arbeiders de aanvallen van de bourgeoisie kunnen beantwoorden.

Wim & Lac / 06.06.2005